Advies Raad van State inzake het ontwerp Besluit wijziging vergoeding bewindvoerder schuldsanering

Nader Rapport

4 december 2023

Nr. 5052334

Directie Wetgeving en Juridische Zaken

Ministerie van Justitie en Veiligheid

Aan de Koning

Nader rapport inzake het ontwerp Besluit wijziging vergoeding bewindvoerder schuldsanering

Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw kabinet van 6 oktober 2023, nr. 2023002314, machtigde Uwe Majesteit de Afdeling advisering van de Raad van State haar advies inzake het bovenvermelde ontwerp van een algemene maatregel van bestuur rechtstreeks aan mij te doen toekomen. Dit advies, gedateerd 15 november 2023, nr. W16.23.00299/II, bied ik U hierbij aan.

De tekst van het advies treft u hieronder aan, voorzien van mijn reactie.

Bij Kabinetsmissive van 6 oktober 2023, no. 2023002314, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister voor Rechtsbescherming, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering in verband met de invoering van de Wet van 10 februari 2023 tot wijziging van de Faillissementswet ter verbetering van de doorstroom van de gemeentelijke schuldhulpverlening naar de wettelijke schuldsaneringsregeling natuurlijke personen (Stb. 2023, 87) (Besluit wijziging vergoeding bewindvoerder schuldsanering), met nota van toelichting.

Het ontwerpbesluit voorziet in een aanpassing van het Besluit wijziging vergoeding bewindvoerder schuldsanering in die zin dat het looptijdonafhankelijk bedrag (hierna: LOB) als onderdeel van de vergoeding die de bewindvoerder ontvangt wordt verhoogd. Deze verhoging is het gevolg van de inwerkingtreding per 1 juli 2023 van de wijziging van de Faillissementswet ter verbetering van de doorstroom van de gemeentelijke schuldhulpverlening naar de wettelijke schuldsaneringsregeling natuurlijke personen. Daarin is onder meer geregeld dat het standaardtraject voor een wettelijke schuldsanering wordt teruggebracht van drie jaar tot anderhalf jaar.

De Afdeling advisering van de Raad van State maakt een opmerking over de motivering van de keuze om binnen de bestaande vergoedingssystematiek slechts het LOB te verhogen. Deze keuze werkt volgens de toelichting budgettair neutraal uit ten opzichte van het oude recht in een standaardsituatie. Verschillende consultatiepartijen hebben echter aangedrongen op een gecombineerde verhoging van het LOB en het looptijdafhankelijk bedrag (hierna: LAB). Op die wijze kan namelijk beter rekening worden gehouden met onder andere de situatie waarin de rechter tot een verlenging van het wettelijk schuldsaneringstraject zou besluiten. Een nadere motivering voor de gemaakte keuze ligt daarom in de rede.

In verband met deze opmerkingen is aanpassing wenselijk van de toelichting, en zo nodig van het ontwerpbesluit.

1. Achtergrond

Op 1 juli 2023 is de Wet tot wijziging van de Faillissementswet ter verbetering van de doorstroom van de gemeentelijke schuldhulpverlening naar de wettelijke schuldsaneringsregeling natuurlijke personen (hierna: de wet) in werking getreden.1 Het oorspronkelijke wetsvoorstel dat bij de Tweede Kamer werd ingediend bevatte twee relatief beperkte versoepelingen van de schuldsaneringsregeling.2 De Tweede Kamer wenste – mede tegen de achtergrond van de wens in het coalitieakkoord om het schuldsaneringstraject te bekorten3 – bij de behandeling echter een veel ingrijpender wijziging van de schuldensaneringsregeling.

Verschillende amendementen zijn ingediend, waaronder een amendement om de standaardduur van het wettelijk schuldsaneringstraject te verkorten van drie jaar tot anderhalf jaar.4 Deze amendementen leidden ertoe dat de regering een tweede consultatieronde bij de relevante partijen in het maatschappelijk veld heeft laten uitvoeren. Daaruit kwam een gemengd beeld naar voren met daarin ook kritische kanttekeningen bij de voorgestelde amendementen. Onder meer is gewezen op de complexiteit van schuldenproblematiek waaruit de verwachting voortvloeit dat een aanzienlijke verkorting van het wettelijk schuldsaneringstraject niet per definitie een positieve bijdrage aan het oplossen van deze problematiek hoeft te betekenen.5

Uiteindelijk heeft de Tweede Kamer ingestemd met de halvering van de standaardtermijn en zijn ook andere substantiële wijzigingen doorgevoerd: het wettelijk traject kan bijvoorbeeld al zijn aanvang nemen als de schuldenaar tijdens het buitengerechtelijke traject is begonnen met aflossen. De maximale duur van het traject kan bovendien door de rechter op maximaal drie-en-een-half jaar worden vastgesteld in plaats van vijf jaar.6 De Eerste Kamer heeft het voorstel op 7 februari 2023 aangenomen.

De wet is per 1 juli 2023 in werking getreden, onder meer na het sturen van een brief aan de Tweede Kamer om toe te lichten dat een zo spoedig mogelijke inwerkingtreding gezien het fundamentele karakter van de wet enkele uitdagingen met zich bracht.7 Gedurende voornoemd traject heeft de regering afgezien van de mogelijkheid om de Afdeling om advies te vragen ten aanzien van de voorgestelde amendementen.8

2. Inhoud ontwerpbesluit

Eén van de gevolgen van de wetswijziging is dat de bewindvoerder die door de rechter wordt aangesteld in het wettelijke schuldsaneringstraject (hierna: Wsnp-bewindvoerder) zijn vaste werkzaamheden moet uitvoeren in een korter tijdsbestek. De halvering van de standaardduur betekent een toename van de intensiteit van het contact en de werkzaamheden per dossier. De vergoeding voor de Wsnp-bewindvoerder wordt met dit ontwerpbesluit aangepast, zodat het financieel doenlijk en aantrekkelijk blijft om Wsnp-bewindvoerder te zijn of te worden.9

De vergoeding van de bewindvoerder bestaat uit een vast LOB. Dit is een vaste vergoeding, ongeacht de duur van het traject. Daarnaast bestaat de vergoeding uit een maandelijks LAB. De halvering van de standaardduur van een traject is vooral van invloed op het LOB, omdat de vaste werkzaamheden aan de start- en eindfase van een Wsnp-traject niet zijn gewijzigd, maar complexer en doorlopend zijn geworden en er extra werkzaamheden bij zijn gekomen.10

Op grond hiervan en door het wegvallen van een groot deel van het LAB vanwege de verkorting van de standaardduur, is het LOB niet meer toereikend en is een verhoging gewenst. De wetgever heeft in het ontwerpbesluit het LOB zoveel verhoogd dat de vergoeding, exclusief indexatie van 1 januari 2024, voor een Wsnp-bewindvoerder bij een standaardduur van anderhalf jaar gelijk is aan de vergoeding die voorheen gold bij een schuldsaneringsregeling van drie jaar.

3. Keuze voor verhoging van alleen het LOB

De wetswijzigingen zoals onder punt 1 besproken brengen mee dat een wijziging van de financiering van de Wsnp-bewindvoerder voor de hand ligt, omdat deze zonder wijzigingen in de regel substantieel minder zou ontvangen. In reactie op het voorontwerp, dat nog uitging van een beperktere verhoging van het LOB van 40%, hebben verschillende consultatiepartijen een verhoging van het LAB naast de verhoging van het LOB voorgesteld.11

Uit de toelichting blijkt dat de regering de initieel voorgestelde verhoging bij nader inzien inderdaad te beperkt vond.12 In het ontwerpbesluit is er vervolgens voor gekozen de wijziging van de vergoeding vorm te geven door uitsluitend het LOB te verhogen. Het LAB wordt niet verhoogd, omdat volgens de toelichting de aflosperiode gedurende een eventueel buitengerechtelijk schuldsaneringstraject meetelt voor de duur van het wettelijk traject. De maanden waarin afgelost wordt voordat het wettelijk traject is gestart, tellen niet mee voor de berekening van het (maandelijkse) LAB. De vergoeding zou dan lager uitvallen.13

De Afdeling merkt op dat een nadere motivering nodig is van de keuze voor een verhoging van alléén het LOB in zodanige mate dat de totale vergoeding bij een standaardtraject ten opzichte van de oude situatie gelijk blijft. Te begrijpen valt de zojuist benoemde redenering dat bij een traject dat (nog) korter uitvalt dan de standaardduur van anderhalf jaar de bewindvoerder juist profiteert van een verhoging van alleen het LOB.

Daar staat tegenover dat de intensivering van de werkzaamheden van de bewindvoerder zich ook over een eventuele verlengde looptijd van het traject kan uitstrekken. Uit de toelichting blijkt al bijvoorbeeld dat de bewindvoerder onder het nieuwe stelsel eens in de drie maanden verslag moet uitbrengen aan de rechter-commissaris in plaats van eens in de zes maanden.14

Gezien de kritische inhoud van veel reacties op het voorstel tot verkorting van het traject, is het bovendien denkbaar dat meer trajecten problematisch zullen verlopen. De rechter kan dan ook besluiten tot een langere duur van het wettelijk traject, als de omstandigheden daartoe aanleiding geven.15 Onder deze omstandigheden kan de vraag worden gesteld of een ongewijzigd LAB ongewenste gevolgen heeft voor een passende vergoeding van de bewindvoerder.

De Afdeling adviseert in licht van het voorgaande de keuze voor een aanpassing van de vergoeding van de bewindvoerder via uitsluitend een verhoging van het LOB nader te motiveren.

Door de wijziging van de Wsnp per 1 juli 2023 is de Wsnp-bewindvoerder er in de praktijk op achteruit gegaan qua vergoeding voor zijn werkzaamheden. Deze achteruitgang houdt verband met de doorgaans kortere looptijden van trajecten, waardoor het LAB-deel van de vergoeding lager uitpakt. Dat moet worden gecorrigeerd zodat Wsnp-bewindvoerders hun werk tegen een passende vergoeding kunnen blijven voldoen en het aantrekkelijk blijft om als Wsnp-bewindvoerder actief te zijn. Vanwege de beperkte financiële middelen bij het ministerie van Justitie en Veiligheid moet dit budgetneutraal worden gerealiseerd.

Naar verwachting zal in nagenoeg alle gevallen de nieuwe systematiek van financiering zoals voorgesteld in dit Besluit eraan bijdragen dat de vergoedingen voor Wsnp-bewindvoerders er, ondanks de voornoemde wetswijziging, niet op achteruitgaan. In bepaalde gevallen zal de Wsnp-bewindvoerder er zelfs in relatieve zin op vooruitgaan qua vergoeding. De standaardduur van een Wsnp-traject is door de wetswijziging per 1 juli 2023 anderhalf jaar geworden. De verwachting is dat een verlenging van deze standaardduur een uitzondering zal zijn. Ook in deze gevallen van een langere duur van een Wsnp-traject is de voorgestelde verhoging van uitsluitend het LOB toereikend voor de werkzaamheden die een Wsnp-bewindvoerder dan vaker zou moeten verrichten vanwege de verlenging. Voor de verlengde duur krijgt de Wsnp-bewindvoerder dan maandelijks het LAB erbij. Deze variabele, looptijdafhankelijke, component wordt immers berekend over iedere maand gedurende welke de schuldsaneringsregeling van toepassing is. Op deze wijze ontvangt een Wsnp-bewindvoerder ook in een verlengd traject een passende vergoeding. Door het enkel verhogen van het LOB en niet tevens het LAB, gaat een Wsnp-bewindvoerder er in een traject van bijvoorbeeld drie-en-een-half jaar of vijf jaar, niet op achteruit ten opzichte van de oude situatie. Bij een verlengde duur tot drie jaar geldt dat de Wsnp-bewindvoerder meer vergoed krijgt dan voorheen voor een traject van drie jaar werd toegekend. Is de verlenging langer dan drie jaar, tot maximaal vijf jaar, dan is er nog steeds sprake van een passende vergoeding. Dit is in de toelichting weergegeven door middel van een tabel. Zo geldt bijvoorbeeld voor een Wsnp-traject van drie-en-een-half jaar voor een enkele particulier een totale vergoeding van € 4.815,00 in plaats van € 3.375,00 voor drie jaar vermeerderd met € 360,00 (6x LAB) voorheen. In geval van een verlenging stijgt de vergoeding namelijk mee omdat sprake is van een hoger LOB dan in de oude situatie. De werkzaamheden van een Wsnp-traject concentreren zich vooral aan de start- en eindfase van een traject. Daarnaast geldt voor het uitbrengen van het verslag door de Wsnp-bewindvoerder nog steeds de wettelijke termijn van eens in de zes maanden. In het procesreglement Wsnp-zaken is echter bepaald dat rechters-commissarissen hiervoor een termijn van drie maanden zouden moeten aanhouden gelet op de verkorting van de standaardduur. Bij een verlenging van een traject acht ik niet uitgesloten dat de frequentie van verslaglegging omlaag gaat of dat vaker kan worden aangesloten bij een eerder uitgebracht verslag. Die ruimte biedt de wet en hiervan kan de rechtspraktijk gebruik maken. In zoverre zou de Wsnp-bewindvoerder tijdens de verlenging geen substantieel extra werkzaamheden hoeven te verrichten die een hogere vergoeding van het LAB en daarmee een relatief hogere totale vergoeding ten opzichte van de standaardduur en verkorte duur van een Wsnp-traject, zouden rechtvaardigen. De komende tijd zal hiermee in de praktijk ervaring opgedaan moeten worden. De Afdeling wijst erop dat denkbaar is dat door de wetswijziging zich meer problemen in Wsnp-trajecten zouden kunnen voordoen. De ontwikkelingen naar aanleiding van de wetswijziging Wsnp worden daarom in de gaten gehouden. In de eerste helft van 2024 zullen de eerste ontwikkelingen naar aanleiding van de gewijzigde Wsnp met de praktijk worden besproken om vroegtijdig effecten van de wetswijzigingen te signaleren, zoals ook al is aangegeven in de toelichting. De vergoeding van de Wsnp-bewindvoerder wordt daarbij verder betrokken.

Naar aanleiding van de opmerkingen van de Afdeling is paragraaf 3 van de nota van toelichting aangevuld. Daar is ingegaan op de systematiek van de vergoeding van de Wsnp-bewindvoerder en het doel van de wijzigingen in het Besluit. Ten aanzien van een langere duur dan de standaardduur van een Wsnp-traject is in de toelichting aangevuld dat de rechter een termijn van een Wsnp-traject bij aanvang kan vaststellen op maximaal drie-en-een-half jaar en de rechter-commissaris de termijn tussentijds kan verlengen tot maximaal vijf jaar.

Naast dat de vergoeding van de Wsnp-bewindvoerder wordt aangepast door alleen het LOB zodanig te verhogen dat de totale vergoeding bij een standaardtraject ten opzichte van de oude situatie gelijk blijft, is aangegeven dat uitsluitend deze verhoging ook bij een verlengd traject zorgt voor een vergoeding waardoor een Wsnp-bewindvoerder zijn werk kan blijven doen. Een verhoging van het LOB zorgt in alle gevallen voor een passende vergoeding van de bewindvoerder.

De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een opmerking bij het ontwerpbesluit en adviseert daarmee rekening te houden voordat een besluit wordt genomen.

De vice-president van de Raad van State,

Th.C. de Graaf

Ik bied U hierbij het ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting aan en verzoek U overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.

De Minister voor Rechtsbescherming, F.M. Weerwind.

Advies Raad van State

No. W16.23.00299/II

’s-Gravenhage, 15 november 2023

Aan de Koning

Bij Kabinetsmissive van 6 oktober 2023, no. 2023002314, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister voor Rechtsbescherming, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering in verband met de invoering van de Wet van 10 februari 2023 tot wijziging van de Faillissementswet ter verbetering van de doorstroom van de gemeentelijke schuldhulpverlening naar de wettelijke schuldsaneringsregeling natuurlijke personen (Stb. 2023, 87) (Besluit wijziging vergoeding bewindvoerder schuldsanering), met nota van toelichting.

Het ontwerpbesluit voorziet in een aanpassing van het Besluit wijziging vergoeding bewindvoerder schuldsanering in die zin dat het looptijdonafhankelijk bedrag (hierna: LOB) als onderdeel van de vergoeding die de bewindvoerder ontvangt wordt verhoogd. Deze verhoging is het gevolg van de inwerkingtreding per 1 juli 2023 van de wijziging van de Faillissementswet ter verbetering van de doorstroom van de gemeentelijke schuldhulpverlening naar de wettelijke schuldsaneringsregeling natuurlijke personen. Daarin is onder meer geregeld dat het standaardtraject voor een wettelijke schuldsanering wordt teruggebracht van drie jaar tot anderhalf jaar.

De Afdeling advisering van de Raad van State maakt een opmerking over de motivering van de keuze om binnen de bestaande vergoedingssystematiek slechts het LOB te verhogen. Deze keuze werkt volgens de toelichting budgettair neutraal uit ten opzichte van het oude recht in een standaardsituatie. Verschillende consultatiepartijen hebben echter aangedrongen op een gecombineerde verhoging van het LOB en het looptijdafhankelijk bedrag (hierna: LAB). Op die wijze kan namelijk beter rekening worden gehouden met onder andere de situatie waarin de rechter tot een verlenging van het wettelijk schuldsaneringstraject zou besluiten. Een nadere motivering voor de gemaakte keuze ligt daarom in de rede.

In verband met deze opmerkingen is aanpassing wenselijk van de toelichting, en zo nodig van het ontwerpbesluit.

1. Achtergrond

Op 1 juli 2023 is de Wet tot wijziging van de Faillissementswet ter verbetering van de doorstroom van de gemeentelijke schuldhulpverlening naar de wettelijke schuldsaneringsregeling natuurlijke personen (hierna: de wet) in werking getreden.1 Het oorspronkelijke wetsvoorstel dat bij de Tweede Kamer werd ingediend bevatte twee relatief beperkte versoepelingen van de schuldsaneringsregeling.2 De Tweede Kamer wenste – mede tegen de achtergrond van de wens in het coalitieakkoord om het schuldsaneringstraject te bekorten3 – bij de behandeling echter een veel ingrijpender wijziging van de schuldensaneringsregeling.

Verschillende amendementen zijn ingediend, waaronder een amendement om de standaardduur van het wettelijk schuldsaneringstraject te verkorten van drie jaar tot anderhalf jaar.4 Deze amendementen leidden ertoe dat de regering een tweede consultatieronde bij de relevante partijen in het maatschappelijk veld heeft laten uitvoeren. Daaruit kwam een gemengd beeld naar voren met daarin ook kritische kanttekeningen bij de voorgestelde amendementen. Onder meer is gewezen op de complexiteit van schuldenproblematiek waaruit de verwachting voortvloeit dat een aanzienlijke verkorting van het wettelijk schuldsaneringstraject niet per definitie een positieve bijdrage aan het oplossen van deze problematiek hoeft te betekenen.5

Uiteindelijk heeft de Tweede Kamer ingestemd met de halvering van de standaardtermijn en zijn ook andere substantiële wijzigingen doorgevoerd: het wettelijk traject kan bijvoorbeeld al zijn aanvang nemen als de schuldenaar tijdens het buitengerechtelijke traject is begonnen met aflossen. De maximale duur van het traject kan bovendien door de rechter op maximaal drie-en-een-half jaar worden vastgesteld in plaats van vijf jaar.6 De Eerste Kamer heeft het voorstel op 7 februari 2023 aangenomen.

De wet is per 1 juli 2023 in werking getreden, onder meer na het sturen van een brief aan de Tweede Kamer om toe te lichten dat een zo spoedig mogelijke inwerkingtreding gezien het fundamentele karakter van de wet enkele uitdagingen met zich bracht.7 Gedurende voornoemd traject heeft de regering afgezien van de mogelijkheid om de Afdeling om advies te vragen ten aanzien van de voorgestelde amendementen.8

2. Inhoud ontwerpbesluit

Eén van de gevolgen van de wetswijziging is dat de bewindvoerder die door de rechter wordt aangesteld in het wettelijke schuldsaneringstraject (hierna: Wsnp-bewindvoerder) zijn vaste werkzaamheden moet uitvoeren in een korter tijdsbestek. De halvering van de standaardduur betekent een toename van de intensiteit van het contact en de werkzaamheden per dossier. De vergoeding voor de Wsnp-bewindvoerder wordt met dit ontwerpbesluit aangepast, zodat het financieel doenlijk en aantrekkelijk blijft om Wsnp-bewindvoerder te zijn of te worden.9

De vergoeding van de bewindvoerder bestaat uit een vast LOB. Dit is een vaste vergoeding, ongeacht de duur van het traject. Daarnaast bestaat de vergoeding uit een maandelijks LAB. De halvering van de standaardduur van een traject is vooral van invloed op het LOB, omdat de vaste werkzaamheden aan de start- en eindfase van een Wsnp-traject niet zijn gewijzigd, maar complexer en doorlopend zijn geworden en er extra werkzaamheden bij zijn gekomen.10

Op grond hiervan en door het wegvallen van een groot deel van het LAB vanwege de verkorting van de standaardduur, is het LOB niet meer toereikend en is een verhoging gewenst. De wetgever heeft in het ontwerpbesluit het LOB zoveel verhoogd dat de vergoeding, exclusief indexatie van 1 januari 2024, voor een Wsnp-bewindvoerder bij een standaardduur van anderhalf jaar gelijk is aan de vergoeding die voorheen gold bij een schuldsaneringsregeling van drie jaar.

3. Keuze voor verhoging van alleen het LOB

De wetswijzigingen zoals onder punt 1 besproken brengen mee dat een wijziging van de financiering van de Wsnp-bewindvoerder voor de hand ligt, omdat deze zonder wijzigingen in de regel substantieel minder zou ontvangen. In reactie op het voorontwerp, dat nog uitging van een beperktere verhoging van het LOB van 40%, hebben verschillende consultatiepartijen een verhoging van het LAB naast de verhoging van het LOB voorgesteld.11

Uit de toelichting blijkt dat de regering de initieel voorgestelde verhoging bij nader inzien inderdaad te beperkt vond.12 In het ontwerpbesluit is er vervolgens voor gekozen de wijziging van de vergoeding vorm te geven door uitsluitend het LOB te verhogen. Het LAB wordt niet verhoogd, omdat volgens de toelichting de aflosperiode gedurende een eventueel buitengerechtelijk schuldsaneringstraject meetelt voor de duur van het wettelijk traject. De maanden waarin afgelost wordt voordat het wettelijk traject is gestart, tellen niet mee voor de berekening van het (maandelijkse) LAB. De vergoeding zou dan lager uitvallen.13

De Afdeling merkt op dat een nadere motivering nodig is van de keuze voor een verhoging van alléén het LOB in zodanige mate dat de totale vergoeding bij een standaardtraject ten opzichte van de oude situatie gelijk blijft. Te begrijpen valt de zojuist benoemde redenering dat bij een traject dat (nog) korter uitvalt dan de standaardduur van anderhalf jaar de bewindvoerder juist profiteert van een verhoging van alleen het LOB.

Daar staat tegenover dat de intensivering van de werkzaamheden van de bewindvoerder zich ook over een eventuele verlengde looptijd van het traject kan uitstrekken. Uit de toelichting blijkt al bijvoorbeeld dat de bewindvoerder onder het nieuwe stelsel eens in de drie maanden verslag moet uitbrengen aan de rechter-commissaris in plaats van eens in de zes maanden.14

Gezien de kritische inhoud van veel reacties op het voorstel tot verkorting van het traject, is het bovendien denkbaar dat meer trajecten problematisch zullen verlopen. De rechter kan dan ook besluiten tot een langere duur van het wettelijk traject, als de omstandigheden daartoe aanleiding geven.15 Onder deze omstandigheden kan de vraag worden gesteld of een ongewijzigd LAB ongewenste gevolgen heeft voor een passende vergoeding van de bewindvoerder.

De Afdeling adviseert in licht van het voorgaande de keuze voor een aanpassing van de vergoeding van de bewindvoerder via uitsluitend een verhoging van het LOB nader te motiveren.

De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een opmerking bij het ontwerpbesluit en adviseert daarmee rekening te houden voordat een besluit wordt genomen.

De vice-president van de Raad van State, Th.C. de Graaf.

Tekst zoals toegezonden aan de Raad van State: Besluit tot wijziging van het Besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering in verband met de invoering van de Wet van 10 februari 2023 tot wijziging van de Faillissementswet ter verbetering van de doorstroom van de gemeentelijke schuldhulpverlening naar de wettelijke schuldsaneringsregeling natuurlijke personen (Stb. 2023, 87) (Besluit wijziging vergoeding bewindvoerder schuldsanering)

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister voor Rechtsbescherming van 2 oktober 2023, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 4943181;

Gelet op artikel 320, zesde lid, van de Faillissementswet en artikel 3 en 4 van de Kaderwet overige JenV-subsidies;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van ...... (datum en nummer));

Gezien het nader rapport van Onze Minister voor Rechtsbescherming van (datum nader rapport), directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. (kenmerk nader rapport);

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering wordt als volgt gewijzigd:

A

In het opschrift wordt ‘artikel 48d, eerste lid van de Wet Justitie-subsidies’ vervangen door ‘artikel 3 en 4 van de Kaderwet overige JenV-subsidies’.

B

Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid, onderdeel a, wordt ‘€ 1.215’ vervangen door ‘€ 2.295’.

2. In het tweede lid, onderdeel b, wordt ‘€ 2.692’ vervangen door ‘€ 3.772’.

3. In het tweede lid, onderdeel c, wordt ‘€ 1.457’ vervangen door ‘€ 2.762’.

4. In het tweede lid, onderdeel d, wordt ‘€ 3.229’ vervangen door ‘€ 4.534’.

5. In het tweede lid, onderdeel c, vervalt ‘algehele’.

6. In het tweede lid, onderdeel d, vervalt ‘algehele’.

7. In het vierde lid vervalt ‘algehele’.

C

In artikel 6 wordt voor de punt aan het slot ingevoegd ‘tenzij de bewindvoerder aangeeft dat hij geen voorschot wil ontvangen’.

ARTIKEL II

Op schuldsaneringsregelingen die zijn gestart vóór 1 juli 2023, alsmede op de uitvoering daarvan, blijft het vóór het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit geldende recht van toepassing.

ARTIKEL III

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2024 en werkt terug tot en met 1 juli 2023.

ARTIKEL IV

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit wijziging vergoeding bewindvoerder schuldsanering.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

De Minister voor Rechtsbescherming,

NOTA VAN TOELICHTING

I. Algemeen

1. Aanleiding

Met dit besluit wordt het Besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering (hierna: Besluit) aangepast. Op 1 juli 2023 is de Wet tot wijziging van de Faillissementswet (Fw) ter verbetering van de doorstroom van de gemeentelijke schuldhulpverlening naar de wettelijke schuldsaneringsregeling natuurlijke personen (Wsnp) in werking getreden (Stb. 2023, 87 en 175). Door deze wetswijziging is onder meer de standaardduur van een Wsnp-traject verkort van drie jaar naar anderhalf jaar én kan deze standaardduur al gaan gelden als de schuldenaar tijdens het buitengerechtelijke traject is begonnen met aflossen. De wetswijziging heeft gevolgen voor de werkzaamheden van de Wsnp-bewindvoerder. Hij moet zijn vaste werkzaamheden uitvoeren in een korter tijdsbestek. Hierdoor neemt de intensiteit van contact en werkzaamheden per dossier toe. Daarnaast zijn de werkzaamheden sinds de invoering van het Besluit in 2013 complexer geworden en zijn er nieuwe werkzaamheden bij gekomen. Het is van belang dat Wsnp-bewindvoerders een passende vergoeding krijgen zodat zij hun werkzaamheden kunnen blijven verrichten. Het niet aanpassen van de huidige vergoeding voor de Wsnp-bewindvoerder zou tot gevolg hebben dat het financieel ongunstiger wordt om Wsnp-bewindvoerder te blijven of te worden. Dit kan betekenen dat er minder Wsnp-bewindvoerders beschikbaar zijn en er uiteindelijk minder schuldenaren kunnen worden geholpen in een Wsnp-traject. Dat is met het oog op het doel van de wetswijziging en de belangrijke taak die de Wsnp-bewindvoerders uitvoeren onwenselijk. Dit besluit heeft daarom tot doel om de vergoeding voor Wsnp-bewindvoerders te laten aansluiten bij de wetswijzigingen van de Wsnp. Door het aanpassen van het looptijdonafhankelijke deel van de vergoeding in artikel 2 van het Besluit wordt deze aansluiting gerealiseerd.

2. Huidige situatie

Een natuurlijke persoon kan, indien redelijkerwijs is te voorzien dat hij niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden of indien hij in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, de rechtbank verzoeken de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken (art. 284 Fw). Met de schuldsaneringsregeling wordt beoogd om natuurlijke personen een kans te bieden om van hun schulden af te komen. De Wsnp-bewindvoerder houdt tijdens de schuldsaneringsregeling toezicht op de schuldenaar en beheert en vereffent de boedel. Daarvoor krijgt de bewindvoerder een vergoeding (art. 320 Fw). In het huidige systeem krijgen bewindvoerders in zaken uit de Wsnp voor hun werkzaamheden een vergoeding op basis van het Besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering van 16 juli 2013 (Stb. 2013, 308). Deze vergoeding is sindsdien jaarlijks geïndexeerd (art. 2, vijfde lid, van het Besluit) en beoogt dekkend te zijn voor alle werkzaamheden die een Wsnp-bewindvoerder tijdens de schuldsaneringsregeling heeft verricht en wordt volledig (bij voorrang) uit de boedel voldaan, voor zover de hoogte van de boedel dit toelaat. De rechtbank controleert de berekende vergoeding en stelt het salaris vast. Het salaris kan niet hoger zijn dan het boedelactief. In het geval de vergoeding het boedelactief overschrijdt, wordt het salaris dus op het aanwezige boedelactief vastgesteld en krijgt de Wsnp-bewindvoerder een subsidie voor het verschil tussen de vergoeding en het salaris. De subsidie wordt vooraf uitgekeerd door middel van een voorschot. De definitieve vergoeding wordt bij het verlenen van de schone lei aan de Wsnp-bewindvoerder uitgekeerd en zo nodig verrekend met het voorschot.

Het Besluit geeft vorm aan een vergoedingsstructuur voor Wsnp-bewindvoerders. Uitgangspunt is dat de vergoeding per zaak uit twee componenten bestaat: een vast, looptijdonafhankelijk bedrag (LOB) en een maandelijks, looptijdafhankelijk bedrag (LAB). De variabele, looptijdafhankelijke, component, het LAB, wordt berekend over iedere maand gedurende welke de schuldsaneringsregeling van toepassing is. De vaste component, het LOB, is onafhankelijk van de looptijd van de schuldsaneringsregeling en gekoppeld aan het karakter van de desbetreffende schuldsaneringsregeling. Hierbij worden in artikel 2, tweede lid, van het Besluit vier zaaksoorten onderscheiden: enkele particulier, dubbele particulier, enkele ondernemer en dubbele ondernemer waarvoor vaste bedragen gelden. Ten eerste wordt onderscheid gemaakt tussen schuldsaneringsregelingen van een particulier en een ondernemer waarin het schuldenpakket een beroeps- of bedrijfsmatig karakter heeft. In geval van een schuldsaneringsregeling van een ondernemer wordt onder meer gekeken of minstens circa 20% van het schuldbedrag waarvoor de schuldsanering wordt verzocht, is te herleiden tot bedrijfs- of beroepsmatig handelen. Een zaak met een dergelijk karakter zal doorgaans ingewikkelder zijn dan een particuliere zaak en meer inspanning van de Wsnp-bewindvoerder vergen, waardoor een hogere vergoeding gerechtvaardigd is. Ten tweede wordt onderscheid gemaakt tussen het geval dat de schuldsaneringsregeling van toepassing is op een enkele schuldenaar en zijn boedel en het geval dat er sprake is van een schuldenaar en een gemeenschappelijke boedel met een andere schuldenaar, ten aanzien van wie ook de toepassing van de schuldsaneringsregeling is uitgesproken. In dat laatste geval zal het merendeel van de vorderingen zich uitstrekken over de gemeenschappelijke boedel van de schuldenaren. Omdat de werkzaamheden van de Wsnp-bewindvoerder voor elk van beide schuldenaren elkaar zullen overlappen, geldt een lager vast bedrag per schuldsaneringsregeling. Het LOB is een vaste vergoeding voor vaste werkzaamheden aan de start- en eindfase van een Wsnp-dossier. Veel van deze werkzaamheden zijn doorlopend. Hierbij moet gedacht worden aan doorlopende werkzaamheden zoals het contact onderhouden met derden, huisbezoeken en verslaglegging aan de rechtbank. De Wsnp-bewindvoerder voert deze werkzaamheden áltijd uit, ongeacht hoe lang of kort de looptijd van een Wsnp-traject is.

3. De veranderingen als gevolg van dit besluit

Per 1 juli 2023 gelden de volgende wijzigingen in de Wsnp die gevolgen hebben voor de vergoeding van een Wsnp-bewindvoerder:

  • De standaardduur van een Wsnp-traject gaat van drie naar anderhalf jaar en deze termijn kan door de rechter op maximaal drie-en-een-half jaar worden vastgesteld in plaats van vijf jaar (art. 349a, eerste lid, Fw).

  • Daarnaast kan de duur van een Wsnp-traject niet alleen aanvangen op de dag van de uitspraak tot de toepassing van de schuldsaneringsregeling, maar ook op: ‘de dag waarop de eerste aflossing is gedaan in het kader van de buitengerechtelijke schuldregeling als bedoeld in artikel 285, eerst lid, onder f, indien die dag eerder is gelegen.’ (art. 349a, eerste lid, Fw). Dit betekent dat de standaardduur van anderhalf jaar kan gaan gelden als een schuldenaar tijdens het buitengerechtelijke traject al is begonnen met aflossen, waardoor de periode dat een schuldenaar in de Wsnp zit korter wordt dan 18 maanden. Bij het laten meetellen van de aflosperiode in het buitengerechtelijke traject voor de duur van een Wsnp-traject zal de rechter naar verwachting gaan toetsen of in het buitengerechtelijke traject volledig is voldaan aan de Wsnp-verplichtingen en beoordelen of op grond daarvan de duur van het buitengerechtelijke traject (gedeeltelijk) kan meetellen in het Wsnp-traject.1

Ten gevolge van deze twee wijzigingen moet een Wsnp-bewindvoerder in de eerste plaats zijn vaste werkzaamheden die voortvloeien uit titel III van de Fw uitvoeren in een korter tijdsbestek. Aan de vaste werkzaamheden is geen specifiek aantal uur en uurloon gekoppeld, maar kan worden gesproken van een vaste vergoeding (het LOB) voor het totaal van de werkzaamheden. Deze werkzaamheden zijn in beginsel in elk traject gelijk en moeten vooral worden verricht in de eerste en laatste 6 maanden, de opstart respectievelijk afwikkeling van een Wsnp-traject. Feitelijk is de tussenperiode tussen opstart en afwikkeling per 1 juli 2023 ingekort van 24 naar 6 maanden. Hierdoor neemt de intensiteit van contact en werkzaamheden per dossier toe. De halvering van de standaardduur betekent echter niet een halvering van de totale kosten van een Wsnp-traject. De afwikkeling van een schuldsaneringsregeling is bewerkelijk en de Wsnp-bewindvoerder krijgt daar korter de tijd voor.

Daarnaast zijn er per 1 juli 2023 door de wetswijzigingen van de Wsnp en de verkorting van de aflosperiode in een buitengerechtelijk traject van eveneens 36 maanden naar 18 maanden extra werkzaamheden bijgekomen voor een Wsnp-bewindvoerder en moet hij ook deze werkzaamheden in een kort tijdsbestek verrichten. Een Wsnp-bewindvoerder zal advies moeten uitbrengen aan de rechtbank over de eerdere ingangsdatum als er al is afgelost in het buitengerechtelijke traject en moeten controleren wat er in het minnelijke traject is gedaan. De werkzaamheden zijn bijvoorbeeld uitgebreid met het verifiëren en controleren van de buitengerechtelijke schuldregeling op de voorwaarden van de Wsnp: het hebben van een voltijdsbaan of anders voldoen aan de sollicitatieplicht, informatieplicht, inspanningsplicht, geen nieuwe schulden maken en al het ontvangen geld boven het vrij te laten bedrag (VTLB) aan de boedel afdragen. Dit betreft dus niet alleen het controleren van de aflossingen die tijdens het minnelijke traject zijn gedaan op grond van een schuldregeling. Het gaat ook om het nagaan van de sollicitatieplicht bij het UWV, de belastingen controleren bij de SVB, het controleren van de berekening van het VTLB, etc. De Wsnp-bewindvoerder dient na deze controle een advies te schrijven aan de rechter-commissaris met al dan niet de aanbeveling tot het mee laten tellen van de aflosperiode in het minnelijke traject in de standaardduur van anderhalf jaar van het Wsnp-traject. Ook deze werkzaamheden zal een Wsnp-bewindvoerder standaard moeten verrichten zodat de rechter-commissaris kan beoordelen en beslissen hoe lang een Wsnp-traject nog gaat duren. Juist doordat de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs) gemeenten veel speelruimte biedt binnen het minnelijke schuldhulpverleningstraject, moet een Wsnp-bewindvoerder goed kijken hoe het aangeleverde dossier er uitziet en dit controleren op onjuistheden. Dossiers worden soms incompleet aangeleverd door schuldhulpverleners. Ook verschilt de uitvoering van de Wgs per gemeente en daarmee ook de manier waarop en met welke inhoud dossiers worden aangeleverd bij de rechtbank. Daarnaast is het vanwege de standaard kortere looptijd van belang dat de rechter-commissaris tijdig op de hoogte wordt gebracht van de ontwikkelingen in een Wsnp-traject. Dit zal betekenen dat de Wsnp-bewindvoerder frequenter verslag moet uitbrengen. Ook hebben schuldeisers aangegeven dat ze op de hoogte willen worden gehouden van hun maandbedrag omdat de standaardduur van een Wsnp-traject korter is geworden. Dit zal voor de Wsnp-bewindvoerder ook arbeidsintensiever worden omdat hij in een korter tijdsbestek schuldeisers moet informeren.

Het LOB is een vast bedrag dat de Wsnp-bewindvoerder altijd ontvangt, ongeacht de duur van een Wsnp-traject. De halvering van de standaardduur van een Wsnp-traject is vooral van invloed op het LOB omdat de vaste werkzaamheden aan de start- en eindfase van een Wsnp-traject niet zijn gewijzigd maar complexer en doorlopend zijn geworden en er extra werkzaamheden bij zijn gekomen. Op grond hiervan en door het wegvallen van een groot deel van de looptijdafhankelijke vergoeding (het LAB) vanwege de verkorting van de standaardduur, is het LOB niet meer toereikend en is een verhoging gewenst. Door een verhoging van het LOB sluit de vergoeding beter aan bij de substantiële verzwaring van de werkzaamheden van de Wsnp-bewindvoerder in een Wsnp-traject dat in beginsel anderhalf jaar beslaat. Indien de aflosperiode in het buitengerechtelijke traject meetelt en de standaardduur van anderhalf jaar al gaat gelden als een schuldenaar tijdens het buitengerechtelijke traject al is begonnen met aflossen, betekent dat dat de periode dat een schuldenaar in de Wsnp zit korter wordt dan 18 maanden. De Wsnp-bewindvoerder heeft in zo’n geval nog minder tijd voor zijn werkzaamheden. Er bestaat dan geen recht op het LAB voor de maanden die de rechter in mindering brengt. Een verhoging van het LAB zou in dat soort gevallen weinig invloed hebben op de totale vergoeding. Een verhoging van het LOB als vergoeding voor de vaste werkzaamheden, zorgt ook in voornoemde gevallen voor een passende vergoeding.

Sinds de invoering van het Besluit in 2013 heeft geen tijdschrijfonderzoek plaatsgevonden, waardoor niet kan worden vastgesteld hoeveel tijd voor een bepaalde taak wordt gerekend. Wel is het beeld dat de werkzaamheden omvangrijker en complexer zijn geworden en dat er werkzaamheden bij zijn gekomen. Een voorbeeld van een werkzaamheid die complexer is geworden is de VTLB-berekening. Verder heeft een Wsnp-bewindvoerder intensiever contact met de schuldenaar en de rechtbank en wordt op sociaal-maatschappelijk vlak ook meer van de Wsnp-bewindvoerder verwacht. Naast meer tijd vraagt een Wsnp-traject dus ook om grotere inhoudelijke competentie van de Wsnp-bewindvoerder. Daartegenover staat dat de frequentie van sommige werkzaamheden minder is geworden omdat het traject is gehalveerd. Uit de consultatiereacties op een voorontwerp van dit wijzigingsbesluit bleek dat een voorgestelde verhoging van 40% van het LOB niet in juiste verhouding stond tot de werkzaamheden die nu in de helft van de tijd moeten worden verricht en de extra werkzaamheden die gelden voor de Wsnp-trajecten die vanaf 1 juli 2023 zijn gestart. Naar aanleiding van de consultatiereacties is het LOB zoveel verhoogd dat de vergoeding, exclusief indexatie van 1 januari 2024, voor een Wsnp-bewindvoerder bij een standaardduur van anderhalf jaar gelijk is aan de vergoeding die voorheen gold bij een schuldsaneringsregeling van drie jaar. Elke variant van het LOB is verhoogd met een vast bedrag. Door het LOB zo te verhogen in artikel 2, tweede lid, van het Besluit, sluit de vergoeding aan bij de huidige vaste werkzaamheden en de gevolgen van de wetswijziging. De verhoging, exclusief indexatie van 1 januari, 2024, van het LOB komt neer op:

  • voor particulieren - enkele zaak gaat het van € 1.215 naar € 2.295;

  • voor particulieren - dubbele zaak gaat het van € 1.457 naar € 2.762;

  • voor (ex-) ondernemers - enkele zaak gaat het van € 2.692 naar € 3.772;

  • voor (ex-) ondernemers - dubbele zaak gaat het van € 3.229 naar € 4.534.

Bovenstaande bedragen gaan op grond van dit besluit gelden van 1 juli 2023 tot 1 januari 2024. De wettelijke (jaarlijkse) indexering per 1 januari 2024 (artikel 2, vijfde lid, van het Besluit) wordt als aparte ministeriële regeling bekend gemaakt en geldt vanaf 1 januari 2024.

Deze tabel dient voor de inzichtelijkheid en verduidelijking van de eerder genoemde berekening van de vergoeding:

Particulier enkel (Art. 2 lid 2 sub a)

 

LOB

LAB

Totale vergoeding

Oude vergoeding

(voor de wetswijziging)

€ 1.215,00

€ 2.160,00

€ 3.375,00

Nieuwe vergoeding

(na de wetswijziging)

€ 2.295,00

€ 1.080,00

€ 3.375,00

Ondernemer enkel (Art. 2 lid 2 sub b)

 

LOB

LAB

Totale vergoeding

Oude vergoeding

(voor de wetswijziging)

€ 2.692,00

€ 2.160,00

€ 4.852,00

Nieuwe vergoeding

(na de wetswijziging)

€ 3.772,00

€ 1.080,00

€ 4.852,00

Particulier dubbel (Art. 2 lid 2 sub c)

 

LOB

LAB

Totale vergoeding

Oude vergoeding

(voor de wetswijziging)

€ 1.457,00

€ 2.610,00

€ 4.067,00

Nieuwe vergoeding

(na de wetswijziging)

€ 2.762,00

€ 1.305,00

€ 4.067,00

Ondernemer dubbel (Art. 2 lid 2 sub d)

 

LOB

LAB

Totale vergoeding

Oude vergoeding

(voor de wetswijziging)

€ 3.229,00

€ 2.610,00

€ 5.839,00

Nieuwe vergoeding

(na de wetswijziging)

€ 4.534,00

€ 1.305,00

€ 5.839,00

De wijziging van de vergoeding door middel van een verhoging van het LOB is een uiterste maatregel die financieel gezien op dit moment kan worden getroffen om de vergoeding van Wsnp-bewindvoerders in lijn te brengen met de recente wetswijzigingen. De wijzigingen van de Wsnp zullen worden geëvalueerd. Er zal een expertbijeenkomst worden gehouden om vroegtijdig effecten van de wetswijzigingen te signaleren en waar mogelijk knelpunten te identificeren en waar mogelijk aan te pakken. De vergoeding van de Wsnp-bewindvoerder wordt daarbij betrokken.

4. Overgangsrecht

Dit besluit wijzigt het Besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering. Er wordt uitgegaan van een wijziging van de vergoeding voor de Wsnp-bewindvoerder voor de Wsnp-trajecten die op 1 juli 2023 en daarna zijn gestart. Dat betekent dat voor schuldsaneringsregelingen waarvan de toepassing is aangevangen vanaf 1 juli 2023 Wsnp-bewindvoerders overeenkomstig het nieuwe looptijdonafhankelijke bedrag een vergoeding zullen ontvangen. Uit de consultatiereacties bleek echter dat dit voor veel respondenten niet duidelijk bleek uit het voorontwerp. Daarom is er na de consultatie een overgangsbepaling aan het besluit toegevoegd. Aangezien de wijzigingen in de Wsnp al in werking zijn getreden is daarnaast inwerkingtreding met terugwerkende kracht noodzakelijk. Naar aanleiding daarvan is de inwerkingtredingsbepaling aangepast. Er is voor gekozen om alleen de Wsnp-trajecten waarop de wetswijzigingen van 1 juli 2023 van toepassing zijn eronder te laten vallen omdat alleen in die zaken de nieuwe Wsnp-duur van toepassing is en met dit wijzigingsbesluit wordt beoogd de vergoedingen passend te maken op de gewijzigde Wsnp.

5. Regeldruk

Uit dit besluit vloeien geen administratieve lasten voor de burger of het bedrijfsleven voort. Het brengt alleen wijzigingen aan in de regeling van de vergoedingen van Wsnp-bewindvoerders. Het ontwerpbesluit is voor advies voorgelegd aan het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR). Het ATR heeft het dossier niet geselecteerd voor een formeel advies, omdat het geen gevolgen voor de regeldruk heeft.

6. Financiële gevolgen

De vergoedingen voor de Wsnp-bewindvoerder vloeien in beginsel voort uit de boedel van de schuldenaar. Indien deze niet toereikend is, zal deze worden aangevuld met een subsidie. Het Bureau Wsnp van de raad voor rechtsbijstand (Bureau Wsnp) heeft aangegeven dat door een hoger LOB en een kortere looptijd van een Wsnp-traject, een schuldenaar meer moet kunnen afdragen, wil de volledige vergoeding voor de Wsnp-bewindvoerder uit de boedel voldaan kunnen worden. Zij verwachten daarom méér en hogere subsidieverzoeken. Het ministerie van Justitie en Veiligheid heeft de verwachte hoogte voor subsidies niet kunnen kwantificeren. Binnen de middelen voor de Wsnp op de begroting van het ministerie van Justitie en Veiligheid is er naar verwachting momenteel voldoende ruimte om hiervoor in dekking te voorzien. Indien het begrote Wsnp budget onvoldoende blijkt, past het ministerie van Justitie en Veiligheid dit binnen de eigen begroting in.

Naar verwachting heeft dit besluit geen consequenties voor de werklast van de rechterlijke macht.

7. Uitvoering en handhaving

Het Bureau Wsnp is de uitvoerings- en handhavingsinstantie van het Besluit. Het Bureau Wsnp heeft aangegeven de voorgestelde wijzigingen en de werking met terugwerkende kracht ervan tot 1 juli 2023 uit te kunnen voeren.

8. Consultatie en advisering

Over het ontwerpbesluit is openbaar geconsulteerd van 4 juli 2023 tot en met 1 augustus 2023. Er is gekozen voor een korte reactietermijn op de internetconsultatie omdat het streven is om de wijziging van de vergoeding bewindvoerder schuldsanering zo snel mogelijk in werking te laten treden. De wijzigingen in de Wsnp zijn immers al per 1 juli 2023 in werking getreden. Er zijn 19 openbare reacties ontvangen op de consultatie.2 Er is gereageerd door verschillende particulieren en Wsnp-bewindvoerders, de Beroepsvereniging Bewindvoerders Wsnp (BBW) en de Vereniging voor schuldhulpverlening en sociaal bankieren (NVVK). Buiten de internetconsultatie zijn reacties ontvangen van het Bureau Wsnp en gezamenlijk de Raad voor de rechtspraak (Rvdr) en het landelijk overlegorgaan van rechters-commissaris in procedures betreffende faillissementen en surseances van betaling (Recofa).

Het belang van een verhoging van de vergoeding voor Wsnp-bewindvoerders om bewindvoerders te behouden wordt door alle respondenten onderschreven. De Rvdr wijst daarbij op het belang om kwalitatief goede Wsnp-bewindvoerders te kunnen benoemen die voor hun werkzaamheden een beloning krijgen die in verhouding staat tot het door hen te verrichten werk. Ook zijn er respondenten, onder andere de BBW en de NVVK, die vinden dat de voorgestelde verhoging van het LOB met 40% niet genoeg is om dit doel te bereiken. De NVVK benadrukt dat behoudt van Wsnp-bewindvoerders ook in het belang is bij de ondersteuning van de buitengerechtelijke (minnelijke) schuldhulpverlening. Aan de hand van de volgende thema’s wordt ingegaan op de meest in het oog springende reacties:

  • I. Nadere onderbouwing verhoging van het LOB

  • II. Aanpassen artikel 6 Besluit

  • III. Overgangsrecht en beoogde inwerkingtredingsdatum

I. Nadere onderbouwing verhoging van het LOB

Ten aanzien van het voorstel tot verhoging van het LOB met 40% is er onder andere door de Rvdr en de BBW ingebracht dat deze verhoging meebrengt dat de totale vergoeding voor Wsnp-bewindvoerders lager wordt dan die nu is. Door meerdere respondenten is gewezen op de negatieve effecten van de halvering van de standaardduur van een Wsnp-traject. Naar voren is gebracht dat het salaris voor de werkzaamheden van een Wsnp-bewindvoerder hierdoor lager wordt terwijl de kosten hetzelfde blijven dan wel verhogen. De Rvdr acht de huidige beloning, op basis van de standaardduur van voor de wetswijziging, passend maar niet royaal en vindt verdere verlaging daarom niet wenselijk. Een respondent geeft aan dat een nadere onderbouwing ontbreekt waarom bij halvering van de standaardduur van een Wsnp-traject het LOB met 40% omhoog zou moeten. De BBW stelt vast dat met alleen het verhogen van het LOB en gelijk blijven van het LAB het een inkomensdaling betreft van 18% waardoor de Wsnp-praktijk onder druk komt te staan. Zij acht het daarom passend om naast de verhoging van het LOB met 40% tevens het LAB met 50% te verhogen en zij stelt dat daarvoor dezelfde argumenten gelden waarmee de verhoging van het LOB is onderbouwd. Ook door andere respondenten, onder meer het Bureau Wsnp en de NVVK, is aangegeven dat ook het LAB zou moeten worden verhoogd met 10, 40, 50, 55 dan wel 60%, waarbij ook is gewezen op de ontwikkelingen in de afgelopen jaren. Een respondent wijst erop dat de Wsnp ondanks de lagere aantallen nog steeds de meest succesvolle vorm van schuldsanering is.3 Echter is de beloning voor de Wsnp-bewindvoerder al jaren niet mee-ontwikkeld met de markt: sterk dalende instroom in de Wsnp en een toenemende complexiteit aan werkzaamheden voor de Wsnp-bewindvoerder. Binnen het Recofa is afgesproken dat het aan de rechtbank is te onderzoeken of de schuldenaar in aanmerking komt voor een eerdere ingangsdatum. De advieswerkzaamheden die hiervoor noodzakelijk zijn, krijgt de Wsnp-bewindvoerder niet expliciet vergoed, aldus de Rvdr. Verder merken zowel de Rvdr als het Bureau Wsnp op dat vanwege de kortere looptijd het van belang is dat de rechter-commissaris frequenter op de hoogte wordt gehouden van de ontwikkelingen in een Wsnp-traject. Binnen het Recofa is afgesproken dat de Wsnp-bewindvoerder elke drie maanden in plaats van elke zes maanden een verslag moet indienen. Ook dat leidt tot een werkverzwaring voor de Wsnp-bewindvoerder en is noodzakelijk vanwege de kortere looptijd van een Wsnp-traject, aldus de Rvdr. Tot slot geven zowel de Rvdr, het Bureau Wsnp als de NVVK aan dat de percentuele verhoging van 40% van het LOB onevenredig hoog uitvalt voor de categorie ondernemers.

In reactie op deze opmerkingen wordt het volgende opgemerkt. Er is inderdaad sprake van een verlaging van de vergoeding van Wsnp-bewindvoerders door de Wsnp wijzigingen gecombineerd met de in het ontwerpbesluit beoogde 40% verhoging van het LOB. De voorgestelde verhoging van 40% van het LOB stond niet in juiste verhouding tot de werkzaamheden die nu in de helft van de tijd moeten worden verricht en de extra werkzaamheden die vanaf 1 juli 2023 gelden. De meest tijdrovende werkzaamheden, waaronder de aanvangswerkzaamheden, de beoordeling van de crediteuren en de afwikkeling van het dossier, moeten in een korter tijdsbestek plaatsvinden terwijl de werkbelasting vanwege de complexiteit van de werkzaamheden in de afgelopen jaren steeds is toegenomen. Omdat veel respondenten vrezen dat de Wsnp-praktijk onder druk komt te staan als de vergoeding niet gelijk blijft aan die gold bij een standaardduur van drie jaar, is ervoor gekozen om het LOB niet met 40% te verhogen maar zoveel meer te verhogen dat de vergoeding bij een standaardduur van anderhalf jaar gelijk is aan die van voorheen drie jaar. Elke variant van het LOB is verhoogd met een vast bedrag. Op deze manier blijft de vergoeding voor een Wsnp-bewindvoerder passend. Er is niet voor gekozen om ook het LAB te verhogen omdat van de standaardduur van een Wsnp-traject van anderhalf jaar de aflosperiode van de buitengerechtelijke schuldregeling kan worden afgetrokken en dan zou de vergoeding niet meer passend zijn omdat het LAB per maand wordt vergoed. Door het LOB te verhogen in plaats van een verhoging van het LAB, ontvangt de Wsnp-bewindvoerder ook bij een verkorting van de duur een hogere vergoeding. In paragraaf 3 van deze nota is een gewijzigde en uitvoerigere onderbouwing opgenomen waarom het LOB wordt verhoogd. Deze verhoging komt tegemoet aan de recente wetswijzigingen van de Wsnp die extra werkzaamheden voor Wsnp-bewindvoerders met zich meebrengen, zoals: meer verslagen en een schuldenaar eerder stabiel genoeg maken zodat hij maximaal af kan dragen aan de boedel.

II. Aanpassen artikel 6 Besluit

Voorts heeft de Rvdr opgemerkt dat er voor het voorontwerp ook is gesproken over de optie om een deel van de beloning van de Wsnp-bewindvoerder op basis van subsidie te vergoeden, als tegemoetkoming aan de schuldeisers. Dit is niet teruggekomen in het besluit omdat een verhoging van de subsidie door meer en hogere subsidieverzoeken al een bijkomstigheid is van de halvering van de standaardduur van een Wsnp-traject zoals hiervoor is uiteengezet in paragraaf 6 over de financiële gevolgen. Zoals in paragraaf 3 beschreven, zullen de wijzigingen van de Wsnp worden geëvalueerd en zal een expertbijeenkomst worden gehouden. Hierbij wordt ook gekeken naar de vergoeding van de Wsnp-bewindvoerder. Het punt over de wenselijkheid en mogelijkheid van het invoeren van een dergelijke subsidieverstrekking kan hierbij worden meegenomen. Wel overgenomen is de wens van het Bureau Wsnp om artikel 6 van het Besluit aan te passen. Dat artikel bepaalt dat Wsnp-bewindvoerders in iedere zaak een voorschot krijgen op de bewindvoerderssubsidie. Het imperatieve karakter van dit artikel sluit echter niet goed aan op de praktijk. Veel Wsnp-bewindvoerders hebben te kennen gegeven geen behoefte te hebben aan deze voorfinanciering, mede vanwege de administratieve lasten en mogelijke problemen bij de overdracht van zaken aan een opvolgend Wsnp-bewindvoerder. Het is al vaste praktijk dat het Bureau Wsnp aan elke Wsnp-bewindvoerder het voorschot op de bewindvoerderssubsidie verstrekt, tenzij de Wsnp-bewindvoerder een voorschot niet op prijs stelt en aangeeft hier geen gebruik van te willen maken. Deze praktijk wordt met dit wijzigingsbesluit gecodificeerd in artikel 6 van het Besluit.

III. Overgangsrecht en beoogde inwerkingtredingsdatum

Het Bureau Wsnp heeft aandachtspunten bij het overgangsrecht en ook de NVVK merkt op dat het voorstel duidelijk moet maken voor welke dossiers de verhoging geldt en stelt zich op het standpunt dat het voor alle dossiers waarvan de startdatum na 1 juli 2023 ligt zou moeten gelden, aangezien de versnelde werkzaamheden in die gevallen van toepassing zijn. Een andere respondent merkt op dat de wetswijzigingen van de Wsnp per 1 juli 2023 in werking zijn getreden en vraagt zich af waarom de aangepaste beloning pas per 1 januari 2024 gaat gelden.

Naar aanleiding van deze opmerkingen is paragraaf 4 van deze nota van toelichting verduidelijkt, is er een overgangsbepaling aan het besluit toegevoegd en is de inwerkingtredingsbepaling aangepast. Die bepalingen regelen dat dit besluit van toepassing is op alle Wsnp-trajecten waarop de wetswijzigingen van 1 juli 2023 van toepassing zijn. Er is voor gekozen om aan de verhoging van het LOB werking met terugwerkende kracht tot en met 1 juli 2023 toe te kennen. Daarvoor is een bijzondere reden, namelijk dat de wijzigingen Wsnp op 1 juli 2023 in werking zijn getreden. De werkzaamheden moeten voor Wsnp-trajecten die vanaf die datum zijn gestart door een Wsnp-bewindvoerder in een korter tijdsbestek worden uitgevoerd en er zijn door de Wsnp wijzigingen extra werkzaamheden bijgekomen.

II. Artikelsgewijs

ARTIKEL I
A

De Wet Justitie-subsidies is vervallen per 1 juli 2022 en vervangen door de Kaderwet overige JenV-subsidies (art. 8, Stb. 2021, 138). Dit artikel regelt dat het opschrift van het Besluit daarop wordt aangepast.

B
Onderdelen 1–4

De Wsnp-bewindvoerder ontvangt een vergoeding voor de werkzaamheden die hij op grond van titel III van de Fw in een schuldsaneringsregeling verricht. De bewindvoerder ontvangt de vergoeding voor elke zaak die hij onder zich heeft: een af te wikkelen schuldsaneringsboedel. Artikel 2 regelt de hoogte van de vergoeding. De vaste component van de vergoeding, het looptijdonafhankelijk bedrag (LOB), is geregeld in artikel 2, tweede lid, van het Besluit. Dit artikel regelt dat de bedragen in artikel 2, tweede lid, van het Besluit worden verhoogd om zo de vergoeding voor Wsnp-bewindvoerders te laten aansluiten bij de wetswijzigingen van de Wsnp. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar het algemene gedeelte van deze toelichting.

Onderdelen 5–7

Sinds 2018 geldt dat als men gaat trouwen of een geregistreerd partnerschap sluit, automatisch de wettelijke gemeenschap van goederen geldt in plaats van een algehele gemeenschap van goederen.4 Dit artikel past het Besluit aan op deze doorgevoerde wijzigingen in Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (art. 1:94 e.v. BW) door het begrip ‘algehele’ te laten vervallen.

C

De bewindvoerder krijgt automatisch aan het begin van een Wsnp-zaak een subsidievoorschot van € 800,–. Dit artikel regelt een ‘opt-out’ op deze imperatieve bepaling indien de Wsnp-bewindvoerder geen prijs stelt op het voorschot op de bewindvoerderssubsidie. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar het algemene gedeelte van deze toelichting.

ARTIKEL II

Artikel II regelt het overgangsrecht. De gewijzigde bepalingen zullen van toepassing zijn op schuldsaneringsregelingen waarin een Wsnp-bewindvoerder is benoemd, die vanaf 1 juli 2023 zijn gestart. Op die datum zijn de wijzigingen Wsnp in werking getreden. Op lopende schuldsaneringsregelingen die vóór 1 juli 2023 zijn gestart, blijft de oude regeling van toepassing.

ARTIKELEN III en IV

Artikel III betreft de inwerkingtredingsbepaling. Zoals toegelicht in het algemene gedeelte is voorzien in inwerkingtreding met terugwerkende kracht per 1 juli 2023. Artikel IV bevat een citeertitel.

De Minister voor Rechtsbescherming,


X Noot
1

Stb. 2023, 87.

X Noot
2

Kamerstukken II 2022/2023, 35 915, nr. 4.

X Noot
3

Coalitieakkoord 2021-2025, ‘Omzien naar elkaar, vooruitkijken naar de toekomst’, p. 28.

X Noot
4

Zie voor een overzicht van de ingediende en later gewijzigde amendementen de tijdlijn op de website van de Eerste Kamer: https://www.eerstekamer.nl/wetsvoorstel/35915_verbetering_doorstroom_naar

X Noot
5

Kamerstukken II 2022/2023, 35 915, nr. 16.

X Noot
6

Art. 349a, eerste lid, Fw

X Noot
7

Kamerbrief 26 mei 2023, Kamerstukken II 2022/2023, 35 915, nr. 31.

X Noot
8

Zie ook Aanwijzing 7.16 van de Aanwijzingen voor de regelgeving 2011.

X Noot
9

Nota van toelichting, paragraaf 1.

X Noot
10

Nota van toelichting, paragraaf 3.

X Noot
11

Nota van toelichting, paragraaf 8.I.

X Noot
12

Nota van toelichting, paragraaf 8.I

X Noot
13

Nota van toelichting, paragraaf 8.I.

X Noot
14

Nota van toelichting, paragraaf 8.I.

X Noot
15

Zie bijvoorbeeld Rechtbank Limburg, 17 oktober 2023, ECLI:NL:RBLIM:2023:6126.

X Noot
1

Stb. 2023, 87.

X Noot
2

Kamerstukken II 2022/2023, 35 915, nr. 4.

X Noot
3

Coalitieakkoord 2021-2025, ‘Omzien naar elkaar, vooruitkijken naar de toekomst’, p. 28.

X Noot
4

Zie voor een overzicht van de ingediende en later gewijzigde amendementen de tijdlijn op de website van de Eerste Kamer: https://www.eerstekamer.nl/wetsvoorstel/35915_verbetering_doorstroom_naar

X Noot
5

Kamerstukken II 2022/2023, 35 915, nr. 16.

X Noot
6

Art. 349a, eerste lid, Fw

X Noot
7

Kamerbrief 26 mei 2023, Kamerstukken II 2022/2023, 35 915, nr. 31.

X Noot
8

Zie ook Aanwijzing 7.16 van de Aanwijzingen voor de regelgeving 2011.

X Noot
9

Nota van toelichting, paragraaf 1.

X Noot
10

Nota van toelichting, paragraaf 3.

X Noot
11

Nota van toelichting, paragraaf 8.I.

X Noot
12

Nota van toelichting, paragraaf 8.I

X Noot
13

Nota van toelichting, paragraaf 8.I.

X Noot
14

Nota van toelichting, paragraaf 8.I.

X Noot
15

Zie bijvoorbeeld Rechtbank Limburg, 17 oktober 2023, ECLI:NL:RBLIM:2023:6126.

X Noot
1

Zie artikel 1.2 van de Recofa-richtlijnen voor schuldsaneringsregelingen, versie 1 juli 2023.

X Noot
3

Zie Monitor Wsnp, Negentiende meting over het jaar 2022, Bureauwsnp.nl.

X Noot
4

Wet van 24 april 2017 tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en de Faillissementswet teneinde de omvang van de wettelijke gemeenschap van goederen te beperken, Stb. 2017, 177.

Naar boven