Advies Raad van State inzake het ontwerp van een algemene maatregel van bestuur, houdende wijziging van het Besluit activiteiten leefomgeving en het Besluit kwaliteit leefomgeving ter uitvoering van Verordening (EU) nr. 2023/1115 betreffende het op de markt van de Unie aanbieden en de uitvoer uit de Unie van bepaalde grondstoffen en producten die met ontbossing en bosdegradatie verband houden, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 995/2010 (Besluit uitvoering verordening ontbossingsvrije grondstoffen en producten)

Nader Rapport

‘s-Gravenhage, 9 januari 2025

WJZ / 87036835

Aan de Koning

Nader rapport inzake het ontwerp van een algemene maatregel van bestuur, houdende wijziging van het Besluit activiteiten leefomgeving en het Besluit kwaliteit leefomgeving ter uitvoering van Verordening (EU) nr. 2023/1115 betreffende het op de markt van de Unie aanbieden en de uitvoer uit de Unie van bepaalde grondstoffen en producten die met ontbossing en bosdegradatie verband houden, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 995/2010 (Besluit uitvoering verordening ontbossingsvrije grondstoffen en producten)

Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw kabinet van 1 mei 2024, nr. 2024001099, machtigde Uwe Majesteit de Afdeling advisering van de Raad van State haar advies inzake het bovenvermelde ontwerp van een algemene maatregel van bestuur rechtstreeks aan mij te doen toekomen. Dit advies, gedateerd 24 juli 2024, nr. W11.24.00108/IV, bied ik U hierbij aan.

De tekst van het advies treft u hieronder aan, voorzien van mijn reactie.

Bij Kabinetsmissive van 1 mei 2024, no.2024001099, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister voor Natuur en Stikstof1, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende wijziging van het Besluit activiteiten leefomgeving en het Besluit kwaliteit leefomgeving ter uitvoering van Verordening (EU) nr. 2023/1115 betreffende het op de markt van de Unie aanbieden en de uitvoer uit de Unie van bepaalde grondstoffen en producten die met ontbossing en bosdegradatie verband houden, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 995/2010 (Besluit uitvoering verordening ontbossingsvrije grondstoffen en producten), met nota van toelichting.

Het ontwerpbesluit implementeert verordening (EU) 2023/1115 betreffende ontbossingsvrije grondstoffen en producten (hierna: verordening ontbossingsvrije grondstoffen en producten).2 Daartoe breidt het ontwerpbesluit onder meer het activiteitenbegrip uit met de handel in ontbossingsvrije grondstoffen en producten en wordt de minister voor Natuur en Stikstof3 aangewezen als het bevoegd gezag.4 Ook voorziet het ontwerpbesluit in een bepaling die het verbiedt om te handelen in strijd met bepaalde bepalingen uit de verordening.5

Voor de implementatie van de verordening is tevens een wetsvoorstel tot wijziging van de Omgevingswet ingediend (hierna: wetsvoorstel uitvoering verordening ontbossingsvrije grondstoffen en producten).6 Het ontwerpbesluit bevat een noodvoorziening voor de handhaving van de verordening voor het geval dit wetsvoorstel niet tijdig zou zijn vastgesteld.7 Een noodvoorziening lijkt evenwel niet langer noodzakelijk gelet op de recente aanvaarding van het wetsvoorstel door de Eerste Kamer.8

1. De Afdeling gaat er terecht vanuit dat de noodzaak tot het treffen van een noodvoorziening voor de handhaving van de verordening in artikel III van het ontwerpbesluit kan vervallen, nu het het wetsvoorstel tot wijziging van de Omgevingswet (wetsvoorstel uitvoering verordening ontbossingsvrije grondstoffen en producten) is aanvaard door de Eerste Kamer. Inmiddels is het wetsvoorstel door de Koning bekrachtigd, door de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur gecontrasigneerd en op 2 september als wet gepubliceerd in het Staatsblad (Staatsblad 2024, 224). De noodvoorziening in artikel III van het ontwerpbesluit is daarom niet meer nodig en is dan ook geschrapt.

De verordening ontbossingsvrije grondstoffen en producten bevat ten opzichte van haar voorganger9 meer (en ten dele andersoortige) verplichtingen. Zo zijn meer verplichtingen dan voorheen van toepassing op marktdeelnemers en handelaren, en legt de verordening tevens verplichtingen op aan gemachtigde vertegenwoordigers.10 Daarnaast gelden er bijvoorbeeld specifieke informatieverplichtingen en verslagleggingsverplichtingen.11

De verordening is rechtstreeks van toepassing in de lidstaten, maar implementatie is onder meer noodzakelijk door in de nationale regelgeving bepalingen op te nemen of te wijzingen over sanctionering. Voor handhaving van de verordening ontbossingsvrije grondstoffen en producten voorziet de Omgevingswet in grondslagen voor respectievelijk het opleggen van een bestuurlijke boete en het nemen van (overige) bestuurlijke maatregelen.12 In beide gevallen is het kunnen toepassen van de bestuurlijke sancties afhankelijk gemaakt van een aanwijzing van de toepasselijke normen in nadere regelgeving.

De Afdeling advisering van de Raad van State wijst erop dat het ontwerpbesluit slechts voor een deel van de bepalingen uit de verordening voorschrijft dat het verboden is om daarmee in strijd te handelen. Voor het overige deel volgt uit het wetsvoorstel uitvoering verordening ontbossingsvrije grondstoffen en producten noch het ontwerpbesluit een verbod om te handelen in strijd met de laatstgenoemde verplichtingen uit de verordening.

Hoewel de uit de verordening voortvloeiende verplichtingen rechtstreeks van toepassing zijn, kunnen op basis van de Omgevingswet en het ontwerpbesluit niet voor al die verplichtingen handhavende bevoegdheden worden toegepast. Het is van belang dat met de invoering van het ontwerpbesluit zoveel mogelijk duidelijkheid wordt geboden over de vraag welke bestuurlijke sancties beschikbaar zijn ter handhaving van welke verplichtingen uit de verordening.

2) Naar aanleiding van deze opmerking van de Afdeling advisering zijn de verplichtingen in de verbodsbepaling van artikel 11.132 van het Besluit activiteiten leefomgeving verder uitgebreid met een aantal verplichtingen uit de verordening ontbossingsvrije grondstoffen en producten. Aan de (verplichtingen van de) artikelen 3, 4 en 5 van deze verordening zijn nu toegevoegd de artikelen 6 (verplichtingen gemachtigde vertegenwoordigers) en de artikelen 9, 10, eerste en vierde lid, 11, 12, 13, eerste en tweede lid, en 26, vierde lid, van de verordening (informatie- en verslagleggingsverplichtingen). Door deze wijziging is het verboden te handelen in strijd met al deze verplichtingen uit de verordening en kunnen daarvoor handhavende bevoegdheden, inclusief het opleggen van bestuurlijke sancties, worden toegepast.

De toelichting bij het wetsvoorstel uitvoering verordening ontbossingsvrije grondstoffen en producten geeft aan dat nader wordt bezien of het met het oog op een effectieve handhaving van de verordening wenselijk is om het mogelijk te maken dat een bestuurlijke boete wordt opgelegd voor overtreding van bepalingen uit de verordening.13 Dit in aanvulling op de mogelijkheid van strafrechtelijke handhaving op basis van de Wet op de economische delicten. Daarbij wordt verwezen naar de conclusie van advocaat-generaal Wattel, waarin de noodzaak daartoe wordt aangevoerd.14 De verordening is vanaf 30 december 2024 van toepassing.15

De Afdeling mist in de toelichting bij het ontwerpbesluit een beschouwing op de vraag of het voor een effectieve handhaving van de verordening noodzakelijk is om voor die datum te voorzien in extra bevoegdheden tot bestuursrechtelijke sanctionering, in het bijzonder via het instrument van de bestuurlijke boete, of dat het bestaande instrumentarium daartoe volstaat.

3) Het bestaande strafrechtelijke instrumentarium op grond van de Wet economische delicten, inclusief de mogelijkheden van de Wet OM-afdoening, op basis waarvan het Openbaar Ministerie zelf de mogelijkheden heeft om delicten te bestraffen zonder tussenkomst van de rechter. Daarnaast zijn er de specifieke bestuurlijke maatregelen van de ontbossingsverordening. Al deze bevoegdheden tezamen zijn vooralsnog zeker voldoende om de verordening adequaat te kunnen handhaven. Dit is verduidelijkt in de nota van toelichting. Het handhavingsbeleid zal in eerste instantie niet primair gericht zijn op straffen, maar op waarschuwen en het bewerkstelligen van verbetering van de werkwijze van ondernemingen. Dat geeft ook de tijd om een zorgvuldige besluitvorming over eventuele invoering van de bestuurlijke boete voor te bereiden. Het vergt een zorgvuldig en bewerkelijk proces, dat interdepartementaal en met het Openbaar Ministerie dient te worden afgestemd.

De Afdeling adviseert in de toelichting op het voorgaande in te gaan en het ontwerpbesluit zo nodig aan te passen.

De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een opmerking bij het ontwerpbesluit en adviseert daarmee rekening te houden voordat een besluit wordt genomen.

De waarnemend vice-president van de Raad van State,

4) Er zijn ten opzichte van de aan de Afdeling advisering voorgelegde teksten nog enkele kleine technische en redactionale verbeteringen aangebracht in het ontwerpbesluit. Ook zijn de teksten geactualiseerd in verband met het aantreden van het kabinet Schoof en de daarbinnen geldende portefeuilleverdeling. Daarnaast wordt in de nota van toelichting melding gemaakt van het voorstel van de Europese Commissie om de toepasselijkheid van de verordening met een jaar uit te stellen. In artikel III (nieuw) zijn tot slot een tijdelijke verbodsbepaling en de bevoegdheid voor de Minister opgenomen om maatregelen en sancties te kunnen treffen op grond van de Houtverordening. Voor hout en houtproducten geldt op grond van de verordening ontbossingsvrije grondstoffen en producten namelijk een overgangstermijn van drie jaar (artikel 37, tweede lid, van de verordening). Met deze tijdelijke bepaling kunnen de als overgangsregime geldende regels voor hout en houtproducten worden gesanctioneerd.

Ik bied U hierbij het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting aan en verzoek U overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.

De Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, J.F. Rummenie.

Advies Raad van State

No. W11.24.00108/IV

’s-Gravenhage, 24 juli 2024

Aan de Koning

Bij Kabinetsmissive van 1 mei 2024, no.2024001099, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister voor Natuur en Stikstof1, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende wijziging van het Besluit activiteiten leefomgeving en het Besluit kwaliteit leefomgeving ter uitvoering van Verordening (EU) nr. 2023/1115 betreffende het op de markt van de Unie aanbieden en de uitvoer uit de Unie van bepaalde grondstoffen en producten die met ontbossing en bosdegradatie verband houden, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 995/2010 (Besluit uitvoering verordening ontbossingsvrije grondstoffen en producten), met nota van toelichting.

Het ontwerpbesluit implementeert verordening (EU) 2023/1115 betreffende ontbossingsvrije grondstoffen en producten (hierna: verordening ontbossingsvrije grondstoffen en producten).2 Daartoe breidt het ontwerpbesluit onder meer het activiteitenbegrip uit met de handel in ontbossingsvrije grondstoffen en producten en wordt de minister voor Natuur en Stikstof3 aangewezen als het bevoegd gezag.4 Ook voorziet het ontwerpbesluit in een bepaling die het verbiedt om te handelen in strijd met bepaalde bepalingen uit de verordening.5

Voor de implementatie van de verordening is tevens een wetsvoorstel tot wijziging van de Omgevingswet ingediend (hierna: wetsvoorstel uitvoering verordening ontbossingsvrije grondstoffen en producten).6 Het ontwerpbesluit bevat een noodvoorziening voor de handhaving van de verordening voor het geval dit wetsvoorstel niet tijdig zou zijn vastgesteld.7 Een noodvoorziening lijkt evenwel niet langer noodzakelijk gelet op de recente aanvaarding van het wetsvoorstel door de Eerste Kamer.8

De verordening ontbossingsvrije grondstoffen en producten bevat ten opzichte van haar voorganger9 meer (en ten dele andersoortige) verplichtingen. Zo zijn meer verplichtingen dan voorheen van toepassing op marktdeelnemers en handelaren, en legt de verordening tevens verplichtingen op aan gemachtigde vertegenwoordigers.10 Daarnaast gelden er bijvoorbeeld specifieke informatieverplichtingen en verslagleggingsverplichtingen.11

De verordening is rechtstreeks van toepassing in de lidstaten, maar implementatie is onder meer noodzakelijk door in de nationale regelgeving bepalingen op te nemen of te wijzingen over sanctionering. Voor handhaving van de verordening ontbossingsvrije grondstoffen en producten voorziet de Omgevingswet in grondslagen voor respectievelijk het opleggen van een bestuurlijke boete en het nemen van (overige) bestuurlijke maatregelen.12 In beide gevallen is het kunnen toepassen van de bestuurlijke sancties afhankelijk gemaakt van een aanwijzing van de toepasselijke normen in nadere regelgeving.

De Afdeling advisering van de Raad van State wijst erop dat het ontwerpbesluit slechts voor een deel van de bepalingen uit de verordening voorschrijft dat het verboden is om daarmee in strijd te handelen. Voor het overige deel volgt uit het wetsvoorstel uitvoering verordening ontbossingsvrije grondstoffen en producten noch het ontwerpbesluit een verbod om te handelen in strijd met de laatstgenoemde verplichtingen uit de verordening.

Hoewel de uit de verordening voortvloeiende verplichtingen rechtstreeks van toepassing zijn, kunnen op basis van de Omgevingswet en het ontwerpbesluit niet voor al die verplichtingen handhavende bevoegdheden worden toegepast. Het is van belang dat met de invoering van het ontwerpbesluit zoveel mogelijk duidelijkheid wordt geboden over de vraag welke bestuurlijke sancties beschikbaar zijn ter handhaving van welke verplichtingen uit de verordening.

De toelichting bij het wetsvoorstel uitvoering verordening ontbossingsvrije grondstoffen en producten geeft aan dat nader wordt bezien of het met het oog op een effectieve handhaving van de verordening wenselijk is om het mogelijk te maken dat een bestuurlijke boete wordt opgelegd voor overtreding van bepalingen uit de verordening.13 Dit in aanvulling op de mogelijkheid van strafrechtelijke handhaving op basis van de Wet op de economische delicten. Daarbij wordt verwezen naar de conclusie van advocaat-generaal Wattel, waarin de noodzaak daartoe wordt aangevoerd.14 De verordening is vanaf 30 december 2024 van toepassing.15

De Afdeling mist in de toelichting bij het ontwerpbesluit een beschouwing op de vraag of het voor een effectieve handhaving van de verordening noodzakelijk is om voor die datum te voorzien in extra bevoegdheden tot bestuursrechtelijke sanctionering, in het bijzonder via het instrument van de bestuurlijke boete, of dat het bestaande instrumentarium daartoe volstaat.

De Afdeling adviseert in de toelichting op het voorgaande in te gaan en het ontwerpbesluit zo nodig aan te passen.

De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een opmerking bij het ontwerpbesluit en adviseert daarmee rekening te houden voordat een besluit wordt genomen.

De waarnemend vice-president van de Raad van State, S.F.M. Wortmann.

Tekst zoals aangeboden aan de Raad van State: Besluit van .........., houdende wijziging van het Besluit activiteiten leefomgeving en het Besluit kwaliteit leefomgeving ter uitvoering van Verordening (EU) nr. 2023/1115 betreffende het op de markt van de Unie aanbieden en de uitvoer uit de Unie van bepaalde grondstoffen en producten die met ontbossing en bosdegradatie verband houden, en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 995/2010 (Besluit uitvoering verordening ontbossingsvrije grondstoffen en producten)

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Minister voor Natuur en Stikstof van 1 mei 2024, nr. 2024001099, WJZ/ 52810273;

Gelet op Verordening (EU) nr. 2023/1115 van het Europees Parlement en de Raad van 31 mei 2023 betreffende het op de markt van de Unie aanbieden en de uitvoer uit de Unie van bepaalde grondstoffen en producten die met ontbossing en bosdegradatie verband houden, en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 995/2010 (PbEU 2023, L 150);

Gelet op de artikelen 2.24, eerste lid, en 4.3, tweede lid, aanhef en onder b, van de Omgevingswet;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (.........., nr. ..........);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur van .........., nr. WJZ/..........;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Besluit activiteiten leefomgeving wordt als volgt gewijzigd:

A

Het opschrift van afdeling 11.3 komt te luiden:

Afdeling 11.3. Activiteiten die houtopstanden, hout, houtproducten en ontbossingsvrije grondstoffen en producten betreffen

B

In artikel 11.111 (activiteiten), eerste lid, wordt ‘handel in en bezit van hout of houtproducten’ vervangen door ‘de handel in en het bezit van hout of houtproducten en de handel in ontbossingsvrije grondstoffen of producten’.

C

In de aanhef van artikel 11.112 (oogmerken), tweede lid, wordt ‘de handel in het bezit van hout of houtproducten’ vervangen door ‘de handel in en het bezit van hout of houtproducten en de handel in ontbossingsvrije grondstoffen of producten’.

D

In artikel 11.114 (bevoegd gezag Minister voor Natuur en Stikstof), onder b, wordt ‘hout of houtproducten’ vervangen door ‘hout of houtproducten en ontbossingsvrije grondstoffen of producten’.

E

Het opschrift van paragraaf 11.3.2 komt te luiden:

Paragraaf 11.3.2. Houtopstanden, hout, houtproducten en ontbossingsvrije grondstoffen en producten.

F

Artikel 11.132 (verbod te handelen in strijd met EU-verordeningen over hout) wordt als volgt gewijzigd:

1. Het kopje van het artikel komt te luiden:

(verbod te handelen in strijd met EU-verordeningen).

2. Onderdeel b komt te luiden:

  • b. de artikelen 3, 4, 5, 6, 8, 9, 10, eerste en vierde lid, 11, 12, 13, eerste en tweede lid, 26, vierde lid, van de verordening ontbossingsvrije grondstoffen en producten.

G

In artikel 11.133 (afbakening mogelijkheid maatwerkvoorschrift: eisen EU-verordeningen) wordt ‘of verordening (EU) nr. 995/2010 gestelde regels’ vervangen door ‘of verordening ontbossingsvrije grondstoffen en producten gestelde regels’.

ARTIKEL II

In artikel 3.69 (aanwijzing bevoegde instantie), eerste lid, onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving wordt ‘hout of producten daarvan’ vervangen door: ‘hout of houtproducten en ontbossingsvrije grondstoffen of producten daarvan’.

ARTIKEL III

  • 1. Het is verboden hout en houtproducten die voor de datum van inwerkingtreding van de verordening ontbossingsvrije grondstoffen en producten zijn geproduceerd en die in de handel worden gebracht met ingang van de datum waarop die verordening van toepassing is als bedoeld in artikel 38, tweede lid, van die verordening, op de markt te brengen in strijd met de artikelen 4 en 5 van verordening (EU) nr. 995/2010 tot vaststelling van de verplichtingen van marktdeelnemers die hout en houtproducten op de markt brengen (PbEU 2010, L 295).

  • 2. Onze Minister voor Natuur en Stikstof kan ter uitvoering van artikel 37, tweede lid, van de verordening ontbossingsvrije grondstoffen en producten toepassing geven aan de maatregelen uit artikel 10, vijfde lid, en de sancties uit artikel 19 van verordening (EU) nr. 995/2010 tot vaststelling van de verplichtingen van marktdeelnemers die hout en houtproducten op de markt brengen (PbEU 2010, L 295).

ARTIKEL IV

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit uitvoering verordening ontbossingsvrije grondstoffen en producten.

ARTIKEL V

  • 1. Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

  • 2. Artikel III komt te vervallen drie jaar na de in artikel 38, tweede lid, van de verordening ontbossingsvrije grondstoffen en producten genoemde datum.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

De Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur,

NOTA VAN TOELICHTING

A. Algemeen deel

1. Inleiding

Op 9 juni 2023 is gepubliceerd de Verordening (EU) 1115/2023 van het Europees Parlement en de Raad van 31 mei 2023 betreffende het op de markt van de Unie aanbieden en de uitvoer uit de Unie van bepaalde grondstoffen en producten die met ontbossing en bosdegradatie verband houden, en tot intrekking van Verordening (EU) 995/2010 (PbEU 2023, L 150) (hierna: verordening ontbossingsvrije grondstoffen en producten, of: verordening). De verordening is in werking getreden op 29 juni 2023 en is van toepassing vanaf 30 december 2024 en dient dan geïmplementeerd te zijn en gehandhaafd te worden. Bij wijzigingsverordening wordt dit mogelijk uitgesteld tot 30 december 2025.1

Om uitvoering te geven aan deze verordening wordt de Omgevingswet gewijzigd. Daarin voorziet de Wet uitvoering verordening ontbossingsvrije grondstoffen en producten.2 De onderhavige algemene maatregel van bestuur (hierna: amvb) voorziet ter uitvoering van de verordening en de gewijzigde wet in wijziging van het Besluit activiteiten leefomgeving en het Besluit kwaliteit leefomgeving.

In het navolgende wordt achtereenvolgens ingegaan op Implementatie (paragraaf 2), Hoofdlijnen van het wijzigingsbesluit (paragraaf 3), Regeldrukeffecten (paragraaf 4), Uitvoering, advies en toetsing (paragraaf 5), Toezicht en handhaving (paragraaf 6), Financiële gevolgen (paragraaf 7) en Overgangsrecht en inwerkingtreding (paragraaf 8). Tot slot volgt een artikelsgewijze toelichting.

2. Implementatie

Het doel van de verordening ontbossingsvrije grondstoffen en producten is om wereldwijde ontbossing en bosdegradatie als gevolg van het verbruik in de Europese Unie (EU) van bepaalde producten en grondstoffen tot een minimum te beperken. Hiermee wil de EU haar bijdrage aan broeikasgasemissies en het wereldwijde biodiversiteitsverlies verminderen en duurzame productie- en consumptiepatronen in de Unie en wereldwijd bevorderen. Deze verordening vervangt de verordening (EU) nr. 995/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 tot vaststelling van de verplichtingen van marktdeelnemers die hout en houtproducten op de markt brengen (hierna: Houtverordening), die vergelijkbare doelen diende, maar in zijn werking beperkt was tot hout en houtproducten. Deze Houtverordening was geïmplementeerd in de Omgevingswet en de daarop gebaseerde besluiten: het Besluit kwaliteit leefomgeving en het Besluit activiteiten leefomgeving.

De hoeksteen van de verordening ontbossingsvrije grondstoffen en producten is het verbod om bepaalde grondstoffen en producten in de handel te brengen, op de markt aan te bieden of te exporteren die binnen de reikwijdte van de verordening vallen en die niet vrij zijn van ontbossing of bosdegradatie, niet legaal geproduceerd zijn of niet vergezeld gaan van een zorgvuldigheidsverklaring (artikel 3 van de verordening). De grondstoffen rundvee, palmolie, soja, cacao, koffie, rubber en hout en daarvan afgeleide producten, bijvoorbeeld leer, chocolade en meubels, die zijn opgenomen in Bijlage I bij de verordening worden gezien als voornaamste aanjagers van mondiale ontbossing en bosdegradatie.

De verordening verplicht marktdeelnemers en handelaren om ten aanzien van deze grondstoffen en producten zorgvuldigheidseisen toe te passen en aan te tonen dat daaraan is voldaan door middel van een zorgvuldigheidsverklaring. Aan de hand van risicobeoordelingen die zijn uitgevoerd door de Europese Commissie zijn minimuminspectieniveaus vastgesteld voor bevoegde autoriteiten met het doel een gelijk handhavingsniveau in elke lidstaat te bereiken (artikel 16 van de verordening).

De betreffende grondstoffen en producten mogen niet langer op de EU-markt in de handel worden gebracht, op de EU-markt worden aangeboden of van de EU-markt worden uitgevoerd, tenzij ze ontbossingsvrij zijn, ze vergezeld gaan van een zorgvuldigheidsverklaring en ze zijn geproduceerd overeenkomstig de relevante wetgeving van het land van productie.

Zie voor een uitgebreidere toelichting de memorie van toelichting bij het voorstel voor de Wet uitvoering verordening ontbossingsvrije grondstoffen en producten.3

3. Hoofdlijnen van de amvb
Aanleiding, doel en inhoud

De aanleiding voor deze amvb betreft de inwerkingtreding van de verordening ontbossingsvrije grondstoffen en producten, die is toegelicht in de vorige paragraaf.

Het doel van deze amvb is het aanpassen van de relevante bepalingen in twee algemene maatregelen van bestuur: het Besluit activiteiten leefomgeving en het Besluit kwaliteit leefomgeving om die consistent te maken met de genoemde EU-verordening, voor zover dat nodig is voor de uitvoering. De betrokken amvb’s bevatten al bepalingen ter uitvoering van de Houtverordening. Die verordening is opgegaan in de verordening ontbossingsvrije grondstoffen en producten en is komen te vervallen. De reikwijdte van die bepalingen wordt vergroot van de handel in hout en houtproducten naar de handel in ontbossingsvrije grondstoffen en producten.

Het betreft in het Besluit activiteiten leefomgeving met name bepalingen inzake de oogmerken van de regels, het bevoegd gezag, het verbod te handelen in strijd met de verordening ontbossingsvrije grondstoffen en producten en de inkadering van de mogelijkheid om af te wijken bij maatwerkvoorschrift (artikel I).

In het Besluit kwaliteit leefomgeving wordt de bepaling aangepast ten aanzien van de bevoegde instantie voor de uitvoering van de verordening (artikel II).

In de onderstaande alinea’s wordt dit verder toegelicht.

Probleemaanpak en motivering instrumentkeuze/basis

Voor wijziging van de Omgevingswet en de daarop gebaseerde regelgeving is gekozen, omdat daarmee wordt aangesloten bij de eerdere implementatie van de Houtverordening in die wet en in het Besluit activiteiten leefomgeving en het Besluit kwaliteit leefomgeving en de kerndoelstelling de bescherming van de fysieke leefomgeving in het land van herkomst van de grondstoffen en producten betreft. De primaire invalshoek is de bescherming van de fysieke leefomgeving ter plekke. Dit is toegelicht in hoofdstuk 3 van de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel.

De onderhavige amvb voorziet in wijziging en uitbreiding van de regels in het Besluit activiteiten leefomgeving en het Besluit kwaliteit leefomgeving over in de Omgevingswet genoemde activiteiten met betrekking tot dieren, planten, stoffen of zaken die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving in Nederland of daarbuiten.

Deze amvb is gebaseerd op de artikelen 2.24 (grondslag algemene instructieregels Rijk), eerste lid, en 4.3 (grondslag rijksregels), tweede lid, aanhef en onderdeel b, van de Omgevingswet. In de relevante artikelen 4.12 (rijk bevoegd gezag voor rijksregels), eerste lid, aanhef en onderdelen j en n, 4.36 (rijksregels handel en onder zich hebben van dieren, planten en producten) en 4.37 (rijksregels hout en houtproducten) wordt telkens verwezen naar de grondslag van artikel 4.3.

Op grond van artikel 4.3 (grondslag rijksregels), tweede lid, aanhef en onderdeel b, van de Omgevingswet bestaat reeds de bevoegdheid om regels te stellen over hout en houtproducten, welke regels op grond van artikel 4.20 van die wet in ieder geval moeten worden gesteld ter uitvoering van de Europese houtregelgeving. Die regels worden ingevolge artikel 4.37 van de wet gesteld met het oog op natuurbescherming, bescherming van het milieu of het beheer van natuurlijke hulpbronnen. Dat sluit ook aan bij de gebruikte rechtsbasis van artikel 192, eerste lid, van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (het milieuartikel) waar de verordening op is gebaseerd. Het voor hout te gebruiken stelsel van zorgvuldigheidseisen dat moet worden gehanteerd door degene die hout op de Europese markt brengt, gaat over de naleving van de eisen die het land van herkomst stelt over houtkap. Dat kan ook wetgeving zijn die meer sociaal georiënteerd is en bijvoorbeeld betrekking heeft op arbeidsomstandigheden. Dergelijke brede oogmerken noemt artikel 4.37 van de Omgevingswet niet. Die oogmerken zijn meer aanpalend, de hoofdgrondslag is milieu. Dit was destijds bij de Aanvullingswet natuur Omgevingswet geen reden om de regels ter uitvoering van de houtverordening niet te stellen in de Omgevingswet, nu het aspect van de bescherming van de fysieke leefomgeving centraal staat en het grootste gewicht toekomt.

In artikel 4.3, tweede lid, van de Omgevingswet is bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld over onder meer de volgende activiteiten met dieren, planten, stoffen of zaken waarvan de daaraan voorafgaande verkrijging of productie gevolgen heeft of kan hebben voor de fysieke leefomgeving:

  • a. het verhandelen, het om een andere reden dan verkoop onder zich hebben en het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen van dieren, planten of producten daarvan, en

  • b. het verhandelen en binnen het grondgebied van Nederland brengen van hout of houtproducten en ontbossingsvrije grondstoffen en producten.

De Wet uitvoering verordening ontbossingsvrije grondstoffen en producten voorziet voor de volledigheid in toevoeging in deze grondslag van de term ontbossingsvrije grondstoffen of producten (artikel I, onderdeel A, wijzigingswet). Ook voorziet de wet in aanpassing in gelijke zin van de artikelen 4.12 (Rijk bevoegd gezag voor rijksregels), eerste lid, en 4.37 (rijksregels hout en houtproducten) (artikel I, onderdeel B, respectievelijk artikel I, onderdeel D, wijzigingswet).

Het sanctieregime uit de verordening inclusief de bestuursrechtelijke maatregelen wordt toegepast.

Strafbaarstelling is reeds geregeld in artikel 1a, onder 1o, van de Wet economische delicten.

Voor de wijzigingsbepalingen is er een wettelijke grondslag op basis van de Wet uitvoering verordening ontbossingsvrije grondstoffen en producten en met dit besluit worden het Besluit activiteiten leefomgeving en het Besluit kwaliteit leefomgeving qua terminologie en verwijzingen dus in overeenstemming gebracht met het feit dat de Houtverordening is vervangen door de verordening ontbossingsvrije grondstoffen en producten.

4. Regeldrukeffecten

In de memorie van toelichting bij het genoemde voorstel voor de Wet uitvoering verordening ontbossingsvrije grondstoffen en producten zijn de regeldrukeffecten beschreven. Met de uitbreiding van de verordening naar meer grondstoffen en producten dan hout en houtproducten is er een stijging van zowel nalevingslasten voor bedrijven en burgers, evenals een stijging van toezichtlasten voor handhavingspartijen en de rechtspraak, zijnde de Douane, de NVWA en het Openbaar Ministerie.

De omvang van de toename in handhavingskosten is sterk afhankelijk van onder meer nadere besluitvorming door de Europese Commissie over het aantal landen en gebieden dat als hoog-risico wordt aangemerkt, omdat dit het percentage uit te voeren controles bepaalt.

Over de regeldruk voor bedrijven en burgers heeft geen toetsing plaatsgevonden door het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR), aangezien deze amvb net als de wijzigingswet een zuivere implementatie betreft van een rechtstreeks werkende Europese verordening. Voor de burger kan het betekenen dat producten die zij willen kopen minimaal in prijs kunnen stijgen. De verordening heeft rechtstreeks effect op naar schatting circa 18.000 importerende bedrijven. Data over het aantal Nederlandse exporterende bedrijven waar de verordening direct effect op heeft, zijn niet beschikbaar. Bedrijven zullen volgens ramingen van de Commissie eenmalig kosten van € 5.000 tot € 90 000 per marktdeelnemer moeten maken voor het opstellen van het gepaste zorgvuldigheidssysteem.

5. Uitvoering, advies en toetsing

Deze amvb is afgestemd met de NVWA. De opmerkingen van de NVWA zijn verwerkt. Deze beziet verder de gevolgen voor de uitvoeringspraktijk. De NVWA heeft ten aanzien van het voorstel voor de Wet uitvoering verordening ontbossingsvrije grondstoffen en producten reeds een uitvoeringstoets gedaan en heeft geconcludeerd dat de wet uitvoerbaar, handhaafbaar en fraudebestendig is.

De Raad voor de Rechtspraak heeft bij de toetsing van het voorstel voor de Wet uitvoering verordening ontbossingsvrije grondstoffen en producten opgemerkt dat het wetsvoorstel naar verwachting niet leidt tot substantiële werklastgevolgen voor de rechtspraak en dat indien uit nadere uitvoeringsregelgeving belangrijke werklastgevolgen voortvloeien, de Raad graag in de gelegenheid wordt gesteld daarover aanvullend te adviseren. Deze amvb brengt ten opzichte van de Wet uitvoering verordening ontbossingsvrije grondstoffen en producten geen extra werklastgevolgen.

Zoals toegelicht in de memorie van toelichting bij het voorstel voor de Wet uitvoering verordening ontbossingsvrije grondstoffen en producten (algemeen deel, hoofdstuk 9) zijn gedurende het implementatietraject belanghebbenden uit de relevante sectoren en het maatschappelijk middenveld betrokken via informatie- en consultatiebijeenkomsten. Tijdens deze bijeenkomsten zijn stakeholders geïnformeerd over de implementatieprocedure en zijn zorgen, vragen en suggesties opgehaald. Deze input is herhaaldelijk opgehaald en meegenomen gedurende het implementatietraject. Er is geen internetconsultatie gehouden over deze amvb. Conform artikel 23.4, vijfde lid, onder b, en artikel 23.5, derde lid, van de Omgevingswet is er geen internetconsultatie, respectievelijk geen voorhangprocedure nodig als het ontwerp van een algemene maatregel van bestuur alleen strekt tot uitvoering van internationaalrechtelijke verplichtingen.

6. Toezicht en handhaving

In hoofdstuk 6 van de memorie van toelichting bij het voorstel voor de Wet uitvoering verordening ontbossingsvrije grondstoffen en producten is reeds beschreven dat de Minister voor Natuur en Stikstof als de bevoegde instantie zal gelden op grond van artikel 3.69 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Deze bevoegdheid wordt, gelet op de portefeuilleverdeling binnen het kabinet Schoof, thans uitgeoefend door de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur. Dat artikel wordt met deze amvb uitgebreid naar ontbossingsvrije grondstoffen of producten ingevolge de verordening ontbossingsvrije grondstoffen en producten (zie artikel II). Onze Minister voor Natuur en Stikstof (thans de Staatssecretaris) is daarmee ook de bevoegde instantie voor de uitvoering van die verordening. De aanduiding van de bevoegde minister in de wet en de amvb is nog niet aangepast aan de portefeuilleverdeling van het kabinet Schoof. Die aanpassing zal worden meegenomen in een andere wet en amvb, maar is niet nodig om de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur bevoegd te maken: die bevoegdheid ontleent hij aan zijn benoeming bij koninklijk besluit op grond van artikel 44, eerste lid, van de Grondwet (ABRvS 10 oktober 2001, AB 2001, 352).

Op grond van artikel 3.69, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving is het eerste lid alleen van toepassing als de minister (thans staatssecretaris) geen andere instantie als bevoegde instantie heeft aangewezen. De minister (thans staatssecretaris) heeft de NVWA bij apart besluit aangewezen als bevoegde instantie voor de uitvoering van de verordening. Toezichthoudende ambtenaren zijn aangewezen in artikel 5 van het Besluit aanwijzing toezichthouders Omgevingswet.

Overigens bevat artikel 18.15a van de Omgevingswet de mogelijkheid van de oplegging van een bestuurlijke boete. Deze mogelijkheid moet nog worden uitgewerkt in een amvb; in het verleden was die mogelijkheid voor de Houtverordening niet ingevuld. Voor de verordening ontbossingsvrije grondstoffen en producten wordt thans bezien of en voor welke overtredingen een bestuurlijke boete moet kunnen worden opgelegd. De NVWA kan net als bij de Houtverordening sowieso een last onder dwangsom opleggen. Op grond van de Wet economische delicten kan een geldboete worden opgelegd. Daarnaast heeft het Openbaar Ministerie op grond van de Wet OM-afdoening de mogelijkheid van een bestuurlijke strafbeschikking. Dit bestaande strafrechtelijke instrumentarium, aangevuld met de specifieke bestuurlijke maatregelen van de verordening, is vooralsnog voldoende om adequaat te kunnen handhaven. Het handhavingsbeleid zal in eerste instantie ook niet primair zijn gericht op straffen, maar op waarschuwen en het bewerkstelligen van verbetering van de werkwijze van ondernemingen.

Hoe een eventuele bestuurlijke boete zich verhoudt tot het uitvoerige bestaande handhavingsinstrumentarium, wordt nog onderzocht. Het introduceren van bestuurlijke boetes vergt een zorgvuldig proces, en moet interdepartementaal en met het Openbaar Ministerie worden afgestemd. Als de conclusie wordt getrokken dat een bestuurlijke boete meerwaarde heeft en duidelijkheid bestaat over de feiten waarvoor deze kan worden ingezet, zal de boete kunnen worden geïntroduceerd met een aparte, latere wijzigings-amvb.

7. Financiële gevolgen

De financiele gevolgen van de verordening zijn reeds toegelicht in de memorie van toelichting bij het voorstel voor de Wet uitvoering verordening ontbossingsvrije grondstoffen en producten. Wegens de grote importvolumes in Nederland, vraagt handhaving van de verordening op de betreffende producten structureel relatief veel extra personeel, waaronder inspecteurs bij vooral de NVWA (circa 35 fte per jaar; materiele inspectie) en in beperkte mate bij de Douane (1,7 fte per jaar, grotendeels automatische documentcontrole). Voor 2024 zijn de geschatte kosten voor extra in te huren capaciteit voor de NVWA (vanaf 1 september) € 1,12 miljoen. Dit is bovenop de € 0,8 miljoen die LNV zelf al heeft gefinancierd voor de extra capaciteit voor de NVWA voor 2024. Voor 2025 zijn de geschatte kosten voor extra in te huren capaciteit voor de NVWA (€ 4.16 miljoen vanaf 1 januari en € 0,72 miljoen vanaf 1 juli) en de Douane-kosten (€ 0,27 miljoen vanaf 1 januari) in totaal € 5,15 miljoen. Voor 2026 en verder zijn de geschatte kosten voor extra in te huren capaciteit voor het gedeelte NVWA (€ 5,6 miljoen) en de Douane-kosten (€ 0,27 vanaf 1 januari) in totaal € 5,87 miljoen.

Bedrijven zullen volgens ramingen van de Commissie eenmalig kosten van € 5.000,– tot € 90.000,– per marktdeelnemer moeten maken voor het opstellen van het gepaste zorgvuldigheidssysteem. De verordening heeft rechtstreeks effect op naar schatting circa 18.000 importerende bedrijven. Data over het aantal Nederlandse exporterende bedrijven waar de verordening direct effect op heeft, zijn niet beschikbaar.

8. Overgangsrecht en inwerkingtreding

De uiterste implementatiedatum van de verordening ontbossingsvrije grondstoffen en producten is 30 december 2024 (18 maanden na inwerkingtreding van de verordening op 29 juni 2023). Deze datum zal bij wijzigingsverordening mogelijk worden uitgesteld met een jaar. Vanaf die datum dient de verordening gehandhaafd te worden. Dit is dan ook het tijdstip waarop deze amvb in werking zal treden. Met deze amvb en met de Wet uitvoering verordening ontbossingsvrije grondstoffen en producten kan vanaf de datum waarop de verordening van toepassing is, deze gehandhaafd worden.

Voor het mkb geldt nog een langere toepassingstermijn van 24 maanden in plaats van 18 maanden conform artikel 38, derde lid, van de verordening. De verordening, inclusief de verbodsbepaling van artikel 3, en de verplichtingen in de daaropvolgende artikelen, zijn voor hen van toepassing vanaf 30 juni 2025, na mogelijke wijziging van de verordening 30 juni 2026. Dit is voldoende gedekt door de strafbaar gestelde bepalingen van de verordening en behoeft hier geen regeling.

Voor hout en houtproducten geldt op grond van de verordening ontbossingsvrije grondstoffen en producten een overgangstermijn van drie jaar. In artikel 37, tweede lid, van de verordening is bepaald dat de Houtverordening vanaf de datum waarop de verordening van toepassing is (implementatiedatum) nog drie jaar van toepassing blijft op hout en houtproducten die voor de datum van inwerkingtreding van de verordening zijn geproduceerd en met ingang van de implementatiedatum in de handel zijn gebracht. In dit ontwerpbesluit is daarvoor een voorziening opgenomen in artikel III. Met de daarin opgenomen verbodsbepaling en de bevoegdheid van de minister (thans staatssecretaris) om toepassing te kunnen geven aan de artikelen 10, vijfde lid (corrigerende maatregelen), en 19 (sancties) van de Houtverordening kunnen de als overgangsregime geldende regels in de verordening voor hout en houtproducten worden gesanctioneerd. Dit artikel kan na de genoemde drie jaar komen te vervallen.

B. Artikelsgewijze toelichting

Artikel I, A

Door de inwerkingtreding van de verordening ontbossingsvrije grondstoffen en producten worden de termen ‘hout en houtproducten’ in het opschrift van afdeling 11.3 aangevuld met de term ‘ontbossingsvrije grondstoffen en producten’. Afdeling 11.3 gaat onder andere over de handel in of het bezit van deze producten (zie artikel 11.111, eerste lid). In de afdeling is bepaald over welke activiteiten de afdeling gaat: artikel 11.111 (activiteiten) en waar de regels over de handel en het bezit van die producten over gaan: artikel 11.112 (oogmerken). In artikel 11.114 (bevoegd gezag Minister voor Natuur en Stikstof) is bepaald dat de Minister voor Natuur en Stikstof (thans de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur) het bevoegd gezag is waaraan een melding wordt gedaan, dat een maatwerkvoorschrift kan stellen of dat beslist op een aanvraag om toestemming om een gelijkwaardige maatregel te treffen voor het verhandelen, het om een andere reden dan verkoop onder zich hebben of het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen van hout of houtproducten. De wijzigingen in deze bepalingen worden bij de volgende wijzigingsartikelen nader toegelicht.

Artikel I, B

in artikel 11.111 wordt bepaald waar de afdeling 11.3 van het besluit over gaat: over het vellen van houtopstanden en het herbeplanten van grond na het vellen van houtopstanden of nadat een houtopstand op een andere manier teniet is gegaan, en over de handel in en het bezit van hout of houtproducten. Die laatste termen worden, als het gaat om de handel, aangevuld met ontbossingsvrije grondstoffen of producten ingevolge de verordening ontbossingsvrije grondstoffen en producten.

Artikel I, C

In artikel 11.112, tweede lid, is bepaald dat de regels in paragraaf 11.3.2 over de handel en het bezit van hout of houtproducten zijn gesteld met het oog op: de natuurbescherming (a), het beschermen van het milieu (b), het tegengaan van klimaatverandering (c) en het beheer van natuurlijke hulpbronnen (d). Deze oogmerken zijn ontleend aan de in de artikelen 4.35 en 4.37 van de Omgevingswet, zoals aangevuld door de Aanvullingswet natuur Omgevingswet, genoemde strekking van de te stellen rijksregels over deze activiteiten (zie nota van toelichting Besluit activiteiten leefomgeving, artikelsgewijze toelichting bij artikel 11.112). Door de verordening ontbossingsvrije grondstoffen en producten wordt in de aanhef de term hout of houtproducten uitgebreid met ontbossingsvrije grondstoffen of producten.

Artikel I, D

Onze Minister voor Natuur en Stikstof (thans de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur) is het bevoegd gezag waaraan een melding wordt gedaan, dat een maatwerkvoorschrift kan stellen of dat beslist op een aanvraag om toestemming om een gelijkwaardige maatregel te treffen voor onder andere het verhandelen van hout of houtproducten. Deze termen worden door de verordening ontbossingsvrije grondstoffen en producten en het intrekken van de Houtverordening uitgebreid met ontbossingsvrije grondstoffen of producten.

Artikel I, E

Door de inwerkingtreding van de verordening ontbossingsvrije grondstoffen en producten worden de termen hout en houtproducten in dit opschrift aangevuld met de term ontbossingsvrije grondstoffen en producten. Paragraaf 11.3.2 bevat de verbodsbepaling te handelen in strijd met EU-verordeningen over hout (de Houtverordening), in artikel 11.132 (verbod te handelen in strijd met EU-verordeningen over hout). Een ander relevant artikel in deze paragraaf dat wijziging behoeft is artikel 11.133 (afbakening mogelijkheid maatwerkvoorschrift: eisen EU-verordeningen). Dit wordt hieronder nader toegelicht per wijzigingsartikel.

Artikel I, F

Artikel 11.132, onder b, bevat de verbodsbepaling met het verbod te handelen in strijd met de artikelen 4 en 5 van verordening (EU) nr. 995/2010 tot vaststelling van de verplichtingen van marktdeelnemers die hout en houtproducten op de markt brengen (PbEU 2010, L 295), de Houtverordening. Met dit wijzigingsartikel wordt de Houtverordening vervangen door de verordening ontbossingsvrije grondstoffen en producten, inclusief de relevante artikelen. Deze verordening bevat ten opzichte van de Houtverordening meer (en ten dele andersoortige) verplichtingen. Zo zijn er meer verplichtingen dan voorheen van toepassing op marktdeelnemers en handelaren, en legt de verordening tevens verplichtingen op aan gemachtigde vertegenwoordigers (de artikelen 4, 5 en 6 van de verordening). Daarnaast gelden er bijvoorbeeld specifieke informatieverplichtingen (bijvoorbeeld artikel 9, tweede lid, en artikel 10, vierde lid, van de verordening) en verslagleggingsverplichtingen (bijvoorbeeld artikel 12, derde lid, van de verordening).

Dit artikel is gebaseerd op artikel 4.3, aanhef en tweede lid, onder b, van de Omgevingswet, en overtreding van de krachtens dat artikel gestelde regels is strafbaar gesteld in artikel 1a, onder 1°, van de Wet economische delicten.

Artikel I, G

Artikel 11.133 bevat een afbakening van de mogelijkheid van een maatwerkvoorschrift. Met een maatwerkvoorschrift kan alleen worden afgeweken van de verbodsbepaling in artikel 11.132 als dit in overeenstemming is met de bij of krachtens de daar genoemde verordeningen. Verordening (EU) 995/2010 wordt vervangen door de verordening ontbossingsvrije grondstoffen en producten.

Artikel II

Met deze wijziging wordt de reikwijdte van het artikellidonderdeel uitgebreid naar ontbossingsvrije grondstoffen of producten ingevolge de verordening ontbossingsvrije grondstoffen en producten. Onze Minister voor Natuur en Stikstof (thans de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur) is daarmee ook de bevoegde instantie voor de uitvoering van die verordening over het verhandelen of om een ander reden dan verkoop onder zich hebben of het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen van ontbossingsvrije grondstoffen of producten (eerste lid). Op grond van het tweede lid is het eerste lid alleen van toepassing als de minister (thans staatssecretaris) geen andere instantie als bevoegde instantie heeft aangewezen. De minister (thans staatssecretaris) wijst de NVWA aan als bevoegde instantie voor de uitvoering van de verordening bij op grond van mandaat.

Artikel III

Zoals toegelicht in hoofdstuk 8 van het algemeen deel van deze nota van toelichting, bevat dit artikel een voorziening om de als overgangsregime gelden regels in de verordening voor hout en houtproducten te kunnen sanctioneren, gedurende drie jaar na de datum waarop de verordening van toepassing is. De minister (thans staatssecretaris) kan in die periode corrigerende maatregelen opleggen, zoals de inbeslagname van hout en houtproducten of een verbod om hout en houtproducten te verhandelen (artikel 10, vijfde lid, van de Houtverordening) of sancties opleggen, zoals boetes, de inbeslagname van het betrokken hout en de betrokken houtproducten of de onmiddellijke schorsing van de vergunning tot uitoefening van commerciële activiteiten (artikel 19 van de Houtverordening).

Dit artikel is gebaseerd op artikel 4.3, tweede lid, aanhef en onder b, van de Omgevingswet, en overtreding van de krachtens dat artikel gestelde regels is strafbaar gesteld in artikel 1a, onder 1°, van de Wet economische delicten.

Artikel IV

Dit artikel bevat de bepaling tot vaststelling van de citeertitel. Deze citeertitel heeft relevantie vanwege het overgangsregime in artikel III, waardoor het wijzigingsbesluit vooralsnog ook een zelfstandige betekenis houdt.

De Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur,


X Noot
1

In verband met de kabinetswisseling wordt het advies gezonden aan de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur.

X Noot
2

Verordening (EU) 2023/1115 van het Europees Parlement en de Raad van 31 mei 2023 betreffende het op de markt van de Unie aanbieden en de uitvoer uit de Unie van bepaalde grondstoffen en producten die met ontbossing en bosdegradatie verband houden (PbEU 2023, L 150).

X Noot
3

De Afdeling gaat ervan uit dat dit zal worden aangepast aan de omschrijving van de thans bevoegde minister.

X Noot
4

Artikel I, onderdelen B en D.

X Noot
5

Artikel I, onderdeel F.

X Noot
6

Wetsvoorstel uitvoering verordening ontbossingsvrije grondstoffen en producten, zie Kamerstukken II 2023/24, 36 518, nr. 2.

X Noot
7

Artikel III van het ontwerpbesluit.

X Noot
8

Verslag Eerste Kamer 2023/2024, nr. 38, item 7. De Afdeling gaat er derhalve van uit dat de noodzaak tot het treffen van een noodvoorziening door middel van artikel III van het ontwerpbesluit is komen te vervallen.

X Noot
9

Verordening (EU) nr. 995/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 tot vaststelling van de verplichtingen van marktdeelnemers die hout en houtproducten op de markt brengen (PbEU 2010, L 295).

X Noot
10

Artikelen 4, 5 en 6 van de verordening ontbossingsvrije grondstoffen en producten.

X Noot
11

Zie voor de informatieverplichtingen bijvoorbeeld artikel 9, tweede lid, en artikel 10, vierde lid, van de verordening ontbossingsvrije grondstoffen en producten. Zie voor de verslagleggingsverplichting artikel 12, derde lid, van de verordening ontbossingsvrije grondstoffen en producten.

X Noot
12

Artikelen 18.15a en 18.16a van de Omgevingswet.

X Noot
13

Kamerstukken II 2023/24, 36 518, nr. 3, p. 25. Dit wordt herhaald in de nota van toelichting, algemeen deel, paragraaf 6, ‘Toezicht en handhaving’, maar bevat geen nadere concretisering van dit voornemen.

X Noot
14

Conclusie van advocaat-generaal Wattel van 11 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:738. Deze conclusie gaat over de weigering door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit om in te gaan op het verzoek van Greenpeace tot handhaving van de EU-Houtverordening jegens een aantal houtimporterende bedrijven die in het verleden hout hebben geïmporteerd zonder de door die Verordening vereiste voorzorg te betrachten om te voorkomen dat illegaal gekapt hout op de interne markt komt. Advocaat-generaal Wattel acht de mogelijkheid van bestuurlijke beboeting noodzakelijk met het oog op effectieve handhaving.

X Noot
15

Artikel 38 van de verordening ontbossingsvrije grondstoffen en producten.

X Noot
1

In verband met de kabinetswisseling wordt het advies gezonden aan de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur.

X Noot
2

Verordening (EU) 2023/1115 van het Europees Parlement en de Raad van 31 mei 2023 betreffende het op de markt van de Unie aanbieden en de uitvoer uit de Unie van bepaalde grondstoffen en producten die met ontbossing en bosdegradatie verband houden (PbEU 2023, L 150).

X Noot
3

De Afdeling gaat ervan uit dat dit zal worden aangepast aan de omschrijving van de thans bevoegde minister.

X Noot
4

Artikel I, onderdelen B en D.

X Noot
5

Artikel I, onderdeel F.

X Noot
6

Wetsvoorstel uitvoering verordening ontbossingsvrije grondstoffen en producten, zie Kamerstukken II 2023/24, 36 518, nr. 2.

X Noot
7

Artikel III van het ontwerpbesluit.

X Noot
8

Verslag Eerste Kamer 2023/2024, nr. 38, item 7. De Afdeling gaat er derhalve van uit dat de noodzaak tot het treffen van een noodvoorziening door middel van artikel III van het ontwerpbesluit is komen te vervallen.

X Noot
9

Verordening (EU) nr. 995/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 tot vaststelling van de verplichtingen van marktdeelnemers die hout en houtproducten op de markt brengen (PbEU 2010, L 295).

X Noot
10

Artikelen 4, 5 en 6 van de verordening ontbossingsvrije grondstoffen en producten.

X Noot
11

Zie voor de informatieverplichtingen bijvoorbeeld artikel 9, tweede lid, en artikel 10, vierde lid, van de verordening ontbossingsvrije grondstoffen en producten. Zie voor de verslagleggingsverplichting artikel 12, derde lid, van de verordening ontbossingsvrije grondstoffen en producten.

X Noot
12

Artikelen 18.15a en 18.16a van de Omgevingswet.

X Noot
13

Kamerstukken II 2023/24, 36 518, nr. 3, p. 25. Dit wordt herhaald in de nota van toelichting, algemeen deel, paragraaf 6, ‘Toezicht en handhaving’, maar bevat geen nadere concretisering van dit voornemen.

X Noot
14

Conclusie van advocaat-generaal Wattel van 11 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:738. Deze conclusie gaat over de weigering door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit om in te gaan op het verzoek van Greenpeace tot handhaving van de EU-Houtverordening jegens een aantal houtimporterende bedrijven die in het verleden hout hebben geïmporteerd zonder de door die Verordening vereiste voorzorg te betrachten om te voorkomen dat illegaal gekapt hout op de interne markt komt. Advocaat-generaal Wattel acht de mogelijkheid van bestuurlijke beboeting noodzakelijk met het oog op effectieve handhaving.

X Noot
15

Artikel 38 van de verordening ontbossingsvrije grondstoffen en producten.

X Noot
1

Brief van de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur aan de Tweede Kamer van 15 oktober 2024, betreft de Nederlandse positie ten aanzien van het voorstel van de Europese Commissie om de toepassingsdatum van de EU-verordening voor ontbossingsvrije producten met 12 maanden uit te stellen, kenmerk DGNV/88003117 (Kamerstukken II 2024/25, 22 112, nr. 3965)

X Noot
3

Kamerstukken II 2023/24, 36 518, nr. 2.

Naar boven