Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid | Staatscourant 2023, 7214 | advies Raad van State |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid | Staatscourant 2023, 7214 | advies Raad van State |
13 februari 2023
Aan de Koning
Nader rapport inzake het voorstel van wet houdende regels ten behoeve van de kinderopvang op Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Wet kinderopvang BES)
Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw kabinet van 2 december 2021, nr. 2021002383, machtigde Uwe Majesteit de Afdeling advisering van de Raad van State haar advies inzake het bovenvermelde voorstel van (rijks)wet rechtstreeks aan mij te doen toekomen. Dit advies, gedateerd 24 februari 2022, nr. W12.21.0358/III, bied ik U hierbij aan.
De tekst van het advies treft u hieronder cursief aan, voorzien van mijn reactie.
Bij Kabinetsmissive van 2 december 2021, no.2021002383, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, mede namens de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet houdende regels ten behoeve van de kinderopvang op Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Wet kinderopvang BES), met memorie van toelichting.
Het wetsvoorstel bevat regels voor de kinderopvang in Caribisch Nederland. Het wetsvoorstel voorziet daartoe in de inrichting van een vergunningstelsel en bevat eisen die aan de veiligheid, gezondheid en kwaliteit van de kinderopvang worden gesteld. Verder bevat het wetsvoorstel regels ten aanzien van toezicht, handhaving en sanctionering, alsmede de financiering van de kinderopvang.
De Afdeling advisering van de Raad van State maakt opmerkingen over de realiseerbaarheid en uitvoerbaarheid door de eilanden van kinderopvang als in het wetsvoorstel vormgegeven. Verder maakt zij opmerkingen over de gastouderopvang, de gegevensbescherming bij het verwerken dan wel het verstrekken van informatie en de noodzaak voor een experimenteerregeling. In verband daarmee is aanpassing van het voorstel en de toelichting nodig.
In september 2018 heeft de Tweede Kamer de motie-Diertens c.s. aangenomen waarin de regering is verzocht om, in samenwerking met de lokale organisaties op Bonaire, Saba en Sint Eustatius, de kwaliteit van de kinderopvang aldaar te versterken en de kinderopvang breed beschikbaar te maken.1 Ter uitvoering van deze motie hebben de verantwoordelijke bewindslieden met de bestuurscolleges van de eilanden het programma BES(t) 4 kids ingericht.2 In dit programma participeren zowel de openbare lichamen als de betrokken departementen met als doel de kinderopvang in Caribisch Nederland te versterken.
In 2019 is als onderdeel van dit programma een nulmeting uitgevoerd om een beeld te krijgen van de situatie van de kinderopvang en buitenschoolse voorzieningen in Caribisch Nederland.3 Hieruit blijkt dat er grote verschillen zijn per eiland, kinderopvang relatief duur is en niet toereikend als het gaat om ruimte en kwaliteit. Na deze meting, en vooruitlopend op onderhavig wetsvoorstel, is door elk van de openbare lichamen een Eilandsverordening Kinderopvang tot stand gebracht en is een tijdelijke subsidieregeling gekomen.4
In gezamenlijk overleg zijn vervolgens de kaders voor kwaliteit, toezicht en financiering in onderhavig wetsvoorstel neergelegd.5 Er is aangesloten bij de inrichting van het stelsel van kinderopvang in Europees Nederland, waarbij rekening is gehouden met de omstandigheden in Caribisch Nederland.6 Met dit wetsvoorstel worden de kaders voor het kinderopvangstelsel structureel verankerd. Daarin kan kinderopvang in twee organisatievormen worden aangeboden: kindercentra en gastouders.
Daarmee is na zorgvuldige voorbereiding en in nauwe samenwerking tussen Europees Nederland en Caribisch Nederland dit wetsvoorstel tot stand gekomen. De Afdeling heeft waardering voor deze zorgvuldige en uitgebreide aanpak.
Ten aanzien van het wetsvoorstel merkt de Afdeling het volgende op.
Doel van het voorstel is het verbeteren van de kwaliteit en het verhogen van de financiële toegankelijkheid van de kinderopvang in Caribisch Nederland.7 Vóór de start van het programma BES(t) 4 kids ontbrak het Caribisch Nederland aan middelen om de kwaliteit van de kinderopvang structureel te verbeteren.8
In 2020 is op alle drie de eilanden een Eilandsverordening kinderopvang van kracht geworden. Met deze Eilandsverordeningen is een vergunningstelsel op de eilanden geïntroduceerd en zijn kwaliteitseisen gesteld aan de kinderopvang.9
Tegelijk is een tijdelijke subsidieregeling gestart. Deze subsidie is bedoeld om de kinderopvang voor alle ouders financieel toegankelijk te maken en de organisaties op de eilanden te laten wennen aan het beoogde nieuwe financieringsstelsel. Bonaire en Sint Eustatius maken sinds 2020 gebruik van deze subsidieregeling en Saba sinds 2021.10 Daarnaast is binnen het programma BES(t) 4 kids gewerkt aan het opstellen van het wetsvoorstel en vindt er ondersteuning en begeleiding plaats bij het verbeteren van de kwaliteit van de kinderopvang.11
De Afdeling merkt op dat de invoering van het stelsel een forse inspanning heeft gevergd en nog zal vergen. Uit de toelichting blijkt dat er aan wordt gedacht om een gezamenlijke ondersteuningsstructuur van de eilanden BES(t) 4 kids in te richten van waaruit de kinderopvang wordt ondersteund bij de verdere implementatie en uitvoering van het stelsel, mede omdat het huidige programma BES(t) 4 kids wordt beëindigd spoedig nadat de wet in werking is getreden.12
Er is een inventariserend onderzoek gestart om de totale huisvestingsopgave in kaart te brengen, maar op dit moment zijn nog geen onderzoeksresultaten beschikbaar.13 Voor het huisvestingsprogramma worden geen extra middelen door het Rijk beschikbaar gesteld.14 Het kostprijsonderzoek dat als input geldt voor het bepalen van de hoogte van de kinderopvangvergoeding is nog niet afgerond.15
Verder blijkt dat de haalbaarheid van kwalificatie-eisen aan medewerkers mede afhankelijk zal zijn van de mogelijkheden die de lokale arbeidsmarkt met zich brengt. Ook volgt uit de voortgangsbrief van 18 november 2021 dat het personeel in veel gevallen nog niet altijd voldoet aan de vereiste beroepskwalificaties.16 Daarnaast volgt uit deze brief dat er ten aanzien van de huisvesting nog de nodige knelpunten zijn en dat de arbeidsvoorwaarden verbeterd moeten worden om voldoende en goed opgeleide medewerkers in de opvang te krijgen.
Onvoldoende duidelijk wordt evenwel wat de stand van zaken is van de implementatie van de kwaliteitseisen op basis van de huidige Eilandsverordeningen. Daardoor is ook onduidelijk of op dit moment nog achterstanden moeten worden weggewerkt of dat inmiddels al een kwaliteitsverbetering is gerealiseerd, waarop kan worden voortgeborduurd na inwerkingtreding van het wetsvoorstel.
De eerder genoemde kamerbrief roept de vraag op of de (financiële) middelen na inwerkingtreding van het wetsvoorstel toereikend zullen zijn. Uit de toelichting blijkt immers dat is besloten de verstrekking van financiële middelen via de subsidieregeling te stoppen, dat er onzekerheid bestaat over de ondersteuningsstructuur BES(t) 4kids van de eilanden zelf, dat investeringen moeten worden gedaan in arbeidsvoorwaarden voor het personeel en dat er geen extra middelen voor huisvesting vrij zullen worden gemaakt.
Het voorgaande doet vragen rijzen naar de realiseerbaarheid en uitvoerbaarheid door de eilanden van een kinderopvangstelsel dat – naar wens van de eilanden – aansluit bij kwaliteitseisen van Europees Nederlands niveau.
Weliswaar is het mogelijk om verschillende onderdelen van het wetsvoorstel op verschillende momenten in werking te laten treden, maar dat neemt niet weg dat een hoog niveau van kwaliteit van kinderopvang gerealiseerd zal moeten worden. De toelichting spreekt de verwachting uit dat dit in de periode tussen 2026 en 2030 het geval zal zijn.17 De Afdeling mist in de toelichting een antwoord op de vraag hoe dit niveau van kinderopvang gerealiseerd kan worden op de afzonderlijke eilanden, mede gelet op de schaal van de eilanden en de nog maar korte periode dat gewerkt is aan het tot stand brengen van kinderopvang.
Verduidelijking is nodig welke inspanningen, uitgaande van de huidige situatie, nog moeten worden verricht door de eilanden zelf om te kunnen voldoen aan de voorgestelde kwaliteitseisen. De genoemde onzekerheden nopen de Afdeling ook tot de vraag waarom er niet voor is gekozen het huidige programma BES(t) 4 kids voorlopig nog voort te zetten, ook na inwerkingtreding van (delen van) het wetsvoorstel. Zijn de eilanden bij inwerkingtreding van de wet zelf in voldoende mate in staat om kinderopvang te organiseren en in stand te houden die voldoet aan vergelijkbare eisen die aan de Europees Nederlandse kinderopvang worden gesteld?
Gelet op de vraag hoe realistisch en uitvoerbaar dit wetsvoorstel is, geeft de Afdeling in overweging om in ieder geval meer flexibiliteit voor de (afzonderlijke) eilanden in het voorstel in te bouwen met het oog op het voldoen aan de kwaliteitseisen. De Afdeling is zich er daarbij overigens van bewust dat een zekere mate van flexibiliteit kan worden gerealiseerd door de mogelijkheid in het wetsvoorstel om bij of krachtens algemene maatregel van bestuur (AMvB) nadere regels te stellen ten aanzien van de kwaliteit, maar deze nadere regels zullen geen afbreuk mogen doen aan de kern van de kwaliteitseisen die nadrukkelijk op het niveau van de wet zijn belegd.18
De Afdeling adviseert de realiseerbaarheid en de uitvoerbaarheid van het beoogde stelsel van kinderopvang in de toelichting toereikend te motiveren.
De Afdeling maakt verschillende opmerkingen over de realiseerbaarheid en uitvoerbaarheid van het wetsvoorstel voor de eilanden. De Minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen (APP) onderschrijft de opmerking van de Afdeling dat de invoering van het stelsel een forse inspanning heeft gevergd en nog zal vergen, en is zich ervan bewust dat de ambities op het gebied van kinderopvang die met dit wetsvoorstel worden nagestreefd niet van de ene op de andere dag gerealiseerd kunnen worden. Het zal een proces van lange adem zijn. De Minister voor APP gaat ervan uit dat het grootste deel van de kinderopvangorganisaties tussen 2026 en 2030 zal voldoen aan de kwaliteitseisen die bij of krachtens dit wetsvoorstel zullen gaan gelden. Voor onderdelen van de kwaliteitseisen die logischerwijs meer tijd vergen – opleidings- en huisvestingseisen – wordt bij of krachtens AMvB voorzien in een overgangsregeling dan wel latere inwerkingtreding (zie daarvoor C en E).
In het kader van de realiseerbaarheid en uitvoerbaarheid kaart de Afdeling verschillende punten aan. Ten eerste geeft de Afdeling aan dat onvoldoende duidelijk wordt wat de stand van zaken is van de implementatie van de kwaliteitseisen op basis van de huidige Eilandsverordeningen. Volgens de Afdeling is het daardoor onduidelijk of op dit moment nog achterstanden moeten worden weggewerkt of dat inmiddels al een kwaliteitsverbetering is gerealiseerd, waarop kan worden voortgeborduurd na inwerkingtreding van het wetsvoorstel. Ten tweede vraagt de Afdeling zich af of de (financiële) middelen na inwerkingtreding van het wetsvoorstel toereikend zullen zijn. Dit alles maakt dat er volgens de afdeling vragen rijzen naar de realiseerbaarheid en uitvoerbaarheid door de eilanden van een kinderopvangstelsel dat – naar wens van de eilanden – aansluit bij kwaliteitseisen van Europees Nederlands niveau. Ten derde mist de Afdeling in de toelichting een antwoord op de vraag hoe dit niveau van kinderopvang gerealiseerd kan worden op de afzonderlijke eilanden, mede gelet op de schaal van de eilanden en de nog maar korte periode dat gewerkt is aan het tot stand brengen van kinderopvang. Verder, ten vierde, is verduidelijking nodig welke inspanningen, uitgaande van de huidige situatie, nog moeten worden verricht door de eilanden zelf om te kunnen voldoen aan de voorgestelde kwaliteitseisen. De genoemde onzekerheden, ten vijfde, nopen de Afdeling ook tot de vraag waarom er niet voor is gekozen het huidige programma BES(t) 4 kids voorlopig nog voort te zetten, ook na inwerkingtreding van (delen van) het wetsvoorstel. Tot slot geeft de Afdeling in overweging om in ieder geval meer flexibiliteit voor de (afzonderlijke) eilanden in het voorstel in te bouwen met het oog op het voldoen aan de kwaliteitseisen.
De Minister voor APP geeft hieronder haar reactie op bovenstaande punten: geletterd van A tot en met E. Per punt wordt aangegeven of het advies van de Afdeling tot wijzigingen in het wetsvoorstel en de memorie van toelichting heeft geleid.
De Afdeling geeft aan dat het onvoldoende duidelijk wordt wat de stand van zaken is van de implementatie van de kwaliteitseisen op basis van de huidige Eilandsverordeningen. Volgens de Afdeling is het daardoor onduidelijk of op dit moment nog achterstanden moeten worden weggewerkt of dat inmiddels al een kwaliteitsverbetering is gerealiseerd, waarop kan worden voortgeborduurd na inwerkingtreding van het wetsvoorstel. Naar aanleiding hiervan is er een extra paragraaf toegevoegd aan de memorie van toelichting: paragraaf 2.3.2. Hieronder treft u de belangrijkste punten uit deze paragraaf.
Sinds de aanvang van het programma BES(t) 4 kids zijn al de nodige acties in gang gezet om de kwaliteit van de kinderopvang te verbeteren. Zo heeft het programma in de afgelopen jaren invulling gegeven aan de eisen waaraan kinderopvangorganisaties moesten voldoen. Daarvoor is op ieder eiland een (nieuwe) Eilandsverordening Kinderopvang opgesteld (de openbare lichamen Bonaire en Sint Eustatius hadden al een Eilandsverordening kinderopvang). Deze Eilandsverordeningen zijn – met enkele lokale verschillen tussen de eilanden – in 2020 van kracht geworden. In de Eilandsverordeningen zijn kwaliteitseisen opgenomen over onder andere de veiligheid en gezondheid, het pedagogisch en educatief handelen door de beroepskrachten, de personeelskwalificaties, de beroepskracht-kindratio, de beschikbare ruimten, en het aanstellen van een oudercommissie. Voor sommige kwaliteitseisen gelden in de Eilandsverordeningen overgangsperioden waar het gaat om zaken die een investering van meerdere jaren vergen, zoals opleidingseisen.
Informatiebronnen voor de stand van zaken zijn het programma BES(t) 4 kids, en de nul- en eenmeting van onderzoeksbureau Ecorys, dat de opdracht heeft om de effecten van het programma BES(t) 4 kids te meten. Deze onderzoeken van Ecorys geven een algemeen inzicht in de stand van zaken op de meeste van de kwaliteitseisen uit de Eilandsverordeningen.
De kwaliteitseisen in de Eilandsverordeningen komen in belangrijke mate overeen met de kwaliteitseisen in dit wetsvoorstel. In de afgelopen periode zijn al verschillende stappen gezet om aan de kwaliteitseisen te voldoen. Er kan dus worden voortgeborduurd op de kwaliteitsverbetering die al in gang is gezet. Zo heeft het merendeel van de bestaande kinderopvangorganisaties een exploitatievergunning ontvangen, neemt het aantal pedagogische medewerkers dat aan de vereiste beroepskwalificaties voldoet toe en wordt ingezet op het verbeteren van de arbeidsvoorwaarden in de kinderopvangsector zodat deze aantrekkelijker wordt om in te (blijven) werken. Naast deze positieve stappen moeten er nog belangrijke stappen worden gezet om de kwaliteit verder te verbeteren. Zo hebben nog niet alle houders van kindercentra en gastouders een pedagogisch plan opgesteld waarin onder andere staat beschreven wat hun pedagogische visie is en hoe wordt voldaan de eis voor verantwoorde kinderopvang. Ook het volgen van de ontwikkeling van het kind blijkt voor pedagogische medewerkers nog lastig. Vanuit het programma wordt eraan gedacht om hiervoor ondersteuning aan te bieden, bijvoorbeeld door een gebruiksvriendelijk instrument te ontwikkelen dat pedagogisch medewerkers helpt bij het volgen van de ontwikkeling van kinderen. Daarnaast staat het betrekken van ouders bij de kinderopvang nog in de kinderschoenen.
Tot slot verdient de huisvesting in een aantal gevallen verbetering, waarbij dient te worden opgemerkt dat dit een verantwoordelijkheid is van de kinderopvangorganisaties.
Samenvattend kan worden gesteld dat de voortgang op de kwaliteitseisen, de consultatie van het wetsvoorstel en de eenmeting van Ecorys aantonen dat er draagvlak is voor het verbeteren van de kwaliteitseisen. De verwachting is dan ook dat deze op termijn voor een groot deel haalbaar zijn. Onder punt C en F wordt ingegaan op de benodigde tijd hiervoor, de ruimte voor flexibiliteit en hoe er gedurende de periode van implementatie toezicht zal worden gehouden op de kwaliteit van de kinderopvang.
Er is dan ook geen reden om de ‘kwaliteitslat’ (tijdelijk) lager te leggen. Daarmee kan worden vastgehouden aan de kwaliteitseisen in het wetsvoorstel.
Mede naar aanleiding van de opmerking van de Afdeling over de realiseerbaarheid en uitvoerbaarheid is het wetsvoorstel op één onderdeel aangepast, namelijk het streven naar inclusieve kinderopvang. In de memorie van toelichting van het wetsvoorstel zoals die aan de Afdeling advisering van de Raad van State is voorgelegd, was al de ambitie van inclusieve kinderopvang opgenomen. De summiere manier waarop dat werd beschreven kon onbedoeld de indruk wekken dat iedere kinderopvangorganisatie plek zou moeten kunnen bieden aan kinderen met een extra ondersteuningsbehoefte. Daar waar in Europees Nederland kinderopvangorganisaties geregeld een eigen pedagoog in dienst hebben, is dat in Caribisch Nederland, mede door de vaak kleine organisatieomvang, niet het geval. Daarom is het in Caribisch Nederland van belang dat kinderopvangorganisaties hierin extern worden ondersteund en dat er voor kinderen met een zwaardere ondersteuningsbehoefte opvangplekken worden gerealiseerd waar de juiste expertise aanwezig is. In nauw contact met de eilanden is het wetsvoorstel daarom uitgebreid met de basis voor een gelaagde ondersteuningsstructuur, waarmee het kinderopvangstelsel in zijn geheel zo inclusief mogelijk is (zie paragraaf 5.3.1 in de memorie van toelichting). Vanaf 2020 is daar op ieder eiland op basis van pilots mee geëxperimenteerd. Dit is ter vervanging van de beknopte delegatiegrondslagen met betrekking tot de inrichting van de zorgstructuur in het wetsvoorstel zoals die aan de Afdeling advisering van de Raad van State is voorgelegd.
Naar aanleiding van de opmerking van de Afdeling om meer flexibiliteit in te bouwen voor de eilanden is er, op verzoek van het openbaar lichaam Bonaire, overgangsrecht opgenomen ten aanzien van de plusopvang. Tot 1 januari 2026 zullen op Bonaire de pilots plusopvang worden voortgezet. Dit overgangsrecht is toegelicht in paragraaf 14.1 van de memorie van toelichting.
De Afdeling stelt de vraag of de (financiële) middelen na inwerkingtreding van het wetsvoorstel toereikend zullen zijn. Uit de toelichting blijkt volgens de Afdeling dat besloten is om de verstrekking van de financiële middelen via de subsidieregeling te stoppen, dat er onzekerheid bestaat over de ondersteuningsstructuur BES(t) 4 Kids van de eilanden zelf, dat er investeringen moeten worden gedaan in arbeidsvoorwaarden voor het personeel en dat er geen extra middelen voor huisvesting vrij zullen worden gemaakt.
De verwachting van de Minister voor APP is dat, op basis van de middelen die nu gemoeid zijn met het programma BES(t) 4 kids, er voldoende middelen beschikbaar zijn om aan de ambities die in het wetsvoorstel staan te kunnen voldoen. De Tijdelijke subsidieregeling financiering kinderopvang Caribisch Nederland eindigt in beginsel op het moment dat het onderdeel van het wetsvoorstel met betrekking tot de financiering in werking treedt. Vanaf dat moment zal de bekostiging van de kinderopvangorganisaties op grond van het wetsvoorstel plaatsvinden. Daarbij is er rekening gehouden met de kosten die het verbeteren van de arbeidsvoorwaarden met zich mee brengen en zijn er middelen gereserveerd om de bestaande huisvestingsprojecten en de ondersteuningsstructuur BES(t) 4 Kids van de openbare lichamen te financieren.
Op dit moment vindt de derde fase van het kostprijsonderzoek plaats. Dat onderzoek zal nader inzicht moeten bieden in de actuele kosten van de kinderopvang en ook meer zicht moeten bieden op de kosten van toekomstige kwaliteitsverbeteringen. Dat zal de basis vormen voor de financiering van de kinderopvangorganisaties. In de ramingen is rekening gehouden met een stijging van de kosten van de kinderopvang om aan de kwaliteitseisen te kunnen voldoen.
In hoofdstuk 11 van de memorie van toelichting zijn de financiële gevolgen van het wetsvoorstel in kaart gebracht. Naar aanleiding van de opmerking van de Afdeling is dit hoofdstuk in lijn met het voorgaande nader gespecificeerd.
De Afdeling refereert aan het algemeen deel van de memorie van toelichting (paragraaf 14.3) waarin de verwachting staat dat de kwaliteitseisen in de periode 2026 en 2030 bereikt zullen zijn. De Afdeling mist daarbij een beschrijving hoe dit kwaliteitsniveau gerealiseerd kan worden op de afzonderlijke eilanden, mede gelet op de schaal van de eilanden en de nog maar korte periode waarin gewerkt is aan het tot stand brengen van kinderopvang.
Van belang is om aan te geven dat er voor de start van het programma BES(t) 4 kids al kinderopvang plaatsvond op de drie eilanden. Voor de invoering van de nieuwe Eilandsverordeningen was op Bonaire en Sint Eustatius al een Eilandsverordening Kinderopvang van kracht, waarin onder andere kwaliteitseisen waren opgenomen. Er was echter niet of nauwelijks toezicht ingericht.
Sinds de start van het programma BES(t) 4 kids is er op ieder eiland een projectleider aangesteld die samen met de kinderopvangorganisaties op het betreffende eiland plannen maakt en uitvoert om de kwaliteit van de (al bestaande) kinderopvang op het eiland te verbeteren. De projectleiders van de eilanden stellen ieder jaarlijks een eilandspecifiek plan van aanpak in het kader van BES(t) 4 kids op, en een bestedingsplan waarin staat aangegeven hoe de eilandspecifieke programmamiddelen worden ingezet. Op deze wijze is er binnen het programma ruimte voor maatwerk en lokale verschillen. Zo zijn er in de periode 2019 tot heden goede stappen voorwaarts gezet op Sint Eustatius en Saba door kinderopvangorganisaties te koppelen aan ‘Twinning-partners’: kinderopvangorganisaties in Europees Nederland waarmee kennis wordt uitgewisseld met als doel van elkaar te leren. Op Bonaire is veel ingezet op het aanbieden van trainingen aan pedagogisch medewerkers, en het ondersteunen van de organisaties bij het opstellen van beleidsplannen. Deze werkwijze zal in de aankomende jaren worden voortgezet.
De inschatting dat de basiskwaliteit in de periode 2026 en 2030 bereikt zal zijn is een inschatting op basis van input van het programma BES(t) 4 kids en de Inspectie van het Onderwijs. Deze inschatting is nog steeds actueel en de verwachting is dat het grootste deel van de kinderopvangorganisaties in de genoemde periode zal gaan voldoen aan de kwaliteitseisen.
Daarbij past een kanttekening ten aanzien van de eisen over de beroepskwalificaties en huisvesting (deze eisen zullen worden uitgewerkt bij of krachtens AMvB): als een organisatie nog niet voldoet aan de eisen op dit gebied, dan vraagt dit in veel gevallen om een investering van meerdere jaren. Daarom wordt voorgesteld om op deze onderdelen in een overgangsregeling te voorzien. Zie hierover verder punt E.
De Afdeling vraagt zich af waarom er niet voor is gekozen om het programma BES(t) 4 kids voorlopig nog voort te zetten, ook na inwerkingtreding van (delen van) het wetsvoorstel. De Afdeling vraagt zich af of de eilanden bij de inwerkingtreding van de wet zelf al in staat zijn om de kinderopvang op het gewenste niveau te krijgen en te behouden.
Mede naar aanleiding van deze opmerkingen van de Afdeling hebben de openbare lichamen en de betrokken ministeries (Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Volksgezondheid, Welzijn en Sport en Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) besloten om het programma BES(t) 4 kids tot en met 2028 te verlengen. Vanuit het programma zullen het Rijk en de openbare lichamen de benodigde ondersteuning blijven bieden aan de kinderopvangorganisaties. Kwalitatief goede kinderopvang in Caribisch Nederland is immers een gezamenlijk doel.
Vanuit het programma zullen de openbare lichamen bovendien worden geholpen bij het opzetten van een duurzame ondersteuningsstructuur voor de kinderopvangorganisaties, die ook na het programma zal worden voortgezet. Op basis van het wetsvoorstel zijn de openbare lichamen immers verantwoordelijk voor de (continue) ondersteuning aan de kinderopvangorganisaties ten behoeve van het (blijven) voldoen aan de kwaliteitseisen. Concreet zal er ondersteuning geboden worden op drie gebieden: 1) administratieve ondersteuning – er wordt onder andere gedacht aan het ontwikkelen van formats en het inzetten van een administratieve coach; 2) ondersteuning bij het verbeteren van de kwaliteit – er wordt onder andere gedacht aan het collectief inkopen van trainingen en materialen met betrekking tot de pedagogische en educatieve kwaliteitseisen, en specialistische ondersteuning naar aanleiding van herstelopdrachten van de Inspectie van het Onderwijs; en 3) juridische ondersteuning, bijvoorbeeld in relatie tot privacyregelgeving.
Het Rijk, de openbare lichamen en de toezichthouders zullen bovendien ten minste jaarlijks een overleg hebben om de staat van de kinderopvang in Caribisch Nederland te bespreken en waar nodig bij te sturen. Dit was al onderdeel van het wetsvoorstel (artikel 6.1).
Hoofdstuk 14 van de memorie van toelichting is op basis van bovenstaande aangepast.
Tot slot geeft de Afdeling in overweging dat het mogelijk is om delen van de wet later in werking te laten treden, en dat bij AMvB flexibiliteit geboden kan worden voor de (afzonderlijke) eilanden. Terecht merkt de Afdeling daarbij op dat nadere regels geen afbreuk mogen doen aan de kern van de kwaliteitseisen die nadrukkelijk op het niveau van de wet zijn belegd.
De meeste kwaliteitseisen in het wetsvoorstel, zoals het opstellen van een pedagogisch beleidsplan en het educatief handelen aan de hand van een voorschools programma, kunnen direct in werking treden, omdat de meeste eisen nu ook al via de Eilandsverordeningen van kracht zijn.
Zoals eerder gemeld is voornemens om, mede naar aanleiding van het advies van de Afdeling, de nadere regels die bij of krachtens AMvB zullen worden gesteld aangaande opleidings- en huisvestingseisen later in werking te laten treden. Dit zijn immers aspecten die per definitie om een meerjarige investering vragen.
De inspectie heeft aangegeven goede ervaringen te hebben met het direct in werking laten treden van de meeste kwaliteitseisen bij het behalen van de kwaliteitseisen in het onderwijs in Caribisch Nederland. Daarbij ging het onder andere ook om het (bij)scholen van het personeel, het opstellen en uitvoeren van dusdanig pedagogisch en educatief beleid (schoolplan) dat kinderen optimaal worden gestimuleerd in hun ontwikkeling, en het volgen van de ontwikkeling van kinderen en in geval van bijzonderheden het inrichten van individuele ondersteuning. Door de directe inwerkingtreding van de kwaliteitseisen is de stip op de horizon voor alle partijen duidelijk. Ook op basis van dit inzicht wordt vastgehouden aan de directe inwerkingtreding van de meeste kwaliteitseisen voor de kinderopvang in Caribisch Nederland.
De inspectie zal in het toezicht nadrukkelijk rekening houden met het feit dat de implementatie van de kwaliteitseisen tijd kost. Hoewel kinderopvangorganisaties goed op weg zijn om de kwaliteit te verbeteren, moeten er nog belangrijke stappen worden gezet om dit naar het gewenste niveau te krijgen. Denk daarbij aan de eisen rond pedagogisch en educatief handelen en het volgen van de ontwikkeling van kinderen.
Door middel van stimulerend toezicht en het handhavingsinstrument ‘herstelopdracht’ kan de inspectie kinderopvangorganisaties bewegen tot kwaliteitsverbetering. Het is aan de inspectie om het de herstelopdracht zodanig te formuleren dat iedere kinderopvangorganisatie telkens een betekenisvolle stap kan maken. Niet alle organisaties zijn precies even ver met de implementatie van de eisen, dus het ontwikkelpad om de gestelde kwaliteitseisen te behalen is voor alle organisaties verschillend. En wat voor de ene organisatie snel te realiseren valt, kan voor een andere organisatie meer tijd kosten. Dit vraagt om, en legitimeert, maatwerk in de formulering van de herstelopdrachten. Desalniettemin dient de inspectie rekening te houden met het rechtszekerheids- en gelijkheidsbeginsel. Kinderopvangorganisaties moeten weten waar ze aan toe zijn en gelijke gevallen dienen gelijk behandeld te worden. Om dat te waarborgen worden de kinderopvangorganisaties in Caribisch Nederland bezocht door dezelfde inspecteurs. Verder is er altijd sprake van hoor- en wederhoor en worden de rapporten die de inspectie opstelt in het kader van transparantie gepubliceerd.
De openbare lichamen zullen de kinderopvangorganisaties ondersteunen bij de benodigde acties die volgen uit de herstelopdracht. De ene organisatie heeft bijvoorbeeld de huisvesting op orde maar moet nog investeren in het pedagogisch klimaat, en voor een andere organisatie geldt dat precies andersom. Hierin is ook geen clustering te maken per eiland, waardoor het niet wenselijk is om onderscheid te maken tussen de eilanden (afgezien van het overgangsrecht specifiek voor Bonaire ten aanzien van de plusopvang). De openbare lichamen zullen een ondersteuningsstructuur voor de kinderopvangorganisaties inrichten om hen te ondersteunen en begeleiden bij het bereiken van de kwaliteitseisen.
Concluderend heeft de Minister voor APP besloten om bovenstaande overwegingen voor de kwaliteitseisen in het wetsvoorstel geen overgangsperiode op te nemen, maar in het toezicht rekening te houden met het pad dat kinderopvangorganisaties bewandelen om aan de kwaliteitseisen te voldoen.
Het wetsvoorstel bevat een regeling voor opvang in een kindercentrum of door middel van gastouderopvang. Gastouderopvang is de opvang van maximaal zes kinderen (inclusief de eventuele kinderen van de gastouder) aan huis bij de gastouder, of bij een van de ouders van de kinderen in de groep thuis.19 Dit betekent dat bij inwerkingtreding van het wetsvoorstel gastouders die nu meer dan zes kinderen opvangen, moeten gaan voldoen aan de kwaliteitsregels voor kindercentra.
Aan de opvang in een kindercentrum en gastouderopvang worden op een beperkt aantal onderdelen verschillende eisen gesteld die gedeeltelijk samenhangen met de verschillende aard van de opvang. Anders dan bij de kinderopvang in een kindercentrum, kunnen de eisen ten aanzien van de accommodatie en het pedagogisch beleid voor de gastouderopvang bij Eilandverordening worden vastgesteld.20
Momenteel zijn er in Caribisch Nederland alleen op Bonaire enkele gastouders actief.21 Bij de inwerkingtreding van de tijdelijke subsidieregeling was de toekomst van de gastouderopvang nog onduidelijk.22 De consultatieversie van het wetsvoorstel bevatte nog de mogelijkheid voor het openbaar lichaam om per Eilandsverordening te bepalen of gastouderopvang mag plaatsvinden op het eiland of niet.23 Uit de toelichting bij het onderhavige wetsvoorstel blijkt dat de meeste kinderen bij voorkeur in de professionele setting van het kindercentrum worden opgevangen en dat de gastouderopvang in het stelsel aanvullend is op de reguliere kindercentra.24 De ouderbijdrage zal bij beide vormen gelijk zijn ondanks het verschil in de kwaliteitseisen. Dit om te voorkomen dat ouders vanwege een financiële prikkel kiezen voor gastouderopvang.25
Gelet op het voorgaande is de toegevoegde waarde van de regeling voor gastouderopvang vooralsnog beperkt. Daarbij merkt de Afdeling op dat niet duidelijk is waarom is afgezien van de regeling zoals opgenomen in de consultatieversie van het wetsvoorstel. Ten slotte merkt de Afdeling op dat de verwachte effecten voor het aanbod van gastouderopvang van de voorgestelde regeling voor gastouderopvang onduidelijk blijven.
De Afdeling adviseert het wetsvoorstel aan te passen.
De Afdeling geeft aan de toegevoegde waarde van de regeling voor gastouderopvang beperkt te vinden. Er zijn verschillende redenen waarom de regeling voor gastouderopvang is opgenomen in het wetsvoorstel. Ten eerste wordt daarmee mogelijk om de bestaande praktijk op Bonaire voort te zetten. Ten tweede hebben de openbare lichamen van Sint Eustatius en Saba aangegeven niet uit te sluiten dat gastouderopvang in de toekomst een oplossing kan bieden op het eiland, bijvoorbeeld voor kinderen voor wie opvang in een kleine groep en huiselijke setting wenselijk is. Ten derde wordt hiermee, volgens het kabinetsprincipe ‘comply or explain’, aangesloten bij Europees Nederland, waar gastouderopvang ook mogelijk is.
Tot slot kan gastouderopvang een bijdrage leveren aan het vergroten van het aanbod aan kinderopvangplekken. Om bovengenoemde redenen blijft de mogelijkheid van gastouderopvang op de eilanden bestaan.
Volledigheidshalve dient te worden aangeven dat gastouders, net als houders van kindercentra, moeten beschikken over een exploitatievergunning, en moeten voldoen aan de kwaliteitseisen in het wetsvoorstel, zoals de kwaliteitseis over verantwoorde kinderopvang. De Inspectie van het Onderwijs zal ook toezien op de kwaliteit van de gastouderopvang. Er zijn geen signalen dat de al bestaande gastouderopvang in Caribisch Nederland van onvoldoende kwaliteit is.
De Afdeling merkt verder op dat niet duidelijk is waarom is afgezien van de regeling zoals is opgenomen in de consultatieversie van het wetsvoorstel. In de consultatieversie had het openbaar lichaam de bevoegdheid bij Eilandsverordening gastouderopvang te verbieden. Dit is een te vergaand instrument. Als een gastouder voldoet aan de voorwaarden en kwaliteitseisen die bij of krachtens het wetsvoorstel aan gastouderopvang worden gesteld, dan kunnen door de gastouder kinderen worden opgevangen. De opmerking van de Afdeling om gastouderopvang te verbieden in het wetsvoorstel wordt niet overgenomen.
Tot slot noemt de Afdeling dat de verwachte effecten voor het aanbod van gastouderopvang onduidelijk blijven. Het is lastig om op voorhand de effecten zichtbaar te maken, maar de verwachting is dat het aantal gastouders op Bonaire door de toenemende kwaliteitseisen gelijk blijft. Indien een potentiële gastouder geïnteresseerd is om op een van de eilanden een gastouderopvang te starten zal diegene een exploitatievergunning moeten aanvragen bij het openbaar lichaam en inzichtelijk moeten maken dat aan de kwaliteitseisen voldaan wordt. Mogelijk zullen de openbare lichamen gastouderopvang op de eilanden stimuleren voor kinderen met een specifieke behoefte.
Concluderend blijft gastouderopvang, als mogelijke opvangvorm in het wetsvoorstel gehandhaafd, zonder mogelijkheid om dit soort kinderopvang op eilandniveau te verbieden. In de memorie van toelichting (paragraaf 4.1.1) is de argumentatie in lijn met het voorgaande aangescherpt.
Het wetsvoorstel voorziet in een grondslag voor de verwerking van gegevens over de ontwikkeling van het kind door de kinderopvang.26 Ook voorziet het wetsvoorstel in grondslagen voor de verstrekking aan en de verwerking van persoonsgegevens door de bestuurscolleges, toezichthouders, uitvoeringsorganisaties en – buiten Caribisch Nederland – de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Inspectie van het Onderwijs.27 Dat betreft gegevens nodig voor de bepaling van de ouderbijdrage en gegevens voor het toezicht. De toelichting vermeldt dat de administraties zo moeten worden ingericht dat wordt voldaan aan de eisen die voortvloeien uit de Wet bescherming persoonsgegevens BES en dat de Inspectie van het Onderwijs de juiste bescherming dient te bieden op basis van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG).28
Het wetsvoorstel bepaalt dat bij AMvB regels worden gesteld met betrekking tot de gegevensverstrekking.29 Het gaat dan om de te verwerken gegevens, de gevallen waarin in ieder geval gegevens worden verstrekt, hoe deze gegevens en overige informatie worden gedeeld en welke eisen aan de gegevensdeling worden gesteld. Een overzicht van de risico’s en de bijbehorende maatregelen zal worden opgenomen in de gegevensbeschermingseffectbeoordeling bij het wetsvoorstel.30 Deze ontbreekt.
De Afdeling wijst er op dat deze AMvB alleen geldt voor de gegevensverwerking ten behoeve van de ouderbijdrage en het toezicht (hoofdstuk 4 van het wetsvoorstel). Niet duidelijk is waarom nadere regels over de gegevensverwerking ten behoeve van de goede doorstroom naar het basisonderwijs niet nodig zouden zijn. Het opnemen van alleen een grondslag voor gegevenswerking doet het risico op inbreuk op de privacy toenemen. Het komt dan aan op een zorgvuldige uitvoeringspraktijk. De Afdeling merkt op dat uit de toelichting niet duidelijk wordt op welke wijze een zorgvuldige uitvoeringspraktijk wordt gewaarborgd. Dit klemt te meer vanwege de kleinschaligheid van de eilanden. Dit maakt dat het beschermen van privacy soms zeer moeilijk is.31
Gelet op het voorgaande adviseert de Afdeling om ook bij artikel 2.15 te voorzien in een grondslag om bij AMvB nadere regels te stellen over de in dat artikel bedoelde gegevensverwerking.
Tevens adviseert de Afdeling om de uitkomsten van de gegevensbeschermingseffectbeoordeling alsnog in de toelichting op te nemen.
De Afdeling signaleert dat in het wetsvoorstel een grondslag ontbreekt voor het stellen van nadere regels over gegevensverwerking ten behoeve van de goede overdracht tussen kinderopvang en het basisonderwijs, en wijst terecht op het risico op inbreuk op de privacy. Op advies van de Afdeling is daarom ten aanzien van artikel 2.15 een grondslag opgenomen om bij AMvB nadere regels hierover te stellen (vierde lid). In die regels zal worden gespecificeerd om welke (typen) gegevens het gaat. Gedacht wordt aan gegevens over de ontwikkeling van kinderen op het gebied van taal, rekenen, motoriek en sociaal-emotionele vaardigheden. Daarnaast zal worden gespecificeerd in welke gevallen gegevens worden verwerkt, de wijze van verwerking van de gegevens, het elektronische gegevensverkeer en de daarbij te gebruiken infrastructuur, en de eisen die aan de gegevensverwerking worden gesteld. Het uitgangspunt blijft dat gegevens alleen met instemming van de ouder in een gesprek tussen de beroepskracht van de kinderopvang dan wel gastouder en de leerkracht van de basisschool kunnen worden verstrekt, zo mogelijk in aanwezigheid van de ouder (artikel 2.15, derde lid).
De Afdeling constateert daarnaast dat de gegevensbeschermingseffectbeoordeling ontbreekt en adviseert de uitkomsten van de beoordeling op te nemen in de toelichting. Voor de consultatieversie van het wetsvoorstel is in het najaar van 2020 een concept- gegevensbeschermingseffectbeoordeling opgesteld, en verstuurd naar de Commissie Bescherming Persoonsgegevens BES en de Autoriteit Persoonsgegevens ten behoeve van een uitvoeringstoets. Daarnaast hebben er in 2021 gesprekken plaatsgevonden met de uitvoeringsorganisatie, de Inspectie van het Onderwijs en de Commissie Bescherming Persoonsgegevens BES om de risico’s en beheersmaatregelen ten aanzien van privacyschending in kaart te brengen. Op basis van die gesprekken en de verdere uitwerking van het wetsvoorstel is de gegevensbeschermingseffectbeoordeling geactualiseerd. De uitkomsten van de geactualiseerde gegevensbeschermingseffectbeoordeling zijn opgenomen in de memorie van toelichting (paragraaf 10.6).
Het wetsvoorstel regelt de doorgifte van gegevens uit Europees Nederland aan de openbare lichamen.32 Dit betekent dat op de gegevensverstrekking die in het kader van het wetsvoorstel aan de orde is, het regime uit de AVG ten aanzien van doorgifte van gegevens met derde landen van toepassing is.33 Uitwisseling van persoonsgegevens met derde landen is onder de AVG slechts mogelijk wanneer er sprake is van passende waarborgen en betrokkenen ‘over afdwingbare rechten en doeltreffende rechtsmiddelen beschikken’.34 Zowel de Commissie Bescherming Persoonsgegevens BES als ook de Autoriteit Persoonsgegevens noemen doorgifte uit Europees Nederland aan Caribisch Nederland een bijzonder punt van aandacht bij het voorstel.35
De toelichting stelt dat hoofdzakelijk gegevens worden verwerkt en overgedragen binnen Caribisch Nederland en alleen in de toezichtstaak er sprake kan zijn van een uitzondering.36 Daarbij wordt gesteld dat in de samenwerking tussen de lokale toezichthouders en de Inspectie van het Onderwijs nadrukkelijk aandacht zal zijn voor de juiste waarborgen. Het wetsvoorstel lijkt echter meer uitzonderingen te bevatten dan de toelichting vermeldt, nu ook de Minister bevoegd is gegevens en inlichtingen te verstrekken aan het bestuurscollege voor de uitvoering van kwaliteit, financiering en handhaving.37
De Afdeling adviseert daarom in de toelichting in dit opzicht aan te vullen.
De Afdeling wijst erop dat in de toelichting wordt gesteld dat alleen in de toezichtstaak gegevens worden verwerkt en overgedragen tussen Europees Nederland en Caribisch Nederland. Door de standplaats van de Inspectie van het Onderwijs is er sprake van twee rechtsregimes: de Wet bescherming persoonsgegevens BES en de Algemene verordening gegevensbescherming.38 Op grond van artikel 4.6, tweede lid, wordt de Inspectie van het Onderwijs als beoogd toezichthouder op de kwaliteit bevoegd gegevens en inlichtingen te verstrekken aan het bestuurscollege. Dit kan alleen als dit noodzakelijk is voor de uitvoering van het toezicht op de kwaliteit. Het betreft onder andere de informatie die het bestuurscollege nodig heeft om tot een besluit over het toekennen van een exploitatievergunning te komen. Hierbij kan het gaan om persoonsgegevens van de aanvrager (naam, contactgegevens). Op deze gegevensverstrekking is de Algemene Verordening gegevensbescherming van toepassing. Deze waarborgen, die de inspectie al in de praktijk en op diens systemen toepast in het kader van diens onderwijstoezichtstaken, zal de inspectie inzetten bij de verwerking van persoonsgegevens op grond van artikel 4.6, tweede lid. Ook het bestuurscollege dient waarborgen te treffen. Deze heeft het bestuurscollege al getroffen in de praktijk en op diens systemen voor van het verwerken van persoonsgegevens in het kader van haar taken op onder andere het gebied van leerplicht en lokaal armoedebeleid. Het bestuurscollege zal deze waarborgen ook inzetten bij de verwerking van persoonsgegevens op grond van artikel 4.6, tweede lid.
De Afdeling constateert dat het wetsvoorstel meer uitzonderingen lijkt te bevatten op het uitgangspunt dat gegevens worden verwerkt en overgedragen binnen Caribisch Nederland. Op basis van artikel 4.6, eerste lid, is de Minister voor APP bevoegd om gegevens en inlichtingen te verstrekken aan het bestuurscollege van het openbaar lichaam. Dit ziet op gegevens en inlichtingen die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de hoofdstukken 2 (kwaliteit), 3 (financiering) of 5 (toezicht en handhaving). Het gaat om informatie die het bestuurscollege nodig heeft om zijn taak op het gebied van het intrekken van exploitatievergunningen uit te voeren. Ook gaat het om informatie die voor het openbaar lichaam noodzakelijk is bij het bepalen of een ouder in aanmerking komt voor de betaling van de ouderbijdrage door het openbaar lichaam. De informatie in het kader van de betaling van de ouderbijdrage door het openbaar lichaam zal worden verstrekt namens de Minister door de RCN Unit SZW.
De RCN Unit SZW ontvangt de betreffende informatie van de kinderopvangorganisaties en verstrekt deze aan het bestuurscollege, indien noodzakelijk voor dit doel. De informatie verlaat Caribisch Nederland niet en is ook niet te raadplegen vanuit Europees Nederland. Dit betekent dat de verwerking van de betreffende persoonsgegevens volledig plaatsvindt in Caribisch Nederland. Er vindt op grond van artikel 4.6, eerste lid, geen uitwisseling plaats van persoonsgegevens met het Europese deel van Nederland. Daarmee valt deze verwerking op basis van artikel 2, tweede lid, aanhef en onder a, van de AVG niet onder het materiële toepassingsbereik van de AVG. De Wet bescherming persoonsgegevens BES is wel van toepassing.
Het bovenstaande geldt ook voor het adviseren over het intrekken van een exploitatievergunning. Dit gaat om de uitzonderlijke situatie waarbij de Inspectie van het Onderwijs of de RCN Unit SZW, als beoogd toezichthouders op respectievelijk de kwaliteit en de rechtmatigheid, aanleiding zien om namens de Minister het bestuurscollege te adviseren om de exploitatievergunning in te trekken, als ultiem handhavingsinstrument. Hierbij kunnen persoonsgegevens (naam, adresgegevens) van de houder van het kindercentrum of gastouder worden verstrekt. Zoals hierboven beschreven valt de verwerking door de RCN Unit SZW niet onder het materiële toepassingsbereik van de AVG. De gegevensverstrekking van de Inspectie van het Onderwijs aan het bestuurscollege valt wel onder het bereik van de AVG, maar zoals hierboven beschreven zullen de Inspectie van het Onderwijs en het bestuurscollege daarbij gebruikmaken van de benodigde passende waarborgen in de praktijk en de systemen die ook zijn getroffen in het kader van andere taken waarbij persoonsgegevens vanuit Europees Nederland door de Inspectie en het bestuurscollege worden verwerkt in Caribisch Nederland.
Naar aanleiding van het advies van de Afdeling is de memorie van toelichting in lijn met het bovenstaande aangepast (zie paragraaf 10.6 en 10.7)
In het voorstel is een mogelijkheid voor experimenten opgenomen.39 De experimenteerbepaling kent een algemeen geformuleerd doel dat meerdere experimenten mogelijk moet maken, waarbij voor de duur van het experiment wordt afgeweken van onderdelen van de wet. Uit de toelichting volgt dat in de praktijk kan blijken dat het stelsel op onderdelen kan worden verbeterd waarbij het van belang kan zijn om te weten of dat doel ook wordt bereikt door het toepassen van een – in dit geval – alternatieve regel.40
In eerdere adviezen heeft de Afdeling benadrukt dat experimenteren kan, maar met mate en onder voorwaarden.41 De Afdeling merkt op dat het doel van de experimenteerregeling in het voorstel lijkt te zijn het creëren van flexibiliteit.
Een toelichting ontbreekt waarom dit via de figuur van experimentele regelgeving noodzakelijk is. Nu het voorstel ook een evaluatiebepaling bevat en een gefaseerde inwerkingtreding tot de mogelijkheden behoort, doet dit vragen rijzen naar de noodzaak van een dergelijke experimenteerregeling.
Gelet op het rechtszekerheids- en het gelijkheidsbeginsel moet niet te snel worden gegrepen naar een experimenteerregeling. De Afdeling adviseert de noodzaak van een experimenteerregeling daarom alsnog dragend te motiveren en deze anders niet in dit wetsvoorstel op te nemen. Mocht de regeling gehandhaafd blijven, dan zou een dergelijke regeling met meer waarborgen omgeven moeten zijn, dan thans voorgesteld. Voor een goed voorbeeld van een zorgvuldige experimentenwet verwijst de Afdeling naar de Tijdelijke experimentenwet rechtspleging.42
De Afdeling vraagt zich af wat de noodzaak van een experimenteerregeling is, ook gezien het wetsvoorstel een evaluatiebepaling bevat en gefaseerde inwerkingtreding tot de mogelijkheden behoort. Ook in Europees Nederland is in de Wet kinderopvang de mogelijkheid opgenomen om te experimenteren.
Bij een experiment gaat het om het proefondervindelijk vaststellen of een bepaald instrument een bijdrage levert aan het oplossen van een maatschappelijk probleem. Een experimenteerregeling is nodig om innovatieve ontwikkelingen in de kinderopvang te stimuleren. Met een experimenteerregeling kan informatie worden vergaard, waarmee kan worden beoordeeld of het mogelijk en wenselijk is de regels structureel te wijzigen. Daarnaast maakt de experimenteerregeling het mogelijk om in Caribisch Nederland deel te nemen aan experimenten die in Europees Nederland worden geïnitieerd. In Europees Nederland is bijvoorbeeld de samenwerking tussen of zelfs een meer integrale benadering van de kinderopvang en het basisonderwijs een terugkerend thema. Dit zou ertoe kunnen leiden dat er in de toekomst op dit thema een experiment gestart wordt, op basis van de experimenteerartikelen in de Wet kinderopvang en de Wet op het primair onderwijs. Een dergelijk experiment zou ook voor Caribisch Nederland interessant kunnen zijn. De Wet primair onderwijs BES biedt hiervoor de ruimte, net als voorliggend wetsvoorstel.
De Afdeling merkt terecht op dat de regeling, met het oog op rechtszekerheid en rechtsgelijkheid, met meer waarborgen omgeven moet zijn. Naar aanleiding daarvan is het volgende aangepast in het wetsvoorstel. Allereerst is het doel van een experiment nader gespecificeerd en in artikel 6.3, eerste lid, opgenomen. De mogelijke doelen zijn 1) het verbeteren van de kwaliteit, 2) de kwaliteitseisen aangaande de huisvesting beter aan laten sluiten op de Caribische context, 3) het versoepelen van de doorstroom naar en samenwerking met het basisonderwijs, 4) het efficiënter inrichten van het financieringsstelsel. Ten tweede is aan de experimenteerregeling een evaluatiebepaling toegevoegd (zesde, zevende en achtste lid).
De opmerking van de Afdeling dat experimenteren kan, maar met mate en onder voorwaarden, is terecht. In het geval dat het starten van een experiment op basis van het wetsvoorstel wordt overwogen, waarbij het rechtszekerheids- en gelijkheidsbeginsel altijd moeten worden meegewogen. Dit is ook benadrukt in de toelichting (paragraaf 5.3.4).
Concluderend blijft de experimenteerregeling in het wetsvoorstel bestaan, maar is de regeling wel met meer waarborgen omgeven. De onderbouwing in de toelichting is ook aangescherpt.
De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een aantal opmerkingen bij het voorstel en adviseert daarmee rekening te houden voordat het voorstel bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal wordt ingediend.
De vice-president van de Raad van State,
Th.C. de Graaf
Daarnaast maakt de Minister voor APP van de gelegenheid gebruik om in het wetsvoorstel zoals dat voor advisering aan de Afdeling advisering van de Raad van State is voorgelegd nog een aantal wijzigingen aan te brengen. Aanleiding hiervoor is het coalitieakkoord. Het gaat met name om aanpassingen die positief zijn voor ouders (een inkomensonafhankelijke ouderbijdrage, waarvan de hoogte bij of krachtens algemene maatregel van bestuur uitgewerkt) en voor de uitvoeringsorganisatie (geen inning van de ouderbijdrage). Voor kinderopvangorganisaties geldt dat ten opzichte van wetsvoorstel zoals is voorgelegd, de ouderbijdrage door hen in plaats van door de uitvoeringsorganisatie zal worden geïnd.
In het coalitieakkoord ‘Omzien naar elkaar, vooruitkijken naar de toekomst’ zijn enkele ambities opgenomen die van invloed zijn op dit wetsvoorstel:
• 95% vergoeding en een inkomensonafhankelijke ouderbijdrage;
• IJkpunt sociaal minimum.
Het wetsvoorstel is in lijn gebracht met deze ambities. In de volgende alinea’s wordt dit per ambitie nader toegelicht.
In het wetsvoorstel zoals de Afdeling dat ter advisering heeft ontvangen was de ouderbijdrage inkomensafhankelijk. In het coalitieakkoord is echter afgesproken in stappen een kinderopvangvergoeding van 95% in te voeren die inkomensonafhankelijk wordt. In september 2022 heeft het kabinet besloten om de vergoeding te verhogen naar 96%.43
Bij de beoordeling of deze maatregel voor Caribisch Nederland van toepassing kan zijn, wordt uitgegaan van het principe ‘comply or explain’. Op basis van dit principe is er geen reden om het vergoedingsniveau voor kinderopvang in Caribisch Nederland op een ander niveau te zetten. De feitelijke hoogte van de kinderopvangvergoeding wordt bepaald op basis van een onafhankelijk onderzoek. Het invoeren van de vergoeding van 96% betekent ook dat ouders in Caribisch Nederland met de inwerkingtreding van het onderhavige voorstel een inkomensonafhankelijke ouderbijdrage ter hoogte van 4% zullen gaan betalen.
Het wetsvoorstel wordt, door uit te gaan van een inkomensonafhankelijke ouderbijdrage, voor de uitvoering aanzienlijk vereenvoudigd. Er hoeft bijvoorbeeld geen inkomenstoetsing meer voor alle ouders plaats te vinden en ook zijn er geen bepalingen over de samenstelling van het huishouden en het huishoudinkomen meer nodig. Ook de betreffende gegevensdeling tussen Belastingdienst CN en RCN unit SZW is niet meer nodig.
Daarnaast is, ten opzichte van het wetsvoorstel dat voor advies aan de Afdeling advisering van de Raad van State is voorgelegd, gewijzigd dat de ouderbijdrage wordt geïnd door de kinderopvangorganisaties in plaats van door de overheid. Belangrijkste reden om de ouderbijdrage te innen door de overheid was omdat een inkomenscheck nodig was. Nu er sprake is van een inkomensonafhankelijke ouderbijdrage en het bedrag laag is, wordt voorgesteld om de inning van de ouderbijdrage te laten uitvoeren door de kinderopvangorganisaties. Dat is op dit moment ook al het geval. Daarmee hoeft de uitvoeringsorganisatie geen inningsproces te organiseren, en is verrekening met de kinderbijslag ook niet meer aan de orde.
De artikelen in hoofdstuk 3 (Financiering) in het wetsvoorstel zijn hierop aangepast, met name door herziening van paragraaf 3 (Ouderbijdrage) en schrapping van paragraaf 4 (Invordering en matiging). In de memorie van toelichting (paragraaf 4.4 en verder zijn de achtergronden van de voorgestelde wijzigingen en de afwegingen die daaraan ten grondslag liggen opgenomen.
In het coalitieakkoord is afgesproken dat de armoede in Caribisch Nederland wordt aangepakt. Het ijkpunt sociaal minimum zal worden herzien. Onderdeel van het beleid is om de kosten van levensonderhoud waaronder de kosten voor de kinderopvang te verlagen. Mede ook tegen de achtergrond van de wens van de openbare lichamen om de kinderopvang als een voor ouders kosteloze basisvoorziening in Caribisch Nederland in te richten, wordt voorgesteld om in lijn met het wetsvoorstel de openbare lichamen in het kader van het lokale armoedebeleid een ruimere bevoegdheid te geven om voor ouders die het niet kunnen betalen de ouderbijdrage voor de kinderopvang te vergoeden. Hiertoe is in artikel 3.13, eerste lid, de mogelijkheid gecreëerd voor ouders die de ouderbijdrage niet kunnen betalen om het bestuurscollege te verzoeken de ouderbijdrage te voldoen. Het is aan het openbaar lichaam om bij Eilandsbesluit nadere regels te stellen over de voorwaarden waaronder het bestuurscollege de ouderbijdrage betaalt (tweede lid). De memorie van toelichting (paragraaf 4.4) is naar aanleiding van bovenstaande aangepast.
Bij gelegenheid van het nader rapport is het wetsvoorstel op enkele, meer technische punten aangepast. De begripsbepaling van Onze Minister is geactualiseerd naar de Minister voor APP (artikel 1.1). De kwaliteitseis dat houders van kindercentra en gastouders aantoonbaar aandacht besteden aan opleidingseisen voor beroepskrachten is uitgebreid naar scholingseisen en ervaringseisen (artikelen 2.4 en 2.6). Dit geldt ook voor de bijbehorende delegatiegrondslagen. Aangepast is dat de Minister kinderopvangvergoeding die onverschuldigd is betaald kan terugvorderen, in plaats van dat deze wordt teruggevorderd (artikel 3.8, vierde lid). In artikel 3.10, derde lid, is verrekening mogelijk gemaakt met alle bestuurlijke boetes als bedoeld in artikel 5.7, in plaats van alleen met een deel van die bestuurlijke boetes.
In artikel 4.2, eerste lid, onderdeel a, is verduidelijkt dat onder de te verstrekken persoonsgegevens tevens wordt verstaan een (informeel) administratienummer of ID-nummer. In onderdeel a van de artikelen 4.3, eerste lid, en 4.4, tweede lid, is toegevoegd dat de gegevensverstrekking aan de Minister tevens ziet op gegevens die noodzakelijk zijn voor de vaststelling en de hoogte van de kinderopvangvergoeding, voor zover deze betrekking hebben op flexibele opvang. De memorie van toelichting is waar nodig geactualiseerd naar aanleiding van voornoemde wijzigingen.
Daarnaast zijn enkele tekstwijzigingen van zeer ondergeschikte aard doorgevoerd, waarmee geen inhoudelijke wijziging is beoogd ten opzichte van het wetsvoorstel zoals dat aan de Afdeling is voorgelegd.
Ik verzoek U, mede namens de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs, het hierbij gevoegde gewijzigde voorstel van wet en de gewijzigde memorie van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.
De Minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen, C.J. Schouten.
No.W12.21.0358/III
’s-Gravenhage, 24 februari 2022
Aan de Koning
Bij Kabinetsmissive van 2 december 2021, no.2021002383, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, mede namens de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet houdende regels ten behoeve van de kinderopvang op Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Wet kinderopvang BES), met memorie van toelichting.
Het wetsvoorstel bevat regels voor de kinderopvang in Caribisch Nederland. Het wetsvoorstel voorziet daartoe in de inrichting van een vergunningstelsel en bevat eisen die aan de veiligheid, gezondheid en kwaliteit van de kinderopvang worden gesteld. Verder bevat het wetsvoorstel regels ten aanzien van toezicht, handhaving en sanctionering, alsmede de financiering van de kinderopvang.
De Afdeling advisering van de Raad van State maakt opmerkingen over de realiseerbaarheid en uitvoerbaarheid door de eilanden van kinderopvang als in het wetsvoorstel vormgegeven. Verder maakt zij opmerkingen over de gastouderopvang, de gegevensbescherming bij het verwerken dan wel het verstrekken van informatie en de noodzaak voor een experimenteerregeling. In verband daarmee is aanpassing van het voorstel en de toelichting nodig.
In september 2018 heeft de Tweede Kamer de motie-Diertens c.s. aangenomen waarin de regering is verzocht om, in samenwerking met de lokale organisaties op Bonaire, Saba en Sint Eustatius, de kwaliteit van de kinderopvang aldaar te versterken en de kinderopvang breed beschikbaar te maken.1 Ter uitvoering van deze motie hebben de verantwoordelijke bewindslieden met de bestuurscolleges van de eilanden het programma BES(t) 4 kids ingericht.2 In dit programma participeren zowel de openbare lichamen als de betrokken departementen met als doel de kinderopvang in Caribisch Nederland te versterken.
In 2019 is als onderdeel van dit programma een nulmeting uitgevoerd om een beeld te krijgen van de situatie van de kinderopvang en buitenschoolse voorzieningen in Caribisch Nederland.3 Hieruit blijkt dat er grote verschillen zijn per eiland, kinderopvang relatief duur is en niet toereikend als het gaat om ruimte en kwaliteit. Na deze meting, en vooruitlopend op onderhavig wetsvoorstel, is door elk van de openbare lichamen een Eilandsverordening Kinderopvang tot stand gebracht en is een tijdelijke subsidieregeling gekomen.4
In gezamenlijk overleg zijn vervolgens de kaders voor kwaliteit, toezicht en financiering in onderhavig wetsvoorstel neergelegd.5 Er is aangesloten bij de inrichting van het stelsel van kinderopvang in Europees Nederland, waarbij rekening is gehouden met de omstandigheden in Caribisch Nederland.6 Met dit wetsvoorstel worden de kaders voor het kinderopvangstelsel structureel verankerd. Daarin kan kinderopvang in twee organisatievormen worden aangeboden: kindercentra en gastouders.
Daarmee is na zorgvuldige voorbereiding en in nauwe samenwerking tussen Europees Nederland en Caribisch Nederland dit wetsvoorstel tot stand gekomen. De Afdeling heeft waardering voor deze zorgvuldige en uitgebreide aanpak. Ten aanzien van het wetsvoorstel merkt de Afdeling het volgende op.
Doel van het voorstel is het verbeteren van de kwaliteit en het verhogen van de financiële toegankelijkheid van de kinderopvang in Caribisch Nederland.7 Vóór de start van het programma BES(t) 4 kids ontbrak het Caribisch Nederland aan middelen om de kwaliteit van de kinderopvang structureel te verbeteren.8 In 2020 is op alle drie de eilanden een Eilandsverordening kinderopvang van kracht geworden. Met deze Eilandsverordeningen is een vergunningstelsel op de eilanden geïntroduceerd en zijn kwaliteitseisen gesteld aan de kinderopvang.9
Tegelijk is een tijdelijke subsidieregeling gestart. Deze subsidie is bedoeld om de kinderopvang voor alle ouders financieel toegankelijk te maken en de organisaties op de eilanden te laten wennen aan het beoogde nieuwe financieringsstelsel. Bonaire en Sint Eustatius maken sinds 2020 gebruik van deze subsidieregeling en Saba sinds 2021.10 Daarnaast is binnen het programma BES(t) 4 kids gewerkt aan het opstellen van het wetsvoorstel en vindt er ondersteuning en begeleiding plaats bij het verbeteren van de kwaliteit van de kinderopvang.11
De Afdeling merkt op dat de invoering van het stelsel een forse inspanning heeft gevergd en nog zal vergen. Uit de toelichting blijkt dat er aan wordt gedacht om een gezamenlijke ondersteuningsstructuur van de eilanden BES(t) 4 kids in te richten van waaruit de kinderopvang wordt ondersteund bij de verdere implementatie en uitvoering van het stelsel, mede omdat het huidige programma BES(t) 4 kids wordt beëindigd spoedig nadat de wet in werking is getreden.12
Er is een inventariserend onderzoek gestart om de totale huisvestingsopgave in kaart te brengen, maar op dit moment zijn nog geen onderzoeksresultaten beschikbaar.13 Voor het huisvestingsprogramma worden geen extra middelen door het Rijk beschikbaar gesteld.14 Het kostprijsonderzoek dat als input geldt voor het bepalen van de hoogte van de kinderopvangvergoeding is nog niet afgerond.15
Verder blijkt dat de haalbaarheid van kwalificatie-eisen aan medewerkers mede afhankelijk zal zijn van de mogelijkheden die de lokale arbeidsmarkt met zich brengt. Ook volgt uit de voortgangsbrief van 18 november 2021 dat het personeel in veel gevallen nog niet altijd voldoet aan de vereiste beroepskwalificaties.16 Daarnaast volgt uit deze brief dat er ten aanzien van de huisvesting nog de nodige knelpunten zijn en dat de arbeidsvoorwaarden verbeterd moeten worden om voldoende en goed opgeleide medewerkers in de opvang te krijgen.
Onvoldoende duidelijk wordt evenwel wat de stand van zaken is van de implementatie van de kwaliteitseisen op basis van de huidige Eilandsverordeningen. Daardoor is ook onduidelijk of op dit moment nog achterstanden moeten worden weggewerkt of dat inmiddels al een kwaliteitsverbetering is gerealiseerd, waarop kan worden voortgeborduurd na inwerkingtreding van het wetsvoorstel.
De eerder genoemde kamerbrief roept de vraag op of de (financiële) middelen na inwerkingtreding van het wetsvoorstel toereikend zullen zijn. Uit de toelichting blijkt immers dat is besloten de verstrekking van financiële middelen via de subsidieregeling te stoppen, dat er onzekerheid bestaat over de ondersteuningsstructuur BES(t) 4kids van de eilanden zelf, dat investeringen moeten worden gedaan in arbeidsvoorwaarden voor het personeel en dat er geen extra middelen voor huisvesting vrij zullen worden gemaakt.
Het voorgaande doet vragen rijzen naar de realiseerbaarheid en uitvoerbaarheid door de eilanden van een kinderopvangstelsel dat – naar wens van de eilanden – aansluit bij kwaliteitseisen van Europees Nederlands niveau.
Weliswaar is het mogelijk om verschillende onderdelen van het wetsvoorstel op verschillende momenten in werking te laten treden, maar dat neemt niet weg dat een hoog niveau van kwaliteit van kinderopvang gerealiseerd zal moeten worden. De toelichting spreekt de verwachting uit dat dit in de periode tussen 2026 en 2030 het geval zal zijn.17 De Afdeling mist in de toelichting een antwoord op de vraag hoe dit niveau van kinderopvang gerealiseerd kan worden op de afzonderlijke eilanden, mede gelet op de schaal van de eilanden en de nog maar korte periode dat gewerkt is aan het tot stand brengen van kinderopvang.
Verduidelijking is nodig welke inspanningen, uitgaande van de huidige situatie, nog moeten worden verricht door de eilanden zelf om te kunnen voldoen aan de voorgestelde kwaliteitseisen. De genoemde onzekerheden nopen de Afdeling ook tot de vraag waarom er niet voor is gekozen het huidige programma BES(t) 4 kids voorlopig nog voort te zetten, ook na inwerkingtreding van (delen van) het wetsvoorstel. Zijn de eilanden bij inwerkingtreding van de wet zelf in voldoende mate in staat om kinderopvang te organiseren en in stand te houden die voldoet aan vergelijkbare eisen die aan de Europees Nederlandse kinderopvang worden gesteld?
Gelet op de vraag hoe realistisch en uitvoerbaar dit wetsvoorstel is, geeft de Afdeling in overweging om in ieder geval meer flexibiliteit voor de (afzonderlijke) eilanden in het voorstel in te bouwen met het oog op het voldoen aan de kwaliteitseisen. De Afdeling is zich er daarbij overigens van bewust dat een zekere mate van flexibiliteit kan worden gerealiseerd door de mogelijkheid in het wetsvoorstel om bij of krachtens algemene maatregel van bestuur (AMvB) nadere regels te stellen ten aanzien van de kwaliteit, maar deze nadere regels zullen geen afbreuk mogen doen aan de kern van de kwaliteitseisen die nadrukkelijk op het niveau van de wet zijn belegd.18
De Afdeling adviseert de realiseerbaarheid en de uitvoerbaarheid van het beoogde stelsel van kinderopvang in de toelichting toereikend te motiveren.
Het wetsvoorstel bevat een regeling voor opvang in een kindercentrum of door middel van gastouderopvang. Gastouderopvang is de opvang van maximaal zes kinderen (inclusief de eventuele kinderen van de gastouder) aan huis bij de gastouder, of bij een van de ouders van de kinderen in de groep thuis.19 Dit betekent dat bij inwerkingtreding van het wetsvoorstel gastouders die nu meer dan zes kinderen opvangen, moeten gaan voldoen aan de kwaliteitsregels voor kindercentra.
Aan de opvang in een kindercentrum en gastouderopvang worden op een beperkt aantal onderdelen verschillende eisen gesteld die gedeeltelijk samenhangen met de verschillende aard van de opvang. Anders dan bij de kinderopvang in een kindercentrum, kunnen de eisen ten aanzien van de accommodatie en het pedagogisch beleid voor de gastouderopvang bij Eilandverordening worden vastgesteld.20
Momenteel zijn er in Caribisch Nederland alleen op Bonaire enkele gastouders actief.21 Bij de inwerkingtreding van de tijdelijke subsidieregeling was de toekomst van de gastouderopvang nog onduidelijk.22 De consultatieversie van het wetsvoorstel bevatte nog de mogelijkheid voor het openbaar lichaam om per Eilandsverordening te bepalen of gastouderopvang mag plaatsvinden op het eiland of niet.23 Uit de toelichting bij het onderhavige wetsvoorstel blijkt dat de meeste kinderen bij voorkeur in de professionele setting van het kindercentrum worden opgevangen en dat de gastouderopvang in het stelsel aanvullend is op de reguliere kindercentra.24 De ouderbijdrage zal bij beide vormen gelijk zijn ondanks het verschil in de kwaliteitseisen. Dit om te voorkomen dat ouders vanwege een financiële prikkel kiezen voor gastouderopvang.25
Gelet op het voorgaande is de toegevoegde waarde van de regeling voor gastouderopvang vooralsnog beperkt. Daarbij merkt de Afdeling op dat niet duidelijk is waarom is afgezien van de regeling zoals opgenomen in de consultatieversie van het wetsvoorstel. Ten slotte merkt de Afdeling op dat de verwachte effecten voor het aanbod van gastouderopvang van de voorgestelde regeling voor gastouderopvang onduidelijk blijven.
De Afdeling adviseert het wetsvoorstel aan te passen.
Het wetsvoorstel voorziet in een grondslag voor de verwerking van gegevens over de ontwikkeling van het kind door de kinderopvang.26 Ook voorziet het wetsvoorstel in grondslagen voor de verstrekking aan en de verwerking van persoonsgegevens door de bestuurscolleges, toezichthouders, uitvoeringsorganisaties en – buiten Caribisch Nederland – de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Inspectie van het Onderwijs.27 Dat betreft gegevens nodig voor de bepaling van de ouderbijdrage en gegevens voor het toezicht. De toelichting vermeldt dat de administraties zo moeten worden ingericht dat wordt voldaan aan de eisen die voortvloeien uit de Wet bescherming persoonsgegevens BES en dat de Inspectie van het Onderwijs de juiste bescherming dient te bieden op basis van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG).28
Het wetsvoorstel bepaalt dat bij AMvB regels worden gesteld met betrekking tot de gegevensverstrekking.29 Het gaat dan om de te verwerken gegevens, de gevallen waarin in ieder geval gegevens worden verstrekt, hoe deze gegevens en overige informatie worden gedeeld en welke eisen aan de gegevensdeling worden gesteld. Een overzicht van de risico’s en de bijbehorende maatregelen zal worden opgenomen in de gegevensbeschermingseffectbeoordeling bij het wetsvoorstel.30 Deze ontbreekt.
De Afdeling wijst er op dat deze AMvB alleen geldt voor de gegevensverwerking ten behoeve van de ouderbijdrage en het toezicht (hoofdstuk 4 van het wetsvoorstel). Niet duidelijk is waarom nadere regels over de gegevensverwerking ten behoeve van de goede doorstroom naar het basisonderwijs niet nodig zouden zijn. Het opnemen van alleen een grondslag voor gegevenswerking doet het risico op inbreuk op de privacy toenemen. Het komt dan aan op een zorgvuldige uitvoeringspraktijk. De Afdeling merkt op dat uit de toelichting niet duidelijk wordt op welke wijze een zorgvuldige uitvoeringspraktijk wordt gewaarborgd. Dit klemt te meer vanwege de kleinschaligheid van de eilanden. Dit maakt dat het beschermen van privacy soms zeer moeilijk is.31
Gelet op het voorgaande adviseert de Afdeling om ook bij artikel 2.15 te voorzien in een grondslag om bij AMvB nadere regels te stellen over de in dat artikel bedoelde gegevensverwerking.
Tevens adviseert de Afdeling om de uitkomsten van de gegevensbeschermingseffectbeoordeling alsnog in de toelichting op te nemen.
Het wetsvoorstel regelt de doorgifte van gegevens uit Europees Nederland aan de openbare lichamen.32 Dit betekent dat op de gegevensverstrekking die in het kader van het wetsvoorstel aan de orde is, het regime uit de AVG ten aanzien van doorgifte van gegevens met derde landen van toepassing is.33 Uitwisseling van persoonsgegevens met derde landen is onder de AVG slechts mogelijk wanneer er sprake is van passende waarborgen en betrokkenen ‘over afdwingbare rechten en doeltreffende rechtsmiddelen beschikken’.34 Zowel de Commissie Bescherming Persoonsgegevens BES als ook de Autoriteit Persoonsgegevens noemen doorgifte uit Europees Nederland aan Caribisch Nederland een bijzonder punt van aandacht bij het voorstel.35
De toelichting stelt dat hoofdzakelijk gegevens worden verwerkt en overgedragen binnen Caribisch Nederland en alleen in de toezichtstaak er sprake kan zijn van een uitzondering.36 Daarbij wordt gesteld dat in de samenwerking tussen de lokale toezichthouders en de Inspectie van het Onderwijs nadrukkelijk aandacht zal zijn voor de juiste waarborgen. Het wetsvoorstel lijkt echter meer uitzonderingen te bevatten dan de toelichting vermeldt, nu ook de Minister bevoegd is gegevens en inlichtingen te verstrekken aan het bestuurscollege voor de uitvoering van kwaliteit, financiering en handhaving.37
De Afdeling adviseert daarom in de toelichting in dit opzicht aan te vullen.
In het voorstel is een mogelijkheid voor experimenten opgenomen.38 De experimenteerbepaling kent een algemeen geformuleerd doel dat meerdere experimenten mogelijk moet maken, waarbij voor de duur van het experiment wordt afgeweken van onderdelen van de wet. Uit de toelichting volgt dat in de praktijk kan blijken dat het stelsel op onderdelen kan worden verbeterd waarbij het van belang kan zijn om te weten of dat doel ook wordt bereikt door het toepassen van een – in dit geval – alternatieve regel.39
In eerdere adviezen heeft de Afdeling benadrukt dat experimenteren kan, maar met mate en onder voorwaarden.40 De Afdeling merkt op dat het doel van de experimenteerregeling in het voorstel lijkt te zijn het creëren van flexibiliteit. Een toelichting ontbreekt waarom dit via de figuur van experimentele regelgeving noodzakelijk is. Nu het voorstel ook een evaluatiebepaling bevat en een gefaseerde inwerkingtreding tot de mogelijkheden behoort, doet dit vragen rijzen naar de noodzaak van een dergelijke experimenteerregeling.
Gelet op het rechtszekerheids- en het gelijkheidsbeginsel moet niet te snel worden gegrepen naar een experimenteerregeling. De Afdeling adviseert de noodzaak van een experimenteerregeling daarom alsnog dragend te motiveren en deze anders niet in dit wetsvoorstel op te nemen. Mocht de regeling gehandhaafd blijven, dan zou een dergelijke regeling met meer waarborgen omgeven moeten zijn, dan thans voorgesteld. Voor een goed voorbeeld van een zorgvuldige experimentenwet verwijst de Afdeling naar de Tijdelijke experimentenwet rechtspleging.41
De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een aantal opmerkingen bij het voorstel en adviseert daarmee rekening te houden voordat het voorstel bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal wordt ingediend.
De vice-president van de Raad van State, Th.C. de Graaf.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het, gelet op de grote armoedeproblematiek en achterstandenproblematiek op het terrein van ontwikkelen en leren en het belang om de kwaliteit van kinderopvang in Caribisch Nederland te verbeteren, wenselijk is om regels te stellen over kinderopvang op Bonaire, Sint Eustatius en Saba;
Zo is het dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
tegemoetkoming als bedoeld in artikel 3.16, eerste lid;
persoon van 18 jaar of ouder die werkzaam is bij een kindercentrum, bezoldigd is en belast is met de verzorging, de opvoeding en het bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen;
degene die in dienst van de houder van een kindercentrum en ten behoeve van het praktijkdeel van de opleiding belast is met de verzorging, de opvoeding en het bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen bij een kindercentrum;
bestuurscollege als bedoeld in artikel 36 van de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba;
kinderopvang voor kinderen in de leeftijd dat ze naar het basisonderwijs kunnen gaan, waarbij opvang wordt geboden voor of na de dagelijkse schooltijd evenals gedurende vrije dagen of middagen en in schoolvakanties;
periode van ten minste vier aaneengesloten uren in de ochtend, middag, avond of nacht;
kinderopvangopvang voor kinderen in de leeftijd van 0 tot en met de leeftijd dat ze naar het basisonderwijs kunnen gaan, waarbij opvang overdag wordt geboden;
rechtspersoon als genoemd in artikel 28, eerste lid, van de Wet primair onderwijs BES;
door het openbaar lichaam verleende vergunning voor het exploiteren van een kindercentrum of gastouderopvang;
kinderopvang voor kinderen in de leeftijd van 0 tot en met de leeftijd dat ze naar het basisonderwijs kunnen gaan die in de avond, de nacht of het weekeinde plaatsvindt;
degene van achttien jaar of ouder die gastouderopvang biedt;
kinderopvang in een gezinssituatie die betrekking heeft op gelijktijdige opvang van ten hoogste zes kinderen, waaronder begrepen de bloedverwant of aanverwant in de neergaande lijn van de gastouder of zijn partner die de leeftijd van tien jaar nog niet heeft bereikt,waarbij de opvang plaatsvindt:
a. op het woonadres van de gastouder, dan wel
b. op het woonadres van een van de ouders van de kinderen voor wie de gastouder opvang biedt;
natuurlijk persoon van achttien jaar of ouder of rechtspersoon die een kindercentrum exploiteert;
persoon als bedoeld in artikel 3 van de Wet kinderbijslagvoorziening BES;
voorziening waar kinderopvang plaatsvindt, niet zijnde gastouderopvang;
bedrijfsmatig of anders dan om niet verzorgen, opvoeden en bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen tot de eerste dag van de maand waarop het voortgezet onderwijs voor die kinderen begint;
schriftelijke overeenkomst tussen de ouder en de houder van het kindercentrum of de gastouder over de opvang van een kind van de ouder in dat kindercentrum of door die gastouder;
vergoeding voor de kosten van kinderopvang als bedoeld in artikel 3.2;
Onze Minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen;
openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba;
bloed- of aanverwant in opgaande lijn of pleegouder van een kind als bedoeld in artikel 3 van de Wet kinderbijslagvoorziening BES;
bijdrage als bedoeld in artikel 3.11, eerste lid;
dagopvang, buitenschoolse opvang of gastouderopvang waarin ook of alleen opvang wordt geboden voor kinderen met een extra ondersteuningsbehoefte;
degene die een opleiding volgt, waarvan het praktijkdeel een beperkt deel van de totale studieduur is, belast is met werkzaamheden bij de houder ten behoeve van het praktijkdeel van de opleiding en geen beroepskracht in opleiding is;
verklaring omtrent het gedrag, afgegeven volgens de Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag BES;
programma dat gericht is op het verbeteren van de voorwaarden voor het met succes instromen in het basisonderwijs voor kinderen die nog niet tot het onderwijs kunnen worden toegelaten.
Deze wet is van toepassing in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
1. Het is verboden zonder vergunning van het bestuurscollege:
a. een kindercentrum of een gastouderopvang te exploiteren; of
b. een plusopvang te exploiteren.
2. Een aanvraag voor een vergunning of een verlenging daarvan wordt door de houder van een kindercentrum of gastouder ingediend bij het bestuurscollege.
3. Het bestuurscollege verleent een vergunning voor plusopvang voor een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vast te stellen termijn.
4. Het bestuurscollege stelt een kwaliteitscommissie in, die adviseert over het al dan niet verlenen van een vergunning of verlenging daarvan.
5. Ten behoeve van de advisering, bedoeld in het vierde lid, verzoekt het bestuurscollege:
a. een op grond van artikel 5.1, eerste lid, aangewezen ambtenaar te onderzoeken of de exploitatie redelijkerwijs zal plaatsvinden in overeenstemming met de bij of krachtens deze wet gestelde regels, bedoeld in dit hoofdstuk; en
b. het expertisecentrum onderwijszorg te onderzoeken of de aangevraagde plusopvang aansluit op de behoefte van de beoogde doelgroep en op doelmatige wijze bijdraagt aan toegankelijkheid van kinderopvang in het openbaar lichaam voor kinderen met een extra ondersteuningsbehoefte, indien de advisering een vergunning voor plusopvang of verlenging daarvan betreft.
6. Bij of krachtens eilandsverordening worden nadere regels gesteld met betrekking tot:
a. de aanvraag en registratie van een vergunning of verlenging daarvan;
b. het onderzoek, bedoeld in het vijfde lid;
c. de kwaliteitscommissie.
1. Opvang door een houder van een kindercentrum of een gastouder geschiedt op basis van een kinderopvangovereenkomst.
2. Een houder van een kindercentrum of een gastouder sluit een kinderopvangovereenkomst met een ouder die daarom verzoekt, tenzij sprake is van een bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen omstandigheid.
3. Indien geen kinderopvangovereenkomst tot stand komt of de kinderopvangovereenkomst wordt opgezegd omdat de houder van het kindercentrum of de gastouder weigert het kind op te vangen, kan de ouder zich voor bemiddeling wenden tot de onafhankelijke organisatie, bedoeld in artikel 2.9, tweede lid.
4. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot de inhoud van de kinderopvangovereenkomst.
1. Een houder van een kindercentrum of gastouder biedt verantwoorde kinderopvang, waaronder wordt verstaan:
a. het in een veilige en gezonde omgeving bieden van emotionele veiligheid aan kinderen;
b. het bevorderen van de persoonlijke en sociale competentie van kinderen;
c. de socialisatie van kinderen door overdracht van algemeen aanvaarde waarden en normen;
d. het spelenderwijs en doelgericht stimuleren van taalvaardigheden, rekenvaardigheden, motorische vaardigheden en sociaal-emotionele vaardigheden ten behoeve van een doorlopend ontwikkelingsproces voor kinderen.
2. De houder van een kindercentrum of gastouder draagt er zorg voor dat de uitvoering van het pedagogisch beleid en het veiligheids- en gezondheidsbeleid, bedoeld in het eerste lid, schriftelijk is vastgelegd en wordt geëvalueerd en waar nodig bijgesteld.
3. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot de in het eerste lid genoemde aspecten van verantwoorde kinderopvang.
4. Het bestuurscollege draagt zorg voor begeleiding en ondersteuning aan de houder van een kindercentrum of gastouder bij het aanbieden van verantwoorde kinderopvang, waaronder pedagogische ondersteuning en advies.
5. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de onderwerpen en taken waarover het bestuurscollege voor begeleiding en ondersteuning aan de houder van een kindercentrum of gastouder of pedagogische ondersteuning en advies zorgdraagt, waarbij onderscheid kan worden gemaakt tussen de openbare lichamen.
1. Een houder van een kindercentrum:
a. organiseert de kinderopvang op zodanige wijze;
b. voorziet het kindercentrum zowel kwalitatief als kwantitatief zodanig van personeel en materieel;
c. draagt zorg voor een zodanige verantwoordelijkheidstoedeling; en
d. voert een zodanig pedagogisch, veiligheids-, gezondheids-, educatief en organisatiebeleid;
dat een en ander redelijkerwijs leidt tot verantwoorde kinderopvang.
2. Ter uitvoering van het eerste lid besteedt een houder van het kindercentrum in ieder geval aantoonbaar aandacht aan:
a. het aantal beroepskrachten in relatie tot het aantal kinderen per leeftijdscategorie;
b. de groepsgrootte;
c. het dagritme en een gevarieerd activiteitenprogramma;
d. de herkenbaarheid van ruimtes en personen;
e. de opleidingseisen, scholingseisen en ervaringseisen waaraan beroepskrachten voldoen;
f. de voorwaarden waaronder en de mate waarin beroepskrachten in opleiding en stagiairs kunnen worden belast met de verzorging, opvoeding en bijdrage aan de ontwikkeling van kinderen;
g. het volgen van de ontwikkeling van kinderen en het signaleren van bijzonderheden, waaronder door middel van een begeleidingsplan indien bijzonderheden worden gesignaleerd;
h. het voorkomen van ontwikkel- en leerachterstanden door het programma af te stemmen op wat kinderen nodig hebben.
3. Een houder van een kindercentrum past een programma voor voorschoolse educatie toe bij kinderen die gebruikmaken van dagopvang.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de voorwaarden voor verantwoorde kinderopvang bij een kindercentrum waarbij onderscheid kan worden gemaakt tussen dagopvang, buitenschoolse opvang en flexibele opvang, die betrekking kunnen hebben op:
a. de veiligheid en de gezondheid;
b. de minimale opleidingseisen, scholingseisen en ervaringseisen voor beroepskrachten;
c. de inzet van beroepskrachten in opleiding en stagiairs;
d. het aantal beroepskrachten in relatie tot het aantal kinderen per leeftijdscategorie;
e. de groepsgrootte, en de herkenbaarheid van ruimtes en personen;
f. het pedagogisch beleid en de pedagogische praktijk;
g. het educatieve beleid in het kader van het voorkomen en bestrijden van ontwikkel- en leerachterstanden, waaronder voorschoolse educatie;
h. de accommodatie en de inrichting van de ruimte die bestemd is voor kinderopvang;
i. de beschikbare ruimte voor kinderen;
j. kwaliteitszorg en de professionele kwaliteitscultuur;
k. het dagritme en het gevarieerde activiteitenprogramma;
l. het volgen van de ontwikkeling van kinderen en het signaleren van bijzonderheden, waaronder door middel van een begeleidingsplan indien bijzonderheden worden gesignaleerd.
5. Bij of krachtens eilandsverordening worden nadere regels gesteld omtrent de voorwaarden voor kinderopvang, die betrekking kunnen hebben op:
a. het taalniveau van een beroepskracht;
b. aanvullende opleidingseisen, scholingseisen en ervaringseisen voor een beroepskracht;
c. gezonde voeding;
d. lokale partners met wie de houder van een kindercentrum afspraken maakt ten behoeve van de optimale ontwikkeling van kinderen.
Gastouderopvang wordt niet geboden door degene:
a. van wie een of meer kinderen onderworpen zijn aan ondertoezichtstelling of voorlopige ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 254 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek BES, die met betrekking tot een of meer van zijn kinderen is ontheven uit het ouderlijk gezag als bedoeld in artikel 266 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek BES of die met betrekking tot een of meer van zijn kinderen is ontzet van het gezag als bedoeld in artikel 269 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek BES; of
b. die ten behoeve van de opvang van kinderen in enigerlei vorm personeel in dienst heeft.
1. Een gastouder:
a. organiseert de werkzaamheden op zodanige wijze;
b. voorziet de opvang zowel kwalitatief als kwantitatief zodanig van materieel;
c. voert een zodanig pedagogisch, gezondheids-, veiligheids- en educatief beleid;
dat een en ander redelijkerwijs leidt tot verantwoorde kinderopvang.
2. Ter uitvoering van het eerste lid besteedt een gastouder in ieder geval aantoonbaar aandacht aan:
a. het dagritme en een gevarieerd activiteitenprogramma;
b. de opleidingseisen, scholingseisen en ervaringseisen waaraan de gastouder moet voldoen;
c. het volgen van de ontwikkeling van kinderen en het signaleren van bijzonderheden, waaronder door middel van een begeleidingsplan indien bijzonderheden worden gesignaleerd;
d. het voorkomen van ontwikkel- en leerachterstanden door het programma af te stemmen op wat kinderen nodig hebben.
3. Een gastouder maakt gebruik van de begeleiding en ondersteuning voor het aanbieden van verantwoorde kinderopvang zoals wordt aangeboden door het bestuurscollege.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de voorwaarden voor verantwoorde kinderopvang bij een gastouder, die betrekking kunnen hebben op:
a. veiligheid en gezondheid;
b. de minimale opleidingseisen, scholingseisen en ervaringseisen waaraan de gastouder voldoet;
c. het volgen van de ontwikkeling van kinderen en het signaleren van bijzonderheden, waaronder door middel van een begeleidingsplan indien bijzonderheden worden gesignaleerd;
d. het activiteitenprogramma.
5. Bij of krachtens eilandsverordening kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de voorwaarden voor gastouderopvang, met betrekking tot:
a. de accommodatie, de beschikbare ruimte voor kinderen en de inrichting van de ruimte die bestemd is voor gastouderopvang;
b. lokale partners met wie de gastouder afspraken maakt ten behoeve van de optimale ontwikkeling van kinderen;
c. gezonde voeding;
d. het taalniveau van de gastouder;
e. aanvullende opleidingseisen, scholingseisen en ervaringseisen voor de gastouder;
f. het pedagogisch beleid en de pedagogische praktijk;
g. het dagritme.
1. Bij kinderopvang in een kindercentrum of gastouderopvang wordt als voertaal gebruikt:
a. op Bonaire: Nederlands of Papiaments;
b. op Sint Eustatius en Saba: Engels of Nederlands.
2. In afwijking van het eerste lid kan mede een andere taal als voertaal worden gebruikt, indien de herkomst van de kinderen in specifieke omstandigheden daartoe noodzaakt.
1. In het bezit van een verklaring omtrent het gedrag zijn:
a. de houder of voorgenomen houder van een kindercentrum, zijnde de directeur en bestuurders, en de gastouder of voorgenomen gastouder;
b. de personen die in dienst zijn van de houder of met een uitzendorganisatie tijdens opvanguren werkzaam zijn, dan wel zullen zijn, op de locatie waar de houder een kindercentrum exploiteert en waar kinderen worden opgevangen;
c. de personen die op basis van een andere overeenkomst met de houder structureel tijdens opvanguren werkzaam zijn of zullen zijn op de locatie waar de houder een kindercentrum exploiteert en waar kinderen worden opgevangen;
d. de personen die op vrijwillige basis structureel tijdens opvanguren werkzaam zijn of zullen zijn op de locatie van waar de houder een kindercentrum exploiteert en waar kinderen worden opgevangen;
e. de personen van 18 jaar en ouder die structureel aanwezig zijn op de locatie waar gastouderopvang plaatsvindt; en
f. de personen die uit hoofde van hun functie toegang hebben of zullen hebben tot informatie over de kinderen die worden opgevangen.
2. De verklaring omtrent het gedrag is op het tijdstip van overlegging aan de houder van het kindercentrum of de gastouder niet ouder dan drie maanden en wordt tweejaarlijks geactualiseerd.
3. Het tijdstip van overlegging van een verklaring omtrent het gedrag ligt voor de aanvang van de werkzaamheden of het structureel aanwezig zijn op een locatie van een kindercentrum dan wel een locatie waar gastouderopvang plaatsvindt.
4. Indien een toezichthouder redelijkerwijs mag vermoeden dat een persoon van twaalf jaar of ouder die ten tijde van de opvang aanwezig is in het kindercentrum of aanwezig is op het adres waar opvang door de gastouder plaatsvindt niet zou voldoen aan de eisen voor het afgeven van een verklaring omtrent het gedrag, verlangt de toezichthouder dat de houder van het kindercentrum of gastouder een verklaring omtrent het gedrag overlegt met betrekking tot die persoon binnen een door de toezichthouder vast te stellen termijn. Binnen die termijn is die persoon in het bezit van een verklaring omtrent het gedrag en legt de houder of gastouder die verklaring omtrent het gedrag over aan de toezichthouder. Een verklaring omtrent het gedrag is op het moment van overlegging niet ouder dan drie maanden.
5. Een houder van een kindercentrum of gastouder bewaart de verklaringen omtrent gedrag gedurende drie jaar.
1. De houder van een kindercentrum stelt een klachtenprocedure voor ouders in.
2. Het bestuurscollege zorgt ervoor dat ouders bij een onafhankelijke organisatie terecht kunnen voor advies over en begeleiding en bemiddeling bij een klachtenprocedure.
3. Bij of krachtens eilandsverordening worden regels gesteld met betrekking tot:
a. het instellen van een klachtenprocedure in een kindercentrum;
b. de organisatie en de uitoefening van de taken, bedoeld in het tweede lid.
1. Een houder van een kindercentrum stelt een oudercommissie in die tot taak heeft hem te adviseren.
2. De verplichting tot het instellen van een oudercommissie, bedoeld in het eerste lid, geldt niet indien:
a. het een kindercentrum betreft waar maximaal 50 kinderen worden opgevangen;
b. de houder zich aantoonbaar voldoende heeft ingespannen om een oudercommissie in te stellen.
3. Bij of krachtens eilandsverordening worden nadere regels gesteld met betrekking tot het instellen van een oudercommissie van een kindercentrum.
1. Indien de houder van een kindercentrum op enigerlei wijze bekend is geworden dat een bij zijn rechtspersoon werkzaam persoon zich mogelijk schuldig maakt of heeft gemaakt aan een misdrijf tegen de zeden als bedoeld in Titel XIV van het Wetboek van Strafrecht BES of mishandeling als bedoeld in Titel XX van het Wetboek van Strafrecht BES jegens een kind van een ouder die gebruik maakt van de door hem geboden kinderopvang, treedt de houder onverwijld in overleg met een door Onze Minister aan te wijzen deskundige.
2. Indien uit het overleg, bedoeld in het eerste lid, wordt geconcludeerd dat sprake is van een redelijk vermoeden dat de desbetreffende persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een misdrijf als bedoeld in het eerste lid, doet de houder van een kindercentrum onverwijld aangifte bij een opsporingsambtenaar als bedoeld in artikel 1 van het Wetboek van Strafvordering BES, en stelt de houder de deskundige, bedoeld in het eerste lid, hiervan onverwijld in kennis.
3. Indien een bij de rechtspersoon van de houder van een kindercentrum werkzaam persoon op enigerlei wijze bekend is geworden dat een ander ten behoeve van de rechtspersoon van die houder werkzaam persoon zich mogelijk schuldig maakt of heeft gemaakt aan een misdrijf als bedoeld in het eerste lid jegens een kind van een ouder die gebruik maakt van de door de houder van een kindercentrum geboden kinderopvang, stelt hij de houder van dat kindercentrum daarvan onverwijld in kennis.
4. Indien toepassing van het derde lid ertoe zou leiden dat degene die van het vermoeden op de hoogte moet worden gesteld dezelfde persoon is als degene die zich mogelijk schuldig maakt of heeft gemaakt aan een misdrijf als bedoeld in het eerste lid, is artikel 2.12, eerste en tweede lid, van overeenkomstige toepassing.
5. De houder van een kindercentrum bevordert de kennis en het gebruik van de handelwijze, bedoeld in dit artikel.
6. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de deskundige, bedoeld in het eerste lid.
1. Indien een bij de rechtspersoon van de houder van een kindercentrum werkzame persoon op enigerlei wijze bekend is geworden dat de natuurlijke persoon die tevens houder is van een kindercentrum zich mogelijk schuldig maakt of heeft gemaakt aan een misdrijf tegen de zeden als bedoeld in Titel XIV van het Wetboek van Strafrecht BES of mishandeling als bedoeld in Titel XX van het Wetboek van Strafrecht BES jegens een kind van een ouder die gebruik maakt van de door die houder geboden kinderopvang kan degene in overleg treden met een deskundige als bedoeld in artikel 2.11, eerste lid.
2. Indien sprake is van een redelijk vermoeden dat de houder zich schuldig heeft gemaakt aan een misdrijf als bedoeld in het eerste lid, doet de persoon die werkzaam is bij rechtspersoon van de houder van een kindercentrum onverwijld aangifte bij een opsporingsambtenaar als bedoeld in artikel 1 van het Wetboek van Strafvordering BES.
3. De houder van een kindercentrum bevordert de kennis en het gebruik van de handelwijze, bedoeld in dit artikel.
Indien een gastouder op enigerlei wijze bekend is geworden dat een persoon van 18 jaar of ouder die structureel aanwezig is op een locatie waar gastouderopvang plaatsvindt zich mogelijk schuldig maakt of heeft gemaakt aan een misdrijf tegen de zeden als bedoeld in Titel XIV van het Wetboek van Strafrecht BES of mishandeling als bedoeld in Titel XX van het Wetboek van Strafrecht BES, treedt de gastouder onverwijld in overleg met een deskundige als bedoeld in artikel 2.11, eerste lid.
1. Een houder van een kindercentrum of een gastouder informeert de ouders wier kinderen in het kindercentrum worden opgevangen en eenieder die daarom verzoekt over het te voeren beleid als bedoeld in deze paragraaf.
2. Een houder van een kindercentrum of een gastouder informeert over een inspectierapport als bedoeld in artikel 5.4:
a. de ouders van de kinderen die in dat kindercentrum of die gastouderopvang worden opgevangen, en
b. de personen werkzaam bij een rechtspersoon waarmee de houder dat kindercentrum exploiteert.
3. Het informeren, bedoeld in het tweede lid, vindt plaats doordat:
a. de houder of gastouder het inspectierapport zo spoedig mogelijk na ontvangst op zijn website plaatst zodanig dat het rapport voor de ouders en de personen werkzaam bij de onderneming gemakkelijk vindbaar is;
b. indien de houder geen eigen website heeft, ter inzage legt op een voor de ouders en de personen werkzaam bij de rechtspersoon toegankelijke plaats.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de informatie die de houder van een kindercentrum of gastouder beschikbaar stelt aan een ouder.
1. Met als doel de bevordering van een goede doorstroom van kinderen naar het basisonderwijs, verwerken een houder van een kindercentrum en een gastouder persoonsgegevens over het ontwikkelproces van het kind.
2. De gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden bewaard gedurende twee jaar nadat het kind het kindercentrum of de gastouderopvang heeft verlaten.
3. Indien de ouders daarmee instemmen, vindt bij de overgang van een kind van het kindercentrum of de gastouder naar het basisonderwijs een gesprek plaats tussen de beroepskracht van de kinderopvang dan wel de gastouder en de leerkracht van de basisschool, waarbij zo mogelijk de ouders van het kind aanwezig zijn.
4. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot de gegevensverwerking, bedoeld in het eerste en derde lid. De regels hebben in ieder geval betrekking op:
a. de te verwerken gegevens;
b. de gevallen waarin in ieder geval gegevens wordt verwerkt;
c. de wijze van verwerking van de gegevens;
d. het elektronische gegevensverkeer en de daarbij te gebruiken elektronische infrastructuur; en
e. de eisen die aan de gegevensverwerking worden gesteld.
1. Het bestuurscollege draagt er zorg voor dat ten minste tweemaal jaarlijks overleg plaatsvindt en draagt zorg voor het maken van afspraken:
a. met de houders van kindercentra en gastouders op Bonaire, Sint Eustatius of Saba over de wijze waarop zo groot mogelijke deelname van kinderen aan kinderopvang wordt bevorderd;
b. met de houders van kindercentra en gastouders en met de bevoegde gezagsorganen van de basisscholen op Bonaire, Sint Eustatius of Saba over de organisatie van een doorlopende ontwikkel- en leerlijn van kinderopvang naar basisonderwijs;
c. met de houders van kindercentra en gastouders, het expertisecentrum onderwijszorg en de verlener van pedagogische ondersteuning en advies als bedoeld in artikel 2.3, vierde lid, op Bonaire, Sint Eustatius of Saba over de wijze waarop wordt bevorderd dat het kinderopvangstelsel toegankelijk is voor kinderen met een extra ondersteuningsbehoefte.
2. Alle partijen werken mee aan de totstandkoming van de afspraken.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent voorwaarden voor het aanbieden van plusopvang door een houder van een kindercentrum of een gastouder, waarbij onderscheid kan worden gemaakt tussen dagopvang, buitenschoolse opvang en flexibele opvang en tussen de openbare lichamen, die betrekking kunnen hebben op:
a. de minimale opleidingseisen, scholingseisen en ervaringseisen voor beroepskrachten;
b. de inzet van beroepskrachten in opleiding en stagiairs;
c. het aantal beroepskrachten in relatie tot het aantal kinderen per leeftijdscategorie;
d. de groepsgrootte en de herkenbaarheid van ruimtes en personen;
e. het pedagogisch beleid en de pedagogische praktijk;
f. de accommodatie en de inrichting van de ruimte die bestemd is voor kinderopvang; en
g. de beschikbare ruimte voor kinderen.
1. Het expertisecentrum onderwijszorg draagt zorg voor deskundige ondersteuning bij de opvang van kinderen met mogelijk een extra ondersteuningsbehoefte, waaronder in elk geval de volgende taken worden verstaan:
a. het adviseren over het begeleidingsplan, bedoeld in artikel 2.4, tweede lid, onderdeel g, en artikel 2.6, tweede lid, onderdeel c;
b. het verrichten van diagnostiek ten behoeve van kinderen met mogelijk een extra ondersteuningsbehoefte;
c. het adviseren aan de verlener van pedagogische ondersteuning en advies als bedoeld in artikel 2.3, vierde lid;
d. het adviseren, bedoeld in artikel 2.1, vijfde lid, onderdeel b;
e. het begeleiden van kinderen met een extra ondersteuningsbehoefte naar een plusopvang;
f. het begeleiden van kinderen met een extra ondersteuningsbehoefte bij de doorstroom naar het basisonderwijs; en
g. het op aanvraag vaststellen dat een kind een extra ondersteuningsbehoefte heeft, daardoor in aanmerking komt voor plaatsing in een plusopvang en welke extra ondersteuning voor het kind nodig is.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de taken, bedoeld in het eerste lid.
1. Gelet op artikel 21, eerste lid, onderdeel a, van de Wet bescherming persoonsgegevens BES is het verbod om persoonsgegevens betreffende iemands gezondheid te verwerken niet van toepassing op de verwerking door:
a. de verlener van pedagogische ondersteuning en advies als bedoeld in artikel 2.3, vierde lid, voor zover de verwerking noodzakelijk is voor het bieden van die pedagogische ondersteuning en advies;
b. het expertisecentrum onderwijszorg, voor zover de verwerking noodzakelijk is ter uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 2.18, eerste lid;
c. de houder van een kindercentrum of de gastouder, voor zover de verwerking noodzakelijk is voor de opvang van een kind met een extra ondersteuningsbehoefte of het vaststellen van extra ondersteuningsbehoefte.
2. De natuurlijke personen of rechtspersonen, bedoeld in het eerste lid, kunnen persoonsgegevens betreffende iemands gezondheid aan elkaar verstrekken, voor zover die verstrekking noodzakelijk is voor een in dat lid omschreven doel.
3. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing op de verstrekking van persoonsgegevens betreffende iemands gezondheid door de houder van een kindercentrum, de gastouder of het expertisecentrum onderwijszorg aan:
a. een school waar basisonderwijs wordt gegeven, voor zover de verstrekking noodzakelijk is voor de bevordering van een goede doorstroom van kinderen met een extra ondersteuningsbehoefte naar het basisonderwijs;
b. een zorgaanbieder als bedoeld in artikel 18.4.3, tweede lid, onderdeel b, van de Invoeringswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, voor zover de verstrekking noodzakelijk is voor het bieden van specialistische ondersteuning bij de opvang van kinderen met een extra ondersteuningsbehoefte.
4. De verwerking, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, geschiedt niet eerder dan nadat de ouders hiermee hebben ingestemd.
5. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over gegevensverwerking als bedoeld in dit artikel, die betrekking kunnen hebben op:
a. de te verwerken gegevens;
b. de gevallen waarin in ieder geval gegevens worden verwerkt;
c. de wijze van verwerking van de gegevens en inlichtingen;
d. het elektronische gegevensverkeer en de daarbij te gebruiken elektronische infrastructuur; en
e. de eisen die aan de gegevensverwerking worden gesteld.
1. Onze Minister verstrekt op aanvraag een kinderopvangvergoeding aan een houder van een kindercentrum of een gastouder voor de kosten van dagopvang, buitenschoolse opvang of flexibele opvang van een kind in dat kindercentrum of die voorziening voor gastouderopvang, indien:
a. aan die houder of gastouder een exploitatievergunning is verleend;
b. een kinderopvangovereenkomst is gesloten en gedurende de duur van de overeenkomst gebruik wordt gemaakt van kinderopvang;
c. de houder of de gastouder maandelijks de ouderbijdrage in rekening brengt;
d. bij de ouder geen bijdrage in rekening wordt gebracht anders dan de ouderbijdrage;
e. de ouder en het kind als ingezetene staan ingeschreven bij het openbaar lichaam waar de kinderopvang plaatsvindt;
f. voor zover het flexibele opvang betreft, beide ouders op het betreffende tijdstip werken of een erkende opleiding volgen; en
g. het structurele kinderopvang betreft.
2. Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid kan betrekking hebben op de volgende periode:
a. voor dagopvang tot en met de laatste dag van de maand waarin het kind vier jaar wordt;
b. voor buitenschoolse opvang vanaf de eerste dag na de maand waarin het kind vier jaar is geworden tot en met de laatste dag van de maand waarin het kind naar het voortgezet onderwijs gaat of tot en met de dag waarop het kind dertien jaar wordt;
c. voor de flexibele opvang tot en met de laatste dag van de maand waarin het kind naar het voortgezet onderwijs gaat of tot en met de dag waarop het kind dertien jaar wordt.
3. Onze Minister kan een kinderopvangvergoeding verstrekken voor de opvang van een kind waarbij niet is voldaan aan het eerste lid, onderdeel e, of het tweede lid, indien het bestuurscollege dat in het belang van het kind adviseert.
4. Het eerste lid is niet van toepassing, indien de ouder of de partner van de ouder van het kind gastouder is en de kinderopvangvergoeding wordt aangevraagd voor de kosten van gastouderopvang door die ouder of partner.
5. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de onderwerpen, bedoeld in het eerste lid.
1. De kinderopvangvergoeding wordt verstrekt met ingang van de eerste dag van het kwartaal waarin de kinderopvang is gestart, indien de dag waarop het kind bij het kindercentrum of de gastouderopvang staat ingeschreven voor of op een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen datum valt.
2. Onze Minister beëindigt de kinderopvangvergoeding met ingang van de eerste dag van de maand nadat:
a. niet langer aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 3.2, wordt voldaan;
b. de kinderopvangovereenkomst is opgezegd; of
c. de ouderbijdrage gedurende drie aaneengesloten maanden niet is betaald.
1. De kinderopvangvergoeding wordt verstrekt per dagdeel dat een kind op grond van de kinderopvangovereenkomst aanwezig is, tot een maximum van:
a. twee per dag en 40 per maand voor dagopvang of flexibele opvang;
b. een per dag en 20 per maand, of, tijdens schoolvakanties, twee per dag en 40 per maand voor buitenschoolse opvang;
c. het totale aantal dagdelen waarop op basis van de exploitatievergunning kinderen kunnen worden opgevangen.
2. Bij algemene maatregel van bestuur kan op advies van het bestuurscollege een maximum worden gesteld aan het totaalaantal dagdelen per maand voor de soort kinderopvang of gastouderopvang dat in het openbaar lichaam plaatsvindt waarvoor een kinderopvangvergoeding kan worden verstrekt.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de maximering, bedoeld in het tweede lid.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de kinderopvangvergoeding, die betrekking kunnen hebben op:
a. de hoogte van de kinderopvangvergoeding, die per openbaar lichaam kan verschillen en onder meer afhankelijk kan zijn van:
1°. de opvangsoort;
2°. het kostenniveau in het openbaar lichaam;
3°. de leeftijd van het kind; en
4°. de extra ondersteuningsbehoefte van het kind.
b. indexering van de kinderopvangvergoeding.
1. Bij ministeriële regeling wordt bepaald welke gegevens door de houder van een kindercentrum of gastouder bij een aanvraag als bedoeld in artikel 3.2, eerste lid, worden verstrekt.
2. Onze Minister geeft de houder van het kindercentrum of de gastouder binnen acht weken na de dag van ontvangst van de aanvraag een beschikking omtrent de kinderopvangvergoeding en informeert de ouder over de beschikking.
3. Indien Onze Minister voor de beoordeling van een aanvraag nadere informatie nodig acht, kan de termijn, bedoeld in het tweede lid, met acht weken worden verlengd. Onze Minister stelt de aanvrager en de ouder van de verlenging in kennis.
1. Onze Minister kan op verzoek van een houder van een kindercentrum of gastouder een voorschot op de kinderopvangvergoeding verstrekken.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de verstrekking van een voorschot.
1. Onze Minister kan een beschikking omtrent een kinderopvangvergoeding wijzigen of intrekken:
a. indien een wijziging is opgetreden in de gegevens, bedoeld in artikel 4.2, eerste lid;
b. op grond van feiten of omstandigheden waarvan Onze Minister bij de verstrekking van de kinderopvangvergoeding redelijkerwijs niet op de hoogte kon zijn en op grond waarvan de kinderopvangvergoeding vermoedelijk op een te hoog bedrag is vastgesteld; of
c. indien de kinderopvangvergoeding op een te hoog bedrag is vastgesteld en de houder van het kindercentrum, de gastouder of de ouder dit wist of behoorde te weten.
2. Een beschikking wordt slechts ingetrokken, indien op grond van de gewijzigde gegevens niet langer recht op een kinderopvangvergoeding bestaat.
3. Een beschikking omtrent een kinderopvangvergoeding wordt niet meer gewijzigd of ingetrokken, indien vijf jaren zijn verstreken na de datum waarop de kinderopvangvergoeding is betaald.
4. Indien een kinderopvangvergoeding als gevolg van een wijziging of intrekking geheel of gedeeltelijk onverschuldigd is betaald, kan de kinderopvangvergoeding worden teruggevorderd voor zover die onverschuldigd is betaald.
1. Onze Minister kan de uitbetaling van de kinderopvangvergoeding geheel of gedeeltelijk opschorten voor een periode van acht weken, indien redelijkerwijs wordt vermoed dat de kinderopvangvergoeding ten onrechte of tot een te hoog bedrag wordt verstrekt.
2. De belanghebbenden worden van de opschorting in kennis gesteld.
1. Onze Minister kan een door een houder van het kindercentrum of een gastouder verschuldigd bedrag verrekenen met de kinderopvangvergoeding voor een volgende maand die op grond van deze wet aan die houder of gastouder wordt verstrekt.
2. De verrekening vindt niet eerder plaats dan zes weken na de dagtekening van de beschikking tot terugvordering.
3. Onze Minister kan een door een houder van een kindercentrum of een gastouder te ontvangen bedrag verrekenen met een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 5.7.
1. Voor de kosten van kinderopvang waarvoor een kinderopvangvergoeding wordt verstrekt betaalt de ouder een ouderbijdrage.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de berekeningswijze en de hoogte van de ouderbijdrage per dagdeel, waarbij rekening wordt gehouden met de soort kinderopvang.
1. De houder van het kindercentrum of de gastouder factureert maandelijks de ouderbijdrage aan de ouder, waarbij rekening wordt gehouden met:
a. de soort kinderopvang; en
b. de mate waarin van kinderopvang gebruik wordt gemaakt.
2. De ouder betaalt de ouderbijdrage aan de houder van het kindercentrum of de gastouder.
3. De houder van het kindercentrum of de gastouder spant zich jegens de ouder in de gefactureerde ouderbijdrage daadwerkelijk te innen.
1. In afwijking van artikel 3.12, tweede lid, kan het bestuurscollege de ouderbijdrage voldoen aan de houder van het kindercentrum of de gastouder, indien de ouder de ouderbijdrage niet kan betalen.
2. Bij eilandsbesluit worden nadere regels gesteld met betrekking tot de voorwaarden waaronder het bestuurscollege de ouderbijdrage betaalt.
De financiële middelen tot dekking van de uitgaven van de ingevolge deze wet uit te keren kinderopvangvergoeding, de aanvullende tegemoetkoming voor plusopvang en de subsidie, bedoeld in artikel 3.17, eerste lid, zijn de middelen die Onze Minister daarvoor op de begroting heeft opgenomen en de middelen die de openbare lichamen daarvoor ter beschikking stellen.
Indien een houder van een kindercentrum of voorziening voor gastouderopvang een kind opvangt waarvoor geen kinderopvangvergoeding wordt verstrekt en wel voor andere kinderen kinderopvangvergoeding ontvangt, brengt die houder bij degene die de kinderopvangovereenkomst is aangegaan kosten in rekening die ten minste gelijk zijn aan de kinderopvangvergoeding die Onze Minister per maand voor de opvang van dat kind zou hebben verstrekt.
1. Onze Minister kan op aanvraag een aanvullende tegemoetkoming verstrekken aan een houder van een kindercentrum of een gastouder voor de extra kosten van plusopvang, indien die kosten:
a. worden gemaakt om te voldoen aan de voorwaarden voor plusopvang, bedoeld in artikel 2.17; en
b. betrekking hebben op de inzet van beroepskrachten, de accommodatie of de ruimtes binnen dat kindercentrum of die voorziening voor gastouderopvang.
2. Onze Minister verzoekt het bestuurscollege te adviseren over de aanvraag, bedoeld in het eerste lid.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de aanvullende tegemoetkoming voor plusopvang, die betrekking kunnen hebben op:
a. de voorwaarden voor toekenning van de tegemoetkoming;
b. de hoogte van de tegemoetkoming en de duur en frequentie van de betaling daarvan, die per openbaar lichaam kunnen verschillen en onder meer afhankelijk kunnen zijn van:
1°. de opvangsoort;
2°. het kostenniveau in het openbaar lichaam;
3°. de extra ondersteuningsbehoefte van het kind;
4°. het aantal en het niveau van opleiding, scholing en ervaring van de beroepskrachten;
c. indexering van de tegemoetkoming.
4. Bij ministeriële regeling wordt bepaald welke gegevens bij een aanvraag als bedoeld in het eerste lid worden verstrekt.
1. Onze Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs verleent het expertisecentrum onderwijszorg subsidie voor de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 2.18, eerste lid.
2. Bij regeling van Onze Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs kunnen regels worden gesteld over het verlenen van de subsidie.
3. Artikel 69, derde lid, van de Wet primair onderwijs BES is van overeenkomstige toepassing op de subsidie.
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de administratie van gegevens door een houder van een kindercentrum of voorziening voor gastouderopvang en de bewaartermijn van die gegevens.
1. Een houder van een kindercentrum of gastouder verstrekt uit eigen beweging of op verzoek van Onze Minister onverwijld alle gegevens en inlichtingen die noodzakelijk zijn voor de vaststelling of de betaling van de kinderopvangvergoeding of de aanvullende tegemoetkoming voor plusopvang, of die tot wijzigingen leiden in de hoogte daarvan, waaronder in ieder geval:
a. persoonsgegevens van de ouder, de partner van de ouder en het kind, waaronder een administratienummer of ID-nummer; en
b. de vaststelling van de extra ondersteuningsbehoefte van het kind door het expertisecentrum onderwijszorg.
2. De gevraagde gegevens en inlichtingen worden op een door Onze Minister aangegeven wijze en binnen een door Onze Minister gestelde termijn verstrekt.
3. Indien de gegevens of inlichtingen niet op tijd zijn verstrekt, maant Onze Minister de houder van het kindercentrum of de gastouder aan onder het stellen van een nadere termijn om alsnog de gevraagde gegevens en inlichtingen te verstrekken.
1. De ouder en de partner van de ouder verstrekken uit eigen beweging of op verzoek van Onze Minister onverwijld alle gegevens en inlichtingen, waaronder persoonsgegevens van de ouder, de partner en het kind, die:
a. noodzakelijk zijn voor de vaststelling en de hoogte van de kinderopvangvergoeding, voor zover die gegevens betrekking hebben op artikel 3.2, eerste lid, onderdelen e en f, en vierde lid;
b. de vaststelling van de extra ondersteuningsbehoefte door het expertisecentrum onderwijszorg betreffen en noodzakelijk zijn voor de vaststelling of de hoogte van een aanvullende tegemoetkoming voor plusopvang; of
c. aanleiding kunnen geven tot wijziging van de kinderopvangvergoeding of een aanvullende tegemoetkoming voor plusopvang.
2. De gevraagde gegevens en inlichtingen worden op een door Onze Minister aangegeven wijze en binnen een door Onze Minister te stellen termijn verstrekt.
3. Indien de gegevens of inlichtingen niet op tijd zijn verstrekt, maant Onze Minister de ouder en de partner van de ouder aan onder het stellen van een nadere termijn om alsnog de gevraagde gegevens en inlichtingen te verstrekken.
1. Onze Minister verwerkt de gegevens, bedoeld in dit artikel, met het oog op het besluiten over het verstrekken van een kinderopvangvergoeding, de betaling van een kinderopvangvergoeding, het besluiten over het verstrekken van een aanvullende tegemoetkoming voor plusopvang en de betaling van die tegemoetkoming.
2. De hieronder vermelde instanties of personen verstrekken Onze Minister de gegevens en inlichtingen waarvan de kennisneming noodzakelijk is voor de uitvoering van deze wet:
a. het bestuurscollege, voor zover de gegevens en inlichtingen betrekking hebben op de uitvoering van artikel 3.2, eerste lid, onderdelen a, e en f;
b. op grond van de artikelen 5.1, eerste lid, of 184 van het Wetboek van strafvordering BES, aangewezen ambtenaren, voor zover de gegevens en inlichtingen betrekking hebben op het toezicht op de naleving van hoofdstuk 3 of opsporing van een voorschrift van hoofdstuk 3 dat als strafbaar feit is aangemerkt;
c. andere, bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen instanties die gehouden zijn gegevens aan Onze Minister te verstrekken waarvan de kennisneming noodzakelijk is voor de in het eerste lid genoemde doelen.
1. Onze Minister, het bestuurscollege en andere, bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen instanties, zijn bevoegd uit eigen beweging en verplicht desgevraagd aan Onze Minister en op grond van de artikelen 5.1, eerste lid, of 184 van het Wetboek van strafvordering BES aangewezen ambtenaren kosteloos alle gegevens en inlichtingen te verstrekken die noodzakelijk zijn voor:
a. het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet of de uitoefening van de taken, bedoeld in artikel 2.18; of
b. de opsporing van bij of krachtens deze wet strafbaar gestelde feiten.
2. Onze Minister en op grond van de artikelen 5.1, eerste lid, of 184 van het Wetboek van strafvordering BES aangewezen ambtenaren verstrekken andere instanties kosteloos alle gegevens en inlichtingen, die zijn verkregen door de uitvoering of het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet of de uitoefening van de taken, bedoeld in artikel 2.18, welke noodzakelijk zijn voor de uitvoering van hun wettelijke taak en indien dit noodzakelijk is ten behoeve van een samenwerkingsverband tussen twee of meer van de voornoemde instanties.
3. Onze Minister, het bestuurscollege, op grond van artikel 4.4, tweede lid, onderdeel c, aangewezen instanties en op grond van de artikelen 5.1, eerste lid, of 184 van het Wetboek van strafvordering BES aangewezen ambtenaren kunnen bij het verwerken van persoonsgegevens gebruik maken van een administratienummer of ID-nummer.
1. Onze Minister is bevoegd gegevens en inlichtingen te verstrekken aan het bestuurscollege, voor zover die gegevens en inlichtingen noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de hoofdstukken 2, 3 of 5.
2. Ambtenaren aangewezen op grond van de artikelen 5.1, eerste lid, of 184 van het Wetboek van strafvordering BES zijn bevoegd de gegevens en inlichtingen die zij verkrijgen van Onze Minister te verstrekken aan het bestuurscollege, indien dat noodzakelijk is voor de uitvoering van hoofdstuk 2.
Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over gegevensverstrekking als bedoeld in dit hoofdstuk, die betrekking kunnen hebben op:
a. de te verwerken gegevens;
b. de gevallen waarin in ieder geval gegevens worden verstrekt;
c. de wijze van verstrekking van de gegevens en inlichtingen;
d. het elektronische gegevensverkeer en de daarbij te gebruiken elektronische infrastructuur; en
e. de eisen die aan de gegevensverstrekking worden gesteld.
Onze Minister informeert het bestuurscollege, indien Onze Minister een houder van een kindercentrum of een gastouder een bestuurlijke maatregel oplegt die van dien aard is dat de continuïteit van de kinderopvang in het geding kan zijn.
1. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet en de uitoefening van de taken, bedoeld in artikel 2.18, zijn belast de bij besluit van Onze Minister aangewezen ambtenaren.
2. Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
1. Titel 5.2 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing, met uitzondering van de artikelen 5:18 en 5:19, met dien verstande dat voor de in artikel 5:16a van de Algemene wet bestuursrecht opgenomen verwijzing naar artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht gelezen moet worden: artikel 2 van de Wet identificatieplicht BES.
2. Voor zover een kindercentrum of een gastouderopvang in een woning is gevestigd, is een op grond van artikel 5.1, eerste lid, aangewezen ambtenaar bevoegd zonder toestemming van de bewoner in die woning binnen te treden.
1. Het bestuurscollege verstrekt op verzoek van een op grond van artikel 5.1, eerste lid, aangewezen ambtenaar een overzicht van alle houders van kindercentra en gastouders waaraan een exploitatievergunning is verleend.
2. Een op grond van artikel 5.1, eerste lid, aangewezen ambtenaar onderzoekt in redelijkheid de overeenstemming met de bij of krachtens deze wet gestelde regels bij iedere houder van een kindercentrum en gastouder die een exploitatievergunning hebben:
a. jaarlijks met betrekking tot de exploitatie; en
b. eens per drie jaar voor wat betreft de financiële administratie.
3. Naast het onderzoek kan als daar aanleiding toe is incidenteel onderzoek worden verricht naar de naleving door een houder van een kindercentrum of een gastouder van de bij of krachtens deze wet gestelde regels.
4. Indien tijdens een onderzoek tekortkomingen zijn geconstateerd kunnen nadien een of meer nadere onderzoeken worden verricht.
1. Een op grond van artikel 5.1, eerste lid, aangewezen ambtenaar legt het oordeel en bevindingen naar aanleiding van een onderzoek als bedoeld in artikel 5.3, tweede lid, vast in een inspectierapport.
2. Alvorens een rapport vast te stellen naar aanleiding van een onderzoek betreffende de naleving van hoofdstuk 2, wordt het bestuur in de gelegenheid gesteld van het ontwerp-rapport kennis te nemen en daarover overleg te voeren.
3. Indien in het overleg geen overeenstemming is bereikt over de door de houder of gastouder gewenste wijzigingen van het ontwerp-rapport, wordt de zienswijze van het bestuur in een bijlage bij het inspectierapport opgenomen.
4. De op grond van artikel 5.1, eerste lid, aangewezen ambtenaar zendt het inspectierapport na vaststelling daarvan onverwijld aan de houder of gastouder.
5. Een inspectierapport naar aanleiding van een onderzoek betreffende de naleving van hoofdstuk 2 wordt:
a. in de derde week na vaststelling daarvan openbaar gemaakt; en
b. nadat het openbaar is gemaakt op verzoek verstrekt, waarbij een vergoeding van de daaraan verbonden kosten in rekening kan worden gebracht.
1. Indien de ernst van de overtreding of de omstandigheden waaronder zij is begaan daartoe aanleiding geven, wordt zij aan het openbaar ministerie voorgelegd.
2. Indien ter zake van een overtreding aan de overtreder een bestuurlijke boete is opgelegd of Onze Minister heeft beslist dat voor de overtreding geen bestuurlijke boete zal worden opgelegd en dat schriftelijk aan de overtreder is medegedeeld, heeft dit dezelfde rechtsgevolgen als een kennisgeving van niet verdere vervolging als bedoeld in artikel 279, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering BES.
Onze Minister kan in geval van overtreding van het bepaalde bij of krachtens deze wet de overtreder een last onder dwangsom opleggen, die ertoe strekt de overtreding ongedaan te maken of verdere overtreding te voorkomen.
1. Onze Minister kan een overtreder van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.16 een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste het bedrag van de tweede categorie, bedoeld in artikel 27, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht BES.
2. Onze Minister kan een overtreder van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2.1, eerste lid, 2.3 tot en met 2.15, 2.17, 3.15 of artikel 5:20, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, in samenhang met artikel 5.2, eerste lid, een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste het bedrag van de vierde categorie, bedoeld in artikel 27, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht BES.
3. In afwijking van het tweede lid kan Onze Minister in geval van opzettelijke overtreding van het bepaalde bij of krachtens de in het tweede lid genoemde artikelen de overtreder een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste het bedrag van de vijfde categorie, bedoeld in artikel 27, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht BES.
4. Onze Minister kan een overtreder van het bepaalde bij of krachtens artikel 4.2 een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste:
a. het bedrag dat ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan kinderopvangvergoeding is ontvangen, tot ten hoogste het bedrag van de vijfde categorie, bedoeld in artikel 27, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht BES; of
b. indien de overtreding niet heeft geleid tot een bedrag dat ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan kinderopvangvergoeding is ontvangen, het bedrag van de derde categorie, bedoeld in artikel 27, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht BES.
5. Artikel 27, zevende en achtste lid, van het Wetboek van Strafrecht BES is van overeenkomstige toepassing.
1. Titel 5.1 van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing op de oplegging van een last onder dwangsom of een bestuurlijke boete als bedoeld artikel 5.6 respectievelijk artikel 5.7, met dien verstande dat voor de in artikel 5:1, derde lid, tweede volzin, van de Algemene wet bestuursrecht opgenomen verwijzing naar artikel 51, tweede en derde lid, van het Wetboek van Strafrecht gelezen moet worden: artikel 53, tweede en derde lid, van het Wetboek van Strafrecht BES.
2. Afdeling 5.3.2 en artikel 5:49, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing op een last onder dwangsom als bedoeld in artikel 5.6.
3. De artikelen 5:40 tot en met 5:52 en 5:53, tweede en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing op een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 5.7, met dien verstande dat:
a. voor de in artikel 5:46, vierde lid, van die wet opgenomen verwijzing naar artikel 1, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht gelezen moet worden: artikel 1, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht BES;
b. voor de in artikel 5:47 van die wet opgenomen verwijzing naar artikel 12i van het Wetboek van strafvordering gelezen moet worden: artikel 25 van het Wetboek van Strafvordering BES;
c. voor de in artikel 5:48 van die wet opgenomen verwijzing naar artikel 152 van het Wetboek van Strafvordering gelezen moet worden: artikel 186 van het Wetboek van Strafvordering BES.
De artikelen 4:89 tot en met 4:102, 4:104 tot en met 4:108, 4:110 tot en met 4:117, 4:119, 4:120, eerste en derde lid, en 4:121 tot en met 4:125 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing op de aanmaning en invordering van een last onder dwangsom of bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 5.6 respectievelijk artikel 5.7, met dien verstande dat moet worden gelezen voor:
a. de in artikel 4:93, derde lid, van die wet opgenomen verwijzing naar artikel 129, eerste en tweede lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek: artikel 129, eerste en tweede lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek BES;
b. de in artikel 4:98, eerste lid, van die wet opgenomen verwijzing naar de artikelen 119, eerste en tweede lid, en 120, eerste lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek: de artikelen 119, eerste en tweede lid, en 120 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek BES;
c. de in artikel 4:98, derde lid, van die wet opgenomen verwijzing naar artikel 125 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek: artikel 125 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek BES;
d. de in artikel 4:105, eerste lid, van die wet opgenomen verwijzing naar artikel 316, eerste en tweede lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek: artikel 316, eerste en tweede lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek BES;
e. de in artikel 4:110, derde lid, van die wet opgenomen verwijzing naar artikel 324 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek: artikel 324 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek BES;
f. de in de artikelen 4:116 en 4:123, eerste lid, van die wet opgenomen verwijzing naar het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering: het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES;
g. de in artikel 4:123, tweede lid, opgenomen verwijzing naar de artikelen 438 en 438a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering: de artikelen 438 en 438a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES.
1. Onze Minister kan een kindercentrum of gastouderopvang onmiddellijk geheel of gedeeltelijk sluiten gedurende een door Onze Minister te bepalen periode, indien uit een onderzoek als bedoeld in artikel 5.3 blijkt dat de houder van het kindercentrum of de gastouder niet aan de bij of krachtens de deze wet gegeven voorschriften voldoet en daardoor sprake is van een direct en ernstig gevaar voor de fysieke of sociale veiligheid of de gezondheid van personen.
2. Bij toepassing van het eerste lid informeert Onze Minister het bestuurscollege.
1. Het bestuurscollege kan de vergunning schorsen of intrekken, indien sprake is van herhaaldelijke overtreding van bij of krachtens deze wet gestelde regels, waardoor de kwaliteit van de kinderopvang of de veiligheid of de gezondheid van de kinderen of het personeel zodanig in het geding is dat geen sprake is van verantwoorde kinderopvang als bedoeld in de artikelen 2.4, eerste lid, of 2.6, eerste lid.
2. Onverminderd het eerste lid kan het bestuurscollege een vergunning voor plusopvang schorsen of intrekken, indien gedurende een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vast te stellen periode geen kinderen met een extra ondersteuningsbehoefte zijn opgevangen.
3. Onze Minister kan het bestuurscollege adviseren over schorsing of intrekking als bedoeld in het eerste of tweede lid en stuurt de betrokken houder of gastouder een afschrift van dat advies.
4. Indien het bestuurscollege het advies van Onze Minister niet opvolgt, informeert het bestuurscollege Onze Minister over dat besluit.
1. Degene die opzettelijk de artikelen 2.1, 2.3, 2.4, 2.5, 2.6, 2.8, 2.11, 2.12, 2.13, 2.17, 3.15, 4.2 of 4.3 overtreedt, wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren, een geldboete van de vierde categorie, bedoeld in artikel 27, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht BES, of met beide straffen.
2. Degene die de artikelen 2.1, 2.3, 2.4, 2.5, 2.6, 2.8, 2.11, 2.12, 2.13, 2.17, 3.15, 4.2 of 4.3 overtreedt, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste zes maanden, een geldboete van de vierde categorie, bedoeld in artikel 27, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht BES, of met beide straffen.
3. De in het eerste lid strafbaar gestelde feiten zijn misdrijven. De in het tweede lid strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen.
4. Artikel 27, zevende en achtste lid, van het Wetboek van Strafrecht BES is van overeenkomstige toepassing.
1. Onze Minister kan mandaat verlenen van de bevoegdheid tot:
a. het opleggen van een last onder dwangsom als bedoeld in artikel 5.6;
b. het opleggen van een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 5.7;
c. het opleggen van een tijdelijk verbod tot exploitatie als bedoeld in artikel 5.10.
2. Onze Minister kan machtiging verlenen tot het opstellen van een advies inzake het schorsen of intrekken van een vergunning als bedoeld in artikel 5.11, eerste of tweede lid.
1. Onze Minister voert in elk geval eenmaal per jaar overleg met de bestuurscolleges van de openbare lichamen en de op grond van artikel 5.1, eerste lid, aangewezen ambtenaren over het functioneren van het kinderopvangstelsel.
2. Alle partijen werken mee aan de totstandkoming en naleving van de afspraken.
Onze Minister kan, voor zover het belang van de veiligheid of de gezondheid van de kinderen of personeel zich daartegen niet verzet, van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2.4, vierde lid, onderdelen b, c, d, e, h, i en k, 2.6, vijfde lid, onderdeel a, 2.17, onderdelen a, b, c, d, e en g, 3.3, 3.4 en 3.11 vrijstelling of ontheffing verlenen, indien als gevolg van een calamiteit niet aan die voorschriften kan worden voldaan.
1. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voor een periode van ten hoogste vier jaar kindercentra of gastouders worden aangewezen waarbij experimenten kunnen worden uitgevoerd, die ten doel hebben:
a. de totstandkoming van innovatieve kinderopvang mogelijk te maken;
b. de kwaliteit van kinderopvang te verbeteren;
c. de kwaliteitseisen omtrent huisvesting passender te maken voor de Caribische context;
d. de doorstroom van de kinderopvang naar het basisonderwijs te versoepelen;
e. de samenwerking tussen kinderopvangorganisaties en scholen waar basisonderwijs wordt gegeven te versoepelen; of
f. de efficiëntie van het financieringsstelsel te verbeteren.
2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent:
a. de kwaliteit van de op grond van het eerste lid aan te wijzen vormen van kinderopvang;
b. het toezicht op de naleving van de regels over de kwaliteit, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a;
c. de financiering van de kinderopvang;
d. de duur van het experiment.
3. Bij de in het eerste en tweede lid bedoelde regels kan worden afgeweken van artikel 1.1, eerste lid, wat betreft de begrippen ‘kinderopvang’, ‘dagopvang’, ‘buitenschoolse opvang’, ‘flexibele opvang’ en ‘gastouderopvang’, alsmede van de bij of krachtens hoofdstuk 2 gestelde regels.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen voorwaarden worden gesteld voor de deelname aan een experiment.
5. Bij algemene maatregel van bestuur kan een experiment als bedoeld in het eerste lid na afloop van de looptijd worden voortgezet tot een structurele regeling is getroffen, maar niet langer dan twee jaren. Het eerste tot en met vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing.
6. Onze Minister zendt negen maanden voor het einde van de werkingsduur van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste lid aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van het experiment in de praktijk, alsmede een standpunt inzake de voortzetting van die maatregel anders dan als experiment.
7. De houder van een kindercentrum of de gastouder die deelneemt aan een experiment en de ouder die bij een experiment betrokken is, verstrekken desgevraagd aan Onze Minister alle voor de evaluatie van dat experiment benodigde gegevens en inlichtingen.
8. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden voorschriften gegeven over welke gegevens, bedoeld in het zevende lid, worden verstrekt en over de wijze van verstrekking van deze gegevens.
De Wet primair onderwijs BES wordt als volgt gewijzigd:
A
In artikel 1 wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van de begripsbepaling ‘schooljaar’ door een puntkomma, een begripsbepaling toegevoegd, luidende:
uitvoering van een programma, gericht op het verbeteren van de voorwaarden voor het met succes doorstromen in het basisonderwijs, dat wordt verzorgd in groep 1 en 2 van een basisschool als vervolg op de voorschoolse educatie, bedoeld in artikel 1.1 van de Wet kinderopvang Caribisch Nederland.
B
In artikel 10, achtste lid, wordt na ‘taalachterstanden’ ingevoegd: ‘, waarin ook door middel van vroegschoolse educatie wordt voorzien’.
C
Aan artikel 15, tweede lid, wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel d door een komma, een onderdeel toegevoegd, luidende:
e. het programma voor vroegschoolse educatie.
D
In titel III, wordt na afdeling 8 een afdeling ingevoegd, luidende:
Het bevoegd gezag is verplicht deel te nemen aan het overleg over de organisatie van een doorlopende ontwikkel- en leerlijn als bedoeld in artikel 2.16 van de Wet kinderopvang BES. Het bevoegd gezag werkt mee aan de totstandkoming van afspraken tijdens dit overleg en draagt zorg voor de naleving van die afspraken.
1. Exploitatievergunningen die zijn verleend op grond van de Eilandsverordening Kinderopvang Bonaire 2020, de Basis Eilandsverordening Kinderopvang St. Eustatius (AB 2019, nr. 19) of de Basis Eilandsverordening Kinderopvang (AB 2020, nr. 2) berusten na de inwerkingtreding van deze wet op artikel 2.1, eerste lid, onderdeel a.
2. De op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet aanhangige aanvragen voor een exploitatievergunning als bedoeld in het eerste lid, zijn aanhangig in de staat waarin zij zich op dat moment bevinden en worden vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet overeenkomstig het bepaalde bij en krachtens deze wet behandeld.
3. De op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet aanhangige bezwaarschriften die betrekking hebben op het nemen van een besluit als bedoeld in het eerste lid, zijn aanhangig in de staat waarin zij zich op dat moment bevinden en worden overeenkomstig de bepalingen van de verordeningen, bedoeld in het eerste lid, behandeld en beslist.
4. De op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet aanhangige zaken bij het Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba of het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba die betrekking hebben op het nemen van een besluit als bedoeld in het eerste lid, zijn aanhangig in de staat waarin zij zich op dat moment bevinden en worden overeenkomstig de bepalingen van de verordeningen, bedoeld in het eerste lid, behandeld en beslist.
5. In afwijking van artikel 2.1, tweede lid, wordt een aanvraag voor een vergunning voor plusopvang, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel b, op Bonaire niet ingediend voor 1 januari 2026.
6. Artikel 2.18, eerste lid, onderdelen d, e en g, zijn op Bonaire niet van toepassing tot en met 31 december 2025.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
De Minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen,
De Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs,
Bijlage ‘Eindrapport: Nulmeting kinderopvang Caribisch Nederland’ bij Kamerstukken II, 2018/19 31 322, nr. 397.
https://www.best4kids.nu/wettelijke-regeling/ en Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 8 mei 2020, nr. 2020-0000031778, tot vaststelling van een tijdelijke subsidieregeling voor de financiering van kinderopvang in Caribisch Nederland (Tijdelijke subsidieregeling financiering kinderopvang Caribisch Nederland), Stc. 2020, 26622.
Memorie van Toelichting, paragraaf 13.1.1. Samenwerking en consultatie tijdens uitwerking wetsvoorstel: Programma BES(t) 4 kids.
Memorie van Toelichting, paragraaf 14.1. Inwerkingtredingsdatum wetsvoorstel en ondersteuningsstructuur BES(t) 4 kids.
Memorie van Toelichting, paragraaf 11.3. Huisvestingsprogramma kinderopvang Caribisch Nederland.
Zie de toelichting bij de Tijdelijke subsidieregeling financiering kinderopvang Caribisch Nederland (Stc. 2020, 26622) dat er binnen het programma BES(t) 4 kids nog geen uitspraak is gedaan over de positie van de gastouders in het stelsel van de kinderopvang op het eiland en daarover nog een besluit zal worden genomen.
Voorgesteld artikel 2.15. Oogmerk van deze gegevensverwerking is de doorstroom van kinderen naar het basisonderwijs.
Memorie van Toelichting, paragraaf 10.5. Uitkomsten advies en consultatie ten aanzien van gegevensverwerking en gegevensoverdracht.
Zie Pro Facto, Evaluatie Wet bescherming persoonsgegevens BES, WODC 2019. Als een voorbeeld wordt de publieke ruimte van een ziekenhuis genoemd waar veel informatie werd gewisseld tussen zorgverleners en patiënten waardoor de privacy meer dan eens in het geding kwam (p.32).
Zie advies Commissie toezicht bescherming persoonsgegevens BES, d.d. 16 december 2020 betreffende Advies wetsvoorstel Kinderopvang CN en advies van de Autoriteit Persoonsgegevens, d.d. 18 februari 2021 betreffende Advies over het concept voor een wetsvoorstel houdende regels ten behoeve van de kinderopvang in Caribisch Nederland (Wet kinderopvang CN), p.2.
Memorie van Toelichting, paragraaf 10.5. Uitkomsten advies en consultatie ten aanzien van gegevensverwerking en gegevensoverdracht.
Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbsiescherming) (PbEU 2016, L 119).
Zie onder meer Kamerstukken II 2018/19, 35 263, nr. 4 bij de Tijdelijke Experimentenwet rechtspleging, Kamerstukken II 2017/18, 35 013, nr. 4 bij de Crisis-en herstelwet, Kamerstukken I 2020/21, 34 267, F bij het Besluit Experimenten Elektriciteitswet 1998 en Gaswet en Kamerstukken II 2017/18, 34 838, nr. 4 bij de Wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 in verband met mogelijk maken van experimenten met geautomatiseerde systemen in motorrijtuigen.
Bijlage ‘Eindrapport: Nulmeting kinderopvang Caribisch Nederland’ bij Kamerstukken II, 2018/19 31 322, nr. 397.
https://www.best4kids.nu/wettelijke-regeling/ en Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 8 mei 2020, nr. 2020-0000031778, tot vaststelling van een tijdelijke subsidieregeling voor de financiering van kinderopvang in Caribisch Nederland (Tijdelijke subsidieregeling financiering kinderopvang Caribisch Nederland), Stc. 2020, 26622.
Memorie van Toelichting, paragraaf 13.1.1. Samenwerking en consultatie tijdens uitwerking wetsvoorstel: Programma BES(t) 4 kids.
Memorie van Toelichting, paragraaf 14.1. Inwerkingtredingsdatum wetsvoorstel en ondersteuningsstructuur BES(t) 4 kids.
Memorie van Toelichting, paragraaf 11.3. Huisvestingsprogramma kinderopvang Caribisch Nederland.
Zie de toelichting bij de Tijdelijke subsidieregeling financiering kinderopvang Caribisch Nederland (Stc. 2020, 26622) dat er binnen het programma BES(t) 4 kids nog geen uitspraak is gedaan over de positie van de gastouders in het stelsel van de kinderopvang op het eiland en daarover nog een besluit zal worden genomen.
Voorgesteld artikel 2.15. Oogmerk van deze gegevensverwerking is de doorstroom van kinderen naar het basisonderwijs.
Memorie van Toelichting, paragraaf 10.5. Uitkomsten advies en consultatie ten aanzien van gegevensverwerking en gegevensoverdracht.
Zie Pro Facto, Evaluatie Wet bescherming persoonsgegevens BES, WODC 2019. Als een voorbeeld wordt de publieke ruimte van een ziekenhuis genoemd waar veel informatie werd gewisseld tussen zorgverleners en patiënten waardoor de privacy meer dan eens in het geding kwam (p.32).
Zie advies Commissie toezicht bescherming persoonsgegevens BES, d.d. 16 december 2020 betreffende Advies wetsvoorstel Kinderopvang CN en advies van de Autoriteit Persoonsgegevens, d.d. 18 februari 2021 betreffende Advies over het concept voor een wetsvoorstel houdende regels ten behoeve van de kinderopvang in Caribisch Nederland (Wet kinderopvang CN), p.2.
Memorie van Toelichting, paragraaf 10.5. Uitkomsten advies en consultatie ten aanzien van gegevensverwerking en gegevensoverdracht.
Zie onder meer Kamerstukken II 2018/19, 35 263, nr. 4 bij de Tijdelijke Experimentenwet rechtspleging, Kamerstukken II 2017/18, 35 013, nr. 4 bij de Crisis-en herstelwet, Kamerstukken I 2020/21, 34 267, F bij het Besluit Experimenten Elektriciteitswet 1998 en Gaswet en Kamerstukken II 2017/18, 34 838, nr. 4 bij de Wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 in verband met mogelijk maken van experimenten met geautomatiseerde systemen in motorrijtuigen.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2023-7214.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.