Advies Raad van State inzake het voorstel van wet houdende regels aangaande een tijdelijke uitwisseling van persoonsgegevens ter identificering van de ouders die gedupeerd zijn als gevolg van problemen bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag en geconfronteerd zijn met uithuisplaatsing van kinderen (Tijdelijke wet uitwisseling persoonsgegevens UHP KOT)

Nader Rapport

9 december 2022

Nr. 4363621

Directie Wetgeving en Juridische Zaken

Ministerie van Justitie en Veiligheid

Aan de Koning

Nader rapport inzake het voorstel van wet houdende regels aangaande een tijdelijke uitwisseling van persoonsgegevens ter identificering van de ouders die gedupeerd zijn als gevolg van problemen bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag en geconfronteerd zijn met uithuisplaatsing van kinderen (Tijdelijke wet uitwisseling persoonsgegevens UHP KOT)

Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw kabinet van 24 oktober 2022, nr. 2022002323, machtigde Uwe Majesteit de Afdeling advisering van de Raad van State haar advies inzake het bovenvermelde voorstel van wet rechtstreeks aan mij te doen toekomen. Dit advies, gedateerd 30 november 2022, nr. W16.22.0205/II, bied ik U hierbij aan.

De tekst van het advies treft u hieronder cursief aan, voorzien van mijn reactie.

Bij Kabinetsmissive van 24 oktober 2022, no.2022002323, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister voor Rechtsbescherming, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet houdende regels aangaande een tijdelijke uitwisseling van persoonsgegevens ter identificering van de ouders die gedupeerd zijn als gevolg van problemen bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag en geconfronteerd zijn met uithuisplaatsing van kinderen (Tijdelijke wet uitwisseling persoonsgegevens UHP KOT), met memorie van toelichting.

Het voorstel stelt regels voor de tijdelijke verwerking van persoonsgegevens van de bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag gedupeerde ouders en hun uithuisgeplaatste kinderen. Het doel hiervan is inzicht te verkrijgen in deze groep ouders en kinderen en hen een ondersteuningsaanbod te kunnen doen. Daarnaast wordt beoogd de betrokken instanties met deze gegevens in staat te stellen te reflecteren op hun eigen handelen in dossiers van de kinderen van deze ouders.

De Afdeling advisering van de Raad van State heeft begrip voor het streven van dit wetsvoorstel om het mogelijk te maken dat de betrokken ouders en kinderen een ondersteuningsaanbod ontvangen en dat de betrokken instanties op hun eigen handelen kunnen reflecteren. De hiervoor benodigde tijdelijke gegevensverwerking is, gelet op de achterliggende problematiek, privacygevoelig.

De Afdeling maakt enkele opmerkingen over de in het wetsvoorstel voorgestelde doelen en taken. Zo blijkt uit de toelichting onvoldoende dat het verkrijgen van inzicht in de groep ouders en kinderen een zelfstandig doel van het wetsvoorstel moet zijn. Verder gaat de toelichting niet in op de randvoorwaarden voor de reflectie door de betrokken instanties. Ten slotte adviseert de Afdeling om in het wetsvoorstel de verlengingsmogelijkheid te maximeren en te regelen dat de verlenging enkel kan plaatsvinden bij dringende redenen. In verband met deze opmerkingen is aanpassing wenselijk van het voorstel en de toelichting.

Ik ben verheugd te lezen dat de Afdeling advisering van de Raad van State (hierna: de Afdeling of de Afdeling advisering) begrip heeft voor het streven om ouders een ondersteuningsaanbod te doen en om mogelijk te maken dat organisaties reflecteren op het eigen handelen. Het voorstel heeft de Afdeling aanleiding gegeven tot het maken van een aantal opmerkingen. Graag ga ik op deze opmerkingen in het navolgende nader in.

1. Inhoud van het wetsvoorstel

Het wetsvoorstel vindt zijn oorzaak in de afhandeling van de toeslagenaffaire.

Het voorziet als gevolg van een toezegging aan de Tweede Kamer1 in een tijdelijke regeling voor de uitwisseling van persoonsgegevens. Deze is gericht op identificering van de ouders die gedupeerd zijn door de uitvoering van de kinderopvangtoeslagwetgeving en mogelijk in verband hiermee geconfronteerd zijn met uithuisplaatsing van hun kinderen (UHP KOT-ouders en UHP KOT-kinderen).2 De voorgestelde gegevensuitwisseling heeft blijkens het wetsvoorstel drie doelen:

  • het verkrijgen van inzicht in de groep gedupeerde ouders en hun kinderen;

  • het doen van een ondersteuningsaanbod aan deze ouders en kinderen, en;

  • de reflectie door de betrokken instanties op hun handelen ten aanzien van deze groep.3

De Minister voor Rechtsbescherming vervult in het wetsvoorstel een centrale rol. Hij ontvangt van de Belastingdienst/Toeslagen de persoonsgegevens van de gedupeerde aanvragers van kinderopvangtoeslag en hun kinderen.4 Van de raad voor de kinderbescherming, de Raad voor de rechtspraak en de gerechten ontvangt hij de persoonsgegevens van uithuisgeplaatste kinderen en hun ouders.5 Vervolgens koppelt de minister deze gegevens en stelt hij een lijst samen van UHP KOT-kinderen en een lijst van UHP KOT-ouders.6 Hij verstrekt deze lijsten aan de Belastingdienst/Toeslagen, de gecertificeerde instellingen die kinderbeschermingsmaatregelen uitvoeren, de raad voor de kinderbescherming, de Raad voor de rechtspraak en de gerechten. Op basis van deze gegevens kan een aanbod tot ondersteuning worden gedaan. Voorts kunnen de betrokken instanties de dossiers doorlichten en zo reflecteren op hun handelen.7

2. Achtergrond

Sinds begin 2022 kunnen de UHP KOT-ouders en kinderen zich melden bij het Ondersteuningsteam Uithuisplaatsingen Toeslagenaffaire. Dit team staat ouders en kinderen bij door te luisteren, een plan te maken voor de verbetering van de gezinssituatie en hen in het proces te begeleiden. In oktober 2022 rapporteerde het Ondersteuningsteam dat inmiddels 198 personen zich hebben aangemeld die tot de doelgroep behoren.8

Het Centraal Bureau van de Statistiek (CBS) onderzoekt op verzoek van de Inspectie Justitie en Veiligheid hoe de jeugdbescherming is omgegaan met gezinnen die gedupeerd zijn door de toeslagenaffaire. Het CBS heeft berekend dat er 1675 UHP KOT-kinderen zijn.9 Het CBS heeft verder onderzocht of de toeslagenaffaire de kans op een kinderbeschermingsmaatregel heeft vergroot, en komt tot de conclusie dat dit niet het geval lijkt.10 Aangezien het CBS werkt met anonieme gegevens, is er geen zicht op de specifieke ouders en kinderen die het betreft.

Tegen deze achtergrond heeft de Afdeling begrip voor het streven om in beeld te krijgen welke gedupeerden ook geconfronteerd zijn met uithuisplaatsing. Met de persoonsgerichte benadering van dit wetsvoorstel wordt het mogelijk om in individuele gevallen een ondersteuningsaanbod te doen. De ‘regie’ blijft bij de ouders; zij hoeven op het ondersteuningsaanbod niet in te gaan. Daarnaast kunnen de betrokken instanties naar aanleiding van de gegenereerde gegevens voor die gevallen nauwkeuriger bezien welke overwegingen ten grondslag lagen aan hun handelen en welke lessen hieruit zijn te trekken.

Het wetsvoorstel limiteert de te verwerken persoonsgegevens. Van belang daarbij is dat achter de uithuisplaatsing doorgaans een complexe problematiek schuil gaat. Het enkele gegeven dat hiervan sprake is, is privacygevoelig. Dat geldt daarom ook voor de gegevensverwerkingen die het wetsvoorstel mogelijk maakt. Enkele beginselen die de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) regelt, zijn daarbij van bijzonder belang. Naast het beginsel van doelbinding en van de juistheid van de gegevens, valt daarbij te denken aan het beginsel van gegevensminimalisering en vertrouwelijkheid.11 Dat betekent ook dat gegevens zodra mogelijk gepseudonimiseerd of vernietigd moeten worden.

3. Doelen en taken

a. Het verkrijgen van inzicht

Het eerste doel dat het voorstel formuleert is ‘het verkrijgen van inzicht in de groep van UHP KOT-ouders en hun uithuisgeplaatste kinderen’.12 Het is volgens het wetsvoorstel een taak van de minister om, door het koppelen van de gegevens van de betrokken instanties, dit inzicht te verkrijgen.13 De toelichting schetst dat het inzicht een randvoorwaarde is voor de andere doelen, te weten het doen van een ondersteuningsaanbod en het reflecteren op eigen handelen (zie hierna).14 Het verkrijgen van inzicht lijkt daarmee eerder een middel dan een zelfstandig doel van het wetsvoorstel.

Op grond van dit doel (‘het verkrijgen van het inzicht’) worden blijkens het voorstel persoonsgegevens verstrekt aan zowel de Belastingdienst/Toeslagen15 als de gecertificeerde instellingen.16 Als het gaat om de Belastingdienst/Toeslagen maakt de toelichting niet duidelijk wat hiervan de bedoeling is. De Belastingdienst/Toeslagen heeft op grond van dit wetsvoorstel immers geen taak bij het doen van het ondersteuningsaanbod en evenmin bij de zelfreflectie.17 Ook omdat de lijsten van UHP KOT ouders en kinderen ziet op gevoelige persoonsgegevens dient de verstrekking hiervan door de minister beperkt te worden tot situaties waarin dit noodzakelijk is.18 Verstrekking van gegevens aan de Belastingdienst/Toeslagen voor het aangegeven doel behoeft dan ook een dragende motivering.

Op grond van het voorstel ontvangen de gecertificeerde instellingen de gegevens van de UHP KOT-kinderen met het oog op twee doelstellingen: het verkrijgen van inzicht in deze groep en het reflecteren op het eigen handelen. De gecertificeerde instellingen hebben geen taak bij het doen van het ondersteuningsaanbod.19 In dat licht bezien maakt de toelichting niet duidelijk waarom een gecertificeerde instelling de persoonsgegevens voor het verkrijgen van inzicht nodig heeft. De toelichting geeft aan dat naar aanleiding hiervan contact kan worden opgenomen met gedupeerde ouders.20 Dit contact vindt echter reeds plaats op grond van de eigen wettelijke taken21 en lijkt los te staan van het ondersteuningsaanbod dat op grond van dit wetsvoorstel wordt gedaan.

Het laatste roept de vraag op in hoeverre de UHP KOT-ouders en kinderen gebaat zijn bij een separaat initiatief van de gecertificeerde instellingen. Het is immers de bedoeling van het wetsvoorstel dat de gerichte ondersteuning wordt geïnitieerd door de minister en wordt uitgevoerd door het Ondersteuningsteam (zie hieronder). Het ligt gelet daarop, en om te voorkomen dat gedupeerden door verschillende instanties worden benaderd, in de rede dat alleen het Ondersteuningsteam het ondersteuningsaanbod doet. Indien dat contact aanleiding zou geven tot inschakeling van de gecertificeerde instellingen kan het Ondersteuningsteam, indien dat gewenst wordt door de ouders en hun kinderen, de gecertificeerde instelling benaderen.

De Afdeling adviseert in het licht van het voorgaande dragend te motiveren waarom het verkrijgen van inzicht in de groep gedupeerden een zelfstandig doel van het wetsvoorstel is en waarom het met het oog op dat doel noodzakelijk is persoonsgegevens te verstrekken aan de Belastingdienst/Toeslagen en de gecertificeerde instellingen. Indien dat niet mogelijk is adviseert de Afdeling dat doel en de daarop betrekking hebbende verstrekkingsgrondslagen in het wetsvoorstel te schrappen.

a. Het verkrijgen van inzicht

Naar aanleiding van de opmerkingen van de Afdeling Advisering is in de toelichting nader toegelicht waarom het verkrijgen van inzicht in de omvang van de groep gedupeerde ouders en kinderen, naast een middel, (ook) een zelfstandig doel is (memorie van toelichting, paragraaf 2.2). Verder is opnieuw nagedacht over de verstrekking van de persoonsgegevens door de Minister voor Rechtsbescherming aan de Belastingdienst/Toeslagen en de gecertificeerde instellingen. Dat heeft ertoe geleid dat de verstrekking van de lijst van UHP KOT-kinderen en de lijst van UPH KOT-ouders aan de Belastingdienst/Toeslagen is geschrapt uit het wetsvoorstel (artikel 6).

In het wetsvoorstel is behouden dat gecertificeerde instellingen inzicht krijgen in de omstandigheid dat de ouder van een uithuisgeplaatst kind gedupeerd is als gevolg van het kinderopvangtoeslagschandaal. In de toelichting is sterker benadrukt dat de gecertificeerde instelling dit inzicht kan meenemen bij het contact met de betrokken ouder, binnen het kader van zijn wettelijke taken. De gecertificeerde instelling heeft reeds op grond van zijn wettelijke taak contact met ouders van een uithuisgeplaatst kind. Dit wetsvoorstel brengt mee dat hij daarbij ook kan meewegen dat het gaat om een gedupeerde ouder. De gecertificeerde instelling kan zo nodig in het gesprek wijzen op het bestaande ondersteuningsaanbod vanuit de overheid.

b. Ondersteuningsaanbod

Het tweede doel van het voorstel is ‘het doen van een ondersteuningsaanbod aan de UHP KOT ouders of hun uithuisgeplaatste kinderen’.22 Dit is een taak voor de Minister voor Rechtsbescherming.23 De toelichting legt uit dat deze ouders gericht worden geïnformeerd over de beschikbare ondersteuning. Het is aan de ouders of zij hier gebruik van willen maken. De aangeboden ondersteuning leidt niet automatisch tot gezinsherstel, maar is bedoeld om de ouders praktische hulp te bieden in hun gezinssituatie en waar mogelijk en gewenst te helpen om de voor gezinsherstel benodigde stappen te zetten.24

Er wordt in de toelichting niet nader ingegaan op de verschillende vormen van ondersteuning. Evenmin blijkt wat de taakverdeling is tussen de minister en zijn beleidsdepartement, het Ondersteuningsteam Uithuisplaatsingen Toeslagenaffaire25 en andere instanties die ondersteuning kunnen leveren aan deze ouders. In het licht van de verwachtingen die het voorstel en de daarin omschreven taak van de minister jegens de gedupeerden mogelijk oproepen, is het van belang hierover helderheid te bieden. Daarbij dient ook te worden ingegaan op de vraag wat ouders kunnen doen indien zij niet tevreden zijn over de aangeboden ondersteuning.

De Afdeling adviseert in de toelichting nader op het voorgaande in te gaan.

b. Ondersteuningsaanbod

In reactie op de opmerkingen van de Afdeling is de toelichting aangevuld (memorie van toelicht, paragraaf 2.3). Daarbij is nader toegelicht om welke ondersteuning het gaat en door wie deze ondersteuning wordt geboden. De beschikbare ondersteuning bestaat uit drie onderdelen:

  • 1. Ondersteuning door de Belastingdienst/Toeslagen in het kader van de brede hersteloperatie.

  • 2. Ondersteuning door het Ondersteuningsteam Uithuisplaatsingen Toeslagenaffaire. Dit houdt in het beschikbaar stellen van een persoonlijke procesbegeleider, die onder andere helpt om de gebeurtenissen op een rij te zetten, een plan te maken en praktische ondersteuning voor betrokkene te regelen.

  • 3. Het aanbieden van kosteloze rechtsbijstand door de Raad voor Rechtsbijstand aan gedupeerde ouders in geval hun kinderen uithuisgeplaatst zijn en als zij te maken hebben met een procedure over gezagsbeëindiging. Ook kunnen zij een vergoeding ontvangen van de griffiekosten.

De Minister van Rechtsbescherming zal met het verworven inzicht dat ontstaat uit de datakoppeling op grond van deze wet de betrokken ouders gericht informeren over deze voor hen beschikbare ondersteuning.

Het Ondersteuningsteam Uithuisplaatsingen Toeslagenaffaire heeft een klachtenregeling indien ouders vragen hebben over de geboden ondersteuning. Bij vragen over het ondersteuningsaanbod door de Belastingdienst/Toeslagen of door de Raad voor Rechtsbijstand kunnen ouders bij deze organisaties terecht.

c. Reflectie

Het derde doel van het voorstel is ‘het reflecteren op het eigen handelen door de raad voor de kinderbescherming, gecertificeerde instellingen en de gerechten inzake de dossiers van uithuisgeplaatste kinderen van UHP KOT-ouders’.26 De reflectie is niet gericht op herstel, maar op het trekken van lessen voor de toekomst van de jeugdbeschermingsketen.27

Aangezien het om gevoelige persoonsgegevens gaat, dient de verwerking zo beperkt mogelijk te blijven en niet verder te gaan dan met het oog op het doel noodzakelijk is.28 Indien het voor de reflectie niet nodig is de identiteit van de betrokkenen te kennen, dan is het aangewezen de gegevens bij aanvang van het proces te pseudonimiseren.29 Dit is zeker het geval als de reflectie landelijk plaatsvindt en hierbij externen worden betrokken; in die gevallen immers worden veel persoonsgegevens op een centrale plaats bijeengebracht en hebben relatief veel personen toegang tot die gegevens.30

In het licht van het voorgaande merkt de Afdeling op dat de toelichting geen beschrijving geeft van de randvoorwaarden voor de beoogde reflectie. Zo kan voor het beperken van de inbreuk van belang zijn of de reflectie per gecertificeerde instelling of gerecht wordt vormgegeven of landelijk en of dit door interne functionarissen gebeurt of door externen. Ook wordt niet concreet ingegaan op de (on)mogelijkheden van het pseudonimiseren van de persoonsgegevens. De Afdeling adviseert het voorstel met het oog hierop te verduidelijken en de wettekst en de toelichting daarop aan te passen.

c. Reflectie

De opmerkingen van de Afdeling strekken ertoe dat de persoonsgegevens die aan de organisaties worden verstrekt ten behoeve van reflectie, zoveel mogelijk te minimaliseren. Het gaat hier om de lijst van UHP KOT-kinderen. Naar aanleiding van deze opmerkingen zijn de persoonsgegevens die worden opgenomen op de lijst van UHP KOT-kinderen zoveel mogelijk beperkt. Op de lijst van UHP KOT-kinderen worden nu alleen de burgerservicenummers en de geboortedata opgenomen (artikel 5). Daarmee is voor derden niet (meteen) inzichtelijk om welke personen het gaat. Tevens is de grondslag voor het opnemen van de geboortedata op de lijst van UHP KOT-ouders geschrapt, nu deze niet relevant zijn voor het doen van een ondersteuningsaanbod.

Tevens is in de memorie van toelichting (paragraaf 2.6) benadrukt dat alle organisaties zich bij de uitvoering dienen te houden aan de eisen van dataminimalisatie. Dat betekent ook dat de toegang tot deze lijst met persoonsgegevens zoveel mogelijk wordt beperkt. Niet meer personen dan noodzakelijk mogen dus de beschikking krijgen over deze persoonsgegevens. Persoonsgegevens die niet relevant zijn voor de betrokken organisatie, dienen vernietigd te worden. Artikel 7, eerste lid, van het wetsvoorstel bevat hiervoor een regeling met betrekking tot de gecertificeerde instellingen.

4. Uitvoerbaarheid en verlengingsmogelijkheid

Op grond van het wetsvoorstel dienen verschillende typen verstrekkingen van gegevens aan de minister plaats te vinden. Het voorstel schrijft in de eerste plaats voor dat de Belastingdienst/Toeslagen de persoonsgegevens van alle KOT-ouders verstrekt aan de minister.31 Daarnaast dienen de raad voor de kinderbescherming, de Raad voor de rechtspraak en de gerechten de persoonsgegevens van alle in de genoemde periode uithuisgeplaatste kinderen aan de minister te verstrekken.32 Deze verstrekkingen vormen tezamen de grondslag voor het doen van een ondersteuningsaanbod.

De wet zal vervallen op 1 januari 2025.33 De termijn voor het aanvragen van een herstelmaatregel loopt tot 1 januari 2024.34 De gedachte is dat een periode van een jaar daarna voldoende is om te verzekeren dat alle KOT-ouders een ondersteuningsaanbod ontvangen. Voor het geval dit niet zo is, biedt het wetsvoorstel de mogelijkheid de vervaldatum bij koninklijk besluit telkens met ten hoogste een jaar te verlengen. De voordracht hiervoor moet aan de Tweede en de Eerste Kamer worden overgelegd.35

Mede met het oog op de beoogde vervaldatum van de wet op 1 januari 2025 behoeft de uitvoerbaarheid bijzondere aandacht. De Belastingdienst/Toeslagen geeft in de uitvoeringstoets aan dat er inmiddels ruime ervaring is met vergelijkbare data-uitwisseling aan andere instanties. Een grotere uitdaging lijkt te zijn om een sluitend overzicht van de uithuisplaatsingen te verkrijgen.

Uit de toelichting en de consultatiereacties van de Raad voor de rechtspraak blijkt dat bij de rechtspraak enkel de verzoeken tot uithuisplaatsingen centraal worden geregistreerd en de uitspraken van de rechter hierover niet.36 De raad voor de kinderbescherming registreert wel alle toegekende verzoeken tot uithuisplaatsing, maar dit overzicht is niet volledig omdat de raad niet in alle gevallen betrokken is bij een uithuisplaatsing. Om die reden is het voornemen de koppeling trapsgewijs te laten plaatsvinden. De precieze technische uitvoering wordt opengelaten, opdat deze in de praktijk door de betrokken instanties kan worden ingevuld. De kosten die dit met zich brengt komen voor rekening van het ministerie van Justitie en Veiligheid.37

De Afdeling merkt op dat de informatiehuishouding bij de rechtspraak een mogelijk knelpunt is in de uitvoering van het wetsvoorstel. Deze is er niet op gericht om de benodigde persoonsgegevens te genereren. Dit brengt het risico met zich op onvolkomenheden en vertraging. Gelet op deze uitvoeringsproblematiek is het niet ondenkbaar dat tegen het einde van de looptijd van het wetsvoorstel er een, op dit moment nog onbekend, aantal verwerkingen nodig is voor (te) laat onderkende gevallen.

Tegen de achtergrond van deze uitvoeringsproblematiek dient het wetsvoorstel meer duidelijkheid te geven over wanneer de noodzakelijke verwerking eindigt. De Afdeling adviseert om die reden in het wetsvoorstel de verlengingsmogelijkheid te maximeren. Ook adviseert zij in het wetsvoorstel tot uitdrukking te brengen dat de verlenging enkel kan plaatsvinden indien daarvoor, zoals ook vermeld in de toelichting, dringende redenen zijn.38 Tot slot dient in de toelichting verduidelijkt te worden hoe er tijdens de verlenging voor gezorgd zal worden dat de verwerking van persoonsgegevens tot het minimum wordt beperkt.39

In reactie op de opmerkingen van de Afdeling is artikel 9 gewijzigd. In het tweede lid is ingevoegd dat een verlenging alleen kan plaatsvinden indien daarvoor dringende redenen zijn die samenhangen met de uitoefening van de taak van de Minister voor Rechtsbescherming of het bereiken van de doelen uit het wetsvoorstel. Tevens is geregeld dat een verlenging ten hoogste twee maal en steeds voor de duur van een jaar kan plaatsvinden. De toelichting is op dit punt aangevuld (memorie van toelichting, paragraaf 2).

De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een aantal opmerkingen bij het voorstel en adviseert daarmee rekening te houden voordat het voorstel bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal wordt ingediend.

De vice-president van de Raad van State,

Th.C. de Graaf

Van de gelegenheid is gebruik gemaakt het wetsvoorstel en de memorie van toelichting in de volgende zin aan te passen. Het wetsvoorstel is aangepast op de recente publicatie van de Wet hersteloperatie toeslagen (artikel 1); het eerder in het wetsvoorstel opgenomen samenloopartikel is verwijderd uit het wetsvoorstel.

Verder is gebleken dat de raad voor de kinderbescherming, de Raad voor de rechtspraak en de gerechten persoonsgegevens kunnen aanleveren vanaf 2005. Het wetsvoorstel is daarop aangepast (artikel 1). Omdat de raad voor de kinderbescherming en de gerechten registreren op de verzoeken tot uithuisplaatsing van een kind en niet op de uitkomst van het verzoek, is dit verder in het wetsvoorstel geregeld (artikel 1). Dit is van belang voor de wijze van koppeling van de persoonsgegevens (memorie van toelichting, paragraaf 2.6). De Raad voor de rechtspraak en de gerechten zullen tevens het zaaknummer verstrekken aan de Minister voor Rechtsbescherming (artikel 4). Dit is van belang voor het interne proces bij de rechtspraak om eenvoudig de relevante zaak te kunnen achterhalen.

Ten slotte is de inwerkingtredingsbepaling (artikel 9) aangepast in die zin dat de wet in werking treedt met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst. Op deze manier is een spoedige inwerkingtreding van het wetsvoorstel gewaarborgd. De hiervoor genoemde aanpassingen zijn steeds toegelicht in de memorie van toelichting. In het wetsvoorstel en de toelichting is tevens een aantal redactionele wijzigingen doorgevoerd.

Ik moge U hierbij verzoeken het gewijzigde voorstel van wet en de gewijzigde memorie van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.

De Minister voor Rechtsbescherming, F.M. Weerwind.

Advies Raad van State

No. W16.22.0205/II

’s-Gravenhage, 30 november 2022

Aan de Koning

Bij Kabinetsmissive van 24 oktober 2022, no.2022002323, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister voor Rechtsbescherming, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet houdende regels aangaande een tijdelijke uitwisseling van persoonsgegevens ter identificering van de ouders die gedupeerd zijn als gevolg van problemen bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag en geconfronteerd zijn met uithuisplaatsing van kinderen (Tijdelijke wet uitwisseling persoonsgegevens UHP KOT), met memorie van toelichting.

Het voorstel stelt regels voor de tijdelijke verwerking van persoonsgegevens van de bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag gedupeerde ouders en hun uithuisgeplaatste kinderen. Het doel hiervan is inzicht te verkrijgen in deze groep ouders en kinderen en hen een ondersteuningsaanbod te kunnen doen. Daarnaast wordt beoogd de betrokken instanties met deze gegevens in staat te stellen te reflecteren op hun eigen handelen in dossiers van de kinderen van deze ouders.

De Afdeling advisering van de Raad van State heeft begrip voor het streven van dit wetsvoorstel om het mogelijk te maken dat de betrokken ouders en kinderen een ondersteuningsaanbod ontvangen en dat de betrokken instanties op hun eigen handelen kunnen reflecteren. De hiervoor benodigde tijdelijke gegevensverwerking is, gelet op de achterliggende problematiek, privacygevoelig.

De Afdeling maakt enkele opmerkingen over de in het wetsvoorstel voorgestelde doelen en taken. Zo blijkt uit de toelichting onvoldoende dat het verkrijgen van inzicht in de groep ouders en kinderen een zelfstandig doel van het wetsvoorstel moet zijn. Verder gaat de toelichting niet in op de randvoorwaarden voor de reflectie door de betrokken instanties. Ten slotte adviseert de Afdeling om in het wetsvoorstel de verlengingsmogelijkheid te maximeren en te regelen dat de verlenging enkel kan plaatsvinden bij dringende redenen. In verband met deze opmerkingen is aanpassing wenselijk van het voorstel en de toelichting.

1. Inhoud van het wetsvoorstel

Het wetsvoorstel vindt zijn oorzaak in de afhandeling van de toeslagenaffaire.

Het voorziet als gevolg van een toezegging aan de Tweede Kamer1 in een tijdelijke regeling voor de uitwisseling van persoonsgegevens. Deze is gericht op identificering van de ouders die gedupeerd zijn door de uitvoering van de kinderopvangtoeslagwetgeving en mogelijk in verband hiermee geconfronteerd zijn met uithuisplaatsing van hun kinderen (UHP KOT-ouders en UHP KOT-kinderen).2 De voorgestelde gegevensuitwisseling heeft blijkens het wetsvoorstel drie doelen:

  • het verkrijgen van inzicht in de groep gedupeerde ouders en hun kinderen;

  • het doen van een ondersteuningsaanbod aan deze ouders en kinderen, en;

  • de reflectie door de betrokken instanties op hun handelen ten aanzien van deze groep.3

De Minister voor Rechtsbescherming vervult in het wetsvoorstel een centrale rol. Hij ontvangt van de Belastingdienst/Toeslagen de persoonsgegevens van de gedupeerde aanvragers van kinderopvangtoeslag en hun kinderen.4 Van de raad voor de kinderbescherming, de Raad voor de rechtspraak en de gerechten ontvangt hij de persoonsgegevens van uithuisgeplaatste kinderen en hun ouders.5 Vervolgens koppelt de minister deze gegevens en stelt hij een lijst samen van UHP KOT-kinderen en een lijst van UHP KOT-ouders.6 Hij verstrekt deze lijsten aan de Belastingdienst/Toeslagen, de gecertificeerde instellingen die kinderbeschermingsmaatregelen uitvoeren, de raad voor de kinderbescherming, de Raad voor de rechtspraak en de gerechten. Op basis van deze gegevens kan een aanbod tot ondersteuning worden gedaan. Voorts kunnen de betrokken instanties de dossiers doorlichten en zo reflecteren op hun handelen.7

2. Achtergrond

Sinds begin 2022 kunnen de UHP KOT-ouders en kinderen zich melden bij het Ondersteuningsteam Uithuisplaatsingen Toeslagenaffaire. Dit team staat ouders en kinderen bij door te luisteren, een plan te maken voor de verbetering van de gezinssituatie en hen in het proces te begeleiden. In oktober 2022 rapporteerde het Ondersteuningsteam dat inmiddels 198 personen zich hebben aangemeld die tot de doelgroep behoren.8

Het Centraal Bureau van de Statistiek (CBS) onderzoekt op verzoek van de Inspectie Justitie en Veiligheid hoe de jeugdbescherming is omgegaan met gezinnen die gedupeerd zijn door de toeslagenaffaire. Het CBS heeft berekend dat er 1675 UHP KOT-kinderen zijn.9 Het CBS heeft verder onderzocht of de toeslagenaffaire de kans op een kinderbeschermingsmaatregel heeft vergroot, en komt tot de conclusie dat dit niet het geval lijkt.10 Aangezien het CBS werkt met anonieme gegevens, is er geen zicht op de specifieke ouders en kinderen die het betreft.

Tegen deze achtergrond heeft de Afdeling begrip voor het streven om in beeld te krijgen welke gedupeerden ook geconfronteerd zijn met uithuisplaatsing. Met de persoonsgerichte benadering van dit wetsvoorstel wordt het mogelijk om in individuele gevallen een ondersteuningsaanbod te doen. De ‘regie’ blijft bij de ouders; zij hoeven op het ondersteuningsaanbod niet in te gaan. Daarnaast kunnen de betrokken instanties naar aanleiding van de gegenereerde gegevens voor die gevallen nauwkeuriger bezien welke overwegingen ten grondslag lagen aan hun handelen en welke lessen hieruit zijn te trekken.

Het wetsvoorstel limiteert de te verwerken persoonsgegevens. Van belang daarbij is dat achter de uithuisplaatsing doorgaans een complexe problematiek schuil gaat. Het enkele gegeven dat hiervan sprake is, is privacygevoelig. Dat geldt daarom ook voor de gegevensverwerkingen die het wetsvoorstel mogelijk maakt. Enkele beginselen die de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) regelt, zijn daarbij van bijzonder belang. Naast het beginsel van doelbinding en van de juistheid van de gegevens, valt daarbij te denken aan het beginsel van gegevensminimalisering en vertrouwelijkheid.11 Dat betekent ook dat gegevens zodra mogelijk gepseudonimiseerd of vernietigd moeten worden.

3. Doelen en taken

a. Het verkrijgen van inzicht

Het eerste doel dat het voorstel formuleert is ‘het verkrijgen van inzicht in de groep van UHP KOT-ouders en hun uithuisgeplaatste kinderen’.12 Het is volgens het wetsvoorstel een taak van de minister om, door het koppelen van de gegevens van de betrokken instanties, dit inzicht te verkrijgen.13 De toelichting schetst dat het inzicht een randvoorwaarde is voor de andere doelen, te weten het doen van een ondersteuningsaanbod en het reflecteren op eigen handelen (zie hierna).14 Het verkrijgen van inzicht lijkt daarmee eerder een middel dan een zelfstandig doel van het wetsvoorstel.

Op grond van dit doel (‘het verkrijgen van het inzicht’) worden blijkens het voorstel persoonsgegevens verstrekt aan zowel de Belastingdienst/Toeslagen15 als de gecertificeerde instellingen.16 Als het gaat om de Belastingdienst/Toeslagen maakt de toelichting niet duidelijk wat hiervan de bedoeling is. De Belastingdienst/Toeslagen heeft op grond van dit wetsvoorstel immers geen taak bij het doen van het ondersteuningsaanbod en evenmin bij de zelfreflectie.17 Ook omdat de lijsten van UHP KOT ouders en kinderen ziet op gevoelige persoonsgegevens dient de verstrekking hiervan door de minister beperkt te worden tot situaties waarin dit noodzakelijk is.18 Verstrekking van gegevens aan de Belastingdienst/Toeslagen voor het aangegeven doel behoeft dan ook een dragende motivering.

Op grond van het voorstel ontvangen de gecertificeerde instellingen de gegevens van de UHP KOT-kinderen met het oog op twee doelstellingen: het verkrijgen van inzicht in deze groep en het reflecteren op het eigen handelen. De gecertificeerde instellingen hebben geen taak bij het doen van het ondersteuningsaanbod.19 In dat licht bezien maakt de toelichting niet duidelijk waarom een gecertificeerde instelling de persoonsgegevens voor het verkrijgen van inzicht nodig heeft. De toelichting geeft aan dat naar aanleiding hiervan contact kan worden opgenomen met gedupeerde ouders.20 Dit contact vindt echter reeds plaats op grond van de eigen wettelijke taken21 en lijkt los te staan van het ondersteuningsaanbod dat op grond van dit wetsvoorstel wordt gedaan.

Het laatste roept de vraag op in hoeverre de UHP KOT-ouders en kinderen gebaat zijn bij een separaat initiatief van de gecertificeerde instellingen. Het is immers de bedoeling van het wetsvoorstel dat de gerichte ondersteuning wordt geïnitieerd door de minister en wordt uitgevoerd door het Ondersteuningsteam (zie hieronder). Het ligt gelet daarop, en om te voorkomen dat gedupeerden door verschillende instanties worden benaderd, in de rede dat alleen het Ondersteuningsteam het ondersteuningsaanbod doet. Indien dat contact aanleiding zou geven tot inschakeling van de gecertificeerde instellingen kan het Ondersteuningsteam, indien dat gewenst wordt door de ouders en hun kinderen, de gecertificeerde instelling benaderen.

De Afdeling adviseert in het licht van het voorgaande dragend te motiveren waarom het verkrijgen van inzicht in de groep gedupeerden een zelfstandig doel van het wetsvoorstel is en waarom het met het oog op dat doel noodzakelijk is persoonsgegevens te verstrekken aan de Belastingdienst/Toeslagen en de gecertificeerde instellingen. Indien dat niet mogelijk is adviseert de Afdeling dat doel en de daarop betrekking hebbende verstrekkingsgrondslagen in het wetsvoorstel te schrappen.

b. Ondersteuningsaanbod

Het tweede doel van het voorstel is ‘het doen van een ondersteuningsaanbod aan de UHP KOT ouders of hun uithuisgeplaatste kinderen’.22 Dit is een taak voor de Minister voor Rechtsbescherming.23 De toelichting legt uit dat deze ouders gericht worden geïnformeerd over de beschikbare ondersteuning. Het is aan de ouders of zij hier gebruik van willen maken. De aangeboden ondersteuning leidt niet automatisch tot gezinsherstel, maar is bedoeld om de ouders praktische hulp te bieden in hun gezinssituatie en waar mogelijk en gewenst te helpen om de voor gezinsherstel benodigde stappen te zetten.24

Er wordt in de toelichting niet nader ingegaan op de verschillende vormen van ondersteuning. Evenmin blijkt wat de taakverdeling is tussen de minister en zijn beleidsdepartement, het Ondersteuningsteam Uithuisplaatsingen Toeslagenaffaire25 en andere instanties die ondersteuning kunnen leveren aan deze ouders. In het licht van de verwachtingen die het voorstel en de daarin omschreven taak van de minister jegens de gedupeerden mogelijk oproepen, is het van belang hierover helderheid te bieden. Daarbij dient ook te worden ingegaan op de vraag wat ouders kunnen doen indien zij niet tevreden zijn over de aangeboden ondersteuning.

De Afdeling adviseert in de toelichting nader op het voorgaande in te gaan.

c. Reflectie

Het derde doel van het voorstel is ‘het reflecteren op het eigen handelen door de raad voor de kinderbescherming, gecertificeerde instellingen en de gerechten inzake de dossiers van uithuisgeplaatste kinderen van UHP KOT-ouders’.26 De reflectie is niet gericht op herstel, maar op het trekken van lessen voor de toekomst van de jeugdbeschermingsketen.27

Aangezien het om gevoelige persoonsgegevens gaat, dient de verwerking zo beperkt mogelijk te blijven en niet verder te gaan dan met het oog op het doel noodzakelijk is.28 Indien het voor de reflectie niet nodig is de identiteit van de betrokkenen te kennen, dan is het aangewezen de gegevens bij aanvang van het proces te pseudonimiseren.29 Dit is zeker het geval als de reflectie landelijk plaatsvindt en hierbij externen worden betrokken; in die gevallen immers worden veel persoonsgegevens op een centrale plaats bijeengebracht en hebben relatief veel personen toegang tot die gegevens.30

In het licht van het voorgaande merkt de Afdeling op dat de toelichting geen beschrijving geeft van de randvoorwaarden voor de beoogde reflectie. Zo kan voor het beperken van de inbreuk van belang zijn of de reflectie per gecertificeerde instelling of gerecht wordt vormgegeven of landelijk en of dit door interne functionarissen gebeurt of door externen. Ook wordt niet concreet ingegaan op de (on)mogelijkheden van het pseudonimiseren van de persoonsgegevens. De Afdeling adviseert het voorstel met het oog hierop te verduidelijken en de wettekst en de toelichting daarop aan te passen.

4. Uitvoerbaarheid en verlengingsmogelijkheid

Op grond van het wetsvoorstel dienen verschillende typen verstrekkingen van gegevens aan de minister plaats te vinden. Het voorstel schrijft in de eerste plaats voor dat de Belastingdienst/Toeslagen de persoonsgegevens van alle KOT-ouders verstrekt aan de minister.31 Daarnaast dienen de raad voor de kinderbescherming, de Raad voor de rechtspraak en de gerechten de persoonsgegevens van alle in de genoemde periode uithuisgeplaatste kinderen aan de minister te verstrekken.32 Deze verstrekkingen vormen tezamen de grondslag voor het doen van een ondersteuningsaanbod.

De wet zal vervallen op 1 januari 2025.33 De termijn voor het aanvragen van een herstelmaatregel loopt tot 1 januari 2024.34 De gedachte is dat een periode van een jaar daarna voldoende is om te verzekeren dat alle KOT-ouders een ondersteuningsaanbod ontvangen. Voor het geval dit niet zo is, biedt het wetsvoorstel de mogelijkheid de vervaldatum bij koninklijk besluit telkens met ten hoogste een jaar te verlengen. De voordracht hiervoor moet aan de Tweede en de Eerste Kamer worden overgelegd.35

Mede met het oog op de beoogde vervaldatum van de wet op 1 januari 2025 behoeft de uitvoerbaarheid bijzondere aandacht. De Belastingdienst/Toeslagen geeft in de uitvoeringstoets aan dat er inmiddels ruime ervaring is met vergelijkbare data-uitwisseling aan andere instanties. Een grotere uitdaging lijkt te zijn om een sluitend overzicht van de uithuisplaatsingen te verkrijgen.

Uit de toelichting en de consultatiereacties van de Raad voor de rechtspraak blijkt dat bij de rechtspraak enkel de verzoeken tot uithuisplaatsingen centraal worden geregistreerd en de uitspraken van de rechter hierover niet.36 De raad voor de kinderbescherming registreert wel alle toegekende verzoeken tot uithuisplaatsing, maar dit overzicht is niet volledig omdat de raad niet in alle gevallen betrokken is bij een uithuisplaatsing. Om die reden is het voornemen de koppeling trapsgewijs te laten plaatsvinden. De precieze technische uitvoering wordt opengelaten, opdat deze in de praktijk door de betrokken instanties kan worden ingevuld. De kosten die dit met zich brengt komen voor rekening van het ministerie van Justitie en Veiligheid.37

De Afdeling merkt op dat de informatiehuishouding bij de rechtspraak een mogelijk knelpunt is in de uitvoering van het wetsvoorstel. Deze is er niet op gericht om de benodigde persoonsgegevens te genereren. Dit brengt het risico met zich op onvolkomenheden en vertraging. Gelet op deze uitvoeringsproblematiek is het niet ondenkbaar dat tegen het einde van de looptijd van het wetsvoorstel er een, op dit moment nog onbekend, aantal verwerkingen nodig is voor (te) laat onderkende gevallen.

Tegen de achtergrond van deze uitvoeringsproblematiek dient het wetsvoorstel meer duidelijkheid te geven over wanneer de noodzakelijke verwerking eindigt. De Afdeling adviseert om die reden in het wetsvoorstel de verlengingsmogelijkheid te maximeren. Ook adviseert zij in het wetsvoorstel tot uitdrukking te brengen dat de verlenging enkel kan plaatsvinden indien daarvoor, zoals ook vermeld in de toelichting, dringende redenen zijn.38 Tot slot dient in de toelichting verduidelijkt te worden hoe er tijdens de verlenging voor gezorgd zal worden dat de verwerking van persoonsgegevens tot het minimum wordt beperkt.39

De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een aantal opmerkingen bij het voorstel en adviseert daarmee rekening te houden voordat het voorstel bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal wordt ingediend.

De vice-president van de Raad van State, Th.C. de Graaf.

Tekst zoals toegezonden aan de Raad van State: Regels aangaande een tijdelijke uitwisseling van persoonsgegevens ter identificering van de ouders die gedupeerd zijn als gevolg van problemen bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag en geconfronteerd zijn met uithuisplaatsing van kinderen (Tijdelijke wet uitwisseling persoonsgegevens UHP KOT)

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om regels te stellen over een tijdelijke uitwisseling van persoonsgegevens van de bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag gedupeerde ouders en hun uithuisgeplaatste kinderen en deze regels onder te brengen in één wet;

Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Artikel 1 Begripsbepalingen

In deze wet wordt verstaan onder:

gecertificeerde instelling:

gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet;

gedupeerde aanvrager van een kinderopvangtoeslag:

de aanvrager van een kinderopvangtoeslag die in aanmerking komt voor toepassing van een herstelmaatregel en daarvoor voor 1 januari 2024 een aanvraag heeft ingediend of recht heeft op toepassing van een herstelmaatregel als bedoeld in het bij koninklijke boodschap van 24 juni 2022 ingediende voorstel van wet houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Kamerstukken 36 151);

gerechten:

de rechtbanken en de gerechtshoven;

kind van een gedupeerde aanvrager van een kinderopvangtoeslag:

kind of pleegkind, zoals omschreven in het bij koninklijke boodschap van 24 juni 2022 ingediende voorstel van wet houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Kamerstukken 36 151), van een gedupeerde aanvrager van een kinderopvangtoeslag;

lijst van UHP KOT-kinderen:

lijst van uithuisgeplaatste kinderen van UHP KOT-ouders;

lijst van UHP KOT-ouders:

een lijst van UHP KOT-ouders;

Onze Minister:

Onze Minister voor Rechtsbescherming;

ouder van een uithuisgeplaatst kind:

een ouder of stiefouder van het uithuisgeplaatste kind of die het uithuisgeplaatste kind als behorend tot zijn gezin heeft verzorgd en opgevoed;

UHP KOT-ouder:

een gedupeerde aanvrager van een kinderopvangtoeslag, die tevens ouder of stiefouder is van het uithuisgeplaatste kind of die het uithuisgeplaatste kind als behorend tot zijn gezin heeft verzorgd en opgevoed;

uithuisgeplaatst kind:

de persoon waarvoor in de periode vanaf 1 januari 2015:

  • a. een machtiging tot uithuisplaatsing als bedoeld in artikel 265b van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek is verleend;

  • b. een machtiging tot uithuisplaatsing is verlengd als bedoeld in artikel 265c, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek;

  • c. het ouderlijk gezag is beëindigd als bedoeld in artikel 266, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek; of

  • d. een machtiging als bedoeld in de artikelen 6.1.2, 6.1.3 of 6.1.4 van de Jeugdwet is verleend of verlengd om de jeugdige in een gesloten accommodatie te doen opnemen en te doen verblijven.

Artikel 2 Taak en doel verstrekken en verwerken van persoonsgegevens

  • 1. Onze Minister heeft, ten behoeve van de in het tweede lid bedoelde doelen, tot taak:

    • a. het verkrijgen van inzicht in de groep van UHP KOT-ouders en hun uithuisgeplaatste kinderen, en

    • b. het doen van een ondersteuningsaanbod aan de UHP KOT-ouders of hun uithuisgeplaatste kinderen.

  • 2. Deze wet strekt ertoe de volgende doelen voor verwerking en verstrekking van persoonsgegevens vast te stellen:

    • a. het verkrijgen van inzicht in de groep van UHP KOT-ouders en hun uithuisgeplaatste kinderen;

    • b. het doen van een ondersteuningsaanbod aan de UHP KOT-ouders of hun uithuisgeplaatste kinderen, en

    • c. het reflecteren op het eigen handelen door de raad voor de kinderbescherming, gecertificeerde instellingen en de gerechten inzake de dossiers van de uithuisgeplaatste kinderen van UHP KOT-ouders.

Artikel 3 Verstrekken persoonsgegevens door de Belastingdienst/Toeslagen aan Onze Minister

De Belastingdienst/Toeslagen verstrekt aan Onze Minister de burgerservicenummers, namen, geboortedata, geslacht en adresgegevens van de gedupeerde aanvragers van een kinderopvangtoeslag en hun kinderen, ten behoeve van de in artikel 2, tweede lid, genoemde doelen.

Artikel 4 Verstrekken persoonsgegevens door de raad voor de kinderbescherming, de Raad voor de rechtspraak en de gerechten aan Onze Minister

  • 1. De raad voor de kinderbescherming verstrekt aan Onze Minister de burgerservicenummers, namen, geboortedata, geslacht en adresgegevens van de uithuisgeplaatste kinderen en hun ouders, ten behoeve van de in artikel 2, tweede lid, genoemde doelen.

  • 2. De Raad voor de rechtspraak en de gerechten verstrekken aan Onze Minister de burgerservicenummers, namen, geboortedata, geslacht en adresgegevens van de uithuisgeplaatste kinderen en hun ouders, ten behoeve van de in artikel 2, tweede lid, genoemde doelen.

Artikel 5 Totstandkoming lijsten van UHP KOT-kinderen en UHP KOT-ouders door Onze Minister

Onze Minister draagt zorg voor een lijst van UHP KOT-kinderen en een lijst van UHP KOT-ouders, door de op grond van artikel 3 van de Belastingdienst/Toeslagen ontvangen persoonsgegevens van de gedupeerde aanvragers van een kinderopvangtoeslag en hun kinderen te koppelen aan de op grond van artikel 4 van de raad voor de kinderbescherming en de Raad voor de rechtspraak en de gerechten ontvangen persoonsgegevens van de uithuisgeplaatste kinderen en hun ouders, ten behoeve van de in artikel 2, tweede lid, genoemde doelen.

Artikel 6 Verstrekken lijsten van UHP KOT-kinderen en UHP KOT-ouders door Onze Minister aan de organisaties

  • 1. Onze Minister verstrekt aan de Belastingdienst/Toeslagen de lijst van UHP KOT-kinderen en de lijst van UHP KOT-ouders, ten behoeve van het in artikel 2, tweede lid, onderdeel a, genoemde doel.

  • 2. Onze Minister verstrekt aan de gecertificeerde instellingen de lijst van UHP KOT-kinderen, ten behoeve van de in artikel 2, tweede lid, onderdelen a en c, genoemde doelen.

  • 3. Onze Minister verstrekt aan de raad voor de kinderbescherming, de Raad voor de rechtspraak en de gerechten de lijst van UHP KOT-kinderen, ten behoeve van het in artikel 2, tweede lid, onderdeel c, genoemde doel.

Artikel 7 Vernietiging persoonsgegevens UHP KOT-ouders en UHP KOT-kinderen

  • 1. Onmiddellijk na ontvangst van de op grond van artikel 6, tweede lid, verstrekte lijst van UHP KOT-kinderen, vernietigt de gecertificeerde instelling de persoonsgegevens van uithuisgeplaatste kinderen van UHP KOT-ouders waarbij de gecertificeerde instelling niet betrokken is of is geweest.

  • 2. Onze Minister verwijdert de persoonsgegevens van de UHP KOT-ouder of diens uithuisgeplaatste kind van de lijst van UHP KOT-ouders of de lijst van UHP KOT-kinderen, op een daartoe strekkend verzoek van een UHP KOT-ouder. Op verzoek van Onze Minister vernietigen de in deze wet genoemde organisaties de op grond van deze wet verstrekte persoonsgegevens van die UHP KOT-ouder of het uithuisgeplaatste kind van die UHP KOT-ouder.

Artikel 8 Vernietiging persoonsgegevens vóór het vervallen van de wet

Onze Minister en de in deze wet genoemde organisaties vernietigen vóór het vervallen van de wet de op grond van deze wet verstrekte persoonsgegevens, de lijst van UHP KOT-kinderen en de lijst van UHP KOT-ouders.

Artikel 9 Samenloop

Indien het bij koninklijke boodschap van 24 juni 2022 ingediende voorstel van wet houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Kamerstukken 36 151) tot wet is of wordt verheven en in werking treedt of is getreden, komen de begrippen ‘gedupeerde aanvrager van een kinderopvangtoeslag’ en ‘kind van een gedupeerde aanvrager van een kinderopvangtoeslag’ uit artikel 1 van deze wet te luiden:

gedupeerde aanvrager van een kinderopvangtoeslag:

de aanvrager van een kinderopvangtoeslag die in aanmerking komt voor toepassing van een herstelmaatregel en daarvoor voor 1 januari 2024 een aanvraag heeft ingediend of recht heeft op toepassing van een herstelmaatregel als bedoeld in de Wet houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen;

kind van een gedupeerde aanvrager van een kinderopvangtoeslag:

kind of pleegkind, zoals omschreven in de Wet houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen;.

Artikel 10 Inwerkingtreding en verval

  • 1. Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld, en vervalt op 1 januari 2025.

  • 2. Het tijdstip waarop deze wet vervalt kan bij koninklijk besluit telkens met ten hoogste een jaar worden verlengd. De voordracht voor het koninklijk besluit wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide Kamers van de Staten-Generaal is overgelegd.

Artikel 11 Citeertitel

Deze wet wordt aangehaald als: Tijdelijke wet uitwisseling persoonsgegevens UHP KOT.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

De Minister voor Rechtsbescherming,

MEMORIE VAN TOELICHTING

I. Algemeen

1. Inleiding

De Minister voor Rechtsbescherming heeft de Tweede Kamer in het debat over uithuisplaatsingen van 12 mei 2022 toegezegd de Kamer te zullen informeren over hoe hij juridisch en technisch gaat regelen dat de betrokken organisaties weten wie de ouders zijn die gedupeerde zijn van het kinderopvangtoeslagschandaal en te maken hebben gekregen met gedwongen uithuisplaatsing van hun kind(eren).1 Dit wetsvoorstel zorgt ervoor dat de organisaties die betrokken zijn bij gedwongen uithuisplaatsingen weten in welke gevallen sprake is van ouders die gedupeerde zijn van het kinderopvangtoeslagschandaal. Het vormt daarmee een randvoorwaarde voor het gericht kunnen informeren van de betrokken ouders over de beschikbare ondersteuning en voor een gerichte reflectie door Raad voor de rechtspraak en de gerechten, raad voor de kinderbescherming en de gecertificeerde instellingen op het eigen handelen in dossiers van de kinderen van deze ouders. Daarmee wordt uitvoering gegeven aan de toezegging die aan de Kamer is gedaan.

Er wordt gestreefd naar een spoedige invoering van dit wetsvoorstel. Reden hiervoor is een, in het licht van het kinderopvangtoeslagschandaal, sterk gevoelde wens om op korte termijn te weten wie de gedupeerde ouders zijn die tevens te maken hebben (gehad) met een gedwongen uithuisplaatsing van hun kinderen. Op basis van deze kennis kan zo snel mogelijk extra ondersteuning worden aangeboden. Om zicht te krijgen op deze gedupeerde ouders en kinderen is een koppeling van persoonsgegevens noodzakelijk. Dit wetsvoorstel verschaft daarvoor een wettelijke basis. Het wetsvoorstel maakt tevens reflectie mogelijk op het eigen handelen door de betrokken organisaties in de jeugdbeschermingsketen.

2. Hoofdlijnen van het wetsvoorstel
2.1 Doel van het wetsvoorstel

Het wetsvoorstel kent drie doelen:

  • 1. Inzicht in de (omvang van de) groep ouders die gedupeerde zijn bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag én hun kinderen die te maken hebben (gehad) met een uithuisplaatsing.

  • 2. Het bereiken van deze groep ouders (en eventueel hun kinderen) met een gericht ondersteuningsaanbod.

  • 3. Reflectie op het eigen handelen door het doorlichten van dossiers van de uithuisgeplaatste kinderen van deze groep ouders door Raad voor de rechtspraak en de gerechten, de raad voor de kinderbescherming en de gecertificeerde instellingen.

2.2 Inzicht

In het najaar van 2021 is naar aanleiding van analyses van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) bekend geworden dat een aantal ouders die gedupeerde zijn van de problemen bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag ook te maken heeft (gehad) met een uithuisplaatsing van één of meerdere kinderen in het kader van een kinderbeschermingsmaatregel.2 Er bestaat daarmee reeds een bepaalde mate van inzicht in de omvang van deze groep ouders en hun uithuisgeplaatste kinderen. Het CBS gaat daarbij uit van cijfers die beschikbaar zijn voor de jaren 2015 en daarna. In dit wetsvoorstel wordt van dezelfde periode uitgegaan. De reden hiervoor is erin gelegen dat in 2015 de Jeugdwet en de Wet herziening kinderbeschermingsmaatregelen zijn ingevoerd. Vanaf dat moment zijn de gecertificeerde instellingen en niet meer de provinciale Bureaus Jeugdzorg belast met de taken op het gebied van de jeugdbescherming. De wettelijke bepalingen rondom uithuisplaatsingen zijn met ingang van die datum gewijzigd. Dit alles maakt het vinden van de juiste gegevens van voor 2015 (veel) meer gecompliceerd.

Het wetsvoorstel leidt daarmee tot inzicht in uithuisplaatsingen van kinderen die vanaf 2015 zijn aangevangen, uithuisplaatsingen van kinderen die reeds voor 2015 zijn begonnen en nadien zijn verlengd, opnames en verblijf in een accommodatie voor gesloten jeugdhulp die vanaf 2015 zijn aangevangen, opnames en verblijf in een accommodatie voor gesloten jeugdhulp die reeds voor 2015 zijn aangevangen en nadien zijn verlengd, en beëindiging van het ouderlijk gezag vanaf 1 januari 2015. Het wetsvoorstel biedt geen inzicht in de groep kinderen die voor 2015 uit huis zijn geplaatst en waarvan de uithuisplaatsing vóór 2015 is geëindigd.

Het wetsvoorstel ziet op alle aanvragers van een kinderopvangtoeslag die op basis van de eerste toets door de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (UHT) of op grond van een integrale beoordeling in aanmerking komen voor de Catshuisregeling kinderopvangtoeslag (verder ook: de gedupeerde aanvrager). De Belastingdienst/Toeslagen3 bewaart de persoonsgegevens van deze gedupeerde aanvragers en hun kinderen, maar heeft geen zicht op de kinderen, stiefkinderen of pleegkinderen (verder: kinderen) van deze aanvragers die te maken hebben (gehad) met een machtiging tot uithuisplaatsing. De Raad voor de rechtspraak en de gerechten (rechtbanken en gerechtshoven) hebben wel de persoonsgegevens van kinderen die uithuisgeplaatst zijn met een machtiging tot uithuisplaatsing, waarvoor een machtiging gesloten jeugdhulp is verleend of waarbij het ouderlijk gezag is beëindigd, maar hebben geen zicht op de gedupeerde aanvragers van een kinderopvangtoeslag. Dat geldt eveneens voor de raad voor de kinderbescherming. Door de gegevens van de Belastingdienst/Toeslagen en de raad voor de kinderbescherming en de Raad voor de rechtspraak en de gerechten te koppelen wordt inzicht verkregen in een belangrijk deel van de groep gedupeerde aanvragers met uithuisgeplaatste kinderen of waarvan het gezag is beëindigd.

Een uithuisplaatsing die door een rechter is opgelegd wordt altijd in combinatie met een ondertoezichtstelling opgelegd. Dit zijn kinderbeschermingsmaatregelen. Het zijn de gecertificeerde instellingen die op grond van de Jeugdwet uitsluitend bevoegd zijn tot het uitvoeren van een dergelijke kinderbeschermingsmaatregel.4 Een gecertificeerde instelling kan ter uitvoering van haar taak in overleg treden met de betrokken ouder(s).

Dit wetsvoorstel brengt mee dat de gecertificeerde instellingen inzicht krijgen in de uithuisgeplaatste kinderen waarvan de ouder gedupeerd is als gevolg van het kinderopvangtoeslagschandaal. Het inzicht dat het gaat om een gedupeerde ouder kan de gecertificeerde instelling bij haar afweging of zij hierover in gesprek gaat met die ouder, mee laten wegen. Als vervolgens naar aanleiding van deze nieuwe informatie besloten wordt inderdaad een uitnodiging tot een nader gesprek te versturen, blijft het aan de ouder om hier al dan niet op in te gaan. De regie blijft op dit punt bij de gedupeerden liggen. In het gesprek tussen de gecertificeerde instelling en de gedupeerde ouder kunnen ook andere onderwerpen dan de beëindiging van een uithuisplaatsing aan de orde komen. Hierbij kan worden gedacht aan een uitbreiding van de omgangsregeling tussen ouder en kind of het vinden van ondersteuning op de vijf leefgebieden financiën, wonen, zorg, gezin en werk. Deze extra ondersteuning kan daarmee wezenlijke invloed hebben op de verbetering van de leefomstandigheden en opvoedsituatie bij ouders.

2.3 Ondersteuningsaanbod

De Minister voor Rechtsbescherming kan een ondersteuningsaanbod doen aan de betrokken ouders en eventueel hun kinderen. Het extra ondersteuningsaanbod waartoe het kabinet heeft besloten, richt zich op de groep ouders die tevens gedupeerde aanvragers van een kinderopvangtoeslag zijn en op hun uithuisgeplaatste kinderen. De aandacht zal daarbij primair uitgaan naar een ondersteuningsaanbod ten behoeve van de ouders. Het wetsvoorstel laat echter ruimte om, indien dat (naderhand) nodig blijkt, ook een ondersteuningsaanbod aan de kinderen te doen. Het ondersteuningsaanbod strekt ertoe de ouders gericht te informeren over de beschikbare ondersteuning die specifiek bedoeld is om hen te faciliteren bij vragen rond de uithuisplaatsingen. Het is gebleken dat deze specifieke groep ouders niet eenvoudig te bereiken is en dat zij zich vaak niet zelf melden voor hulp. Bij het Ondersteuningsteam Uithuisplaatsingen Toeslagenaffaire meldden zich nog niet alle ouders en vooralsnog nog vrijwel geen uithuisgeplaatste kinderen. Dit kan uiteenlopende redenen hebben: schaamte over de situatie, maar ook gegroeid wantrouwen tegenover de overheid en de organisaties in de jeugdbeschermingsketen. Ook zijn er gedupeerde ouders die naar het buitenland zijn verhuisd en kinderen die in het buitenland zijn geboren en niet in Nederland staan geregistreerd.

Het ondersteuningsaanbod is een aanvulling op de maatregelen die reeds vanuit de brede ondersteuning binnen de hersteloperatie toeslagen beschikbaar zijn voor gedupeerde aanvragers van een kinderopvangtoeslag en hun kinderen.5 Deze aanvragers zijn door het handelen van de overheid in de problemen gekomen en hebben tevens te maken gekregen met een uithuisplaatsing van een of meer kinderen. Het ondersteuningsaanbod kan (onder meer) gericht zijn op het (helpen) reconstrueren van de situatie waarin ouders en kinderen terecht zijn gekomen. Voorts kan de ondersteuning zich richten op praktische hulp om de voorwaarden te creëren waaronder kinderen weer thuis kunnen wonen of op het bijdragen aan een beter contact tussen de aanvrager en het uithuisgeplaatste kind. Voorts kan de ondersteuning helpen bij het doen van een verzoek als bedoeld in artikel 1:265d BW door de betrokken ouder of bij de procedure als bedoeld in artikel 1:277 BW gericht op het herstel van het ouderlijk gezag. Het ondersteuningsaanbod is daarmee bedoeld om de aanvrager te ondersteunen en te informeren over de verschillende mogelijkheden. Het ondersteuningsaanbod regelt niet het gezinsherstel als zodanig, wel kan een gevolg van het bijstaan zijn dat de omstandigheden waarbinnen herstel van de gezinssituatie mogelijk is, inzichtelijk worden en dat er stappen gezet worden om dat mogelijk te maken (indien ouder en kind dat wensen). Het ondersteuningsaanbod kan niet vooruitlopen op de mogelijke uitkomsten van de hiervoor genoemde juridische procedures. Zowel bij het verzoeken om ondersteuning, de ondersteuning zelf, als bij de bedoelde verzoeken en procedures blijft de regie bij de gedupeerde aanvrager liggen.

De overheid wil zich maximaal inspannen om het ondersteuningsaanbod kenbaar te maken bij de ouders die hier recht op hebben. Het is ook om die reden belangrijk dat bekend wordt wie deze ouders zijn zodat de informatie hen gericht bereikt. De keuze of zij vervolgens ingaan op het hulpaanbod ligt bij hen. Zo blijft uiteindelijk de regie bij de gedupeerden zelf; een belangrijk uitgangspunt binnen de gehele hersteloperatie.6 Bij lopende uithuisplaatsingen is het informeren van deze specifieke groep ouders over het hulpaanbod urgent. Daarmee is ook het bereiken van deze groep urgent.

2.4 Reflectie

De raad voor de kinderbescherming, de gecertificeerde instellingen, de Raad voor de rechtspraak en de gerechten worden door het wetsvoorstel in staat gesteld om te reflecteren op het eigen handelen bij de uithuisplaatsingen van deze kinderen. Op verschillende plaatsen in deze toelichting wordt gewezen op de spoed die verbonden is aan dit wetsvoorstel (zie onder meer paragraaf 1). Deze spoed is weliswaar minder prominent aanwezig bij het doel van reflectie. Het achterwege laten van de reflectie uit dit wetsvoorstel zou echter betekenen dat een belangrijke mogelijkheid wordt gemist om te reflecteren op wat er is gebeurd in de jeugdbeschermingsketen. Om die reden is dit doel bij dit wetsvoorstel meegenomen in plaats van hiervoor een apart wetsvoorstel op te stellen.

Het systeem van de jeugdbescherming is in ontwikkeling. De organisaties in de jeugdbeschermingsketen, de Raad voor de rechtspraak en de gerechten willen leren van het verleden. Was in gezinnen die te maken hebben gehad met de problemen met de kinderopvangtoeslag anders gehandeld als dit bij de betreffende organisaties bekend was geweest? Om dit te kunnen beoordelen en te kunnen bezien welke lessen geleerd kunnen worden voor het handelen van de organisaties in zijn algemeenheid, is het van belang dat de betreffende organisaties weten om welke gezinnen en kinderen het gaat. Hiervoor is het belangrijk dat zij kunnen beschikken over de resultaten van de koppeling van de gegevens van de Belastingdienst/Toeslagen en de Raad voor de rechtspraak en de gerechten. De raad voor de kinderbescherming, de gecertificeerde instellingen, de Raad voor de rechtspraak en de gerechten kunnen deze data gebruiken voor het doen van dossieronderzoek.

De interne reflectie bij de gerechten is als zodanig niet gericht op herstel, noch op het eventueel beëindigen van de uithuisplaatsing van een kind. Buiten dit wetsvoorstel om is tevens bij de gerechten een reflectietraject van de familie- en jeugdrechters gestart, waarbij in algemene zin wordt onderzocht of er in het familie- en jeugdrecht sprake is van het onvoldoende bieden van rechtsbescherming.7

2.5 Verstrekking van persoonsgegevens

In deze paragraaf wordt eerst uitgelegd over welke verstrekking het precies gaat, in de volgende paragraaf wordt ingegaan op de juridische kaders en de verhouding tot andere regelgeving.

Het wetsvoorstel gaat uit van een aantal wettelijke grondslagen voor het verstrekken en verwerken van persoonsgegevens:

  • 1. De Belastingdienst/Toeslagen deelt de persoonsgegevens (burgerservicenummers, namen, geboortedata, geslacht en adresgegevens) van de gedupeerde aanvragers van een kinderopvangtoeslag en hun kinderen met de Minister voor Rechtsbescherming.

  • 2. De raad voor de kinderbescherming en de Raad voor de rechtspraak en de gerechten delen persoonsgegevens (de burgerservicenummers, namen, geboortedata, geslacht en adresgegevens) van de uithuisgeplaatste kinderen en hun ouders met de Minister voor Rechtsbescherming. Op deze manier kunnen verschillende persoonsgegevens gekoppeld worden met de persoonsgegevens die door de Belastingdienst/Toeslagen worden verstrekt.

  • 3. De Minister voor Rechtsbescherming maakt op grond hiervan een lijst van uithuisgeplaatste kinderen van ouders die tevens gedupeerde aanvragers zijn van een kinderopvangtoeslag. Dit is in het wetsvoorstel omschreven als de lijst van UHP KOT-kinderen. De Minister voor Rechtsbescherming maakt ook een lijst van gedupeerde aanvragers van een kinderopvangtoeslag, die tevens ouder of stiefouder zijn van het uithuisgeplaatste kind of die het uithuisgeplaatste kind als behorend tot zijn gezin heeft verzorgd en opgevoed. Dit is in het wetsvoorstel omschreven als de lijst van UHP KOT-ouders. Deze lijsten van UHP KOT-kinderen en UHP KOT-ouders bestaan uit de eerder genoemde persoonsgegevens (burgerservicenummer, naam, geboortedatum, geslacht en adres).

  • 4. De Minister voor Rechtsbescherming gebruikt de lijst van UHP KOT-kinderen en de lijst van UHP KOT-ouders om een ondersteuningsaanbod aan die ouders en eventueel hun kinderen te doen. De lijst van UHP KOT-kinderen wordt verstrekt aan de Raad voor de rechtspraak en de gerechten, de raad voor de kinderbescherming en de gecertificeerde instellingen, met als doel reflectie op het eigen handelen. Deze organisaties kunnen deze persoonsgegevens vervolgens koppelen aan de bij hen aanwezige dossiers. De gecertificeerde instellingen kunnen op basis hiervan zo nodig in gesprek met de betrokken ouders (zie paragraaf 2.2).

  • 5. Op basis van de lijst van UHP KOT-ouders kan aan hen een gericht ondersteuningsaanbod worden gedaan. Dit ondersteuningsaanbod geschiedt onder verantwoordelijkheid van de Minister voor Rechtsbescherming.

Over de verstrekking van persoonsgegevens door de Raad voor de rechtspraak en de gerechten aan de Minister voor Rechtsbescherming wordt het volgende opgemerkt. Hoewel de gerechten verwerkingsverantwoordelijken zijn voor de persoonsgegevens, worden de persoonsgegevens die benodigd zijn voor de uitvoering van het wetsvoorstel beheerd door het Landelijk Dienstencentrum dat deze taak uitoefent, krachtens het door de Raad voor de rechtspraak gegeven mandaat. Er valt daarom in de praktijk geen scherp onderscheid te maken tussen de Raad voor de rechtspraak en de gerechten. In het wetsvoorstel wordt daarom consequent gesproken van ‘de Raad voor de rechtspraak en de gerechten’.

Verder registreren niet alle gerechten de zaken op dezelfde manier. Om de dossiers toch te kunnen vinden bij de gerechten is in een aantal gevallen aanvullend onderzoek in de Basisregistratie personen (BRP) nodig. Op die manier kunnen de relevante dossiers via de BRP worden gevonden. De gerechten mogen reeds bij de uitvoering van hun taken de BRP raadplegen. In het wetsvoorstel is dit daarom niet afzonderlijk geregeld.

De verstrekking van persoonsgegevens door de Raad voor de rechtspraak en de gerechten aan de Minister voor Rechtsbescherming betreft overigens een uitzonderlijke situatie die moet worden gezien tegen de achtergrond van de problemen die zijn ontstaan bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag en de doelen die met dit wetsvoorstel worden nagestreefd. Deze verstrekking van persoonsgegevens schept daarmee uitdrukkelijk geen precedent voor eventuele toekomstige verstrekkingen van persoonsgegevens door de Raad voor de rechtspraak en de gerechten.

De groep uithuisgeplaatste kinderen die tevens kinderen zijn van een gedupeerde aanvrager van een kinderopvangtoeslag kan wijzigen, omdat er in de komende periode meer namen van gedupeerde aanvragers bekend kunnen worden. De verstrekking van persoonsgegevens door de Belastingdienst/Toeslagen kan daarom één of meer keren plaatsvinden. Ook kan het nodig zijn om de verkregen lijsten van UHP KOT-kinderen en UHP KOT-ouders periodiek te updaten, bijvoorbeeld als gevolg van wijziging van de adresgegevens. De genoemde verstrekking van persoonsgegevens door de Belastingdienst/Toeslagen is overigens begrensd in de tijd: de Wet hersteloperatie toeslagen heeft betrekking op voor 1 januari 2024 ingediende aanvragen van een kinderopvangtoeslag door een aanvrager die in aanmerking komt voor toepassing van een herstelmaatregel.8 Vanaf dat moment is niet meer te verwachten dat het aantal gedupeerde aanvragers van een kinderopvangtoeslag dat tevens te maken heeft met uithuisgeplaatste kinderen, groeit.

2.6 Technische en juridische waarborgen

Bij de koppeling van de persoonsgegevens door de verstrekking van de persoonsgegevens door enerzijds de raad voor de kinderbescherming, de Raad voor de rechtspraak en de gerechten en anderzijds door de Belastingdienst/Toeslagen, is het nodig dat beide organisaties beschikken over de juiste technische middelen. Bij de eerder genoemde verstrekking van persoonsgegevens is daarom nagedacht over de verschillende technische en juridische waarborgen die hiervoor nodig zijn. Er wordt ingezet op het gebruik van technische maatregelen die de inbreuk op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer zo klein mogelijk maakt. Voor de technische koppeling van de persoonsgegevens en voor de verificatie van de gekoppelde gegevens is het noodzakelijk dat de hierbij betrokken medewerkers van de Belastingdienst/Toeslagen, de raad voor de kinderbescherming en de Raad voor de rechtspraak en de gerechten inzicht krijgen in de aangeleverde persoonsgegevens. Deze medewerkers zijn op grond van artikel 2:5 Algemene Wet bestuursrecht tot geheimhouding van de gegevens verplicht.

De technische koppeling vindt plaats onder verantwoordelijkheid van de Minister voor Rechtsbescherming. De Minister voor Rechtsbescherming draagt daarom zorg voor een werkwijze op basis waarvan de technische koppeling van de persoonsgegevens kan plaatsvinden. Alle organisaties die bij de koppeling van persoonsgegevens zijn betrokken (de Belastingdienst/Toeslagen, de raad voor de kinderbescherming en de Raad voor de rechtspraak en de gerechten) en de Minister voor Rechtsbescherming zijn, na de koppeling van de persoonsgegevens, verantwoordelijk voor de bescherming en verwijdering van die gekoppelde persoonsgegevens. De organisaties dragen er daarom zorg voor dat een inbreuk op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer wordt voorkomen, zoals de situatie waarin de gekoppelde gegevens door de raad voor de kinderbescherming, de Raad voor de rechtspraak en de gerechten of de Belastingdienst/Toeslagen worden gedeeld met of op andere wijze in handen komen van derden, zonder dat daarvoor een wettelijke grondslag bestaat.

De Minister voor Rechtsbescherming verstrekt de lijst van UHP KOT-kinderen aan de raad voor de kinderbescherming, de gecertificeerde instellingen, de Raad voor de rechtspraak en de gerechten voor reflectie op het eigen handelen met het oog op het verbeteren van de werkwijze van de eigen organisatie. De gecertificeerde instellingen zullen de gehele lijst van uithuisgeplaatste kinderen van gedupeerde aanvragers van een kinderopvangtoeslag, te zien krijgen. Op grond van de AVG mogen persoonsgegevens niet langer worden verwerkt dan noodzakelijk is. Ter wille van de duidelijkheid is als juridische waarborg opgenomen dat de gecertificeerde instellingen de persoonsgegevens van uithuisgeplaatste kinderen waar zij geen betrokkenheid bij hebben onmiddellijk zullen vernietigen.

Ook de gerechten zullen de gehele lijst van uithuisgeplaatste kinderen van gedupeerde aanvragers van een kinderopvangtoeslag, te zien krijgen. Hiervoor is niet geregeld dat de gerechten de persoonsgegevens op de lijst van UHP KOT-kinderen, waarbij zij niet betrokken zijn geweest, zullen vernietigen. De reden hiervoor is dat de reflectie door de gerechten op het eigen handelen inzake de dossiers van de uithuisgeplaatste kinderen niet op het niveau van het individuele gerecht plaatsvindt, maar rechtspraak breed. Voor de reflectie van de gerechten op het eigen handelen is het daarom nodig dat de persoonsgegevens van alle uithuisgeplaatste kinderen van UHP KOT-ouders aan alle gerechten verstrekt worden.

De genoemde organisaties zijn ervoor verantwoordelijk dat na ontvangst van de persoonsgegevens ten behoeve van de reflectie, een inbreuk op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met die persoonsgegevens wordt voorkomen.

Een UHP KOT-ouder wordt in het ondersteuningsaanbod ook geïnformeerd over het gegeven dat zijn naam voorkomt op een lijst van gedupeerde ouders van uithuisgeplaatste kinderen en dat die lijst is gedeeld met de in het wetsvoorstel genoemde organisaties. Een UHP KOT-ouder kan hiertegen willen opkomen. Dat kan door middel van een verzoek daartoe aan de Minister voor Rechtsbescherming. De Minister voor Rechtsbescherming schrapt in dat geval de bedoelde persoonsgegevens van de lijst van UHP KOT-ouders of UHP KOT-kinderen. Een gevolg daarvan is dat er in de toekomst geen nieuw ondersteuningsaanbod naar die ouder zal uitgaan. De Minister voor Rechtsbescherming zal voorts de organisaties verzoeken die persoonsgegevens te vernietigen. De organisatie dient daaraan te voldoen. Het spreekt voor zich dat indien deze persoonsgegevens reeds betrokken zijn geweest bij het reflectieproces, hierop niet meer teruggekomen kan worden. Mogelijk ten overvloede wordt nog opgemerkt dat het slechts om vernietiging van de persoonsgegevens voor zover die voorkomen op de lijst van UHP KOT-ouders of -kinderen. Het gaat dus niet om vernietiging van de persoonsgegevens zoals die in de registratiesystemen bij de diverse organisaties staan opgeslagen.

De wet zal in beginsel op 1 januari 2025 vervallen omdat, zoals is toegelicht in paragraaf 2.2, niet is te verwachten dat het aantal gedupeerde aanvragers van een kinderopvangtoeslag dat tevens te maken heeft met uithuisgeplaatste kinderen, na 1 januari 2024 nog groeit. De vervaltermijn kan steeds met een jaar worden verlengd, indien hiervoor dringende redenen zijn. Voor het vervallen van de wet zullen de Minister voor Rechtsbescherming en alle in de wet genoemde organisaties de lijst(en) met de persoonsgegevens van de betrokken kinderen en ouders, vernietigen. Het vervallen van de wet betekent dat de in deze wet genoemde grondslag voor het doen van een ondersteuningsaanbod of reflectie op het eigen handelen komt te vervallen.

3. Verhouding tot andere regelgeving

Het krachtens dit wetsvoorstel verstrekken van informatie komt, zoals hierboven ook is toegelicht, neer op een verwerking van persoonsgegevens. Hierdoor wordt inbreuk gemaakt op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van betrokkenen. De persoonlijke levenssfeer wordt beschermd door, onder meer, artikel 10 van de Grondwet en door artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), tevens is er op basis van artikel 16 van het Werkingsverdrag van de Europese Unie ook een rechtstreekse rechtsbasis voor EU-wetgeving op dit terrein, hetgeen is geconcretiseerd in de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG).

Artikel 10, eerste lid, van de Grondwet bepaalt dat een ieder behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen recht heeft op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer. Hetgeen in dit wetsvoorstel geregeld wordt, behelst een beperking van het recht op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, en daarom wordt voorzien in een wettelijke grondslag. De regering is van mening dat deze beperking noodzakelijk is, omdat het van belang is dat inzichtelijk wordt gemaakt wat nodig is in het kader van de hersteloperatie toeslagen, ook ten aanzien van gedupeerde gezinnen die te maken hebben gekregen met de uithuisplaatsing van één of meerdere van hun kinderen. Het is gewenst om te weten wie de gedupeerde gezinnen zijn. Vervolgens kan worden voorzien in een goed hulpaanbod én wordt de betrokken instanties de mogelijkheid geboden om te reflecteren op het eigen handelen ten aanzien van kinderen uit gedupeerde gezinnen. Er is gekeken naar mogelijkheden om op een andere, minder nadelige, wijze te kunnen beschikken over deze persoonsgegevens, maar de koppeling van gegevens als voorzien in dit wetsvoorstel, is naar het oordeel van de regering daarvoor het meest geschikt. De Belastingdienst/Toeslagen beschikt immers over een lijst van gedupeerde ouders en het is gebleken dat de raad voor de kinderbescherming, de Raad voor de rechtspraak en de gerechten beschikken over de meest volledige lijsten van kinderen die uithuisgeplaatst zijn. Het met elkaar matchen van die lijsten levert een nieuwe lijst op van personen die in beide bestanden voorkomen, dit zijn de zogenoemde ‘hits’, een deelverzameling van de oorspronkelijke lijsten. Indien dit op een zorgvuldige manier gebeurt, is dit naar het oordeel van de regering een werkwijze die voldoet aan eisen van proportionaliteit. Er is onderzocht of er andere manieren zijn om inzicht te krijgen in welke personen het zou betreffen, maar omdat het noodzakelijk is om echt inzicht te hebben in wie het betreft, is er geen manier om dit doel te bereiken met een mindere inbreuk op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Hierboven is ook reeds het doel uitgelegd en de regering is van mening dat dit doel, dat ook in het belang van de gedupeerden zelf is, de inbreuk op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer rechtvaardigt. Op deze wijze kan immers aan de gedupeerden een ondersteuningsaanbod worden gedaan. Het hierdoor verkregen inzicht in de gedupeerden brengt tevens mee dat de betrokken organisaties kunnen reflecteren op hun handelen in de jeugdbeschermingsketen. Een andere inrichting van het reflectieproces brengt mee dat de reflectie naar verwachting minder snel kan worden aangevangen, dan wel dat de kwaliteit van de te gebruiken persoonsgegevens lager is dan op basis van het in dit wetsvoorstel voorziene proces. Er zijn daarom geen andere manieren met een mindere inbreuk op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer die leidt tot het even goed bereiken van het doel reflectie.

Bij de uitvoering van het matchen van de lijsten zal zorgvuldig met persoonsgegevens omgegaan worden, waarbij de inbreuk op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer zo klein mogelijk zal blijven. Dit wordt onder meer bereikt door de verplichting dat alle persoonsgegevens vernietigd worden bij het vervallen van deze wet.

Verder wordt voldaan aan de in de AVG opgenomen voorschriften ten aanzien van de verwerking van persoonsgegevens. De AVG schrijft onder meer voor dat verwerking van persoonsgegevens slechts kan plaatsvinden, indien dit rechtmatig, behoorlijk en transparant gebeurt, voor welbepaalde, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigde doeleinden, en beperkt is tot wat noodzakelijk is voor het beoogde doel. Deze doeleinden zijn hiervoor reeds omschreven (zie paragraaf 2.1).

De AVG vereist dat er een rechtsgrondslag is om persoonsgegevens te mogen verwerken. Voor de verwerking door de Minister voor Rechtsbescherming gaat het naar het oordeel van de regering om de grondslag als bedoeld in artikel 6, eerste lid en onder e, AVG. De taak van algemeen belang waarvoor deze verwerking noodzakelijk is, is in dit wetsvoorstel opgenomen (artikel 2). De Minister voor Rechtsbescherming krijgt de taak om de koppeling tussen de persoonsgegevens bij de raad voor de kinderbescherming, de Raad voor de rechtspraak en de gerechten en de persoonsgegevens bij de Belastingdienst/Toeslagen te maken. Het gaat hierbij om de lijst van UHP KOT-kinderen en de lijst van UHP KOT-ouders. De Minister voor Rechtsbescherming is daarmee de verwerkingsverantwoordelijke voor dat deel. De praktische uitvoering van deze koppeling geschiedt door de genoemde organisaties.

In deze wet wordt tevens een verplichting gecreëerd om bepaalde gegevens te verstrekken. Bij deze verplichte verstrekkingen gaat het om de grondslag op basis van artikel 6, eerste lid en onder c, AVG en deze rechtsgrond kan worden vastgesteld bij lidstaatrechtelijk recht. Voor de verstrekkingen van persoonsgegevens die op grond van dit wetsvoorstel plaatsvinden, gaat het om verstrekking van persoonsgegevens die in eerste instantie voor een ander doel zijn verzameld, namelijk door de raad voor de kinderbescherming en de gerechten voor taken en bevoegdheden op het gebied van de jeugdbescherming, zoals het instellen van jeugdbeschermingsmaatregelen, en door de Belastingdienst/Toeslagen voor het verstrekken van toeslagen. De Minister van Financiën is de verwerkingsverantwoordelijke voor de verwerking van persoonsgegevens door de Belastingdienst/Toeslagen.9 Er is vervolgens sprake van een verdere verwerking van persoonsgegevens als bedoeld in artikel 6, vierde lid, AVG. Hierin is bepaald dat, indien er geen sprake is van toestemming of van een verenigbare verdere verwerking, er een lidstaatrechtelijke bepaling vereist is, die in een democratische samenleving een noodzakelijke en evenredige maatregel vormt ter waarborging van de in artikel 23, eerste lid, AVG bedoelde doelstellingen. Onderhavig wetsvoorstel beoogt hierin te voorzien.

In dit wetsvoorstel zijn daartoe verschillende doelen opgenomen. Dit wetsvoorstel biedt daarmee een grondslag om persoonsgegevens verder te verwerken voor een ander doel dan waarvoor de persoonsgegevens aanvankelijk zijn verzameld. Het gaat hierbij om belangrijke doelstellingen van algemeen belang van de lidstaat.

In de eerste plaats gaat het erom dat zicht komt op de groep gedupeerde ouders en hun uithuisgeplaatste kinderen. Als duidelijk is welke ouders en kinderen dit betreft, dan kunnen zij ook specifiek geïnformeerd worden over de mogelijkheden tot hulp en ondersteuning die speciaal voor deze groep beschikbaar is. Hiervoor is noodzakelijk dat persoonsgegevens over gedupeerde aanvragers van een kinderopvangtoeslag en hun kinderen van de Belastingdienst/Toeslagen gekoppeld worden met persoonsgegevens van uithuisgeplaatste kinderen en hun ouders van de raad voor de kinderbescherming en de gerechten. Op die wijze ontstaat er een nieuwe deelverzameling van kinderen en ouders.

Voor de raad voor de kinderbescherming, de gecertificeerde instellingen, de Raad voor de rechtspraak en de gerechten is het noodzakelijk om over deze lijst van UHP KOT-kinderen te beschikken, zodat zij op basis van de eigen bestanden, nader kunnen reflecteren op het eigen handelen ten aanzien van deze groep kinderen. Hiervoor is het noodzakelijk dat bij deze organisaties bekend wordt over welke groep het gaat. Deze organisaties willen kunnen nagaan of zij voldoende oog hebben gehad voor de problematiek rondom de kinderopvangtoeslag. De regering acht het van groot belang dat alle aspecten die meespelen bij gedupeerde gezinnen goed worden onderzocht, gezien het belang van de gehele hersteloperatie toeslagen. Deze organisaties voeren taken van algemeen belang uit, dus wordt hierbij aangesloten in dit wetsvoorstel. De doelstelling van deze verwerking valt binnen deze taak van algemeen belang.

Het doel van deze gegevensverwerking rechtvaardigt dat deze koppeling van gegevens gemaakt wordt, en dit gebeurt ook op een wijze die voor betrokkenen een zo gering mogelijke beperking vormt van de persoonlijke levenssfeer. Het gaat uitsluitend om het delen van burgerservicenummers, namen, geboortedata, geslacht en adresgegevens van kinderen en ouders tussen de raad voor de kinderbescherming, de Raad voor de rechtspraak en de gerechten, de Belastingdienst/Toeslagen en de Minister voor Rechtsbescherming. Er kan niet worden volstaan met het delen van één type persoonsgegeven, zoals het burgerservicenumer. De reden is dat binnen de organisaties niet steeds op dezelfde manier wordt geregistreerd (zie hierna paragraaf 4). Het is daarom nodig om verschillende identificerende persoonsgegevens te delen, zodat op die manier voldoende volledige en betrouwbare lijsten van UHP KOT-kinderen en -ouders kunnen worden verkregen. De AVG eist dat de persoonsgegevens juist zijn en daarom is het noodzakelijk om deze persoonsgegevens, in plaats van één type persoonsgegeven, zoals het burgerservicenummer, te verstrekken.

De lijst van betrokken kinderen bestaat uitsluitend uit persoonsgegevens van die kinderen en zal worden verstrekt aan Raad voor de rechtspraak en de gerechten, de raad voor de kinderbescherming en de gecertificeerde instellingen. Er zullen niet meer persoonsgegevens worden verstrekt tussen de Minister voor Rechtsbescherming, de Raad voor de rechtspraak en de gerechten, de Belastingdienst/Toeslagen, de raad voor de kinderbescherming en de gecertificeerde instellingen dan strikt noodzakelijk. De voorgestelde maatregelen voldoen daarmee ook aan het vereiste van dataminimalisatie. Zoals hiervoor (paragraaf 2.6) reeds is toegelicht kan een UHP KOT-ouder verzoeken om verwijdering van zijn gegevens uit de lijst.

In het kader van het creëren van deze nieuwe grondslag voor de verwerking van persoonsgegevens, zijn aan de hand van het rijksmodel Data protection impact assessment (DPIA) de risico’s voor de rechten en vrijheid van betrokkenen beoordeeld en is bezien welke maatregelen noodzakelijk zijn om deze risico’s te verminderen. De afwegingen die noodzakelijk zijn bij een wetgevings-PIA zijn daarbij gemaakt en in deze memorie van toelichting beschreven. Het gaat daarbij om een beschrijving van de algemene kenmerken van de gegevensverwerking, en de doeleinden van de verwerking en een beoordeling van de rechtmatigheid en noodzaak van de gegevensverwerking. De risico’s voor betrokkenen worden beperkt geacht. Want ondanks dat het gaat om een gevoelige zaak, waarbij zeer zorgvuldig met de persoonsgegevens van de gedupeerden moet worden omgegaan, gaat hier om het bijeenleggen van gegevens waarover de organisaties veelal al zullen beschikken, maar waarbij de link met het kinderopvangtoeslagschandaal ontbreekt of nog niet volledig in kaart is gebracht. De betrokken organisaties hebben daarmee reeds ervaring om met deze persoonsgegevens op een zorgvuldige manier om te gaan, in lijn met de eisen die de AVG stelt. Het gaat ook niet om de verwerking van bijzondere categorieën van persoonsgegevens. Tevens mogen deze persoonsgegevens in beginsel niet worden gebruikt voor andere doeleinden dan in deze wet omschreven.10 In de uitvoering dienen de betrokken organisaties hiermee rekening te houden.

4. Gevolgen en uitvoering

Gezien de situatie van de betrokken ouders en kinderen, is de insteek om zo spoedig mogelijk tot een zo compleet mogelijke lijst van UHP KOT-kinderen en UHP KOT-ouders te komen. Hiervoor is het nodig om gegevens van de Belastingdienst/Toeslagen te koppelen met gegevens over uithuisplaatsingen. Deze gegevens over uithuisplaatsingen zijn bekend bij de Raad voor de rechtspraak en de gerechten en de raad voor de kinderbescherming.

De Raad voor de rechtspraak en gerechten registeren alle uithuisplaatsingen. Zij doen dit echter niet allemaal op dezelfde manier. Ook worden alleen aanvragen tot een uithuisplaatsing centraal geregistreerd, maar niet de uitspraak van de rechter. Bij gebruik van de gegevens van de Raad voor de rechtspraak en de gerechten is dus aanvullend onderzoek nodig in de BRP om de gegevens te actualiseren of is dossieronderzoek nodig om zeker te weten of de rechter een verzoek tot uithuisplaatsing heeft toegekend.

De raad voor de kinderbescherming registreert alle verzoeken tot uithuisplaatsing die zij hebben ingediend en vermeldt daarbij of deze verzoeken zijn toegekend of afgewezen. Deze gegevens zijn aan de BRP gekoppeld, waardoor geen extra BRP-onderzoek nodig is bij gebruik van deze gegevens voor de koppeling. De raad voor de kinderbescherming registreert echter niet de gevallen waarin de aanvraag voor uithuisplaatsing direct en zonder betrokkenheid van de raad voor de kinderbescherming vanuit de gecertificeerde instelling is gedaan.

Om de betrokken ouders zo spoedig mogelijk te kunnen informeren over het ondersteuningsaanbod en de Raad voor de rechtspraak en de gerechten, de raad voor de kinderbescherming en de gecertificeerde instellingen de lijst van UHP KOT-kinderen te kunnen verstrekken voor reflectie op het eigen handelen, is gekozen om in meerdere stappen te komen tot een koppeling van de verschillende persoonsgegevens. In een eerste stap worden de persoonsgegevens die door de raad voor de kinderbescherming zijn verstrekt, gekoppeld met de persoonsgegevens die zijn verstrekt door de Belastingdienst/toeslagen. Op die manier ontstaat een lijst van UHP KOT-kinderen en UHP KOT-ouders. De daarop genoemde ouders kunnen vervolgens op korte termijn geïnformeerd worden over het ondersteuningsaanbod, en de Raad voor de rechtspraak en de gerechten, de raad voor de kinderbescherming en de gecertificeerde instellingen kunnen de lijst ontvangen voor de reflectie op het eigen handelen.

Omdat de raad voor de kinderbescherming niet alle gevallen registreert waarin sprake is van een uithuisplaatsing van kinderen, worden in een tweede stap de gegevens van de Raad voor de rechtspraak en de gerechten (eventueel na een check in de BRP of na ‘verrijking’ van de persoonsgegevens) gekoppeld aan de persoonsgegevens die afkomstig zijn van de Belastingdienst/Toeslagen, om op deze manier een meer complete lijst te verkrijgen.

De verstrekking van persoonsgegevens door de Belastingdienst/Toeslagen en de raad voor de kinderbescherming, die door dit wetsvoorstel mogelijk wordt, kan een of meer keren plaatsvinden. Dit laatste kan bij de uitvoering van dit wetsvoorstel nodig blijken omdat er nog steeds bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag gedupeerde aanvragers bekend worden. De Raad voor de rechtspraak en de gerechten zullen eenmalig de relevante persoonsgegevens verstrekken. Nieuwe uithuisplaatsingen van na het moment van verstrekking zullen daarom niet worden meegenomen op de lijst van UHP KOT-kinderen. Bij de verstrekking van persoonsgegevens van de betrokken kinderen en ouders door de Raad voor de rechtspraak en de gerechten, de Belastingdienst/Toeslagen en de raad voor de kinderbescherming, gaat het overigens om persoonsgegevens die reeds bekend zijn bij deze organisaties.

Er zullen naar verwachting enige uitvoeringsconsequenties voor de Raad voor de rechtspraak en de gerechten aanwezig zijn. De omvang van de uitvoeringsconsequenties zal onder meer afhangen van de te gebruiken techniek en of persoonsgegevens zijn te vinden in het eigen rechtspraaksysteem of in de BRP. Het is vermoedelijk nodig om de data eerst te ‘schonen’ voordat een koppeling mogelijk is met de persoonsgegevens waarover de Belastingdienst/Toeslagen beschikt.

Er zullen naar verwachting tevens enige uitvoeringsconsequenties zijn voor de Belastingdienst/Toeslagen. Ook zij zullen de bij hen liggende persoonsgegevens moeten ‘verrijken’ met de BRP. Daarnaast zijn er uitvoeringsconsequenties mogelijk in het contact met de gedupeerde ouders. Het kan dan bijvoorbeeld gaan om vragen over de gedeelde persoonsgegevens. De uitvoeringsconsequenties aan de zijde van de raad voor de kinderbescherming zullen naar verwachting bescheiden zijn.

Eventuele financiële consequenties voor de Raad voor de rechtspraak en de gerechten, de raad voor de kinderbescherming en de Belastingdienst/Toeslagen, die voortkomen uit de uitvoering zoals hierboven beschreven, komen ten laste van de begroting van het ministerie van Justitie en Veiligheid. Dat geldt zowel voor het aantal fte dat nodig is voor de ‘verrijking’, verstrekking en koppeling van persoonsgegevens, als voor de inzet en het gebruik van de technische middelen.

Er zijn enige uitvoeringsconsequenties te verwachten bij het uitsplitsen van de lijst van betrokken kinderen door de gecertificeerde instellingen in kinderen die bij de desbetreffende organisaties bekend zijn. De financiële gevolgen hiervan worden gedragen door de betrokken instellingen binnen de eigen begroting.

De Minister voor Rechtsbescherming informeert de gedupeerde ouders die te maken hebben (gehad) met uithuisgeplaatste kinderen over de mogelijkheid van aanvullende ondersteuning.

5. Advies en consultatie

Bij de voorbereiding van dit wetsvoorstel zijn de raad voor de kinderbescherming, Jeugdzorg Nederland, de Raad voor de rechtspraak en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) betrokken. Aan de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) en het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) is advies gevraagd. De Belastingdienst/Toeslagen heeft een uitvoeringstoets gedaan. De reacties zijn verwerkt in het wetsvoorstel en deze memorie van toelichting.

Het ATR heeft dit wetsvoorstel niet geselecteerd voor een formeel advies, omdat het naar verwachting slechts verwaarloosbare gevolgen voor de regeldruk heeft.

Jeugdzorg Nederland geeft aan dat de gecertificeerde instellingen de mogelijkheid willen hebben om met gedupeerde ouders in gesprek te gaan, vragen te beantwoorden en alles te doen wat mogelijk is om het leed te verzachten.

In reactie op deze opmerking van Jeugdzorg Nederland is het wetsvoorstel aangepast, zodat ook de gecertificeerde instellingen hierover in contact kunnen treden met de gedupeerde ouders. In paragraaf 2.1 is dit nader toegelicht, waarbij wordt benadrukt dat de regie bij de betrokken ouders blijft.

De Raad voor de rechtspraak heeft twee formele adviezen gegeven, in juli en in augustus 2022. De Raad voor de rechtspraak adviseert geen onderscheid te maken tussen de Raad voor de rechtspraak en de gerechten en om een ruimere omschrijving van de te verstrekken persoonsgegevens te hanteren. Het wetsvoorstel en de toelichting zijn hierop aangepast. De Raad voor de rechtspraak merkt terecht op dat het succes van de koppeling en daarmee van het bereiken van de doelen van dit wetsvoorstel afhankelijk is van de vraag hoe goed het lukt om de technische koppeling te maken. In reactie hierop is de technische kant van dit voorstel grotendeels open gelaten in deze toelichting en is tot uitdrukking gebracht dat de technische koppeling zal worden voorbereid in overleg met de Raad voor de rechtspraak en de Belastingdienst/Toeslagen. Ook de rol van de Minister voor Rechtsbescherming hierbij is verduidelijkt. In de toelichting is benoemd dat de Raad voor de rechtspraak en de gerechten de bedoelde persoonsgegevens eenmalig verstrekken (paragraaf 4). De toelichting is aangevuld met betrekking tot de financiële consequenties (paragraaf 4). De artikelsgewijze opmerkingen zijn ten slotte grotendeels overgenomen.

De uitvoeringstoets van de Belastingdienst/Toeslagen leidt eveneens tot de conclusie dat een technologie-neutrale benadering in het wetsvoorstel en toelichting nodig is.

De AP maakt een drietal opmerkingen, die hebben geleid tot aanvulling van de toelichting. AP wijst erop dat de doelstelling ‘inzicht’ vragen oproept omdat reeds een zekere mate van inzicht bestaat dankzij het CBS.

In reactie hierop wijst de regering erop dat onder ‘inzicht’ wordt verstaan kennis van de groep gedupeerde ouders en hun uithuisgeplaatste kinderen. De gegevens die dankzij de CBS beschikbaar zijn, zijn anoniem, zodat hiermee nog geen inzicht bestaat in de namen van de UHP KOT-ouders. Tevens dienen de genoemde drie doelen in samenhang met elkaar en met de hersteloperatie toeslagen te worden bekeken. Op basis immers van dit inzicht kunnen de ouders worden bereikt met een ondersteuningsaanbod. Ook is daarmee reflectie mogelijk op de dossiers van de uithuisgeplaatste kinderen van deze UHP KOT-ouders.

Daarnaast zij gewezen op de opmerking van de AP dat de doelstelling ‘reflectie’ de vraag oproept hoe de noodzaak tot reflectie zich verhoudt tot het bredere reflectietraject waarbij in algemene zin wordt onderzocht of er in het familie- en jeugdrecht sprake is van het voldoende bieden van rechtsbescherming. Voor de ernst van een uithuisplaatsing maakt het immers niet per se uit of het om een aan de toeslagaffaire gerelateerde situatie gaat of niet.

De regering is het eens met de AP dat het voor de ernst van een onterechte uithuisplaatsing niet uitmaakt of het om een aan de toeslagenaffaire gerelateerde situatie gaat of niet. Echter dit wetsvoorstel moet gezien worden in het licht van de hersteloperatie toeslagen. Er bestaat een begrijpelijke behoefte te reflecteren op het eigen handelen door verschillende overheidsorganisaties over de vraag of zij voldoende oog hebben gehad voor gedupeerde gezinnen. Er is begrijpelijkerwijs veel maatschappelijk en politiek debat over deze vraag geweest, waarbij dit wetsvoorstel kan bijdragen aan duidelijkheid hierover. Ook dat is een zwaarwegend maatschappelijk belang. Dit geldt overigens ook voor de eerste doelstelling, het afbakenen van de groep gedupeerden.

Daarnaast is het van belang om op te merken dat inmiddels ook wordt onderzocht op welke wijze de rechtsbescherming bij uithuisplaatsingen in bredere zin kan worden versterkt.11

De AP merkt verder op dat niet alleen de UHP KOT-ouders (via het ondersteuningsaanbod), maar ook de betrokken uithuisgeplaatste kinderen zorgvuldig op de hoogte dienen te worden gebracht van deze verwerking van persoonsgegevens.

Naar aanleiding van de opmerking van de AP is overwogen is om ook kinderen te informeren over het ondersteuningsaanbod. Hier is niet voor gekozen, mede op basis van ervaringen van de uitvoeringsorganisatie herstel toeslagen. Anders dan het informeren van ouders, vraagt het benaderen van kinderen een beoordeling op dossierniveau. Per kind zal beoordeeld moeten worden of en hoe het kind geïnformeerd kan worden. Bijvoorbeeld in situaties waarin er sprake is van complexe scheidingsproblematiek van de ouders kan het informeren van kinderen ongewenste gevolgen hebben voor de relatie tussen de ouders. Het beoordelen van de individuele dossiers valt buiten de reikwijdte van dit wetsvoorstel.

Ten slotte merkt de AP op dat geen voorziening getroffen lijkt te zijn om te voorkomen dat ouders en kinderen die inmiddels al wel gebruik maken van het ondersteuningsaanbod, opnieuw worden benaderd met een aanbod. De Minister voor Rechtsbescherming beschikt niet over de persoonsgegevens van gedupeerden die reeds gebruik maken van het ondersteuningsaanbod. De gedupeerden die inmiddels gebruik maken van het ondersteuningsaanbod zullen door het Ondersteuningsteam geïnformeerd worden dat zij wederom een ondersteuningsaanbod zullen ontvangen en dat zij dit kunnen negeren.

6. Overgangsrecht en inwerkingtreding

Het wetsvoorstel treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Beoogd wordt het wetsvoorstel zo spoedig mogelijk in werking te laten treden, zodat er een wettelijke grondslag is voor het verstrekken en verwerken van de in dit wetsvoorstel bedoelde persoonsgegevens. Er is geen noodzaak voor een bepaling van overgangsrecht.

II. Artikelsgewijs

Artikel 1

Deze bepaling bevat enkele definities. Het doel van het wetsvoorstel is (onder meer) het verkrijgen van inzicht in de groep aanvragers van een kinderopvangtoeslag die zijn gedupeerd bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag, en die tevens zijn geconfronteerd (geweest) met een uithuisgeplaatst kind. Voor zover in het wetsvoorstel daarom wordt gesproken van een gedupeerde aanvrager van een kinderopvangtoeslag of diens kind, gaat het steeds om begrippen die aansluiten bij die worden gehanteerd in het Wetsvoorstel houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wetsvoorstel hersteloperatie toeslagen). Het Wetsvoorstel hersteloperatie toeslagen is bij koninklijke boodschap van 24 juni 2022 ingediend in de Tweede Kamer (Kamerstukken 36 151).

Voor het begrip uithuisgeplaatste kinderen dient aangesloten te worden bij hetgeen op dat punt in het Burgerlijk Wetboek en de Jeugdwet is bepaald. In dat opzicht wordt dus voor het begrip kind afgeweken van hetgeen in het Wetsvoorstel hersteloperatie toeslagen is bepaald. Het begrip ‘UHP KOT-ouder’ koppelt de voorgaande begrippen aan elkaar, doordat het regelt dat de ouder een gedupeerde aanvrager van een kinderopvangtoeslag is die tevens ouder is van het uithuisgeplaatste kind.

Het begrip ‘gecertificeerde instelling’ sluit aan bij de definitie uit artikel 1:254 BW, waarin wordt verwezen naar artikel 1.1 van de Jeugdwet. In de Jeugdwet wordt de gecertificeerde instelling omschreven als de rechtspersoon die in het bezit is van een certificaat of voorlopig certificaat (als bedoeld in artikel 3.4 van de Jeugdwet) en die een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering uitvoert.

Onder de ‘gedupeerde aanvrager van een kinderopvangtoeslag’ wordt de aanvrager verstaan die is gedupeerd bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag. In artikel 2.7, eerste lid, van het Wetsvoorstel hersteloperatie toeslagen is bepaald dat het moet gaan om een aanvrager van een kinderopvangtoeslag die in aanmerking komt voor toepassing van een herstelmaatregel en daarvoor voor 1 januari 2024 een aanvraag heeft ingediend. Het gaat hiermee om de groep aanvragers van een kinderopvangtoeslag die een eerste toets (de ‘lichte toets’) hebben ondergaan in het kader van de hersteloperatie toeslagen. Bij de genoemde eerste toets wordt onderzocht of de persoon in aanmerking komt voor herstel. Daarbij wordt bijvoorbeeld bekeken of de persoon ooit kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd en of dat geld ooit moest worden terugbetaald. Het moet daarbij gaan om een in de periode voor 23 oktober 2019 gedane aanvraag van de kinderopvangtoeslag.

Onder het begrip ‘gedupeerde aanvrager van een kinderopvangtoeslag’ valt tevens de groep aanvragers die reeds integraal zijn beoordeeld en compensatie hebben ontvangen. Het gaat dan om de aanvrager van een kinderopvangtoeslag waarvan de Belastingdienst/Toeslagen heeft vastgesteld dat hij recht heeft op (toepassing van) een herstelmaatregel als bedoeld in het vierde en vijfde lid van artikel 2.7 van het Wetsvoorstel hersteloperatie toeslagen.

Omdat niet is uitgesloten dat (leden van het) artikel 2.7 van het Wetsvoorstel hersteloperatie toeslagen in de parlementaire fase wordt gewijzigd, is in het voorliggende wetsvoorstel volstaan met een algemene verwijzing naar het Wetsvoorstel hersteloperatie toeslagen.

Onder de ‘gerechten’ worden de rechtbanken en de gerechtshoven verstaan. Hiermee wordt afgeweken van het begrip ‘gerechten’ zoals dat wordt gebruikt in (de artikelen 1 en 2 van) de Wet op de rechterlijke organisatie, die ook de Hoge Raad tot de gerechten rekent.

Onder het ‘kind van een gedupeerde aanvrager van een kinderopvangtoeslag’ wordt het kind of pleegkind verstaan zoals dat is omschreven in artikel 1.1 van het Wetsvoorstel hersteloperatie toeslagen. Omdat niet is uitgesloten dat artikel 1.1 van het Wetsvoorstel hersteloperatie toeslagen in de parlementaire fase wordt gewijzigd, is volstaan met een algemene verwijzing naar het Wetsvoorstel hersteloperatie toeslagen. Het betreft daar in de eerste plaats het eigen kind als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van de Algemene Kinderbijslagwet. Daar is de volgende definitie van ‘eigen kind’ opgenomen. Als eigen kind wordt beschouwd het kind:

  • a. van de vrouw die op grond van artikel 198 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek als zijn moeder wordt aangemerkt;

  • b. van de man die op grond van artikel 199 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek als zijn vader wordt aangemerkt;

  • c. van de man die op grond van artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek verplicht is bij te dragen aan de kosten van verzorging en opvoeding, tenzij het kind reeds op grond van artikel 199 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek als eigen kind van een andere man wordt aangemerkt;

  • d. van de man wiens biologisch vaderschap door middel van DNA-onderzoek is vastgesteld, mits de man het kind feitelijk in relevante mate onderhoudt en het kind niet reeds tot een andere man in een familierechtelijke vaderschapsrelatie staat;

  • e. van de man die na toepassing van Nederlands internationaal privaatrecht tot het kind in een familierechtelijke vaderschapsrelatie staat.

Het pleegkind is meegenomen in deze wet, omdat het ook is meegenomen bij het Wetsvoorstel hersteloperatie toeslagen. Het pleegkind is in het Wetsvoorstel hersteloperatie toeslagen omschreven als het pleegkind als bedoeld in artikel 4, derde lid, van de Algemene Kinderbijslagwet of een kind dat met een pleegkind wordt gelijkgesteld krachtens artikel 4, vierde lid, van de Algemene Kinderbijslagwet. Als een pleegkind in de zin van de Algemene Kinderbijslagwet wordt beschouwd het kind dat als eigen kind wordt onderhouden en opgevoed. In de Regeling gelijkstelling pleegkinderen is geregeld welke kinderen zijn gelijk te stellen met pleegkinderen.

Bij uitvoering van deze wet ontstaan twee lijsten met de persoonsgegevens van UHP KOT-ouders en hun kinderen. Ter wille van de duidelijkheid zijn die afzonderlijk gedefinieerd in het wetsvoorstel als de ‘lijst van UHP KOT-kinderen’ en ‘lijst van UHP KOT-ouders’. Het begrip ‘UHP KOT-ouder’ is afzonderlijk omschreven in artikel 1 van het wetsvoorstel. Een ‘UHP KOT-kind’ is het uithuisgeplaatste kind van een UHP KOT-ouder.

Onder ‘Onze Minister’ wordt steeds Onze Minister voor Rechtsbescherming verstaan.

Onder de ‘ouder van een uithuisgeplaatst kind’ wordt verstaan de juridische ouder, de stiefouder of de pleegouder. De pleegouder is de persoon die het uithuisgeplaatste kind als behorend tot zijn gezin heeft verzorgd en opgevoed.

Onder een ‘UHP KOT-ouder’ wordt de gedupeerde aanvrager van een kinderopvangtoeslag verstaan die tevens de juridische ouder of de stiefouder is van het uithuisgeplaatste kind. Ook de pleegouder valt hier onder, voor zover die het uithuisgeplaatste kind als behorend tot zijn gezin heeft verzorgd en opgevoed.

Onder een ‘uithuisgeplaatst kind’ wordt de minderjarige verstaan die vanaf 1 januari 2015 gedurende dag en nacht buiten het gezin is geplaatst. De beperking tot de periode vanaf 1 januari 2015 is gemaakt in verband met de invoering van de Jeugdwet en de Wet herziening kinderbeschermingsmaatregelen in 2015. Dit maakt het vinden van de juiste data vóór 2015 meer gecompliceerd (zie paragraaf 2.1 van het algemeen deel van de toelichting).

Onder de definitie valt daarom de persoon waarvoor op of na 1 januari 2015 een machtiging tot uithuisplaatsing is verleend (artikel 1:265b BW) of die reeds voor 1 januari 2015 uit huis is geplaatst en waarbij op of na 1 januari 2015 de machtiging is verlengd als bedoeld in artikel 1:265c BW. Daarnaast valt hieronder de situatie waarin een machtiging voor opname in een gesloten jeugdhulpaccommodatie is verleend of verlengd in de zin van de Jeugdwet. Zie hiervoor de definitie van ‘gesloten jeugdhulp’ in artikel 1 van de Jeugdwet, waar wordt verwezen naar de machtiging als bedoeld in de artikelen 6.1.2, 6.1.3 of 6.1.4 van de Jeugdwet. Ten slotte valt hieronder de situatie dat de minderjarige te maken heeft gehad met de beëindiging van het ouderlijk gezag (artikel 1:266 BW).

Artikel 2

Het artikel benoemt de taak van de Minister voor Rechtsbescherming en de doelen van de verwerkingen en verstrekkingen in dit wetsvoorstel. Op basis daarvan kunnen de Minister voor Rechtsbescherming en de verschillende organisaties persoonsgegevens verwerken en aan elkaar de in de wetsartikelen genoemde persoonsgegevens verstrekken.

Het eerste lid benoemt twee taken voor de Minister van Rechtsbescherming:

  • 1. Het verkrijgen van inzicht in de groep UHP KOT-ouders en hun uithuisgeplaatste kinderen;

  • 2. Het doen van een ondersteuningsaanbod aan de UHP KOT-ouders of hun uithuisgeplaatste kinderen.

Er is geen taak voor de raad voor de kinderbescherming, de gecertificeerde instellingen en de gerechten opgenomen tot reflectie op het eigen handelen, door middel van een onderzoek van de dossiers van uithuisgeplaatste kinderen van UHP KOT ouders. De genoemde organisaties hebben immers ook nu al de mogelijkheid om te reflecteren op het eigen handelen, zoals alle organisaties dat hebben.

Het tweede lid geeft de doelen aan die beoogd zijn met dit wetsvoorstel. Er zijn drie doelen genoemd:

  • 1. Het verkrijgen van inzicht in de groep van UHP KOT-ouders en hun uithuisgeplaatste kinderen;

  • 2. het doen van een ondersteuningsaanbod aan de UHP KOT-ouders of hun uithuisgeplaatste kinderen, en

  • 3. het reflecteren op het eigen handelen door de raad voor de kinderbescherming, gecertificeerde instellingen en de gerechten inzake de dossiers van de uithuisgeplaatste kinderen van UHP KOT-ouders.

Deze doelen komen gedeeltelijk overeen met de in het eerste lid genoemde taak van de Minister voor Rechtsbescherming en zijn opgenomen omdat er een aantal tussenstappen met verwerkingen en verstrekkingen van persoonsgegevens nodig zijn voor het bereiken van deze doelen. Deze verwerkingen en verstrekkingen van persoonsgegevens zijn uitgewerkt in de volgende artikelen bij dit wetsvoorstel. Een verwerking en verstrekking van persoonsgegevens is daarbij steeds alleen toegestaan, indien het past bij het in dat artikel genoemde doel of doelen.

Artikel 3

Het artikel regelt de verstrekking van de burgerservicenummers, namen, geboortedata, geslacht en adresgegevens van de gedupeerde aanvragers van een kinderopvangtoeslag en hun kinderen door de Belastingdienst/Toeslagen aan de Minister voor Rechtsbescherming.

De verstrekking van deze persoonsgegevens is daarmee een eerste stap voor het uiteindelijk kunnen maken van een lijst van UHP KOT-kinderen en UHP KOT-ouders, zoals nader uitgewerkt in artikel 5. Om de kans op een koppeling tussen de gegevens van de raad voor de kinderbescherming, de Raad voor de rechtspraak en de gerechten, en de gegevens van de Belastingdienst/Toeslagen zo groot mogelijk te maken, worden de burgerservicenummers, namen, geboortedata, geslacht en adresgegevens van de betrokken kinderen en hun ouders verstrekt.

Artikel 4

Het eerste lid geeft een wettelijke grondslag voor het verstrekken van de burgerservicenummers, namen, geboortedata, geslacht en adresgegevens van de uithuisgeplaatste kinderen en hun ouders door de raad voor de kinderbescherming.

Het tweede lid geeft een wettelijke grondslag voor het verstrekken van dezelfde persoonsgegevens door de Raad voor de rechtspraak en de gerechten aan de Minister voor Rechtsbescherming. Het tweede lid heeft daarmee betrekking op dezelfde persoonsgegevens als het eerste lid, maar zijn afkomstig van verschillende organisaties. De reden hiervoor, is uiteengezet in paragraaf 4 waar is ingegaan op de wijze waarop de koppeling van persoonsgegevens plaatsvindt.

Artikel 5

Het artikel regelt de koppeling van de persoonsgegevens van de uithuisgeplaatste kinderen en hun ouders, zoals die van de raad voor de kinderbescherming en de Raad voor de rechtspraak en de gerechten afkomstig zijn, met de persoonsgegevens van de gedupeerde aanvragers van een kinderopvangtoeslag en hun kinderen, zoals die bij de Belastingdienst/Toeslagen bekend zijn. Deze datakoppeling vindt plaats onder verantwoordelijkheid van de Minister voor Rechtsbescherming en is bedoeld ten behoeve van alle in artikel 2, tweede lid, genoemde doelen. Het resultaat van deze koppeling is een lijst van UHP KOT-ouders, dus een lijst met de persoonsgegevens van ouders die tevens gedupeerde aanvragers zijn van een kinderopvangtoeslag, en een lijst van UHP KOT-kinderen, dus een lijst met de persoonsgegevens van uithuisgeplaatste kinderen van UHP KOT-ouders.

Artikel 6

Eerste lid. De Minister voor Rechtsbescherming verstrekt aan de Belastingdienst/Toeslagen de beide lijsten, dus de lijst van UHP KOT-ouders en de lijst van UHP KOT-kinderen. De verstrekking aan de Belastingdienst/Toeslagen strekt tot het verkrijgen van inzicht in de groep UHP KOT-ouders en hun uithuisgeplaatste kinderen.

Tweede lid. De verstrekking aan de gecertificeerde instellingen van de lijst met UHP KOT-kinderen strekt tot het verkrijgen van inzicht in de groep van UHP KOT-ouders en hun uithuisgeplaatste kinderen door de gecertificeerde instellingen. Op basis hiervan kan de gecertificeerde instelling in contact treden met die ouders (zie paragraaf 2.1 van het algemeen deel van de toelichting). De verstrekking aan de gecertificeerde instellingen strekt daarnaast tot het kunnen doen van reflectie op het eigen handelen door de gecertificeerde instelling.

Derde lid. De verstrekking aan de raad voor de kinderbescherming, Raad voor de rechtspraak en de gerechten van de lijst van UHP KOT-kinderen geschiedt met als doel het kunnen onderzoeken van de dossiers van de uithuisgeplaatste kinderen en te reflecteren op de uitkomsten van dat onderzoek.

Opgemerkt wordt nog dat de Minister voor Rechtsbescherming de verwerkingsverantwoordelijke is voor de raad voor de kinderbescherming. Voor de duidelijkheid is in dit voorstel opgenomen dat de Minister voor Rechtsbescherming deze lijst verstrekt aan de raad voor de kinderbescherming.

Artikel 7

Eerste lid. Het is uitvoeringstechnisch niet haalbaar om de lijst van UHP KOT-kinderen uit te splitsen op een wijze dat de gecertificeerde instellingen alleen de persoonsgegevens van die uithuisgeplaatste kinderen ontvangen waarbij zij op enig moment betrokken zijn geweest. Om die reden is in het eerste lid bepaald dat de gecertificeerde instellingen de persoonsgegevens van uithuisgeplaatste kinderen waarbij zij niet betrokken zijn (geweest), vernietigen.

Tweede lid. Het artikellid biedt de mogelijkheid aan de UHP KOT-ouder om een verzoek aan de Minister voor Rechtsbescherming te doen tot verwijdering van de persoonsgegevens van de UHP KOT-ouder of diens uithuisgeplaatste kind van de lijst van UHP KOT-ouders en de lijst van UHP KOT-kinderen. Het is de bedoeling dat in het ondersteuningsaanbod aan de gedupeerde ouders melding wordt gemaakt dat de persoonsgegevens van hen en hun kinderen staan vermeld op een lijst en dat die zijn verstrekt aan de in dit wetsvoorstel bedoelde organisaties. Daarbij wordt ook gemeld dat UHP KOT-ouders de mogelijkheid hebben de persoonsgegevens van zichzelf of van hun kinderen te laten verwijderen van deze lijst en hoe zij daarvoor een verzoek kunnen richten aan de Minister voor Rechtsbescherming. Het tweede lid bepaalt dat de Minister voor Rechtsbescherming deze persoonsgegevens verwijdert nadat een dergelijk verzoek is binnengekomen. Dat heeft tot gevolg dat aan die ouders niet meer een mogelijk nieuw ondersteuningsaanbod zal worden gestuurd. Daarnaast zal de Minister voor Rechtsbescherming de organisaties verzoeken de persoonsgegevens van de gedupeerde ouder of zijn kind op de verstrekte lijst van UHP KOT-kinderen of UHP KOT-ouders te vernietigen. Dat heeft tot gevolg dat indien deze persoonsgegevens nog niet zijn gebruikt voor de reflectie, zij daar niet meer voor gebruikt kunnen worden.

Artikel 8

Met het vervallen van de wet (zie artikel 10) vervalt de grondslag voor de verwerking en verstrekking van persoonsgegevens. In lijn daarmee wordt hier geregeld dat vóór het vervallen van de wet de lijsten met persoonsgegevens van de UHP KOT-ouders en hun uithuisgeplaatste kinderen zullen worden vernietigd door de Minister voor Rechtsbescherming en de betrokken organisaties. Tevens dienen de persoonsgegevens te worden vernietigd die eerder door de raad voor de kinderbescherming, de Raad voor de rechtspraak en de gerechten, en de Belastingdienst/Toeslagen zijn verstrekt aan de Minister voor Rechtsbescherming en die geen deel uitmaken van de lijsten van UHP KOT-ouders en UHP KOT-kinderen. Het wordt aan de Minister voor Rechtsbescherming en de betrokken organisaties overgelaten welk moment vóór het vervallen van de wet zich daarvoor het beste leent.

Artikel 9

Deze samenloopbepaling regelt de situatie waarin het Wetsvoorstel hersteloperatie toeslagen (kamerstuknummer: 36151) wet is geworden en in werking is getreden. Artikel 1 verwijst immers voor de begrippen ‘gedupeerde aanvrager van een kinderopvangtoeslag’ en ‘kind van een gedupeerde aanvrager van een kinderopvangtoeslag’ naar het Wetsvoorstel hersteloperatie toeslagen, zoals die in de Tweede Kamer is ingediend. Nadat de parlementaire fase van dat wetsvoorstel is afgerond, kan worden verwezen naar de wet (in plaats van het wetsvoorstel).

Artikel 10

Eerste lid. Het eerste lid regelt de inwerkingtreding van de wet en bepaalt dat de wet in werking treedt op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Daarbij kan, gelet op de spoed bij dit wetsvoorstel, worden afgeweken van de vaste verandermomenten. Ook kan, indien nodig, de inwerkingtreding per artikel of artikellid verschillend worden vastgesteld.

Tevens regelt het eerste lid dat de wet op 1 januari 2025 vervalt. Dit tijdstip is gekozen omdat een inwerkingtreding van dit wetsvoorstel niet waarschijnlijk is vóór 1 januari 2023. Tevens is het zo dat de aanvrager van een kinderopvangtoeslag die in aanmerking komt voor een herstelmaatregel, vóór 1 januari 2024 een aanvraag moet hebben ingediend om in aanmerking te komen voor het forfaitaire bedrag van € 30.000 (artikel 2.7 van het Wetsvoorstel hersteloperatie toeslagen). De lijst van aanvragers van een kinderopvangtoeslag die in aanmerking komen voor herstel zal naar verwachting daarna niet verder groeien.

Hieruit volgt dat de Belastingdienst/Toeslagen en de Raad voor de rechtspraak en de gerechten op grond van het wetsvoorstel naar verwachting na 1 januari 2024 nog ten minste een jaar hebben om de persoonsgegevens te verstrekken aan de Minister voor Rechtsbescherming, die vervolgens de lijst van UHP KOT-kinderen verstrekt aan de verschillende organisaties. Een jaar is voldoende voor het doen van een ondersteuningsaanbod of reflectie op het eigen handelen.

Tweede lid. Het tweede lid biedt de mogelijkheid om het tijdstip waarop de wet vervalt, aan te passen. Dat kan nodig zijn indien op enig moment blijkt dat de lijsten van UHP KOT-kinderen en UHP KOT-ouders na 1 januari 2024 nog niet definitief zullen zijn. In dat geval kan door middel van een koninklijk besluit het tijdstip waarop deze wet vervalt, worden verlengd.

Artikel 11

Dit artikel regelt de citeertitel van deze wet. UHP is daarbij een afkorting voor uithuisplaatsing(en) en KOT voor kinderopvangtoeslag. Omdat de wet in beginsel op 1 januari 2025 vervalt (artikel 10), gaat het hier om een tijdelijke wet. In overeenstemming met Aanwijzing 5.72 van de Aanwijzingen voor de regelgeving is dit in de citeertitel tot uitdrukking gebracht.

De Minister voor Rechtsbescherming,


X Noot
1

Handelingen II 2021/22, nr. 79, item 3, p. 1–60, zie ook Kamerbrief van 3 juni 2022, Kamerstukken II 2021/22. 31 066, nr. 1027.

X Noot
2

Het gaat hierbij om de aanvrager van een kinderopvangtoeslag die in aanmerking komt voor toepassing van een herstelmaatregel en daarvoor voor 1 januari 2024 een aanvraag heeft ingediend of recht heeft op toepassing van een herstelmaatregel als bedoeld in het bij koninklijke boodschap van 24 juni 2022 ingediende wetsvoorstel hersteloperatie toeslagen (Kamerstukken 36 151), zie artikel 1.

X Noot
3

Voorgesteld artikel 2, tweede lid.

X Noot
4

Voorgesteld artikel 3. Het gaat hier om de burgerservicenummers, namen, geboortedata, geslacht en adresgegevens.

X Noot
5

Voorgesteld artikel 4. Het gaat hier om dezelfde persoonsgegevens als bij artikel 3. Het gaat om uithuisplaatsingen vanaf 1 januari 2015, zie artikel 1.

X Noot
6

Voorgesteld artikel 5.

X Noot
7

Voorgesteld artikel 2.

X Noot
8

Het Ondersteuningsteam uithuisplaatsingen toeslagenaffaire, voortgangsrapportage oktober 2022, www.hetondersteuningsteam.nl.

X Noot
9

Actualisatie uithuisplaatsingen toeslagenaffaire, 2015 t/m 2021 (cbs.nl)

X Noot
10

Toeslagenaffaire heeft kans op kinderbeschermingsmaatregel niet vergroot (cbs.nl).

X Noot
11

Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 94/46/EG, PbEU 2016, L 119 (AVG), artikel 5.

X Noot
12

Voorgesteld artikel 2, tweede lid, onder a.

X Noot
13

Voorgesteld artikel 2, eerste lid, onder a en artikel 5. De gegevens die worden gekoppeld, worden aangeduid in de artikelen 3 en 4.

X Noot
14

Toelichting, paragrafen 1 en 2.2.

X Noot
15

Voorgesteld artikel 6, eerste lid.

X Noot
16

Voorgesteld artikel 6, tweede lid.

X Noot
17

Voorgesteld artikel 2, eerste en tweede lid.

X Noot
18

AVG, artikel 3, eerste lid, onder c.

X Noot
19

Voorgesteld artikel 6, tweede lid.

X Noot
20

Toelichting, paragraaf 5, zie ook consultatiereactie Jeugdzorg Nederland, 6 juli 2022 en de Kamerbrief van 1 november 2022, Kamerstukken II 2022/23, 31 839, nr. 909.

X Noot
21

De wettelijke taken van de gecertificeerde instellingen zien op het uitvoeren van kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering, zie Jeugdwet, artikelen 1.1 en 3.2.

X Noot
22

Voorgesteld artikel 2, tweede lid, onder b. De toelichting legt uit dat de aandacht primair uitgaat naar de ouders, maar dat als het nodig blijkt het aanbod ook aan de kinderen gedaan kan worden, zie paragraaf 2.3. Als hierna wordt gesproken van ‘de ouders’, worden daarmee ook de kinderen bedoeld.

X Noot
23

Voorgesteld artikel 2, eerste lid, onder b.

X Noot
24

Toelichting, paragraaf 2.3.

X Noot
26

Voorgesteld artikel 2, eerste lid, onder c.

X Noot
27

Toelichting, paragraaf 2.4.

X Noot
28

AVG, artikel 5, eerste lid, onder c en onder e.

X Noot
29

AVG, artikel 6, vierde lid, onder e.

X Noot
30

Zo heeft de rechtspraak een centrale reflectiecommissie samengesteld, met enkele interne en externe leden, zie Reflectie familie- en jeugdrechters | Rechtspraak daarnaast gaat de Rechtspraak zelf onderzoek doen naar de specifieke uithuisplaatsingen Rechtspraak gaat uithuisplaatsing kinderen in toeslagenaffaire onderzoeken | Nieuws | Rechtspraak.

X Noot
31

Voorgesteld artikel 3.

X Noot
32

Voorgesteld artikel 4.

X Noot
33

Voorgesteld artikel 10, eerste lid.

X Noot
34

Artikel 2.7, Wet hersteloperatie toeslagen.

X Noot
35

Voorgesteld artikel 10, tweede lid.

X Noot
36

Raad voor de Rechtspraak, consultatiereacties 22 juli en 26 augustus 2022, toelichting, paragraaf 4.

X Noot
37

Toelichting, paragraaf 4.

X Noot
38

Toelichting, paragraaf 2.6.

X Noot
39

AVG, artikel 5, eerste lid, onder c.

X Noot
1

Handelingen II 2021/22, nr. 79, item 3, p. 1–60, zie ook Kamerbrief van 3 juni 2022, Kamerstukken II 2021/22. 31 066, nr. 1027.

X Noot
2

Het gaat hierbij om de aanvrager van een kinderopvangtoeslag die in aanmerking komt voor toepassing van een herstelmaatregel en daarvoor voor 1 januari 2024 een aanvraag heeft ingediend of recht heeft op toepassing van een herstelmaatregel als bedoeld in het bij koninklijke boodschap van 24 juni 2022 ingediende wetsvoorstel hersteloperatie toeslagen (Kamerstukken 36 151), zie artikel 1.

X Noot
3

Voorgesteld artikel 2, tweede lid.

X Noot
4

Voorgesteld artikel 3. Het gaat hier om de burgerservicenummers, namen, geboortedata, geslacht en adresgegevens.

X Noot
5

Voorgesteld artikel 4. Het gaat hier om dezelfde persoosngegevens als bij artikel 3. Het gaat om uithuisplaatsingen vanaf 1 januari 2015, zie artikel 1.

X Noot
6

Voorgesteld artikel 5.

X Noot
7

Voorgesteld artikel 2.

X Noot
8

Het Ondersteuningsteam uithuisplaatsingen toeslagenaffaire, voortgangsrapportage oktober 2022, www.hetondersteuningsteam.nl.

X Noot
11

Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 94/46/EG, PbEU 2016, L 119 (AVG), artikel 5.

X Noot
12

Voorgesteld artikel 2, tweede lid, onder a.

X Noot
13

Voorgesteld artikel 2, eerste lid, onder a en artikel 5. De gegevens die worden gekoppeld, worden aangeduid in de artikelen 3 en 4.

X Noot
14

Toelichting, paragrafen 1 en 2.2.

X Noot
15

Voorgesteld artikel 6, eerste lid.

X Noot
16

Voorgesteld artikel 6, tweede lid.

X Noot
17

Voorgesteld artikel 2, eerste en tweede lid.

X Noot
18

AVG, artikel 3, eerste lid, onder c.

X Noot
19

Voorgesteld artikel 6, tweede lid.

X Noot
20

Toelichting, paragraaf 5, zie ook consultatiereactie Jeugdzorg Nederland, 6 juli 2022 en de Kamerbrief van 1 november 2022, Kamerstukken II 2022/23, 31 839, nr. 909.

X Noot
21

De wettelijke taken van de gecertificeerde instellingen zien op het uitvoeren van kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering, zie Jeugdwet, artikelen 1.1 en 3.2.

X Noot
22

Voorgesteld artikel 2, tweede lid, onder b. De toelichting legt uit dat de aandacht primair uitgaat naar de ouders, maar dat als het nodig blijkt het aanbod ook aan de kinderen gedaan kan worden, zie paragraaf 2.3. Als hierna wordt gesproken van ‘de ouders’, worden daarmee ook de kinderen bedoeld.

X Noot
23

Voorgesteld artikel 2, eerste lid, onder b.

X Noot
24

Toelichting, paragraaf 2.3.

X Noot
26

Voorgesteld artikel 2, eerste lid, onder c.

X Noot
27

Toelichting, paragraaf 2.4.

X Noot
28

AVG, artikel 5, eerste lid, onder c en onder e.

X Noot
29

AVG, artikel 6, vierde lid, onder e.

X Noot
30

Zo heeft de rechtspraak een centrale reflectiecommissie samengesteld, met enkele interne en externe leden, zie Reflectie familie- en jeugdrechters | Rechtspraak daarnaast gaat de Rechtspraak zelf onderzoek doen naar de specifieke uithuisplaatsingen Rechtspraak gaat uithuisplaatsing kinderen in toeslagenaffaire onderzoeken | Nieuws | Rechtspraak.

X Noot
31

Voorgesteld artikel 3.

X Noot
32

Voorgesteld artikel 4.

X Noot
33

Voorgesteld artikel 10, eerste lid.

X Noot
34

Artikel 2.7, Wet hersteloperatie toeslagen.

X Noot
35

Voorgesteld artikel 10, tweede lid.

X Noot
36

Raad voor de Rechtspraak, consultatiereacties 22 juli en 26 augustus 2022, toelichting, paragraaf 4.

X Noot
37

Toelichting, paragraaf 4.

X Noot
38

Toelichting, paragraaf 2.6.

X Noot
39

AVG, artikel 5, eerste lid, onder c.

X Noot
1

Onder ‘gedwongen uithuisplaatsing’ wordt verstaan de situatie waarin een machtiging tot uithuisplaatsing is verleend of verlengd, waarvoor een machtiging is verleend of verlengd om een jeugdige in een gesloten accommodatie te doen opnemen en te doen verblijven of waarbij het ouderlijk gezag is beëindigd.

X Noot
2

Kamerstukken II 2021/22, 31 066, nr. 907.

X Noot
3

De Belastingdienst bestaat uit het directoraat-generaal Belastingdienst, het directoraat-generaal Toeslagen en het directoraat-generaal Douane. Het directoraat-generaal Toeslagen omvat de Belastingdienst/Toeslagen (artikelen 2-4 van de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003).

X Noot
4

Artikel 3.2 Jeugdwet.

X Noot
5

Wetsvoorstel hersteloperatie toeslagen (kamerstuknr. 36151).

X Noot
6

Vgl. de memorie van toelichting bij het Wetsvoorstel hersteloperatie toeslagen (Kamerstukken II 2021/22, 36 151, nr. 3, p. 5).

X Noot
8

Artikel 2.7 van het Wetsvoorstel hersteloperatie toeslagen.

X Noot
9

Artikel 4, aanhef en onder 7, van de AVG.

X Noot
10

Artikel 6, vierde lid, AVG.

X Noot
11

Zie onder meer Kamerstukken II 2021/22, 31 839, nr. 820 en Kamerstukken II 2021/22, 36 096, nr. 4.

Naar boven