Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap | Staatscourant 2024, 28621 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap | Staatscourant 2024, 28621 | beleidsregel |
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
Gelet op artikel 11.5 van de Wet studiefinanciering 2000 en artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht;
Besluit:
De Beleidsregel inzake aanvullende voorziening reisrecht ex artikel 11.5 Wet studiefinanciering 2000 wordt als volgt gewijzigd:
A
Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid vervalt onderdeel d, onder verlettering van de onderdelen e tot en met h tot f tot en met i.
2. In het eerste lid worden na onderdeel c, twee onderdelen ingevoegd, luidende:
ho-student die niet een uitwonende ho-student is, niet zijnde extraneus,
ho-student die voldoet aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 1.5 van de WSF 2000, niet zijnde extraneus.
3. In het eerste lid wordt in onderdeel f (nieuw) na ‘mbo-student of’ ingevoegd ‘thuis- en uitwonende’.
4. Het tweede lid vervalt.
B
Artikel 2 komt te luiden:
1. Op verzoek van een thuiswonende mbo- of thuiswonende ho-student, die kan aantonen dat hij voor het verkeer tussen het woonadres en het adres van de onderwijsinstelling waarbij hij is ingeschreven of het stageadres voor het vervoer als voetganger op een pontveer per maand meer dan € 30,– moet besteden, kan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap het meerdere vergoeden.
2. Op verzoek van een uitwonende mbo- of uitwonende ho-student, die kan aantonen dat hij voor het verkeer tussen het woonadres en het stageadres voor het vervoer als voetganger op een pontveer per maand meer dan € 30,– moet besteden, kan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap het meerdere vergoeden.
3. Op verzoek van een thuiswonende mbo- of thuiswonende ho-student, die kan aantonen dat hij de onderwijsinstelling, waarbij hij is ingeschreven, of het stageadres, met gebruikmaking van het openbaar vervoer niet of niet tijdig kan bereiken of met gebruikmaking van het openbaar vervoer niet meer thuis kan komen, kan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap een tegemoetkoming toekennen gelijk aan het bedrag, bedoeld in artikel 5.3, eerste lid, van de WSF 2000.
4. Op verzoek van een uitwonende mbo- of uitwonende ho-student, die kan aantonen dat hij het stageadres met gebruikmaking van het openbaar vervoer niet of niet tijdig kan bereiken of met gebruikmaking van het openbaar vervoer niet meer thuis kan komen, kan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap een tegemoetkoming toekennen gelijk aan het bedrag, bedoeld in artikel 5.3, eerste lid, van de WSF 2000.
5. Het derde en het vierde lid zijn niet van toepassing indien de afstand tussen het adres van de onderwijsinstelling of het stageadres en het woonadres van de student minder dan 10 kilometer bedraagt.
6. In afwijking van artikel 1, onder h, zijn het derde tot en met vijfde lid ook van toepassing op studenten die een woonadres in het buitenland hebben.
C
Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:
1. Onder vernummering van het eerste tot en met het vierde lid, tot het tweede tot en met vijfde lid, wordt een lid ingevoegd, luidende:
1. De student komt in aanmerking voor een aanvullende voorziening als bedoeld in deze beleidsregel voor zover de student aanspraak maakt op een reisrecht als bedoeld in artikel 3.7 van de WSF 2000.
D
Artikel 3a wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid wordt ‘artikel 2, eerste, tweede, vierde en vijfde lid’ vervangen door ‘artikel 2, eerste tot en met vierde lid’.
2. In het tweede lid wordt ‘artikel 2, eerste, tweede, vierde en vijfde lid’ vervangen door ‘artikel 2, eerste tot en met vierde lid’.
3. In het derde lid wordt ‘artikel 2, derde en zesde lid’ vervangen door ‘artikel 2, eerste tot en met vierde lid’, en wordt na ‘wordt’ ingevoegd ‘voor een ho-student’.
E
Artikel 4a komt te luiden:
Op een ho-student die voor de periode na 1 september 2015 studiefinanciering toegekend heeft gekregen en op 1 september 2024 geen aanspraak meer maakt op een basisbeurs, maar wel aanspraak maakt op een reisrecht als bedoeld in artikel 3.7 van de WSF 2000, blijven artikel 1 en artikel 2, zoals die luidden op 31 augustus 2024, van toepassing.
Deze beleidsregel zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, E.E.W. Bruins
De Beleidsregel inzake aanvullende voorziening reisrecht ex artikel 11.5 van de Wet studiefinanciering 2000 geeft studenten in bepaalde situaties recht op een aanvullende voorziening om reiskosten te dekken, naast hun recht op het reguliere reisrecht (studentenreisproduct). Het gaat om een aanvullende voorziening voor studerenden die – voor het verkeer tussen het woonadres en de onderwijsinstelling of stageadres – gebruik moeten maken van een pontveer, en om studerenden die met gebruikmaking van het studentenreisproduct de onderwijsinstelling of het stageadres niet tijdig kunnen bereiken of niet meer thuis kunnen komen. Ook maken studerenden die op grond van de beleidsregel een onaanvaardbare fietsafstand (meer dan 10 km) hebben tot de halte of het station waarmee studenten reizen naar hun stage of onderwijsinstelling, onder voorwaarden aanspraak op de aanvullende voorziening. De beleidsregel is gebaseerd op de hardheidsclausule in de Wet studiefinanciering 2000 (hierna: WSF 2000), neergelegd in artikel 11.5 van de WSF 2000.
De reden om deze beleidsregel aan te passen, is de inwerkingtreding van de Wet herinvoering basisbeurs hoger onderwijs. De huidige Beleidsregel inzake aanvullende voorziening reisrecht ex artikel 11.5 van de Wet studiefinanciering 2000 maakt bij mbo-studenten onderscheid tussen thuiswonende en uitwonende mbo-studenten onder welke voorwaarden zij aanspraak maken op de aanvullende voorziening. Dit onderscheid tussen uit- en thuiswonend bestond niet voor hbo- en wo-studenten, omdat na de inwerkingtreding van de Wet studievoorschot hoger onderwijs dit onderscheid was komen te vervallen, en DUO niet registreerde of studenten die begonnen aan een opleiding uitwonend waren.1 Met de inwerkingtreding van de Wet herinvoering basisbeurs hoger onderwijs is dit onderscheid echter weer relevant voor hbo- en wo-studenten bij het toekennen van een basisbeurs voor uitwonenden of thuiswonenden. Daarom wordt ook deze beleidsregel op het teruggekeerde onderscheid tussen uit- en thuiswonend aangepast.
De aanpassing van de beleidsregel trekt voor thuiswonende en uitwonende mbo-studenten en thuiswonende en uitwonende hbo-en wo-studenten de voorwaarden gelijk op grond waarvan zij aanspraak kunnen maken op een aanvullende voorziening. Dit betekent concreet dat uitwonende hbo- en wo-studenten, net als uitwonende mbo-studenten, geen aanspraak (meer) kunnen maken op deze aanvullende voorziening met als doel om de onderwijsinstelling tijdig te kunnen bereiken. Hbo- en wo-studenten, en dus ook uitwonende hbo en wo-studenten, konden dat op grond van de huidige beleidsregel wel. Het is hierbij goed om op te merken dat uitwonende hbo- en wo-studenten net als uitwonende mbo-studenten wel aanspraak blijven maken op de aanvullende voorziening met als doel om hun stageadres te bereiken of op de terugweg daarvan thuis te komen. Voor thuiswonende studenten verandert er met de aanpassing van de beleidsregel niets: zowel thuiswonende mbo- als thuiswonende hbo- en wo-studenten konden en kunnen de aanvullende voorziening blijven aanvragen met als doel om hun stageadres of onderwijsinstelling tijdig te bereiken of daarvan op de terugweg thuis te komen.
Ook wordt het uitvoeringsbeleid van DUO dat ziet op studenten met een woonadres in het buitenland in deze beleidsregel gecodificeerd.
In de begripsbepalingen wordt zowel de thuiswonende als de uitwonende ho-student toegevoegd, nu dit onderscheid weer relevant is met de inwerkingtreding van de Wet herinvoering basisbeurs hoger onderwijs. Tevens vervalt de oude begripsbepaling van ho-student die geen onderscheid maakte tussen een thuiswonende- en uitwonende ho-student.
Het tweede lid kan vervallen. Dit lid is overbodig nu de beleidsregel na deze wijziging weer onderscheid maakt tussen een thuiswonende en een uitwonende ho-student.
In dit artikel is een aantal wijzigingen doorgevoerd in verband met het relevante onderscheid tussen een thuiswonende en uitwonende ho-student met de inwerkingtreding van de Wet herinvoering basisbeurs hoger onderwijs. De artikelleden die verwezen naar ho-studenten onder de oude begripsbepaling zijn komen te vervallen (oud lid drie en vijf), met een toevoeging van thuiswonende en uitwonende ho-studenten aan de relevante artikelleden die eerder alleen verwezen naar thuiswonende of uitwonende mbo-studenten.
Daarnaast is er een artikellid (lid 6) toegevoegd. Hiermee wordt het huidige uitvoeringsbeleid van DUO in deze beleidsregel opgenomen. Hiermee wordt geregeld dat studenten met een woonadres in het buitenland onder dezelfde voorwaarden in aanmerking komen voor deze aanvullende voorziening. Dit in afwijking van artikel 1, onder h, waar het begrip woonadres is gedefinieerd als een adres waaronder de student in de Basisregistratie Personen (BRP) staat ingeschreven. Het BRP heeft betrekking op woonadressen in Nederland. Studenten met een woonadres in het buitenland maken net als studenten met een Nederlands woonadres onder voorwaarden aanspraak op deze aanvullende voorziening. Deze studenten hebben onder voorwaarden recht op deze voorziening als zij meer dan 10 kilometer van de Nederlandse halte of het Nederlandse station wonen waarmee zij reizen naar hun stage of onderwijsinstelling, of als zij onder voorwaarden hun stageadres of onderwijsinstelling niet tijdig kunnen bereiken of niet thuis kunnen komen gebruik makend van het studentenreisproduct. Studenten die in het buitenland studeren en op die grond een vergoeding in geld krijgen of een studentenreisproduct hebben aangevraagd, komen echter niet voor een aanvullende voorziening in aanmerking. Voor de kosten die studenten in Nederland in het openbaar vervoer maken, bestaan meerdere voorzieningen waaronder met name relevant het studentenreisproduct, en deze aanvullende voorziening. Voor de openbaarvervoerskosten die studenten maken die in het buitenland studeren, bestaat een vergoeding in geld (ov-vergoeding buitenland, die afgekort RBS heet).
Aan dit artikel is een lid toegevoegd om duidelijk te maken dat een student alleen recht heeft op de aanvullende voorziening voor zover deze student aanspraak heeft op een reisrecht op grond van de WSF 2000.
In artikel 3a wordt verwezen naar artikelleden van artikel 2. Omdat artikel 2 gewijzigd wordt met deze wijziging worden ook de verwijzingen naar de artikelleden van artikel 2 in artikel 3a gewijzigd, zodat deze weer corresponderen met de juiste artikelleden uit artikel 2.
Het oude artikel 4a kan vervallen omdat dit artikel overgangsrecht behelst voor de wijziging van de onderhavige beleidsregel in 2017 (Stcrt. 2017, 47546).
Het nieuwe artikel 4a behelst overgangsrecht voor de ho-student die voor de periode na 1 september 2015 studiefinanciering toegekend heeft gekregen op basis van de Wet studievoorschot hoger onderwijs. Het kan voorkomen dat deze ho-student na de inwerkingtreding van de Wet herinvoering basisbeurs hoger onderwijs, geen recht meer heeft op een basisbeurs, maar nog wél recht op het reisrecht heeft. In dat geval is deze beleidsregel ook van toepassing op deze student. Omdat DUO van deze student niet heeft geregistreerd of deze student uit- of thuiswonend is, blijven de artikelen 1 en 2 zoals die luidden direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de huidige wijziging van de beleidsregel van toepassing. Overgangsrecht is niet nodig voor ho-studenten die studiefinanciering toegekend hebben gekregen op basis van de Wet studievoorschot hoger onderwijs en op dit moment zowel basisbeursrechten hebben als het reisrecht.
Deze studenten moesten opnieuw een basisbeurs aanvragen bij de herinvoering van de basisbeurs, waardoor DUO van deze studenten wel hun woonadres heeft geregistreerd.
Deze beleidsregel treedt op 1 september 2024 in werking.
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, E.W.W. Bruins
Dit onderscheid is komen te vervallen met de wijziging van deze beleidsregel in 2015 (Stcrt. 2015, 26285).
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2024-28621.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.