Bouw & Infra

Bedrijfstakeigen Regelingen 2022/2025

Verbindendverklaring gewijzigde cao-bepalingen

MINISTERIE VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Besluit van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 30 november 2022 tot wijziging van het besluit tot algemeenverbindendverklaring van bepalingen van de collectieve arbeidsovereenkomst Bedrijfstakeigen Regelingen Bouw & Infra

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;

Gelezen het verzoek van Technisch Bureau Bouw en Infra namens alle partijen bij bovengenoemde collectieve arbeidsovereenkomst, strekkende tot algemeenverbindendverklaring van gewijzigde bepalingen van deze collectieve arbeidsovereenkomst;

Partijen ter ener zijde: Bouwend Nederland, de vereniging van bouw- en infrabedrijven, Bond van Aannemers van Tegelwerken in Nederland (Bovatin), Vereniging van Steiger-, Hoogwerk- en Betonbekistingbedrijven (VSB), Vereniging van Infrabedrijven MKB INFRA, Boorinfo Branche Vereniging, Ondernemersorganisatie MKB Bouw, Vereniging Wapeningsstaal Nederland (VWN), Vereniging voor aannemers in de sloop (VERAS), Noordelijke Vereniging Burgerlijke- en Utiliteitsbouw (NVBU), Ondernemersvereniging Bestratingsbedrijven Nederland (OBN), Gebouwgeschil Nederland, secties Metselen en Voegen, Vereniging voor ontwikkelaars & bouwondernemers (NVB) en Vereniging van Waterbouwers;

Partijen ter andere zijde: FNV en CNV Vakmensen.nl.

Naar aanleiding van dit verzoek zijn schriftelijke bedenkingen ingebracht door Van Till advocaten namens: Asbestverwijdering Ede B.V., Asbestzorg Holland B.V., Bosvelt Klein Asbestsanering B.V., Dulo Asbestverwijdering B.V., EcoReno B.V., Eijlers Edes Milieu B.V., Freek Foppen, P.Kruit B.V., Quartel Asbestverwijdering B.V., Sake Zittema Saneringen B.V., Veerkracht Asbest B.V. en Vriend Asbestsanering B.V.

Deze bedenkingen kunnen als volgt worden samengevat:

De bedenkingen richten zich tegen de representativiteit en in het bijzonder tegen de brongegevens die cao-partijen hebben gebruikt om het totaal aantal werkzame personen vast te stellen dat binnen de werkingssfeer van de cao Bouw & Infra en Bouw & Infra Bedrijfstakeigen Regelingen. De bedenkingen richten zich ook tegen het ontbreken van een (juiste) representativiteitsopgave bij het onderhavige verzoek.

Overwegende ten aanzien van de bedenkingen:

Paragraaf 3.2 van het Toetsingskader algemeenverbindendverklaring cao-bepalingen (Toetsingskader AVV) jo art. 4 lid 3 Wet AVV bepalen dat tegen een verzoek van cao-bepalingen tot avv binnen een termijn van drie weken, genoemd in de bekendmaking van het verzoek in de Staatscourant, door belanghebbenden bedenkingen kunnen worden ingebracht. De onderhavige verzoek om avv van tussentijdse wijziging van de cao Bouw & Infra Bedrijfstakeigen Regelingen omvat geen wijziging van werkingssfeerbepalingen. Wanneer bij een tussentijdse wijziging de werkingssfeer ongewijzigde blijft, en dus ook niet voor avv wordt voorgelegd, dan is het voor cao-partijen ook niet noodzakelijk een representativiteitsopgave aan te leveren bij het avv-verzoek. De werkingssfeer en de representativiteitsopgave maken derhalve geen onderdeel uit van het avv-verzoek tot tussentijdse wijziging van een eerder genomen avv-besluit.

Het voorgaande brengt met zich mee dat bedenkingen tegen de werkingssfeer danwel representativiteitsopgave, nu deze geen onderdeel uitmaken van de avv procedure en niet ter visie hebben gelegen, dan ook niet mogelijk zijn, en op formele/procedurele gronden niet inhoudelijk kunnen worden behandeld.

Tevens zijn deze bedenkingen een herhaling van eerder ingebrachte bedenkingen waarover al is besloten in het avv-besluit van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 23 december 2020 tot algemeenverbindendverklaring van bepalingen van de collectieve arbeidsovereenkomst Bouw & Infra Bedrijfstakeigen Regelingen (Staatscourant nr. 58904, 18 december 2020).

Conform paragraaf 3.2 van het Toetsingskader AVV zijn herhalingsbedenkingen evident kansloos.

De bedenkingen vormen geen beletsel om tot algemeenverbindendverklaring over te gaan.

Gelet op de artikelen 2, 4 en 5 van de Wet op het algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten;

Besluit:

Dictum I

Het besluit tot algemeenverbindendverklaring van bepalingen van de collectieve arbeidsovereenkomst Bedrijfstakeigen Regelingen Bouw & Infra1 wordt met inachtneming van dictum II als volgt gewijzigd:

A

De onder dictum I opgenomen bepalingen worden als volgt gewijzigd:

Artikel 1 – Definities komt te luiden:

‘Artikel 1. Definities

1. Bouwcombinatie:

een samenwerkingsverband tussen:

  • twee of meer bouw- en infraondernemingen of

  • één of meer bouw- en infraondernemingen en één of meer andere ondernemingen,

met (onder meer) als doel gezamenlijk één of meer bouw- en infrawerken tot stand te brengen. Onder samenwerkingsverband wordt mede verstaan het samen als (middellijk) bestuurder, (middellijk) aandeelhouder en/of (middellijk) vennoot betrokken zijn bij of deel uit maken van dezelfde rechtspersoon en/of vennootschap.

2. Bouwplaats:

elke plaats waar bouw- en infrawerken/-activiteiten worden uitgevoerd en/of tot stand worden gebracht.

3. Bouwplaatswerknemer:

de werknemer die werkzaam is in een functie als vermeld in de cao Bouw & Infra (Avv-besluit van 16 november 2020 (Stcrt. 2020, nr. 61582)) dan wel in een gelijksoortige functie.

4. Bpvo (beroepspraktijkvormingsovereenkomst):

de overeenkomst die bij aanvang van de bbl-opleiding wordt gesloten tussen de leerlingwerknemer, het opleidingsbedrijf of individueel leerbedrijf en de betrokken onderwijsinstelling. In de bpvo zijn de rechten en plichten rondom de uitvoering van de beroepspraktijkvorming vastgelegd.

5. Cao:

met ‘de cao’ of ‘deze cao’ wordt bedoeld de cao Bedrijfstakeigen Regelingen Bouw & Infra. De statuten en reglementen van:

  • de stichting Opleidings- en Ontwikkelingsfonds Bouw & Infra, hierna ook te noemen het O&O-fonds;

  • de stichting Aanvullingsfonds Bouw & Infra, hierna ook te noemen het Aanvullingsfonds,

zijn een geïntegreerd onderdeel van deze cao.

6. Cao-partijen:

de werkgevers- en werknemersorganisaties die deze cao hebben afgesloten.

7. Garantieloon:

het minimum functieloon waar de bouwplaatswerknemer recht op heeft.

8. Infrastructurele werken:

werk aan wegen, spoorwegen, riolerings- en kabelnetten en kunstwerken.

9. Leerlingwerknemer:

de bouwplaatswerknemer die deelneemt aan een bbl 2 of bbl 3 opleiding in het domein:

  • Bouw en infra,

  • Afbouw, hout en onderhoud of

  • Techniek en procesindustrie.

10. Salaris:

het tussen de uta-werknemer en de werkgever overeengekomen vaste brutobedrag dat de uta-werknemer van de werkgever ontvangt als loon voor zijn werkzaamheden in de door hem uitgeoefende functie. Dit bedrag is exclusief vakantietoeslag, vaste en/of variabele gratificaties, eindejaarsuitkeringen, uitkeringen ineens en alle andere toeslagen.

11. Uitzendkracht:

de werknemer zoals bedoeld in artikel 7:690 BW.

12. Uitzendonderneming:

de werkgever zoals bedoeld in artikel 7:690 BW.

13. Uta-werknemer:

de werknemer die werkzaam is in een uitvoerende, technische of administratieve functie als vermeld in de cao Bouw & Infra (Avv-besluit van 16 november 2020 (Stcrt. 2020, nr. 61582)) dan wel in een gelijksoortige functie.

14. Vast overeengekomen loon:

het garantieloon plus de eventueel met de bouwplaatswerknemer overeengekomen prestatietoeslag.’

Artikel 6 – Bestuur van ‘Hoofdstuk 2 Stichting Opleidings- en Ontwikkelingsfonds Bouw & Infra’ komt te luiden:

‘HOOFDSTUK 2 STICHTING OPLEIDINGS- EN ONTWIKKELINGSFONDS BOUW & INFRA

I. STATUTEN

Artikel 6 – Bestuur
  • 1. Het bestuur van de stichting bestaat uit tien natuurlijke personen.

  • 2. Bouwend Nederland benoemt, schorst en ontslaat vijf bestuursleden. Deze vijf bestuursleden worden aangeduid als de ‘wg-bestuursleden’.

  • 3. FNV benoemt, schorst en ontslaat drie bestuursleden. CNV Vakmensen benoemt, schorst en ontslaat twee bestuursleden. Deze vijf bestuursleden worden aangeduid als de ‘wn-bestuursleden’.

  • 4. Van nieuw te benoemen bestuursleden dient door de benoemende organisatie een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) overgelegd te worden aan het bestuur.

  • 5. Het bestuur benoemt uit zijn midden twee voorzitters: één van werkgeverszijde en één van werknemerszijde. Om beurten treden de voorzitters voor de tijd van een kalenderjaar als voorzitter en als tweede voorzitter op.

  • 6. De bestuursleden worden benoemd voor een periode van drie jaar en zijn onbeperkt herbenoembaar. Het bestuur stelt een rooster van aftreden op. In onvoorziene omstandigheden kan hiervan worden afgeweken.

  • 7. In tussentijdse vacatures wordt zo spoedig mogelijk voorzien.

  • 8. Bij de vervulling van hun taak richten de bestuursleden zich naar het belang van de stichting en de met haar verbonden organisatie.

  • 9. De organisatie die een bestuurslid overeenkomstig dit artikel heeft benoemd, kan het door hem benoemde bestuurslid te allen tijde schorsen en ontslaan.

    Het lidmaatschap van het bestuur eindigt tevens:

    • a. door overlijden van het bestuurslid;

    • b. ingeval het bestuurslid het vrije beheer en de vrije beschikking over zijn vermogen verliest;

    • c. door vrijwillig aftreden (bedanken) van het bestuurslid;

    • d. door ontslag door de rechtbank.

  • 10. Voor zover uit de wet niet anders voortvloeit, worden aan het bestuurslid vergoed:

    • a. de redelijke kosten van het voeren van verdediging tegen aanspraken wegens een handelen of nalaten in de uitoefening van zijn functie als lid van het bestuur;

    • b. eventuele schadevergoedingen of boetes die hij verschuldigd is wegens een hierboven onder a. vermeld handelen of nalaten;

    • c. de redelijke kosten van het optreden in andere rechtsgedingen waarin het bestuurslid als lid of als voormalig lid van het bestuur is betrokken met uitzondering van de gedingen waarin de bestuurder hoofdzakelijk een eigen vordering geldend maakt.

  • 11. Het bestuurslid heeft geen aanspraak op de vergoeding als hiervoor bedoeld indien en voor zover:

    • a. door de Nederlandse rechter bij gewijsde is of wordt vastgesteld dat het handelen of nalaten van het bestuurslid kan worden gekenschetst als opzettelijk of bewust roekeloos tenzij uit de wet anders voortvloeit of zulks in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn; of

    • b. hij de stichting niet zo spoedig als praktisch mogelijk schriftelijk in kennis heeft gesteld van de omstandigheid die tot de kosten of het vermogensverlies kan leiden respectievelijk van de kosten of het vermogensverlies; of

    • c. de kosten of het vermogensverlies van het bestuurslid is gedekt door een verzekering en de verzekeraar deze kosten of dit vermogensverlies heeft uitbetaald.

  • 12. Redelijke kosten en vermogensverlies worden door de stichting vergoed terstond na ontvangst van facturen of enig ander document waaruit de redelijke kosten of het vermogensverlies van het bestuurslid blijkt. Indien en voor zover door de Nederlandse rechter bij gewijsde is vastgesteld dat het bestuurslid geen aanspraak heeft op de vergoeding als hiervoor bedoeld, is hij gehouden de door de stichting vergoede bedragen terstond terug te betalen. De stichting kan van het bestuurslid adequate zekerheid verlangen voor deze terugbetalingsverplichting.

  • 13. Het bestuurslid dient instructies van de stichting in verband met de wijze van verdediging op te volgen en de wijze van verdediging vooraf af te stemmen met de stichting. Deze afstemming door het bestuurslid met de stichting ziet onder andere, maar niet uitsluitend, op de kosten van de juridische vertegenwoordiging van het bestuurslid en de vraag tot aan welke rechtsinstantie een eventueel rechtsgeding wordt voorgelegd. Het bestuurslid zal niet: (i) persoonlijke aansprakelijkheid erkennen, (ii) afzien van verweer en (iii) een schikking aangaan, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de stichting.

  • 14. De stichting kan ten behoeve van het bestuurslid verzekeringen tegen aansprakelijkheid afsluiten.

  • 15. Bestuursleden genieten geen bezoldiging ten laste van de stichting. Het bestuur treft een regeling inzake vacatiegelden en vergoeding van reis- en verblijfkosten.’

Artikel 7 – Bestuursvergaderingen van ‘Hoofdstuk 2 Stichting Opleidings- en Ontwikkelingsfonds Bouw & Infra’ komt te luiden:

‘Artikel 7 – Bestuursvergaderingen

  • 1. De vergaderingen van het bestuur worden gehouden op de plaats als bij de oproeping is bepaald. De oproeping tot een vergadering geschiedt met inachtneming van een oproeptermijn van ten minste vijf werkdagen, de dag van de oproeping en die van de vergadering niet meegerekend. De agenda voor de vergaderingen van het bestuur wordt met eventuele bijlagen door het bestuurssecretariaat aan de leden toegezonden.

  • 2. Vergaderingen van het bestuur kunnen ook worden gehouden door middel van telefonische- of videoconferenties, of door middel van enig ander communicatiemiddel, mits elke deelnemende bestuurder door alle anderen gelijktijdig kan worden gehoord.

  • 3. De vergaderingen worden geleid door de voorzitter. Indien deze afwezig is, wordt de vergadering geleid door de tweede voorzitter. Indien deze afwezig is, voorzien de aanwezige bestuursleden in de leiding van de vergadering.

    Van de beraadslagingen en besluiten in de vergadering van het bestuur worden notulen gehouden, welke notulen worden vastgesteld door de volgende vergadering.

  • 4. In een vergadering van het bestuur mogen geen besluiten worden genomen, als niet ten minste vier bestuursleden aanwezig zijn, waarvan twee wg-bestuursleden en twee wn-bestuursleden.

  • 5. In de vergaderingen van het bestuur heeft ieder bestuurslid één stem. Een besluit komt slechts tot stand indien zowel binnen de categorie van wg-bestuursleden als binnen de categorie van wn-bestuursleden de meerderheid van de uitgebrachte stemmen ten gunste van het betreffende voorstel is uitgebracht.

  • 6. Indien de stemmen staken, wordt de beslissing tot de volgende vergadering uitgesteld. Indien op die vergadering opnieuw de stemmen staken, wordt het voorstel geacht te zijn afgewezen.

  • 7. Het bestuur kan besluiten over de aanwezigheid van derden tijdens de bestuursvergaderingen.

  • 8. Een bestuurslid neemt niet deel aan de beraadslaging en besluitvorming indien hij/zij daarbij een direct of indirect persoonlijk belang heeft dat tegenstrijdig is met het belang van de stichting en de met haar verbonden organisatie. Wanneer hierdoor geen bestuursbesluit zou kunnen worden genomen, wordt het besluit desalniettemin genomen door het bestuur onder schriftelijke vastlegging van de overwegingen die aan het besluit ten grondslag liggen.

  • 9. In geval van ontstentenis of belet van één of meer bestuursleden is het (zijn de) overblijvende bestuurslid (bestuursleden) met het gehele bestuur belast. In geval van ontstentenis of belet van alle bestuursleden of van het enige bestuurslid wordt de stichting tijdelijk bestuurd door een persoon die daartoe door het bestuur steeds moet zijn aangewezen. Van ontstentenis is sprake wanneer een bestuurslid niet langer in functie is. Onder belet wordt in deze statuten in ieder geval verstaan de omstandigheid dat een bestuurslid gedurende een periode van meer dan zeven dagen onbereikbaar is door ziekte of andere oorzaken.

  • 10. Bij uitzondering kunnen, in spoedeisende gevallen ofwel in gevallen waarin geen twijfel mogelijk is, door beide voorzitters gezamenlijk voorlopige beslissingen en maatregelen worden genomen, die in de eerstvolgende vergadering van het bestuur ter bekrachtiging worden voorgedragen.’

Artikel 5 – Bestuur van ‘Hoofdstuk 3 Stichting Aanvullingsfonds Bouw & Infra’ komt te luiden:

‘HOOFDSTUK 3 STICHTING AANVULLINGSFONDS BOU & INFRA

I. STATUTEN

Artikel 5 – Bestuur
  • 1. Het bestuur van de stichting bestaat uit tien natuurlijke personen.

  • 2. Bouwend Nederland benoemt, schorst en ontslaat vijf bestuursleden. Deze vijf bestuursleden worden aangeduid als de ‘wg-bestuursleden’.

  • 3. FNV benoemt, schorst en ontslaat drie bestuursleden. CNV Vakmensen benoemt, schorst en ontslaat twee bestuursleden. Deze vijf bestuursleden worden aangeduid als de ‘wn-bestuursleden’.

  • 4. Van nieuw te benoemen bestuursleden dient door de benoemende organisatie een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) overgelegd te worden aan het bestuur.

  • 5. Het bestuur benoemt uit zijn midden twee voorzitters: één van werkgeverszijde en één van werknemerszijde. Om beurten treden de voorzitters voor de tijd van een kalenderjaar als voorzitter en als tweede voorzitter op.

  • 6. De bestuursleden worden benoemd voor een periode van drie jaar en zijn onbeperkt herbenoembaar. Het bestuur stelt een rooster van aftreden op. In onvoorziene omstandigheden kan hiervan worden afgeweken.

  • 7. In tussentijdse vacatures wordt zo spoedig mogelijk voorzien.

  • 8. Bij de vervulling van hun taak richten de bestuursleden zich naar het belang van de stichting en de met haar verbonden organisatie.

  • 9. De organisatie die een bestuurslid overeenkomstig dit artikel heeft benoemd, kan het door hem benoemde bestuurslid te allen tijde schorsen en ontslaan.

    Het lidmaatschap van het bestuur eindigt tevens:

    • a. door overlijden van het bestuurslid;

    • b. ingeval het bestuurslid het vrije beheer en de vrije beschikking over zijn vermogen verliest;

    • c. door vrijwillig aftreden (bedanken) van het bestuurslid;

    • d. door ontslag door de rechtbank.

  • 10. Voor zover uit de wet niet anders voortvloeit, worden aan het bestuurslid vergoed:

    • a. de redelijke kosten van het voeren van verdediging tegen aanspraken wegens handelen of nalaten in de uitoefening van zijn functie als lid van het bestuur;

    • b. eventuele schadevergoedingen of boetes die hij verschuldigd is wegens een hierboven onder a. vermeld handelen of nalaten;

    • c. de redelijke kosten van het optreden in andere rechtsgedingen waarin het bestuurslid als lid of als voormalig lid van het bestuur is betrokken met uitzondering van de gedingen waarin de bestuurder hoofdzakelijk een eigen vordering geldend maakt.

  • 11. Het bestuurslid heeft geen aanspraak op de vergoeding als hiervoor bedoeld indien en voor zover:

    • a. door de Nederlandse rechter bij gewijsde is of wordt vastgesteld dat het handelen of nalaten van het bestuurslid kan worden gekenschetst als opzettelijk of bewust roekeloos tenzij uit de wet anders voortvloeit of zulks in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn; of

    • b. hij de stichting niet zo spoedig als praktisch mogelijk schriftelijk in kennis heeft gesteld van de omstandigheid die tot de kosten of het vermogensverlies kan leiden respectievelijk van de kosten of het vermogensverlies; of

    • c. de kosten of het vermogensverlies van het bestuurslid is gedekt door een verzekering en de verzekeraar deze kosten of dit vermogensverlies heeft uitbetaald.

  • 12. Redelijke kosten en vermogensverlies worden door de stichting vergoed terstond na ontvangst van facturen of enig ander document waaruit de redelijke kosten of het vermogensverlies van het bestuurslid blijkt. Indien en voor zover door de Nederlandse rechter bij gewijsde is vastgesteld dat het bestuurslid geen aanspraak heeft op de vergoeding als hiervoor bedoeld, is hij gehouden de door de stichting vergoede bedragen terstond terug te betalen. De stichting kan van het bestuurslid adequate zekerheid verlangen voor deze terugbetalingsverplichting.

  • 13. Het bestuurslid dient instructies van de stichting in verband met de wijze van verdediging op te volgen en de wijze van verdediging vooraf af te stemmen met de stichting. Deze afstemming door het bestuurslid met de stichting ziet onder andere, maar niet uitsluitend, op de kosten van de juridische vertegenwoordiging van het bestuurslid en de vraag tot aan welke rechtsinstantie een eventueel rechtsgeding wordt voorgelegd. Het bestuurslid zal niet: (i) persoonlijke aansprakelijkheid erkennen, (ii) afzien van verweer en (iii) een schikking aangaan, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de stichting.

  • 14. De stichting kan ten behoeve van het bestuurslid verzekeringen tegen aansprakelijkheid afsluiten.

  • 15. Bestuursleden genieten geen bezoldiging ten laste van de stichting. Het bestuur treft een regeling inzake vacatiegelden en vergoeding van reis- en verblijfkosten.’

Artikel 6 – Bestuursvergaderingen van ‘Hoofdstuk 3 Stichting Aanvullingsfonds Bouw & Infra’ komt te luiden:

‘Artikel 6 – Bestuursvergaderingen

  • 1. De vergaderingen van het bestuur worden gehouden op de plaats als bij de oproeping is bepaald. De oproeping tot een vergadering geschiedt met inachtneming van een oproeptermijn van ten minste vijf werkdagen, de dag van de oproeping en die van de vergadering niet meegerekend. De agenda voor de vergaderingen van het bestuur wordt met eventuele bijlagen door het bestuurssecretariaat aan de leden toegezonden.

  • 2. Vergaderingen van het bestuur kunnen ook worden gehouden door middel van telefonische- of videoconferenties, of door middel van enig ander communicatiemiddel, mits elke deelnemende bestuurder door alle anderen gelijktijdig kan worden gehoord.

  • 3. De vergaderingen worden geleid door de voorzitter. Indien deze afwezig is, wordt de vergadering geleid door de tweede voorzitter. Indien deze afwezig is, voorzien de aanwezige bestuursleden in de leiding van de vergadering.

    Van de beraadslagingen en besluiten in de vergadering van het bestuur worden notulen gehouden, welke notulen worden vastgesteld door de volgende vergadering.

  • 4. In een vergadering van het bestuur mogen geen besluiten worden genomen, als niet ten minste vier bestuursleden aanwezig zijn, waarvan twee wg-bestuursleden en twee wn-bestuursleden.

  • 5. In de vergaderingen van het bestuur heeft ieder bestuurslid één stem. Een besluit komt slechts tot stand indien zowel binnen de categorie van wg-bestuursleden als binnen de categorie van wn-bestuursleden de meerderheid van de uitgebrachte stemmen ten gunste van het betreffende voorstel is uitgebracht.

  • 6. Indien de stemmen staken, wordt de beslissing tot de volgende vergadering uitgesteld. Indien op die vergadering opnieuw de stemmen staken, wordt het voorstel geacht te zijn afgewezen.

  • 7. Het bestuur kan besluiten over de aanwezigheid van derden tijdens de bestuursvergaderingen.

  • 8. Een bestuurslid neemt niet deel aan de beraadslaging en besluitvorming indien hij/zij daarbij een direct of indirect persoonlijk belang heeft dat tegenstrijdig is met het belang van de stichting en de met haar verbonden organisatie. Wanneer hierdoor geen bestuursbesluit zou kunnen worden genomen, wordt het besluit desalniettemin genomen door het bestuur onder schriftelijke vastlegging van de overwegingen die aan het besluit ten grondslag liggen.

  • 9. In geval van ontstentenis of belet van één of meer bestuursleden is het (zijn de) overblijvende bestuurslid (bestuursleden) met het gehele bestuur belast. In geval van ontstentenis of belet van alle bestuursleden of van het enige bestuurslid wordt de stichting tijdelijk bestuurd door een persoon die daartoe door het bestuur steeds moet zijn aangewezen. Van ontstentenis is sprake wanneer een bestuurslid niet langer in functie is. Onder belet wordt in deze statuten in ieder geval verstaan de omstandigheid dat een bestuurslid gedurende een periode van meer dan zeven dagen onbereikbaar is door ziekte of andere oorzaken.

  • 10. Bij uitzondering kunnen, in spoedeisende gevallen ofwel in gevallen waarin geen twijfel mogelijk is, door beide voorzitters gezamenlijk voorlopige beslissingen en maatregelen worden genomen, die in de eerstvolgende vergadering van het bestuur ter bekrachtiging worden voorgedragen.’

Artikel 1 – Definities van ‘IV. Reglement Zwaar Werk’ komt te luiden:

‘IV. REGLEMENT ZWAAR WERK

Artikel 1 – Definities

In dit reglement worden geacht te zijn opgenomen de definities omschreven in artikel 2 van de statuten. Verder wordt in afwijking van en in aanvulling op die definities verstaan onder:

1. AOW-gerechtigde leeftijd:

de pensioengerechtigde leeftijd zoals bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet.

2. Bouwplaatswerknemer:

de werknemer zoals bedoeld in artikel 1 lid 3 van deze cao.

3. Uitkeringsgerechtigde:

degene die op grond van het reglement zwaar werk, recht heeft op een uitkering.

4. Uittredingsdatum:

de dag waarop de arbeidsovereenkomst tussen de werknemer en zijn werkgever op verzoek van de werknemer feitelijk is beëindigd.

5. Uta-werknemer:

de werknemer zoals bedoeld in artikel 1 lid 13 van deze cao.

6. Werknemer:

de werknemer zoals bedoeld in artikel 2 lid 3 van deze cao in dienst van een werkgever zoals bedoeld in artikel 2 lid 2 van deze cao.’

Artikel 2 – Recht op uitkering van ‘IV. Reglement Zwaar Werk’ komt te luiden:

‘Artikel 2 – Recht op uitkering

  • 1. Recht op een uitkering, onder de voorwaarden als uitgewerkt in dit reglement, heeft de bouwplaatswerknemer die:

    • a. in de periode 1 januari 2021 tot en met 31 december 2025 op uittredingsdatum een leeftijd heeft bereikt die maximaal drie jaar voor zijn AOW-gerechtigde leeftijd ligt,

    • b. direct voorafgaand aan de uittredingsdatum bouwplaatswerknemer is,

    • c. op 1 juli 2019 en/of 1 januari 2020 bouwplaatswerknemer was, en

    • d. in de periode van 25 jaar direct voorafgaand aan de uittredingsdatum ten minste 20 jaar werkzaam is geweest in een onderneming vallend onder de werkingssfeer van deze cao als werknemer in de zin van artikel 1 lid 6 van dit reglement dan wel in een onderneming vallend onder de werkingssfeer van de cao Afbouw als werknemer in de zin van de cao Afbouw dan wel in een onderneming vallend onder de werkingssfeer van de cao Timmerindustrie als werknemer in de zin van de cao Timmerindustrie dan wel in een onderneming vallend onder de werkingssfeer van de cao voor de Bitumineuze en Kunststofdakbedekkingsbedrijven als werknemer in de zin van de cao voor de Bitumineuze en Kunststofdakbedekkingsbedrijven.

    Perioden van maximaal 6 maanden niet of elders werken tellen mee als gewerkte tijd.

  • 2. Met ingang van 1 januari 2022 geldt het volgende.

    Recht op een uitkering, onder de voorwaarden als uitgewerkt in dit reglement, heeft de uta-werknemer die:

    • a. in de periode 1 januari 2022 tot en met 31 december 2025 op uittredingsdatum een leeftijd heeft bereikt die maximaal drie jaar voor zijn AOW-gerechtigde leeftijd ligt,

    • b. direct voorafgaand aan de uittredingsdatum uta-werknemer is,

    • c. op 1 juli 2020 en/of 1 januari 2021 werknemer was in de zin van de cao en

    • d. in de periode van 25 jaar direct voorafgaand aan de uittredingsdatum:

      • ten minste 5 jaar werkzaam is geweest als bouwplaatswerknemer én

      • ten minste 20 jaar werkzaam is geweest in een onderneming vallend onder de werkingssfeer van deze cao als werknemer in de zin van artikel 1 lid 6 van dit reglement dan wel in een onderneming vallend onder de werkingssfeer van de cao Afbouw als werknemer in de zin van de cao Afbouw dan wel in een onderneming vallend onder de werkingssfeer van de cao Timmerindustrie als werknemer in de zin van de cao Timmerindustrie dan wel in een onderneming vallend onder de werkingssfeer van de cao voor de Bitumineuze en Kunststofdakbedekkingsbedrijven als werknemer in de zin van de cao voor de Bitumineuze en Kunststofdakbedekkingsbedrijven.

    Perioden van maximaal 6 maanden niet of elders werken tellen mee als gewerkte tijd.

  • 3. Geen recht op een uitkering heeft degene:

    • a. die op de uittredingsdatum een dienstbetrekking of een eigen onderneming heeft. Vrijwilligerswerk is toegestaan. Een vrijwilliger is iemand die:

      • voor de loonbelasting/premie volksverzekeringen niet in echte of fictieve dienstbetrekking is;

      • die niet ‘bij wijze van beroep’ werkt voor:

        • een organisatie die geen aangifte vennootschapsbelasting hoeft te doen,

        • een sportorganisatie of

        • een algemeen nut beogende instelling (ANBI); en

      • alleen een beloning krijgt die binnen de grenzen blijft van de vrijwilligersvergoeding zoals genoemd in artikel 2 lid 6 Wet op de loonbelasting 1964;

    • b. die recht heeft op een IVA-uitkering, WW-uitkering of ZW-uitkering;

    • c. wiens registratie bij de uitvoeringsorganisatie voorafgaand aan de uittredingsdatum is gewijzigd van uta-werknemer in bouwplaatswerknemer;

    • d. die met pensioen is gegaan en gestopt met werken en die vervolgens weer gaat werken.’

Dictum II

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en heeft geen terugwerkende kracht.

’s-Gravenhage, 30 november 2022

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, namens deze, De directeur Uitvoeringstaken Arbeidsvoorwaardenwetgeving, M.H.M. van der Goes


X Noot
1

Stcrt. 2020, nr. 58904; laatstelijk gewijzigd bij besluit van 11 augustus 2021 (Stcrt. 2021, nr. 35977)

Naar boven