Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 21 november 2022, nr. MBO/34859726, houdende wijziging van de Subsidieregeling extra begeleiding en nazorg mbo 2021/2022 in verband met uitstel van de evaluatie, wijziging van de Subsidieregeling nazorg mbo 2022/2023 in verband met de toevoeging van nieuwe mogelijkheden om subsidie aan te vragen en wijziging van de Regeling versterking van salarismix leraren middelbaar beroepsonderwijs in de Randstadregio’s in verband met een redactionele correctie

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

Gelet op de artikelen 4 en 5 van de Wet overige OCW-subsidies, de artikelen 1.3 en 2.1 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS en artikel 2.2.3, derde en vierde lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs;

Besluit:

ARTIKEL I. WIJZIGING VAN DE SUBSIDIEREGELING EXTRA BEGELEIDING EN NAZORG MBO 2021/2022

In artikel 10 wordt ‘2024’ vervangen door ‘2026’.

ARTIKEL II. WIJZIGING VAN DE SUBSIDIEREGELING NAZORG MBO 2022/2023

A

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de begripsbepaling van ‘bevoegd gezag’ wordt een begripsbepaling ingevoegd, luidende:

activiteitenperiode:

periode waarbinnen de te subsidiëren activiteiten kunnen worden uitgevoerd, startend op de dag nadat de aanvraag is ingediend en eindigend op de dag, genoemd in artikel 9, eerste lid;

2. Na de begripsbepaling van ‘centrumgemeente’ wordt een begripsbepaling ingevoegd, luidende:

derde aanvraagtijdvak:

aanvraagtijdvak als bedoeld in artikel 5, tweede lid, onderdeel c;.

3. De begripsbepaling van ‘gediplomeerde schoolverlaters’ komt te luiden:

gediplomeerden:

studenten of extranei die een mbo-diploma hebben behaald bij de instelling en vallen onder de doelgroep, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onder a;.

4. In de begripsbepaling van ‘nazorg’ wordt ‘eerste lid’ vervangen door ‘tweede lid’.

5. Na de begripsbepaling van ‘tweede aanvraagtijdvak’ wordt een begripsbepaling ingevoegd, luidende:

vierde aanvraagtijdvak:

aanvraagtijdvak als bedoeld in artikel 5, tweede lid, onderdeel d;.

B

Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:

1. Onder vernummering van het eerste en tweede lid tot tweede en derde lid, wordt een nieuw eerste lid ingevoegd, luidende:

  • 1. De minister kan op aanvraag aan het bevoegd gezag van een instelling subsidie verstrekken om nazorg te bieden en te evalueren welke nazorginstrumenten en benaderingswijzen van de doelgroep effectief zijn.

2. Het tweede lid (nieuw) komt te luiden:

  • 2. De nazorg, bedoeld in het eerste lid:

    • a. wordt gegeven aan gediplomeerden tot 27 jaar met een moeilijke start op de arbeidsmarkt;

    • b. is gericht op de overstap van de gediplomeerden naar een vervolgopleiding of op het vinden van werk, of bestaat uit de doorgeleiding van de gediplomeerden naar instanties die hen kunnen begeleiden naar werk; en

    • c. bestaat in ieder geval mede uit persoonlijk en direct contact tussen de gediplomeerden en de instelling.

3. Het derde lid (nieuw), onderdeel a, onder 2°, komt te luiden:

  • 2°. subsidie op grond van een eerder aanvraagtijdvak van deze regeling; of

C

Artikel 4 komt te luiden:

Artikel 4. Subsidieplafond

Voor de subsidieverstrekking op grond van deze regeling is ten hoogste een bedrag beschikbaar van:

  • a. € 10.500.000,– voor het eerste en eventuele tweede aanvraagtijdvak;

  • b. € 10.500.000,– voor het derde en eventuele vierde aanvraagtijdvak.

D

Artikel 5 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

2. Het tweede lid wordt als volgt gewijzigd:

a. In onderdeel a wordt ‘; en’ vervangen door een puntkomma.

b. In onderdeel b wordt ‘artikel 4’ vervangen door ‘artikel 4, onderdeel a’.

c. Na onderdeel b worden, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel b door een puntkomma, twee onderdelen toegevoegd, luidende:

  • c. gedurende het derde aanvraagtijdvak: van 30 november 2022 tot en met 23 december 2022; en

  • d. gedurende het vierde aanvraagtijdvak, mits het subsidieplafond, genoemd in artikel 4, onderdeel b, na het derde aanvraagtijdvak nog niet is bereikt: van 15 maart 2023 tot en met 26 april 2023.

3. Het zesde lid wordt als volgt gewijzigd:

a. In onderdeel b wordt ‘gediplomeerde schoolverlaters’ vervangen door ‘gediplomeerden’.

b. De onderdelen d en e komen te luiden:

  • d. indien de aanvraag wordt gedaan in het derde of vierde aanvraagtijdvak:

    • 1°. een beschrijving van hoe het bevoegd gezag de doelgroep van de nazorg en de prognose van het aantal gediplomeerden dat van de nazorg gebruik zal maken, heeft bepaald; en

    • 2°. een beschrijving van hoe de nazorg aan de gediplomeerden aansluit op hun begeleiding in het laatste studiejaar; en

  • e. indien reeds eerder subsidie is verstrekt op grond van de Subsidieregeling extra begeleiding en nazorg 2021/2022 of deze regeling en de activiteitenperiodes van de verstrekte en te verstrekken subsidie elkaar zullen overlappen, een beschrijving van de wijze waarop de activiteiten waarvoor nu subsidie wordt aangevraagd, zich onderscheiden van de activiteiten waarvoor eerder subsidie is verstrekt.

4. Het zevende lid vervalt, onder vernummering van het achtste lid tot zevende lid.

5. In het zevende lid (nieuw) wordt ‘Kaderregelingtitel’ vervangen door ‘Kaderregeling titel’.

E

Artikel 6 komt te luiden:

Artikel 6. Eisen aan begroting en weigeringsgrond

  • 1. Bij de begroting, bedoeld in artikel 5, vijfde lid, hanteert het bevoegd gezag:

    • a. een vast uurtarief voor de loonkosten van € 80,– exclusief BTW voor aanvragen in het eerste of eventuele tweede aanvraagtijdvak;

    • b. een vast uurtarief voor de loonkosten van € 83,– exclusief BTW en een maximumbedrag per gediplomeerde van € 1.400,– voor aanvragen in het derde of eventuele vierde aanvraagtijdvak.

  • 2. Het door het bevoegd gezag begrote bedrag per gediplomeerde wordt berekend door het totaalbedrag van de begroting te delen door het aantal in de aanvraag geprognosticeerde gediplomeerden.

  • 3. Onverminderd het eerste en tweede lid kan de subsidieverstrekking worden geweigerd, indien de kosten naar het oordeel van de minister niet in redelijke verhouding staan tot de door het bevoegd gezag beoogde resultaten.

F

In het opschrift en het eerste lid van artikel 7 wordt ‘eerste aanvraagtijdvak’ vervangen door ‘eerste en derde aanvraagtijdvak’ en wordt ‘de bijlage’ vervangen door ‘bijlage 1, onderscheidenlijk bijlage 2’.

G

Artikel 8 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het opschrift wordt ‘tweede aanvraagtijdvak’ vervangen door ‘tweede en vierde aanvraagtijdvak’.

2. In het eerste lid wordt na ‘artikel 4’ vervangen door ‘artikel 4, onderdeel a’ ingevoegd.

3. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 6. Het eerste tot en met vijfde lid zijn van overeenkomstige toepassing indien er een vierde aanvraagtijdvak wordt ingesteld.

H

Artikel 9 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. De activiteiten worden afgerond op uiterlijk:

    • a. 31 december 2023 voor subsidies die zijn aangevraagd in het eerste en tweede aanvraagtijdvak;

    • b. 31 december 2024 voor subsidies die zijn aangevraagd in het derde en vierde aanvraagtijdvak.

2. Het tweede lid komt te luiden:

  • 2. Het bevoegd gezag organiseert de nazorg en spant zich er aantoonbaar voor in dat het aantal in de aanvraag geprognosticeerde gediplomeerden ook daadwerkelijk van de nazorg en in het bijzonder van de persoonlijke en directe contactmomenten, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel d, gebruik maakt.

3. Onder vernummering van het derde tot en met zesde lid tot vierde tot en met zevende lid, wordt na het tweede lid een lid ingevoegd, luidende:

  • 3. Voor subsidies die zijn aangevraagd in het derde of vierde aanvraagtijdvak geldt in aanvulling op het tweede lid dat:

    • a. het bevoegd gezag de effectiviteit evalueert van de gebruikte nazorginstrumenten en wijze waarop de gediplomeerden voor de nazorg zijn benaderd. Indien reeds eerder subsidie aan het bevoegd gezag is verstrekt op grond van de Subsidieregeling extra begeleiding en nazorg 2021/2022 of deze regeling, neemt het bevoegd gezag de ervaringen uit de voorgaande activiteitenperiodes in de evaluatie mee;

    • b. het bevoegd gezag in ieder geval aan de inspanningsverplichting, bedoeld in het tweede lid, heeft voldaan indien 70% of meer van het aantal in de aanvraag geprognosticeerde gediplomeerden van de nazorg gebruik heeft gemaakt;

    • c. het bevoegd gezag een melding doet bij DUS-I zodra zij verwacht dat minder dan 70% van het aantal in de aanvraag geprognosticeerde gediplomeerden gebruik zal maken; en

    • d. indien minder dan 70% van het aantal in de aanvraag geprognosticeerde gediplomeerden daadwerkelijk van de nazorg gebruik heeft gemaakt, het bevoegd gezag uitsluitend aan zijn inspanningsverplichting heeft voldaan als hij kan motiveren voldoende inspanningen te hebben verricht en daarbij aantoont dat de gediplomeerden in ieder geval persoonlijk voor de nazorg zijn benaderd.

4. Het vierde lid (nieuw) komt te luiden:

  • 1. Onverminderd de verplichtingen, genoemd in hoofdstuk 5 van de Kaderregeling, voert het bevoegd gezag een overzichtelijke, controleerbare en doelmatige administratie die zo is ingericht dat daaruit te allen tijde kan worden afgeleid dat de nazorg is aangeboden, hoeveel gediplomeerden van de nazorg gebruik hebben gemaakt en, voor subsidies die zijn aangevraagd in het derde of vierde aanvraagtijdvak, hoe de gediplomeerden voor de nazorg zijn benaderd.

5. In het vijfde lid (nieuw) wordt ‘gediplomeerde schoolverlaters’ vervangen door ‘gediplomeerden’.

6. Het zevende lid (nieuw) komt te luiden:

  • 7. Na afronding van de activiteiten zendt het bevoegd gezag de volgende informatie aan DUS-I op uiterlijk de volgende tijdstippen:

    • a. voor subsidies die zijn aangevraagd in het eerste of tweede aanvraagtijdvak, uiterlijk op 28 februari 2024:

      • 1°. hoeveel gediplomeerden van de nazorg gebruik hebben gemaakt;

      • 2°. hoe invulling is gegeven aan de in het activiteitenplan beschreven samenwerking met de partners, bedoeld in artikel 5, zesde lid, onderdeel c, of, in het geval van Scholengemeenschap Bonaire, artikel 5, zesde lid, onderdeel c, onder 3° en 4°, en zevende lid, onderdeel a; en

      • 3°. hoe het bevoegd gezag heeft voldaan aan de inspanningsverplichting, bedoeld in het tweede lid;

    • b. voor subsidies die zijn aangevraagd in het derde of vierde aanvraagtijdvak, uiterlijk op 28 februari 2025:

      • 1°. hoeveel gediplomeerden van de nazorg gebruik hebben gemaakt;

      • 2°. hoe invulling is gegeven aan de in het activiteitenplan beschreven samenwerking met de partners, bedoeld in artikel 5, zesde lid, onderdeel c, of, in het geval van Scholengemeenschap Bonaire, artikel 5, zesde lid, onderdeel c, onder 3° en 4°, en zevende lid, onderdeel a;

      • 3°. hoe invulling is gegeven aan de aansluiting van de nazorg aan de gediplomeerden op hun begeleiding in het laatste studiejaar; en

      • 4°. de evaluatie, bedoeld in het derde lid, onder a.

7. Na het zevende lid (nieuw) wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 8. Indien het bevoegd gezag voor een subsidie die is aangevraagd in het derde of vierde aanvraagtijdvak niet heeft voldaan aan de inspanningsverplichting, bedoeld in het tweede en derde lid, stelt de minister de subsidie naar evenredigheid lager vast aan de hand van het aantal gediplomeerden dat niet van de nazorg gebruik heeft gemaakt in relatie tot het aantal in de aanvraag geprognosticeerde gediplomeerden.

I

Artikel 10, eerste lid, komt te luiden als volgt:

  • 1. De subsidie wordt direct vastgesteld op:

    • a. uiterlijk 28 februari 2022 voor de subsidies die zijn aangevraagd in het eerste aanvraagtijdvak;

    • b. uiterlijk 30 juni 2022 voor de subsidies die zijn aangevraagd in het tweede aanvraagtijdvak;

    • c. uiterlijk 28 februari 2023 voor de subsidies die zijn aangevraagd in het derde aanvraagtijdvak;

    • d. uiterlijk 30 juni 2023 voor de subsidies die zijn aangevraagd in het vierde aanvraagtijdvak.

J

In artikel 11 wordt ‘2024’ vervangen door ‘2026’.

K

Aan artikel 13, tweede lid, wordt toegevoegd ‘, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de subsidies die voor die datum zijn verstrekt’.

L

In artikel 14 wordt ‘2022/2023’ vervangen door ‘2022/2024’.

M

In het opschrift van de bijlage wordt ‘Bijlage’ vervangen door ‘Bijlage 1’ en wordt ‘Subsidieregeling nazorg mbo 2022/2023’ vervangen door ‘Subsidieregeling nazorg mbo 2022/2024’.

N

Na bijlage 1 wordt een bijlage toegevoegd, luidende:

Bijlage 2 behorend bij artikel 7 en 8 van de Subsidieregeling nazorg mbo 2022/2024

Maximumbedrag per instelling voor het derde en vierde aanvraagtijdvak (per aanvraagtijdvak)

Instellingsnaam

Bedrag totaal

Aeres (V) MBO

€ 78.983

Albeda

€ 691.899

Alfa-college

€ 238.799

AOC West Brabant

€ 17.785

CIBAP

€ 23.280

Curio

€ 281.335

Deltion college

€ 253.091

Grafisch Lyceum R'dam

€ 98.291

Grafisch Lyceum Utrecht

€ 39.807

HMC

€ 89.970

Hoornbeeck College

€ 69.689

Koning Willem I College

€ 201.409

Landstede MBO

€ 191.924

Leidse Instr. Makers Sch.

€ 4.979

Lentiz

€ 40.661

MBO Amersfoort

€ 132.901

MBO Utrecht

€ 105.737

mboRijnland

€ 366.777

Mediacollege Amsterdam Ma

€ 59.463

Nimeto

€ 27.575

Noorderpoort

€ 253.503

Regio College

€ 102.544

Rijn IJssel

€ 273.402

ROC A12

€ 128.173

ROC AVENTUS

€ 196.651

ROC Da Vinci College

€ 155.391

ROC de Leijgraaf

€ 63.490

ROC Drenthe College

€ 121.570

ROC Friese Poort

€ 230.386

ROC Friesland College

€ 135.021

ROC Gilde Opleidingen

€ 181.681

ROC Graafschap College

€ 136.936

ROC Horizon College

€ 196.314

ROC Menso Alting

€ 9.265

ROC Midden Nederland

€ 351.541

ROC Mondriaan

€ 625.453

ROC Nijmegen eo

€ 225.827

ROC Nova College

€ 203.189

ROC Rivor

€ 31.158

ROC Ter AA

€ 64.169

ROC Tilburg

€ 173.748

ROC TOP

€ 115.853

ROC van Amsterdam

€ 1.039.633

ROC van Flevoland

€ 170.394

ROC van Twente

€ 408.377

Scalda

€ 156.041

SG De Rooi Pannen

€ 115.541

SintLucas

€ 41.007

SOMA College

€ 3.707

STC

€ 86.810

Summa College

€ 316.187

SVO

€ 2.430

Terra

€ 31.087

VISTA College

€ 245.255

Vonk

€ 80.751

Zadkine

€ 573.950

Zone.college

€ 61.652

Yuverta

€ 151.343

Scholengemeenschap Bonaire

€ 26.216

ARTIKEL III. WIJZIGING VAN DE REGELING VERSTERKING VAN SALARISMIX LERAREN MIDDELBAAR BEROEPSONDERWIJS IN DE RANDSTADREGIO’S

In artikel 1 wordt in de begripsbepaling van ‘aanvullende bekostiging’ ‘in artikel;’ vervangen door ‘in artikel 2;’.

ARTIKEL IV. INWERKINGTREDING

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, R.H. Dijkgraaf

TOELICHTING

Algemeen deel

1. Aanleiding

Begin 2021 is de Subsidieregeling extra begeleiding en nazorg mbo 2021/20221 in werking getreden als één van de maatregelen om jeugdwerkloosheid als gevolg van de coronacrisis tegen te gaan. Deze regeling was bedoeld voor extra begeleiding van studenten in het laatste studiejaar en nazorg aan gediplomeerden. Eind 2021 is deze regeling opgevolgd door de huidige Subsidieregeling nazorg mbo 2022/20232. De extra begeleiding in het laatste studiejaar maakt daar geen onderdeel meer van uit, omdat de middelen daarvoor met ingang van 2022 zijn toegevoegd aan de lumpsum als onderdeel van de ‘corona-enveloppe’. Zowel de Subsidieregeling nazorg mbo 2022/2023 als de corona-enveloppe maken onderdeel uit van het Nationaal Programma Onderwijs (NPO)3.

Omdat extra begeleiding in het laatste leerjaar en nazorg ook los van de coronacrisis waardevolle instrumenten zijn om jongeren met een moeilijke start op de arbeidsmarkt te helpen bij de overstap naar een vervolgopleiding of werk, wordt momenteel verkend hoe deze activiteiten in de Wet educatie en beroepsonderwijs kunnen worden verankerd.4 Dit kost echter tijd. Daarom wordt de Subsidieregeling nazorg mbo 2022/2023 in de tussentijd verlengd. Ook de middelen voor extra begeleiding worden voor 2023 wederom via de lumpsum aan instellingen verstrekt.5

Deze wijzigingsregeling geeft uitwerking aan bovenstaande door de mogelijkheid te bieden opnieuw subsidie voor nazorg aan te vragen. Hiervoor is in 2023 in totaal weer € 10,5 mln. beschikbaar gesteld. De nazorgactiviteiten die instellingen hiervan kunnen bekostigen, kunnen worden uitgevoerd tot en met 2024. De Subsidieregeling nazorg mbo 2022/2023 wordt hiertoe onder andere vernoemd tot Subsidieregeling nazorg mbo 2022/2024 (hierna: de regeling). Tevens is van de gelegenheid gebruik gemaakt om de regeling op een aantal punten te verduidelijken en verbeteren. Dit zal hierna worden toegelicht.

2. Nieuw(e) aanvraagtijdvak(ken)

Van 30 november 2022 tot en met 23 december 2022 kan het bevoegd gezag van een bekostigde instelling (hierna zal kortheidshalve worden gesproken van ‘instelling’) subsidie aanvragen voor het bieden van nazorg die kan worden uitgevoerd tot en met 2024. Sinds de start van de regeling is dit het derde aanvraagtijdvak. Hiervoor is zoals gezegd in totaal weer € 10,5 miljoen beschikbaar gesteld. Instellingen ontvangen uiterlijk 28 februari 2023 een beschikking op hun aanvraag, waarbij de subsidie direct wordt vastgesteld.

Elke instelling kan in het derde aanvraagtijdvak een maximumbedrag aanvragen dat is vastgelegd in bijlage 2 bij de regeling.6 Daarbij zijn er voldoende middelen beschikbaar om alle instellingen hun maximumbedrag toe te kennen zonder dat het subsidieplafond wordt overschreden. Als niet alle instellingen subsidie aanvragen of niet allemaal hun maximumbedrag aanvragen, zal het subsidieplafond dus ook niet worden bereikt. In dat geval wordt een vierde aanvraagtijdvak opengesteld van 15 maart 2023 tot en met 26 april 2023 en ontvangen instellingen uiterlijk 30 juni 2023 een beschikking op hun aanvraag. Voor dat tijdvak geldt hetzelfde maximumbedrag per instelling als in het eerste aanvraagtijdvak, maar zijn er niet voldoende middelen om alle instellingen hun maximumbedrag aan subsidie toe te kennen. In het vierde aanvraagtijdvak geldt daarom het principe ‘wie het eerst komt, wie het eerst maalt’. Zolang er voldoende geld beschikbaar is en de aanvraag voldoet aan de in deze regeling en Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS gestelde vereisten, kan de subsidie worden toegekend.

Voor beide aanvraagtijdvakken geldt dat de activiteiten kunnen worden verricht tot en met 31 december 2024. Daarna moeten de activiteiten zijn afgerond. De activiteitenperiodes voor het derde en eventuele vierde aanvraagtijdvak overlappen met elkaar en het eerste en tweede aanvraagtijdvak. Ook de activiteitenperiodes voor het eerste en tweede aanvraagtijdvak overlappen met elkaar en het aanvraagtijdvak uit de Subsidieregeling extra begeleiding en nazorg mbo 2021/2022. Schematisch ziet dit er als volgt uit:

Regeling

Aanvraagtijdvak

Activiteitenperiode

Subsidieregeling extra begeleiding en nazorg mbo 2021/2022

22 januari 2021 tot en met 22 februari 2021

Vanaf aanvraag1 tot en met 31 december 2022

Subsidieregeling nazorg mbo 2022/2024

10 november 2021 tot en met 24 december 2021 (‘eerste aanvraagtijdvak’)

Vanaf aanvraag1 tot en met 31 december 2023

15 maart 2022 tot en met 26 april 2022 (‘tweede aanvraagtijdvak’)

Vanaf aanvraag1 tot en met 31 december 2023

30 november 2022 tot en met 23 december 2022 (‘derde aanvraagtijdvak’)

Vanaf aanvraag1 tot en met 31 december 2024

15 maart 2023 tot en met 26 april 2023 (vierde aanvraagtijdvak, indien na het derde aanvraagtijdvak middelen resteren)

Vanaf aanvraag1 tot en met 31 december 2024

X Noot
1

De instelling kan met de activiteiten starten nadat de aanvraag is gedaan. Echter, de gemaakte kosten zijn voor eigen risico zolang de aanvraag niet is toegekend. Instellingen kunnen dus ook starten vanaf de toekenning.

De activiteitenperiodes overlappen elkaar om de instelling per subsidieverstrekking voldoende tijd te geven om aan de voor die subsidieverstrekking geldende subsidieverplichtingen te voldoen. Dit moet de instelling ook per subsidieverstrekking kunnen aantonen. Dat kan ingewikkeld zijn. Daarom is het belangrijk dat de instelling per subsidieverstrekking vooraf bepaalt welke groep gediplomeerden de instelling daarvan nazorg gaat bieden, bijvoorbeeld door per subsidieverstrekking met een ander cohort gediplomeerden te werken, en dit ook goed te administreren. Overigens mag een gediplomeerde ook meermaals nazorg ontvangen op basis van verschillende subsidieverstrekkingen, zolang het gaat om verschillende activiteiten. Ook dan geldt uiteraard dat per subsidievertrekking aantoonbaar aan de subsidieverplichtingen moet worden voldaan.

3. Verduidelijkingen en verbeteringen

De oorspronkelijke regeling is in coronatijd met een brede toepasbaarheid en gepaste snelheid opengesteld om de instellingen in staat te stellen jongeren met een moeilijke start op de arbeidsmarkt zo snel mogelijk te kunnen helpen. Met onderhavige verlenging van de regeling was er meer tijd om stil te staan bij de kwaliteit van de regeling, hetgeen heeft geleid tot een aantal verduidelijkingen en verbeteringen. Dit is tevens ingegeven door een onderzoek van de Rekenkamer naar de bedrijfsvoering van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: OCW) in 2021.7 Daaruit volgde kort gezegd en onder andere dat het resultaat van de NPO-middelen niet duidelijk is en het beleid ter voorkoming van misbruik en oneigenlijk gebruik (M&O) bij sommige NPO-subsidieregelingen ontoereikend is.

Door de verduidelijkingen en verbeteringen wordt enerzijds op sommige punten iets meer van de instellingen gevraagd. Anderzijds weten instellingen op die manier beter wat hun verplichtingen zijn en wanneer zij daaraan hebben voldaan. De richting die gekozen is stemt overeen met wat in voorgaande tijdvakken impliciet van hen werd verwacht. De instellingen hebben de twee afgelopen jaren bovendien ervaring op kunnen doen in het aanbieden van de nazorg. In alle gevallen heeft de afweging tussen een betere controleerbaarheid en de vrijheid van de instellingen een grote rol gespeeld. Deze afweging is telkens getoetst aan de geest van de regeling: zorgen dat hiermee zoveel mogelijk jongeren met een moeilijke start op de arbeidsmarkt (kwantiteit) zo goed mogelijk geholpen zijn (kwaliteit) bij de overstap naar werk of een vervolgopleiding, waarbij er voor de instellingen ruimte is om te leren wat werkt. De nieuwe eisen gelden niet voor subsidies die reeds zijn verstrekt; niet-inhoudelijke verduidelijkingen wel (dit is telkens toegelicht in de artikelsgewijze toelichting).

3.1 Nieuwe eisen aan activiteitenplan

Bij de aanvraag dient de instelling iets meer informatie aan te leveren dan in de eerste en tweede aanvraagperiode.

Zo moet in het activiteitenplan dit keer ook een beschrijving worden gegeven van hoe de instelling de doelgroep van de nazorg heeft bepaald. Het doel hiervan is om DUS-I beter in staat te stellen te controleren of de beoogde doelgroep voldoet aan de vereisten. Dat het om gediplomeerden tot 27 jaar moet gaan, is daarbij een voorwaarde. Dit mogen gediplomeerden van alle niveaus zijn en zowel gediplomeerden die willen overstappen naar werk als naar een vervolgopleiding, maar de tweede voorwaarde is dat de instelling zich richt op gediplomeerden met een moeilijke start op de arbeidsmarkt. Wie een moeilijke start op de arbeidsmarkt heeft, is ter beoordeling aan de instelling. De instelling kan bijvoorbeeld in het activiteitenplan beschrijven welke gediplomeerden binnen haar populatie een moeilijke start op de arbeidsmarkt hebben en aan hoeveel daarvan de instelling nazorg verwacht te kunnen bieden.

Aan hoeveel gediplomeerden de instelling nazorg verwacht te kunnen bieden, levert een prognose op. In het activiteitenplan moet dit keer ook een beschrijving worden gegeven van hoe de instelling de prognose van het aantal gediplomeerden dat van de nazorg gebruik zal maken, heeft bepaald. De prognose kan ten eerste afhangen van de voor de nazorg beschikbare personele en organisatorische capaciteit binnen en de ambities van de instelling. Ten tweede kan de prognose afhangen van het verwachte aantal gediplomeerden dat in de nazorg geïnteresseerd zal zijn, komt opdagen en/of kan worden bereikt. Het komt bijvoorbeeld voor dat gediplomeerden niet kunnen worden bereikt door adreswisselingen of telefoonnummers die niet meer in gebruik zijn. Ook kan het ten tijde van een krappe arbeidsmarkt voor gediplomeerden moeilijk zijn om de meerwaarde van nazorg in te zien, hoewel daar tegenover staat dat de gediplomeerden dan nog steeds baat kunnen hebben bij begeleiding naar duurzaam werk instroom (zij het via een vervolgopleiding). Door in de aanvraag naar de totstandkoming van de prognose te vragen, wordt de instelling gestimuleerd goed over voornoemde factoren na te denken. De prognose is namelijk van belang bij de beoordeling of de instelling aan de inspanningsplicht heeft voldaan om ervoor te zorgen dat het aantal geprognosticeerde gediplomeerden ook daadwerkelijk van de nazorg gebruik maakt (zie ook paragraaf 3.3).

Tot slot moet in het activiteitenplan dit keer ook een beschrijving worden gegeven van hoe de nazorg aan gediplomeerden aansluit op hun begeleiding in het laatste studiejaar. Op basis van deze regeling wordt zoals gezegd alleen subsidie verstrekt voor nazorg; de middelen voor extra begeleiding in het laatste studiejaar zijn toegevoegd aan de lumpsum. Dit neemt niet weg dat het van belang is dat de extra begeleiding goed op de nazorg aansluit en beide instrumenten gezamenlijk worden ingezet. Jongeren vinden het bijvoorbeeld prettig als de begeleiding van vertrouwde begeleiders doorloopt in een belangrijke transitiefase, zoals van opleiding naar werk. De continuïteit in dienstverlening vergroot de kansen op duurzaam werk.8 Door in de aanvraag naar de aansluiting tussen beide instrumenten te vragen, worden instellingen gestimuleerd om over een goede aansluiting na te denken en hier daadwerkelijk zorg voor te dragen. Bovendien dient dit als beleidsmatige informatie voor OCW.

3.2 Nieuwe eisen aan begroting

De hoogte van het subsidiebedrag per instelling wordt bepaald aan de hand van de door de instelling bij de aanvraag ingediende begroting. Daarbij geldt zoals gezegd een maximumbedrag voor die instelling zoals opgenomen in de bijlage 2 bij deze regeling. De instelling hoeft dus niet per se het maximale subsidiebedrag voor die instelling aan te vragen en bepaalt zelf haar ambitieniveau. Het is van belang dat het ambitieniveau realistisch is, aangezien de instelling een inspanningsplicht heeft om het bij de aanvraag opgegeven aantal gediplomeerden ook daadwerkelijk te halen.

De oorspronkelijke regeling schreef reeds een standaardtarief voor intern en extern personeel voor van € 80,– per uur exclusief BTW. Dit tarief is inmiddels geactualiseerd en wordt daarom met deze wijzigingsregeling verhoogd naar € 83,– per uur exclusief BTW.9 Indien de loonkosten niet voor € 83,– per uur zijn begroot, kan de aanvraag worden afgewezen.

Verder wordt met deze wijzigingsregeling ook een nieuwe eis aan de begroting gesteld. De kosten per gediplomeerde mogen namelijk voortaan niet meer dan € 1.400,– bedragen. Hier is voor gekozen uit het oogpunt van doelmatigheid en duidelijkheid. Ook voorkomt het dat de instelling een lage prognose van het aantal te bereiken gediplomeerden stelt en daar in verhouding hele hoge kosten voor begroot, maar daar in de praktijk veel meer gediplomeerden voor helpt. Dit doet afbreuk aan de effectiviteit van de inspanningsplicht. Door een maximumbedrag per gediplomeerde voor te schrijven, wordt de instelling gestimuleerd een realistische prognose te stellen die past bij de daadwerkelijke ambities van de instelling. Indien de kosten per gediplomeerden meer dan € 1.400,– bedragen, kan de aanvraag worden afgewezen.

Het maximumbedrag van € 1.400,– per gediplomeerde is vastgesteld aan de hand van de gegevens over het eerste en tweede aanvraagtijdvak. Het gemiddelde bedrag per gediplomeerde in het eerste aanvraagtijdvak was € 613,15 en in het tweede aanvraagtijdvak € 752,47,–. Sommige instellingen hebben logischerwijs minder dan deze gemiddelde bedragen aangevraagd, sommige instellingen meer. Dit komt door de grote verscheidenheid aan doelgroepen en denkbare vormen van nazorg waar deze doelgroepen bij gebaat zijn. Instellingen mogen ook zelf invulling aan de nazorgactiviteiten en hun ambitieniveau geven om hen de ruimte te bieden om ervaring met nazorg op te doen. Het is dus nog niet mogelijk om nu al te zeggen wat de meest effectieve nazorg is en hoeveel dat zou moeten kosten: deze conclusies kunnen pas na een paar jaar worden getrokken (bijvoorbeeld als instellingen na 2024 hun evaluatie hebben gedaan, zie paragraaf 3.3). Daarom is gekozen voor een maximumbedrag dat voor verreweg de meeste instellingen passend is, namelijk ongeveer tweemaal het gemiddelde van € 613,15 en € 752,47,– ofwel € 1.400,–. Op die manier kunnen de meeste instellingen, ook de instellingen die eerder boven het gemiddelde bedrag per gediplomeerde zaten, dit bedrag ook in het/de komende aanvraagtijdvak(ken) blijven aanvragen, maar excessen worden voorkomen. Een paar instellingen zullen hun bedrag mogelijk (iets) naar beneden moeten bijstellen, maar dit wordt in vergelijking met de andere instellingen dus ook redelijk geacht.

Voorgaande neemt niet weg dat de begroting als geheel nog steeds realistisch moet zijn en de kosten in verhouding moeten staan tot de door de instelling beoogde prestaties. Ook verplicht artikel 5.1 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS tot doelmatig gebruik van de subsidie. Het feit dat er een maximumbedrag van € 1.400,– per gediplomeerde is, wil dus niet zeggen dat instellingen ook automatisch dat maximumbedrag kunnen begroten of hun in voorgaande aanvraagtijdvakken aangevraagde bedrag kunnen verhogen: de instelling moet los van de maximaal € 1.400,– per gediplomeerde kunnen onderbouwen dat het begrote bedrag per gediplomeerde passend is gezien de activiteiten. De minister beoordeelt dit bij de aanvraag. Indien de kosten naar het oordeel van de minister niet in verhouding staan tot de voor de instelling beoogde prestaties, kan de aanvraag eveneens worden afgewezen.

3.3 Concretisering inspanningsplicht en introductie evaluatieplicht

Uit de oorspronkelijke regeling volgde reeds de verplichting voor de instelling om de nazorg aan te bieden en dat de nazorg in ieder geval mede dient te bestaan uit persoonlijk en direct contact (aanbodplicht). Ook volgt uit de regeling dat de instelling daarbij de verplichting heeft zich ervoor in te spannen dat dat het aantal in de aanvraag geprognosticeerde gediplomeerden ook daadwerkelijk van de nazorg, de persoonlijke en directe contactmomenten in het bijzonder, gebruik maakt (inspanningsplicht). Omdat niet duidelijk was wanneer precies aan de inspanningsplicht is voldaan, is dat met deze wijzigingsregeling geconcretiseerd. Tevens is met deze wijzigingsregeling een evaluatieplicht toegevoegd.

3.3.1 Inspanningsplicht

Er is voor een inspanningsplicht gekozen, omdat er zoals gezegd ruimte moet zijn voor de instelling om te leren. Hoe zorgvuldig een prognose van gediplomeerden die behoefte aan nazorg hebben en serieus geïnteresseerd zijn in deelname ook is, de gediplomeerden zijn niet tot deelname verplicht en het kan altijd voorkomen dat een aantal bij nader inzien toch niet geïnteresseerd blijkt, niet komt opdagen of niet te bereiken is. Het kan ook zoeken zijn hoe de instelling de gediplomeerden hier het beste voor kan benaderen, door wie en met welke informatie: telefonisch, via whatsapp, door een mentor, door een studieloopbaanbegeleider? Het kan tijdens een leerproces altijd gebeuren dat, hoe goed doordacht ook, een instrument niet blijkt te werken. Als de prognose niet wordt gehaald, wil dat dus niet zeggen dat de instelling zich niet heeft ingespannen of niet veel heeft geleerd over hoe het de volgende keer beter kan.

Om naast het laten van ruimte voor het leerproces van de instelling ook duidelijkheid te scheppen en de doelmatigheid van de regeling te borgen, is ervoor gekozen de inspanningsplicht nader in te vullen met een grens van 70%. Halen instellingen 70% of meer van het geprognosticeerde aantal gediplomeerden, hebben deze instellingen volgens de subsidievoorwaarden sowieso aan de inspanningsplicht voldaan. Dat geeft deze groep instellingen duidelijkheid. Voor de groep instellingen die de 70% niet halen, wil dat echter niet meteen zeggen dat de subsidie teruggevorderd wordt. In dat geval dient een instelling te onderbouwen dat zij desondanks aan de inspanningsplicht heeft voldaan, waarbij zij in ieder geval moet kunnen aantonen de gediplomeerden persoonlijk voor deelname aan de nazorg te hebben benaderd.

Een persoonlijke benadering houdt in dat individueel contact met de gediplomeerde is opgenomen. Dit kan bijvoorbeeld telefonisch, via whatsapp of via een persoonlijke e-mail. Een gestandaardiseerde e-mail die in dezelfde vorm aan een hele groep is gestuurd, is bijvoorbeeld niet voldoende. Op die manier kan de instelling de meerwaarde van de nazorg goed aan de gediplomeerde toelichten en deelname van de gediplomeerde stimuleren. Daarbij helpt het ook als de gediplomeerde wordt benaderd door iemand die hij/zij al kent. Benaderen is overigens niet hetzelfde als bereiken; wellicht lukt het uiteindelijk niet om met alle benaderde gediplomeerden contact te krijgen. De eis van een persoonlijke benadering voor deelname aan de nazorg, moet voorts niet worden verward met de eis dat de nazorg zelf mede uit persoonlijk en direct contact bestaat. Onderaan deze paragraaf is nog eens schematisch opgenomen wat van instellingen wordt verwacht.

Kortom: bij het niet halen van de 70% rust een extra onderbouwingsplicht op de instelling. Met de grens van 70% is dus nog steeds een inspannings- en geen resultaatsverplichting beoogd. Tezamen met de evaluatieplicht (zie hieronder) worden instellingen zo gestimuleerd te reflecteren op wat de volgende keer beter zou kunnen, maar zich wel in te spannen voor een zo goed mogelijk resultaat. Met de grens van 70% is dus nog steeds een inspanningsplicht en geen resultaatsverplichting beoogd. Kan de instelling niet voldoende onderbouwen aan de inspanningsplicht te hebben voldaan, wordt de subsidie wel teruggevorderd. Dit is dus in ieder geval zo als de instelling de gediplomeerden niet persoonlijk voor deelname aan de nazorg heeft benaderd.

Om te voorkomen dat instellingen onverwacht voor een terugvordering komen te staan, zijn een drietal maatregelen getroffen. Ten eerste wordt in de aanvraag gevraagd naar hoe de instelling tot haar prognose is gekomen. Gezien de samenhang tussen de prognose en de inspanningsplicht is het van belang dat de instelling hier goed over nadenkt. De instellingen worden hier in het aanvraagformulier expliciet op gewezen. Zo doet de instelling er goed aan bij de prognose reeds rekening te houden met de risico’s dat gediplomeerden niet geïnteresseerd blijken, niet komen opdagen of niet te bereiken zijn. Ten tweede zullen instellingen er in het aanvraagformulier op worden gewezen dat zij alvast goed moeten nadenken over de inrichting van de administratie. Na afloop van de activiteitenperiode kan namelijk worden gecontroleerd of de instelling aan de subsidievoorwaarden heeft voldaan (zie ook paragraaf 3.5). Voor instellingen die minder dan 70% van hun prognose hebben gehaald, zal dan worden gecontroleerd of zij desondanks hebben voldaan aan hun inspanningsplicht en de gediplomeerden persoonlijk voor deelname aan de nazorg hebben benaderd. Ten derde is een meldplicht in de regeling opgenomen. Dit houdt in dat de instelling een melding aan DUS-I moet doen zodra zij verwacht de 70% niet te halen. DUS-I kan dan samen met de instelling bekijken wat de instelling kan doen om alsnog aan de inspanningsplicht te voldoen.

3.3.2 Evaluatieplicht

Om het doel instellingen te laten leren nog beter te bereiken, wordt met deze wijzigingsregeling tevens voorgeschreven dat de instelling de effectiviteit van de nazorg moet evalueren. De evaluatie dient de effectiviteit van zowel de voor de nazorg gebruikte instrumenten te omvatten als de wijze waarop de gediplomeerden voor de nazorg zijn benaderd te omvatten. De effectiviteit van de instrumenten heeft daarbij tevens betrekking op het effect van de nazorg op het vinden van een baan of de overstap naar een vervolgopleiding. Er is overigens een grote verscheidenheid aan factoren waarom jongeren wel of geen baan vinden, dus in deze regeling zijn geen eisen gesteld aan de mate waarin de nazorg zijn doel moet hebben bereikt. Wel kan de instelling deze factoren benoemen en/of meenemen in de evaluatie. Het gaat erom dat de gediplomeerden aangeven met zorg en aandacht geholpen te zijn, om uiteindelijk met vertrouwen de arbeidsmarkt te betreden.

Er is een grote verscheidenheid aan nazorginstrumenten. De instellingen mogen dan ook zelf bepalen hoe zij de evaluatie aanpakken. Zo kan de instelling bijvoorbeeld suggesties en waarderingen van de deelnemende gediplomeerden en samenwerkingspartners ophalen. Ook kan de instelling bijvoorbeeld andere instellingen vragen naar hun ervaringen en eventuele good practices, zodat de instelling dit kan afzetten tegen de eigen ervaringen en verbeterpunten kan formuleren. De verbeterpunten kunnen weer worden gebruikt voor (een volgende subsidieaanvraag voor) het bieden van nazorg in de toekomst. Ook zullen de evaluaties als beleidsmatige informatie door het OCW worden gebruikt. Ten behoeve van de vergelijkbaarheid zal de minister een format beschikbaar stellen. Instellingen zijn niet verplicht om dit te gebruiken en mogen ook een eigen format gebruiken.

3.3.3 Samengevat

De aanbod-, inspannings- en evaluatieplicht vormen samen de basis om een zo hoog mogelijke effectiviteit van de regeling na te streven en, waar dat niet geheel lukt, in ieder geval te bereiken dat instellingen zich daarvoor hebben ingespannen en hebben geleerd wat wel en niet werkt. In onderstaand schema zijn deze verplichtingen nogmaals weergegeven:

Verplichting

Inhoud verplichting

Toelichting

Aanbodplicht

De instelling biedt de nazorg aan. De nazorg bestaat mede uit persoonlijk en direct contact.

Persoonlijk en direct contact betekent dat er sprake is van live ofwel rechtstreekse interactie.1

Inspanningsplicht

De instelling spant zich ervoor in dat de in de aanvraag geprognosticeerde gediplomeerden ook daadwerkelijk van de aangeboden nazorg, in het bijzonder de persoonlijke en directe contactmomenten, gebruik maakt.

Een persoonlijke benadering betekent dat er individueel contact met de gediplomeerde wordt opgenomen. Het gaat hierbij alleen om benaderen, niet om bereiken.

   

– Instellingen die 70% of meer van de prognose hebben gehaald, hebben sowieso aan de inspanningsplicht voldaan.

– Instellingen die minder dan 70% van de prognose hebben gehaald, dienen te onderbouwen waarom ze desondanks aan de inspanningsverplichting hebben voldaan. Bij een voldoende onderbouwing is dus (alsnog) aan de inspanningsplicht voldaan. Hiervoor moet de instelling de gediplomeerden in ieder geval persoonlijk hebben benaderd.

Wanneer een gediplomeerde van de nazorg gebruik heeft gemaakt, is ter beoordeling aan de instelling, maar deelname aan de persoonlijke en directe contactmomenten zijn daarbij wel het minimum.

Evaluatieplicht

De instelling evalueert de effectiviteit van de nazorginstrumenten en benaderingswijze de doelgroep.

De minister stelt een vrijwillig te gebruiken format ter beschikking.

X Noot
1

Zie voor een meer uitgebreide toelichting op ‘persoonlijk en direct contact’ Stcrt. 2021, 45943, p. 12 (artikelsgewijze toelichting artikel 3).

3.4 Naderhand aan DUS-I te verstrekken informatie

In de oorspronkelijke regeling was opgenomen dat instellingen na afloop van de activiteitenperiode aan DUS-I moeten melden hoeveel gediplomeerden van de nazorg gebruik hebben gemaakt, hoe invulling is gegeven aan de in het activiteitenplan beschreven samenwerking met de partners en hoe is voldaan aan de inspanningsplicht. Dit diende als beleidsmatige informatie voor OCW.

Voor de subsidies die worden aangevraagd in het derde en eventuele vierde aanvraagtijdvak, hoeft naderhand niet langer te worden aangegeven hoe aan de inspanningsplicht is voldaan. Hier kan wel naar worden gevraagd indien de instelling onder een controle valt (zie paragraaf 3.5). Op die manier wordt verwarring met de controle voorkomen: elke instelling moet beleidsmatige informatie aan OCW aanleveren, maar slechts een aantal instellingen valt onder de controle.

Wel wordt er voor de subsidies die worden aangevraagd in het derde en eventuele vierde aanvraagtijdvak naar extra beleidsmatige informatie gevraagd, namelijk hoe invulling is gegeven aan de aansluiting van de nazorg aan de gediplomeerden op hun begeleiding in het laatste studiejaar. Ook wordt de instellingen gevraagd de evaluatie aan DUS-I te verstrekken.

Samengevat dient dus de volgende informatie uiterlijk op 28 februari 2025 aan DUS-I te worden gezonden, met daarbij ook het doel ervan vermeld:

  • Het aantal gediplomeerden dat van de nazorg gebruik heeft gemaakt. Dit dient als beleidsmatige informatie voor OCW, maar heeft ook als doel om te bepalen hoe een eventuele controle zal worden ingericht.

  • Hoe invulling is gegeven aan de in het activiteitenplan beschreven samenwerking met de partners. Dit dient als beleidsmatige informatie voor OCW.

  • Hoe invulling is gegeven aan de aansluiting van de nazorg aan de gediplomeerden op hun begeleiding in het laatste studiejaar. Dit dient als beleidsmatige informatie voor OCW.

  • De evaluatie. Deze dient als beleidsmatige informatie voor OCW, maar kan ook worden gebruikt als informatiebron bij of – als er zaken in staan waaruit overduidelijk blijkt dat niet aan de subsidievoorwaarden is voldaan – aanleiding voor het doen van een eventuele controle.

Voor de nazorg die op basis van een aanvraag gedaan in het derde of eventuele vierde aanvraagtijdvak wordt verzorgd, moet de instelling deze informatie uiterlijk op 28 februari 2025 verstrekken. DUS-I zal hier een formulier voor beschikbaar stellen. Ook de evaluatie kan de instelling uploaden in het door DUS-I beschikbaar gestelde formulier. Zoals gezegd zal de minister hier nog een vrijwillig te gebruiken format voor maken. Dit format zal eveneens via DUS-I aan de instellingen worden verstrekt, ruim voor 28 februari 2025.

3.5 Verantwoording en controlebeleid

De financiële verantwoording van de subsidie uit deze regeling geschiedt in de jaarverslaggeving met model G, onderdeel 1. In dit verantwoordingsregime mogen instellingen eventuele resterende middelen vrij besteden aan activiteiten waarvoor bekostiging wordt verstrekt, mits de gesubsidieerde activiteiten volledig zijn verricht en aan alle subsidieverplichtingen is voldaan. De minister aan een instelling vragen dit aan te tonen. De minister doet in dat geval een controle.

De minister zal ten eerste een aantal steekproefsgewijze controles doen. Dit houdt in dat een aantal instellingen voor een controle zullen worden geselecteerd door middel van een aselecte steekproef. Hoeveel steekproeven er gaan worden gedaan en hoe de steekproeven gaan worden ingericht, zal de komende tijd door OCW en DUS-I worden uitgewerkt. De instellingen die voor de steekproef worden geselecteerd, zullen hier uiteraard tijdig over worden geïnformeerd. Er zal bij de inrichting van de steekproef waarschijnlijk een verschil worden gemaakt tussen de instellingen die 70% of meer van hun prognose en de instellingen die minder dan 70% van hun prognose hebben gehaald. Bij eerstgenoemde groep instellingen zal met name worden gecontroleerd of de nazorg daadwerkelijk is aangeboden en inderdaad meer dan 70% van het aantal geprognosticeerde gediplomeerden aan de nazorg heeft deelgenomen. Bij laatstgenoemde groep instellingen zal niet alleen worden gecontroleerd of de nazorg daadwerkelijk is aangeboden, maar ook of de instelling aan de inspanningsplicht heeft voldaan. Daarvoor is in ieder geval vereist dat de gediplomeerden persoonlijk voor deelname aan de nazorg zijn benaderd.

Ten tweede kan de minister controles doen naar aanleiding van signalen of bij DUS-I bekende informatie. Instellingen hebben bijvoorbeeld een meldplicht aan DUS-I indien zij verwachten minder dan 70% van het aantal in de aanvraag geprognosticeerde deelnemers te halen. Het verdere verloop na de melding aan DUS-I kan leiden tot het vermoeden dat niet aan de subsidieverplichtingen zal worden voldaan, bijvoorbeeld als de instelling de gediplomeerden niet persoonlijk voor deelname aan de nazorg heeft benaderd en dit ook niet doet na instructies van DUS-I. Ook kan het voorkomen dat er geen evaluatie is ingediend of juist overduidelijk uit de evaluatie blijken dat niet aan de subsidieverplichtingen is voldaan. De inrichting van de controle hangt in dat geval mede af van de aard van het signaal of de bij DUS-I bekende signalen.

De instelling bepaalt zelf hoe zij in het geval van een controle aantoont dat de activiteiten zijn verricht en aan de subsidieverplichtingen is voldaan. Dit biedt de vrijheid om aan te sluiten bij de systemen en werkwijze van de instelling. Wel moet dit een overzichtelijke, controleerbare en doelmatige administratie zijn. Deze moet zo zijn dat daaruit kan worden afgeleid:

  • dat de nazorg is aangeboden;

  • hoeveel gediplomeerden van de nazorg gebruik hebben gemaakt;

  • hoe de gediplomeerden voor de nazorg zijn benaderd.

Verder moet de instelling kunnen aantonen dat die aan de subsidieverplichtingen heeft voldaan. En dat die de activiteiten daadwerkelijk heeft uitgevoerd. Dit kan betekenen dat de instelling bij een eventuele controle de (verzamelde) informatie in de administratie moet onderbouwen met bewijs. Dit kan bijvoorbeeld door bij het aantal vermelde gediplomeerden te laten zien om welke gediplomeerden het gaat. De minister kan de aangeleverde informatie bijvoorbeeld ook controleren door middel van het uitvoeren van locatiebezoeken en interviews met betrokkenen. De controles vinden plaats na 2024 en zijn voornamelijk steekproefsgewijs. DUS-I zal de instellingen hier nog over informeren. Het is echter van belang dat ze vooraf alvast over de inrichting van de administratie nadenken, zodat ze goed op een eventuele controle zijn voorbereid. De instellingen worden hier in het aanvraagformulier nog eens op gewezen.

Voor de aanbodplicht kan voor de nadere bewijsstukken bijvoorbeeld worden gedacht aan een deelnemers- of aanwezigheidsregistratie of agenda’s van medewerkers die de nazorgactiviteiten hebben verzorgd. Voor de inspanningsplicht kan bijvoorbeeld worden gedacht aan bewijsstukken in de vorm van persoonlijke e-mails, belnotities of uitdraaien uit het studentenvolgsysteem waaruit blijkt dat de gediplomeerden persoonlijk zijn benaderd.

4. Privacy

Deze wijzigingsregeling leidt niet tot wijzigingen in de mate waarin instellingen persoonsgegevens verwerken om aan deze regeling te kunnen voldoen. Hoe de steekproeven gaan worden uitgevoerd, zal de komende tijd door OCW en DUS-I worden uitgewerkt. Daarbij zal ook worden bezien in hoeverre er met geanonimiseerde informatie kan worden volstaan.

5. Caribisch Nederland

De regeling is ook bedoeld voor gediplomeerden van de Scholengemeenschap Bonaire. Dit is de enige bekostigde instelling die mbo als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs BES (hierna: WEB BES) verzorgt.

6. Regeldruk

De regeldruk is reeds berekend bij de totstandkoming van de regeling en kwam uit op 3.600 uur en € 180.000,– voor 60 instellingen.10

Het aantal uur voor onder andere kennisname van de regeling is gelijk gebleven. Ten opzichte van de vorige aanvraagtijdvakken is de aanvraaglast per instelling echter gestegen vanwege de gevraagde extra informatie bij de aanvraag over de beoogde doelgroep, prognose en inspanning van de instellingen. Aangezien hiermee wordt gevraagd te expliciteren wat bij de vorige aanvraagtijdvakken reeds impliciet aan voorbereidend denkwerk werd gevraagd, blijft de stijging beperkt tot een uur. De totale aanvraaglast stijgt hiermee naar gemiddeld 17 uur per instelling.

Verder is wederom 4 uur per instelling gerekend voor het benaderen van hun (aanstaande) gediplomeerden voor deelname aan de nazorgactiviteiten. Met deze wijzigingsregeling is weliswaar geëxpliciteerd dat de gediplomeerden in ieder geval persoonlijk moeten zijn benaderd, maar ook voor de subsidies uit vorige aanvraagtijdvakken geldt reeds dat instellingen zich moeten inspannen om de gediplomeerden ook daadwerkelijk van de nazorg gebruik te laten maken.

Voor de inhoudelijke nalevingskosten is voorts uitgegaan van een gemiddelde stijging van een uur, omdat hier een aantal subsidieverplichtingen bij is gekomen. Dit betreft een evaluatieplicht, een meldplicht aan DUS-I voor de instellingen die minder dan 70% van hun prognose verwachten te halen en een motivatieplicht voor de instellingen die daadwerkelijk minder dan 70% van hun prognose hebben gehaald. Hiervoor is nu 5 uur per instelling gerekend.

De afstemming en samenwerking met partners vergt daarentegen 2 uur minder ten overstaan van de vorige aanvraagtijdvakken: de basis daarvoor is nu veelal gelegd en met goede afspraken geconcretiseerd. Het verwachte aantal uur per instelling is daarom gedaald naar 14.

De administratieve lasten rondom de verantwoording blijven tot slot gelijk. Aan de financiële verantwoording is niets veranderd en voor de inhoudelijke verantwoording of aan de subsidieverplichtingen is voldaan, blijft het zo dat een instelling dit moet kunnen aantonen als er een controle wordt gedaan. Daarnaast moet er net zoals voor subsidies uit de vorige aanvraagtijdvakken na afloop van de activiteitenperiode beleidsmatige informatie aan DUS-I worden geleverd. Ditmaal moet de evaluatie ook worden meegestuurd, maar het opstellen van de evaluatie is reeds meegerekend onder die inhoudelijke nalevingskosten en het opsturen ervan zal nauwelijks tijd kosten.

Momenteel vindt de verkenning plaats om nazorg aan gediplomeerden als wettelijke taak voor instellingen in de Wet educatie en beroepsonderwijs te verankeren. Mogelijk leidt de wettelijke verankering van deze taak op termijn tot vermindering van de regeldruk, omdat subsidieaanvragen dan achterwege kunnen blijven.

De kennisname van het nazorgaanbod en de eventuele deelname aan een evaluatie door de instelling kunnen overigens ook gevolgen hebben voor de regeldruk voor de gediplomeerden. Dit zijn geen directe verplichtingen en de regeldruk wordt op maximaal 1 uur geschat. De regeldruk voor gediplomeerden is niet opgenomen in de onderstaande berekening.

Bij de onderstaande berekening is uitgegaan van een uurtarief van € 50,–. Inmiddels zijn er in plaats van 60 instellingen in totaal 59 instellingen.

Type administratieve handeling

Aantal uur

Kosten (aantal uur * € 50)

Kennisname en kennisdeling

236 uur (59 instellingen * 4 uur)

€ 11.800,–

Invullen aanvraagformulier

1.003 uur (59 instellingen * 17 uur)

€ 50.150,–

Informeren en benaderen gediplomeerden

236 uur (59 instellingen * 4 uur)

€ 11.800,–

Samenwerking betrokken partners

826 uur (59 instellingen * 14 uur)

€ 41.300,–

Inhoudelijke nalevingskosten

295 uur (59 instellingen * 5 uur)

€ 14.750,–

Verantwoording en aanleveren beleidsmatige informatie

944 uur (59 instellingen * 16 uur)

€ 47.200,–

Totaal

3.540 uur

€ 177.000,–

Het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) heeft het dossier niet geselecteerd voor een formeel advies, omdat het geen omvangrijke gevolgen voor de regeldruk heeft.

7. Uitvoering, toezicht en handhaving

Deze regeling is aan DUS-I en de Inspectie van het Onderwijs (inspectie) voorgelegd voor een uitvoeringstoets.

DUS-I acht de regeling uitvoerbaar. Wel heeft DUS-I een paar aandachtspunten meegegeven. Deze aandachtspunten zijn waar nodig in de regeling en toelichting verwerkt. Zo heeft DUS-I afgeraden om in de aanvraag te vragen naar een beschrijving van de wijze waarop de instelling haar administratie inricht. Dit om te voorkomen dat de instelling door de goedkeuring van de aanvraag onterecht in de veronderstelling is dat de administratie reeds voldoende is om aan een eventuele controle te voldoen. Bij een eventuele controle kan namelijk ook altijd om nadere bewijsstukken en/of medewerking met bijvoorbeeld een locatiebezoek of interview worden gevraagd. De wijzigingsregeling is hierop aangepast en de voorgenomen verplichting om in de aanvraag de inrichting van de administratie te beschrijven, is vervangen door een waarschuwing in het aanvraagformulier dat het in verband met een eventuele controle van belang is om alvast goed over de inrichting van de administratie en de aanlevering van nadere bewijsstukken na te denken.

De inspectie acht de regeling eveneens uitvoerbaar met een paar aandachtspunten en (tekst)suggesties die in de regeling en toelichting zijn verwerkt. Zo is in de toelichting verduidelijkt dat de verplichting in artikel 9, tweede en derde lid (nieuw), nog steeds geen resultaats- maar een inspanningsverplichting is en is voor de definitie van het begrip ‘gediplomeerde’ waar mogelijk aansluiting gezocht bij artikel 4a.1 van het Uitvoeringsbesluit WEB.

8. Financiële gevolgen

Voor het programmadeel van deze subsidieregeling is voor 2023 een bedrag van € 10.500.000,– beschikbaar gesteld. Voor de uitvoering van de regeling door DUS-I is voor 2023 een bedrag van € 175.000,– beschikbaar gesteld. Voor de werkzaamheden van DUS-I ten behoeve van de steekproeven zal een aparte offerte worden opgevraagd.

Artikelsgewijs deel

Artikel I (vervallen artikel 10 Subsidieregeling extra begeleiding en nazorg mbo 2021/2022)

Zie de artikelsgewijze toelichting bij artikel II, onderdeel J.

Artikel II, onderdeel A (wijziging artikel 1 van de Subsidieregeling nazorg mbo 2022/2024)

In de begripsbepalingen in artikel 1 zijn nu ook een derde en een eventueel vierde aanvraagtijdvak opgenomen. Het derde aanvraagtijdvak loopt van 30 november 2022 tot en met 23 december 2022 en het eventuele vierde aanvraagtijdvak van 15 maart 2023 tot en met 26 april 2023.

Verder is het begrip ‘activiteitenperiode’ toegevoegd. Hiermee wordt de periode bedoeld waarbinnen de te subsidiëren activiteiten kunnen worden uitgevoerd. De instelling kan desgewenst de dag nadat de aanvraag is ingediend, starten met de activiteiten. Echter, de gemaakte kosten zijn voor eigen risico zolang de aanvraag niet is toegekend. Instellingen kunnen dus ook starten vanaf de toekenning. De dag waarop de activiteiten uiterlijk dienen te zijn afgerond, wordt bepaald door artikel 9, eerste lid, en verschilt per aanvraagtijdvak. Door de toevoeging van dit begrip aan de begripsbepalingen kunnen de artikelen 5, derde lid, onder e (nieuw), en 9, derde lid, onder a (nieuw), korter en dus leesbaarder worden gehouden.

Verder is het begrip ‘gediplomeerde schoolverlaters’ omwille van de leesbaarheid vervangen door ‘gediplomeerden’. Dit begrip wordt bijvoorbeeld ook gebruikt in artikel 4a.1 van het Uitvoeringsbesluit WEB. Voor de duidelijkheid is hier tevens aan toegevoegd dat het daarbij gaat om gediplomeerden (zowel studenten als extranei) van de eigen instelling. Dit is geen inhoudelijke wijziging: het is en blijft zo dat de subsidie kan worden ingezet voor nazorg aan gediplomeerden op alle niveaus en niet voor begeleiding van studenten in het laatste studiejaar. De middelen voor de extra begeleiding in het laatste studiejaar zijn toegevoegd aan de lumpsum. Ook is en blijft het zo dat de nazorg kan zijn gericht op de overstap naar werk én de overstap naar een vervolgopleiding. Zo kan het bijvoorbeeld voorkomen dat een gediplomeerde van plan is te gaan werken, maar bij nader inzien toch nog besluit een vervolgopleiding te gaan doen. Dit is een andere reden waarom het begrip ‘gediplomeerden’ duidelijker is, aangezien het begrip ‘gediplomeerde schoolverlaters’ onterecht kan suggereren dat het slechts gaat om gediplomeerden die niet van plan zijn nog een vervolgopleiding te doen. Voor studenten die hun diploma nog moeten halen is er loopbaanbegeleiding tijdens de opleiding; voor hen is deze subsidieregeling dus niet bedoeld.

Artikel II, onderdeel B (wijziging artikel 3 van de Subsidieregeling nazorg mbo 2022/2024)

Aan artikel 3 is een nieuw eerste lid toegevoegd waarin de doelen van de subsidieregeling zijn beschreven. Uit het oorspronkelijke eerste lid volgde reeds dat het doel van de subsidieregeling is om instellingen nazorg aan gediplomeerden te laten bieden. Daar is aan toegevoegd dat het doel ook is om instellingen de activiteiten te laten evalueren. Op die manier sluiten de doelen in artikel 3 beter aan bij de gedachte achter de verplichtingen in artikel 9, de inspanningsplicht in het bijzonder. Nazorg is voor veel instellingen een (relatief) nieuwe activiteit, waardoor zij nog praktijkervaring op moeten doen met wat wel en niet werkt. Zo kan de wijze waarop de doelgroep wordt benaderd en de nazorg wordt vormgegeven, invloed hebben op hoeveel gediplomeerden uiteindelijk van de nazorg gebruik willen maken en dat ook daadwerkelijk doen. Ook kan de wijze waarop de nazorg wordt vormgegeven invloed hebben op de effectiviteit: helpt het gediplomeerden daadwerkelijk om over te stappen naar een vervolgopleiding, werk te vinden of zich te laten bijstaan door andere instanties die daarbij kunnen helpen? In afwijking van de vorige aanvraagtijdvakken betekent deze wijziging dat een instelling ook een bedrag kan begroten om een evaluatie uit te voeren.

Het oorspronkelijke eerste lid is vernummerd tot het tweede lid en gedeeltelijk geherformuleerd. Het doel van de subsidieregeling staat nu in het eerste lid (nieuw) en in het tweede lid (nieuw) staan nu alleen nog de inhoudelijke eisen aan de nazorg. Het oorspronkelijke onderdeel a is echter komen te vervallen. In het oorspronkelijke onderdeel a werd bepaald dat de nazorg in 2022 en 2023 moest plaatsvinden. Met deze wijzigingsregeling wordt een derde en eventueel vierde aanvraagtijdvak aan de regeling toegevoegd voor nazorg in 2023 en 2024. In de toekomst komen hier waarschijnlijk nog een vijfde en eventueel zesde aanvraagtijdvak voor nazorg uit te voeren in 2024 en 2025 bij. Het wordt onoverzichtelijk om dit allemaal uit te schrijven in het tweede lid en bovendien schrijft artikel 9, eerste lid, ook reeds voor in welke periode de nazorg moet worden uitgevoerd. DUS-I kan aanvragen waaruit volgt dat de nazorg buiten deze periode wordt uitgevoerd, dus nog steeds afwijzen.

Het oorspronkelijke tweede lid is tot slot vernummerd tot het derde lid en is eveneens geherformuleerd. Het derde lid (nieuw), onderdeel a, onder 2°, is algemener opgeschreven, zodat voor alle aanvraagtijdvakken in deze regeling geldt dat er geen dubbele financiering voor dezelfde activiteiten wordt verstrekt.

Artikel II, onderdeel C (wijziging artikel 4 van de Subsidieregeling nazorg mbo 2022/2024)

Aan artikel 4 is het subsidieplafond voor de nazorg uit te voeren in 2023 en 2024 toegevoegd. Hiervoor kan subsidie worden aangevraagd in het derde aanvraagtijdvak van 30 november 2022 tot en met 23 december 2022. Indien het subsidieplafond na het derde aanvraagtijdvak nog niet is bereikt, wordt een vierde aanvraagtijdvak opengesteld van 15 maart 2023 tot en met 26 april 2023. Evenals voor de nazorg uit te voeren in 2022 en 2023 is het subsidieplafond € 10.500.000,–.

Artikel II, onderdeel D (wijziging artikel 5 van de Subsidieregeling nazorg mbo 2022/2024)

Aan het eerste lid van artikel 5 is een link toegevoegd naar het aanvraagportaal voor de aanvragen in het derde en eventuele vierde aanvraagtijdvak.

Aan het tweede lid zijn de openings- en sluitingsdata van het derde en eventuele vierde aanvraagtijdvak toegevoegd. Het derde aanvraagtijdvak loopt van 30 november 2022 tot en met 23 december 2022. Indien het subsidieplafond na het derde aanvraagtijdvak nog niet is bereikt, wordt een vierde aanvraagtijdvak opengesteld van 15 maart 2023 tot en met 26 april 2023.

In het zesde lid, onderdeel d (nieuw), is voorts een tweetal extra elementen opgenomen die de instelling ditmaal in de aanvraag moet beschrijven. Het gaat om de volgende extra elementen:

  • Een beschrijving van hoe de instelling de doelgroep van de nazorg en de prognose van het aantal gediplomeerden dat van de nazorg gebruik zal maken, heeft bepaald (onderdeel d, onder 1°).

  • Een beschrijving van hoe de nazorg aan de gediplomeerden aansluit op hun begeleiding in het laatste studiejaar (onderdeel d, onder 2°).

In paragraaf 3.1 van de algemene toelichting is verder toegelicht waarom de instelling deze extra informatie moet verstrekken.

Het oorspronkelijke zesde lid, onderdeel d, is samengevoegd met het oorspronkelijke zesde lid, onderdeel e, in een nieuw zesde lid, onderdeel e. Uit het oorspronkelijke onderdeel d volgde dat de instelling in de aanvraag moest beschrijven hoe de activiteiten van elkaar verschillen indien eerder subsidie is aangevraagd op basis van de Subsidieregeling extra begeleiding en nazorg mbo 2021/2022. Uit het oorspronkelijke onderdeel e volgde dat de instelling dit ook moest doen indien eerder subsidie is aangevraagd op basis van deze regeling (dus in twee verschillende aanvraagtijdvakken). Aangezien er met deze wijzigingsregeling aanvraagtijdvakken bij komen, is ervoor gekozen om het geheel algemener op te schrijven in het nieuwe onderdeel e. Indien een instelling twee aanvragen doet, dient de tweede aanvraag zich van de eerste aanvraag te onderscheiden door zich te richten op een andere doelgroep (bijvoorbeeld een volgend cohort gediplomeerden) en/of andere activiteiten. Eenzelfde gediplomeerde kan dus meermaals van de nazorg gebruik maken, zolang het telkens om andere activiteiten gaat.

In het oorspronkelijke zevende lid stond een vast uurtarief voor de loonkosten voorgeschreven. Deze bepaling is verplaatst naar artikel 6. Aangezien uit artikel 6 reeds volgt dat er sprake moet zijn van een redelijke verhouding tussen de kosten en beoogde resultaten en er met deze wijzigingsregeling ook een maximumbedrag per gediplomeerde wordt vastgesteld, is het overzichtelijker om dit in artikel 6 op te nemen (zie de artikelsgewijze toelichting bij artikel 6). Het oorspronkelijke achtste lid wordt vernummerd tot zevende lid.

Artikel II, onderdeel E (wijziging artikel 6 van de Subsidieregeling nazorg mbo 2022/2024)

Het voorgeschreven vaste uurtarief voor de loonkosten in het oorspronkelijke artikel 5, zevende lid, is verplaatst naar het nieuwe artikel 6, eerste lid, onder a. Op die manier staan alle eisen aan de begroting bij elkaar. Voor de aanvragen die worden gedaan in het derde en eventuele vierde aanvraagtijdvak, is het vaste uurtarief voor de loonkosten geactualiseerd met het nieuwe artikel 6, eerste lid, onder b: dit is nu € 83,– per uur in plaats van € 80,– (exclusief BTW).11 Dit geldt zowel voor intern als extern ingehuurd personeel.

In het nieuwe artikel 6, eerste lid, onder b, is bovendien een maximumbedrag per gediplomeerde opgenomen van € 1.400,– voor de aanvragen die worden gedaan in het derde en eventuele vierde aanvraagtijdvak. Hier is voor gekozen uit het oogpunt van duidelijkheid en om te voorkomen dat de instelling bewust een lage prognose van het aantal te bereiken gediplomeerden stelt en daar in de begroting zodanig hoge kosten voor rekent, dat er eigenlijk veel meer gediplomeerden van kunnen worden geholpen en de inspanningsplicht in artikel 9, tweede en derde lid (nieuw), (te) makkelijk kan worden gehaald. De mate waarin de prognose wel of niet wordt gehaald, is namelijk relevant voor het voldoen aan de inspanningsplicht (zie de artikelsgewijze toelichting bij artikel 9). Door een maximumbedrag per gediplomeerde voor te schrijven wordt de instelling gestimuleerd een realistische prognose te stellen die past bij de daadwerkelijke ambities van de instelling. Immers, een lage prognose leidt ook tot een lager maximum subsidiebedrag en met minder geld kunnen minder gediplomeerden worden geholpen.

In het nieuwe tweede lid is bepaald hoe het bedrag per gediplomeerde wordt berekend. Dit wordt berekend door het totaalbedrag van de begroting te delen door het aantal in de aanvraag geprognosticeerde gediplomeerden.

Rekenvoorbeeld

De instelling begroot € 4.000,– voor loonkosten en € 3.000,– voor materiaalkosten. In totaal bedragen de begrote kosten dus € 7.000,–. De instelling beoogt daarvan 50 gediplomeerden nazorg te bieden. Het bedrag per gediplomeerde is dus € 7.000,–/50 = € 140,– p.p. Dit blijft onder het maximumbedrag van € 1.400,– per gediplomeerde.

Het maximumbedrag per gediplomeerde wil niet zeggen dat de instelling standaard van dit maximumbedrag kan uitgaan: de kosten moeten nog steeds in redelijke verhouding tot de prestaties staan. Deze verplichting blijft dan ook in artikel 6 staan en is verplaatst naar het nieuwe derde lid. Omdat – afgezien van artikel 3, tweede lid, onder b (nieuw) – niet is bepaald hoe de nazorg er precies dient uit te zien, kunnen de activiteiten sterk per instelling verschillen. In het geval een instelling heeft gekozen voor een beperkte invulling van de nazorg, is het dus waarschijnlijk dat het maximumbedrag per gediplomeerde niet passend is. Het blijft zo dat de instelling de redelijkheid van haar begroting moet kunnen onderbouwen. De aanvraag kan dus niet alleen worden afgewezen als de kosten per gediplomeerden hoger zijn dan € 1.400,–, of de loonkosten niet zijn begroot voor € 83,– per uur, maar ook als de kosten niet in redelijke verhouding tot de prestaties staan. DUS-I beoordeelt dit bij de aanvraag.

Artikel II, onderdelen F, G en N (wijziging artikelen 7 en 8 van en toevoeging bijlage 2 aan de Subsidieregeling nazorg mbo 2022/2024)

In de artikelen 7 en 8 zijn het derde en vierde aanvraagtijdvak toegevoegd. Het derde aanvraagtijdvak stemt qua systematiek overeen met het eerste aanvraagtijdvak en het vierde aanvraagtijdvak met het tweede aanvraagtijdvak. Dit houdt in dat er in het derde aanvraagtijdvak voor per instelling een maximumbedrag beschikbaar is. Het bedrag per instelling is opgenomen in de nieuwe bijlage 2. In het derde aanvraagtijdvak kan het subsidieplafond dus niet worden overschreden. Indien er na het derde aanvraagtijdvak nog middelen resteren, wordt er een vierde aanvraagtijdvak opengesteld. Dan geldt per instelling opnieuw het maximumbedrag zoals opgenomen in bijlage 2, maar kan het subsidieplafond wel worden overschreden. In dat geval geldt het principe ‘wie het eerst komt, wie het eerst maalt’.

Het beschikbare maximumbedrag per instelling doet niets af aan het maximumbedrag per gediplomeerde zoals voorgeschreven in artikel 6, eerste lid, onder b (nieuw). Als de instelling slechts een aanvraag doet voor een beperkt aantal gediplomeerden, daalt dus ook het maximumbedrag dat de instelling kan aanvragen.

Rekenvoorbeeld 1

De instelling mag volgens bijlage 2 bij de regeling maximaal € 50.000,– subsidie aanvragen. De instelling begroot € 40.000,– (inclusief BTW) en beoogt daarvan 100 gediplomeerden nazorg te bieden. Dit is dus € 400,– per gediplomeerde en dat past binnen het maximumbedrag van € 1.400,– per gediplomeerde. Dit past bovendien binnen het instellingsplafond van € 50.000,–. De instelling ontvangt dus € 40.000,– subsidie.

Rekenvoorbeeld 2

De instelling mag volgens bijlage 2 bij de regeling maximaal € 35.000,– subsidie aanvragen. De instelling begroot € 30.000,– (inclusief BTW) en beoogt daarvan 20 gediplomeerden nazorg te bieden. Dit is dus € 1.500,– per gediplomeerde. Hoewel dat past binnen het instellingsplafond, past het niet binnen het maximumbedrag per gediplomeerde. De instelling moet de begroting in de aanvraag dus zodanig aanpassen dat het bedrag per gediplomeerde neerkomt op maximaal € 1.400,–.

Artikel II, onderdeel H (wijziging artikel 9 van de Subsidieregeling nazorg mbo 2022/2024)

In het eerste lid van artikel 9 is toegevoegd op welke datum de activiteiten uiterlijk moeten zijn afgerond voor subsidies die zijn aangevraagd in het derde of vierde aanvraagtijdvak, namelijk op 31 december 2024. De instelling mag met de activiteiten starten vanaf het indienen van de aanvraag (zie ook artikel 3, derde lid, onder b (nieuw)), met dien verstande dat de gemaakte kosten voor eigen risico zijn zolang de aanvraag niet is toegekend.

In het tweede lid is explicieter opgeschreven dat de instelling de verplichting heeft de nazorg aan te bieden (aanbodplicht) en daarnaast de verplichting heeft zich in te spannen dat het aantal in de aanvraag geprognosticeerde gediplomeerden ook daadwerkelijk van de nazorg gebruik maakt (inspanningsplicht). Aangezien hier verder geen inhoudelijke wijzigingen mee zijn beoogd, geldt deze verduidelijking voor subsidies uit alle aanvraagtijdvakken.

Na het tweede lid is een nieuw derde lid toegevoegd met aanvullende eisen voor de subsidies die worden aangevraagd in het derde en eventuele vierde aanvraagtijdvak. Zoals toegelicht bij de artikelsgewijze toelichting bij artikel 3, heeft deze regeling mede als doel dat de instelling ervaring opdoet met welke wijze van benadering van de doelgroep en instrumenten voor de nazorg effectief zijn. Als de resultaten tegenvallen is dat dus niet meteen een probleem, zolang de instelling er maar van leert. Daarom is in het nieuwe derde lid, onderdeel a, een evaluatieverplichting opgenomen. Dit geldt dus niet voor de subsidies die zijn aangevraagd in het eerste en tweede aanvraagtijdvak. De minister zal voor de evaluatie een vrijwillig te gebruiken format ter beschikking stellen.

Daarnaast is in het nieuwe derde lid, onderdelen b en d, geconcretiseerd wat de inspanningsplicht inhoudt. Dit geldt dus niet voor de subsidies die zijn aangevraagd in het eerste en tweede aanvraagtijdvak, maar kan daarbij wel als richting worden gebruikt. Uit onderdeel b volgt dat de instelling sowieso aan de inspanningsplicht heeft voldaan, indien zij ten minste 70% van het aantal geprognosticeerde gediplomeerden heeft gehaald. Komt de instelling onder de 70%, wil dat niet zeggen dat zij automatisch niet aan de inspanningsplicht heeft voldaan. In onderdeel d is bepaald dat de instelling in dat geval moet kunnen onderbouwen waarom desondanks aan de inspanningsplicht is voldaan. Daarbij geldt dat de gediplomeerden in ieder geval persoonlijk voor deelname aan de nazorg moeten zijn benaderd. Zie paragraaf 3.3 van de algemene toelichting voor wat een persoonlijke benadering inhoudt. De beoordeling van de onderbouwing is – afgezien van de vereiste persoonlijke benadering – maatwerk.

Komt de minister tot de conclusie dat redelijkerwijs niet is voldaan aan de inspanningsplicht, wordt de subsidie naar evenredigheid teruggevorderd. Om te voorkomen dat de instelling onverwacht voor een terugvordering komt te staan, is in het nieuwe derde lid, onderdeel c, een meldplicht aan DUS-I opgenomen in de situatie dat instelling verwacht de 70% niet te halen. DUS-I kan dan meedenken over wat de instelling kan doen om alsnog aan de inspanningsplicht te voldoen. Deze meldplicht kan reeds worden opgemaakt uit artikel 5.7 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS, maar is hier geconcretiseerd.

Het oorspronkelijke derde lid is vernummerd tot het vierde lid en schrijft nog steeds voor dat de instelling een overzichtelijke, controleerbare en doelmatige administratie voert die zo is ingericht dat daaruit te allen tijde kan worden afgeleid hoeveel gediplomeerden van de nazorg gebruik hebben gemaakt. Daar is aan toegevoegd dat er ook uit moet kunnen worden afgeleid dat de nazorg is aangeboden. Dit is een verduidelijking en geldt dus voor subsidies uit alle aanvraagtijdvakken. Immers, ook hiervoor moest de instelling kunnen aantonen aan de aanbodverplichting te hebben voldaan. Voor de subsidies die worden aangevraagd in het derde en eventuele vierde aanvraagtijdvak is daar verder nog aan toegevoegd dat ook uit de administratie moet kunnen worden afgeleid hoe de gediplomeerden voor de nazorg zijn benaderd. De administratie hoeft geen financiële administratie te zijn en dus geen inzicht te geven in de toegewezen kosten. De administratie en onderliggende bewijsstukken zijn vooral belangrijk als de instelling onder een controle valt. Zie hierover paragraaf 3.5 van de algemene toelichting.

Het oorspronkelijke zesde lid is voorts vernummerd tot het zevende lid. Uit dit nieuwe zevende lid volgt welke informatie de instelling na afronding van de activiteiten aan DUS-I moet aanleveren. Voor de subsidies aangevraagd in het eerste en tweede aanvraagtijdvak, moet de instelling deze informatie nog steeds uiterlijk op 28 februari 2024 aanleveren. De aan te leveren informatie voor deze subsidies is onveranderd en opgenomen onder het nieuwe zevende lid, onderdeel a. Voor de subsidies die worden aangevraagd in het derde en eventuele vierde aanvraagtijdvak is een onderdeel b toegevoegd. Voor deze subsidies moet de instelling dezelfde informatie aanleveren als voor de subsidies aangevraagd in het eerste en tweede aanvraagtijdvak, behalve de informatie over hoe aan de inspanningsplicht is voldaan. Dit is reeds onderdeel van de controle die bij een aantal instellingen zal plaatsvinden en staat als het goed is ook reeds beschreven in de evaluatie. De evaluatie moet ditmaal ook worden meegezonden, evenals een beschrijving van hoe de nazorg aan gediplomeerden is aangesloten op hun de begeleiding als student in het laatste studiejaar. De instelling moet deze informatie en evaluatie uiterlijk op 28 februari 2025 aan DUS-I leveren. Zie paragraaf 3.4 van de algemene toelichting over welke informatie precies moet worden aangeleverd en met welk doel.

Zoals gezegd wordt de subsidie naar evenredigheid teruggevorderd indien DUS-I tot de conclusie komt dat redelijkerwijs niet aan de inspanningsplicht is voldaan. Dit is tot slot geregeld in het nieuw toegevoegde achtste lid. Een terugvordering naar evenredigheid houdt in dat het percentage gediplomeerden dat niet van de nazorg gebruik heeft gemaakt, leidt tot een terugvordering voor datzelfde percentage van het totale subsidiebedrag dat is ontvangen. Welk percentage gediplomeerden niet van de nazorg gebruik heeft gemaakt, wordt berekend aan de hand van het aantal in de aanvraag geprognosticeerde gediplomeerden (dit aantal is 100%).

Rekenvoorbeeld

Een instelling neemt in de aanvraag op dat zij 200 gediplomeerden nazorg beoogt te bieden voor € 500,– p.p. In totaal ontvangt de instelling dus € 100.000,– subsidie. Van deze prognose van 200 gediplomeerden, maken uiteindelijk slechts 120 gediplomeerden daadwerkelijk gebruik van de nazorg. 120 van 200 is 60% en de instelling heeft niet kunnen onderbouwen aan de inspanningsplicht te hebben voldaan. De terugvordering is dus 40% van € 100.000,– ofwel € 40.000,–.

Het nieuwe achtste lid geldt alleen voor subsidies die zijn aangevraagd in het derde of eventuele vierde aanvraagtijdvak. Voor subsidies die zijn aangevraagd in het eerste of tweede aanvraagtijdvak geldt uiteraard ook een inspanningsplicht op grond van het tweede lid, maar als daar niet aan wordt voldaan zal DUS-I per geval bekijken of en hoeveel er moet worden teruggevorderd. Hetzelfde geldt voor subsidies uit alle aanvraagtijdvakken in het geval er niet aan andere subsidievoorwaarden is voldaan. Indien wel aan de inspanningsplicht en andere subsidievoorwaarden is voldaan, kan de instelling de eventuele overgebleven middelen op grond van artikel 10, vijfde lid, besteden aan andere bekostigde activiteiten.

Artikel II, onderdeel I (wijziging artikel 10 van de Subsidieregeling nazorg mbo 2022/2024)

In artikel 10, eerste lid, zijn de vaststellingsdata voor de subsidies aangevraagd in het derde en eventuele vierde aanvraagtijdvak toegevoegd. Subsidies die zijn aangevraagd in het derde aanvraagtijdvak worden vastgesteld op uiterlijk 28 februari 2023 en subsidies die zijn aangevraagd in het eventuele vierde aanvraagtijdvak op uiterlijk 30 juni 2023.

Artikel II, onderdeel J (wijziging artikel 11 van de Subsidieregeling nazorg mbo 2022/2024)

In artikel 11 was geregeld dat de regeling uiterlijk zou worden geëvalueerd in 2024. Aangezien er met deze regeling een derde en eventueel vierde aanvraagtijdvak wordt toegevoegd voor nazorg uit te voeren in 2023 en 2024, ligt het meer voor de hand om de evaluatie pas na afronding hiervan te doen. Daarom is het evaluatiejaar gewijzigd in uiterlijk 2026. Dit is met artikel I ook gewijzigd in artikel 10 van de Subsidieregeling extra begeleiding en nazorg mbo 2021/2022. Waarschijnlijk komen er in de toekomst nog een vijfde en eventueel zesde aanvraagtijdvak voor nazorg uit te voeren in 2024 en 2025 bij. In dat geval zal de evaluatie weer naar achteren worden geschoven en wordt de evaluatie ook verplicht op grond van artikel 4:24 van de Algemene wet bestuursrecht.

Ten behoeve van de verkenning van de wijze waarop nazorg wettelijk kan worden verankerd, is het voornemen om reeds eerder dan na afloop van de regeling in gesprek te gaan met instellingen over hun ervaringen met nazorg tot nog toe. Op grond van artikel 5.4 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS zijn instellingen altijd verplicht om mee te werken aan onderzoek dat erop gericht is de minister inlichtingen te verschaffen die van belang zijn voor de ontwikkeling van beleid, dus ook als dit eerder is dan in evaluatiejaar 2026.

Artikel II, onderdeel K (wijziging artikel 13 van de Subsidieregeling nazorg mbo 2022/2024)

Uit artikel 13, tweede lid, volgt dat de regeling 1 januari 2026 vervalt. Er wordt een derde en eventueel vierde aanvraagtijdvak toegevoegd voor nazorg uit te voeren in 2023 en 2024, maar de regeling hoeft niet nog eens met een jaar te worden verlengd. De activiteiten voor subsidies aangevraagd in het derde en eventuele vierde aanvraagtijdvak kunnen namelijk uiterlijk worden uitgevoerd op 31 december 2024 en daarover dient de instelling uiterlijk op 28 februari 2025 de informatie, bedoeld in artikel 9, zevende lid (nieuw), aan DUS-I aan te leveren. Daarna vindt de afwikkeling plaats (bijvoorbeeld de steekproeven door DUS-I) en zal er nog een evaluatie zijn. Voor zover de afwikkeling en/of evaluatie nog loopt na 1 januari 2026, is voor de duidelijkheid wel aan artikel 13, tweede lid, toegevoegd dat de regeling ook na die tijd van toepassing blijft op de subsidies die op grond van de regeling zijn verstrekt.

Artikel II, onderdelen L en M (wijziging artikel 14 en bijlage 1 van de Subsidieregeling nazorg mbo 2022/2024)

Aangezien de regeling nu ook de nazorg uit te voeren in 2023 en 2024 omvat, dient de citeertitel van de regeling te worden gewijzigd in ‘Subsidieregeling nazorg mbo 2022/2024’ in plaats van ‘Subsidieregeling nazorg mbo 2022/2023’. De citeertitel is ook gewijzigd in de titel van bijlage 1.

Artikel III (wijziging artikel 1 Regeling versterking van salarismix leraren middelbaar beroepsonderwijs in de Randstadregio’s)

Bij een recente wijziging van de Regeling versterking van salarismix leraren middelbaar beroepsonderwijs in de Randstadregio’s is per abuis een artikelnummer weggevallen bij de invoeging van de begripsbepaling voor ‘aanvullende bekostiging’ in artikel 1. Met deze wijzigingsregeling wordt dat gecorrigeerd en in de betreffende begripsbepaling verwezen naar de aanvullende bekostiging als bedoeld in artikel 3 van de Regeling versterking van salarismix leraren middelbaar beroepsonderwijs in de Randstadregio’s.

Artikel IV (Inwerkingtreding)

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Dit is in afwijking van de vaste verandermomenten en minimumvoeringstermijn van twee maanden, maar dit is niet nadelig voor de instellingen. Immers, voor de Subsidieregeling nazorg mbo 2022/2024 geldt dat er juist nieuwe mogelijkheden om subsidie aan te vragen bij komen. De instellingen zijn bovendien over de start van het derde aanvraagtijdvak geïnformeerd via een nieuwsbrief en hebben dankzij de vorige aanvraagtijdvakken al ervaring met het opstellen van een aanvraag.

Voor de wijziging van de Regeling versterking van salarismix leraren middelbaar beroepsonderwijs in de Randstadregio’s geldt dat het slechts een tekstuele correctie betreft die geen inhoudelijke gevolgen heeft.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap R.H. Dijkgraaf


X Noot
5

Vanuit het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is voor de jaren 2021 en 2022 een decentralisatie-uitkering aan de centrumgemeenten van arbeidsmarktregio’s verstrekt voor de aanpak van jeugdwerkloosheid. Deze zal opnieuw worden verstrekt voor 2023, zodat instellingen en (centrum)gemeenten hun samenwerking van de afgelopen jaren kunnen voortzetten.

X Noot
6

Zie Stcrt. 2021, 45943, p. 10 en 11 voor hoe het subsidiebedrag per instelling tot stand is gekomen. Wel is de berekening geactualiseerd aan de hand van de meest actuele gegevens.

X Noot
8

Regioplan (2022), Onderzoek aanpak jeugdwerkloosheid.

X Noot
9

Dit tarief is gebaseerd op schaal 13 als bedoeld in de Handleiding overheidstarieven van 2022, zie https://www.rijksfinancien.nl/sites/default/files/hafir/extra-info/handleiding-overheidstarieven-2022.pdf.

X Noot
10

Stcrt. 2021, 45943, p. 11 en 12.

X Noot
11

Dit tarief is gebaseerd op schaal 13 als bedoeld in de Handleiding overheidstarieven van 2022, zie https://www.rijksfinancien.nl/sites/default/files/hafir/extra-info/handleiding-overheidstarieven-2022.pdf. Het tarief is aangepast in verband met indexatie.

Naar boven