Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Klimaat en Groene Groei | Staatscourant 2025, 32914 | algemeen verbindend voorschrift (ministeriële regeling) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Klimaat en Groene Groei | Staatscourant 2025, 32914 | algemeen verbindend voorschrift (ministeriële regeling) |
In deze regeling wordt verstaan onder:
Minister van Klimaat en Groene Groei;
strategische opslag als bedoeld in artikel 2, onder 29, van verordening 2017/1938;
de periode tussen 06.00 uur op 1 april van enig jaar tot 06.00 uur op 1 april van het daaropvolgende jaar;
gasopslaginstallatie:
a. met een technische opslagcapaciteit van meer dan 5 TWh;
b. waarvan het gedurende een opslagjaar minstens 50 dagen duurt om deze, indien deze volledig leeg is, volledig te vullen; en
c. die kan worden gebruikt om gas op te slaan ten behoeve van gasvraag in de winter.
1. Toegang tot een gasopslaginstallatie is in ieder geval technisch of economisch noodzakelijk voor een efficiënte toegang tot het systeem als bedoeld in artikel 18g van de Gaswet, indien:
a. de gasopslaginstallatie een seizoensopslag is;
b. het geheel of gedeeltelijk vullen van de gasopslaginstallatie noodzakelijk is voor het realiseren van de op grond van artikel 6bis van verordening 2017/1938 vastgestelde verplichte vuldoelen of het door de minister vastgestelde vuldoel, bedoeld in het tweede lid; en
c. niet gecontracteerde of niet benutte opslagcapaciteit van de opslaginstallatie niet tegen objectieve, transparante en niet-discriminerende voorwaarden aan marktpartijen wordt aangeboden, of redelijkerwijs voorzien is dat deze opslagcapaciteit in het volgende opslagjaar niet tegen objectieve, transparante en niet-discriminerende voorwaarden aan marktpartijen zal worden aangeboden.
2. De minister stelt in het belang van het bepalen van de voor leveringszekerheid benodigde flexibiliteit jaarlijks voor het daaropvolgende opslagjaar, met inachtneming van in ieder geval het overzicht van de leveringszekerheid van gas, bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onderdeel q, van de Gaswet, een nationaal vuldoel vast voor op het Nederlands grondgebied gelegen gasopslaginstallaties om op betrouwbare wijze te kunnen voorzien in de verwachte gasvraag van eindafnemers van gas.
3. Het eerste lid is niet van toepassing op het gedeelte van een gasopslaginstallatie dat gebruikt wordt als noodvoorraad.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 30 september 2025
De Minister van Klimaat en Groene Groei, S.Th.M. Hermans
Gasopslaginstallaties spelen een essentiële rol in de gasvoorziening van Nederland en de ons omringende landen. Zowel op Europees als nationaal niveau zijn sinds 2022 verscheidene maatregelen genomen om ervoor te zorgen dat gasopslaginstallaties tot een gewenst niveau gevuld werden en worden.1 Het belang van gasopslag is verder uiteengezet in de Kamerbrief Visie gasopslagen die het kabinet op 23 juni 2023 aan de Tweede Kamer heeft aangeboden.2 In de Visie gasopslagen en de daaropvolgende Kamerbrieven is verder uiteengezet dat gasopslagen verschillende rollen in het gassysteem vervullen en ieder op een andere wijze bijdragen aan de leveringszekerheid:3
• Seizoensopslag om te voorzien in de hogere wintervraag (zowel bij milde als bij koude winters). Dit betekent dat er voldoende gasvolume moet worden aangehouden in gasopslaginstallaties. Dit vergt opslagcapaciteit. In Nederland betreft dit de opslagen Bergermeer, Grijpskerk en Norg.
• Pieklevering om snel te kunnen leveren bij kortstondige extra vraag. Dit betekent dat er voldoende volume moet worden aangehouden in gasopslaginstallaties waaruit snel geproduceerd kan worden. Dit vergt opslagcapaciteit en onttrekkingscapaciteit. Deze opslagen hebben in de regel minder opslagcapaciteit dan seizoensopslagen omdat deze opslagen alleen ingezet moeten worden tijdens periodes van zeer hoge vraag. In Nederland betreft dit de piekgasinstallatie Alkmaar.
• Multi-cycle of fast-cycle opslag om de (dagelijkse) balanspositie van netgebruikers te kunnen beheersen. Dit betekent dat er voldoende gasvolume moet worden aangehouden in gasopslaginstallaties waaruit snel geproduceerd kan worden en die snel weer gevuld kunnen worden. Dit vergt opslagcapaciteit, onttrekkingscapaciteit en injectiecapaciteit. In Nederland wordt deze functie vervuld door de opslag Zuidwending en door een aantal net over de grens met Duitsland gelegen opslagen.
• Strategische voorraad/noodvoorraad: een noodvoorraad van gas die alleen in noodsituaties (het derde en hoogste niveau van een gascrisis) kan worden ingezet. Dit betekent dat er extra gasvolumes moeten worden aangehouden in gasopslagen die aanvullend geproduceerd kunnen worden. Dit vergt opslagcapaciteit en onttrekkingscapaciteit.
In principe beschikt Nederland over voldoende opslagcapaciteit en bijbehorende onttrekkingscapaciteit om invulling te geven aan alle genoemde functies. Zoals uiteengezet in de Kamerbrief van 14 juli 2025 regelt wetgeving uit de Europese Unie dat deze capaciteit, zo lang dat nodig is, geborgd blijft.4 Voorwaarde is uiteraard wel dat de aanwezige capaciteit ook wordt benut, dat wil zeggen dat de gasopslaginstallaties tijdig worden gevuld tot een adequaat niveau en vervolgens ook worden ingezet wanneer dat nodig is. Tot op heden is dat altijd gebeurd, maar recente ontwikkelingen maken dat dat in de toekomst uitdagender zal zijn. Met het wegvallen van de import van gas uit de Russische Federatie en de sluiting van het Groningenveld zijn immers twee grote bronnen van (seizoens)flexibiliteit verdwenen. In paragraaf 2.2 wordt nader op deze ontwikkelingen ingegaan.
Om te voorkomen dat hierdoor problemen ontstaan met de leveringszekerheid wil het kabinet zeker stellen dat de in de seizoensopslagen aanwezige opslagcapaciteit, zo lang als deze opslagcapaciteit nog nodig is voor de leveringszekerheid, daadwerkelijk kan worden benut. Daarom wordt middels deze regeling verduidelijkt onder welke omstandigheden het technisch of economisch noodzakelijk is dat gasopslagbedrijven onderhandelde toegang tot hun gasopslaginstallaties verlenen. Op gasopslagbedrijven rust reeds, op grond van artikel 18g, eerste lid, van de Gaswet, de verplichting onderhandelde toegang te verlenen, indien dit technisch of economisch noodzakelijk is met het oog op de leveringszekerheid. Het tweede lid van dit artikel biedt de mogelijkheid – waarvan met deze regeling gebruik wordt gemaakt – regels te stellen over de technische of economische noodzakelijkheid dat gasopslagbedrijven onderhandelde toegang tot hun gasopslaginstallaties verlenen. Daarmee kan nadere invulling worden gegeven aan de situaties waarin onderhandelde toegang geldt, bijvoorbeeld omdat hier anders onduidelijkheid over zou ontstaan of marktomstandigheden daar aanleiding toe geven.5
Zoals hiervoor aangeven kent Nederland drie seizoensopslagen, te weten Bergermeer, Grijpskerk en Norg:
• Bergermeer is een opslag voor hoogcalorisch gas (hierna: H-gas) die voor 60% eigendom is van TAQA Energy B.V. (hierna: TAQA) en voor 40% van EBN, met TAQA als beheerder. De opslagcapaciteit bedraagt 49,65 TWh, waarmee Bergermeer de grootste opslag voor H-gas in de Europese Unie is. Deze opslagcapaciteit wordt via een veilingsysteem aangeboden aan marktpartijen. De opslag is sinds 2014 in gebruik.
• Grijpskerk is een opslag voor laagcalorisch gas (hierna: L-gas) die eigendom is van de Nederlandse Aardolie Maatschappij (hierna: NAM) (60%) en EBN (40%), met NAM als beheerder. De opslagcapaciteit heeft een omvang van 23,85 TWh. Sinds de ingebruikname van deze opslag in 1997 wordt deze exclusief gebruikt door GasTerra.
• Norg is eveneens een opslag voor L-gas die eigendom is van NAM (60%) en EBN (40%), met NAM als beheerder. Norg heeft een opslagcapaciteit van 59,34 TWh en is daarmee de grootste opslag voor L-gas in de Europese Unie. Ook deze opslag wordt sinds de ingebruikname in 1997 exclusief door GasTerra gebruikt.
Met deze drie seizoensopslagen beschikt Nederland over in totaal 132,84 TWh aan seizoensopslagcapaciteit, waarvan 49,65 TWh H-gas en 83,19 TWh L-gas. Als ook de andere typen opslagen worden meegenomen bedraagt de Nederlandse opslagcapaciteit 144 TWh.
Tot enige jaren geleden voorzag het Groningenveld voor een groot deel in de flexibiliteit die nodig was om het verschil tussen de gasvraag in de zomer en in de winter te overbruggen. In tegenstelling tot veel andere gasvelden was het bij het Groningenveld relatief eenvoudig in de winter meer gas te produceren dan in de zomer. In combinatie met de L-gas-opslagen zorgde dit ervoor dat op afdoende wijze in de sterk over de zomer en winter variërende vraag naar L-gas werd voorzien. Deze vraag varieert sterk per stookseizoen, omdat L-gas in belangrijke mate in de gebouwde omgeving wordt gebruikt voor ruimteverwarming. Gelet op de aardbevingenproblematiek is de gaswinning uit het Groningenveld versneld afgebouwd en inmiddels ook wettelijk beëindigd. Daarmee is het Groningenveld als bron van seizoensflexibiliteit volledig weggevallen.
Daarnaast hebben de inval van de Russische Federatie in Oekraïne en daaropvolgende acties en maatregelen ervoor gezorgd dat de aanvoer van gas uit de Russisch Federatie vrijwel volledig is weggevallen. In Nederland is dit gas in belangrijke mate vervangen door extra import, met name in de vorm van import van LNG. Hoewel de aanvoer van dit LNG stabiel is, is er sprake van een langere aanvoerketen met meerdere schakels. Daardoor neemt de kans op eventuele verstoringen toe. Verder kent de aanvoer van LNG een relatief vlak patroon. Dat wil zeggen dat er in de zomer vrijwel evenveel wordt aangevoerd als in de winter. Om dan alsnog te voorzien in de benodigde seizoensflexibiliteit zijn seizoensopslagen essentieel. Dit wordt nog eens versterkt doordat de aanvoer van Noors gas, net als de aanvoer van gas via België en het Verenigd Koninkrijk, een tegengesteld seizoenspatroon laat zien: in de zomer wordt er meer aangevoerd dan in de winter.
Verder is met de beëindiging van de gaswinning uit het Groningenveld besloten om de activiteiten van GasTerra af te bouwen. Op 1 oktober 2026 zal GasTerra de operationele activiteiten hebben beëindigd.6 Dit heeft ook gevolgen voor de inzet van de seizoensopslagen Norg en Grijpskerk, die exclusief door GasTerra worden gebruikt. GasTerra zal de gasopslagen Norg en Grijpskerk in 2026 niet meer kunnen vullen. Volgens de huidige inzichten zal GasTerra deze opslagen per 1 april 2026 leeg opleveren aan NAM. Het is op dit moment nog niet bekend of en hoe NAM deze opslagen vervolgens zal inzetten. In het scenario dat Norg en Grijpskerk niet worden gevuld, kan de situatie ontstaan dat de opslagcapaciteit van Norg en Grijpskerk feitelijk wordt onttrokken aan de markt en niet wordt benut.
De hiervoor geschetste veranderingen hebben het speelveld drastisch veranderd. Gezien de centrale rol van de Nederlandse seizoensopslagen in de Noordwest-Europese gasvoorziening en het intensieve gebruik van deze opslagen, is het noodzakelijk nader in te vullen wanneer er sprake is van de technische of economische noodzakelijkheid van derdentoegang. Daarmee wordt verduidelijkt dat er sprake van kan zijn dat onderhandelde derdentoegang moet worden geboden tot seizoensopslagen aan partijen die daar behoefte aan hebben, op een objectieve, transparante en niet-discriminatoire wijze.
De regeling heeft als doel om de toegang van marktpartijen tot de seizoensopslagen te verzekeren zodat er voldoende gas is opgeslagen voorafgaand aan de winter, teneinde de leveringszekerheid van Nederland en Noordwest-Europa beter te borgen. Dit wordt gedaan door te verduidelijken wanneer sprake is van een technische of economische noodzakelijkheid voor een efficiënte toegang tot het systeem voor de levering aan netgebruikers.
Deze regeling verduidelijkt wanneer ingevolge artikel 18g, eerste lid, van de Gaswet een gasopslagbedrijf is verplicht onderhandelde derdentoegang te bieden door regels te stellen over de technische of economische noodzakelijkheid voor een efficiënte toegang tot het systeem voor de levering aan netgebruikers. De regeling maakt duidelijk dat in ieder geval onderhandelde derdentoegang moet worden geboden indien aan de volgende drie cumulatieve criteria wordt voldaan.
Ten eerste moet sprake zijn van een seizoensopslag als bedoeld in artikel 1 van deze regeling. In Nederland kwalificeren Norg, Grijpskerk en Bergermeer als seizoensopslagen als bedoeld in deze regeling. De Piekgasinstallatie Alkmaar kent slechts een technische capaciteit van 5 TWh en is daarmee geen seizoensopslag als bedoeld in deze regeling. Voorts geldt dat de Piekgasinstallatie Alkmaar vanaf 2026 wordt gebruikt voor het aanhouden van een noodvoorraad.7 Artikel 2, eerste lid, van deze regeling is niet van toepassing op het gedeelte van een gasopslaginstallatie dat gebruikt wordt ten behoeve van een noodvoorraad. Zie voor een toelichting op de kenmerken van een seizoensopslag de artikelsgewijze toelichting. Onderstaande tabel geeft de kenmerken van de verschillende in Nederland aanwezige gasopslaginstallaties weer.
|
Gasopslaginstallatie |
Technische capaciteit (TWh) |
Dagen om te vullen1 |
Teneinde levering gas in de winter |
|---|---|---|---|
|
UGS Norg |
59,3 |
132,1 |
Ja |
|
UGS Grijpskerk |
23,9 |
154,8 |
Ja |
|
UGS Bergermeer |
49,7 |
125,7 |
Ja |
|
Piekgasinstallatie Alkmaar |
5 |
125 |
Ja |
|
UGS Energystock |
3,6 |
11,4 |
Nee |
Dit is berekend door de technische capaciteit in TWh te delen door de injectiecapaciteit in GWh/dag, op basis van de data op het Europees transparantieplatform voor opslag. Dit platform is raad te plegen op de website https://agsi.gie.eu.
Op grond van artikel 6bis, eerste lid, van Verordening (EU) 2017/1938 zijn lidstaten verplicht om tussen 1 oktober en 1 december een vuldoel van 90% te behalen. De vuldoelstelling voor elke lidstaat wordt verlaagd met het volume dat tijdens de referentieperiode 2016 tot en met 2021 aan derde landen is geleverd indien het gemiddelde geleverde volume tijdens de onttrekkingsperiode voor gasopslaginstallatie (oktober-april) meer dan 15 TWh per jaar bedroeg. Nederland heeft hieraan voldaan door meer dan 15 TWh per jaar aan het Verenigd Koninkrijk te leveren in de referentieperiode 2016 tot en met 2021 tijdens de maanden oktober en april. Het vuldoel dat Nederland verplicht is te behalen tussen 1 oktober en 1 december bedraagt daarmee 74%. De regelgeving van de Europese Unie schrijft enkel een percentage van de beschikbare opslagcapaciteit voor.
Ervan uitgaande dat alle opslagen volledig gevuld worden zouden UGS Norg en Bergermeer als seizoensopslagen nodig zijn om het verplichte Europese vuldoel te halen. Dit is ook het geval als gekeken wordt naar de historische vulgraad tussen 1 oktober en 1 december 2022, 2023 en 2024.
In december 2022 heeft het kabinet voor het eerst een niet-bindende vulambitie geformuleerd voor 1 november 2023.9 Vervolgens heeft het kabinet ook voor 1 november 2024 en 1 november 2025 een vulambitie geformuleerd.10 Deze vulambities zijn tot dusver altijd hoger geweest dan het verplichte vuldoel dat volgt uit Europese wet- en regelgeving en zijn opgesteld met in achtneming van de analyses van GTS. GTS heeft in haar analyses de bevoegde Minister geadviseerd over de minimaal te behalen vulgraad om de leveringszekerheid tijdens de winter veilig te stellen.
In het voorstel voor de Wet bestrijden energieleveringscrisis (Wbe), dat in voorbereiding is, wordt ook in de wet vastgelegd dat de Minister van Klimaat en Groene Groei elk jaar een vuldoel formuleert op basis van het overzicht leveringszekerheid van GTS. Vooruitlopend op dit systeem uit het voorstel voor de Wbe bepaalt artikel 2, tweede lid, van deze regeling dat de Minister, zoals sinds 2022 reeds de praktijk is, elk jaar een vuldoel vaststelt met inachtneming van het overzicht leveringszekerheid dat GTS op grond van artikel 10a, eerste lid, onderdeel q, van de Gaswet vaststelt. Hiermee kan mede worden bepaald of derdentoegang tot de seizoensopslagen technisch of economisch noodzakelijk is om te garanderen dat er voldoende flexibiliteit is tijdens de wintermaanden. Aangezien elk jaar een nieuw vuldoel wordt vastgesteld, zal elk jaar beoordeeld moeten worden of aan het criterium in artikel 2, eerste lid, onderdeel b, voldaan wordt.
Op 30 september 2025 heeft de Minister, conform het overzicht leveringszekerheid van GTS, een nationaal vuldoel van 115 TWh vastgesteld voor 1 november 2026 voor de gasopslaginstallaties Norg, Grijpskerk, Bergermeer en PGI Alkmaar.11 Dit door de minister vastgestelde vuldoel is het nationale vuldoel, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel b, van deze regeling, en is daarmee medebepalend voor de beoordeling van de technische of economische noodzaak van derdentoegang tot een gasopslaginstallatie. GTS wijst er in het overzicht leveringszekerheid op dat voor het doel van 115 TWh in de seizoensopslagen en PGI Alkmaar gezamenlijk, ca. 62 TWh in Norg en Grijpskerk gevuld zal moeten worden. GTS gaat er ook vanuit dat 53 TWh in PGI Alkmaar en Bergermeer gevuld zal worden.12 Daarvoor zijn de seizoensopslagen Bergermeer, Grijpskerk en Norg nodig om het nationale vuldoel te halen.
Uiteindelijk zal de behoefte aan gasopslagcapaciteit afnemen en kunnen gasopslaginstallaties mogelijk uit gebruik worden genomen. Bij de beoordeling of een gasopslaginstallatie noodzakelijk is voor het realiseren van het door de Minister vastgestelde vuldoel, moet daarom ook worden meegenomen of voor de gasopslaginstallatie bij de Minister een aanvraag voor instemming met een winningsplan voor het winnen van het kussengas is ingediend dan wel een verzoek bij de ACM tot de beëindiging van de opslagfunctie van de gasopslaginstallatie. Dit maakt dat de toegang tot de resterende gasopslaginstallaties goed geregeld moet zijn.
Naast de vraag of de gasopslaginstallatie een seizoensopslag is die noodzakelijk is voor het behalen van de Europese en nationale vuldoelen, is het ook van belang dat opslagcapaciteit daadwerkelijk gecontracteerd en benut wordt en, indien het voorgaande niet het geval is, beschikbaar wordt gesteld aan de markt. Anders worden de Europese of nationale vuldoelen immers niet bereikt. Of een gasopslaginstallatie voldoende benut wordt, is af te leiden aan hoe de capaciteit gebruikt zal worden door marktpartijen en vervolgens aangeboden wordt aan de markt. De enkele vaststelling dat redelijkerwijs voorzien is dat niet gecontracteerde of niet benutte opslagcapaciteit niet zal worden aangeboden (bijvoorbeeld omdat er geen systeem is om deze capaciteit op afschakelbare basis aan de markt aan te bieden), zou voldoende kunnen zijn om aan dit criterium te voldoen. Een niet-uitputtende lijst van voorbeelden van gevallen waar in elk geval sprake zal zijn van een situatie als bedoeld in dit onderdeel, zijn:
• Een marktpartij die een aanzienlijk deel van de opslagcapaciteit van een gasopslaginstallatie had of heeft gecontracteerd geeft te kennen, in verband met het aanstaande einde van deze marktpartij, opslagcapaciteit niet langer (volledig) te contracteren of te benutten en deze capaciteit wordt niet aangeboden aan de markt (op afschakelbare basis, op de secundaire capaciteitsmarkt of via een use-it-or-lose-it constructie);
• Een marktpartij, die een aanzienlijk deel van de opslagcapaciteit heeft gecontracteerd, is het op grond van (sanctie)wetgeving niet toegestaan om opslagcapaciteit te benutten en deze capaciteit wordt niet (op afschakelbare basis, op de secundaire capaciteitsmarkt of via een use-it-or-lose-it constructie) aangeboden aan de markt; of
• Een zeer groot deel van de opslagcapaciteit blijft ongecontracteerd en wordt niet aangeboden aan de markt, terwijl deze capaciteit wel nodig is om de Europese en nationale vuldoelen te halen.
De uiteindelijke beoordeling in een concreet geval is aan de ACM. Ook indien redelijkerwijs is te voorzien dat een situatie als een van de bovenstaande zich niet in het huidige opslagjaar, maar in het aankomende opslagjaar zal voordoen, zal sprake zijn van een situatie als bedoeld in dit onderdeel. Als slechts uitgegaan zou kunnen worden van situaties waarin deze omstandigheden zich reeds voordoen, kan het, vanwege de benodigde inspanningen en werkzaamheden onmogelijk worden opslagcapaciteit die noodzakelijk is voor de Europese en nationale vuldoelen tijdig te benutten.
De voorwaarde in onderdeel c moet echter niet zodanig begrepen worden, dat langzamere of beperktere vulling die ontstaan is door negatieve of zeer minimale positieve zomer/winter-spreads opeens leiden tot toepassing van onderhandelde derdentoegang. Bij een negatieve of zeer minimale positieve zomer/winter-spread is er immers een onvoldoende prikkel voor marktpartijen om de gasopslaginstallatie te vullen, ongeacht hoe deze capaciteit wordt aangeboden. Om die reden is in dit onderdeel niet opgenomen dat aangeboden opslagcapaciteit ook daadwerkelijk door marktpartijen benut moet worden. Ten slotte valt op te merken dat onderdeel c ook niet zo begrepen moet worden dat capaciteit tegen onredelijke economische voorwaarden aan de markt moet worden aangeboden. Daarom is opgenomen dat de voorwaarde in onderdeel c alleen niet benutte of niet gecontracteerde capaciteit betreft die niet tegen objectieve, transparante en niet-discriminerende voorwaarden aan de marktpartijen wordt aangeboden. Seizoensopslagen die dus nodig zijn om te voldoen aan het Europese of nationale vuldoel en capaciteit aanbieden tegen objectieve, transparante en niet-discriminerende voorwaarden, vallen niet onder onderdeel c.
De Autoriteit Consument en Markt (hierna: ACM) is de regulerende instantie, bedoeld in artikel 39, eerste lid, van Richtlijn 2009/73/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor aardgas en tot intrekking van Richtlijn 2003/55/EG (hierna: oude Gasrichtlijn) en artikel 76, eerste lid, van Richtlijn (EU) 2024/1788 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juni 2024 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markten voor hernieuwbaar gas, aardgas en waterstof, tot wijziging van Richtlijn (EU) 2023/1791 en tot intrekking van Richtlijn 2009/73/EG (herschikking (hierna: nieuwe Gasrichtlijn) (artikel 1a, tweede lid van de Gaswet). Voorts is de ACM belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Gaswet (artikel 1a, eerste lid, van de Gaswet). Voorts is de ACM bevoegd te handhaven in geval van een overtreding van het bepaalde bij of krachtens de Gaswet (artikel 60ac van de Gaswet).
Artikel 18g van de Gaswet en de daarop gebaseerde ministeriële regeling vallen onder het toezicht van de ACM en de ACM is bevoegd te handhaven bij een overtreding. Deze regeling wijzigt niets aan de bevoegdheid van de ACM, maar wel aan de toezichts- en handhavingspraktijk van de ACM. Met deze regeling zijn regels gesteld over de technische of economische noodzakelijkheid voor een efficiënte toegang tot een systeem voor de levering aan netgebruikers. Voorheen was de inschatting dat er geen sprake was van een technische of economische noodzakelijkheid voor een efficiënte toegang tot een systeem voor de levering aan netgebruikers. Vanwege veranderde marktomstandigheden is er, zoals beschreven in paragraaf 1, aanleiding om de technische of economische noodzakelijkheid nader in te vullen. De beoordeling van doorwerking van deze nadere invulling in concrete gevallen is aan de ACM. De ACM moet toezicht houden op het aanbieden van onderhandelde derdentoegang door het gasopslagbedrijf conform de regels die vastgesteld zijn bij of krachtens de artikelen 9b, 18g en 18ga van de Gaswet.13 Mocht een gasopslagbedrijf in strijd met deze artikelen handelen, dan is de ACM bevoegd om te handhaven.
De ACM acht deze regeling uitvoerbaar en handhaafbaar, maar merkt wel op dat zij het daadwerkelijk vullen van de gasopslaginstallaties niet kan afdwingen. De ACM geeft verder aan dat zij een risico ziet dat gasopslagbedrijven, om aan toepassing van onderhandelde derdentoegang uit te komen, de capaciteit van de gasopslaginstallatie onderhands contracteren.
Deze regeling verduidelijkt enkel onder welke voorwaarden onderhandelde derdentoegang in ieder geval van toepassing is. De Gaswet geeft de ACM uiteindelijk de bevoegdheden om toe te zien dat normen uit Verordening (EU) 2024/1789 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juni 2024 inzake de interne markten voor hernieuwbaar gas, aardgas en waterstof, tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1227/2011, (EU) 2017/1938, (EU) 2019/942 en (EU) 2022/869 en Besluit (EU) 2017/684, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 715/2009 (herschikking) (hierna: Gasverordening) en de Gaswet worden toegepast. Hiermee faciliteert de ACM de mogelijkheden voor marktpartijen om capaciteit te contracteren bij een gasopslagbedrijf, indien op dat gasopslagbedrijf en de desbetreffende gasopslaginstallatie onderhandelde derdentoegang van toepassing is. De daadwerkelijke vulling van de opslaginstallatie is verder afhankelijk van de omstandigheden van de markt op dat moment, zoals de spread tussen de zomer- en winterprijzen op de TTF. In zoverre kan de ACM daadwerkelijke vulling inderdaad niet afdwingen en zijn hiervoor andersoortige instrumenten aan het Ministerie van Klimaat en Groene Groei ter beschikking, zoals stimuleringsmaatregelen. Ten slotte is het doel van onderhavige regeling te verduidelijken dat op seizoensopslagen die nodig zijn voor het behalen van de Europese en nationale vuldoelen en die de niet gecontracteerde of niet benutte opslagcapaciteit van de opslaginstallatie niet tegen objectieve, transparante en niet-discriminerende voorwaarden aan marktpartijen aanbieden, onderhandelde derdentoegang in ieder geval van toepassing is. De inschatting is dat de gasopslagbedrijven met seizoensopslagen die nodig zijn voor het behalen van de Europese en nationale vuldoelen en die hun capaciteit onder objectieve, transparante en niet-discriminerende voorwaarden aanbieden, verwaarloosbare risico‘s vormen voor de leveringszekerheid en de werking van de gasmarkt.
Deze regeling verduidelijkt alleen de technische of economische noodzakelijkheid voor een efficiënte toegang tot het systeem voor de levering aan netgebruikers. Gasopslagbedrijven dienen zich – indien er sprake is van technische of economische noodzakelijkheid voor een efficiënte toegang tot het systeem voor de levering aan netgebruikers – te houden aan de artikelen 18g, vierde tot en met zesde lid, van de Gaswet, artikel 9b, eerste lid, van de Gaswet en artikel 4 van het Besluit uitvoering onafhankelijkheidseisen energierichtlijnen.
Voorts geldt dat zodra onderhandelde derdentoegang van toepassing is op een opslaginstallatie, het gasopslagbedrijf op grond van artikel 8, tweede lid, van Verordening (EU) 2024/1789 verplicht is afschakelbare derdentoegangsdiensten aan te bieden, alsook lange- en kortermijndiensten en gebundelde en ontvlochten diensten.
Er vloeit geen regeldruk voort uit deze regeling omdat de regeling enkel verduidelijkt onder welke omstandigheden er sprake is van een technische of economische noodzaak om toegang te verlenen en bevat daarmee op zichzelf geen nieuwe norm voor gasopslagbedrijven. Tijdens het opstellen van de wettelijke bepalingen uit de Gaswet is echter op dit onderwerp geen regeldruktoets uitgevoerd. Om een inzicht te geven in de regeldrukkosten voor opslagbedrijven die voortvloeien uit de Gasverordening, Gaswet en onderliggende regelgeving is de volgende inschatting van de regeldrukkosten gemaakt. Hierbij moet worden opgemerkt dat de wettelijke bepalingen uit de Gaswet en onderliggende regelgeving grotendeels zijn voorgeschreven door de Europese Unie.
Ten eerste geldt dat de Gaswet regelt dat opslagbedrijven overleg moeten voeren met representatieve organisaties over de tarieven en voorwaarden. Voorts geldt dat opslagbedrijven op 1 oktober van elk jaar een indicatie van hun tarieven en voorwaarden voor volgend kalenderjaar moeten publiceren. Dit is voorgeschreven in zowel de oude als nieuwe Gasrichtlijn. Voorts schrijft de Gasverordening in artikel 8, tweede lid voor dat opslagbedrijven afschakelbare derdentoegangsdiensten, alsook lange- en korte termijndiensten en gebundelde en ontvlochten diensten moet aanbieden. Er wordt van uitgegaan dat opslagbedrijven tijd kwijt zijn aan het kennisnemen van deze regeling en wettelijke bepalingen uit de Gaswet, het opstellen van de voorwaarden, het verkrijgen van gegevens voor de tarieven, diensten en voorwaarden, het berekenen van de tarieven, meerdere interne vergaderingen, een externe vergadering en ten slotte de publicatie van de voorwaarden en tarieven, inclusief voor de verschillende diensten. Dit levert een regeldruk op van 332 minuten. Met een uurtarief van 47 euro worden de regeldrukkosten geschat op € 260,07 per opslaginstallatie per jaar. Opgemerkt moet worden dat opslagbedrijven in het algemeen minder regeldrukkosten ervaren in de daarop volgende jaren, omdat er in het algemeen minder wijzigingen aangebracht hoeven te worden in de voorwaarden en aan te bieden diensten. Wel dienen de tarieven en voorwaarden elk jaar nogmaals geconsulteerd te worden. In de daaropvolgende jaren wordt een regeldruk verwacht van € 181,73 per opslaginstallatie per jaar.
Nadat de indicatieve tarieven en voorwaarden zijn bekend gemaakt staat het marktpartijen vrij om te onderhandelen met het opslagbedrijf over toegang tot de opslaginstallatie. Het valt op voorhand niet te voorspellen hoeveel marktpartijen toegang zouden willen tot een specifieke opslaginstallatie. Dit is onder meer afhankelijk van hoe commercieel aantrekkelijk een opslaginstallatie is (hetgeen valt af te leiden uit de indicatieve tarieven en voorwaarden) en de fysieke kenmerken van de opslaginstallatie. Bij de berekening van de regeldruk wordt daarom enkel de onderhandeling voor toegang tot de gasopslaginstallatie met één marktpartij berekend. Aangezien de opslaginstallatie al zijn indicatieve tarieven en voorwaarden heeft gepubliceerd, wordt de veronderstelling gemaakt dat de onderhandelingen relatief snel worden afgerond, namelijk na ongeveer vier onderhandelingsrondes. Tijdens deze onderhandelingen zullen de opslagbedrijven tijd kwijt zijn aan interne en externe vergaderingen, het uitvoeren van berekeningen op voorstellen die komen van marktpartijen en de (commerciële) gevolgen voor de opslaginstallatie en het uiteindelijk archiveren en opslaan van een overeenkomst die wordt gesloten. De regeldruk die dit oplevert is uiteindelijk 582 minuten. Er wordt uitgegaan van een uurtarief van € 47. Dit levert een regeldruk op van € 455,90 per marktpartij waarmee onderhandeld wordt. De regeldruk kan uiteraard aan verandering onderhevig zijn als een marktpartij op een andere wijze (bijv. via een veilingensysteem) zijn toegang heeft ingeregeld.
Voorts volgen er regeldrukkosten uit het ontvlechten van het opslagbedrijf dat tevens producent of leverancier is of het gasopslagbedrijf dat tevens deel uitmaakt van een groep met een product en/of een leverancier. Dit komt erop neer dat het gasopslagbedrijf onafhankelijk moet zijn wat betreft de rechtsvorm, organisatie en besluitvorming van andere, niet met gastransport of gasopslag samenhangende activiteiten. Dit volgt ook uit de oude en nieuwe gasrichtlijn. De ratio achter ontvlechting is dat discriminerende praktijken, kruissubsidiëring en verstoring van de mededinging worden voorkomen. Hiermee kan worden gewaarborgd dat marktpartijen eerlijk worden behandeld en gebruik kunnen maken van de diensten van een opslagbedrijf tegen marktconforme voorwaarden. De juridische scheiding van de verschillende activiteiten van opslagbedrijven brengen kosten met zich mee, indien dit opslagbedrijf tevens producent of leverancier is. Gedacht kan worden aan notariskosten, kosten voor het heronderhandelen van contracten en interne kosten voor de herstructurering. Er is niet een op onafhankelijk advies beruste inschatting gemaakt van de regeldrukkosten en gezien het spoedeisende karakter van deze regeling valt dit advies ook niet in te winnen. Er wordt daarom een zeer grove inschatting gemaakt van de te maken kosten. De eenmalige kosten worden geschat op ongeveer € 91.740,– per opslagbedrijf. Hierbij is uitgegaan dat een opslagbedrijf zeker 2 FTE kwijt is aan regeldrukkosten over een periode van 6 maanden. Voorts wordt gerekend met een uurtarief van 47 euro. Ten slotte moet een opslagbedrijf op grond van artikel 4, tweede lid, van het Besluit uitvoering onafhankelijkheidseisen energierichtlijnen jaarlijks een nalevingsprogramma publiceren en overleggen aan de ACM. Er wordt van uitgegaan dat gasopslagbedrijven hiervoor gegevens verkrijgen, het naleveringsprogramma opstellen, hierover zowel een interne als externe vergadering houden en dit vervolgens publiceren. Dit levert een regeldruk op van 152 minuten. Er wordt gerekend met een uurtarief van 47 euro. Dit levert jaarlijkse regeldrukkosten op van € 119,07.
Bij het maken van de regeldrukberekening is gebruik gemaakt van het Handboek Meting Regeldrukkosten, dat is opgesteld door het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat.
De regeling is maximaal van toepassing op de drie seizoensopslagen Norg, Grijpskerk en Bergermeer en de opslagbedrijven NAM en TAQA. De uiteindelijke beoordeling op welke opslaginstallaties en -bedrijven de regeling van toepassing is, is aan de ACM. Ten algemene valt nog op te merken dat deze opslagbedrijven onderdeel zijn van grootbedrijven die beschikken over veel expertise in de gas- en oliemarkt.
Ten slotte wordt opgemerkt dat de regeldrukkosten die voortvloeien uit andersoortige maatregelen van de Staat voor het vullen van de opslagen, zoals het verlenen van een vultaak aan Energie Beheer Nederland (EBN), in het kader van het voorstel voor de wet bestrijden energieleveringscrisis al aan de ATR zijn voorgelegd en getoetst.
De totale regeldruk die voortvloeit uit de Gasverordening, Gaswet en onderliggende regelgeving bedraagt € 92.000,07 aan eenmalige regeldrukkosten en € 300,80 per jaar en € 455,90 per onderhandeling met één marktpartij aan structurele regeldrukkosten.
Het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) heeft het dossier niet geselecteerd voor een formeel advies, omdat het geen omvangrijke gevolgen voor de regeldruk heeft.
Deze ministeriële regeling verduidelijkt wanneer sprake is van de verplichting in artikel 18g, eerste lid, van de Gaswet om onderhandelde derdentoegang te verlenen tot gasopslaginstallaties. Artikel 18g van de Gaswet strekt tot implementatie van artikel 33 van de oude Gasrichtlijn. Artikel 33 van de oude Gasrichtlijn verplicht lidstaten om, indien dit technisch of economisch noodzakelijk is, gasopslaginstallaties ofwel onderhandelde ofwel gereguleerde derdentoegang te laten aanbieden. Nederland heeft bij de implementatie gekozen om gasopslaginstallaties onderhandelde derdentoegang te laten aanbieden, indien dit technisch of economisch noodzakelijk is. Zie voor een nadere toelichting op deze keuze paragraaf 2.7 van de memorie van toelichting bij de implementatiewet (Kamerstukken II 2010/2011, 32 814, nr. 3).
Naar verwachting wordt de Gaswet op 1 januari 2026 vervangen door de Energiewet. Dat betekent dat op die datum ook de onder de Gaswet liggende regelgeving, waaronder deze ministeriële regeling, zal komen te vervallen. De Energiewet bevat, net als de Gaswet, de verplichting voor gasopslagbedrijven om in voorkomende gevallen onderhandelde derdentoegang te verlenen en biedt tevens de mogelijkheid nader in te vullen wanneer er sprake is van de technische of economische noodzaak om toegang te verlenen (artikel 3.100). Deze ministeriële regeling zal, onder artikel 3.100 van de Energiewet, beleidsneutraal worden overgenomen in het Energiebesluit en de Energieregeling.
Op 13 juni 2024 heeft de Europese Unie de nieuwe Gasrichtlijn en Gasverordening vastgesteld. De nieuwe Gasrichtlijn bevat een grotendeels gelijkluidend artikel 33 dat lidstaten verplicht een systeem van onderhandelde dan wel gereguleerde derdentoegang voor gasopslaginstallaties op te zetten. Hoofdstuk II van de nieuwe Gasverordening bevat nadere verplichtingen voor gasopslagbedrijven die derdentoegang moeten bieden. Op dit moment is de implementatie van de nieuwe Gasrichtlijn in voorbereiding.
Deze regeling hoeft niet genotificeerd worden bij de Europese Commissie, omdat deze regeling slechts verduidelijkt onder welke omstandigheden de reeds bestaande norm in artikel 18g, eerste lid, van de Gaswet, van toepassing is, en daarmee geen technische specificatie of zelfstandige eis bevat.
Deze regeling betreft een verduidelijking van artikel 18g van de Gaswet door aan te geven onder welke omstandigheden gasopslagbedrijven onderhandelde toegang moeten bieden tot gasopslaginstallaties. Hiermee is de regeling van belang voor gasopslagbedrijven met een seizoensopslag. Gelet op de specifieke kleine doelgroep is ervoor gekozen het ontwerp van deze regeling tussen 16 september en 22 september alleen aan hun branchevereniging (de Vereniging Gasopslag Nederland (hierna: VGN)) alsmede aan NAM, die niet bij deze vereniging is aangesloten, voor te leggen. Zij zijn als (vertegenwoordigers van) gasopslagbedrijven met een seizoensopslag de belangrijkste stakeholders.
NAM heeft opgemerkt fundamentele bezwaren te hebben tegen de regeling, de wijze waarop deze tot stand is gekomen en de snelle inwerkingtredingstermijn. Zij geeft aan vanwege de korte consultatietermijn niet nader in te kunnen gaan op deze bezwaren.
Zoals is toegelicht in de paragrafen 2 en 9 van deze toelichting, is het vanwege sterk veranderde marktomstandigheden noodzakelijk met spoed te verduidelijken onder welke omstandigheden derdentoegang tot gasopslaginstallaties moet worden geboden. Daarbij is aangegeven dat snelheid is geboden omdat partijen die de seizoensopslagen in het vulseizoen 2026 willen vullen daarvoor op zeer korte termijn al acties willen, zullen en moeten ondernemen. Om die reden is afgeweken van het uitgangspunt dat regelgeving minstens 2 maanden voor inwerkingtreding gepubliceerd wordt. De Aanwijzingen voor de regelgeving bepalen dat bij spoedregelgeving van dit uitgangspunt kan worden afgeweken (Aanwijzing 4.17, vijfde lid, onderdeel b, van de Aanwijzingen voor de regelgeving).
De grondslag van deze ministeriële regeling (artikel 18g, tweede lid, van de Gaswet) biedt de mogelijkheid te verduidelijken onder welke omstandigheden derdentoegang moet worden geboden tot gasopslaginstallaties. Bij de totstandkomingsgeschiedenis van deze bepaling is expliciet benoemd dat marktomstandigheden aanleiding kunnen geven deze duidelijkheid te bieden.14
Ondanks de voornoemde spoed is een gerichte marktconsultatie van één week gedaan bij gasopslagbedrijven die doelgroep zijn van deze regeling. Daarnaast is de regeling voorgelegd aan ACM voor een Uitvoerings- en Handhaafbaarheidstoets (UHT). Zoals toegelicht in paragraaf 3 acht ACM de regeling uitvoerbaar en handhaafbaar.
De reactie van NAM heeft niet geleid tot aanpassingen van de regeling of toelichting.
Vereniging Gasopslag Nederland (hierna: VGN) heeft verduidelijkende vragen gesteld over hoe deze regeling impact heeft op de manier waarop bepaalde gasopslagbedrijven hun niet-benutte capaciteit aanbieden aan de markt. De uiteindelijk beoordeling hiervan is aan de ACM. Uit deze regeling en toelichting volgt dat de gasopslaginstallaties waarbij capaciteit al tegen objectieve, transparante en niet-discriminerende voorwaarden aan de markt wordt aangeboden (bijv. via een veilingsysteem, of op afschakelbare basis, of via een secundaire capaciteitsmarkt) niet onder deze regeling zouden vallen. Verder heeft VGN de zorg geuit dat de capaciteit van het gasopslagbedrijf tegen niet marktconforme voorwaarden zou moeten worden aangeboden om niet te vallen onder de voorwaarde in artikel 2, eerste lid, onderdeel c, van deze regeling. Hierop is in de toelichting opgenomen dat dit onderdeel c niet zo begrepen moet worden dat capaciteit tegen onredelijke economische voorwaarden aan de markt moet worden aangeboden.
Deze ministeriële regeling treedt in werking op de dag na publicatie in de Staatscourant. Op grond van het kabinetsbeleid inzake vaste verandermomenten (Aanwijzing 4.17 van de Aanwijzingen voor de regelgeving) is het uitgangspunt dat een ministeriële regeling in werking treedt op 1 januari, 1 april, 1 juli of 1 oktober en dat deze ten minste twee maanden voor inwerkingtreding bekend gemaakt wordt. In dit geval is afgeweken van deze vaste verandermomenten en de minimuminvoeringstermijn door de regeling de dag na publicatie in werking te laten treden. Dit omdat het vanwege veranderde marktomstandigheden noodzakelijk is met spoed te verduidelijken onder welke omstandigheden derdentoegang tot gasopslaginstallaties moet worden geboden (Aanwijzing 4.17, vijfde lid, onderdeel b, van de Aanwijzingen voor de regelgeving).
Op deze regeling zijn de begripsbepalingen in artikel 1, eerste lid, van de Gaswet van toepassing. Artikel 1 van deze regeling bevat daarnaast een aantal aanvullende begripsbepalingen.
Voor de definitie van het begrip noodvoorraad is aansluiting gezocht bij de definitie van het begrip strategische opslag in artikel 2, onder 29, van de verordening gasleveringszekerheid. In dit artikel is strategische opslag gedefinieerd als ondergrondse of deels ondergrondse opslag van niet-vloeibaar aardgas dat is aangekocht, beheerd en opgeslagen door transmissiesysteembeheerders, een door de lidstaten aangewezen entiteit of een onderneming, dat enkel mag worden vrijgegeven na voorafgaande kennisgeving of een overheidsvergunning voor de vrijgave ervan, en die over het algemeen alleen wordt vrijgegeven in geval van grote voorzieningsschaarste, een leveringsverstoring of de afkondiging van een noodsituatie als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel c, van de verordening gasleveringszekerheid. Hierbij wordt opgemerkt dat het gebruik van strategische opslag in bijlage VIII van de verordening gasleveringszekerheid is aangemerkt als niet-marktgebaseerde maatregel. Ingevolge artikel 11, eerste lid, onderdeel c, van de verordening gasleveringszekerheid is het gebruik daarvan daarmee voorbehouden aan de bestrijding van een noodsituatie (het derde en hoogste niveau van gascrisis).
In het kader van deze regeling kwalificeren gasopslaginstallaties als seizoensopslagen als aan een drietal voorwaarden is voldaan. In algemene zin kan gezegd worden dat seizoensopslagen tot doel hebben om de hogere gasvraag tijdens de winterperiode af te dekken. Hiermee spelen ze een uiterst belangrijke rol in de leveringszekerheid van afnemers tijdens langere periode(s) van hoge vraag. Seizoensopslagen kenmerken zich door een relatief grote opslagcapaciteit. Om die reden is als voorwaarde opgenomen dat een seizoensopslag in elk geval een gasopslaginstallatie is met meer dan 5 TWh aan technische opslagcapaciteit.
Ten tweede kenmerken seizoensopslagen zich door een lange injectieperiode. Dit komt doordat seizoensopslagen in zijn algemeenheid in de maanden april tot en met oktober gevuld worden met gas en in de maanden november tot en met maart gas uit de opslagen onttrokken wordt. Dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld fast-cycle opslagen die gedurende één dag zowel gas kunnen onttrekken uit, als injecteren in, de opslag. Daarom is als voorwaarde opgenomen dat het minstens 50 dagen duurt om de gasopslaginstallatie volledig te vullen, indien deze leeg is.
Ten slotte is een gasopslaginstallatie, in het kader van deze regeling, alleen een seizoensopslag indien deze kan worden gebruikt ten behoeve van levering in de winter. Of daarvan sprake is kan in ieder geval worden bepaald door naar historische data te kijken over inzet van de gasopslaginstallatie. Van de data op het Europees transparantieplatform15 kan de historische injectie- en onttrekkingsperiode afgeleid worden. Hierbij is van belang dat tussen de maanden november tot en met maart niet alleen onttrokken hoeft te worden of dat in de maanden april tot en met oktober niet alleen gas in de opslagen geïnjecteerd wordt. Daarbij moet de algehele trend over het opslagjaar bekeken worden. Zo kan bij koude dagen in april alsnog gas uit de seizoensopslagen onttrokken worden of kan bij warme dagen in november of december alsnog gas in de seizoensopslagen geïnjecteerd worden.
Het eerste lid van dit artikel vult nader in wanneer er sprake is van de technische of economische noodzakelijkheid om onderhandelde derdentoegang te verlenen. Het verduidelijkt onder welke omstandigheden in ieder geval sprake moet zijn van onderhandelde derdentoegang tot een gasopslag. Het is daarbij niet uitgesloten dat andere omstandigheden tevens kunnen maken dat toegang technisch of economisch noodzakelijk is. Zie voor een nadere toelichting op de onderdelen a t/m c van het eerste lid, paragraaf 2.4 van het algemeen deel van de toelichting. Deze nadere invulling van ‘technisch of economisch noodzakelijk’ bevat niet de verplichting als zodanig om in voorkomende gevallen onderhandelde derdentoegang te verlenen. De verplichting zelf is vervat in artikel 18g, eerste lid, van de Gaswet.
Het tweede lid bevestigt de sinds 2022 bestaande praktijk van de Minister om een nationaal vuldoel te formuleren. Dit lid is in deze regeling opgenomen zodat dit jaarlijks geformuleerde nationale vuldoel gebruikt kan worden voor de beoordeling of toegang tot een gasopslaginstallatie noodzakelijk is met het oog op de benodigde flexibiliteit, bedoeld in artikel 2 van deze regeling. Voor een nadere toelichting op het tweede lid, zie paragraaf 2.4, onderdeel B2, van het algemeen deel van de toelichting.
Het derde lid verzekert dat het gedeelte van een gasopslaginstallatie dat ingezet wordt als noodvoorraad niet onder de reikwijdte van het eerste lid valt. Dit gas moet immers te allen tijde beschikbaar zijn voor opslag en vervolgens kunnen worden ingezet ten tijde van een noodsituatie. Zie voor een nadere toelichting op de begripsbepaling van ‘noodvoorraad’ de artikelsgewijze toelichting bij artikel 1.
Dit artikel bepaalt dat deze regeling in werking treedt op de dag na publicatie in de Staatscourant.
Dit artikel regelt dat de regeling aangehaald wordt als ‘Regeling nadere invulling technische of economische noodzaak derdentoegang gasopslaginstallaties’.
De Minister van Klimaat en Groene Groei, S.Th.M. Hermans
Kamerstukken II 2021/22, 29 023, nr. 339; Kamerstukken II 2022/23, 29 023, nr. 384; Kamerstukken II 2022/23, 29 023, nr. 417; Kamerstukken II 2022/23, 29 023, nr. 441; Kamerstukken II 2022/23, 29 023, nr. 442; Kamerstukken II 2023/24, 29 023, nr. 449; Kamerstukken II 2023/24, 29 023, nr. 494; Kamerstukken II 2024/25, 29 023, nr. 519; Kamerstukken II 2024/25, 29 023, nr. 531; Kamerstukken II 2024/25, 29 023, nr. 532; Kamerstukken II 2024/25, 29 023, nr. 554; Kamerstukken II 2024/25, 29 023, nr. 563; Kamerstukken II 2024/25, 29 023, nr. 591.
‘Update gasleveringszekerheid Q3 2025’, Brief van de Minister van Klimaat en Groene Groei aan de Tweede Kamer van 30 september 2025.
‘Update gasleveringszekerheid Q3 2025’, Brief van de Minister van Klimaat en Groene Groei aan de Tweede Kamer van 30 september 2025.
Bijlage bij ‘Update gasleveringszekerheid Q3 2025’, Brief van de Minister van Klimaat en Groene Groei aan de Tweede Kamer van 30 september 2025.
Deze bepalingen zijn alleen van toepassing indien er sprake is van een economische of technische noodzakelijkheid voor een efficiënte toegang tot de opslaginstallatie voor de levering aan netgebruikers.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2025-32914.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.