Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid | Staatscourant 2022, 7371 | pensioenen |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid | Staatscourant 2022, 7371 | pensioenen |
Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
Gezien de aanvraag van Montea & Partners namens de Nederlandse Emballage- en Palletindustrie Vereniging, de Nederlandse Vereniging van Klompenfabrikanten, Dutch-Man, Hiswa-Recron, FNV en CNV Vakmensen, daartoe strekkende dat de verplichtstelling tot deelneming in de Stichting Bedrijfspensioenfonds voor de Groothandel in Vlakglas, de Groothandel in Verf, het Glasbewerkings- en het Glazeniersbedrijf, ingevolge de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000, wordt gewijzigd voor de in de aanvraag bedoelde groepen van personen in de bedrijfstakken Houtverwerkende Industrie en Jachtbouw;
Overwegende,
dat tegen de aanvraag tot wijziging van de verplichtstelling zienswijzen zijn ingebracht door Held Advocaten namens Meilink Raamsdonksveer B.V.
Deze zienswijzen kunnen als volgt worden samengevat.
De zienswijzen richten zich tegen de representativiteit van de bedrijfstak Houtverwerkende Industrie.
Zienswijzenhebbende stelt dat niet is voldaan aan de vereiste representativiteit doordat de Houtverwerkende Industrie ten onrechte als één bedrijfstak is aangemerkt. Volgens zienswijzenhebbende is daarentegen sprake van vier afgebakende bedrijfstakken, namelijk de Emballage- en palletindustrie, de Klompenindustrie, de Houtwarenindustrie en de Borstel- en kwastenindustrie, en dient voor elk van deze vier bedrijfstakken apart de representativiteit te worden aangetoond. Verder gaan de aanvragers uit van onjuiste – te hoge – werkgevers- en werknemersaantallen aan georganiseerde zijde en zijn voor de Nederlandse Emballage- en Palletindustrie Vereniging (hierna: EPV) ten onrechte zogenaamde buitengewone leden meegeteld. Indien toch alle bedrijfstakken bij elkaar moeten worden genomen voor het representativiteitsvereiste dan vertegenwoordigen de aanvragers eveneens geen (belangrijke) meerderheid. Ter onderbouwing hiervan heeft zienswijzenhebbende eigen representativiteitsberekeningen overgelegd voor de Houtverwerkende Industrie. Voor deze berekeningen is het aantal direct aan het bedrijfstakpensioenfonds voor de Houtverwerkende Industrie en Jachtbouw (hierna: bedrijfstakpensioenfonds) gebonden werkgevers vastgesteld aan de hand van ledenlijsten van de websites van de betrokken werkgeversorganisaties en het aantal werknemers van deze werkgevers is vastgesteld aan de hand van openbare gegevens, zoals (grotendeels) jaarverslagen over 2019 en 2020 en beschikbare gegevens uit de Kamer van Koophandel. Zienswijzenhebbende voert verder aan dat de Emballage- en palletindustrie dermate groot is dat die de andere drie bedrijfstakken qua representativiteitscijfers domineert en marginaliseert waardoor sprake is van een zeer scheve spreiding. En dat ook sprake is van een zeer scheve spreiding binnen de separate bedrijfstakken Houtwarenindustrie en Klompenindustrie. De aanvraag voldoet volgens zienswijzenhebbende bovendien niet aan de eisen van reproduceerbaarheid, validiteit, interne consistentie en onderzoekstechnische kwaliteit. Ter toelichting hiervan voert zienswijzenhebbende aan dat de aanvragers volstaan hebben met het noemen van een cijfer dat niet reproduceerbaar is omdat er geen bronbestand ter beschikking is gesteld, zodat de minister een accountantsrapportage moet opvragen over de juistheid van de gedane opgave. Verder is niet duidelijk of er bij de direct aan het bedrijfstakpensioenfonds gebonden werknemers en bij het totale aantal werknemers dat onder de verplichtgestelde werkingssfeer valt op dezelfde wijze is gecorrigeerd voor de in de werkingssfeer uitgesloten categorieën werknemers en of er een gelijke definitie van werkzame personen is gebruikt. Daarnaast hebben aanvragers het totale aantal werknemers dat onder de werkingssfeer valt, ontleent aan de administratie van het bedrijfstakpensioenfonds en is er volgens zienswijzenhebbende ten onrechte geen onderzoek gedaan naar het bereik van de werkingssfeerbepalingen. Om genoemde redenen moet de aanvraag worden afgewezen en is er reden om de huidige verplichtstelling voor de Houtverwerkende Industrie per direct ambtshalve in te trekken.
Overwegende ten aanzien van de zienswijzen.
Bedrijfstak Houtverwerkende Industrie
Ten aanzien van de stelling van zienswijzenhebbende dat de Houtverwerkende Industrie ten onrechte als één bedrijfstak is aangemerkt, merk ik op dat het bepalen van de werkingssfeer en de reikwijdte van de verplichtstelling alsmede het benoemen van de bedrijfsactiviteiten van een bedrijfstak primair een zaak van sociale partners is. Sociale partners in de Houtverwerkende Industrie (hierna: sociale partners) hebben in reactie op de zienswijzen aangevoerd dat de omschreven bedrijfsactiviteiten in de bedrijfstak Houtverwerkende Industrie gelijkgericht zijn omdat ze allemaal betrekking hebben op – kort gezegd – het verwerken van hout. Dat verwerken van hout kan zijn de vervaardiging van houten producten, het vervaardigen van houten pallets, het vervaardigen van houten klompen, het vervaardigen van borstels (die veelal van hout zijn) of het vervaardigen van houten vaten. Dat verwerken van hout kan ook zijn de handel in de hiervoor genoemde producten. Zij benadrukken de Houtverwerkende Industrie ook echt als één bedrijfstak te beschouwen en hebben om die reden één cao afgesproken voor werkgevers in de Houtverwerkende Industrie, er is één sociaal fonds van toepassing en er geldt dus ook één bedrijfstakpensioenfonds. Dat sprake is van één bedrijfstak blijkt volgens hen uit de letterlijke tekst van het huidige verplichtstellingsbesluit en dat de activiteiten gelijkgericht zijn wordt volgens hen bevestigd door het feit dat deze bedrijfstak grotendeels gelijk is aan UWV sector 5. Mijns inziens hebben sociale partners de keuze voor één bedrijfstak en daarmee voor één representativiteitsopgave hiermee voldoende onderbouwd.
Representativiteit
Voor het wijzigen van een verplichtstelling tot deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds is vereist dat het georganiseerde bedrijfsleven dat de aanvraag indient een, naar het oordeel van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, belangrijke meerderheid van de in de desbetreffende bedrijfstak werkzame personen vertegenwoordigt (artikel 10, eerste lid, van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000). Deze belangrijke meerderheid moet blijken uit een opgave van het aantal werkgevers dat lid is van de bij de aanvraag tot wijziging betrokken werkgeversorganisatie(s) onderscheidenlijk het aantal werkgevers in de bedrijfstak waarop de aanvraag tot wijziging van de verplichtstelling betrekking heeft, alsmede het aantal werknemers in dienst van werkgevers die lid zijn van de bij de aanvraag tot wijziging betrokken werkgeversorganisatie(s) onderscheidenlijk het aantal werknemers werkzaam bij werkgevers in de bedrijfstak waarop de aanvraag betrekking heeft.
Deze opgave dient door partijen voorzien te zijn van een toelichting op de wijze van verzameling van de gegevens als bedoeld in artikel 3 sub e van de Regeling betreffende aanvragen op grond van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000. De gegevens waarop de opgave is gebaseerd, mogen in principe niet ouder zijn dan één jaar, te rekenen vanaf de indiening van de aanvraag.
Wanneer sprake is van een meerderheid tussen de 55 en 60 procent wordt dit als een belangrijke meerderheid gekwalificeerd, tenzij het draagvlak voor de verplichtstelling gering is of als sprake is van een zeer scheve verdeling van de meerderheid binnen de werkingssfeer.
Sociale partners hebben bij de aanlevering van de representativiteitsgegevens gebruik gemaakt van het formulier representativiteitsgegevens. Uit de overgelegde representativiteitsopgave blijkt dat voor de berekening van het totale aantal werkgevers dat direct aan de verplichtstelling is gebonden en het totale aantal werkgevers gebonden door de werkingssfeer gebruik is gemaakt van de ledenlijsten van de EPV, Dutch-Man en de Nederlandse Vereniging van Klompenfabrikanten en van de lijst bij het bedrijfstakpensioenfonds aangesloten werkgevers van de pensioenuitvoerder met het aantal deelnemers (bedrijfstak Houtverwerkende Industrie) met peildatum 1 januari 2021. De vrijwillig aangesloten werkgevers zijn buiten beschouwing gelaten, vrijgestelde werkgevers zijn meegenomen in de tellingen en er is gecorrigeerd voor dubbel geregistreerde werkgevers. Voor de berekening van het totale aantal werknemers dat direct aan het bedrijfstakpensioenfonds is gebonden en het totale aantal werknemers dat onder de werkingssfeer van de bedrijfstak Houtverwerkende Industrie valt, zijn dezelfde bronnen gebruikt. Daarnaast is gebruik gemaakt van het databestand loonaangifte werkgevers (aangesloten bij het bedrijfstakpensioenfonds) van het UWV binnen sector 5. Dit databestand vormt de basis voor het aantal werknemers dat staat vermeld in het databestand van de pensioenuitvoerder en is gebruikt ter vaststelling en verificatie van het aantal werknemers per (on)georganiseerde werkgever. Als een werkgever nog niet al zijn werknemers per 1 januari 2021 met de juiste salarissen heeft aangemeld, dan is de UWV loonaangifte aangehouden om het aantal werknemers, dat onder de verplichtstelling valt, (indien nodig) te corrigeren.
In reactie op de zienswijzen en ter onderbouwing van de representativiteitsopgave hebben sociale partners een rapport van feitelijke bevindingen van een onafhankelijke accountant toegezonden. Hieruit blijkt dat de data welke gehanteerd is in de representativiteitsberekening naar het oordeel van de accountant overeenstemt met de relevante bronnen. De accountant heeft vastgesteld dat de ledenlijsten volledig aansluiten bij de representativiteitsberekening. In het rapport zijn voor zes werkgevers verschillen geconstateerd tussen het databestand van het UWV en de representativiteitsberekening, die door sociale partners nader zijn toegelicht in de reactie op de zienswijzen. Vier werkgevers stonden niet in het databestand van UWV omdat het bedrijfstakpensioenfonds de gegevens niet had opgevraagd bij het UWV, gegeven dat deze werkgevers (nog) niet zijn aangemeld bij het bedrijfstakpensioenfonds. Deze werkgevers, waarvan er één is vrijgesteld van de verplichting tot deelneming, vallen naar het oordeel van sociale partners echter wel onder de werkingssfeer, zodat de werknemers per 1 januari 2021 zijn uitgevraagd bij de desbetreffende werkgevers. Ten aanzien van de overige twee werkgevers waren sociale partners uitgegaan van de deelnemersadministratie van het bedrijfstakpensioenfonds, maar hebben sociale partners bij nader inzien toch een nieuwe uitvraag gedaan. Bij één werkgever bleek sprake van een vrijwillige aansluiting zodat drie werknemers ten onrechte waren meegenomen en voor de andere werkgever bleken er juist vijf werknemers te weinig te zijn geregistreerd. Als gevolg van beide correcties is het totale aantal werknemers dat onder de werkingssfeer valt met twee toegenomen wat een verwaarloosbaar effect op de representativiteit heeft. Voor twee werkgevers zijn door de accountant verschillen tussen de status in de representativiteitsberekening en de registratie van het bedrijfstakpensioenfonds geconstateerd die blijkens de nadere toelichting van sociale partners van administratieve aard zijn en geen gevolgen hebben voor de representativiteit. De accountant heeft verder vastgesteld dat de gehanteerde rekenmethode voor de representativiteitsberekening overeenstemt met de Beleidsregels Toetsingskader Wet Bpf 2000 en dat de buitengewone leden van de EPV niet zijn betrokken in de representativiteitsberekening.
Voor wat betreft de stelling dat is uitgegaan van onjuiste – te hoge – werkgevers- en werknemersaantallen, hetgeen zou blijken uit de eigen representativiteitsberekeningen van zienswijzenhebbende, merk ik het volgende op. De berekeningen van zienswijzenhebbende zijn gebaseerd op ledenlijsten van de websites van de betrokken werkgeversorganisaties en op openbare gegevens, zoals jaarverslagen en beschikbare gegevens uit de Kamer van Koophandel die niet (volledig) gerelateerd zijn aan de werkingssfeer van de bedrijfstak Houtverwerkende Industrie en bovendien andere peildata hebben.
Sociale partners wijzen er in reactie op de zienswijzen op dat de ledenoverzichten op de websites van de betrokken werkgeversorganisaties niet alle leden noemen omdat ze niet regelmatig worden bijgewerkt en soms alleen het concern noemen terwijl in werkelijkheid meerdere werkgevers die onderdeel uitmaken van dat concern lid zijn. De veronderstelling van zienswijzenhebbende dat het verschil in het aantal georganiseerde werkgevers in de representativiteitsopgave met name wordt veroorzaakt door de vijftien buitengewone leden van EPV is eveneens onjuist. Buitengewone leden zijn niet meegerekend voor de opgave wat ook is bevestigd door de accountant. Daarbij heeft zienswijzenhebbende gebruik gemaakt van de jaarverslagen over 2019 en 2020 terwijl het peilmoment voor de representativiteitsopgave 1 januari 2021 is. De jaarverslagen zijn volgens sociale partners geen betrouwbare bron voor het aantal in dienst zijnde werknemers en de bronnen die sociale partners hebben gebruikt, namelijk de officiële ledenlijsten van de relevante werkgeversverenigingen en de deelnemersadministratie van het bedrijfstakpensioenfonds, wel. Bovendien is de juistheid van de werknemersaantallen gecontroleerd aan de hand van een opgave van UWV. Sociale partners hebben desgevraagd nader toegelicht dat genoemde opgave van UWV een gecorrigeerde opgave is die volledig aansluit bij de werkingssfeer van het bedrijfstakpensioenfonds. Werknemers van 67 jaar of ouder op 1 januari 2021 zijn uitgesloten, evenals bestuurders van een naamloze vennootschap of een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid. Ook komen werknemers op afdelingen die niet vallen onder de verplichtstelling van het bedrijfstakpensioenfonds niet voor in de opgave van UWV. Volledigheidshalve merk ik op dat sociale partners hebben aangegeven dat deze gecorrigeerde opgave ook is gebruikt door de accountant voor het rapport van feitelijke bevindingen.
Uit het rapport van de accountant volgt dat de representativiteitsopgave reproduceerbaar is en de suggestie dat slechts een uitdraai van de pensioenadministratie is gebruikt is volgens sociale partners onjuist. Sociale partners hebben de deelnemersadministratie van het bedrijfstakpensioenfonds als uitgangspunt gebruikt en alle werkgevers die op 1 januari 2021 waren aangesloten bij het bedrijfstakpensioenfonds gecontroleerd aan de hand van de opgave van het UWV. De representativiteitsopgave is daarmee gebaseerd op de deelnemersadministratie van het bedrijfstakpensioenfonds in combinatie met een controle aan de hand van de opgave van het UWV. Verder is volgens sociale partners van belang dat het bedrijfstakpensioenfonds een actief handhavingsbeleid voert aan de hand van periodieke opgaven van de Kamer van Koophandel en het UWV. Dit geldt zowel voor potentieel aan te sluiten werkgevers als voor de reeds aangesloten werkgevers. Hierdoor geeft de deelnemersadministratie van het bedrijfstakpensioenfonds volgens sociale partners een heel betrouwbaar overzicht van alle werkgevers en hun werknemers in de houtverwerkende Industrie. In hun reactie op de zienswijzen hebben sociale partners bevestigd dat werknemers die niet onder de werkingssfeer vallen op dezelfde manier zijn uitgesloten in de berekening en dat dezelfde definitie van werkzame personen is gebruikt.
Op grond van het bovenstaande concludeer ik dat de representativiteitsberekeningen van zienswijzenhebbende niet voldoen aan de gestelde eisen om vast te stellen hoeveel werknemers onder de werkingssfeer van de bedrijfstak Houtverwerkende Industrie vallen. De bronnen en methodieken die door partijen zijn gebruikt ter onderbouwing van de representativiteit van de bedrijfstak Houtverwerkende Industrie welke zijn beoordeeld door een onafhankelijke accountant in een rapport van feitelijke bevindingen, zijn naar mijn oordeel afdoende valide.
Scheve spreiding
Met betrekking tot de gestelde zeer scheve spreiding doordat de Emballage- en palletindustrie zo groot zou zijn dat deze andere bedrijfstakken zou overheersen, merken sociale partners op dat zienswijzenhebbende uitgaat van de onjuiste veronderstelling dat er sprake zou zijn van vier bedrijfstakken in plaats van één bedrijfstak. Verder wijzen sociale partners erop dat zienswijzenhebbende onder de EPV valt en zienswijzenhebbende dus in ieder geval niet tot het deel van de bedrijfstak behoort dat zou worden overheerst, en omdat er verder geen zienswijzen zijn ingediend, uitgangspunt is dat er geen scheve spreiding is en dat er wel voldoende draagvlak is. Voor wat betreft de stelling van zienswijzenhebbende dat ook binnen de Klompenindustrie sprake is van een zeer scheve spreiding, wijzen sociale partners er nog op dat er veel minder kleine werkgevers zijn dan zienswijzenhebbende veronderstelt. Werkgevers zonder werknemers, zijn niet meegenomen in de representativiteit en werkgeversleden met een of twee werknemers in dienst zijn veelal bestuurders (die van deelneming zijn uitgezonderd in het verplichtstellingsbesluit) of vennoten (die geen dienstverband hebben) of eenmanszaken zonder personeel. Nu er geen zienswijzen zijn ingediend vanuit het deel van de bedrijfstak dat volgens zienswijzenhebbende zou worden overheerst, is van de gestelde scheve spreiding mijns inziens niet gebleken.
Naar aanleiding van het door sociale partners overgelegde formulier representativiteitsgegevens, de door sociale partners gegeven nadere toelichting en het rapport van feitelijke bevindingen, kan worden vastgesteld dat in voldoende mate aannemelijk is gemaakt dat de aanvraag tot wijziging van de verplichtstelling tot deelneming in het bedrijfstakpensioenfonds voor de Groothandel in Vlakglas, de Groothandel in Verf, het Glasbewerkings- en het Glazeniersbedrijf is ingediend door partijen die een belangrijke meerderheid van de in de bedrijfstak werkzame personen vertegenwoordigen.
De zienswijzen zijn naar mijn oordeel voldoende weerlegd en doen geen afbreuk aan de door sociale partners overgelegde representativiteitsgegevens.
Gezien het bovenstaande vormen de zienswijzen geen beletsel om tot besluitvorming over te gaan.
Gelet op de artikelen 10, eerste lid en 16 van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000;
Gezien het overleg met De Nederlandsche Bank;
BESLUIT:
Wijzigt het besluit van 2 april 1959, nr. 2073, Stcrt. 1959, nr. 64 (laatstelijk gewijzigd bij besluit van 19 augustus 2020, Stcrt. 2020, nr. 36401) waarin werd overgegaan tot het verplicht stellen van de deelneming in de Stichting Bedrijfspensioenfonds voor de Groothandel in Vlakglas, de Groothandel in Verf, het Glasbewerkings- en het Glazeniersbedrijf.
De verplichtstelling tot deelneming komt na wijziging te luiden als volgt:
‘I. De deelneming in de Stichting Bedrijfspensioenfonds voor de Groothandel in Vlakglas, de Groothandel in Verf, het Glasbewerkings- en het Glazeniersbedrijf is verplicht gesteld voor werknemers in de leeftijd tot en met 66 jaar, in dienstbetrekking werkzaam in de groothandel in vlakglas, de groothandel in verf, het glasbewerkings- of het glazeniersbedrijf, wordende ten deze verstaan onder:
A. de groothandel in vlakglas, het glasbewerkings- en het glazeniersbedrijf: de ondernemingen of afdelingen daarvan, welke zich uitsluitend of in hoofdzaak bezighouden met:
1. de groothandel in vlakglas, al dan niet in combinatie met het plaatsen van bewerkt en/of onbewerkt vlakglas; en/of
2. de bedrijfsmatige bewerking en/of verwerking van vlakglas (zoals de productie van isolerend dubbelglas, gelaagd glas en voorgespannen/gehard glas), waaronder niet begrepen het plaatsen van vlakglas; en/of
3. het vervaardigen van glas in metaal (waaronder begrepen maar niet beperkt tot geëtst en gebrandschilderd glas);
De verplichtstelling tot deelneming geldt ook voor ondernemingen of afdelingen daarvan, die reeds voor 28 mei 2018 lid zijn van Bouwend Nederland Vakgroep GLAS en die vallen onder de werkingssfeer van de bedrijfstakpensioenregeling voor het schilders-, afwerkings- en glaszetbedrijf in Nederland (Bpf-SAG) en ten behoeve van wie de aansluiting bij Bpf-SAG krachtens een bestuursbesluit is beëindigd.
B. de groothandel in verf de ondernemingen of afdelingen daarvan, welke zich uitsluitend of in hoofdzaak bezighouden met de groothandel in verf;
Voor de toepassing van het gestelde onder A en B wordt verstaan onder:
indien de onder A en/of B bedoelde onderneming of afdeling welke zich in hoofdzaak bezig houdt met de activiteiten als bedoeld onder A en/of B, dan zal bepalend zijn de omzet die wordt behaald met de activiteiten als bedoeld onder A en/of B ten opzichte van de omzet die wordt behaald met eventuele andere activiteiten van de onderneming of afdeling daarvan;
de bedrijfsuitoefening waarbij de onderneming voor eigen rekening en risico goederen betrekt, naar behoefte in voorraad houdt dan wel in bestelling heeft, en verkoopt aan bedrijfsmatige ge- en/of verbruikers of verwerkers dan wel groot- of kleinhandelaren.
de bedrijfsuitoefening waarbij de onderneming voor eigen rekening en risico, anders dan voor eigen gebruik, producten van producenten betrekt, naar behoefte in voorraad houdt en voor eigen rekening en risico distribueert over een veelheid van professionele verbruikers, be- en verwerkers dan wel wederverkopers;
de verplichtstelling geldt niet voor:
1. de onder B bedoelde afdelingen van ondernemingen, voor zover deze vallen onder de werkingssfeer van de verplichtstelling van een vóór 6 april 1959 reeds bestaand bedrijfstakpensioenfonds;
2. bestuurders van naamloze vennootschappen en van besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid die in het bezit zijn van 50% of meer van het aandelenkapitaal van de vennootschap;
3. verfimporteurs; De onderneming die zich in hoofdzaak bezig houdt met de invoer van verfproducten vanuit het buitenland naar Nederland met het doel om deze verfproducten van buitenlandse fabrikanten als eerste in Nederland af te zetten.
II. Voorts is de deelneming in de Stichting Bedrijfspensioenfonds voor de Groothandel in Vlakglas, de Groothandel in Verf, het Glasbewerkings- en het Glazeniersbedrijf verplicht gesteld voor alle werknemers tot de eerste dag van de maand, waarin de 67-jarige leeftijd wordt bereikt, die in dienst zijn van ondernemingen in de bedrijfstak als hierna genoemd onder C tot en met F, met uitzondering van bestuurders van een naamloze vennootschap of een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid. Hierbij worden verstaan onder ondernemingen in de bedrijfstak:
C. Ondernemingen waarin het bedrijf wordt uitgeoefend van de vervaardiging, assemblage, import en groothandel van artikelen van hout of kunststof danwel hetgeen binnen het kader van deze ondernemingen ter vervanging van deze grondstof dient, waaronder begrepen:
1. huishoudelijke artikelen (met uitzondering van groothandel);
2. speelgoederen; waaronder educatieve materialen;
3. sportartikelen;
4. gereedschappen en onderdelen daarvan;
5. technische artikelen ten behoeve van industrie, ambacht, bedrijf, beroep en instellingen;
6. gebogen en gedraaide, gekartelde, geperste, gelijmde en geverfde producten;
7. looprekken, kinderstoelen, lectuurbakken;
8. naaidozen, etagères, thermometers, barometers, borstelhangers, eenvoudige boekenplanken, etensdragers, dienbladen, souvenirartikelen, sigarenkisten, sierdozen en andere houten kleinverpakkingen;
9. lucifers en potloden;
10. decoratieve producten voor de particuliere tuin;
11. fineer;
12. andere producten van hout of hetgeen ter vervanging daarvan dient, met uitzondering van:
a. meubelen en onderdelen daarvan;
b. producten voor de bouwnijverheid (timmerwerk);
c. triplex en meubelplaat;
d. parket- en hardhoutvloeren;
e. houtvezelplaten;
f. producten van de ondernemingen die zijn aangesloten bij bedrijfstakpensioenfonds Stichting Pensioenfonds PGB, rubber- en kunststofbranche.
Met uitzondering van de volgende ondernemingen:
− ondernemingen vallend onder de verplicht gestelde werkingssfeer van bedrijfstakpensioenfonds Stichting Pensioenfonds van de Metalektro bij besluit van 16 mei 2018 (Staatscourant 2018, nr. 26934);
− ondernemingen vallend onder de verplicht gestelde werkingssfeer van bedrijfstakpensioenfonds Stichting Pensioenfonds Metaal en Techniek bij besluit van 23 april 2015 (Staatscourant 2015, nr. 11859).
D.
1. Ondernemingen waarin het bedrijf wordt uitgeoefend van de vervaardiging, het herstellen, assemblage, import en groothandel van emballage en pallets van hout of van kunststof, danwel van hetgeen binnen het kader van deze ondernemingen tot vervanging van hout of kunststof als grondstof dient, met uitzondering van de volgende ondernemingen:
− ondernemingen waarin hoofdzakelijk het bedrijf wordt uitgeoefend van de grafkistenindustrie;
− ondernemingen vallend onder de verplicht gestelde werkingssfeer van bedrijfstakpensioenfonds Stichting Pensioenfonds PGB, sector Kartonnage- en Flexibele Verpakkingenbedrijf bij besluit van 22 december 2020 (Staatscourant 2020, nr. 67755);
− ondernemingen die zijn aangesloten bij bedrijfstakpensioenfonds Stichting Pensioenfonds PGB, rubber- en kunststofbranche;
− ondernemingen vallend onder de verplicht gestelde werkingssfeer van bedrijfstakpensioenfonds Stichting Pensioenfonds van de Metalektro bij besluit van 16 mei 2018 (Staatscourant 2018, nr. 26934);
− ondernemingen vallend onder de verplicht gestelde werkingssfeer van bedrijfstakpensioenfonds Stichting Pensioenfonds Metaal en Techniek bij besluit van 23 april 2015 (Staatscourant 2015, nr. 11859).
2. Ondernemingen en/of afdelingen van een onderneming waarin het bedrijf wordt uitgeoefend van de vervaardiging, het herstellen, assemblage, import en groothandel van houten draag- en/of sierklompen en/of van houten sandalen.
E. Ondernemingen waarin het bedrijf wordt uitgeoefend van de vervaardiging, assemblage, groothandel en import van borstels, kwasten, borstelvezels en borstelhaar van de borstel- en kwastenindustrie en/of -assemblage en het borstelvezel- en haarbereidingsbedrijf.
F. Ondernemingen, waarin het bedrijf wordt uitgeoefend van het vervaardigen en/of assembleren van geheel of gedeeltelijk houten vaten, kuipwerk en/of bakken – niet dienende voor verpakking – en aanverwante technische houtwaren, ook als deze artikelen binnen het kader van deze ondernemingen van een andere grondstof dan van hout vervaardigd zijn.
G. Deze verplichtstelling geldt niet voor werknemers die werkzaam zijn op een afdeling van een onderneming die valt onder een andere verplicht gestelde werkingssfeer van een bedrijfstakpensioenfonds dan de onderhavige onder II verplicht gestelde werkingssfeer.
H. Deze verplichtstelling is niet van toepassing op de werknemers van Bruynzeel Potlodenfabriek te Bergen op Zoom.
III. Voorts is de deelneming in de Stichting Bedrijfspensioenfonds voor de Groothandel in Vlakglas, de Groothandel in Verf, het Glasbewerkings- en het Glazeniersbedrijf verplicht gesteld voor alle werknemers tot de eerste dag van de maand, waarin de 67-jarige leeftijd wordt bereikt die op basis van een arbeidsovereenkomst in dienst zijn van ondernemingen als hierna genoemd onder I en J. Als werknemer in de zin van deze verplichtstelling wordt niet beschouwd de stagiaire en de vakantiewerker;
I. Ondernemingen, zijnde de natuurlijke persoon of de rechtspersoon, dan wel de maatschap, de vennootschap gevormd door twee of meer natuurlijke en/of rechtspersonen gezamenlijk, die een bedrijf exploiteert waarvan de activiteiten bestaan uit het verrichten van werkzaamheden in de Houten en Kunststoffen Jachtbouw, alsmede waterrecreatie ondersteunende activiteiten;
J. tot de Houten en Kunststoffen Jachtbouw, alsmede waterrecreatie ondersteunende activiteiten behoort iedere onderneming:
a. die zich geheel of in hoofdzaak bezighoudt met het bouwen, afbouwen, aftimmeren, tuigen, uitrusten en vaarklaar maken van pleziervaartuigen voor recreatieve doeleinden, of van onderdelen daarvan of daarvoor, alles voor zover in hout en/of kunststof;
b. die zich geheel of in hoofdzaak bezig houdt met het herstellen, onderhouden en verbouwen van pleziervaartuigen voor recreatieve doeleinden of van onderdelen daarvan of daarvoor, alles voor zover in hout en/of kunststof;
c. die zich naast het in hoofdzaak verrichten van dienstverlenende activiteiten in de waterrecreatie bezig houdt met het herstellen, onderhouden en verbouwen van pleziervaartuigen voor recreatieve doeleinden of van onderdelen daarvan of daarvoor.
Alles met dien verstande, dat de verplichtstelling onderdeel III niet van toepassing is indien:
1. de werknemers op grond van enig besluit krachtens artikel 3, van de Wet betreffende verplichte deelneming in een bedrijfspensioenfonds van 17 maart 1949 (Stb. J 121), zoals dit besluit luidde op 1 januari 1993, verplicht zijn tot deelneming in een ander bedrijfspensioenfonds;
2. de werknemer die op of na 1 januari 2006 onder de Stichting Pensioenfonds ABP valt.’
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2022-7371.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.