Regeling van de Minister voor Natuur en Stikstof van 26 september 2023, nr. WJZ/ 35985432, tot wijziging van de Regeling natuurbescherming en de Omgevingsregeling (AERIUS 2023, herprioritering doelen en uitbreiding AERIUS Register met verschillende stikstofbanken)

De Minister voor Natuur en Stikstof,

Gelet op:

  • de artikelen 2.9, vierde lid, en 5.5a, eerste lid, derde lid, onder b, en vijfde lid, van de Wet natuurbescherming,

  • artikel 2.2 van het Besluit natuurbescherming,

  • de artikelen 2.24 en 5.18 van de Omgevingswet, in samenhang met artikel 23.6b, eerste lid, van die wet, en

  • de artikelen 4.1, tweede lid, 4.3, vierde lid, 16.55, tweede lid, en 20.3, eerste lid, van de Omgevingswet;

Handelende in overeenstemming met de Ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, van Infrastructuur en Waterstaat, voor Klimaat en Energie en van Defensie;

Besluit:

ARTIKEL I

De Regeling natuurbescherming wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1.1 wordt als volgt gewijzigd:

1. In de alfabetische volgorde worden de volgende begripsbepalingen ingevoegd:

AERIUS Register:

registratiesysteem als bedoeld in artikel 2.3 voor het registreren van depositieruimte die kan worden gebruikt bij het nemen van een besluit waarbij een project wordt toegestaan, beschikbaar op www.aerius.nl;

kavelbesluit:

kavelbesluit als bedoeld in artikel 1 van de Wet windenergie op zee;

2. In de begripsbepaling van depositieruimte wordt ‘in het register’ vervangen door ‘in AERIUS Register’.

3. De begripsbepaling van register vervalt.

4. In de begripsbepaling van tracébesluit vervalt ‘voor een in artikel 2.2, onderdeel b, genoemd project’.

B

Artikel 2.1 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt ‘AERIUS Calculator versie 2022’ vervangen door ‘AERIUS Calculator versie 2023’.

2. In het tweede lid wordt ‘de minister’ vervangen door ‘de Minister voor Natuur en Stikstof’.

C

Het opschrift van paragraaf 2.1.2 komt te luiden:

§ 2.1.2. AERIUS Register

D

De artikelen 2.2 tot en met 2.4a worden vervangen door de volgende artikelen:

Artikel 2.2

Deze paragraaf is van toepassing op:

  • a. woningbouwprojecten, inclusief noodzakelijke en direct met het project samenhangende nutsvoorzieningen, waterhuishoudkundige maatregelen en infrastructuur en noodzakelijke voorzieningen ten behoeve van een goed woon- en leefklimaat;

  • b. voor zover het betreft wegen in beheer bij het Rijk: renovatieprojecten en projecten ter vergroting van de veiligheid van weggebruikers en anderen;

  • c. gemelde PAS-projecten;

  • d. rijksvastgoedprojecten;

  • e. projecten van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat;

  • f. projecten die bijdragen aan het terugdringen van emissies van broeikasgassen of aan de transitie naar een klimaatneutrale energievoorziening, economie en samenleving;

  • g. projecten van de Minister van Defensie; en

  • h. projecten waarvoor gedeputeerde staten van de provincie bevoegd gezag zijn voor de Natura 2000-vergunning of waarvoor de omgevingsvergunning op grond van artikel 6.10a, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht niet wordt verleend dan nadat gedeputeerde staten hebben verklaard dat zij daartegen geen bedenkingen hebben.

Artikel 2.3

  • 1. Een besluit waarbij een project wordt toegestaan, kan worden genomen met gebruikmaking van in AERIUS Register opgenomen depositieruimte. Daarbij wordt gebruikgemaakt van AERIUS Register versie 2023.

  • 2. AERIUS Register wordt beheerd door de Minister voor Natuur en Stikstof.

  • 3. In AERIUS Register kan ten hoogste 70% van de vermindering van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden als gevolg van een maatregel als bedoeld in artikel 2.4 als depositieruimte worden opgenomen. De beperking tot ten hoogste 70% geldt niet voor depositieruimte die het gevolg is van een maatregel waarbij al eerder aan deze beperking toepassing is gegeven.

  • 4. In AERIUS Register wordt onderscheid gemaakt tussen depositieruimte die beschikbaar is voor de categorieën van projecten, bedoeld in artikel 2.2, onderdelen a tot en met h, waarbij voor de categorieën van projecten, bedoeld in artikel 2.2, onderdelen a, b en c, gezamenlijk depositieruimte beschikbaar is als bepaald in artikel 2.4b. Binnen elke categorie van projecten kan in AERIUS Register een nader onderscheid worden gemaakt.

Artikel 2.4

  • 1. Een maatregel als bedoeld in artikel 2.3, derde lid, is in ieder geval:

    • a. de onomkeerbare sluiting van varkenshouderijlocaties op grond van artikel 4, eerste lid, van de Subsidieregeling sanering varkenshouderijen;

    • b. de blijvende vermindering van de stikstofemissie, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Regeling provinciale aankoop veehouderijen nabij natuurgebieden zoals zij luidde tot 1 december 2022;

    • c. de blijvende vermindering van stikstofemissie door een maatregel als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Regeling provinciale maatregelen PAS-melders;

    • d. een maatregel getroffen door, onder verantwoordelijkheid van, na afstemming met of op verzoek van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;

    • e. een maatregel getroffen door, onder verantwoordelijkheid van, na afstemming met of op verzoek van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat;

    • f. een maatregel getroffen door, onder verantwoordelijkheid van, na afstemming met of op verzoek van de Minister voor Klimaat en Energie;

    • g. een maatregel getroffen door, onder verantwoordelijkheid van, na afstemming met of op verzoek van de Minister van Defensie; en

    • h. een maatregel getroffen door, onder verantwoordelijkheid van, na afstemming met of op verzoek van provinciale staten of gedeputeerde staten.

  • 2. Op verzoek van burgemeester en wethouders, het dagelijks bestuur van een waterschap of gedeputeerde staten kan een door, onder verantwoordelijkheid van, na afstemming met of op verzoek van het bevoegde bestuursorgaan van de gemeente, het waterschap of de provincie getroffen maatregel, door de minister die het aangaat of gedeputeerde staten, worden aangemerkt als een getroffen maatregel als bedoeld in het eerste lid, onderdelen d tot en met h.

  • 3. Onder een maatregel als bedoeld in het eerste lid, onderdelen d tot en met h, wordt in ieder geval begrepen:

    • a. de intrekking of wijziging van een toestemming voor een activiteit die stikstofdepositie veroorzaakt waardoor de stikstofdepositie door die activiteit vermindert; en

    • b. een wettelijk voorschrift of ander besluit dat leidt tot een vermindering van de stikstofdepositie door een toegestane activiteit.

  • 4. Voor de toepassing van het derde lid, onder a, wordt verstaan onder toestemming:

    • a. een Natura 2000-vergunning of een omgevingsvergunning;

    • b. een ander op deze specifieke activiteit betrekking hebbend besluit voor het nemen waarvan de gevolgen van de activiteit voor de fysieke leefomgeving zijn beoordeeld;

    • c. als een vergunning of besluit als bedoeld onder a of b ontbreekt en als de activiteit rechtmatig werd uitgevoerd op de datum waarop artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn is gaan gelden voor het betrokken Natura 2000-gebied en sindsdien onafgebroken is uitgevoerd: de meest beperkende toestemming volgend uit:

      • 1°. een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;

      • 2°. een melding van een activiteit als bedoeld in artikel 1.10 van het Activiteitenbesluit milieubeheer; of

      • 3°. een ander op deze activiteit betrekking hebbend besluit of wettelijk voorschrift.

  • 5. De ministers en gedeputeerde staten nemen depositieruimte alleen in AERIUS Register op:

    • a. als voor de maatregel een wettelijk voorschrift of een besluit nodig is: nadat dat voorschrift of besluit in werking is getreden;

    • b. voor zover de vermindering van stikstofdepositie met zekerheid en nauwkeurigheid kan worden vastgesteld; en

    • c. als handhaving van de wettelijke voorschriften die verband houden met de maatregel voldoende is verzekerd.

  • 6. De minister die het aangaat of gedeputeerde staten geven elektronisch op een algemeen toegankelijke wijze kennis van:

    • a. hun voornemen om een wettelijk voorschrift of beleidsregel vast te stellen als een maatregel als bedoeld in het eerste lid, onderdelen d tot en met h;

    • b. het opnemen van depositieruimte in AERIUS Register.

Artikel 2.4a

  • 1. De minister voor Natuur en Stikstof draagt zorg voor het registreren in AERIUS

    Register van depositieruimte die ontstaat door:

    • a. een maatregel als bedoeld in artikel 2.4, eerste lid, onderdelen a, b en c;

    • b. een maatregel als bedoeld in artikel 2.4, tweede lid, voor zover deze niet door een ander bestuursorgaan is aangemerkt als maatregel als bedoeld in artikel 2.4, eerste lid, onderdelen d tot en met h.

  • 2. De minister die het aangaat draagt zorg voor het opnemen van depositieruimte in AERIUS Register die ontstaat door een maatregel als bedoeld in artikel 2.4, eerste lid, onderdelen d tot en met g.

  • 3. Gedeputeerde staten dragen zorg voor het opnemen van depositieruimte in AERIUS Register die ontstaat door een maatregel als bedoeld in artikel 2.4, eerste lid, onderdeel h.

  • 4. De ministers en gedeputeerde staten kunnen depositieruimte in AERIUS Register opnemen als depositieruimte waarvan ten hoogste 0,05 mol stikstof per hectare per jaar kan worden gebruikt in een besluit waarbij een project wordt toegestaan als bedoeld in artikel 2.5, eerste lid, als de depositieruimte ontstaat door een maatregel als bedoeld in artikel 2.4 die hen aangaat.

Artikel 2.4b

  • 1. Depositieruimte die is verkregen door een maatregel als bedoeld in artikel 2.4, eerste lid, onderdelen a en b, is alleen beschikbaar voor gemelde PAS-projecten, woningbouwprojecten en projecten ten aanzien van wegen in beheer bij het Rijk als bedoeld in artikel 2.2, onderdeel b.

  • 2. Depositieruimte als bedoeld in het eerste lid is gedurende de eerste 17 weken na de datum waarop zij in AERIUS Register is opgenomen, alleen beschikbaar voor gemelde PAS-projecten.

  • 3. In afwijking van het tweede lid kan de Minister voor Natuur en Stikstof, in overeenstemming met de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, depositieruimte als bedoeld in het eerste lid ook beschikbaar stellen voor een woningbouwproject als:

    • a. de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties hem uiterlijk drie weken voor het opnemen van de depositieruimte in AERIUS Register heeft geïnformeerd dat voor het project een Natura 2000-vergunning of omgevingsvergunning:

      • 1°. is aangevraagd; of

      • 2°. naar alle waarschijnlijkheid zal worden aangevraagd voordat een nieuwe versie van AERIUS Register wordt aangewezen; en

    • b. hij daarbij een berekening op hexagoonniveau van de benodigde depositieruimte voor het project heeft overgelegd.

Artikel 2.4c

Depositieruimte die is verkregen door een maatregel als bedoeld in artikel 2.4, eerste lid, onderdeel c, is alleen beschikbaar voor gemelde PAS-projecten.

Artikel 2.4d

  • 1. Depositieruimte die is verkregen door een maatregel getroffen door, onder verantwoordelijkheid van, na afstemming met of op verzoek van de volgende ministers is alleen beschikbaar voor de volgende projecten:

    • a. de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties: rijksvastgoedprojecten en woningbouwprojecten;

    • b. de Minister van Infrastructuur en Waterstaat: projecten van die minister;

    • c. de Minister voor Klimaat en Energie: projecten die bijdragen aan het terugdringen van emissies van broeikasgassen of aan de transitie naar een klimaatneutrale energievoorziening, economie en samenleving;

    • d. de Minister van Defensie: projecten van die minister.

  • 2. De minister die het aangaat kan de depositieruimte op verzoek van een andere minister of gedeputeerde staten ook beschikbaar stellen voor andere projecten als bedoeld in artikel 2.2.

Artikel 2.4e

  • 1. Depositieruimte die is verkregen door een maatregel als bedoeld in artikel 2.4, eerste lid, onderdeel h, is alleen beschikbaar voor projecten waarvoor gedeputeerde staten van de betrokken provincie bevoegd gezag zijn voor de Natura 2000-vergunning of waarvoor de omgevingsvergunning op grond van artikel 6.10a, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht niet wordt verleend dan nadat gedeputeerde staten van de betrokken provincie hebben verklaard dat zij daartegen geen bedenkingen hebben.

  • 2. Gedeputeerde staten kunnen depositie als bedoeld in het eerste lid op verzoek van een minister of gedeputeerde staten van een andere provincie ook beschikbaar stellen voor andere projecten als bedoeld in artikel 2.2.

Artikel 2.4f

In afwijking van de artikelen 2.4b tot en met 2.4e is depositieruimte ten aanzien waarvan artikel 2.4a, vierde lid, is toegepast, beschikbaar voor alle in artikel 2.2 bedoelde projecten.

E

Artikel 2.5 wordt als volgt gewijzigd:

1. Aan het eerste lid wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel b door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:

c. een kavelbesluit.

2. Het derde en vierde lid komen te luiden:

3. Depositieruimte wordt alleen toegedeeld voor zover zij eerder is gereserveerd.

4. Depositieruimte wordt voor onbepaalde tijd toegedeeld en kan alleen nogmaals worden gereserveerd of toegedeeld nadat zij weer beschikbaar is gekomen met toepassing van artikel 2.10.

F

Artikel 2.6, tweede lid, komt te luiden:

  • 2. De beschikbare depositieruimte voor een hectare van een voor stikstof gevoelige habitat in een Natura 2000-gebied is de door de minister of gedeputeerde staten in AERIUS Register opgenomen depositieruimte voor die hectare, verminderd met de depositieruimte die met toepassing van artikel 2.10 is afgeschreven of met toepassing van de artikelen 2.7 tot en met 2.8d is gereserveerd, en vermeerderd met de depositieruimte die met toepassing van artikel 2.10 is bijgeschreven.

G

De artikelen 2.7 en 2.8 worden vervangen door een artikel, luidende:

Artikel 2.7

  • 1. Stikstofdepositieruimte kan worden gereserveerd door:

    • a. het bevoegd gezag voor de Natura 2000-vergunning voor projecten als bedoeld in artikel 2.4, eerste lid, onderdelen a tot en met g;

    • b. de Minister van Infrastructuur en Waterstaat voor tracébesluiten;

    • c. de Minister voor Klimaat en Energie voor kavelbesluiten;

    • d. gedeputeerde staten voor andere projecten dan bedoeld in artikel 2.4, eerste lid, onderdelen a, b en c, waarvoor zij het bevoegd gezag zijn voor de Natura 2000-vergunning of waarvoor de omgevingsvergunning op grond van artikel 6.10a, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht niet wordt verleend dan nadat gedeputeerde staten hebben verklaard dat zij daartegen geen bedenkingen hebben.

  • 2. Stikstofdepositieruimte voor projecten als bedoeld in artikel 2.4, eerste lid, onderdelen a, b en c, ten aanzien waarvan artikel 2.8d is toegepast, kan worden gereserveerd nadat 17 weken zijn verstreken na de datum waarop de depositieruimte in AERIUS Register is opgenomen.

  • 3. De in het tweede lid bedoelde reservering geschiedt in de volgorde waarin de aanvragen om de Natura 2000-vergunning zijn ontvangen.

  • 4. Gedeputeerde staten reserveren alleen stikstofdepositieruimte voor een woningbouwproject als de woningen niet worden aangesloten op een distributienet voor aardgas.

  • 5. Een reservering als bedoeld in het eerste lid:

    • a. onderdelen a en d: vervalt als het bevoegd gezag een besluit heeft genomen op de aanvraag om de vergunning;

    • b. onderdeel b: vervalt als de Minister van Infrastructuur en Waterstaat het tracébesluit heeft vastgesteld;

    • c. onderdeel c: vervalt als de Minister voor Klimaat en Energie het kavelbesluit heeft genomen.

H

Artikel 2.8a komt te luiden:

Artikel 2.8a

  • 1. Op aanvraag van het college van burgemeester en wethouders kunnen gedeputeerde staten depositieruimte reserveren voor een woningbouwcluster in een gemeente.

  • 2. Bij de aanvraag wordt een berekening verstrekt waaruit blijkt dat in AERIUS Register binnen de depositieruimte die is verkregen door een maatregel als bedoeld in artikel 2.4, eerste lid, onderdeel d, voldoende depositieruimte beschikbaar is voor het cluster.

  • 3. Gedeputeerde staten beslissen over de reservering van depositieruimte voor woningbouwclusters in de volgorde waarin de aanvragen zijn ontvangen.

  • 4. Gedeputeerde staten reserveren alleen depositieruimte voor een woningbouwcluster als de woningen niet worden aangesloten op een distributienet voor aardgas.

  • 5. Een reservering voor een woningbouwcluster vervalt als en voor zover gedeputeerde staten depositieruimte reserveren voor de woningbouwprojecten in dat cluster, maar in elk geval als sinds de reservering twee jaar zijn verstreken.

  • 6. Gedeputeerde staten kunnen de termijn, bedoeld in het vijfde lid, eenmaal verlengen met ten hoogste een jaar.

I

In artikel 2.8c wordt ‘vóór de datum van inwerkingtreding van dit artikel’ vervangen door ‘voor 13 januari 2022’.

J

Artikel 2.8d, eerste lid, komt te luiden:

1. Het bevoegd gezag kan voor gemelde PAS-projecten alleen depositieruimte reserveren als deze zijn geselecteerd met toepassing van artikel 2.8c.

K

Artikel 2.9 vervalt.

L

Artikel 2.10 komt te luiden:

Artikel 2.10

  • 1. Het bevoegd gezag voor de Natura 2000-vergunning draagt zorg voor:

    • a. afschrijving in AERIUS Register van depositieruimte die aan dat project is toegedeeld;

    • b. doorhaling van gereserveerde depositieruimte als de betrokken vergunningaanvraag is ingetrokken of als een besluit is genomen op de betrokken aanvraag;

    • c. omzetting van toegedeelde in gereserveerde depositieruimte als de vergunning is vernietigd.

  • 2. Voor tracébesluiten draagt de Minister van Infrastructuur en Waterstaat zorg voor:

    • a. afschrijving in AERIUS Register van depositieruimte die hij heeft toegedeeld;

    • b. doorhaling van gereserveerde depositieruimte als hij het betrokken tracébesluit heeft vastgesteld;

    • c. omzetting van toegedeelde in gereserveerde depositieruimte als het tracébesluit is vernietigd.

  • 3. Voor kavelbesluiten draagt de Minister voor Klimaat en Energie zorg voor:

    • a. afschrijving in AERIUS Register van depositieruimte die hij heeft toegedeeld;

    • b. doorhaling van gereserveerde depositieruimte als hij het betrokken kavelbesluit heeft genomen;

    • c. omzetting van toegedeelde in gereserveerde depositieruimte als het kavelbesluit is vernietigd.

  • 4. De in het eerste tot en met derde lid bedoelde bestuursorganen kunnen zorg dragen voor de bijschrijving in AERIUS Register van depositieruimte die is vrijgevallen wanneer:

    • a. het besluit waarin depositieruimte is toegedeeld, is ingetrokken voordat het project is aangevangen; of

    • b. de bouw- en aanlegfase waarvoor depositieruimte is toegedeeld, is afgerond.

  • 5. De in het eerste tot en met derde lid bedoelde bestuursorganen dragen zorg voor de bijschrijving in AERIUS Register van depositieruimte die weer beschikbaar komt omdat het besluit waarin depositieruimte is toegedeeld, is ingetrokken of gewijzigd.

M

In artikel 2.11, tweede lid, wordt ‘AERIUS Monitor versie 2022’ vervangen door ‘AERIUS Monitor versie 2023’.

ARTIKEL II

De Omgevingsregeling wordt als volgt gewijzigd:

A

Hoofdstuk 17a komt te luiden:

HOOFDSTUK 17A AERIUS REGISTER

Artikel 17a.1 (begripsbepalingen)

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

gemeld PAS-project:

Natura 2000-activiteit die voldoet aan de voorwaarden van artikel 17a.14;

kavelbesluit:

kavelbesluit als bedoeld in artikel 1 van de Wet windenergie op zee;

tracébesluit:

tracébesluit als bedoeld in artikel 9 van de Tracéwet zoals zij luidde tot 1 januari 2024 en waarop die wet van toepassing is op grond van artikel 4.44, 4.45 of 4.46 van de Invoeringswet Omgevingswet;

woningbouwcluster:

cluster van ruimtelijk samenhangende woningbouwprojecten;

woningbouwproject:

Natura 2000-activiteit als bedoeld in artikel 17a.3, onder a.

Artikel 17a.2 (AERIUS Register)
  • 1. Er is een register stikstofdepositieruimte, met de naam AERIUS Register.

  • 2. Het register wordt beheerd door de Minister voor Natuur en Stikstof.

  • 3. Het register bevat gegevens over de beschikbaarheid, reservering en toedeling van stikstofdepositieruimte, uitgedrukt in mol stikstof per hectare per jaar, voor projecten als gevolg van maatregelen die leiden tot het verminderen van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden.

  • 4. De volgende besluiten waarbij een project wordt toegestaan dat stikstofdepositie veroorzaakt op voor stikstof gevoelige habitats in een Natura 2000-gebied kunnen worden genomen met gebruikmaking van stikstofdepositieruimte die is opgenomen in AERIUS Register:

    • a. een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit;

    • b. een tracébesluit;

    • c. een projectbesluit van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat voor de aanleg of een wijziging van een autoweg, autosnelweg, spoorweg of vaarweg als bedoeld in artikel 5.46 van de wet;

    • d. een kavelbesluit.

  • 5. In AERIUS Register wordt onderscheid gemaakt tussen stikstofdepositieruimte die beschikbaar is voor de categorieën projecten, bedoeld in artikel 17a.3, onder a tot en met h, waarbij voor de categorieën projecten, bedoeld in artikel 17a.3, onder a, b en c, gezamenlijk stikstofdepositieruimte beschikbaar is als bepaald in artikel 17a.16. Binnen elke categorie projecten kan in AERIUS Register een nader onderscheid worden gemaakt.

Artikel 17a.3 (compartimenten AERIUS Register)

Projecten als bedoeld in artikel 17a.2, derde en vierde lid, waarvoor gebruik kan worden gemaakt van stikstofdepositieruimte die in de voor die projecten bestemde compartimenten is opgenomen in AERIUS Register zijn:

  • a. Natura 2000-activiteiten die betrekking hebben op de bouw van niet op een distributienet voor aardgas aangesloten woningen, inclusief het realiseren van noodzakelijke en direct met het project samenhangende nutsvoorzieningen, waterhuishoudkundige maatregelen en infrastructuur en noodzakelijke voorzieningen ten behoeve van een goed woon- en leefklimaat;

  • b. voor zover het betreft wegen in beheer bij het Rijk: renovatieprojecten en projecten ter vergroting van de veiligheid van weggebruikers en anderen;

  • c. gemelde PAS-projecten;

  • d. rijksvastgoedprojecten;

  • e. projecten van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat;

  • f. projecten die bijdragen aan het terugdringen van emissies van broeikasgassen of aan de transitie naar een klimaatneutrale energievoorziening, economie en samenleving;

  • g. projecten van de Minister van Defensie; en

  • h. projecten waarvoor gedeputeerde staten bevoegd gezag zijn voor de omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit of waarvoor de voorgenomen beslissing op de aanvraag om een dergelijke vergunning op grond van artikel 4.25 van het Omgevingsbesluit instemming van gedeputeerde staten behoeft.

Artikel 17a.4 (maatregelen waardoor stikstofdepositieruimte ontstaat)
  • 1. Een maatregel als bedoeld in artikel 17a.2, derde lid, waardoor stikstofdepositieruimte ontstaat, is in ieder geval:

    • a. de onomkeerbare sluiting van varkenshouderijlocaties op grond van artikel 4, eerste lid, van de Subsidieregeling sanering varkenshouderijen;

    • b. de blijvende vermindering van de stikstofemissie, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Regeling provinciale aankoop veehouderijen nabij natuurgebieden zoals zij luidde tot 1 december 2022;

    • c. de blijvende vermindering van stikstofemissie door maatregelen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Regeling provinciale maatregelen PAS-melders;

    • d. een maatregel getroffen door, onder verantwoordelijkheid van, na afstemming met of op verzoek van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;

    • e. een maatregel getroffen door, onder verantwoordelijkheid van, na afstemming met of op verzoek van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat;

    • f. een maatregel getroffen door, onder verantwoordelijkheid van, na afstemming met of op verzoek van de Minister voor Klimaat en Energie;

    • g. een maatregel getroffen door, onder verantwoordelijkheid van, na afstemming met of op verzoek van de Minister van Defensie;

    • h. een maatregel getroffen door, onder verantwoordelijkheid van, na afstemming met of op verzoek van provinciale staten of gedeputeerde staten.

  • 2. Op verzoek van burgemeester en wethouders, het dagelijks bestuur van een waterschap of gedeputeerde staten kan een door, onder verantwoordelijkheid van, na afstemming met of op verzoek van het bevoegde bestuursorgaan van de gemeente, het waterschap of de provincie getroffen maatregel door de minister die het aangaat of gedeputeerde staten worden aangemerkt als een getroffen maatregel als bedoeld in het eerste lid, onder d tot en met h.

  • 3. Onder een maatregel als bedoeld in het eerste lid, onder d tot en met h, wordt in ieder geval begrepen:

    • a. de intrekking of wijziging van een toestemming voor een activiteit die stikstofdepositie veroorzaakt waardoor de stikstofdepositie door die activiteit vermindert; en

    • b. een wettelijk voorschrift of ander besluit dat leidt tot een vermindering van de stikstofdepositie door een toegestane activiteit.

  • 4. Voor de toepassing van het derde lid, onder a, wordt verstaan onder toestemming:

    • a. een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit;

    • b. een ander op een Natura 2000-activiteit betrekking hebbend besluit voor het nemen waarvan de gevolgen van de activiteit voor de fysieke leefomgeving zijn beoordeeld; en

    • c. als een vergunning of besluit als bedoeld onder a of b ontbreekt en als de activiteit rechtmatig werd uitgevoerd op de datum waarop artikel 6, derde lid, van de habitatrichtlijn is gaan gelden voor het betrokken Natura 2000-gebied en sindsdien onafgebroken is uitgevoerd: de meest beperkende toestemming volgend uit:

      • 1°. een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit;

      • 2°. een melding als bedoeld in de hoofdstukken 2 tot en met 5 van het Besluit activiteiten leefomgeving; of

      • 3°. een ander op een Natura 2000-activiteit betrekking hebbend besluit of wettelijk voorschrift.

  • 5. De minister die het aangaat of gedeputeerde staten geven elektronisch op een algemeen toegankelijke wijze kennis van hun voornemen om een wettelijk voorschrift of beleidsregel vast te stellen als een maatregel als bedoeld in het eerste lid, onder d tot en met h.

Artikel 17a.5 (vullen compartimenten in AERIUS Register)
  • 1. De minister voor Natuur en Stikstof draagt zorg voor het opnemen van stikstofdepositieruimte in AERIUS Register die ontstaat door:

    • a. een maatregel als bedoeld in artikel 17a.4, eerste lid, onder a, b en c; en

    • b. een maatregel als bedoeld in artikel 17a.4, tweede lid, voor zover deze niet door een ander bestuursorgaan is aangemerkt als maatregel als bedoeld in artikel 17a.4, eerste lid, onder d tot en met h.

  • 2. De minister die het aangaat draagt zorg voor het opnemen van stikstofdepositieruimte in AERIUS Register die ontstaat door een maatregel als bedoeld in artikel 17a.4, eerste lid, onder d tot en met g.

  • 3. Gedeputeerde staten dragen zorg voor het opnemen van stikstofdepositieruimte in AERIUS Register die ontstaat door een maatregel als bedoeld in artikel 17a.4, eerste lid, onder h.

  • 4. De ministers die het aangaat en gedeputeerde staten kunnen stikstofdepositieruimte in AERIUS Register opnemen als stikstofdepositieruimte waarvan vervolgens ten hoogste 0,05 mol stikstof per hectare per jaar kan worden gebruikt in een besluit waarbij een project wordt toegestaan als bedoeld in artikel 17a.2, vierde lid, als de stikstofdepositieruimte ontstaat door een maatregel als bedoeld in artikel 17a.4.

  • 5. De ministers die het aangaat en gedeputeerde staten nemen ten hoogste 70% van de vermindering van stikstofdepositie door de maatregel als stikstofdepositieruimte in AERIUS Register op. De beperking tot ten hoogste 70% geldt niet voor stikstofdepositieruimte die het gevolg is van een maatregel waarbij al eerder aan deze beperking toepassing is gegeven.

  • 6. De ministers die het aangaat en gedeputeerde staten nemen stikstofdepositieruimte alleen in AERIUS Register op:

    • a. als voor de maatregel een wettelijk voorschrift of een besluit nodig is: nadat dat voorschrift of besluit in werking is getreden;

    • b. voor zover de vermindering van stikstofdepositie met zekerheid en nauwkeurigheid kan worden vastgesteld; en

    • c. als handhaving van de wettelijke voorschriften die verband houden met de maatregel voldoende is verzekerd.

  • 7. De minister die het aangaat of gedeputeerde staten geven elektronisch op een algemeen toegankelijke wijze kennis van het opnemen van stikstofdepositieruimte in AERIUS Register.

Artikel 17a.6 (bestemming stikstofdepositieruimte SSRS-bank)
  • 1. Stikstofdepositieruimte die is verkregen door een maatregel als bedoeld in artikel 17a.4, eerste lid, onder a of b, is alleen beschikbaar voor:

    • a. gemelde PAS-projecten;

    • b. woningbouwprojecten; en

    • c. projecten ten aanzien van wegen in beheer bij het Rijk als bedoeld in artikel 17a.3, onder b.

  • 2. Stikstofdepositieruimte als bedoeld in het eerste lid is gedurende de eerste 17 weken na de datum waarop zij in AERIUS Register is opgenomen, alleen beschikbaar voor gemelde PAS-projecten.

  • 3. In afwijking van het tweede lid kan de Minister voor Natuur en Stikstof, in overeenstemming met de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, stikstofdepositieruimte als bedoeld in het eerste lid ook beschikbaar stellen voor een woningbouwproject als de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties:

    • a. hem uiterlijk drie weken voor het opnemen van de stikstofdepositieruimte in AERIUS Register heeft geïnformeerd dat voor het project een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit:

      • 1°. is aangevraagd; of

      • 2°. naar alle waarschijnlijkheid zal worden aangevraagd voordat in bijlage II een nieuwe versie van AERIUS Register wordt aangewezen; en

    • b. daarbij een berekening op hexagoonniveau van de benodigde stikstofdepositieruimte voor het project heeft overgelegd.

Artikel 17a.7 (bestemming stikstofdepositieruimte verkregen door maatregelen voor gemelde PAS-projecten)

Stikstofdepositieruimte die is verkregen door een maatregel als bedoeld in artikel 17a.4, eerste lid, onder c, is alleen beschikbaar voor gemelde PAS-projecten.

Artikel 17a.8 (bestemming stikstofdepositieruimte verkregen door maatregelen ministers)
  • 1. Stikstofdepositieruimte die is verkregen door een maatregel getroffen door, onder verantwoordelijkheid van, na afstemming met of op verzoek van de volgende ministers is alleen beschikbaar voor de volgende projecten:

    • a. de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties: rijksvastgoedprojecten en woningbouwprojecten;

    • b. de Minister van Infrastructuur en Waterstaat: projecten van die minister;

    • c. de Minister voor Klimaat en Energie: projecten die bijdragen aan het terugdringen van emissies van broeikasgassen of aan de transitie naar een klimaatneutrale energievoorziening, economie en samenleving; en

    • d. de Minister van Defensie: projecten van die minister.

  • 2. De minister die het aangaat kan de stikstofdepositieruimte op verzoek van een andere minister of gedeputeerde staten ook beschikbaar stellen voor andere projecten als bedoeld in artikel 17a.3.

Artikel 17a.9 (bestemming stikstofdepositieruimte verkregen door maatregelen gedeputeerde staten)
  • 1. Stikstofdepositieruimte die is verkregen door een maatregel als bedoeld in 17a.4, eerste lid, onder h, is alleen beschikbaar voor projecten waarvoor gedeputeerde staten van de betrokken provincie bevoegd gezag zijn voor de omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit of waarvoor de voorgenomen beslissing op de aanvraag om een dergelijke vergunning op grond van artikel 4.25 van het Omgevingsbesluit instemming van gedeputeerde staten behoeft.

  • 2. Gedeputeerde staten kunnen de stikstofdepositieruimte op verzoek van een minister of gedeputeerde staten van een andere provincie ook beschikbaar stellen voor andere projecten als bedoeld in 17a.3.

Artikel 17a.10 (bestemming stikstofdepositieruimte van ten hoogste 0,05 mol)

In afwijking van de artikelen 17a.6 tot en met 17a.9 is stikstofdepositieruimte ten aanzien waarvan artikel 17a.5, vierde lid, is toegepast, beschikbaar voor alle in artikel 17a.3 bedoelde projecten.

Artikel 17a.11 (algemene bepalingen over reservering en toedeling stikstofdepositieruimte)
  • 1. De gebruikte stikstofdepositieruimte wordt in een omgevingsvergunning, tracébesluit, projectbesluit of kavelbesluit aan de activiteit toegedeeld.

  • 2. De stikstofdepositieruimte voor een hectare van een voor stikstof gevoelige habitat die wordt toegedeeld, is niet groter dan de hoogste stikstofdepositie op die hectare die de activiteit in een jaar kan veroorzaken.

  • 3. De stikstofdepositieruimte wordt alleen toegedeeld voor zover zij eerder is gereserveerd en niet meer bedraagt dan de in AERIUS Register beschikbare stikstofdepositieruimte.

  • 4. De op het moment van reservering of toedeling beschikbare stikstofdepositieruimte voor een hectare van een voor stikstof gevoelige habitat in een Natura 2000-gebied wordt berekend volgens de volgende formule:

    beschikbare stikstofdepositieruimte = AERIUS – reservering/toedeling + doorhaling + omzetting.

  • 5. Voor de toepassing van het vierde lid wordt verstaan onder:

    AERIUS:

    in AERIUS Register voor die hectare opgenomen stikstofdepositieruimte;

    reservering/toedeling:

    stikstofdepositieruimte die tot het moment van reservering of toedeling voor andere projecten is gereserveerd of aan andere projecten is toegedeeld;

    doorhaling:

    stikstofdepositieruimte die weer beschikbaar is gekomen na het wijzigen, intrekken of vervallen van een reservering of na het wijzigen of intrekken van een aanvraag om een omgevingsvergunning;

    omzetting:

    stikstofdepositieruimte die weer beschikbaar is gekomen na het intrekken of vernietigen van een besluit als bedoeld in het eerste lid, of die weer beschikbaar is gekomen nadat een activiteit is beëindigd.

  • 6. Stikstofdepositieruimte wordt voor onbepaalde tijd toegedeeld en kan alleen nogmaals worden gereserveerd of toegedeeld nadat zij weer beschikbaar is gekomen met toepassing van artikel 17a.17.

Artikel 17a.12 (reservering stikstofdepositieruimte voor project)
  • 1. Stikstofdepositieruimte kan worden gereserveerd door:

    • a. het bevoegd gezag voor de omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit voor projecten als bedoeld in artikel 17a.3, onder a tot en met g;

    • b. de Minister van Infrastructuur en Waterstaat voor projectbesluiten voor een autoweg, autosnelweg, spoorweg of vaarweg van nationaal belang;

    • c. de Minister voor Klimaat en Energie voor kavelbesluiten; en

    • d. gedeputeerde staten voor andere projecten dan bedoeld in artikel 17a.3, onder a, b en c, waarvoor zij het bevoegd gezag zijn voor de omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit of waarvoor de voorgenomen beslissing op de aanvraag om een dergelijke vergunning op grond van artikel 4.25 van het Omgevingsbesluit instemming van gedeputeerde staten behoeft.

  • 2. Stikstofdepositieruimte voor projecten als bedoeld in artikel 17a.3, onder a, b en c, ten aanzien waarvan artikel 17a.16 is toegepast, kan worden gereserveerd nadat 17 weken zijn verstreken na de datum waarop de stikstofdepositieruimte in AERIUS Register is opgenomen.

  • 3. De in het tweede lid bedoelde reservering geschiedt in de volgorde waarin de aanvragen om een omgevingsvergunning voor de Natura 2000-activiteit zijn ontvangen.

  • 4. Gedeputeerde staten reserveren alleen stikstofdepositieruimte voor een woningbouwproject als de woningen niet worden aangesloten op een distributienet voor aardgas.

  • 5. Een reservering als bedoeld in het eerste lid:

    • a. onder a en d: vervalt als het bevoegd gezag een beslissing heeft genomen op de aanvraag om de vergunning;

    • b. onder b: vervalt als de Minister van Infrastructuur en Waterstaat het projectbesluit heeft vastgesteld; en

    • c. onder c: vervalt als de Minister voor Klimaat en Energie het kavelbesluit heeft genomen.

Artikel 17a.13 (reservering stikstofdepositieruimte voor woningbouwcluster)
  • 1. Op aanvraag van burgemeester en wethouders kunnen gedeputeerde staten stikstofdepositieruimte reserveren voor een woningbouwcluster in de betrokken gemeente.

  • 2. Bij de aanvraag wordt een berekening overgelegd waaruit blijkt dat in AERIUS Register binnen de stikstofdepositieruimte die is verkregen door een maatregel als bedoeld in artikel 17a.4, eerste lid, onder d, voldoende stikstofdepositieruimte beschikbaar is voor het cluster.

  • 3. Gedeputeerde staten beslissen over de reservering in de volgorde waarin de aanvragen zijn ontvangen.

  • 4. Gedeputeerde staten reserveren alleen stikstofdepositieruimte voor een woningbouwcluster als de woningen niet worden aangesloten op een distributienet voor aardgas.

  • 5. Een reservering voor een woningbouwcluster vervalt voor zover gedeputeerde staten stikstofdepositieruimte reserveren voor de woningbouwprojecten in dat cluster, maar in ieder geval als sinds de reservering twee jaar zijn verstreken.

  • 6. Gedeputeerde staten kunnen de termijn, bedoeld in het vijfde lid, eenmaal verlengen met ten hoogste een jaar.

Artikel 17a.14 (voorwaarden reservering stikstofdepositieruimte voor gemeld PAS-project)
  • 1. Het bevoegd gezag reserveert alleen stikstofdepositieruimte voor een gemeld PAS-project als is voldaan aan de volgende voorwaarden:

    • a. voor het project gold een meldingsplicht op grond van artikel 8 van de Regeling programmatische aanpak stikstof zoals zij luidde tot 1 januari 2017 of artikel 2.7 van de Regeling natuurbescherming zoals dat zij luidde op 28 mei 2019;

    • b. voor het project is in de periode van 1 juli 2015 tot 29 mei 2019 een melding gedaan;

    • c. het project is in de periode van 1 juli 2015 tot 29 mei 2019:

      • 1°. volledig gerealiseerd, waaronder wordt verstaan dat installaties, gebouwen en infrastructuur waren opgericht;

      • 2°. nog niet volledig gerealiseerd, maar de initiatiefnemer heeft in die periode al wel een begin gemaakt met de realisatie, zoals aanleg of bouw van installaties, gebouwen en infrastructuur; of

      • 3°. nog niet begonnen, maar in die periode zijn al wel onomkeerbare en significante investeringsverplichtingen voor het project aangegaan;

    • d. voor de activiteit waarop de melding betrekking heeft, is geen toereikende en onherroepelijke omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit verleend;

    • e. als de melding betrekking heeft op een wijziging van een project dat geheel of gedeeltelijk was gerealiseerd voor 1 februari 2009 maar na de datum waarop artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn is gaan gelden voor het betrokken Natura 2000-gebied, dan is de totale stikstofdepositie die door het gewijzigde project wordt veroorzaakt op een voor stikstof gevoelige habitat in dat gebied niet groter dan de op het moment van de melding geldende grenswaarde, bedoeld in artikel 2.12 van het Besluit natuurbescherming zoals zij luidde op 28 mei 2019;

    • f. als het project dat wordt uitgevoerd, substantieel afwijkt van het gemelde project en het gewijzigde project veroorzaakt niet meer stikstofdepositie op een of meer voor stikstof gevoelige habitats in Natura 2000-gebieden dan het gemelde project; en

    • g. de activiteit waarop het project betrekking heeft, wordt nog verricht.

  • 2. Het eerste lid, onder g, geldt niet als het project voldoet aan het eerste lid, onder c, onder 3°.

Artikel 17a.15 (verdeling stikstofdepositieruimte over gemelde PAS-projecten)

Het bevoegd gezag geeft bij het reserveren van stikstofdepositieruimte voor gemelde PAS-projecten voorrang aan projecten ten aanzien waarvan het voor 13 januari 2022 een verzoek heeft ontvangen tot handhaving van het verbod, bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming zoals dat toen luidde, om zonder vergunning een project te realiseren als bedoeld in dat lid. Als het na toepassing van de eerste zin noodzakelijk is om een keuze te maken tussen projecten, kiest het bevoegd gezag de combinatie van projecten die gezamenlijk voor een optimale benutting van de beschikbare stikstofdepositieruimte zorgt.

Artikel 17a.16 (reservering stikstofdepositieruimte voor gemeld PAS-project na verdeling ruimte en ontvangst aanvraag)
  • 1. Het bevoegd gezag kan voor gemelde PAS-projecten alleen stikstofdepositieruimte reserveren als deze zijn geselecteerd met toepassing van artikel 17a.15.

  • 2. Het bevoegd gezag kan de ruimte reserveren na ontvangst van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit voor dat project.

Artikel 17a.17 (registratie wijzigingen in AERIUS Register)
  • 1. Het bevoegd gezag voor de omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit draagt zorg voor:

    • a. afschrijving in AERIUS Register van stikstofdepositieruimte die aan het project is toegedeeld;

    • b. doorhaling van gereserveerde stikstofdepositieruimte als de betrokken vergunningaanvraag is ingetrokken of als een beslissing is genomen op de betrokken aanvraag; en

    • c. omzetting van toegedeelde in gereserveerde stikstofdepositieruimte als de vergunning is vernietigd.

  • 2. Voor tracébesluiten en voor projectbesluiten voor een autoweg, autosnelweg, spoorweg of vaarweg van nationaal belang draagt de Minister van Infrastructuur en Waterstaat zorg voor:

    • a. afschrijving in AERIUS Register van stikstofdepositieruimte die hij heeft toegedeeld;

    • b. doorhaling van gereserveerde stikstofdepositieruimte als hij het betrokken tracébesluit of projectbesluit heeft vastgesteld; en

    • c. omzetting van toegedeelde in gereserveerde stikstofdepositieruimte als het tracébesluit of projectbesluit is vernietigd.

  • 3. Voor kavelbesluiten draagt de Minister voor Klimaat en Energie zorg voor:

    • a. afschrijving in AERIUS Register van stikstofdepositieruimte die hij heeft toegedeeld;

    • b. doorhaling van gereserveerde stikstofdepositieruimte als hij het betrokken kavelbesluit heeft genomen; en

    • c. omzetting van toegedeelde in gereserveerde stikstofdepositieruimte als het kavelbesluit is vernietigd.

  • 4. De in het eerste tot en met derde lid bedoelde bestuursorganen kunnen zorg dragen voor de bijschrijving in AERIUS Register van stikstofdepositieruimte die weer beschikbaar komt wanneer:

    • a. het besluit waarin stikstofdepositieruimte is toegedeeld, is ingetrokken voordat het project is begonnen; of

    • b. de bouw- en aanlegfase waarvoor stikstofdepositieruimte is toegedeeld, is afgerond.

  • 5. De in het eerste tot en met derde lid bedoelde bestuursorganen dragen zorg voor de bijschrijving in AERIUS Register van stikstofdepositieruimte die weer beschikbaar komt, als het besluit waarin stikstofdepositieruimte is toegedeeld, is ingetrokken of gewijzigd.

B

In bijlage I wordt in de begripsbepaling van AERIUS Register ‘als bedoeld in artikel 17a.4’ vervangen door ‘als bedoeld in artikel 17a.2’.

C

De tabel in bijlage II bij artikel 1.4 wordt als volgt gewijzigd:

1. In de rij met betrekking tot AERIUS Calculator wordt ‘2022’ vervangen door ‘2023’.

2. In de rij met betrekking tot AERIUS Monitor wordt ‘2022’ vervangen door ‘2023’.

3. Na de rij met betrekking tot AERIUS Monitor wordt de volgende rij ingevoegd:

AERIUS Register

AERIUS Register

2023

Rivm (www.rivm.nl)

Hoofdstuk 17a van deze regeling

ARTIKEL III

Deze regeling treedt in werking met ingang van 5 oktober 2023, met uitzondering van artikel II, dat in werking treedt met ingang van 1 januari 2024.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

's-Gravenhage, 26 september 2023

De Minister voor Natuur en Stikstof, C. van der Wal-Zeggelink

TOELICHTING

Algemeen

1. Inleiding

1.1 Overzicht van de wijzigingen en leeswijzer

Deze wijziging van de Regeling natuurbescherming (Rnb) en de Omgevingsregeling (Or) introduceert versie 2023 van de AERIUS-applicaties Calculator, Register en Monitor en bevat diverse wijzigingen van de bepalingen over AERIUS Register. Met die laatste wijzigingen wordt onder meer beoogd om bepaalde activiteiten, en in het bijzonder de PAS-meldingen,1 meer perspectief te bieden en sneller een toereikende natuurvergunning te kunnen verlenen. Daarnaast wordt voorzien in een uitbreiding van het soort activiteiten waarvoor via een bank stikstofdepositieruimte2 beschikbaar kan worden gesteld.

Deze regeling bevat de volgende wijzigingen:

  • 1. De bepalingen in de Rnb over AERIUS Register vielen tot nu toe samen met de bepalingen over het stikstofregistratiesysteem, ook wel bekend als het SSRS.3 Met deze wijzigingsregeling wordt het SSRS vormgegeven als een compartiment binnen AERIUS Register (hierna: de SSRS-bank);

  • 2. De toevoeging van twee maatregelen die stikstofdepositieruimte kunnen opleveren voor de SSRS-bank (paragraaf 2);

  • 3. Een aanpassing van de prioritering bij de toedeling van stikstofdepositieruimte in de SSRS-bank (paragraaf 3);

  • 4. Het instellen van vier stikstofbanken voor projecten van afzonderlijke ministeries, het opnemen van regels over de bestaande provinciale stikstofbanken en het toevoegen van een microdepositiebank aan AERIUS Register (paragraaf 4);

  • 5. Drie, met name, technische aanpassingen (paragraaf 5):

    • De introductie van versie 2023 van AERIUS Register, Monitor en Calculator;

    • het mogelijk maken om stikstofdepositieruimte in een bank te registreren zonder dat daar een voorafgaande wijziging van de Rnb of de Or voor nodig is;

    • het blokkeren van het doorverkopen van stikstofdepositieruimte die om niet is verkregen uit AERIUS Register.

Paragraaf 6 en 7 van de toelichting gaan in op de rechtsbescherming en de effecten van deze wijzigingsregeling. (Paragraaf 8 gaat in op de ontvangen adviezen en consultatiereacties.

1.2 Achtergrond en kaders toepassing stikstofbanken

Sinds de wijziging van de Rnb in 2020 is het mogelijk om vrijgemaakte stikstofdepositieruimte met toepassing van AERIUS Register in te zetten als mitigerende maatregel.4 Door het treffen van maatregelen die leiden tot vermindering van de stikstofdepositie op voor stikstofgevoelige habitats in Natura 2000-gebieden kan stikstofdepositieruimte worden vrijgemaakt. Bij het toedelen van stikstofdepositieruimte via een stikstofbank is de bestaande jurisprudentie over extern salderen van toepassing.5

Bij extern salderen wordt de ene activiteit (gedeeltelijk) beëindigd ten behoeve van het toestaan van een nieuwe activiteit. Om te beoordelen of de nieuwe activiteit kan worden toegestaan, dient uit een vergelijking tussen de saldogevende en de saldonemende activiteit te volgen dat er geen toename van de stikstofdepositie kan ontstaan.

Een van de voorwaarden die uit de jurisprudentie volgt, is dat alleen stikstofdepositieruimte kan worden ingezet afkomstig van een activiteit die kan plaatsvinden op grond van een natuurvergunning ten tijde van het besluit ter beëindiging van de saldogevende activiteit. Indien er geen natuurvergunning is verleend, maar er sprake is van een andere referentiesituatie, geldt dat de stikstofdepositieruimte afkomstig moet zijn van een activiteit die feitelijk aanwezig is of kan zijn. Dat is het geval als hervatting van het bedrijf mogelijk is zonder dat daarvoor een natuurvergunning nodig is. Verder moet zijn verzekerd dat er geen dubbele stikstofdepositie kan plaatsvinden. Stikstofdepositieruimte kan dus pas beschikbaar komen als de toestemming voor de saldogevende activiteit is ingetrokken. En er kan alleen stikstofdepositieruimte worden ingezet als er een directe samenhang is tussen de saldogevende en de saldonemende activiteit. Voor de stikstofbanken geldt in dat licht dat stikstofdepositieruimte alleen kan worden geregistreerd als er sprake is van directe samenhang tussen het beëindigingsbesluit voor de saldogevende activiteit en de betreffende stikstofbank.

Uit recente jurisprudentie volgt tevens dat er, in ieder geval bij extern salderen door non-private partijen, een toets op additionaliteit moet volgen bij vergunningverlening.6 Daarnaast volgt uit de wet dat alleen maatregelen kunnen worden geregistreerd die aanvullend zijn aan maatregelen die in Natura 2000-beheerplannen zijn opgenomen.7

Gelet op bovenstaande vereisten zijn in de regeling de onderstaande voorwaarden opgenomen waaraan maatregelen moeten voldoen als zij worden ingezet als vulling voor een bank in AERIUS Register (overigens is dit slechts heel beperkt gewijzigd ten opzichte van de bestaande regelingstekst)8:

  • a. als voor de maatregel een wettelijk voorschrift of een besluit nodig is: nadat dat voorschrift of besluit in werking is getreden;

  • b. voor zover de vermindering van stikstofdepositie met zekerheid en nauwkeurigheid kan worden vastgesteld; en

  • c. als handhaving van de wettelijke voorschriften die verband houden met de maatregel voldoende is verzekerd.

Met deze voorwaarden is verzekerd dat de maatregelen in AERIUS Register tot een feitelijke en daadwerkelijke verlaging van de stikstofdepositie leiden waardoor stikstofdepositieruimte beschikbaar komt en kan worden geregistreerd.

1.3 Beschrijving nieuwe inrichting registratie van stikstofdepositieruimte

Met deze wijzigingsregeling worden er meerdere stikstofbanken toegevoegd aan AERIUS Register en daarmee verandert de inrichting van de registratie van stikstofdepositieruimte. De verschillen tussen de oude en de nieuwe inrichting zijn grafisch weergegeven als volgt:

Inrichting vóór inwerkingtreding van de wijzigingsregeling

AERIUS Register is een instrument dat voorziet in het goed administreren van stikstofdepositieruimte. Voor inwerkingtreding van deze wijzigingsregeling bestond AERIUS Register uit het SSRS. Deze stikstofbank was bedoeld voor woningbouwclusters, MIRT-projecten en PAS-meldingen. De termen SSRS en Register werden beide gebruikt. Daarnaast waren provinciale stikstofbanken operationeel in een functionele kopie van AERIUS Register.

Nieuwe inrichting na inwerkingtreding wijzigingsregeling

Met deze wijzigingsregeling worden naast het al bestaande compartiment SSRS (na inwerkingtreding van de wijzigingsregeling de SSRS-bank) ook de provinciale stikstofbanken en verschillende nieuwe stikstofbanken van het Rijk aan AERIUS Register toegevoegd. De provinciale stikstofbanken zullen dus niet langer met een kopie van AERIUS Register werken.

Binnen een bank – ook wel een compartiment genoemd binnen AERIUS Register- kan stikstofdepositieruimte voor verschillende doeleinden worden geregistreerd. Eventueel kan hierbij een verdeling in subcompartimenten worden toegepast zodat er binnen een bank een deel van de stikstofdepositieruimte apart kan worden bestemd voor een specifiek doel.

Paragraaf 4 geeft een nadere beschrijving van de verschillende stikstofbanken binnen deze nieuwe inrichting. Paragraaf 3 gaat nader in op de aanpassing van de prioritering van doelen binnen de SSRS-bank en de nieuwe werkwijze die daaruit volgt.

2. Toevoegen maatregelen SSRS-bank

2.1 Inleiding

Met deze wijzigingsregeling worden twee maatregelen toegevoegd die stikstofdepositieruimte opleveren voor de SSRS-bank.9 Het betreft de Regeling provinciale aankoop veehouderijlocaties nabij natuurgebieden (Rpav)10 en de Regeling provinciale maatregelen PAS-melders (Rpmp). Samen met de eerder toegevoegde Subsidieregeling sanering varkenshouderijen (Srv) zijn er dan drie maatregelen die stikstofdepositieruimte kunnen leveren aan de SSRS-bank.

2.2 Regeling provinciale aankoop veehouderijen nabij natuurgebieden

De Rpav is bedoeld om de uitstoot van stikstof te reduceren door veehouderijen nabij stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden aan te kopen en de veehouderijactiviteiten daar definitief te laten beëindigen. Deze regeling is ook wel bekend als de ‘maatregel gerichte aankoop’ (MGA) wordt uitgevoerd door de provincies. Deze maatregel is gericht op veehouderijen met een relatief grote depositie op het nabijgelegen Natura 2000-gebied. De stikstofdepositieruimte van de Rpav wordt, samen met de stikstofdepositieruimte uit de Srv, gebruikt voor toestemmingverlening voor PAS-meldingen, concrete woningbouwprojecten en renovatie- en veiligheidsprojecten ten aanzien van Rijkswegen en komt gezamenlijk in een subcompartiment onder de SSRS-bank.

2.3 Regeling provinciale maatregelen PAS-melders

Met de Rpmp zijn voor de provincies middelen beschikbaar gesteld ter versnelling van het Legalisatieprogramma PAS-meldingen. Voor veel PAS-meldingen, van zowel agrarische als niet-agrarische ondernemingen, is nog geen toereikende vergunning verleend, vanwege het ontbreken van stikstofdepositieruimte. Het kabinet voelt de zware verantwoordelijkheid om het legaliseren snel uit te voeren. De meerdere handhavingsprocedures tegen het overtreden van de vergunningplicht van artikel 2.7, tweede lid van de Wet natuurbescherming (Wnb) of, daarna artikel 5.1, eerste lid, onder e, van de Omgevingswet (Ow) voor deze projecten, maakt deze urgentie groter. Het Rijk en de provincies zijn van mening dat de legalisatie versneld uitgevoerd moet worden. Provincies hebben aangegeven mogelijkheden te zien voor versnelde legalisatie en hebben het Rijk gevraagd om hen in staat te stellen maatregelen te treffen door middelen beschikbaar te stellen. Met de Rpmp is ook het verzoek van de Tweede Kamer uitgevoerd om de legalisering van PAS-meldingen te versnellen.11

De provincies kunnen met de Rpmp maatwerkmaatregelen treffen, mits deze voldoen aan de geldende juridische en beleidsmatige kaders. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het aankopen – met het oog op gehele of gedeeltelijke sluiting – van bedrijven. De stikstofdepositieruimte die beschikbaar komt als gevolg van deze maatregel, mag alleen voor legalisatie van PAS-meldingen worden besteed en is, in tegenstelling tot ruimte uit de Rpav en de Srv, niet beschikbaar voor woningbouwprojecten en renovatie- en veiligheidsprojecten ten aanzien van rijkswegen. Om dit te waarborgen zal een apart subcompartiment voor PAS-meldingen worden toegevoegd aan de SSRS-bank, waar overgebleven stikstofdepositieruimte uit deze regeling – die voldoet aan de vereisten12 – kan worden geregistreerd.

De Rpmp draagt er dus aan bij dat voor zoveel mogelijk PAS-meldingen (van agrarische en niet-agrarische ondernemingen) op een zo kort mogelijke termijn een oplossing wordt gevonden.

3. Aanpassing prioritering doelen in de SSRS-bank

3.1 Inleiding

Met deze wijzigingsregeling wordt een aanpassing doorgevoerd in de prioritering van de doelen waarvoor stikstofdepositieruimte uit de SSRS-bank in het subcompartiment met depositieruimte voor PAS-melders, woningbouw en rijkswegprojecten kan worden ingezet.13 Het kabinet voelt een zware verantwoordelijkheid om de onzekerheid van PAS-melders zo snel mogelijk weg te nemen. Daarom is besloten de prioritering van doelen in de SSRS-bank aan te passen en de PAS-melders daarbij meer prioriteit te geven. Dat wordt met deze wijzigingsregeling gerealiseerd. Naast de PAS-meldingen kan op grond van deze wijzigingsregeling ook depositieruimte worden toebedeeld aan concrete woningbouwprojecten en renovatie- en veiligheidsprojecten ten aanzien van rijkswegen. Deze laatste komen in de plaats van de zeven met naam genoemde MIRT-projecten, waarvoor voorheen ruimte uit de SSRS-bank kon worden gebruikt. Hiermee wordt tegemoet gekomen aan de herprioritering in het MIRT.14Ook het eerder opgenomen doel van de clusters van woningbouwprojecten wordt met deze wijziging geschrapt uit de SSRS-bank. Depositieruimte uit de SSRS-bank is daarmee niet langer beschikbaar voor deze clusters, maar wel voor concrete woningbouwprojecten.

Zoals aangegeven in paragraaf 2.2 is na deze wijziging de depositieruimte uit de Srv en de Rpav beschikbaar voor legalisatie van PAS-meldingen, concrete woningbouwprojecten en renovatie- en veiligheidsprojecten ten aanzien van rijkswegen. De depositieruimte uit de Rpmp is alléén beschikbaar voor het legaliseren van PAS-meldingen en zit in een apart subcompartiment.

3.2 Systematiek van de prioritering

Vanaf inwerkingtreding van deze wijzigingsregeling geldt de volgende systematiek. Vanaf het beschikbaar stellen van een batch stikstofdepositieruimte in de SSRS-bank is de stikstofdepositieruimte vier maanden (17 weken) beschikbaar voor de legalisatie van PAS-meldingen. In die periode hebben de bevoegd gezagen de tijd om de berekeningen van de geverifieerde PAS-meldingen te actualiseren. Ook wordt in die periode vastgesteld met welke combinatie van PAS-meldingen zo efficiënt mogelijk van de beschikbare depositieruimte gebruik kan worden gemaakt. Dat bepaalt welke projecten gelegaliseerd worden. Die systematiek is op 10 januari 2022 in de Rnb verankerd.15

Er geldt één uitzondering op de exclusiviteit van de stikstofdepositieruimte voor de legalisatie van PAS-meldingen in de eerste vier maanden (17 weken): voor concrete woningbouwprojecten die aan de onderstaande eisen voldoen, kan een ‘pre-reservering’ voor stikstofdepositieruimte worden gedaan. Een pre-reservering betekent dat stikstofdepositieruimte opzij wordt gezet (en dus niet door andere doelen kan worden gebruikt). Voor die woningbouwprojecten kan dus gebruik worden gemaakt van deze stikstofdepositieruimte. De eisen die voor woningbouwprojecten gelden om in de pre-reservering te worden opgenomen zijn:

  • drie weken voor het inboeken van een batch stikstofdepositieruimte wordt voor alle projecten door de Minister van BZK onderbouwd dat er daadwerkelijk een vergunningaanvraag gedaan zal worden binnen de periode dat de actuele versie van AERIUS Register geldt (tot de eerstvolgende actualisatie van AERIUS Calculator) en dat die projecten stikstofdepositieruimte nodig hebben uit de SSRS-bank;

  • bij die onderbouwing is een met de geldende AERIUS Calculator uitgevoerde berekening gevoegd van de per project benodigde stikstofdepositieruimte.

De Minister voor Natuur en Stikstof (NenS) stelt in overeenstemming met de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) en de Minister van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) op basis van de aangeleverde informatie vast welke stikstofdepositieruimte voor concrete woningbouwprojecten een pre-reservering krijgt.

Na vier maanden (17 weken) vindt een samenvoeging plaats van de voor PAS-meldingen beschikbaar gestelde depositieruimte die dan nog niet is benut en de depositieruimte die toch geen pre-reservering nodig heeft voor de woningbouwprojecten. Deze samengevoegde ruimte is vervolgens beschikbaar voor alle drie de doelen (PAS-meldingen, woningbouwprojecten, en renovatie- en veiligheidsprojecten ten aanzien van rijkswegen). Deze activiteiten kunnen allemaal gebruik maken van de vrij beschikbare stikstofdepositieruimte. Uitgifte van die ruimte verloopt volgens het principe: ‘wie het eerst komt, wie het eerst maalt’.16 Op die manier kan de beschikbare stikstofdepositieruimte zonder (pre-)reserveringen efficiënter worden benut en blijft er zo min mogelijk onbenutte depositieruimte in het systeem aanwezig.

4. Toevoegen stikstofbanken aan AERIUS Register

4.1 Inleiding

Het was onder de Rnb, zoals die voorafgaand aan deze wijzigingsregeling gold, al mogelijk om vrijgemaakte of vrijvallende stikstofdepositieruimte te registreren met het oog op de latere toedeling in het kader van toestemmingverlening voor projecten die stikstofdepositie veroorzaken op daarvoor gevoelige natuur in Natura 2000-gebieden. Vrijgemaakte depositieruimte betreft stikstofdepositieruimte als gevolg van actieve beëindiging van een activiteit in het kader van een subsidieregeling of opkoop van een bedrijf. Vrijgevallen stikstofdepositieruimte betreft stikstofdepositieruimte die overblijft na toepassing van extern salderen, dit wordt ook wel ‘restruimte’ genoemd.

Om stikstofdepositieruimte te kunnen registreren, is het gebruik van AERIUS Calculator voor de berekening van de door maatregelen verkregen stikstofdepositieruimte verplicht. Daarnaast is het van belang dat altijd herleidbaar is welke maatregel(en) ten grondslag ligt aan de in een bank geregistreerde stikstofdepositieruimte. AERIUS Register is een instrument dat voorziet in het goed administreren van stikstofdepositieruimte. De stikstofbanken maken gebruik van AERIUS Register ten behoeve van toestemmingverlening. Voor alle banken binnen AERIUS Register gelden dezelfde uitgangpunten met betrekking tot het gebruik van het systeem. In paragraaf 4.5 over de verantwoordelijkheidsverdeling wordt dat nader toegelicht.

Ten aanzien van dit onderwerp regelt de wijzigingsregeling aldus de volgende aspecten:

  • 1. Het toevoegen van de mogelijkheid om stikstofdepositieruimte te registreren door de Ministers van IenW, van Defensie, van BZK en voor Klimaat en Energie (KenE) in een aparte stikstofbank in AERIUS Register,17 als ook de mogelijkheid voor het toedelen van deze depositieruimte voor:

    • a. projecten van de Minister van BZK, waaronder rijksvastgoedprojecten uitgevoerd door het Rijksvastgoedbedrijf en woningbouwprojecten (hierna: BZK-bank);18

    • b. projecten van de Minister van IenW, waaronder projecten uit het Meerjarenprogramma Infrastructuur Ruimte en Transport (MIRT) en projecten vanuit de Vervanging en Renovatie Opgave en andere IenW projecten (hierna: IenW-bank);19

    • c. projecten van de Minister voor KenE, waaronder projecten voor de energietransitie, zoals projecten in het Meerjarenprogramma Infrastructuur Energie en Klimaat (MIEK) en infrastructuur voor Wind op Zee (WOZ) (hierna: KenE-bank);20

    • d. projecten van de Minister van Defensie, zoals projecten en activiteiten voor de operationele gereedstelling van Defensie en vastgoedprojecten van Defensie (hierna: Defensie-bank).21

  • 2. Het toevoegen van de mogelijkheid om stikstofdepositieruimte te registreren door gedeputeerde staten (van alle provincies) in een aparte stikstofbank in AERIUS Register, als ook de mogelijkheid voor het toedelen van deze depositieruimte aan projecten van provincies.22 Alle provincies krijgen een eigen bank waarin ze voor specifieke doelen subcompartimenten kunnen maken (hierna: provinciale banken).23

  • 3. Het toevoegen van de mogelijkheid om stikstofdepositieruimte te registreren in een aparte stikstofbank in AERIUS Register door alle gebruikers van AERIUS Register, ten behoeve van projecten die maximaal 0,05 mol/ha/jaar behoeven,24 als ook de mogelijkheid om depositieruimte uit deze bank toe te delen aan projecten (hierna: microdepositiebank).25

De toevoeging van de rijksbanken (de punten hiervoor 1 a t/m d) wordt toegelicht in paragraaf 4.2. In paragraaf 4.3 wordt ingegaan op de provinciale banken en in paragraaf 4.4 op de microdepositiebank. Ook wordt verder nog ingegaan op de verantwoordelijkheidsverdeling (paragraaf 4.5).

4.2 Toevoegen rijksbanken aan AERIUS Register

Omdat het wenselijk is om voor meer (verschillende) doelen stikstofdepositieruimte te registreren in AERIUS Register is deze wijziging opgesteld. Daarmee wordt het mogelijk om stikstofdepositieruimte te registreren ten behoeve van andere/meerdere rijksdoelen.26 Bij inwerkingtreding van deze wijzigingsregeling zijn naast de SSRS-bank de volgende banken gereed voor gebruik in AERIUS Register:

BZK-bank

Deze bank is bedoeld voor (rijks)vastgoedprojecten onder verantwoordelijkheid van de Minister van BZK, o.a. ten behoeve van het beheer en de ontwikkeling van vastgoed in eigendom of beheer van het Rijk (niet zijnde Defensievastgoed). Stikstofdepositieruimte uit deze bank kan worden gereserveerd voor woningbouwclusters. Gedurende de reservering kunnen de woningbouwprojecten in dat cluster ieder voor zich uitgewerkt worden.

De stikstofdepositieruimte waarmee deze rijksbank wordt gevuld bestaat o.a. uit depositieruimte die resteert na extern salderen bij projecten waarvoor de Minister van BZK verantwoordelijk is. De Minister van BZK zorgt voor het registreren van de stikstofdepositieruimte in AERIUS Register en beslist over de uitgifte en eventuele prioritering van de projecten waarvoor de depositieruimte wordt gebruikt. Het bevoegd gezag voor vergunningverlening kan gedeputeerde staten van een provincie zijn, of – in het geval voor de natuurvergunning wordt aangehaakt bij een andere (omgevings)vergunning – het college van B&W; in een enkel geval kan het ook de Minister voor NenS zijn. Onder de Ow ligt de bevoegdheid voor een enkelvoudige omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten over het algemeen bij gedeputeerde staten van de provincie, en in een aantal gevallen bij de Minister van LNV. Bij meervoudige aanvragen hebben gedeputeerde staten een instemmingsbevoegdheid en zal de bevoegdheid voor de vergunningverlening van de omgevingsvergunning vaker bij het college van B&W liggen. Voor de onderstaande banken zal niet steeds besproken worden wie het bevoegd gezag is onder de Ow.

De BZK--bank kan ook worden benut voor woningbouwprojecten (naast de SSRS-bank). In dat geval zal het betreffende bevoegde gezag (veelal de gemeente of provincie) over het algemeen zorg dragen voor de benodigde maatregelen. De daarmee gerealiseerde stikstofdepositieruimte kan dan op hun verzoek aan de bank worden toegevoegd.

IenW-bank

De IenW-bank binnen AERIUS Register is bedoeld voor (rijks)projecten onder verantwoordelijkheid van de Minister van IenW, te weten projecten op het terrein van mobiliteit (verbeteren bereikbaarheid, veiligheid en leefbaarheid), waterkwaliteit en waterveiligheid en overige IenW-projecten waaronder projecten die vallen onder het MIRT programma en vervanging en renovatieprojecten vanuit de instandhoudingsopgave. De instandhoudingsopgave betreft het onderhouden van de bestaande Nederlandse infrastructuur. De stikstofdepositieruimte waarmee deze rijksbank wordt gevuld bestaat uit stikstofdepositieruimte die ontstaat door specifieke, onder verantwoordelijkheid van de Minister van IenW getroffen maatregelen en vrijgevallen depositieruimte na extern salderen ten behoeve van IenW-projecten. De Minister van IenW bepaalt de prioritering van projecten. Het bevoegd gezag voor toestemmingverlening kan de Minister van IenW zelf zijn (tracébesluiten), gedeputeerde staten van een provincie, of – in het geval voor de natuurvergunning wordt aangehaakt bij een andere (omgevings)vergunning – het college van B&W en provincie; ook kan het de Minister voor NenS zijn.

KenE-bank

Deze bank is bedoeld voor projecten op het gebied van energietransitie, circulaire economie, of de duurzame ontwikkeling van industriële clusters, zoals de categorie MIEK- en (infrastructuur voor) WOZ-projecten. De stikstofdepositieruimte waarmee deze Rijksbank wordt gevuld bestaat onder andere uit depositieruimte die resteert na extern salderen op initiatief van een netbeheerder, een andere verduurzamende partij of een van de overheden. De Minister voor KenE beslist over de opname en uitgifte en eventuele prioritering van de projecten waarvoor uitgifte plaatsvindt. Het bevoegd gezag voor toestemmingverlening kan de Minister voor KenE zelf zijn (kavelbesluiten Wet windenergie op zee), gedeputeerde staten van een provincie, of – in het geval voor de natuurvergunning wordt aangehaakt bij een andere (omgevings)vergunning – het college van B&W; in een enkel geval kan het ook de Minister voor NenS zijn.

Defensie-bank

Defensielocaties zijn vaak in of nabij stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden gelegen. De stikstofdepositieruimte in de Rijksbank Defensie is bedoeld ter mitigatie van effecten van activiteiten die nodig zijn voor de ‘operationele gereedstelling’ van Defensie (rijden, vliegen, varen, schieten en oefenen), zoals bijvoorbeeld de uitbreiding van de vloot van F-35 jachtvliegtuigen, extra oefencapaciteit op schietbanen en de uitbreiding van de marinehaven voor extra schepen. Daarnaast is de depositieruimte bedoeld voor vastgoedprojecten van het Ministerie van Defensie, zoals het verduurzamen en vernieuwen van bestaande en de bouw van nieuwe kazernes. De stikstofdepositieruimte waarmee deze rijksbank wordt gevuld bestaat uit depositieruimte afkomstig uit (specifiek door Defensie getroffen) maatregelen en vrijgevallen depositieruimte na extern salderen. De Minister van Defensie bepaalt de prioritering van activiteiten waarvoor de beschikbare stikstofdepositieruimte wordt ingezet. De Minister voor NenS is over het algemeen het bevoegd gezag voor defensieactiviteiten in Natura 2000-gebieden.

4.3 Toevoegen provinciale banken aan AERIUS Register

Door deze wijzigingsregeling worden de provinciale stikstofbanken toegevoegd in de Rnb respectievelijk de Or.27 De provincies maakten reeds gebruik van provinciale stikstofbanken; per provincie zijn er zogeheten ‘doelenbanken’ en alle provincies hebben toegang tot de microdepositiebank. In deze paragraaf wordt ingegaan op de doelenbanken, paragraaf 4.4 gaat in op de werking van de microdepositiebank.

Provincies zijn over het algemeen het bevoegd gezag voor het verlenen van de natuurvergunning, bedoeld in artikel, 2.7, tweede lid, Wnb, straks de ‘omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit’, bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onderdeel e, van de Ow. Omdat stikstofbanken een instrument zijn ten behoeve van vergunningverlening, zijn in het kader van deze bevoegdheid instellingsbesluiten en beleidsregels vastgesteld. Deze zijn van toepassing op reeds bestaande provinciale banken. Bij de overgang van reeds bestaande provinciale banken naar provinciale stikstofbanken als voorzien in de gewijzigde Rnb en de Or is geborgd dat depositieruimte uit de bestaande banken kan worden overgeheveld, op dusdanige wijze dat geen dubbel gebruik gemaakt kan worden van de depositieruimte. In provinciale beleidsregels kunnen doelen en prioritering nader worden bepaald.

Technisch waren de banken voor deze wijzigingsregeling operationeel ondergebracht in een functionele kopie van AERIUS Register. Deze wijzigingsregeling zorgt ervoor dat het gebruik van provinciale stikstofbanken kan plaatsvinden op dezelfde juridische grondslag (artikel 5.5a Wnb; artikel 2.46 Ow) en in hetzelfde systeem (AERIUS Register) als de Rijksbanken. Door gebruik te maken van hetzelfde technische systeem, ontstaat er beter inzicht in geregistreerde stikstofdepositieruimte.

Aantal provinciale banken

Provincies hebben soms de keuze gemaakt om voor speciale doelen aparte banken op te richten. De reden daarvoor is om onduidelijkheid te voorkomen over de mogelijkheid tot reserveren (bijvoorbeeld: je mag alleen depositieruimte reserveren voor het legaliseren van een PAS-melding). Voor inwerkingtreding van de wijzigingsregeling zijn er zestien verschillende provinciale doelenbanken, opgericht door negen provincies. Daarnaast hebben de gedeputeerde staten van de provincies gezamenlijk ook de ‘landsdekkende’ microdepositiebank opgericht.

Met deze wijzigingsregeling krijgt elke provincie voor zover zij deze nog niet had, een eigen stikstofbank -een compartiment- binnen AERIUS Register. Gedeputeerde staten van de provincie is eigenaar van de depositieruimte in die bank. De stikstofdepositieruimte waarmee deze banken gevuld worden bestaat uit vrijgemaakte depositieruimte afkomstig uit specifieke, onder verantwoordelijkheid van het provinciebestuur, getroffen maatregelen. Gedeputeerde staten waartoe de bank behoort hebben de bevoegdheid subcompartimenten voor verschillende door hen te bepalen doelen toe te voegen aan de bank en de prioritering van projecten binnen de bank te bepalen. Dat laatste gebeurt in provinciale beleidsregels. De provinciale beleidsregels zijn te vinden op www.BIJ12.nl.

De provinciale banken die eerder ingesteld zijn, zijn:

Provincie

Naam Doelenbank

Datum instelling

Drenthe

Getec Park Emmen

6-7-2021

Flevoland

Doelgebonden (stikstof)depositiebank prioritaire projecten Flevoland

25-1-2022

Flevoland

Doelenbank ten behoeve van legalisatie voormalige PAS-meldingen provincie Flevoland

17-5-2022

Noord-Holland

Woningbouw

6-7-2021

Noord-Holland

EceVI (Energietransitie, circulaire economie en verduurzaming industrie)

6-7-2021

Gelderland

GSB (Gelderse Stikstof Bank)

9-2-2021

Noord-Brabant

LPM (Logistiek Park Moerdijk)

5-7-2021

Noord-Brabant

Doelgebonden depositiebank infrastructurele projecten Noord-Brabant

27-6-2022

Zuid-Holland

HIC_RDAM (Haven Industrie Complex Rotterdam)

29-6-2021

Zuid-Holland

Depositiebank Algemeen Zuid-Holland(DaZH)

4-4-2023

Overijssel

Provinciale beleidsdoelen

22-11-2022

Overijssel

legalisatie PAS-melders

22-11-2022

Friesland

Legalisatie PAS melders/ Extensivering Landbouw

11-10-2022

Limburg

De Peelbergen

1-12-2020

Limburg

Greenport Venlo

28-4-2020

Limburg

Zevenellen

26-1-2021

Utrecht

Utrechtse Depositiebank

4-7-2023

Landelijk

Microdepositiebank

6-7-2021

De stikstofdepositieruimte die daarin is geregistreerd voldoet aan de eisen die daaraan op grond van jurisprudentie worden gesteld. Het moet gaan om vergunningen die zijn ingetrokken ter vulling van een provinciale bank, na de datum van (het concrete voornemen tot) instelling van de depositiebank.28

4.4 Toevoegen microdepositiebank

De microdepositiebank is een bank waarmee heel kleine hoeveelheden depositie (maximaal 0,05 mol/ha/jaar) toegekend kunnen worden aan een natuurvergunning of ander besluit zoals genoemd in artikel 2.5 Rnb of artikel 17a.2 Or. De stikstofdepositieruimte uit deze bank wordt gebruik voor projecten waarbij weinig stikstofdepositie plaatsvindt en ook voor projecten die na het treffen van andere mitigerende maatregelen, zoals het toepassen van stikstofdepositieruimte afkomstig uit een externe saldeertransactie of een andere stikstofbank nog maximaal 0,05 mol/ha/jaar tekort komen.

De provincies maakten reeds gebruik van de microdepositiebank. De microdepositiebank is bij besluiten van gedeputeerde staten van elk van de twaalf provincies op 6 juli 2021 ingesteld. Bij inwerkingtreding van de wijzigingsregeling komt de microdepositiebank ook onder artikel 5.5a Wnb, en artikel 2.46 Ow te vallen. Het is geborgd dat reeds geregistreerde depositieruimte over kan op zo’n manier dat niet dubbel gebruik gemaakt kan worden van de depositieruimte. Bij inwerkingtreding van deze wijzigingsregeling zal de microdepositiebank gebruikt kunnen worden door alle partijen binnen AERIUS Register. De interbestuurlijke afspraak is dat een partij alleen gebruik maakt van stikstofdepositieruimte uit de microdepositiebank als deze ook de intentie heeft om ook eigen restruimte er in te registeren. Er is geen vullingsverplichting voor de gebruiker van depositieruimte uit de bank. Na een jaar gebruik van de microdepositiebank in de nieuwe vorm, wordt deze werkwijze geëvalueerd.

De microdepositiebank is net als de andere stikstofbanken een aparte bank (compartiment) binnen AERIUS Register. De Minister voor NenS is verantwoordelijk voor de bank vanuit de algehele verantwoordelijkheid voor AERIUS Register, vulling en uitgifte kan ook plaatsvinden door of onder verantwoordelijkheid van de andere ministers en door gedeputeerde staten. De betreffende ministers en provincies zijn daarbij zelf verantwoordelijk voor het verzekeren dat deze voldoet aan de eisen om ter mitigatie van effecten van projecten gebruikt te kunnen worden bij vergunningverlening. Reservering en toekenning van depositieruimte uit de microdepositiebank vindt plaats op chronologische volgorde van aanvraag: wie het eerst komt, wie het eerst maalt. De verantwoordelijkheid van de Minister voor NenS beperkt zich tot het waarborgen van de werking en de transparantie van de bank.

Jaarlijks maakt de Minister voor NenS inzichtelijk wat de balans is tussen vullen en uitgeven per partij in AERIUS Register. Dit maakt bestuurlijke bijsturing op de balans tussen vullingsinspanningen en uitgifte mogelijk.

4.5 Verantwoordelijkheidsverdeling stikstofbanken

De minister waarvoor een specifieke Rijksbank in AERIUS Register is opgenomen en gedeputeerde staten van de provincie waarvoor een provinciale bank in AERIUS Register is opgenomen zijn zelf verantwoordelijk voor de registratie van stikstofdepositieruimte in de ‘eigen’ bank, het verzekeren dat deze voldoet aan de eisen om ter mitigatie van effecten van projecten gebruikt te kunnen worden bij vergunningverlening, en het beleid ten aanzien van de specifieke doelen waarvoor deze depositieruimte kan worden ingezet en de prioritering daarbij. Een uitzondering geldt voor de microdepositiebank zoals bovenstaand beschreven in paragraaf 4.4.

Alle hierna genoemde verantwoordelijkheden gelden wel voor alle banken. De beschikbaar te stellen depositieruimte wordt berekend met AERIUS Calculator en deze depositieruimte wordt geactualiseerd zodra er een nieuwe release van AERIUS Calculator is. Hoe de beschikbaar gestelde depositieruimte is berekend en welke keuzes daarbij zijn gemaakt wordt vastgelegd in een openbaar verantwoordingsdocument. Ook de in paragraaf 5.2 beschreven uitgangspunten met betrekking tot het vullen van de stikstofbanken zijn op alle banken van toepassing.

De Minister voor NenS is systeemverantwoordelijk voor heel AERIUS Register. Dat houdt in: verantwoordelijk voor de inrichting en het functioneren, beheer en onderhoud van AERIUS Register als ondersteunend systeem. Specifiek voor de microdepositiebank wordt MNenS verantwoordelijk voor waarborgen van de werking en de transparantie van de bank. Deze bank was voorheen in beheer van de provincies. Daarnaast blijft de Minister voor NenS ook verantwoordelijk voor de registratie van depositieruimte in AERIUS Register in het reeds bestaande compartiment, de SSRS-bank.

5. Technische aanpassingen van AERIUS Register

5.1 Inleiding

Tot slot regelt deze wijzigingsregeling een aantal technische aanpassingen van AERIUS Register zoals het mogelijk maken van het vullen van AERIUS Register zonder dat vooraf een wijzigingsregeling van de regeling nodig is (paragraaf 5.2), het blokkeren van extern salderen met uit AERIUS Register verkregen depositieruimte (paragraaf 5.3) en het voorschrijven van versie 2023 van AERIUS Calculator, Monitor en Register (paragraaf 5.4).

5.2 Toevoegen van stikstofdepositieruimte aan AERIUS Register zonder vaststelling nieuwe versie AERIUS Register

Deze wijzigingsregeling maakt het mogelijk om vanuit een in de regeling opgenomen maatregel stikstofdepositieruimte toe te voegen aan AERIUS Register en beschikbaar te stellen ten behoeve van toestemmingverlening in het kader van de Wnb en de Ow, zónder dat de Minister voor NenS daarvoor telkens een nieuwe versie van AERIUS Register hoeft vast te stellen.29 Dit heeft tot gevolg dat dus ook geen wijziging van de Rnb, en per 1 januari 2024 geen wijziging van de Or en het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)30 meer nodig is bij het vullen van AERIUS Register. Dit maakt het mogelijk stikstofbanken flexibeler en sneller te vullen met stikstofdepositieruimte.

Het is daarbij wel van belang de herleidbaarheid van de toegevoegde depositieruimte en de kennisgeving van het toevoegen van deze depositieruimte op andere wijze te borgen. De minister die het aangaat of gedeputeerde staten plaatst een kennisgeving van een nieuwe vullingsronde op www.aanpakstikstof.nl. Dit gebeurt op het moment dat stikstofdepositieruimte in de bank wordt geregistreerd. Ook laten de minister die het aangaat of gedeputeerde staten dit ter kennisgeving plaatsen op het Informatiepunt Stikstof en Natura 2000, dat is ondergebracht op de website www.bij12.nl.

Voorheen was voor elke vulling van AERIUS Register een wijzigingsregeling nodig gekoppeld aan de vaststelling van een nieuwe versie van AERIUS Register. Door op de hierboven beschreven wijze kennis te geven van de vulling van AERIUS Register blijft voor de buitenwereld inzichtelijk op welke momenten er depositieruimte beschikbaar wordt gesteld, in welke stikstofbanken (compartimenten) binnen het Register en op welke hexagonen in de Natura 2000-gebieden. Bovendien zal via open data ook voor elk hexagoon in een Natura 2000-gebied inzichtelijk zijn hoeveel depositieruimte zich nog bevindt in AERIUS Register per bank (compartiment).

5.3 Het blokkeren van extern salderen met uit AERIUS Register verkregen depositieruimte

Stikstofdepositieruimte die wordt opgenomen in AERIUS Register en vervolgens wordt toegedeeld in toestemmingsbesluiten aan concrete projecten zal hoofdzakelijk worden verkregen uit maatregelen die met overheidsmiddelen zijn gefinancierd. Omdat verschillende maatschappelijke ontwikkelingen stikstofdepositieruimte nodig hebben, is het niet wenselijk dat stikstofdepositieruimte, nadat deze is verkregen uit een stikstofbank, vervolgens door de begunstigden van de verkregen stikstofdepositieruimte rechtstreeks aan een ander project beschikbaar wordt gesteld door middel van onderling extern salderen. Deze wijzigingsregeling voorkomt dat, wanneer een toestemming geheel of gedeeltelijk wordt ingetrokken, stikstofdepositieruimte afkomstig uit AERIUS Register ten behoeve van een ander project kan worden ingezet.31Deze stikstofdepositieruimte kan dus uitsluitend vanuit AERIUS Register weer beschikbaar worden gesteld voor projecten, overeenkomstig de daarvoor vastgestelde kaders.

Met deze aanpassing wordt geborgd dat alle inzetbare stikstofdepositieruimte zo doelmatig mogelijk wordt gebruikt. Zeker zolang er geen overschot aan depositieruimte is, is het ook voor ondernemers van groot belang dat de depositieruimte altijd wordt gebruikt om de meest urgente projecten mee te helpen. Hiermee wordt bijvoorbeeld voorkomen dat door de overheid toegedeelde en gefinancierde stikstofdepositieruimte aan bijvoorbeeld een PAS-melding door de betrokken ondernemer rechtstreeks in het kader van extern salderen beschikbaar wordt gesteld voor een willekeurige derde, terwijl een andere PAS-melding, een woningbouwproject of een renovatie- of veiligheidsprojecten ten aanzien van een rijksweg, nog niet is vergund. Als het onderling extern salderen met stikstofdepositieruimte afkomstig uit AERIUS Register wel zou worden toegestaan, zou er in dat geval geen zicht en geen sturing zijn vanuit het Rijk en provincies aan welke ontwikkelingen deze stikstofdepositieruimte ten goede komt.

De stikstofdepositieruimte die uit AERIUS Register is uitgegeven, moet bij het geheel of gedeeltelijk intrekken van de betrokken vergunning terugvloeien naar de stikstofbank waar deze depositieruimte uit afkomstig is.32 Daarmee kan die stikstofdepositieruimte voor andere projecten, zoals PAS-meldingen dan wel voor andere categorieën projecten die dan prioritair worden geacht en zijn verbonden aan een van de stikstofbanken, worden ingezet. Tevens wordt door deze wijziging voorkomen dat stikstofdepositieruimte die is vrijgemaakt door inzet van overheidsmiddelen te gelde kan worden gemaakt door de begunstigde van die depositieruimte, wat vragen vanuit staatssteunoptiek zou kunnen oproepen. Deze systematiek geldt voor alle stikstofbanken (SSRS-bank, Rijksbanken, provinciale banken en de microdepositiebank) die onder AERIUS Register vallen.

5.4 Voorschrijven van versie 2023 van AERIUS Calculator, Monitor en Register

AERIUS Calculator versie 2023

Deze wijzigingsregeling schrijft het gebruik van een nieuwe versie van AERIUS Calculator voor.33 AERIUS Calculator is de rekenkundige basis voor toestemmingverlening in het kader van de Wnb en de Ow om effecten van projecten op de stikstofdepositie te bepalen. AERIUS Calculator wordt actueel gehouden door daar periodiek de laatste wetenschappelijke en ecologische inzichten uitgangspunten in te verwerken. In AERIUS Calculator versie 2023 zijn de emissiefactoren en achtergrondgegevens geactualiseerd en zijn de gegevens over stikstofgevoelige natuur in de Natura 2000-gebieden geactualiseerd.

De habitatkartering en doelstellingen zijn geactualiseerd op basis van informatie van de voortouwnemers van de beheerplannen voor de Natura 2000-gebieden. Daarnaast zijn de nieuwe Europese inzichten over de kritische depositiewaarde verwerkt. De wijzigingen hebben gevolgen voor de hectares met stikstofgevoelige natuur in de Natura 2000-gebieden en een overschrijding van de kritische depositiewaarde, waarop AERIUS Calculator versie 2023 de stikstofdepositie berekent.34

De nieuwe versie van Calculator komt beschikbaar op 5 oktober 2023. Vanaf dan moet bij lopende procedures waarover nog niet definitief besloten is, een nieuwe berekening worden uitgevoerd en moet de aanvraag waar nodig worden aangepast.

AERIUS Monitor versie 202335

Deze wijzigingsregeling schrijft voor dat de monitoring van de omgevingswaarde die is vastgesteld voor stikstofdepositie in 2030, plaatsvindt met behulp van AERIUS Monitor versie 2023. AERIUS Monitor wordt jaarlijks geactualiseerd op basis van de meest recente wetenschappelijke en ecologische inzichten en de juridische en beleidsmatige uitgangspunten. Hierdoor zijn fluctuaties mogelijk in de aantallen stikstofgevoelige hectares en de totale depositie op die hectares. De wijze waarop de gegevens tot stand komen die in AERIUS Monitor 2023 getoond worden, wordt beschreven in de bij deze versie van AERIUS Monitor behorende factsheets. Deze factsheets worden gepubliceerd op de website van AERIUS (www.aerius.nl).

AERIUS Register versie 2023

AERIUS Register versie 2023 is de nieuwe versie voor het registreren van stikstofdepositieruimte. Alle daarin opgenomen stikstofdepositieruimte is berekend met AERIUS Calculator versie 2023. Deze stikstofdepositieruimte is onder andere afkomstig uit een deel van de effecten van de beëindiging van varkenshouderijen met toepassing van de Srv. Het betreft in Register versie 2022 beschikbaar gestelde, maar nog niet benutte Srv-ruimte, geactualiseerd met AERIUS Calculator 2023 en nieuw beschikbaar gestelde Srv-ruimte. De Srv-ruimte wordt binnen AERIUS Register opgeslagen in de SSRS-bank. In versie 2023 zal AERIUS Register, naast de SSRS-bank, verschillende separate banken bevatten, waaronder provinciale banken en banken van diverse andere ministeries. Stikstofdepositieruimte die resteert in reeds vóór deze regelingswijziging bestaande provinciale banken zal worden geactualiseerd met AERIUS Calculator 2023 en worden opgenomen in de na deze wijzigingsregeling in AERIUS Register ondergebrachte banken.

6. Overgangsrecht en rechtsbescherming

6.1 Inleiding

In onderstaande paragrafen wordt nader ingegaan op het overgangsrecht en rechtsbescherming in het kader van deze wijzigingsregeling.

6.2 Overgangsrecht

Deze wijzigingsregeling bevat geen overgangsrecht. Bij de verlening van natuurvergunningen moet worden uitgegaan van de laatste wetenschappelijke, ecologische en juridische inzichten. Die omstandigheid laat geen ruimte om de oude versies van AERIUS Calculator en Register toe te passen op nog in behandeling zijnde aanvragen om natuurvergunningen. De nieuwe versies gelden niet voor al onherroepelijk geworden natuurvergunningen, en ook niet voor natuurvergunningen waartegen beroep is ingesteld of ten aanzien waarvan de beroepstermijn nog loopt. In het bestuursrecht toetst de bestuursrechter aan het destijds geldende recht. Wel moeten de nieuwe versies worden toegepast als de rechter de vergunning vernietigt en het bestuursorgaan een nieuwe beslissing moet nemen.

6.3 Rechtsbescherming

De wijzigingsregeling brengt geen verandering aan in de wijze van toestemmingverlening als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb en artikel 5.1, eerste lid, onderdeel e, van de Ow en brengt evenmin wijzigingen aan in de bevoegdheidsverdeling tussen overheden. De in deze wijzigingsregeling opgenomen regels over het instellen van stikstofbanken door overheden zijn gelet op hun aard geen regels die openstaan voor bezwaar en beroep. Dat geldt ook voor de regels over de maatregelen en de aangepaste prioritering in het subcompartiment van de SSRS-bank met ruimte voor PAS-melders, woningbouw en rijkswegprojecten.

7. Effecten van de regeling

7.1 Inleiding

Deze paragraaf bevat een beschrijving van de effecten van deze regeling voor de overheden (paragraaf 7.2) en de gevolgen van deze regeling voor de regeldruk voor burgers en bedrijven (paragraaf 7.3 en 7.4). Ook is een aantal uitvoeringsorganisaties gevraagd naar de handhaafbaarheid, uitvoerbaarheid en fraudebestendigheid van de regeling (paragraaf 7.5).

Daarnaast is het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) gevraagd om advies uit te brengen over de ontwerpregeling op het aspect regeldruk. Het Adviescollege Toetsing Regeldruk heeft besloten om over deze wijzigingsregeling geen formeel advies uit te brengen. De gevolgen voor de regeldruk zijn niet substantieel en voldoende beschreven in de toelichting.

7.2 Gevolgen voor overheden

De gevolgen voor overheden door deze wijzigingsregeling worden beperkt geacht. Hieronder wordt dat nader toegelicht per onderdeel van de wijzigingsregeling.

Toevoegen maatregelen aan de SSRS-bank

Door het toevoegen van maatregelen (paragraaf 2) komt er meer stikstofdepositieruimte in de SSRS-bank beschikbaar waarmee activiteiten meer perspectief krijgen op toestemming. De regeling brengt echter geen wijzigingen aan in de bevoegdheidsverdeling tussen overheden ten aanzien van vergunningverlening en de verdeling van taken op het gebied van handhaving. Ook zijn er geen gevolgen voor de wijze van rechtsbescherming tegen de besluiten waarin op grond van de regeling stikstofdepositieruimte kan worden toegedeeld.

Aanpassing prioritering doelen van de SSRS-bank

Deze aanpassing verandert de systematiek van prioritering van stikstofdepositieruimte en vraagt een andere werkwijze van bevoegd gezagen. Provincies, en in sommige gevallen het Rijk, hebben met deze nieuwe werkwijze vier maanden (17 weken) om dossiers van de PAS-meldingen gereed te maken voor legalisatie. BZK zal voor het maken van een pre-reservering vooraf duidelijk maken voor welke concrete woningbouwprojecten zij een pre-reservering willen doen. Daartoe is het nodig dat provincies of gemeenten dat in beeld brengen. De depositieruimte die daarna overblijft wordt verdeeld volgens het molenaarsprincipe (‘wie het eerst komt, wie het eerst maalt’). Dat geeft voor alle drie de doelen meteen kansen om depositieruimte te gebruiken als die beschikbaar is. Om dat goed te doen, is een proactieve houding van de betrokken organisaties nodig. De overheden die betrokken zijn bij het mogelijk maken van wegenprojecten en het legaliseren van PAS-meldingen passen de werkzaamheden wel aan op de nieuwe werkwijze, maar er vindt geen wijziging plaats in de bevoegdheidsverdeling tussen overheden ten aanzien van vergunningverlening en de verdeling van taken op het gebied van handhaving. Ook zijn er geen gevolgen voor de wijze van rechtsbescherming tegen de besluiten waarin op grond van de Rnb en de Or zoals gewijzigd door deze wijzigingsregeling stikstofdepositieruimte kan worden toegedeeld.

Toevoegen stikstofbanken aan AERIUS Register

De regeling brengt geen wijzigingen aan in de bevoegdheidsverdeling tussen overheden ten aanzien van vergunningverlening en de verdeling van taken op het gebied van handhaving. Ook zijn er geen gevolgen voor de wijze van rechtsbescherming tegen de besluiten waarin op grond van de regeling stikstofdepositieruimte kan worden toegedeeld. Wel bepaalt de regeling dat andere ministers en gedeputeerde staten depositieruimte kunnen (laten) registreren in AERIUS Register. Voor de partijen die eerder nog geen gebruik maakten van Register vereist dit wel een nieuwe werkwijze.

Toevoegen van stikstofdepositieruimte aan AERIUS Register zonder vaststelling nieuwe versie AERIUS Register

Het registreren van depositieruimte gebeurt als gevolg van deze wijzigingsregeling door verschillende bevoegde gezagen. Dat kan in opdracht en onder verantwoordelijkheid van verschillende ministers, die niet allemaal tevens bevoegd gezag zijn. Dat resulteert in het verschuiven van registratie door BIJ12, de uitvoeringorganisatie van de gezamenlijke provincies, in opdracht van de Minister voor NenS naar het bevoegd gezag. Verder is de procedure om depositieruimte toe te voegen aan het AERIUS Register hierdoor vereenvoudigd. Het vullen van AERIUS Register zonder dat daarvoor een wijziging van de Rnb en de toekomstige Or en het Bkl nodig is, vermindert de lastendruk bij de bij deze regelingen betrokken ministeries. De regeling brengt echter geen wijzigingen aan in de bevoegdheidsverdeling tussen overheden ten aanzien van vergunningverlening en de verdeling van taken op het gebied van handhaving. Ook zijn er geen gevolgen voor de wijze van rechtsbescherming tegen de besluiten waarin op grond van de regeling stikstofdepositieruimte kan worden toegedeeld.

Het blokkeren van extern salderen met uit AERIUS Register verkregen depositieruimte

Met de nieuwe bepaling in artikel 2.10, vijfde lid, Rnb en artikel 17a.17, vijfde lid, Or wordt geregeld dat indien de vergunning voor een project (gedeeltelijk) wordt ingetrokken, de eerder toegedeelde stikstofdepositieruimte terugvloeit naar de betreffende stikstofbank. Het maakt daarbij niet uit welke activiteiten exact worden beëindigd door de saldogever. Maar zolang er nog een deel van de ‘Register’-stikstofdepositieruimte in gebruik is door de saldogever, moet eerst deze stikstofdepositieruimte terugvloeien naar de betreffende stikstofbank alvorens de saldogever andere stikstofdepositieruimte ter beschikking kan stellen aan een derde saldonemer.

Dat betekent dus in de praktijk dat als een bevoegd gezag het verzoek ontvangt een toestemming in te trekken ten behoeve van het inzetten van vrijgemaakte stikstofdepositieruimte voor een andere activiteit (extern salderen), er moet worden gecontroleerd of voor de toegestane activiteit stikstofdepositieruimte uit een stikstofbank was gebruikt. Als bij de in te trekken toestemming stikstofdepositieruimte uit de stikstofbank is verkregen, schrijft het bevoegd gezag dat deel aan stikstofdepositieruimte bij in AERIUS Register.

Uit deze bepalingen volgt tevens dat het bevoegd gezag van de aanvraag van een initiatiefnemer die stikstofdepositieruimte van een saldogever heeft ontvangen, geen toestemming kan verlenen voor het inzetten van die ‘Register’-stikstofdepositieruimte als mitigerende maatregel.

Het uitgangspunt hierbij is dat het exacte saldo aan stikstofdepositieruimte dat eerder was toegekend moet worden bijgeschreven in AERIUS Register, waarbij de activiteiten niet opnieuw hoeven te worden doorgerekend. De bij te schrijven stikstofdepositieruimte in AERIUS Register volgt dus uit de berekeningen die bij de oorspronkelijke vergunning zaten aan de hand waarvan stikstofdepositieruimte is uitgegeven. Wel wordt het project van de saldogever opnieuw berekend met AERIUS Calculator. Als blijkt dat door actualisatie van AERIUS te weinig stikstofdepositieruimte wordt veroorzaakt op hexagonen waarvandaan saldo terug moet naar AERIUS Register, hoeft slechts dat deel in AERIUS Register te worden bijgeschreven dat maximaal door het project wordt veroorzaakt.

Bovenstaande betekent dus bijvoorbeeld als voor een uitbreiding een vergunning is verkregen met stikstofdepositieruimte uit de SSRS-bank, en deze ondernemer extern wil salderen als saldogever, eerst de stikstofdepositieruimte die eerder is verkregen moet worden bijgeschreven in de SSRS-bank. Het resterende deel komt dan in aanmerking voor extern salderen (waarbij overigens nog aanvullende regels kunnen gelden op grond van beleidsregels van het bevoegd gezag zoals afroming).

Het voorschrijven van versie 2023 AERIUS Calculator, Register en Monitor

De actualisatie naar een nieuwe versie van AERIUS Calculator, in dit geval versie 2023, betekent voor lopende vergunningprocedures waarover nog niet definitief besloten is, dat de depositieberekening opnieuw moet worden uitgevoerd. Het is daarbij mogelijk dat de resultaten en conclusies veranderen. Veelal is hierdoor een herbeoordeling vereist. Het bevoegde gezag voor het verlenen van natuurvergunningen is hiermee belast. Verleende vergunningen worden geacht rechtmatig te zijn. Na inwerkingtreding van deze wijzigingsregeling komt geactualiseerde en nieuwe Srv-ruimte beschikbaar in Register versie 2023.

Ten aanzien van vergunningen die zijn verleend met een oudere AERIUS Register versie en die nog niet onherroepelijk zijn, geldt het volgende. Indien een tegen het besluit ingesteld beroep gegrond wordt verklaard en het besluit wordt vernietigd door de bestuursrechter, dient het bevoegd gezag een nieuw besluit op de aanvraag te nemen. Dit nieuwe besluit wordt beoordeeld aan de hand van de depositieruimte in Register versie 2023. Dit leidt verder niet tot wijzigingen in het gebruik van AERIUS Register door bevoegde gezagen bij toestemmingverlening.

De verplichting om AERIUS Monitor versie 2023 te gebruiken voor de monitoring van de omgevingswaarden voor stikstofdepositie voor 2030 heeft geen gevolgen voor overheden, anders dan dat waarden kunnen afwijken ten opzichte van AERIUS Monitor 2022 wat kan leiden tot heroverweging van bestaande beleidsmaatregelen.

7.3 Regeldruk

Naar aanleiding van deze wijzigingsregeling is in kaart gebracht of en in welke mate er gevolgen zijn voor burgers. De onderwerpen waarop deze wijzigingsregeling ziet, roepen geen nieuwe verplichting in het leven voor burgers en is ook niet beperkend. Dat maakt dat deze wijzigingsregeling geen gevolgen heeft voor de regeldruk voor burgers.

7.4 MKB-toets (gevolgen voor bedrijfsleven)

Voor dossiers met substantiële gevolgen moet een MKB-toets en een toets specifiek voor agrarische bedrijven worden uitgevoerd.36 Daarom is gekeken of verwacht kan worden dat er (mogelijk) substantiële regeldrukeffecten voor het MKB en specifiek voor agrarische bedrijven zullen optreden als gevolg van deze regeling.

Aanpassing van de prioritering van de doelen in de SSRS-bank

Bij de wijziging van het uitgeven van stikstofdepositieruimte is er een gevolg voor bedrijfsleven en dan met name voor bedrijven die betrokken zijn bij woningbouwprojecten. Van woningbouwprojecten die een pre-reservering krijgen, wordt het precieze project in beeld gebracht om de benodigde stikstofdepositieruimte te berekenen. Om dat goed te kunnen doen, is medewerking van de bedrijven nodig die deze bouwprojecten leiden. Voor de bedrijven die renovatie- en veiligheidsprojecten kunnen uitvoeren ontstaat door deze wijziging van de regeling een mogelijkheid om daarbij gebruik te maken van stikstofdepositieruimte. Om die depositieruimte te kunnen gebruiken, geldt dat er specifieke momenten zullen komen waarop een berekening moet worden aangeleverd om depositieruimte te kunnen afboeken. Voor initiatiefnemers van PAS-meldingen geldt dat er geen sprake is van extra lasten. Zij hebben de benodigde gegevens al aangeleverd. Het meest voorname gevolg is dat zij door deze wijziging sneller in aanmerking kunnen komen voor legalisatie.

Toevoegen stikstofbanken aan AERIUS Register

Het mogelijk maken van de Rijksbanken, provinciale banken en de microdepositiebank heeft geen gevolgen voor het bedrijfsleven, aangezien het aan overheden is om met de stikstofbanken te werken. Het toevoegen van de maatregelen zorgt niet voor lasten voor het bedrijfsleven. Voor partijen die aanspraak willen maken op depositieruimte uit het Register verandert er niets.

Technische aanpassingen aan AERIUS Register

De technische wijzigingen kennen geen gevolgen voor het bedrijfsleven, aangezien het aan overheden is om met AERIUS Register te werken. Het toevoegen van de maatregelen zorgt niet voor lasten voor het bedrijfsleven. Wel is er een relatie: maatregelen slaan in een aantal gevallen op wijzigingen in de bedrijfsvoering van onder meer MKB-bedrijven. Als gevolg daarvan ontstaat een daling in de stikstofdepositie die als onderdeel van de maatregel geregistreerd kan worden. Hoe die daling ontstaat en welke effecten dat voor de betreffende bedrijven heeft, wordt beschreven bij de regelingen van de betreffende maatregelen. Die gevolgen treden niet op als gevolg van deze wijzigingsregeling.

7.5 Uitvoerbaarheidstoets (HUF)

De uitvoerende organisaties het Interprovinciaal Overleg (IPO), zijnde BIJ12, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), de Unie van Waterschappen (UvW) en Rijkswaterstaat (RWS) zijn gevraagd naar de handhaafbaarheid, uitvoerbaarheid en fraudebestendigheid (HUF) van deze regeling. De waardevolle inbreng van deze organisaties is betrokken bij de vormgeving van deze wijzigingsregeling. Ook zijn er afspraken gemaakt over de invoering in de praktijk. Zie ook paragraaf 8 voor een reactie op hoofdlijnen.

8. Consultatie

8.1 Inleiding

Een concept van deze wijzigingsregeling heeft opengestaan voor consultatie op www.internetconsultatie.nl/rnb_or_stikstof. Van 20 juni 2023 tot en met 31 juli 2023 heeft de internetconsultatie en de formele advisering op de ontwerpregeling plaatsgevonden. Van elf particulieren en organisaties zijn reacties op de internetconsultatie ontvangen. Dit betrof een diverse groep van burgers en branche- en belangenorganisaties.

De consultatieversie van de wijzigingsregeling is door een deel van de indieners positief ontvangen, maar er zijn ook kritische geluiden. Deze reacties hebben geleid tot verduidelijking van de artikelen en de toelichting. Een deel van de reacties ziet overigens niet op de inhoud en strekking van het regeling zelf, maar op andere achterliggende politiek-bestuurlijke keuzes op het stikstofdossier. In de volgende paragraaf worden de hoofdlijnen van de consultatiereacties beschreven die betrekking hebben op deze wijzigingsregeling.

8.2 Reacties per thema

In deze paragraaf worden de hoofdlijnen van de uitkomsten van de consultatiereacties beschreven. Hierbij zijn ook de aanvullende opmerkingen van de uitvoeringsorganisaties meegenomen (zie ook paragraaf 7.5).

Maatregelen

In een reactie werd aangegeven dat het fijn zou zijn als ook de LBV(+) en MGA-2 als maatregelen aan de SSRS-bank worden toegevoegd met deze wijzigingsregeling. Dit is nu nog niet meegenomen want stikstofdepositieruimte kan pas in AERIUS Register worden opgenomen als de activiteiten van ondernemers die deelnemen aan een dergelijke regeling zijn beëindigd én de desbetreffende toestemmingen, zoals vergunningen of meldingen, zijn ingetrokken.

Prioritering

Enkele reacties gaan in op de keuze om de doelen woningbouwprojecten, PAS-meldingen en Rijkswegenprojecten te prioriteren ten koste van andere grote maatschappelijke opgaven, zoals waterveiligheid en de energietransitie. Het kabinet heeft moeten constateren dat er op de korte termijn te weinig stikstofdepositieruimte beschikbaar komt om alle urgente maatschappelijke opgaven te voorzien van stikstofdepositieruimte. De voorgestelde wijziging van de systematiek in de SSRS-bank leidt ertoe dat er zo min mogelijk depositieruimte ongebruikt blijft. De stikstofdepositieruimte uit de Srv en Rpav is toegezegd aan de voorgenoemde doelen en om die reden zijn er geen nieuwe doelen toegevoegd. Dat betekent niet dat de andere doelen in de tussentijd geen doorgang kunnen vinden. Initiatiefnemers kunnen zelf stikstofdepositieruimte verwerven of het project zo aanpassen dat er geen significante gevolgen voor de natuur zijn.

Een ingebracht voorstel was om zolang niet alle PAS-meldingen zijn gelegaliseerd, een aparte pot voor PAS-meldingen te maken. Het kabinet heeft geconstateerd dat het legaliseren van PAS-melders niet snel genoeg gaat. Daarom is ervoor gekozen meer prioriteit te geven aan PAS-meldingen bij het verdelen van de stikstofdepositieruimte uit onder meer de Srv en de Rpav en wordt de Rpmp, waarvan de depositieruimte alléén voor PAS-meldingen beschikbaar is, hierop aanvullend ingezet. Tegelijkertijd is er sprake van een grote schaarste van stikstofdepositieruimte, ook voor andere sectoren. Het kabinet wil dat alle depositieruimte die beschikbaar is, daadwerkelijk ingezet kan worden aan de doelen die de hoogste urgentie worden toegedicht (PAS-meldingen en woningbouwprojecten, en vervolgens renovatie- en veiligheidsprojecten). Aangezien de verwachting is dat op termijn meer stikstofdepositieruimte beschikbaar komt, wordt de kans beperkt dat er significante vertraging van de legalisatieopgave optreedt.

Systeem

Met deze wijzigingsregeling verandert de inrichting van AERIUS Register. Enkele reacties gaan in op de gevolgen van die aanpassing aan het systeem. Om de verschillen tussen de oude en de nieuwe situatie te verduidelijken zijn schema’s toegevoegd aan de toelichting (paragraaf 1). In paragraaf 1 en 3 zijn de nieuwe begrippen zoals (sub)compartiment en pre-reservering nader toegelicht.

In overleg met de betrokken partijen zijn aanvullend op deze wijzigingsregeling werkafspraken opgesteld waarin taken en verantwoordelijkheden zijn vastgelegd, zoals ten aanzien van additionaliteit en open data.

Naar aanleiding van vragen over de microdepositiebank is de tekst nader verduidelijkt in paragraaf 4.4. Ook is gevraagd naar een nadere toelichting op hoe de depositieruimte verdeeld wordt. Dit staat per bank beschreven in paragraaf 4 van deze toelichting.

Blokkeren van extern salderen met uit AERIUS Register verkregen depositieruimte

Verschillende reacties gaan in op het blokkeren van extern salderen met uit AERIUS Register verkregen depositieruimte. Een aantal reacties vroeg om verduidelijking ten aanzien van het afromen alvorens depositieruimte in de stikstofbanken te registreren. In de toelichting is nader verduidelijkt dat er niet opnieuw hoeft te worden afgeroomd bij het terugvloeien van stikstofdepositieruimte als gevolg van het intrekken van de toestemming met Register-stikstofdepositieruimte. Naar aanleiding van een aantal vragen over staatssteun is de tekst in de toelichting hierover verduidelijkt.

Onderscheid tussen ammoniak en stikstofoxiden

In een aantal reacties wordt gevraagd naar het onderscheid dat niet gemaakt wordt tussen ammoniak en stikstofoxiden. In de AERIUS-berekening die ten grondslag ligt aan de stikstofdepositie die opgenomen kan worden in de stikstofbanken, wordt altijd gerekend met de totale depositie van stikstof. Bij deze berekening wordt de verspreiding en depositie van de verschillende componenten (NH3 of NOx) zo lang mogelijk afzonderlijk bepaald om rekening te kunnen houden met de verschillende (fysische) eigenschappen van de componenten. Het resultaat wordt vervolgens gegeven als depositie van totaal stikstof (N). Een belangrijke reden hiervoor is dat in de beoordeling een vergelijking met de kritische depositiewaarde (KDW) wordt gemaakt en dat deze KDW ook geen onderscheid tussen depositie van NH3 en van NOx maakt.

Momenteel vindt een evaluatie plaats van extern salderen in de brede zin. In die evaluatie wordt ook het inwisselen van NH3 voor NOx bij extern salderen betrokken.37 Mochten de resultaten uit dat onderzoek aanleiding zijn om het beleid te wijzigen, dan zal dat doorwerking hebben in het gebruik van de stikstofbanken.

Transparantie en Open data

Tot slot waren er enkele reacties over transparantie en open data. Ten aanzien van transparantie en open data biedt AERIUS Register na inwerkingtreding van deze wijzigingsregeling de mogelijkheid om een rapportage uit te draaien voor zover de eigenaar van de stikstofbank dit relevant en wenselijk acht.

Artikelsgewijs

Artikel I (wijziging Regeling natuurbescherming)

Dit artikel berust op de volgende bepalingen die worden opgesomd in de aanhef van deze regeling, na ‘Gelet op’:

  • artikel 2.9, vierde lid, Wnb is de grondslag voor de aanwijzing in de Rnb van AERIUS Calculator 2023 (wijziging artikel 2.1, eerste lid, Rnb);

  • artikel 5.5a, eerste lid, derde lid, onder b, en vijfde lid, Wnb is de grondslag voor de wijziging van de Rnb-bepalingen over AERIUS Register;

  • artikel 2.2 van het Besluit natuurbescherming is de grondslag voor de aanwijzing in de Rnb van versie 2023 van AERIUS Monitor (wijziging artikel 2.11 Rnb).

Onderdeel A (wijziging artikel 1.1: begripsbepalingen)

AERIUS Register: deze term vervangt de term ‘register’. Tot nu toe voorzagen de Rnb-bepalingen over AERIUS Register alleen in regels over een beperkt aantal doelen, en was alleen geregeld dat de Minister voor NenS depositieruimte op kon nemen in het ‘stikstofregistratiesysteem’. De provinciale stikstofbanken waren operationeel in een functionele kopie van AERIUS Register, maar vielen niet onder de reikwijdte van de Rnb-bepalingen. Door deze wijzigingsregeling krijgt AERIUS Register een grotere reikwijdte. Via afzonderlijke compartimenten binnen AERIUS Register die zijn gevuld met depositieruimte die is gecreëerd door ‘eigen’ maatregelen van verschillende overheden voor ‘eigen’ doelen, zijn als het ware verschillende stikstofbanken of doelenbanken te onderscheiden. Deze wijziging wordt gemarkeerd door niet langer het begrip ‘register’ centraal te stellen, maar het begrip ‘AERIUS Register’. In verband hiermee is ook de begripsomschrijving van depositieruimte aangepast.

Het begrip ‘kavelbesluit’ is toegevoegd vanwege de introductie van een aparte stikstofbank voor projecten van de Minister voor Klimaat en Energie (KenE), de zogeheten rijksbank KenE.

Tot nu toe stond de SSRS-bank onder meer open voor de zeven in artikel 2.2 Rnb opgesomde projecten (tracébesluiten) uit het Meerjarenprogramma Infrastructuur Ruimte en Transport (MIRT). Deze specifieke besluiten worden met de onderhavige wijzigingsregeling uit artikel 2.2 geschrapt als projecten waarvoor een beroep op depositieruimte in AERIUS Register kan worden gedaan. Renovatie- en veiligheidsprojecten ten aanzien van rijkswegen nemen met deze wijzigingsregeling in de SSRS-bank de plaats in van die tracébesluiten. Tracébesluiten kunnen in elk geval tot 1 januari 2024 (inwerkingtreding Ow) nog in aanmerking komen voor depositieruimte uit de rijksbank IenW.38 De begripsomschrijving van tracébesluit is hierop aangepast.

Onderdeel B (wijziging artikel 2.1: aanwijzing AERIUS Calculator 2023 en concretiseren minister)

Met dit onderdeel wordt AERIUS Calculator 2023 voorgeschreven als rekeninstrument voor de berekening van de door projecten veroorzaakte stikstofdepositie op daarvoor gevoelige habitats in Natura 2000-gebieden. In paragraaf 5.4 van het algemeen deel van deze toelichting is uiteengezet welke wijzigingen in die versie zijn aangebracht, en dat aan de actualisatie op passende wijze bekendheid is gegeven voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wijzigingsregeling.

Daarnaast wordt met dit onderdeel ‘minister’ geconcretiseerd als ‘Minister voor Natuur en Stikstof’. In de begripsbepalingen is ‘minister’ omschreven als ‘Minister voor Natuur en Stikstof’. Omdat in paragraaf 2.1.2 van de Rnb in verschillende bepalingen ook andere ministers dan de Minister voor Natuur en Stikstof (NenS) worden genoemd, is voor alle duidelijkheid in dit geval en op enkele andere plaatsen de portefeuille van de minister uitgeschreven.

Onderdeel C (wijziging opschrift paragraaf 2.1.2)

Met dit onderdeel wordt het opschrift van paragraaf 2.1.2 aangepast van ‘Stikstofregistratiesysteem’ naar ‘AERIUS Register’. De afkorting SSRS blijft in gebruik, maar alleen voor de SSRS-bank.

Onderdeel D (artikelen 2.2 tot en met 2.4f: o.a. opsomming van doelprojecten en van maatregelen waardoor depositieruimte ontstaat; opnemen van depositieruimte in AERIUS Register; bestemming van de depositieruimte in de afzonderlijke stikstofbanken)
Wijziging artikel 2.2: doelprojecten AERIUS Register

Onderdeel a van artikel 2.2 over ‘woningbouwprojecten’ is ongewijzigd gebleven, evenals onderdeel c van dat artikel over ‘gemelde PAS-projecten’. De ‘woningbouwclusters’ zijn als aparte categorie geschrapt. De toedeling van depositieruimte uit het register vindt uiteindelijk plaats aan de individuele woningbouwprojecten. Voor een woningbouwcluster – zijnde een cluster van ruimtelijk samenhangende woningbouwprojecten – kan wel depositieruimte worden gereserveerd vooruitlopend op de mogelijke reservering en toedeling van depositieruimte aan individuele woningbouwprojecten, overeenkomstig de procedure van het nieuwe artikel 2.8a.

In het gewijzigde onderdeel b van artikel 2.2 worden ‘renovatieprojecten en projecten ter vergroting van de veiligheid van weggebruikers en anderen’ aangemerkt als projecten waarvoor depositieruimte beschikbaar kan worden gesteld. Dit ter vervanging van de projecten van de eerder genoemde zeven tracébesluiten, waarvoor geen behoefte meer is aan depositieruimte uit de SSRS-bank. Onder ‘rijksweg’ wordt verstaan elke weg die in beheer is van het Rijk. Onder ‘renovatieprojecten en projecten ter vergroting van de veiligheid van weggebruikers en anderen’ worden alle projecten verstaan die noodzakelijk zijn voor herstel of gedeeltelijke vernieuwing met het oog op een duurzaam behoud van de weg, en projecten die van belang zijn voor de veiligheid van weggebruikers en andere personen. Het gewijzigde artikel 2.4a regelt de verdeling van de depositieruimte afkomstig uit verschillende bronmaatregelen over de verschillende categorieën van projecten. Zie verder paragrafen 3.1 en 3.2 van het algemeen deel van deze toelichting.

Verder worden aan artikel 2.2 categorieën van projecten toegevoegd waarvoor AERIUS Register en de regels over het gebruik en het beheer daarvan relevant zijn. De wijziging hangt direct samen met de verbrede reikwijdte van het Register, waarbinnen via afzonderlijke compartimenten gevuld met depositieruimte die is gecreëerd door ‘eigen’ maatregelen van verschillende overheden voor ‘eigen’ doelen, als het ware verschillende ‘stikstofbanken’ of ‘doelenbanken’ in zijn te onderscheiden. Dergelijke eigen compartimenten zijn er voor de Ministers van BZK, van IenW, voor KenE en van Defensie. Daarnaast hebben gedeputeerde staten van elke provincie een eigen compartiment. Binnen de compartimenten kan desgewenst voor verschillende doelen nog een nader onderscheid via subcompartimenten worden aangebracht. De onderscheiding van compartimenten binnen AERIUS Register en de mogelijkheid van het instellen van subcompartimenten worden geregeld in het nieuwe vierde lid van artikel 2.3. Zie verder de paragrafen 2 en 3 en 4 van het algemene deel van de toelichting.

Wijziging artikel 2.3: nieuwe versie AERIUS Register en verantwoordelijkheidsverdeling

De term rijksvastgoedprojecten doelt op alle projecten van het Rijksvastgoedbedrijf.

Nu het begrip ‘AERIUS Register’ in artikel 1.1 is omschreven en de werking ervan in verschillende artikelen in paragraaf 2.1.1 is uitgewerkt, kan het bestaande eerste lid van artikel 2.3 dat voorzag in instelling van het Register, worden geschrapt. In verschillende leden wordt de verwijzing naar het Register in verband met de begripsomschrijving aangepast. Hoewel verschillende ministers en de provincies verantwoordelijkheden hebben ten aanzien van het AERIUS Register met de nieuwe verbrede reikwijdte, blijft de systeemverantwoordelijkheid voor AERIUS Register berusten bij de Minister voor NenS (tweede lid, voorheen derde lid). Ter voorkoming van onduidelijkheid is – ondanks de omschrijving in artikel 1.1 van het begrip ‘minister’ – de functie van deze minister in het tweede lid voluit geschreven. Het is evenwel niet meer altijd de Minister voor NenS die de door maatregelen gecreëerde depositieruimte in het Register opneemt, reden waarom de formulering van voorheen het derde lid is aangepast.

In het gewijzigde eerste lid van artikel 2.3 wordt het gebruik van een nieuwe, actuele versie van het Register voorgeschreven: ‘AERIUS Register versie 2023’. Voor het overige is het eerste lid gelijk aan voorheen het tweede lid. In paragraaf 5 van het algemeen deel van deze toelichting is nader toegelicht welke technische aanpassingen in deze versie van het register zijn verwerkt. Zo wordt het ingevolge de onderhavige regeling onder andere mogelijk dat de Minister voor NenS en – voor de ‘eigen’ stikstofbanken – ook andere ministers en gedeputeerde staten depositieruimte toevoegen aan AERIUS Register. Daarvoor hoeft niet telkens door de Minister voor NenS een geheel nieuwe versie van AERIUS Register te worden vastgesteld, wat ook voorkomt dat daarvoor telkens de Regeling natuurbescherming (Rnb) moet worden gewijzigd. Verwezen wordt naar de wijziging van artikel 2.6.

Bij het registreren wordt, zoals al gold, ten hoogste 70% van de depositieruimte ingeboekt (derde lid, voorheen vijfde lid). Die afroming dient als correctie voor mogelijke latente ruimte in vergunningen; voorkomen moet immers worden dat die depositieruimte door opname in AERIUS Register en toedeling bij nieuwe vergunningverlening daadwerkelijk in gebruik wordt genomen. Uitgangspunt daarbij is de vergunde gerealiseerde capaciteit. Daarvan komt maximaal 70% beschikbaar voor het AERIUS Register. Capaciteit die niet gerealiseerd is, wordt niet meegenomen. Denkbaar is dat depositieruimte opnieuw wordt toegevoegd aan AERIUS Register, als de activiteit waaraan de depositieruimte was toegedeeld, wordt beëindigd (zie artikel 2.5, vierde lid, en artikel 2.10) of omdat een bestaande provinciale stikstofbank opgaat in AERIUS Register. In dat geval vindt uiteraard niet opnieuw afroming plaats.

Het in het vierde lid genoemde onderscheid dat in AERIUS Register kan worden gemaakt tussen de verschillende doelen waarvoor depositieruimte kan worden gebruikt, hangt direct samen met de verbreding van de reikwijdte van AERIUS Register, waardoor verschillende overheden eigen depositieruimte in eigen compartimenten voor eigen doelen kunnen laten registreren. Daarbij kan binnen de compartimenten ook weer een nader onderscheid worden gemaakt door de instelling van subcompartimenten.

Zie verder de toelichting over het beheer en de verantwoordelijkheden binnen AERIUS Register in paragraaf 5 van het algemene deel van de toelichting.

Wijziging artikel 2.4: toevoegen van maatregelen, mededeling van genomen maatregelen en registratie van stikstofdepositie

Met dit onderdeel zijn maatregelen die depositieruimte creëren toegevoegd aan AERIUS Register. Specifiek worden de Regeling provinciale aankoop veehouderijen (Rpav) en de Regeling provinciale maatregelen PAS-melders (Rpmp) als nieuwe maatregelen verbonden aan de SSRS-bank toegevoegd. De Subsidieregeling sanering varkenshouderijen (Srv) is een reeds bestaande maatregel voor de SSRS-bank.

De door die maatregelen daadwerkelijk gerealiseerde depositiedaling – overeenkomstig de eisen van het vijfde lid van artikel 2.4 – wordt als depositieruimte in AERIUS Register opgenomen. Zie paragraaf 2. van het algemeen deel van deze toelichting.

De overige maatregelen die zijn toegevoegd aan AERIUS Register, zijn minder specifiek geformuleerd. Niet alle maatregelen die depositieruimte opleveren zijn op dit moment al bekend. Door middel van een ruime formulering van de mogelijke maatregelen in het eerste lid, onderdelen d tot en met h, en derde lid, en het bekendmaken van de maatregelen wanneer deze worden verbonden aan AERIUS Register (vijfde lid), wordt flexibiliteit ingebouwd. Zie verder paragraaf 4 van de algemene toelichting voor een verdere toelichting op de maatregelen van de ministers en gedeputeerde staten.

Het tweede lid regelt de mogelijkheid dat depositieruimte die is gecreëerd door maatregelen van gemeenten, waterschappen of provincies, ook kan worden aangemerkt als maatregel van een minister of een (andere) provincie, en zo kan worden opgenomen in AERIUS Register en kan worden ingezet voor de doelen waarvoor die minister of provincie depositieruimte kan inzetten. Dat geeft flexibiliteit. Deze mogelijkheid bood voorheen het tweede lid al, maar is aangepast in verband met de uitbreiding van het aantal bestuursorganen dat is betrokken bij AERIUS Register en kan beschikken over een eigen compartiment met depositieruimte.

Voor de volledigheid wordt hier opgemerkt dat onder het begrip ‘intrekking’, zoals gebruikt in het derde lid, onderdeel a, ook een gedeeltelijke intrekking van een toestemming kan worden verstaan. Dit wordt in de praktijk en de jurisprudentie al lange tijd geaccepteerd.39

De in het derde lid, onderdeel a, en vierde lid, bedoelde vormen van toestemming, zijn alle toestemmingen – inclusief wettelijke voorschriften – op basis waarvan overeenkomstig de vaste jurisprudentie van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State projecten die stikstofdepositie veroorzaken op Natura 2000-gebieden legaal kunnen worden uitgevoerd en waarvan de toegestane emissie – omgerekend naar stikstofdepositie in mol/ha/jaar op de relevante hexagonen van stikstofgevoelige Nauta 2000-gebieden – kan worden gebruikt als depositieruimte voor toekomstige toestemmingverlening. Dat zijn uiteraard sowieso toestemmingsbesluiten waarbij toepassing is gegeven aan de vereiste toetsing op grond van artikel 6, derde lid, Habitatrichtlijn, zoals Natura 2000-vergunningen en omgevingsvergunningen milieu waarbij is aangehaakt voor de Natura 2000-toets. Maar ingeval een activiteit al bestond voor de datum dat artikel 6, derde lid, Habitatrichtlijn van toepassing werd en deze activiteit onafgebroken is voortgezet, kan op grond van deze vaste jurisprudentie ook aan een eerdere toestemming een bepaalde hoeveelheid depositieruimte worden ontleend die kan worden gebruikt voor intern of extern salderen. De ruimte wordt dan bepaald door de meest beperkende toestemming. Dus als de oorspronkelijke vergunning door latere besluiten verder is ingeperkt waardoor een minder grote emissie en dus depositie kan plaatsvinden, geldt deze mindere emissie als uitgangspunt voor de bepaling van de depositieruimte.

Het vijfde lid, onderdeel c, is ten opzichte van het voorheen geldende derde lid, onderdeel c, gewijzigd om de regeling uitvoerbaar te houden. Bij de inmiddels niet meer aan het Register verbonden snelheidsmaatregel, was de handhaving van belang om zeker te weten dat de maatregel ook een inboekbaar effect heeft. Bij veel maatregelen die tot een directe en zekere beëindiging van depositie leiden, is dat evenwel geen relevant en werkbaar criterium. Daarom wordt alleen als kernverplichting opgenomen dat de maatregelen daadwerkelijk zijn uitgevoerd. Het bestuursorgaan dat de daardoor gecreëerde depositieruimte inboekt in AERIUS Register, moet uiteraard ook de effecten en de zekerheid daarvan vaststellen, om te voorkomen dat vergunningen waarvoor de depositieruimte is gebruikt op dit punt worden aangevochten.

Het zesde lid regelt dat de minister die het aangaat of gedeputeerde staten melding doen van de getroffen maatregelen en het vullen van AERIUS Register met depositieruimte. Zie hiervoor paragraaf 5.2 van de algemene toelichting.

Artikelen 2.4a tot en met 2.4e

De inhoud van het bestaande artikel 2.4a is grotendeels gewijzigd, reden waarom het artikel in zijn geheel opnieuw wordt vastgesteld. In het oude artikel 2.4a was al direct de koppeling gemaakt tussen de herkomst van de depositieruimte uit maatregelen en de toedeling van deze depositieruimte aan projecten. Dat is de nieuwe opzet uitgewerkt in verschillende artikelen. De artikelen 2.4a tot en met 2.4e regelen voor de onderscheiden compartimenten de vulling met depositieruimte en het gebruik van die depositieruimte voor bepaalde doelen, waardoor binnen AERIUS Register feitelijk verschillende doelenbanken (kunnen) worden gecreëerd. Zie hiervoor paragraaf 1.3 van de algemene toelichting en zie ook het nieuwe vierde lid van artikel 2.3.

Artikel 2.4a(verantwoordelijkheidsverdeling registreren depositieruimte maatregelen)

In het gewijzigde artikel 2.4a is de verantwoordelijkheid geregeld voor het registreren van de depositieruimte die is vrijgekomen door de maatregelen. Voor welke doelen deze depositieruimte vervolgens mag worden gebruikt, is geregeld in de nieuwe artikelen 2.4b tot en met 2.4e. Iedere minister en alle gedeputeerde staten afzonderlijk zijn verantwoordelijk voor het registreren van de depositieruimte die is gecreëerd door de eigen maatregelen voor de eigen stikstofbank die aan AERIUS Register zijn verbonden. Zie voor de verantwoordelijkheidsverdeling van de stikstofbanken paragraaf 4.5 van het algemene deel van de toelichting.

Nieuw onderdeel van AERIUS Register is de zogenoemde ‘microdepositiebank’. Daarop heeft het nieuwe vierde lid van artikel 2.4a betrekking. Het gaat om een afgescheiden compartiment dat depositieruimte bevat die kan worden gebruikt voor vergunningverlening voor projecten met zeer beperkte (resterende) deposities. Deze specifieke depositieruimte wordt aangeduid met het begrip ‘microdepositieruimte’ en de zeer beperkte deposities worden aangeduid met het begrip ‘microdepositie’. De grens van 0,05 mol per hectare per jaar, is de drempelwaarde voor zeer kleine deposities waarvoor destijds in het kader van programma aanpak stikstof 2015-2021 een volledige vrijstelling van de Natura 2000-vergunningplicht gold. Die vrijstelling is door de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 mei 201940 onverbindend verklaard, zodat nu ook voor dergelijke zeer kleine depositie mitigatie moet plaatsvinden, bijvoorbeeld door gebruik van depositieruimte die is gecreëerd door de effecten van de maatregelen die zijn verbonden aan AERIUS Register (artikel 2.4). De microdepositiebank was al door verschillende provincies in beleidsregels41 in het leven geroepen, maar kan nu rijksbreed worden toegepast. Verwezen wordt verder naar paragraaf 4.4 van het algemene deel van de toelichting.

Artikelen 2.4b en 2.4c (toedelen depositieruimte SSRS-bank aan projecten en prioritering)

Artikel 2.4b, eerste lid, en artikel 2.4c sommen de doelen op voor de SSRS-bank Die doelen waren reeds opgenomen in het oude artikel 2.4a; daarvoor wordt depositieruimte gecreëerd met de maatregelen genoemd in artikel 2.4, eerste lid, onderdelen a, b en c (Srv, Rpav en Rpmp).

Artikel 2.4b, tweede en derde lid, brengt tot uitdrukking dat de depositieruimte afkomstig uit deze maatregelen in één compartiment beschikbaar gesteld kunnen worden. Dit gebeurt specifiek voor de PAS-meldingen, woningbouwprojecten en renovatie- en veiligheidsprojecten voor wegen in beheer bij het Rijk. Met deze artikelleden wordt een herprioritering van de doelen binnen de SSRS-bank gerealiseerd. In beginsel is er voor die doelen geen sprake van schotten tussen de beschikbare depositieruimte. Een uitzondering geldt voor depositieruimte die is gecreëerd door de Rpmp: die depositieruimte is gelet op de doelstelling van die regeling (een specifieke uitkering ter ondersteuning van het traject van de legalisering van PAS-meldingen) uiteraard exclusief bestemd voor gemelde PAS-projecten (zie artikel 2.4c), en zal daarvoor in het systeem gescheiden worden gehouden van de andere depositieruimte. Verder geldt voor depositieruimte uit de andere bronmaatregelen gedurende de eerste 17 weken na opname in AERIUS Register dat deze met voorrang naar de gemelde PAS-projecten gaat (artikel 2.4b, tweede lid). De betrokken ministers kunnen op deze prioritering een uitzondering maken voor woningbouwprojecten waarvoor reeds een vergunning was aangevraagd (artikel 2.4b, derde lid). Na die 17 weken geldt de gebruikelijke prioritering op basis van feitelijke reservering (artikel 2.5, derde lid). Zie verder paragrafen 3.1 en 3.2 van de algemene toelichting.

Voor de overige compartimenten vindt ingevolge artikel 2.4a vulling van het compartiment met depositieruimte in beginsel plaats door maatregelen van het bestuursorgaan die verantwoordelijk is voor de betrokken categorie projecten, waarbij het compartiment voor microdeposities (artikel 2.4a, vierde lid) wordt gevuld door alle bestuursorganen gezamenlijk. In artikelen 2.4c, 2.4d en 2.4e wordt de compartimentering verder uitgewerkt, waar in die artikelen de opbrengst van specifieke maatregelen aan concrete doelen wordt gekoppeld.

Artikel 2.4d (toedelen depositieruimte afkomstig uit maatregelen van vakministers)

Met het nieuwe artikel 2.4d wordt het toedelen van depositieruimte afkomstig uit de maatregelen getroffen door, op verzoek of onder de verantwoordelijkheid van of in afstemming met de onderscheiden ministers mogelijk gemaakt. Uitgangspunt is dat depositieruimte afkomstig van de maatregelen van een minister voor diens ‘eigen’ projecten is bestemd. Hier kan op basis van het tweede lid van worden afgeweken. Ministers kunnen depositieruimte afkomstig van hun maatregelen ook beschikbaar stellen voor andere projecten, als andere ministers of gedeputeerde staten daarom verzoeken.

Artikel 2.4e (toedelen depositieruimte afkomstig uit maatregelen van gedeputeerde staten)

Met het nieuwe artikel 2.4e wordt het toedelen van depositieruimte afkomstig uit de maatregelen getroffen door, op verzoek of onder de verantwoordelijkheid van of in afstemming de provincie mogelijk gemaakt. Uitgangspunt is dat depositieruimte afkomstig van de maatregelen van een provincie (provinciale staten of gedeputeerde staten) is bestemd voor de projecten waarvoor gedeputeerde staten van de betrokken provincie bevoegd gezag zijn. Hier kan op basis van het tweede lid van worden afgeweken. Gedeputeerde staten kunnen depositieruimte afkomstig uit hun compartiment ook beschikbaar stellen voor andere projecten, op verzoek van gedeputeerde staten van andere provincies of ministers.

Artikel 2.4f (toedelen depositieruimte van ten hoogste 0,05 mol)

Met dit nieuwe artikel wordt het gebruik van het afzonderlijke compartiment binnen AERIUS Register voor microdeposities geregeld (in samenhang met artikel 2.4a, vierde lid). Uit dit compartiment kunnen ten hoogste hoeveelheden tot en met 0,05 mol per hectare per jaar worden toegedeeld, waarbij het uiteraard om verschillende door een project geraakte hexagonen in een Natura 2000-gebied kan gaan. Projecten met een grotere depositie zijn niet op voorhand uitgesloten, maar voor het meerdere aan depositie (boven de 0,05 mol/ha/jaar) zal een andere oplossing moeten worden gevonden om de onderbouwing van vergunning rond te krijgen: door een ecologische onderbouwing, aanvullende mitigerende maatregelen, depositieruimte uit andere compartimenten, rechtstreeks extern salderen etc. Zie voor het reserveren, toedelen en afspraken over de microdepositiebank paragraaf 4.4 van de algemene toelichting.

Onderdeel E (wijziging artikel 2.5: toekennen van depositieruimte in kavelbesluiten en terugvallen van ruimte in AERIUS Register)

Met dit onderdeel wordt het kavelbesluit toegevoegd aan artikel 2.5, eerste lid, zodat ook via deze besluiten depositieruimte kan worden toegedeeld aan projecten. De kavelbesluiten zijn toestemmingsbesluiten van de minister voor KenE op grond van de Wet windenergie op zee die binnen een aangewezen gebied op zee de oprichting van windparken mogelijk maken en in dat kader ook zijn getoetst aan de gevolgen voor Natura 2000-gebieden. Binnen de kaders van het kavelbesluit worden vervolgens concrete windenergieprojecten vergund. De bouwfase en het onderhoud kunnen ook leiden tot stikstofemissie, zodat voor de projecten behoefte kan bestaan aan depositieruimte. Met deze toevoeging kunnen projecten van de Minister voor KenE vanuit diens compartiment in AERIUS Register worden gefaciliteerd, wat van belang is voor de energietransitie.

Verder wordt met dit onderdeel een vierde lid toegevoegd en wordt een deel van het derde lid overgeheveld naar het vierde lid. In het vierde lid is geregeld dat depositieruimte slechts aan een project wordt toegedeeld en pas nogmaals kan worden gereserveerd of toegedeeld, indien de depositieruimte eerst opnieuw beschikbaar is gekomen met toepassing van artikel 2.10. Mede om mogelijke vragen te voorkomen in het licht van het Europeesrechtelijke verbod op staatssteun, is het van belang nog duidelijker te expliciteren dat depositieruimte die is ontstaan door subsidiemaatregelen van de overheid en die ‘om niet’ wordt toegedeeld aan bepaalde projecten bij vergunningverlening, niet vervolgens door een ondernemer te gelde kan worden gemaakt in het kader van extern salderen. Die beperking wordt overigens over het algemeen ook in de subsidieregeling zelf opgenomen, en is onderdeel van het beleid van de bevoegde gezagen. De depositieruimte valt na beëindiging of beperking van de activiteit en dienovereenkomstige aanpassing van de vergunning (zie onderdeel L), terug aan AERIUS Register en kan aldus via het register wederom worden benut voor andere projecten. Zie paragraaf 5.3 van de algemene toelichting.

Onderdeel F (wijziging van artikel 2.6, tweede lid: toevoegen van depositieruimte aan AERIUS Register zonder update versie)

Met dit onderdeel wordt het toevoegen van depositieruimte aan het AERIUS Register uit reeds aangewezen maatregelen mogelijk gemaakt, zonder vaststelling van een nieuwe versie van AERIUS Register. Dat maakt een tussentijdse aanvulling eenvoudiger en kan ook zonder wijziging van de Rnb. Het blijft de Minister voor NenS die hiervoor verantwoordelijk is en die ook vast zal moeten stellen dat de voor de depositieruimte noodzakelijke feitelijke vermindering van de depositie op de betrokken hexagonen is gerealiseerd. Zie paragraaf 5.2 van het algemeen deel van de algemene toelichting.

Verder wordt conform de wijziging van artikel 1.1 in artikel 2.6 AERIUS Register volledig uitgeschreven.

Onderdeel G (wijziging van artikel 2.7 en vervallen artikel 2.8: uitbreiding verantwoordelijkheid voor registreren van depositieruimte in AERIUS Register)

Met dit onderdeel is artikel 2.7 verder uitgebreid en is artikel 2.8 komen te vervallen. Vanwege de omvang van de wijzigingen, is artikel 2.7 in zijn geheel opnieuw geformuleerd. In de tot nu toe geldende tekst van dit artikel werd alleen het reserveren van depositieruimte voor woningbouwprojecten en woningbouwclusters, tracébesluiten en gemelde PAS-projecten geregeld. Dit hing samen met de beperkte reikwijdte die AERIUS Register had tot de onderhavige wijziging van de regeling, die beperkt was tot de projecten genoemd in artikel 2.2, eerste lid, onderdelen a tot en met d. Door de uitbreiding van artikel 2.2 gelezen in samenhang met artikel 2.4a moest ook de regeling van artikel 2.7 verder worden aangepast.

Het eerste lid, onderdeel a, van artikel 2.7 verwijst naar de verschillende projecten waarvoor onder meer gedeputeerde staten het bevoegd gezag zijn om de Natura 2000-vergunning te verlenen. Dit zijn projecten waar gedeputeerde staten niet het initiatief voor hebben genomen, maar wel de natuurvergunning voor verlenen. Projecten op initiatief van gedeputeerde staten waar zij ook het bevoegd gezag voor zijn, worden geregistreerd op grond van onderdeel d.

Overeenkomstig het eerste lid, onderdeel b, van artikel 2.7 blijft voor tracébesluiten de Minister van Infrastructuur en Waterstaat verantwoordelijk voor het registreren van reserveringen.

Het eerste lid, onderdeel c, van artikel 2.7 is gewijzigd. Het bevoegd gezag voor het verlenen van een vergunning voor PAS-meldingen is nu toegevoegd aan onderdeel a. In het nieuwe onderdeel c is de verantwoordelijkheid voor de Minister voor KenE geregeld voor het registeren van reserveringen voor kavelbesluiten.

Het onderdeel d is nieuw toegevoegd aan artikel 2.7, eerste lid. In dit onderdeel is de verantwoordelijkheid voor projecten op initiatief van gedeputeerde staten geregeld waar zij ook het bevoegd gezag voor zijn.

Het tweede lid van artikel 2.7 is gewijzigd. Deze wijziging hangt samen met artikel 2.4b. Voor de wijziging regelde het tweede lid het vervallen van de reservering van een woningbouwproject, tracébesluit of gemeld PAS-project. Dat is nu geregeld in het nieuwe vijfde lid. Vier maanden (17 weken) na het plaatsen van depositieruimte in de SSRS-bank vindt een samenvoeging plaats van de voor PAS-meldingen beschikbaar gestelde depositieruimte uit de SSRS-bank – voor zover afkomstig van de Srv en Rpav – die dan nog niet is benut en de depositieruimte die toch geen pre-reservering nodig heeft voor de woningbouwprojecten en kan vervolgens overeenkomstig het tweede lid worden gereserveerd voor alle drie de doelen (PAS-meldingen, woningbouwprojecten, en renovatie- en veiligheidsprojecten ten aanzien van wegen in beheer bij het Rijk). Deze activiteiten kunnen immers allemaal gebruik maken van de vrij beschikbare stikstofdepositieruimte, waarbij voor de gemelde PAS-projecten ook toepassing moet zijn gegeven aan het prioriterings- en verdelingsmechanisme conform de artikel 2.8d in samenhang met artikel 2.8c.

Het derde lid van artikel 2.7 is geënt op het voorheen geldende artikel 2.8, tweede lid. Naast woningbouwprojecten is de toepassing verruimd tot de PAS-meldingen en renovatie- en veiligheidsprojecten voor wegen in beheer bij het Rijk.

Het vierde lid bepaalt dat voor alle woningbouwprojecten die aanspraak willen maken op een reservering van depositieruimte de voorwaarde geldt dat de woningen niet worden aangesloten op een distributienet voor aardgas. Deze voorwaarde is erop gericht om de benodigde depositieruimte voor het project zo klein mogelijk te houden en stond voorheen in artikel 2.8, derde lid.

Het vijfde lid regelt wanneer een reservering van depositieruimte als bedoeld in het eerste lid komt te vervallen, en is geënt op het voorheen geldende artikel 2.7, tweede lid. Aanvullend daarop geldt voor projecten van de Minister voor KenE dat de reservering vervalt bij het nemen van een kavelbesluit.

Onderdeel H (wijziging van artikel 2.8a)

Met dit onderdeel is artikel 2.8a aangevuld met een vijfde en zesde lid. De betrokken bepalingen stonden voorheen in artikel 2.7, derde en vierde, lid. Verder is in het tweede lid het begrip ‘register’ vervangen door het begrip ‘AERIUS Register’.

Voor het overige is artikel 2.8a gelijk aan het voorheen geldende artikel 2.8a.

Onderdeel I (wijziging van artikel 2.8c)

Bij het reserveren van stikstofdepositieruimte voor gemelde PAS-projecten wordt voorrang gegeven aan de projecten ten aanzien waarvan het bevoegd gezag vóór de datum van inwerkingtreding van artikel 2.8c een verzoek heeft ontvangen tot handhaving van de Natura 2000-vergunningplicht. Die datum van inwerkingtreding was 13 januari 2022 en is nu expliciet vastgelegd door dit onderdeel.

Onderdeel J (wijziging van artikel 2.8d)

Omwille van de leesbaarheid is met dit onderdeel het eerste lid van artikel 2.8d opnieuw geformuleerd.

Onderdeel K (schrappen van artikel 2.9)

In artikel 2.9 was een specifieke afstemmingsverplichting voor de Minister van IenW met de provincies opgenomen, ingeval deze voor de voorheen in artikel 2.2 genoemde tracébesluiten ten laste van de SSRS-bank depositieruimte reserveerde en zo ook beslag kon leggen op ruimte die beschikbaar is voor woningbouwprojecten. Nu de betrokken tracébesluiten zijn geschrapt en er geen projecten meer resteren voor het toestemmingsbesluit waarvan de Minister van IenW bevoegd gezag is en gebruik kan maken van de SSRS-bank, kan deze specifieke afstemmingsverplichting voor de Minister van IenW komen te vervallen. De algemene interbestuurlijke afspraken over een goede onderlinge afstemming bij gebruik van schaarse depositieruimte en over de samenwerking met het oog op een goede werking van het AERIUS Register blijven uiteraard onverkort gelden.

Onderdeel L (wijziging van artikel 2.10: uitbreiding verantwoordelijkheid voor afschrijving, doorhaling, bijschrijving en omzetting conform toevoegen projecten aan AERIUS Register en blokkade op extern salderen)

Het eerste, tweede, derde en vierde lid van artikel 2.10 zijn gewijzigd. De regels voor afschrijving, doorhaling, bijschrijving en omzetting van depositieruimte zijn aangepast aan de uitbreiding van AERIUS Register en het vervallen van de woningbouwclusters als doel. Ook is de verplichting om deze handelingen terstond uit te voeren, vervallen. Dit in verband met de uitvoerbaarheid van de acties.

Daarnaast is er een vijfde lid toegevoegd aan artikel 2.10 in verband met de blokkade op extern salderen. Zie paragraaf 5.3 van het algemene deel van deze toelichting. Voor alle projecten in artikel 2.2 geldt dat wanneer de Natura 2000-vergunning geheel of gedeeltelijk wordt ingetrokken, het bevoegd gezag deze vrijgevallen ruimte moet bijschrijven in AERIUS Register. Mede om mogelijke vragen te voorkomen in het licht van het Europeesrechtelijke verbod op staatssteun, is het van belang nog duidelijker te expliciteren dat depositieruimte die is ontstaan door subsidiemaatregelen van de overheid en die ‘om niet’ wordt toegedeeld aan bepaalde projecten bij vergunningverlening, niet vervolgens door een ondernemer te gelde kan worden gemaakt in het kader van extern salderen. Zie paragraaf 5.3 van het algemene deel van deze toelichting.

Onderdeel M (wijziging van artikel 2.11: AERIUS Monitor versie 2023)

Artikel 2.11 Rnb regelt dat de monitoring voor de omgevingswaarde voor stikstofdepositie voor 2030, bedoeld in artikel 1.12a, eerste lid, Wnb, plaatsvindt met behulp van AERIUS Monitor versie 2022. Die versie wordt via deze wijzigingsregeling vervangen door versie 2023. Zie paragraaf 5.4 van het algemeen deel van deze toelichting.

Artikel II (wijziging Omgevingsregeling)

Het tijdelijke hoofdstuk 17a Or bevat na de inwerkingtreding van de Omgevingswet (Ow) de regels over AERIUS Register, vooruitlopend op regeling daarvan in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), een algemene maatregel van bestuur onder de Ow. Het Aanvullingsbesluit natuur Omgevingswet, dat begin 2021 in het Staatsblad is geplaatst,42 voorzag in een toevoeging aan het Bkl van bepalingen over AERIUS Register (het ‘register stikstofdepositieruimte’),43 bij wijze van omzetting van de AERIUS Register-bepalingen in de Regeling natuurbescherming (Rnb) zoals die laatste bepalingen in 2020 luidden. Nu de AERIUS Register-bepalingen in de Rnb sindsdien zijn gewijzigd, zijn de AERIUS Register-bepalingen in het Aanvullingsbesluit natuur Omgevingswet achterhaald. ‘Als een voorziening onmiddellijk nodig is’ biedt artikel 23.6b, eerste lid, Ow de mogelijkheid om AERIUS Register tijdelijk te regelen bij ministeriële regeling, dus in de Or. Die bepaling is voor het eerst toegepast in de wijzigingsregeling van 8 december 2021,44 door de toevoeging aan de Or van het tijdelijke hoofdstuk 17a. Artikel II wijzigt dat hoofdstuk, opnieuw op grond van artikel 23.6b, eerste lid, Ow. Deze bepaling is ook toegepast in de wijzigingsregeling van 10 juli 202245 en begin 2023 bij het vaststellen van AERIUS Register versie 2022.46 Omwille van de duidelijkheid wordt hoofdstuk 17a, gezien de vele wijzigingen in deze regelingen en eerdere regelingen, in zijn geheel vervangen.

Artikel II berust op de volgende bepalingen van de Ow, die worden opgesomd in de aanhef van deze regeling:

  • de artikelen 2.24 en 5.18, in samenhang met artikel 23.6b, eerste lid, Ow zijn de grondslag voor de wijziging van de Or-bepalingen over AERIUS Register (hoofdstuk 17a Or);

  • artikel 4.1, tweede lid, Ow is de grondslag voor de aanwijzing in artikel 6.15 en bijlage II Or van AERIUS Calculator 2023 (wijziging bijlage II Or);

  • artikel 4.3, vierde lid, Ow is de grondslag voor de aanwijzing in artikel 4.15 en bijlage II Or van AERIUS Calculator 2023 (wijziging bijlage II Or);

  • artikel 16.55, tweede lid, Ow is de grondslag voor de aanwijzing in artikel 7.197h, eerste lid, onder e, en bijlage II Or van AERIUS Calculator 2023 (wijziging bijlage II Or);

  • artikel 20.3, eerste lid, Ow is de grondslag voor de aanwijzing in de Or van AERIUS Monitor 2023 (wijziging bijlage II Or).

Onderdeel A (opnieuw vaststellen hoofdstuk 17a)
Artikel 17a.1 (begripsbepalingen)

Dit artikel bevat de volgende wijzigingen ten opzichte van de eerdere tekst van artikel 17a.1:

  • De term ‘gemelde PAS-activiteit’ is vervangen door de term ‘gemeld PAS-project’. Deze wijziging heeft geen inhoudelijke gevolgen. Alleen een gemeld PAS-project dat voldoet aan de voorwaarden van artikel 17a.14 kan in aanmerking komen voor legalisatie met behulp van de depositieruimte die is verkregen door de maatregelen Subsidieregeling sanering varkenshouderijen (Srv), de Regeling provincial aankoop veehouderijen nabij natuurgebieden (Rpav) en de Regeling provinciale maatregelen PAS-melders (Rpmp) (artikel 17a.4, eerste lid, onder a, b en c) en die beschikbaar wordt gesteld in de SSRS-bank. Zie de toelichting bij artikel 17a.14.

  • Het begrip ‘kavelbesluit’ is toegevoegd vanwege de introductie van een aparte rijksbank voor projecten van de Minister voor Klimaat en Energie (KenE), de zogeheten rijksbank KenE.

  • De omschrijving van het begrip ‘tracébesluit’ is aangepast aan de situatie na de inwerkingtreding van de Ow. Met toepassing van het overgangsrecht van paragraaf 4.3.9 van de Invoeringswet Ow kunnen nog tracébesluiten worden vastgesteld op grond van artikel 9 van de Tracéwet. Die tracébesluiten worden projectbesluiten nadat zij onherroepelijk zijn geworden. De term tracébesluit in hoofdstuk 17a doelt op deze besluiten.

  • De begripsomschrijving van ‘woningbouwcluster’ is ongewijzigd. Een woningbouwcluster bestaat uit meerdere ruimtelijk met elkaar samenhangende woningbouwprojecten die depositieruimte behoeven op een zelfde set hexagonen. Zie de toelichting bij artikel 17a.13.

  • De omschrijving van het begrip ‘woningbouwproject’ is aangepast met een verwijzing naar artikel 17a.3 als gevolg van het nieuwe artikel 17a.2. Deze wijziging heeft geen inhoudelijke gevolgen.

Artikel 17a.2 (AERIUS Register)

Dit artikel is voor een groot deel geënt op artikel 11.71 Bkl, dat niet in werking zal treden. In het eerste lid van artikel 11.71 Bkl was al een ‘register stikstofdepositie’ opgenomen. Daarmee werd gedoeld op de webapplicatie AERIUS Register. Die naam wordt met deze wijziging toegevoegd aan het eerste lid van artikel 17a.2, mede vanwege de vaststelling van de versie van die applicatie in bijlage II bij de Omgevingsregeling.

Hoewel verschillende ministers en de provincies verantwoordelijkheden hebben ten aanzien van AERIUS Register met de nieuwe verbrede reikwijdte, blijft de systeemverantwoordelijkheid voor AERIUS Register berusten bij de Minister voor NenS (tweede lid, voorheen artikel 11.71, tweede lid Bkl).

In het derde lid is, in verband met die nieuwe verbrede reikwijdte, ook een andere formulering gekozen dan in artikel 11.70, tweede lid Bkl.

Het vierde lid is voor een groot deel gelijk aan artikel 8.74e, eerste lid Bkl, dat eveneens niet in werking zal treden. Verder zijn aan het vierde lid categorieën van projecten toegevoegd waarvoor AERIUS Register relevant kan zijn. Zo wordt een ‘een projectbesluit van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat voor een autoweg, autosnelweg, spoorweg of vaarweg van nationaal belang’ aangemerkt als een project waarvoor depositieruimte beschikbaar kan worden gesteld. Ook de toevoeging van een ‘kavelbesluit’ hangt direct samen met de verbrede reikwijdte van het Register, waarbinnen via afzonderlijke compartimenten gevuld met depositieruimte die is gecreëerd door ‘eigen’ maatregelen van verschillende overheden voor ‘eigen’ doelen, als het ware verschillende ‘stikstofbanken’ of ‘doelenbanken’ in zijn te onderscheiden.

Het vijfde lid voorziet in deze compartimentering van depositieruimte. Dergelijke eigen compartimenten zijn voorzien voor de Minister van Infrastructuur en Waterstaat (IenW), Minister van Binnenlandse Zaken en Koninksrijksrelaties (BZK), Minister voor Klimaat en Energie (KenE) en Minister van Defensie. Daarnaast hebben gedeputeerde staten van elke provincie een eigen compartiment, waarbinnen zij desgewenst voor verschillende doelen nog een nader onderscheid via subcompartimenten kunnen aanbrengen.

Artikel 17a.3 (compartimenten AERIUS Register)

Artikel 17.3a somt de projecten waarvoor een beroep kan worden gedaan op depositieruimte in AERIUS Register.

Onderdeel a is ontleend aan artikel 8.74e, derde lid, aanhef en onder a Bkl, dat niet in werking zal treden. Onderdeel b betreft de projecten, genoemd in artikel 8.74e, derde lid, aanhef en onder b Bkl, dat eveneens niet in werking zal treden. Ook zijn toegevoegd de gemelde PAS-projecten alsmede projecten van de Minister van BZK, van de Minister van IenW, van de Minister voor KenE, respectievelijk de Minister van Defensie.

De term ‘rijksvastgoedproject’ doelt op alle projecten van het Rijksvastgoedbedrijf.

Verder zijn projecten toegevoegd waarvoor gedeputeerde staten bevoegd zijn tot verlening van een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit of, ingeval de aanvraag wordt gecombineerd met een aanvraag voor een andere omgevingsvergunning die wordt verleend door een ander bevoegd gezag, waarmee gedeputeerde staten om instemming moet worden gevraagd. Bij onderdeel h brengt in relatie tot die instemmingseis ‘voorgenomen’ tot uitdrukking dat ook situaties worden ondervangen waarin het gaat om een generiek of concreet geval waarvoor (later) van instemming wordt afgezien (artikel 18.3 Ow).

De mogelijkheid om bij ministeriële regeling, dus in de Or, categorieën van activiteiten toe te voegen aan de opsomming van activiteiten waarvoor een beroep kan worden gedaan op depositieruimte in het Register (artikel 8.74e, derde lid, onder c Bkl) is niet overgenomen, omdat die niet relevant is: de regels worden thans immers al op het niveau van de ministeriële regeling gesteld. Als het nodig is om nog tijdens de looptijd van hoofdstuk 17a een categorie van activiteiten toe te voegen, dan kan dat met een nieuwe wijziging van de Or.

Zie verder paragraaf 4 van het algemene deel van de toelichting

Artikel 17a.4 (maatregelen waardoor stikstofdepositieruimte ontstaat)

In deze bepaling zijn de maatregelen opgesomd die depositieruimte creëren voor AERIUS Register. In het eerste lid, onderdeel a, b en c, worden drie maatregelen aangewezen die depositieruimte opleveren voor de SSRS-bank. De Srv in onderdeel a was al opgenomen in artikel 11.70, eerste lid, aanhef en onder b Bkl, dat niet in werking zal treden. Nieuwe maatregelen zijn de Rpav, genoemd in onderdeel b, en de Rpmp, genoemd in onderdeel c. De door deze maatregelen daadwerkelijk gerealiseerde depositiedaling – overeenkomstig de eisen van het zesde lid van artikel 17a.5 – wordt als depositieruimte in Register opgenomen. Zie paragraaf 2 van het algemeen deel van deze toelichting.

De overige maatregelen die zijn toegevoegd aan AERIUS Register, zijn minder specifiek geformuleerd. Niet alle maatregelen die depositieruimte opleveren zijn op dit moment al bekend. Door middel van een ruime formulering van de mogelijke maatregelen in het eerste lid, onderdelen d tot en met h, en derde lid, en het bekendmaken van de maatregelen wanneer deze worden verbonden aan AERIUS Register (vijfde lid), wordt flexibiliteit ingebouwd.

Zie verder paragraaf 4 van het algemene deel van de toelichting voor een verdere toelichting op de maatregelen van de ministers en gedeputeerde staten.

Het tweede lid regelt de mogelijkheid dat ruimte die is gecreëerd door maatregelen van gemeenten, waterschappen of provincies, ook kan worden aangemerkt als maatregel van een minister of een (andere) provincie, en zo kan worden opgenomen in AERIUS Register en kan worden ingezet voor de doelen waarvoor die minister of provincie depositieruimte kan inzetten. Dat geeft flexibiliteit. Deze mogelijkheid bood artikel 11.70, eerste lid, aanhef en onder c Bkl al, maar deze is in deze vervangende bepaling in de Or aangepast in verband met de uitbreiding van het aantal bestuursorganen dat is betrokken bij het Register en kan beschikken over een eigen compartiment met depositieruimte.

Voor de volledigheid wordt hier opgemerkt dat onder het begrip ‘intrekking’, zoals gebruikt in het derde lid, ook een gedeeltelijke intrekking van een toestemming kan worden verstaan. Dit wordt in de praktijk en de jurisprudentie al lange tijd geaccepteerd.47 De in het derde lid, onderdeel a, en vierde lid, bedoelde vormen van toestemming, zijn alle toestemmingen – inclusief wettelijke voorschriften – op basis waarvan overeenkomstig de vaste jurisprudentie van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State projecten die stikstofdepositie veroorzaken op Natura 2000-gebieden legaal kunnen worden uitgevoerd en waarvan de toegestane emissie – omgerekend naar stikstofdepositie in mol/ha/jaar op de relevante hexagonen van stikstofgevoelige Nauta 2000-gebieden – kan worden gebruikt als depositieruimte voor toekomstige toestemmingverlening. Dat zijn uiteraard sowieso toestemmingsbesluiten waarbij toepassing is gegeven aan de vereiste toetsing op grond van artikel 6, derde lid, Habitatrichtlijn, zoals de omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit. Maar ingeval een activiteit al bestond voor de datum dat artikel 6, derde lid, Habitatrichtlijn van toepassing werd en deze activiteit onafgebroken is voortgezet, kan op grond van deze vaste jurisprudentie ook aan een eerdere toestemming een bepaalde hoeveelheid depositieruimte worden ontleend die kan worden gebruikt voor intern of extern salderen. De ruimte wordt dan bepaald door de meest beperkende toestemming, dus als de oorspronkelijke vergunning door latere besluiten verder is ingeperkt waardoor een minder grote emissie en dus depositie kan plaatsvinden, geldt deze mindere emissie als uitgangspunt voor de bepaling van de depositieruimte.

Het vijfde lid regelt dat de minister die het aangaat of gedeputeerde staten melding doen van de getroffen maatregelen en het vullen van AERIUS Register met depositieruimte. Zie hiervoor paragraaf 5.2 van de algemene toelichting.

Artikel 17a.5 (opnemen van stikstofdepositieruimte in AERIUS Register)

In deze bepaling is de verantwoordelijkheid geregeld voor het registreren van de depositieruimte die is vrijgekomen door de maatregelen. Voor welke doelen deze ruimte vervolgens mag worden gebruikt, is geregeld in de artikelen 17a.6 tot en met 17a.9. Iedere minister en alle colleges van gedeputeerde staten afzonderlijk zijn verantwoordelijk voor het registreren van de depositieruimte die is gecreëerd door de eigen maatregelen voor de eigen stikstofbank die aan AERIUS Register zijn verbonden. Bij het registeren wordt ten hoogste 70% van de ruimte ingeboekt (vijfde lid), zoals al was geregeld in artikel 11.71, vijfde lid Bkl, dat niet in werking zal treden,. Tenminste 30% wordt afgeroomd voor de natuur en als correctie voor mogelijke latente ruimte in vergunningen van met de maatregelen beëindigde of beperkte emissiebronnen aanwezig was; voorkomen moet immers worden dat die ruimte door opname in het Register en toedeling bij nieuwe vergunningverlening daadwerkelijk in gebruik wordt genomen. Zie voor de verantwoordelijkheidsverdeling van de stikstofbanken en Register paragraaf 4.5 van de algemene toelichting.

Nieuw onderdeel van AERIUS Register is de zogenoemde ‘microdepositiebank’, een afgescheiden compartiment dat depositieruimte bevat die kan worden gebruikt voor vergunningverlening voor projecten met zeer beperkte (resterende) deposities. Op deze microdepositiebank heeft het vierde lid van artikel 17a.5 betrekking. De daarin opgenomen specifieke depositieruimte wordt aangeduid met het begrip ‘microdepositieruimte’ en de zeer beperkte deposities met het begrip ‘microdepositie’. De grens van 0,05 mol per hectare per jaar, is de drempelwaarde voor zeer kleine deposities waarvoor destijds in het kader van programma aanpak stikstof 2015-2021 een volledige vrijstelling van de Natura 2000-vergunningplicht gold. Die vrijstelling is door de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 mei 2019 onverbindend verklaard, zodat nu ook voor dergelijke zeer kleine depositie mitigatie moet plaatsvinden, bijvoorbeeld door gebruik van depositieruimte die is gecreëerd door de effecten van de maatregelen die zijn verbonden aan AERIUS Register (artikel 17a.4). De microdepositiebank was al door verschillende provincies in beleidsregels in het leven geroepen, maar kan nu rijksbreed worden toegepast. Verwezen wordt verder naar paragraaf 4.4 van het algemene deel van de toelichting.

Het zesde lid is geënt op artikel 11.71, zesde lid, Bkl, dat niet in werking zal treden. Onderdeel c is iets gewijzigd om de regeling uitvoerbaar te laten zijn. Bij de inmiddels niet meer aan het Register verbonden snelheidsmaatregel, was de handhaving van belang om zeker te weten dat de maatregel ook een inboekbaar effect heeft. Bij veel maatregelen die tot een directe en zekere beëindiging van depositie leiden, is dat evenwel geen relevant en werkbaar criterium. Daarom wordt het alleen als kernverplichting opgenomen dat de maatregelen daadwerkelijk zijn uitgevoerd. Het bestuursorgaan dat de daardoor gecreëerde ruimte inboekt in AERIUS Register, moet uiteraard ook de effecten en de zekerheid daarvan vaststellen, om te voorkomen dat vergunningen waarvoor de ruimte is gebruikt op dit punt worden aangevochten.

Het zevende lid regelt dat de minister die het aangaat of gedeputeerde staten melding doen van de getroffen maatregelen en het vullen van AERIUS Register met depositieruimte. Zie hiervoor paragraaf 5.2 van de algemene toelichting.

Artikel 17a.6 (bestemming stikstofdepositieruimte SSRS-bank) en artikel 17a.7: (bestemming stikstofdepositieruimte verkregen door beëindiging activiteiten en maatregelen voor gemelde PAS-activiteiten)

De artikelen 17a.6, eerste lid, en 17a.7 sommen de doelen op voor de SSRS-bank Daarvoor wordt ruimte gecreëerd met de maatregelen genoemd in artikel 17a.4, eerste lid, onderdelen a, b en c (Srv, Rpav en Rpmp).

Artikel 17a.6, tweede en derde lid, brengt tot uitdrukking dat de depositieruimte afkomstig uit deze maatregelen in één compartiment beschikbaar gesteld kan worden. Dit gebeurt specifiek voor de PAS-meldingen, woningbouwprojecten en renovatie- en veiligheidsprojecten voor wegen in beheer bij het Rijk. Met deze artikelleden wordt een prioritering van de doelen binnen de SSRS-bank aangebracht. In beginsel is er voor die doelen geen sprake van schotten tussen de beschikbare ruimte. Een uitzondering geldt voor ruimte die is gecreëerd door de Regeling provinciale maatregelen PAS-meldingen: die ruimte is gelet op de doelstelling van die regeling (een specifieke uitkering ter ondersteuning van het traject van de legalisering van PAS-meldingen) uiteraard exclusief bestemd voor gemelde PAS-projecten (zie artikel 17a.7), en zal daarvoor in het systeem gescheiden worden gehouden van de andere depositieruimte. Verder geldt voor ruimte uit de andere bronmaatregelen gedurende de eerste 17 weken na opname in het Register dat deze met voorrang naar de gemelde PAS-projecten gaat (artikel 17a.6, tweede lid). De betrokken ministers kunnen op deze prioritering een uitzondering maken voor woningbouwprojecten waarvoor reeds een vergunning was aangevraagd (artikel 17a.6, derde lid). Na die 17 weken geldt de gebruikelijke prioritering op basis van feitelijke reservering (artikel 17a.11, derde lid). Zie verder paragrafen 3.1 en 3.2 van de algemene toelichting.

Artikel 17a.8 (bestemming stikstofdepositieruimte verkregen door maatregelen ministers)

Met deze bepaling wordt het toedelen van depositieruimte afkomstig uit de maatregelen getroffen door, op verzoek of onder de verantwoordelijkheid van de onderscheiden ministers mogelijk gemaakt. Uitgangspunt is dat depositieruimte afkomstig van de maatregelen van een minister, ook voor diens projecten is bestemd. Hier kan op basis van het tweede lid van worden afgeweken. ministers kunnen depositieruimte afkomstig uit hun maatregelen ook beschikbaar stellen voor projecten van andere ministers.

Artikel 17a.9 (bestemming stikstofdepositieruimte verkregen door maatregelen gedeputeerde staten)

Met deze bepaling wordt het toedelen van depositieruimte afkomstig uit de maatregelen getroffen door, op verzoek of onder de verantwoordelijkheid van de provincie mogelijk gemaakt. Uitgangspunt is dat depositieruimte afkomstig van de maatregelen van een provincie (provinciale staten of gedeputeerde staten), ook voor de projecten zijn waarvoor gedeputeerde staten van de betrokken provincie bevoegd gezag zijn. Hier kan op basis van het tweede lid van worden afgeweken. Gedeputeerde staten kunnen depositieruimte afkomstig uit hun compartiment ook beschikbaar stellen voor projecten van andere provincies of ministers.

Artikel 17a.10 (bestemming stikstofdepositieruimte van ten hoogste 0,05 mol)

Met deze bepaling wordt het gebruik van het afzonderlijke compartiment binnen AERIUS Register voor microdeposities geregeld (in samenhang met artikel 17a.5, vierde lid). Uit dit compartiment kunnen ten hoogste hoeveelheden tot en met 0,05 mol per hectare per jaar worden toegedeeld, waarbij het uiteraard om verschillende door een project geraakte hexagonen in een Natura 2000-gebied kan gaan. Projecten met een grotere depositie zijn niet op voorhand uitgesloten, maar voor het meerdere aan depositie (boven de 0,05 mol/ha/jaar) zal een andere oplossing moeten worden gevonden om de onderbouwing van vergunning rond te krijgen: ecologische onderbouwing, aanvullende mitigerende maatregelen, depositieruimte uit andere compartimenten, rechtstreeks extern salderen etc. Zie voor het reserveren, toedelen en afspraken over de microdepositiebank paragraaf 4.4 van de algemene toelichting.

Artikel 17a.11 (algemene bepalingen over reservering en toedeling stikstofdepositieruimte)

De systematiek van het vooraf reserveren van depositieruimte voorkomt dat depositieruimte die beschikbaar is op het moment van ontvangst van bijvoorbeeld de aanvraag om een omgevingsvergunning, niet meer beschikbaar is ten tijde van de vergunningverlening. Bovendien waarborgt deze systematiek dat er niet meer depositieruimte wordt toegedeeld dan er beschikbaar is: zonder een dergelijke systematiek kan namelijk niet worden uitgesloten dat depositieruimte door verschillende bevoegde overheden kan worden toegedeeld.

Het eerste lid is geënt op de laatste zin van artikel 8.74e, eerste lid, Bkl, dat niet in werking zal treden. Naast de omgevingsvergunning worden het tracébesluit, het projectbesluit en het kavelbesluit genoemd, zodat ook via deze besluiten depositieruimte kan worden toegedeeld aan activiteiten. Deze uitbreiding hangt direct samen met de verbrede reikwijdte van het Register.

Het tweede lid is voor een groot deel gelijk aan het tweede lid van artikel 8.74e Bkl, dat eveneens niet in werking zal treden. Wel is ‘is gelijk aan’ vervangen door ‘is niet groter dan’, om tot uitdrukking te brengen dat er ook minder kan worden toegedeeld dan de hoogste depositie die een activiteit kan veroorzaken.

Het derde lid is geënt op artikel 8.74e, vierde lid, Bkl, dat niet in werking zal treden. Niet overgenomen uit die bepaling is de voorwaarde dat de depositieruimte alleen wordt toegedeeld voor zover zij eerder is gereserveerd voor de Natura 2000-activiteit (artikel 8.74e, vierde lid, onder a, Bkl). Deze aanpassing hangt direct samen met de verbrede reikwijdte van het Register.

Het vierde lid is voor een groot deel gelijk aan het vijfde lid van artikel 8.74e Bkl, dat evenmin in werking zal treden. Ten behoeve van de leesbaarheid is de tekst als een formule beschreven en zijn de begrippen in het vijfde lid toegelicht. Wel is de verwijzing naar artikel 11.70, tweede lid, Bkl vervangen door een verwijzing naar artikel 17a.17.

In het zesde lid is opgenomen dat depositieruimte slechts aan een project wordt toegedeeld en pas nogmaals kan worden gereserveerd of toegedeeld indien de depositieruimte eerst opnieuw beschikbaar is gekomen met toepassing van artikel 17a.17, vijfde lid. Mede om mogelijke vragen te voorkomen in het licht van het Europeesrechtelijke verbod op staatssteun, is het van belang nog duidelijker te expliciteren dat depositieruimte die is ontstaan door subsidiemaatregelen van de overheid en die ‘om niet’ wordt toegedeeld aan bepaalde projecten bij vergunningverlening, niet vervolgens door een ondernemer te gelde kan worden gemaakt in het kader van extern salderen. Die beperking wordt overigens over het algemeen ook in de subsidieregeling zelf opgenomen, en is onderdeel van het beleid van de bevoegde gezagen. De ruimte valt na beëindiging of beperking van de activiteit en dienovereenkomstige aanpassing van de vergunning (zie artikel 17a.17, vijfde lid), terug aan het Register en kan aldus via het Register wederom worden benut voor andere projecten. Zie paragraaf 4.3 van de algemene toelichting.

Artikel 17a.12 (reservering stikstofdepositieruimte voor project)

In deze bepaling wordt voor projecten geregeld dat voor zover bij het nemen van toestemmingsbesluiten een beroep wordt gedaan op depositieruimte binnen AERIUS Register, de betrokken hoeveelheid stikstofdepositie eerst wordt gereserveerd en vervolgens – na toedeling – in dat systeem afgeboekt, zodat deze niet meer voor andere projecten beschikbaar is. AERIUS Register is overigens als faciliteit bedoeld: er hoeft geen beroep op te worden gedaan.

Het eerste lid, onderdeel a, verwijst naar de verschillende projecten waarvoor onder meer gedeputeerde staten het bevoegd gezag zijn om de omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit te verlenen. Dit zijn projecten waar gedeputeerde staten niet het initiatief voor hebben genomen, maar wel de omgevingsvergunning voor verlenen. Projecten op initiatief van gedeputeerde staten waarvoor zij ook het bevoegd gezag zijn, worden geregistreerd op grond van het eerste lid, onderdeel d.

Het eerste lid, onderdeel b, maakt de Minister van IenW verantwoordelijk voor het registreren van reserveringen voor projectbesluiten voor een autoweg, autosnelweg, spoorweg of vaarweg van nationaal belang.

In het eerste lid, onderdeel c, is de verantwoordelijkheid voor de Minister voor KenE geregeld voor het registeren van reserveringen voor de kavelbesluiten die deze minister neemt op grond van de Wet windenergie op zee.

Vier maanden (17 weken) na het plaatsen van depositieruimte in de SSRS-bank vindt een samenvoeging plaats van de voor PAS-meldingen beschikbaar gestelde depositieruimte uit de SSRS-bank – voor zover afkomstig van de Srv en Rpav – die dan nog niet is benut en de depositieruimte die toch geen pre-reservering nodig heeft voor de woningbouwprojecten en kan vervolgens overeenkomstig het tweede lid worden gereserveerd voor alle drie de doelen (PAS-meldingen, woningbouwprojecten, en renovatie- en veiligheidsprojecten ten aanzien van rijkswegen). Deze activiteiten kunnen immers allemaal gebruik maken van de vrij beschikbare stikstofdepositieruimte, waarbij voor de gemelde PAS-projecten ook toepassing moet zijn gegeven aan het prioriterings- en verdelingsmechanisme conform de artikel 17a.16 in samenhang met artikel 17a.15. In het derde lid is als uitgangspunt genomen dat de reservering van depositieruimte voor gemelde PAS-projecten, woningbouwprojecten of veiligheidsprojecten met betrekking tot wegen ten laste van de SSRS-Bank geschiedt op volgorde van binnenkomst van de aanvragen voor de omgevingsvergunning. Reserveren op basis van ‘wie het eerst komt, het eerst maalt’, is ontleend aan artikel 11.72, eerste lid, Bkl, dat niet in werking zal treden.

Het vierde lid bepaalt dat voor alle woningbouwprojecten die aanspraak willen maken op een reservering van depositieruimte de voorwaarde dat de woningen niet worden aangesloten op een distributienet voor aardgas. Deze voorwaarde is erop gericht om de benodigde depositieruimte voor het project zo klein mogelijk te houden en is ontleend aan artikel 8.74e, derde lid, onderdeel a, Bkl, dat niet in werking zal treden.

Het vijfde lid regelt wanneer een reservering van stikstofdepositieruimte als bedoeld in het eerste lid komt te vervallen. Dat gebeurt zodra de bevoegde overheid het besluit heeft genomen waarbij de depositieruimte definitief is toegedeeld aan het project.

Artikel 17a.13 (reservering stikstofdepositieruimte voor woningbouwclusters)

Met artikel 17a.13 worden de reserveringsmogelijkheden voor woningbouw verruimd. Deze bepaling biedt de mogelijkheid om depositieruimte te reserveren uit de BZK-bank voor een woningbouwcluster. Zo’n cluster bestaat uit meerdere woningbouwprojecten. Dit ter uitvoering van de motie-Futselaar.48 Gedurende de reservering (die een looptijd heeft van twee jaar, die eenmaal kan worden verlengd met maximaal een jaar, zie het vijfde en zesde lid) kunnen de ruimtelijk samenhangende woningbouwprojecten ieder voor zich uitgewerkt worden en kan de gereserveerde ruimte beschikbaar komen voor reservering voor de individuele projecten. Hiermee wordt geborgd dat de gereserveerde depositieruimte daadwerkelijk ten goede komt aan woningbouwprojecten. De reservering voor het cluster vervalt als en voor zover gedeputeerde staten tijdig (binnen haar looptijd) depositieruimte reserveren voor de woningbouwprojecten in dat cluster. De reservering voor het cluster kan dus desgewenst in fases worden gebruikt: voor één of meer van de projecten in het cluster. De reservering voor het cluster vervalt aan het eind van haar looptijd, voor zover ze dan nog niet is gebruikt.

Om een reservering voor een cluster kan worden verzocht door burgemeester en wethouders van de betrokken gemeente. Zij voegen bij de aanvraag een berekening waaruit blijkt dat in AERIUS Register voldoende depositieruimte beschikbaar is. Dat vereiste zorgt ervoor dat de aanvraag voldoende concreet is.

Bij concurrerende aanvragen binnen een provincie beslissen gedeputeerde staten op volgorde van de ontvangst van de aanvragen. In geval van concurrerende aanvragen tussen gemeenten in meerdere provincies is beslissend het moment waarop het betrokken college van gedeputeerde staten de reservering in AERIUS Register doorvoert.

Het vierde lid van artikel 17a.13 staat alleen een reservering voor een woningbouwproject toe als de woningen niet worden aangesloten op een distributienet voor aardgas. Die voorwaarde geldt uiteraard ook voor het reserveren van depositieruimte voor een woningbouwcluster.

Een reservering van depositieruimte voor een woningbouwcluster vervalt ingevolge het vijfde lid als:

  • a. gedeputeerde staten depositieruimte reserveren voor de woningbouwprojecten in dat cluster, dan wel

  • b. na afloop van de maximale looptijd van de reservering voor het cluster.

Die looptijd is twee jaar en kan door gedeputeerde staten (op verzoek of uit zichzelf) eenmaal worden verlengd met maximaal een jaar.

Artikel 17a.14 (voorwaarden reservering stikstofdepositieruimte voor gemeld PAS-project)

Alleen een gemeld PAS-project dat voldoet aan alle voorwaarden van artikel 17a.14 kan in aanmerking komen voor legalisatie met behulp van de depositieruimte die daarvoor beschikbaar is in de SSRS-bank.

Het is aan de initiatiefnemer om te bewijzen (of voldoende aannemelijk te maken) dat hij aan alle voorwaarden voldoet. Bij het eerste lid, onderdeel c, onder 2°, moet het bijvoorbeeld gaan om zichtbare stappen, bij het eerste lid, onderdeel c, onder 3°, om aantoonbare investeringsverplichtingen.

Bespreking van de afzonderlijke onderdelen van artikel 17a.14, eerste lid:

Onderdeel a beoogt om de legalisatie te beperken tot de projecten die tijdens het PAS onder de meldingsplicht vielen en daarmee onder de vrijstelling van de natuurvergunningplicht. Dat betekent dat voor legalisatie alleen projecten in aanmerking komen die destijds niet meer stikstofdepositie veroorzaakten op een voor stikstof gevoelig habitat in een Natura 2000-gebied dan de toen voor dat gebied geldende grenswaarde van 1 mol of 0,05 mol per hectare per jaar, en die betrekking hebben op:

  • de oprichting, verandering of uitbreiding van een inrichting als bedoeld in artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer bestemd voor landbouw, industrie of het gebruik van gemotoriseerde voertuigen voor wedstrijden, of

  • de aanleg of wijziging van infrastructuur die uitsluitend of in hoofdzaak bestemd is voor gemotoriseerd weg-, spoorweg-, vaarweg- of luchtvaartverkeer.

Onderdeel b beperkt de legalisatie tot de projecten die tijdens het PAS zijn gemeld.

Onderdeel c stelt als eis dat de melding moet gaan over een activiteit die tijdens de geldigheid van het PAS is begonnen of uitgebreid, dus van 1 juli 2015 tot 29 mei 2019. Op die laatste datum is het PAS door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State gedeeltelijk onverbindend verklaard. De bewoordingen in subonderdeel 1° betekenen dat als de melding gaat over een uitbreiding van een veehouderij, de nieuw gebouwde stallen alleen hoeven te zijn gebouwd en niet in gebruik hoeven te zijn genomen.

In onderdeel d wordt met ‘toereikende’ beoogd aan te gegeven dat melders met een interim-situatie (zie ook onderdeel e) met een ‘onvolwaardige’ omgevingsvergunningen voor een Natura 2000-activiteit (voorheen: Natura 2000-vergunning) of andere omgevingsvergunning kunnen worden gelegaliseerd. Dat kan ook als wel een toereikende vergunning is verleend, maar deze nog niet ‘onherroepelijk’ is, omdat daar nog beroep tegen mogelijk is of loopt.

Onderdeel e geldt alleen voor melders met een interim-situatie. Zij komen (als ze voldoen aan de andere voorwaarden van artikel 17a.14) in aanmerking voor legalisatie als zij ten tijde van de melding een totaal projecteffect (interim-situatie + melding) hadden van maximaal de destijds voor het betrokken Natura 2000-gebied geldende grenswaarde voor de meldingsplicht (1 mol of 0,05 mol per hectare per jaar).

Ingevolge onderdeel f moet de berekende beoogde situatie in grote lijnen overeenkomen met de feitelijke situatie, maar er zijn beperkte aanpassingen mogelijk. Het is mogelijk dat de te vergunnen depositie daarmee lager óf hoger is dan de depositie van het gemelde project. Als het te legaliseren project substantieel afwijkt van het gemelde project maar het daardoor niet méér stikstofdepositie veroorzaakt op een of meer voor stikstof gevoelige habitats in Natura 2000-gebieden, dan is legalisatie mogelijk als de gewijzigde situatie bewezen tot minder stikstofdepositie leidt op alle hexagonen in Natura 2000-gebieden, in vergelijking tot de gedane melding. In dat geval geldt de voorwaarde onder c (tijdens het PAS gerealiseerd of begonnen) voor het te legaliseren project.

Onderdeel g beperkt de legalisatie tot activiteiten die nog worden verricht. Deze laatste voorwaarde kan uiteraard niet worden gesteld als het project nog niet is begonnen maar het voornemen nog steeds bestaat, en tijdens het PAS investeringsverplichtingen zijn aangegaan in overeenstemming met de voorwaarde van het eerste lid, onderdeel c, onder 3°. Deze uitzondering wordt geregeld in het tweede lid.

Deze voorwaarden zijn nader uitgewerkt in het document dat te vinden is op de website van BIJ12.49

Artikel 17a.15 (verdeling stikstofdepositieruimte over gemelde PAS-projecten)

De PAS-meldingen ten aanzien waarvan vóór de datum van inwerkingtreding van de specifieke regels voor de PAS-melders in de voormalige Rnb een handhavingsverzoek is ingediend, krijgen overeenkomstig het voormalige artikel 2.8c Rnb voorrang bij de legalisering. Deze meldingen worden aangeduid als hooggeprioriteerde meldingen. Daardoor wordt het mogelijk om schrijnende gevallen waar het risico op bedrijfsbeëindiging of het geen doorgang kunnen vinden van gemelde activiteiten het grootst is, sneller van een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit voor het aspect stikstof te voorzien. Door de grens op deze datum te stellen, is destijds duidelijkheid gecreëerd welke meldingen als wel of niet hoog-geprioriteerd zijn aangewezen. In de bijlage bij de toelichting bij de Regeling van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 8 december 2021, nr. WJZ/ 21288684, tot wijziging van de Regeling natuurbescherming en de Omgevingsregeling (nieuwe versie AERIUS Calculator en wijziging stikstofregistratiesysteem) (Stcrt. 2022, 713) is een visualisatie opgenomen van het ‘prioriteringskader geverifieerde meldingen’, waarnaar wordt verwezen.50

Artikel 17a.16 (reservering stikstofdepositieruimte voor gemeld PAS-project na verdeling ruimte en ontvangst aanvraag)

Dit artikel is inhoudelijk gelijk aan het voormalige artikel 2.8d van de Rnb. Het stelt zeker dat er geen onnodig beslag wordt gelegd op depositieruimte voor de legalisatie van gemelde PAS-projecten. Alleen een gemeld PAS-project dat voldoet aan alle voorwaarden van artikel 17a.14 kan in aanmerking komen voor legalisatie met behulp van de depositieruimte die daarvoor beschikbaar is in de SSRS-bank. Een aanvraag van een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit met een beroep op die ruimte is pas mogelijk als bij eerdere verificatie is vastgesteld dat aan die voorwaarden is voldaan. Als er vervolgens ook voldoende ruimte in de SSRS-bank beschikbaar is om een gemeld PAS-project te legaliseren, kan een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit met beroep op die ruimte worden gedaan. Dat is ook het moment om door middel van een reservering die ruimte exclusief vast te leggen voor dit project. Ingeval de betrokken depositieruimte voor meer gemelde PAS-projecten relevant is, wordt bij de reservering rekening gehouden met de in artikel 17a.15 neergelegde prioriteringsregels.

Artikel 17a.17 (registratie wijzigingen in AERIUS Register)

Om aan de ene kant te voorkomen dat er ruimte uit het register wordt gebruikt die inmiddels aan een ander project is toegedeeld en om aan de andere kant te voorkomen dat vergunningaanvragen onnodig worden afgewezen terwijl inmiddels de benodigde depositieruimte weer is vrijgekomen, is het essentieel dat alle mutaties in AERIUS Register adequaat worden bijgehouden. Daarvoor is het bevoegde gezag voor de omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit verantwoordelijk, te weten gedeputeerde staten en soms de Minister voor Natuur en Stikstof of het bevoegd gezag voor een van de andere toestemmingsbesluiten waarbij depositieruimte kan worden toegedeeld. Ook ingeval de omgevingsvergunning wordt verleend door burgemeester en wethouders, worden de mutaties doorgevoerd door voornoemde bevoegde gezagen. De strekking van deze bepaling was geregeld in artikel 11.71, derde en vierde lid, in samenhang met artikel 11.70, tweede, derde en vierde lid, Bkl, dat niet in werking treedt, en in het voormalige artikel 2.10 Rnb.

Onderdeel B (aanpassing definitie AERIUS Register in bijlage I)

De verwijzing in de begripsbepaling van AERIUS Register wordt door de herziening van de artikelen in hoofdstuk 17a aangepast van artikel 17a.4 naar artikel 17a.2 voor een juiste verwijzing.

Onderdeel C (bijlage II bij artikel 1.4: versie 2023 van AERIUS Calculator en Monitor en toevoegen AERIUS Register)

Via onderdeel 1 wordt ervoor gezorgd dat in de artikelen 4.15, 6.15 en 7.197h, eerste lid, onder e, Or het gebruik wordt voorgeschreven van AERIUS Calculator versie 2023. Onderdeel 2 leidt ertoe dat de monitoring voor de omgevingswaarde voor stikstofdepositie voor 2030, bedoeld in artikel 2.15a, eerste lid, Ow, plaatsvindt met behulp van AERIUS Monitor versie 2023 (zie artikel 12.83a Or). Onderdeel 3 leidt ertoe dat AERIUS Register wordt toegevoegd aan bijlage II. In het stelsel van de Ow wordt de uitgave van een gestelde norm, zoals de versie van AERIUS Register, vastgesteld in de bijlage in plaats van de regeling zelf.

Artikel III (inwerkingtreding)

Artikel I treedt in werking op 5 oktober 2023, de datum waarop versie 2023 van AERIUS Calculator en Monitor beschikbaar komt op internet. Daarmee wordt afgeweken van het beleid inzake de vaste verandermomenten voor ministeriële regelingen, dat uitgaat van de eerste dag van het kwartaal, in dit geval dus op 1 oktober. Om technische redenen is een eerdere beschikbaarstelling van AERIUS evenwel niet mogelijk en het is voor de praktijk van belang om zodra dat wel mogelijk is, met de beste beschikbare rekenmethode en wetenschappelijke gegevens te werken, waaraan de verschillende functies in AERIUS zijn verbonden, en niet te wachten tot het volgende vaste verandermoment van 1 januari.

De inwerkingtreding van artikel II zal plaatsvinden met ingang van 1 januari 2024. Op dat moment treedt het stelsel van de Omgevingswet, waaronder de Omgevingsregeling en de aanverwante wijzigingen, in werking.

De Minister voor Natuur en Stikstof, C. van der Wal-Zeggelink


X Noot
1

Deze toelichting gebruikt de term ‘PAS-melding’ ter aanduiding van wat in de Rnb en Or zelf ‘gemeld PAS-project’ heet. Het gaat om de projecten waarvoor ten tijde van het programma aanpak stikstof 2015–2021 (PAS) geen natuurvergunning nodig was vanwege hun geringe stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden en die voldoen aan de voorwaarden om te worden gelegaliseerd. Zie voor meer uitleg de toelichting bij de Regeling van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 8 december 2021, nr. WJZ/ 21288684, tot wijziging van de Regeling natuurbescherming en de Or (nieuwe versie AERIUS Calculator en wijziging stikstofregistratiesysteem) (Stcrt. 2022, 713, p. 10).

X Noot
2

In deze toelichting ook wel aangeduid als ‘ruimte’.

X Noot
3

Paragraaf 2.1.2 Rnb. In de Or gaat het om het tijdelijke hoofdstuk 17a, dat is toegevoegd aan de Or met de wijzigingsregeling van 8 december 2021. Het SSRS werd in dat hoofdstuk aangeduid als ‘Register stikstofdepositieruimte’.

X Noot
5

Zie onder andere ABRvS 13 november 2013 (depositiebank Noord-Brabant), ECLI:NL:RVS:2013:1931 en ABRvS 29 juni 2016 (vleeskalverenhouderij Slagharen), ECLI:NL:RVS:2016:1818.

X Noot
6

ABRvS 24 november 2021 (Gebiedsontwikkeling Oostelijke Langstraat), ECLI:NL:RVS:2021:2627.

X Noot
7

Artikel 5.5a, tweede lid, van de Wnb en artikel 2.46, tweede lid, van de Or.

X Noot
8

Zie artikel 2.4, vijfde lid Rnb en artikel 17a.5, zesde lid Or. De wijzigingen worden besproken in de artikelsgewijze toelichting.

X Noot
9

Artikel 2.4, eerste lid Rnb en artikel 17a.4, eerste lid Or.

X Noot
10

De Rpav is vervallen op 1 december 2022, maar blijft van toepassing op de voordien door provincies ingediende aanvragen. De Rpav is ook bekend als ‘maatregel gerichte aankoop’ of MGA.

X Noot
11

Motie-Bisschop, Kamerstukken II 2021/22, 35 925 XIV, nr. 129.

X Noot
12

Zie de vereisten in artikel 2.4, vijfde lid Rnb en artikel 17a.5, zesde lid, Or.

X Noot
13

Artikel 2.4b Rnb en artikel 17a.6 Or.

X Noot
14

Kamerstuk 36 200 A, nr. 65.

X Noot
15

Werkwijze verifiëren en bepalen welke meldingen gebruik mogen van de stikstofdepositieruimte is geregeld in de wijziging van de Regeling natuurbescherming, Stcrt. 2022, 713.

X Noot
16

Zie artikel 2.7, derde lid, Rnb en artikel 17a.12, derde lid, Or.

X Noot
17

Artikel 2.4a, tweede lid, Rnb en artikel 17a.5, tweede lid, Or.

X Noot
18

Artikel 2.2, aanhef en onder d Rnb en artikel 17a.3, aanhef onder d Or.

X Noot
19

Artikel 2.2, aanhef en onder e Rnb en artikel 17a.3, aanhef onder e Or.

X Noot
20

Artikel 2.2, aanhef en onder f Rnb en artikel 17a.3, aanhef onder f Or.

X Noot
21

Artikel 2.2, aanhef en onder g Rnb en artikel 17a.3, aanhef onder g Or.

X Noot
22

Artikel 2.2, aanhef en onder h Rnb en artikel 17a.3, aanhef onder h Or.

X Noot
23

Artikel 2.3, vierde lid Rnb en artikel 17a.2, vijfde lid Or.

X Noot
24

Artikel 2.4a, vijfde lid Rnb en artikel 17a.5, vierde lid, Or.

X Noot
25

Artikel 2.4f Rnb en artikel 17a.10 Or.

X Noot
26

Artikel 2.2, aanhef en onder a t/m g Rnb en artikel 17a.3, aanhef en onder a t/m g Or.

X Noot
27

Artikel 2.2, aanhef en onder h Rnb en artikel 17a.3, aanhef onder h Or.

X Noot
29

Artikel 2.4, zesde lid Rnb en artikel 17a.5, zevende lid Or.

X Noot
30

De Or is een noodregeling die binnen een jaar in het Bkl omgezet dient te worden.

X Noot
31

Artikel 2.5, vierde lid jo artikel 2.10, vijfde lid, Rnb en artikel 17.a11, vijfde lid Or juncto artikel 17a.17, vijfde lid Or.

X Noot
32

Bij het terugvloeien van de stikstofdepositieruimte naar Register hoeft niet opnieuw te worden afgeroomd. Dat volgt uit het feit dat deze stikstofdepositieruimte niet opnieuw een maatregel is en niet valt onder artikel 2.3, derde lid Rnb en artikel 17a.5, vijfde lid Or.

X Noot
33

Artikel 2.1, eerste lid Rnb en Bijlage II van de Or.

X Noot
34

Kamerstuk 2023Z14497

X Noot
35

Artikel 2.2, tweede lid, van het Besluit natuurbescherming biedt de mogelijkheid om bij ministeriële regeling nadere regels te stellen over de monitoring van de omgevingswaarden voor stikstofdepositie, bedoeld in artikel 1.12a van de Wnb. Onder de Ow zijn de omgevingswaarden voor stikstofdepositie opgenomen in artikel 2.15a, eerste lid van de Ow, tweede lid, onder a. De grondslag voor de monitoring van de omgevingswaarden zijn opgenomen in artikel 11.68 van het Bkl.

X Noot
37

Kamerstuk 35 335, nr. 260.

X Noot
38

‘In elk geval’, want de Tracéwet kan ook na 2023 nog van toepassing zijn op projecten; zie de artikelen 4.44 en 4.45 van de Invoeringswet Ow.

X Noot
39

Zie bijvoorbeeld ABRvS 14 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:524, r.o. 6.2.

X Noot
40

ECLI:NL:RVS:2019:1603.

X Noot
41

Zie ter illustratie Beleidsregels salderen provincie Gelderland: Beleidsregels salderen in Gelderland | Lokale wet- en regelgeving (overheid.nl).

X Noot
42

Stb. 2021, 22.

X Noot
43

Zie de artikelen 8.74e en 11.70-11.72 Bkl.

X Noot
44

Regeling van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 8 december 2021, nr. WJZ/21288684, tot wijziging van de Regeling natuurbescherming en de Omgevingsregeling (nieuwe versie AERIUS Calculator en wijziging stikstofregistratiesysteem) (Stcrt. 2022, 713).

X Noot
45

Regeling van de Minister voor Natuur en Stikstof van 10 juli 2022,

nr. WJZ/22297630, tot wijziging van de Regeling natuurbescherming en de Omgevingsregelingr (snelheidsmaatregel uit stikstofregister) (Stcrt. 2022, 18273).

X Noot
46

Regeling van de Minister voor Natuur en Stikstof van 23 januari 2023, nr. WJZ/22474344, tot wijziging van de Regeling natuurbescherming en de Omgevingsregeling (AERIUS 2022) (Stcrt. 2023, 1369).

X Noot
47

Zie bijvoorbeeld ABRvS 14 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:524, r.o. 6.2.

X Noot
48

Kamerstukken II 2020/21, 35 600, nr. 35.

Naar boven