Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid | Staatscourant 2021, 35977 | algemeenverbindendverklaring van cao-bepalingen |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid | Staatscourant 2021, 35977 | algemeenverbindendverklaring van cao-bepalingen |
Bouw & Infra
Bedrijfstakeigen Regelingen 2021/2025
Verbindendverklaring gewijzigde cao-bepalingen
MINISTERIE VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
Gelezen het verzoek van het Technisch Bureau Bouw en Infra namens partijen bij bovengenoemde collectieve arbeidsovereenkomst, strekkende tot algemeenverbindendverklaring van gewijzigde bepalingen van deze collectieve arbeidsovereenkomst;
Partijen ter ener zijde: Bouwend Nederland, de vereniging van bouw- en infrabedrijven, Bond van Aannemers van Tegelwerken in Nederland (Bovatin), Vereniging van Steiger-, Hoogwerk- en Betonbekistingbedrijven (VSB), Vereniging van Infrabedrijven MKB INFRA, Boorinfo Branche Vereniging, Ondernemersorganisatie MKB Bouw, Vereniging Wapeningsstaal Nederland (VWN), Vereniging voor aannemers in de sloop (VERAS), Noordelijke Vereniging Burgerlijke- en Utiliteitsbouw (NVBU), Ondernemersvereniging Bestratingsbedrijven Nederland (OBN), Vereniging Gebouwgeschil Nederland, secties Metselen en Voegen, WoningBouwers NL en Vereniging van Waterbouwers;
Partijen ter andere zijde: FNV en CNV Vakmensen.nl.
Gelet op de artikelen 2, 4 en 5 van de Wet op het algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten;
Besluit:
Het besluit tot algemeenverbindendverklaring van bepalingen van de collectieve arbeidsovereenkomst Bedrijfstakeigen Regelingen Bouw & Infra1 wordt met inachtneming van dictum II als volgt gewijzigd:
A
De onder dictum I opgenomen bepalingen worden als volgt gewijzigd:
De Collectieve Ongevallenregeling van Hoofdstuk 2 Stichting Opleidings- en Ontwikkelingsfonds Bouw & Infra komt te luiden:
In deze regeling wordt verstaan onder:
een plotselinge, ongewilde, van buiten komende inwerking van geweld op het lichaam die plaatsvindt en die rechtstreeks, objectief geneeskundig vast te stellen lichamelijk letsel veroorzaakt met blijvende invaliditeit of de dood als gevolg;
Onder ongeval wordt tevens verstaan:
– Complicaties of verergeringen in de toestand van de deelnemer na een ongeval, optredende als rechtstreeks gevolg van eerstehulpverlening of van een medisch noodzakelijke behandeling.
– Zonnesteek, zonnebrand, bevriezing, verdrinking, verstikking, blikseminslag of andere elektrische ontlading, hitteberoerte en etsing door bijtende stoffen.
– Uitputting, verhongering en/of verdorsting ontstaan als gevolg van overstroming, insneeuwing, invriezing, noodlanding, schipbreuk of enige andere onvrijwillige afzondering van de buitenwereld.
– Besmetting door ziektekiemen en elke vorm van niet-bacteriële vergiftiging en allergische reacties na contact met enige vaste, vloeibare of gasvormige allergene stof mits de gevolgen zich binnen 1 jaar na het ongeval manifesteren.
– Verrekking, verstuiking, ontwrichting, scheuring van spieren en weefsels (ook indien ontstaan door een plotselinge krachtsinspanning).
– Huidletsel aan handen en voeten in korte tijd ontstaan door wrijving met harde voorwerpen.
– Miltvuur, koepokken, mond- en klauwzeer, trichophytie (ringvuur), ziekte van Bang en sarcoptesschurft.
– Het ontstaan van wondinfectie en de daaruit voortvloeiende gevolgen en bloedvergiftiging door een gedekt ongeval.
– Lichamelijke functiebeperkingen als gevolg van een acceleratie/deceleratie trauma in de cervicale wervelkolom (Whiplash).
Ongevallen ten gevolge van bestaande ziekten, lichamelijke of geestelijke gebreken en afwijkingen vallen onder deze regeling.
onherstelbaar geheel of gedeeltelijk verlies, dan wel objectiveerbaar verlies van gebruiksvermogen van enig deel of orgaan van het lichaam van de deelnemer.
de stichting die de middelen voor de uitvoering van deze regeling ter beschikking stelt.
1. alle werknemers in de zin van de cao BTER Bouw & Infra;
2. alle overige werknemers op wie de cao BTER Bouw & Infra van toepassing is;
een en ander voor zover de onder 1 en 2 vermelde werknemers werkzaam zijn in een dienstverband dat gebaseerd is op een werkweek van ten minste 10 werkuren;
3. stagiairs waarop de Stageregeling bouw & infra van toepassing is.
degene aan wie de uitkering geschiedt. In geval van blijvende invaliditeit geschiedt de uitkering aan de deelnemer. In geval van overlijden geschiedt de uitkering aan:
– de echtgeno(o)t(e) of geregistreerd partner indien de deelnemer op het moment van overlijden gehuwd is of een geregistreerd partnerschap heeft;
– de partner, zoals vermeld in het notarieel samenlevingscontract, waarmee de deelnemer op het moment van overlijden ongehuwd samenwoont;
Bij ontstentenis van de echtgeno(o)t(e) c.q. partner geschiedt de uitkering aan de erfgenamen. In afwijking daarvan kan de deelnemer een ander als begunstigde aanwijzen, in welk geval de aldus aangewezene geldt als begunstigde vanaf het moment dat het O&O-fonds de mededeling van die aanwijzing heeft ontvangen.
De Staat der Nederlanden kan nimmer begunstigde zijn.
de dekking onder deze regeling is van kracht gedurende de tijd dat de deelnemer werkzaamheden voor zijn werkgever verricht, alsmede het rechtstreeks komen naar en gaan van huis naar de plaats waar de arbeid wordt verricht, volgens de meest gebruikelijke weg. De dekking is eveneens van kracht tijdens het bijwonen en het rechtstreeks gaan naar of komen van de plaats waar beroepsgerelateerde activiteiten worden verricht. Het beroepsgerelateerde karakter van de activiteiten dient, ten genoegen van het bestuur van het O&O-fonds, aangetoond te worden door de deelnemer.
Rubriek A: EUR 25.000,00 bij overlijden als gevolg van een ongeval.
Rubriek B: EUR 50.000,00 als maximum in geval van algehele blijvende invaliditeit als gevolg van een ongeval, met gedeeltelijke uitkering in geval van gedeeltelijke blijvende invaliditeit als gevolg van een ongeval.
1. Bij overlijden
1. Uitkering bij overlijden
Bij overlijden van de deelnemer als rechtstreeks gevolg van een ongeval, keert het O&O-fonds het in de regeling vermelde bedrag uit.
2. Overlijden na invaliditeit
Heeft het O&O-fonds ter zake van hetzelfde ongeval reeds uitkering verleend wegens blijvende invaliditeit, dan wordt laatstgenoemde uitkering in mindering gebracht op de uitkering bij overlijden. Is de reeds verleende uitkering wegens blijvende invaliditeit echter hoger dan de uitkering bij overlijden, dan vordert het O&O-fonds het verschil niet terug.
3. Repatriëringskosten
Indien een deelnemer ten gevolge van een ongeval tijdens een verblijf buiten Nederland komt te overlijden, vergoedt het O&O-fonds, in aanvulling op de uitkering bij overlijden, de kosten van repatriëring van het stoffelijk overschot tot ten hoogste € 11.345,00. Deze vergoeding wordt uitsluitend verleend ingeval van gemaakte kosten van repatriëring en op de secundaire basis zoals omschreven in artikel 2.3.
4. Vermissing
Ingeval een deelnemer gedurende een periode van langer dan 6 maanden wordt vermist en het O&O-fonds geen bewijzen blijkt te kunnen leveren dat zich iets anders heeft voorgedaan dan een ongeval wordt het bedrag bij overlijden (rubriek A) uitgekeerd. Mocht op enig moment blijken dat de deelnemer toch nog in leven is kan het O&O-fonds de uitkering terugvorderen.
2. Bij blijvende invaliditeit
1. Vaststelling van invaliditeit
In geval van blijvende invaliditeit als rechtstreeks gevolg van een ongeval wordt, afhankelijk van de mate van invaliditeit, de uitkering onder rubriek B of een gedeelte daarvan betaalt met inachtneming van de hierna genoemde percentages:
|
a. |
bij volledig verlies of onbruikbaarheid van: |
|
|
arm of hand |
75% |
|
|
been of voet |
70% |
|
|
duim |
25% |
|
|
wijsvinger |
20% |
|
|
ring- of middelvinger |
12% |
|
|
pink |
10% |
|
|
grote teen |
10% |
|
|
enige andere teen |
5% |
|
|
het visueel systeem |
100% |
|
|
het gehoor op één oor |
30% |
|
|
het gehoor op beide oren |
65% |
|
|
een nier |
20% |
|
|
de milt |
10% |
|
|
een long |
30% |
|
|
het smaakvermogen |
10% |
|
|
het reukvermogen |
10% |
|
|
het spraakvermogen |
50% |
|
|
de rug |
100% |
|
|
b. |
bij algehele ongeneeslijke verlamming |
100% |
|
c. |
bij algeheel verlies dan wel ongeneeslijke stoornis der geestvermogens mits deze rechtstreeks voortvloeit uit bij het ongeval ontstaan en geneeskundig vast te stellen hersenletsel |
100% |
2. Keuzeclausule
In alle gevallen die niet in artikel 2.2.1 a t/m c zijn vermeld, wordt de mate van invaliditeit vastgesteld door een door het O&O-fonds daartoe aangewezen deskundige volgens objectieve maatstaven en wel:
– zoveel mogelijk overeenkomstig de laatste uitgave van de "Guides to the Evaluation of Permanent Impairment" van the American Medical Association (A.M.A.), alsmede de richtlijnen van de Nederlandse Vereniging voor Neurologie en de Nederlandse Orthopaedische Vereniging. Bij onderlinge verschillen zal worden uitgegaan van de hoogst aanbevolen mate van blijvende invaliditeit; en
– op basis van de werkzaamheden, die voor de krachten en bekwaamheden van de deelnemer zijn berekend en die met het oog op zijn opleiding en vroegere werkzaamheden in redelijkheid van hem verwacht kunnen worden.
Op basis van het hoogste van de aldus vastgestelde percentages vindt vervolgens uitkering krachtens rubriek B plaats.
3. Gedeeltelijk verlies
Bij gedeeltelijk verlies of verlies van gebruiksvermogen van enig lichaamsdeel of orgaan wordt een evenredig percentage uitgekeerd. Bij verlies of verlies van gebruiksvermogen van meer vingers van eenzelfde hand wordt nooit meer uitgekeerd dan voor verlies of verlies van gebruiksvermogen van de gehele hand. Bij verlies of verlies van gebruiksvermogen van meer lichaamsdelen of organen wordt nooit meer uitgekeerd dan de uitkering voor algehele invaliditeit.
4. Invloed hulpmiddelen
De mate van invaliditeit zal worden vastgesteld op basis van het verlies of verlies van gebruiksvermogen zonder rekening te houden met uitwendig geplaatste kunst- en hulpmiddelen. Indien inwendig kunst- of hulpmiddelen zijn geplaatst, wordt met het daardoor verkregen geringere verlies of verlies van gebruiksvermogen wel rekening gehouden.
5. Tandheelkundige kosten
In aanvulling op de uitkering bij blijvende invaliditeit worden de gemaakte kosten van tandheelkundige behandeling die als gevolg van een ongeval noodzakelijk is, tot een maximum van 10% van de uitkering onder rubriek B, per ongeval, vergoed.
Onder de kosten van tandheelkundige behandeling worden verstaan de kosten van vervanging of reparatie van een natuurlijk gebitselement en van de aanschaffing, vervanging of reparatie van een prothese.
Deze dekking geschiedt echter op secundaire basis zoals omschreven in artikel 2.3.
6. Kosten plastische chirurgie
In aanvulling op de uitkering bij blijvende invaliditeit worden de gemaakte kosten van plastische chirurgie om een als gevolg van een ongeval ontstane misvorming, mismaking of ontsiering te behandelen, tot ten hoogste 10% van de uitkering onder rubriek B, per ongeval vergoed, mits:
– naar het oordeel van een door het O&O-fonds daartoe aangewezen plastisch chirurg een redelijke kans op verbetering of herstel bestaat;
– de behandeling plaatsvindt binnen twee jaar na het ongeval.
Onder de kosten van plastische chirurgie worden verstaan de kosten verband houdende met de operatie of poliklinische behandeling, de kosten van voorgeschreven medicamenten en verbandmiddelen, alsmede de kosten van verpleging in het ziekenhuis.
Deze dekking geschiedt echter op secundaire basis zoals omschreven in artikel 2.3.
7. Whiplash
Ten aanzien van een acceleratie/deceleratietrauma van de cervicale wervelkolom, waarbij sprake is van klachten evenwel zonder objectief vast te stellen afwijkingen en waarbij verder wordt voldaan aan de criteria van het postwhiplash syndroom, zoals opgesteld door de Nederlandse Vereniging voor Neurologie, wordt bepaald dat hiervoor maximaal 8% van het verzekerde bedrag voor blijvende invaliditeit wordt uitgekeerd. Aanwijzingen voor afwijkingen welke met hulponderzoek, zoals neuropsychologisch testen of vestibulair onderzoek zijn verkregen, geven geen recht op een uitkering boven dit maximum van 8%.
8. Reeds bestaande invaliditeit
Bij verlies of verlies van gebruiksvermogen van een lichaamsdeel of orgaan dat reeds vóór het ongeval was beschadigd of gedeeltelijk zijn/haar functie had verloren, zal bij de vaststelling van de uitkering rekening worden gehouden met het verschil tussen de toestand vóór en na het ongeval.
Echter indien sprake is van volledig verlies of algehele onbruikbaarheid van het gezichtsvermogen op een gezond oog indien ten tijde van het ongeval het gezichtsvermogen op het andere oog reeds volledig was verloren of algeheel onbruikbaar was geworden zal toch volledige blindheid in de zin van de regeling worden aangenomen.
Indien ter zake van het bestaande gemis aan gezichtsvermogen reeds uitkering krachtens deze regeling is gedaan blijft hetgeen is bepaald in de eerste alinea van dit artikel onverminderd van kracht.
9. Vergoedingstermijn
Zolang de mate van invaliditeit niet definitief is vast te stellen heeft het O&O-fonds het recht de vaststelling van de uitkering uit te stellen tot ten hoogste drie jaar na het ongeval. In dat geval vergoedt het O&O-fonds zodra een termijn van zes maanden na het ongeval is verstreken een rente van 6% per jaar over het uiteindelijk uit te keren bedrag. In het geval dat de melding van het ongeval meer dan drie maanden na het ongeval heeft plaatsgevonden, worden de zes maanden berekend vanaf het moment van melding van het ongeval bij het O&O-fonds.
In het in de eerste alinea van dit artikel bedoelde geval wordt de mate van invaliditeit drie jaar na het ongeval vastgesteld aan de hand van de toestand waarin de deelnemer op dat moment verkeert.
Indien de deelnemer binnen twee jaar na het ongeval overlijdt – doch niet als gevolg van het bedoelde ongeval of van een ander geval waarvoor door het O&O-fonds uitkering zal worden verleend – en de uitkering wegens blijvende invaliditeit nog niet is vastgesteld, zal de uitkering worden verleend naar de mate van invaliditeit, geconstateerd bij het laatste geneeskundig onderzoek dat werd ingesteld. Indien de mate van blijvende invaliditeit is vastgesteld, zullen uit nadien optredende wijzigingen geen aanspraken ontstaan op aanvullende uitkeringen noch op terugvordering van reeds verrichte uitkeringen.
10. Betaling en kwijting
De betaling van de uitkering geschiedt binnen drie weken na ontvangst van een door de begunstigde ingevulde en ondertekende kwijtingskwitantie, waarin aan de risicodrager volledige kwijting wordt verleend.
3. Secundaire dekking
Waar in deze voorwaarden wordt gesproken over secundaire dekking geeft de onderhavige regeling geen recht op vergoeding van schade die onder enige verzekering is gedekt, of gedekt zou zijn indien de onderhavige regeling niet bestond. Indien de regeling onder deze verzekering moeilijkheden oplevert, of indien de deelnemer om enige reden onder de onderhavige regeling wenst te reclameren, zal het O&O-fonds het schadebedrag op basis van een renteloze lening aan de deelnemer of begunstigde voorschieten. Het terugbetalen van deze lening zal afhangen van en slechts geschieden tot het bedrag dat op deze elders lopende verzekering kan worden verhaald. De deelnemer of begunstigde zal uiteraard alle medewerking bij dit verhaal verlenen, waaronder het cederen van de rechten op deze elders lopende verzekering.
4. Maximum per gebeurtenis
Binnen de ongevallenregeling geldt een maximum per gebeurtenis van EUR 2.500.000,00.
1. Overschrijding maximum per gebeurtenis
In het geval dat zich een gebeurtenis voordoet waarbij zoveel deelnemers zijn betrokken dat het in de aanhef van dit artikel genoemde maximum wordt overschreden dan zullen de uitkeringen per persoon naar evenredigheid worden verlaagd tot het genoemde maximum is bereikt.
2. Werking artikel
Dit artikel heeft met name werking indien zich een situatie voordoet, waarbij of waardoor op zodanig grote schaal deelnemers worden getroffen, dat de financiële middelen van het O&O-fonds onvoldoende dreigen te zijn om de uitkering aan alle deelnemers te kunnen doen.
1. Uitsluitingen
Geen recht op uitkering bestaat ter zake van:
1. Opzet
Ongevallen opzettelijk veroorzaakt door de deelnemer of de belanghebbenden.
2. Misdrijven
Ongevallen die plaatsvinden bij het door de deelnemer opzettelijk plegen van of deelnemen aan een misdrijf (verkeersmisdrijven uitgezonderd) of pogingen daartoe.
3. Atoomkernreacties
Ongevallen veroorzaakt door, optredende bij of voortvloeiende uit atoomkernreacties, onverschillig hoe de reactie is ontstaan. Onder atoomkernreacties wordt verstaan iedere kernreactie waarbij energie vrijkomt zoals kernfusie, kernsplijting, kunstmatige en natuurlijke radioactiviteit.
De in de eerste alinea van dit artikel omschreven uitsluiting geldt echter niet met betrekking tot radioactieve nucliden die zich buiten een kerninstallatie bevinden en gebruikt worden of bestemd zijn voor industriële, commerciële, landbouwkundige, medische, wetenschappelijke, onderwijskundige of beveiligingsdoeleinden, mits hiervoor door de overheid een vergunning (voor zover vereist) is afgegeven. Onder een kerninstallatie wordt verstaan een kerninstallatie in de zin van de Wet Aansprakelijkheid Kernongevallen (Staatsblad 1979-225).
4. Molest
Ongevallen veroorzaakt door of ontstaan uit gewapend conflict, burgeroorlog, opstand, binnenlandse onlusten, oproer en muiterij. De hier genoemde vormen van molest, alsmede de definities daarvan, vormen een onderdeel van de tekst, die door het Verbond van Verzekeraars op 2 november 1981 ter griffie van de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage is gedeponeerd.
In afwijking van het bepaalde in de eerste alinea van dit artikel zal wel uitkering worden verleend indien deze ongevallen niet zijn veroorzaakt door of in verband staan met deelname – anders dan ter bescherming van eigen leven of dat van lotgenoten – aan één der genoemde acties, dan wel het zich – door handeling of uitlating – blootstellen aan enige strafmaatregel.
Eveneens in afwijking van het bepaalde in de eerste alinea van dit artikel zal gedurende 10 dagen nog dekking worden verleend indien de deelnemer tijdens een verblijf in het buitenland door één der genoemde acties werd verrast.
1. Ongeval met letsel
1. Aanmelding
In geval van een ongeval waaruit voor de deelnemer blijvende invaliditeit zou kunnen ontstaan, is de deelnemer verplicht binnen 3 maanden nadat de gevolgen van een ongeval zich openbaren aan het O&O-fonds kennis te geven van alle bijzonderheden met betrekking tot het ongeval en de gevolgen daarvan, en met name het ongevallenformulier volledig en waarheidsgetrouw in te vullen, en alle verder gevraagde inlichtingen dienaangaande volledig en waarheidsgetrouw te verstrekken.
Het recht op uitkering vervalt in ieder geval indien kennisgeving van een ongeval meer dan vijf jaar na de datum van het ongeval plaatsvindt.
2. Meewerken aan herstel
De deelnemer is verplicht:
– zich direct onder geneeskundige behandeling te stellen en daaronder te blijven, indien dit redelijkerwijs is geboden;
– zich herstelbevorderend te gedragen en tenminste de voorschriften van de behandelend arts op te volgen;
– het O&O-fonds op de hoogte te houden van het verloop van het herstel.
3. Onderzoek door een geneeskundige
De deelnemer is verplicht zich desgevraagd op kosten van het O&O-fonds te laten onderzoeken door een door het O&O-fonds in Nederland aan te wijzen arts of zich voor onderzoek te laten opnemen in een door het O&O-fonds in Nederland aan te wijzen ziekenhuis of andere medische inrichting. De gemaakte reiskosten zullen worden vergoed op kosten van openbaar vervoer in de 2e klasse, dan wel op basis van de kilometervergoeding zoals deze jaarlijks door de Belastingdienst wordt vastgesteld voor onbelaste vergoeding. Indien de deelnemer in het buitenland verblijft zal worden uitgegaan van een vergoeding op basis van een dagkaart openbaar vervoer in de 2e klasse binnen Nederland. De kosten van arbeidsverzuim, ongeacht door wie geleden, worden nimmer vergoed.
2. Ongeval met dodelijke afloop
1. Aanmelding
In geval van een ongeval, waarbij de deelnemer overlijdt, zijn de begunstigden verplicht daarvan tenminste 48 uur voor de begrafenis of crematie aangifte te doen bij het O&O-fonds en onverwijld alle bijzonderheden, waarover zij de beschikking hebben of krijgen mede te delen. Indien melding plaatsvindt meer dan 48 uur na het ongeval dienen de begunstigden ten genoegen van het O&O-fonds aan te tonen dat hen redelijkerwijs inzake de verlate aangifte geen verwijt kan worden gemaakt.
2. Vaststelling doodsoorzaak
De begunstigden zijn verplicht toestemming te verlenen tot en medewerking te verlenen aan een onderzoek tot vaststelling van de doodsoorzaak.
3. Niet nakomen verplichtingen
1. Verval van recht op uitkering
Indien de in dit artikel 4 omschreven verplichtingen niet of niet tijdig zijn nagekomen en daardoor de belangen van het O&O-fonds zijn geschaad is de deelnemer jegens het O&O-fonds aansprakelijk voor de schade die zij daardoor lijdt.
2. Opzet tot misleiding
Elk recht op uitkering vervalt indien de deelnemer of een belanghebbende in verband met een ongeval opzettelijk onjuiste informatie verstrekt.
Alle mededelingen door de werkgever, de deelnemer of een begunstigde aan het O&O-fonds,
alsmede alle mededelingen door het O&O-fonds aan de werkgever, de deelnemer of een begunstigde kunnen rechtsgeldig worden gedaan aan de makelaar Aon Consulting Nederland te Rotterdam.
Adres: AON
Postbus 3234
4800 DE Breda
Telefoon: 010 - 448 7821
E-mail: claims.nederland@aon.nl o.v.v. ongevallenregeling cao Bouw & Infra
Geschillen voortvloeiende uit deze regeling zullen worden voorgelegd aan de bevoegde rechter in Nederland, tenzij tussen partijen wordt overeengekomen op andere wijze tot overeenstemming te geraken.
Voordat een geschil conform het bepaalde in artikel 6 van de Algemene en bijzondere voorwaarden van de ongevallenregeling aan de rechter wordt onderworpen, kan het geschil omtrent een uitkering na een ongeval worden voorgelegd aan het bestuur van het O&O-fonds. Dit bestuur zal in het geschil bemiddelen teneinde tot een redelijk vergelijk te komen. Het bestuur van het O&O-fonds heeft de mogelijkheid om bij verschil van mening omtrent een uitkering de hulp in te roepen van een onafhankelijk medisch adviseur. Deze medisch adviseur kan optreden voor en namens de werknemer die door een ongeval getroffen is. Hij kan met de medisch adviseur, welke op grond van deze regeling het standpunt heeft ingenomen, gegevens uitwisselen en daarover collegiaal overleg plegen. Op deze wijze is het mogelijk tot een redelijk vergelijk te komen en kan de deelnemer ervan overtuigd zijn dat zijn belangen door een neutrale deskundige zo goed mogelijk worden behartigd. Nadere inlichtingen zijn te verkrijgen bij het O&O-fonds Bouw & Infra, Postbus 1128, 3840 BC Harderwijk.’
Het Reglement Zwaar Werk van Hoofdstuk 3 Stichting Aanvullingsfonds Bouw & Infra komt te luiden:
In dit reglement worden geacht te zijn opgenomen de definities omschreven in artikel 2 van de statuten. Verder wordt in afwijking van en in aanvulling op die definities verstaan onder:
de pensioengerechtigde leeftijd zoals bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet.
de werknemer zoals bedoeld in artikel 1 lid 4 van deze cao.
degene die op grond van het reglement zwaar werk, recht heeft op een uitkering.
de dag waarop de arbeidsovereenkomst tussen de werknemer en zijn werkgever op verzoek van de werknemer feitelijk is beëindigd.
de werknemer zoals bedoeld in artikel 1 lid 13 van deze cao.
de werknemer zoals bedoeld in artikel 2 lid 3 van deze cao in dienst van een werkgever zoals bedoeld in artikel 2 lid 2 van deze cao.
1. Recht op een uitkering, onder de voorwaarden als uitgewerkt in dit reglement, heeft de bouwplaatswerknemer die:
a. in de periode 1 januari 2021 tot en met 31 december 2025 op uittredingsdatum een leeftijd heeft bereikt die maximaal drie jaar voor zijn AOW-gerechtigde leeftijd ligt,
b. direct voorafgaand aan de uittredingsdatum bouwplaatswerknemer is,
c. op 1 juli 2019 en/of 1 januari 2020 bouwplaatswerknemer was, en
d. in de periode van 25 jaar direct voorafgaand aan de uittredingsdatum ten minste 20 jaar werkzaam is geweest in een onderneming vallend onder de werkingssfeer van deze cao als werknemer in de zin van artikel 1 lid 6 van dit reglement dan wel in een onderneming vallend onder de werkingssfeer van de cao Afbouw als werknemer in de zin van de cao Afbouw dan wel in een onderneming vallend onder de werkingssfeer van de cao Timmerindustrie als werknemer in de zin van de cao Timmerindustrie.
Perioden van maximaal 6 maanden niet of elders werken tellen mee als gewerkte tijd.
2. Met ingang van 1 januari 2022 geldt het volgende.
Recht op een uitkering, onder de voorwaarden als uitgewerkt in dit reglement, heeft de uta-werknemer die:
a. in de periode 1 januari 2022 tot en met 31 december 2025 op uittredingsdatum een leeftijd heeft bereikt die maximaal drie jaar voor zijn AOW-gerechtigde leeftijd ligt,
b. direct voorafgaand aan de uittredingsdatum werknemer is,
c. op 1 juli 2020 en/of 1 januari 2021 werknemer was in de zin van de cao en
d. in de periode van 25 jaar direct voorafgaand aan de uittredingsdatum:
– ten minste 5 jaar werkzaam is geweest als bouwplaatswerknemer én
– ten minste 20 jaar werkzaam is geweest in een onderneming vallend onder de werkingssfeer van deze cao als werknemer in de zin van artikel 1 lid 6 van dit reglement dan wel in een onderneming vallend onder de werkingssfeer van de cao Afbouw als werknemer in de zin van de cao Afbouw dan wel in een onderneming vallend onder de werkingssfeer van de cao Timmerindustrie als werknemer in de zin van de cao Timmerindustrie. Perioden van maximaal 6 maanden niet of elders werken tellen mee als gewerkte tijd.
3. Geen recht op een uitkering heeft degene:
a. die op de uittredingsdatum een dienstbetrekking of een eigen onderneming heeft. Vrijwilligerswerk is toegestaan. Een vrijwilliger is iemand die:
– voor de loonbelasting/premie volksverzekeringen niet in echte of fictieve dienstbetrekking is;
– die niet 'bij wijze van beroep' werkt voor:
• een organisatie die geen aangifte vennootschapsbelasting hoeft te doen,
• een sportorganisatie of
• een algemeen nut beogende instelling (ANBI); en
– alleen een beloning krijgt die binnen de grenzen blijft van de vrijwilligersvergoeding zoals genoemd in artikel 2 lid 6 Wet op de loonbelasting 1964;
b. die recht heeft op een IVA-uitkering, WW-uitkering of ZW-uitkering;
c. wiens registratie bij de uitvoeringsorganisatie voorafgaand aan de uittredingsdatum is gewijzigd van uta-werknemer in bouwplaatswerknemer;
d. die met pensioen is gegaan en gestopt met werken en die vervolgens weer gaat werken.
1. Aan de uitkeringsgerechtigde wordt een maandelijkse uitkering in de zin van deze regeling toegekend met ingang van de uittredingsdatum. De uitkering wordt voor maximaal 36 maanden toegekend.
2. De maandelijkse bruto uitkering is € 1.766,67. Dit geldt voor de uitkeringsgerechtigde die voorafgaand aan de uittredingsdatum werkzaam was op basis van een arbeidsovereenkomst met een arbeidsduur van 40 uur per week.
3. Met ingang van 1 januari 2022 wordt het in lid 2 genoemde uitkeringsbedrag jaarlijks op 1 januari verhoogd met de in de cao Bouw & Infra overeengekomen structurele loon- en salarisverhogingen van het voorgaande jaar, tot maximaal de wettelijke RVU-drempelvrijstelling. De verhoging geldt voor uitkeringen die op of na 1 januari worden uitbetaald.
4. De uitkering wordt maandelijks door de uitvoeringsorganisatie aan de uitkeringsgerechtigde betaald, onder aftrek van de wettelijk verplichte inhoudingen. De uitkeringsgerechtigde ontvangt jaarlijks een specificatie van de betaalde uitkering.
5. De uitkeringsgerechtigde die voorafgaand aan de uitredingsdatum gedeeltelijk arbeidsgeschikt was, heeft recht op een uitkering naar rato van het gedeelte dat hij arbeidsgeschikt is.
6. De uitkeringsgerechtigde die voorafgaand aan de uittredingsdatum een parttime dienstverband had, heeft recht op een uitkering naar rato van zijn arbeidsduur.
7. Degene wiens parttime dienstverband voorafgaand aan de uittredingsdatum is gewijzigd in die zin dat de arbeidsduur is verhoogd, heeft recht op een uitkering naar rato van de arbeidsduur vóór deze verhoging.
1. Het recht op uitkering op grond van deze regeling eindigt met ingang van de dag waarop de uitkeringsgerechtigde de voor hem geldende AOW-gerechtigde leeftijd bereikt.
2. Het recht op uitkering eindigt vóór de in het eerste lid bedoelde datum als de uitkeringsgerechtigde:
a. opnieuw een dienstbetrekking aanvaardt, en wel met ingang van de eerste dag waarop hij in die dienstbetrekking werkzaam is;
b. zich als ondernemer vestigt en wel met ingang van de vestigingsdatum.
3.
a. Ingeval van overlijden van de uitkeringsgerechtigde wordt de uitkering maandelijks door de uitvoeringsorganisatie betaald aan diens partner, zoals gedefinieerd in het pensioenreglement van bpfBOUW. Dit gebeurt onder dezelfde voorwaarden en beperkingen, met dien verstande dat:
– de uitkering eindigt met ingang van de dag waarop de overleden uitkeringsgerechtigde zijn AOW-gerechtigde leeftijd zou hebben bereikt;
– ingeval van overlijden van de partner de uitkering eindigt met ingang van de eerste dag van de derde maand na de maand waarin het overlijden plaatsvond.
b. Ingeval van overlijden van de uitkeringsgerechtigde die geen partner heeft zoals gedefinieerd in het pensioenreglement van bpfBOUW, eindigt de uitkering met ingang van de eerste dag van de derde maand na de maand waarin het overlijden plaatsvond.
1. De werknemer die in aanmerking wenst te komen voor een uitkering op grond van deze regeling dient minimaal drie maanden vóór de uittredingsdatum een daartoe strekkende aanvraag in.
2. De werknemer die in aanmerking wenst te komen voor de uitkering dient bij de aanvraag alle informatie in waarom wordt gevraagd.
3. De aanvraag wordt ingediend bij de uitvoeringsorganisatie met gebruikmaking van het daartoe bestemde aanvraagformulier, dat volledig en naar waarheid wordt ingevuld en ondertekend, en onder bijvoeging van de gevraagde bewijsstukken.
4. Tevens dient de werknemer die in aanmerking wenst te komen voor de uitkering alle informatie in waarvan hem bekend is dat die relevant is voor het vaststellen van zijn recht op uitkering.
5. De werknemer die in aanmerking wenst te komen voor de uitkering verklaart zich bij zijn aanvraag akkoord met de op hem van toepassing zijnde rechten en verplichtingen die voortvloeien uit dit reglement.
6. Binnen zes weken na ontvangst van de aanvraag wordt een beslissing genomen over de aanvraag en deze wordt schriftelijk naar de werknemer die in aanmerking wenst te komen voor de uitkering gestuurd. Indien het door omstandigheden niet mogelijk is om binnen zes weken een beslissing te nemen, zal de werknemer die in aanmerking wenst te komen voor de uitkering hierover schriftelijk worden geïnformeerd, waarbij tevens de reden van uitstel zal worden meegedeeld, alsmede de periode waarbinnen de beslissing genomen zal worden.
7. Gedurende de looptijd van de uitkering is de uitkeringsgerechtigde verplicht om uit zichzelf dan wel op verzoek van en op de door de stichting voorgeschreven wijze alle informatie aan de stichting te verstrekken waarvan hem redelijkerwijs duidelijk kan zijn dat die van invloed is op het voortbestaan van het recht, de hoogte en de duur van de uitkering.
1. Indien de uitkeringsgerechtigde de op grond van deze regeling gevraagde of uit eigen beweging te verstrekken inlichtingen niet, niet tijdig of onjuist verstrekt, kan een besluit tot toekomstige uitkering, dan wel tot een reeds lopende uitkering, worden ingetrokken en kan betrokkene tevens worden uitgesloten voor iedere toekomstige uitkering vanwege de stichting. Uitkeringsgerechtigde wordt geacht de in dit lid bedoelde inlichtingen niet of niet tijdig te hebben verstrekt, indien de stichting de inlichtingen niet binnen twee maanden na ontvangst van de eerste oproep daartoe of nadat het uit eigen beweging te melden feit bekend is bij uitkeringsgerechtigde, heeft ontvangen.
2. De stichting is bevoegd de door de stichting opgelopen schade als gevolg van door uitkeringsgerechtigde niet, niet tijdig of onjuist verstrekte inlichtingen of anderszins niet voldoen aan de in deze regeling gestelde voorwaarden, al dan niet bestaand uit teveel betaalde uitkeringen, sociale lasten en rente, te verhalen op uitkeringsgerechtigde. Daarbij behoudt de stichting zich het recht voor verhaal te halen door middel van vermindering van de lopende uitkering.
3. Wanneer sprake is van fraude, valsheid in geschrifte of enig ander misdrijf als vermeld in het Wetboek van Strafrecht, dan kan de stichting daarvan aangifte doen. Dat laat onverlet de mogelijkheid om in civielrechtelijke procedures of anderszins eventuele schade, al dan niet in de vorm van onverschuldigde betalingen, op betrokkene te verhalen.
4. De vorige leden zijn niet van toepassing, indien de uitkeringsgerechtigde van een gedraging als daar bedoeld redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt, waarvan is uitgesloten een beroep op het niet kennen van de inhoud van deze regeling.
5. De stichting stuurt aan de uitkeringsgerechtigde schriftelijk en gemotiveerd een beslissing van het feit dat een sanctie zoals bedoeld in dit artikel aan de uitkeringsgerechtigde wordt opgelegd, waarbij in ieder geval vermeld zal worden waarom deze sanctie wordt opgelegd en wat de hoogte en duur van de sanctie is.
1. Indien de uitkering geheel of gedeeltelijk onverschuldigd is betaald, kan die uitkering of dat deel van de uitkering door de stichting worden teruggevorderd van de persoon aan wie onverschuldigd is betaald. Geen terugvordering zal plaatsvinden na het verstrijken van een termijn van vijf jaar na de datum waarop de stichting heeft geconstateerd dat de uitkering onverschuldigd is betaald. De stichting doet de betreffende persoon van die constatering onverwijld schriftelijk mededeling.
2. Wanneer blijkt dat een uitkering onverschuldigd is betaald, stuurt de stichting aan degene die de uitkering heeft ontvangen een beslissing, waarin aan deze persoon gemotiveerd wordt meegedeeld dat aan hem onverschuldigd is betaald, alsmede de termijn waarbinnen hij het onverschuldigd betaalde bedrag dient terug te betalen. Deze termijn bedraagt twee weken.
3. Voor zover mogelijk zal de terugvordering worden verrekend met de nog uit te betalen uitkering. De stichting stelt de persoon aan wie onverschuldigd is uitbetaald daarvan schriftelijk op de hoogte in de onder lid 2 bedoelde beslissing.
4. Indien de persoon aan wie onverschuldigd is uitbetaald niet in staat is het nog openstaande bedrag ineens terug te betalen, dan kan hij om een betalingsregeling verzoeken. Hij dient dit verzoek binnen twee weken na dagtekening van de in lid 2 bedoelde beslissing in bij de stichting. De persoon aan wie onverschuldigd is uitbetaald, geeft de stichting volledig inzage in zijn financiële situatie en verstrekt de stichting alle informatie die op de beoordeling van het verzoek van invloed is. De stichting beoordeelt vervolgens of een betalingsregeling overeengekomen kan worden. De stichting houdt daarbij rekening met de beslagvrije voet.
5. Wanneer een betalingsregeling is overeengekomen, bericht de stichting de persoon aan wie onverschuldigd is uitbetaald schriftelijk over de hoogte van het periodiek terug te betalen bedrag en het moment waarop de periodieke betalingen door de stichting dienen te zijn ontvangen.
6. Wanneer de stichting niet tegemoetkomt aan een verzoek tot het treffen van een betalingsregeling, zal de stichting de persoon aan wie onverschuldigd is uitbetaald hiervan schriftelijk mededeling doen. Aan de persoon aan wie onverschuldigd is uitbetaald, wordt dan het verzoek gedaan de onverschuldigd betaalde uitkering alsnog binnen twee weken aan de stichting terug te betalen.
7. Wanneer terugvordering over het lopende kalenderjaar plaatsvindt zal terugvordering van het netto te veel betaalde bedrag plaatsvinden. Vindt terugvordering plaats na afloop van het kalenderjaar waarin de uitkering onverschuldigd is betaald, dan vordert de stichting het bruto te veel betaalde bedrag terug.
8. Wanneer de persoon aan wie onverschuldigd is uitbetaald niet tijdig aan de verplichting tot terugbetaling voldoet, of – in het geval van een betalingsregeling – zijn periodiek niet tijdig betaalt, zal de stichting de persoon aan wie onverschuldigd is uitbetaald eenmaal een herinnering sturen met de mededeling dat de betaling binnen 14 dagen door de stichting moet zijn ontvangen. Wanneer de persoon aan wie onverschuldigd is uitbetaald niet binnen die termijn betaalt of wanneer hij een tweede maal een periodiek mist, zal de gehele vordering zonder verder bericht uit handen worden gegeven aan een incassobureau. De kosten ter zake van de buitengerechtelijke incassokosten komen, conform de wettelijk maximaal toegestane vergoeding zoals vastgesteld in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten of enige regelgeving die in plaats van dit besluit zal gelden, voor rekening van de persoon aan wie onverschuldigd is uitbetaald.
9. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, kan de stichting geheel of gedeeltelijk afzien van terugvordering.
Het bestuur is bevoegd nadere voorschriften vast te stellen die nodig zijn voor een verantwoorde uitvoering. Deze voorschriften moeten in overeenstemming zijn met de bepalingen in de statuten en in dit reglement.
Als de bepalingen in dit reglement in individuele gevallen of in categorieën van gevallen leiden tot niet voorziene of onbedoelde gevolgen kan het bestuur een afwijkende beslissing nemen die tegemoet komt aan de bedoelingen van deze regeling.
1. De uitkeringsgerechtigde die zich niet kan verenigen met een beslissing die hem betreft, kan zich schriftelijk tot het bestuur wenden met het verzoek terug te komen op een beslissing op grond van dit reglement.
2. Aan de uitkeringsgerechtigde wordt desgevraagd schriftelijk kennis gegeven van een beslissing van het bestuur op grond van dit reglement die hem betreft.
3. Een kennisgeving zoals bedoeld in het tweede lid is gedagtekend en vermeldt de gronden waarop de beslissing berust.’
Artikel 2 van V. Reglement re-integratie van hoofdstuk 3 Stichting Aanvullingsfonds Bouw & Infra komt te luiden:
Dit artikel is alleen van toepassing als de eerste ziektedag vóór 1 januari 2022 ligt.
1. Als een werknemer in zijn tweede ziektejaar re-integreert in zijn oude of een nieuwe functie binnen of buiten het bedrijf, is sprake van succesvolle re-integratie als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
a. De werknemer is minimaal twee betalingsperioden van elk vier weken of een maand (waarvan de aanvang gelegen is in het tweede ziektejaar) onafgebroken weer aan het werk. Als de periode van acht weken of twee maanden wordt onderbroken door vakantie, wordt de periode met de duur van die vakantie verlengd.
b. De werknemer verdient per betalingsperiode minimaal 50% van het vast overeengekomen loon of het salaris dat hij per betalingsperiode verdiende voordat hij ziek werd.
2. De werkgever heeft recht op een bonus van € 2.500,– als er sprake is van succesvolle re-integratie zoals bedoeld in lid 1 en de werkgever een eenmalige uitkering heeft betaald aan de werknemer ter grootte van een aanvulling tot 100% van het oorspronkelijke vast overeengekomen loon of het salaris over de volgende periode:
– re-integratie bij de eigen werkgever: vanaf de eerste dag van het tweede ziektejaar tot en met de laatste dag van de tweede betalingsperiode van de re-integratie;
– re-integratie bij een andere werkgever: vanaf de eerste dag van het tweede ziektejaar tot en met de laatste dag vóór de indiensttreding bij de andere werkgever.
3. Om voor de betaling van de bonus in aanmerking te komen, dient een werkgever zich te melden bij APG. Hij dient daarbij de volgende bewijsstukken aan te leveren:
a. De ontvangstbevestiging van de ziekmelding van de werknemer bij UWV.
b. De loonstroken van de laatste betalingsperiode vóór de ziekmelding tot het moment van re-integratie.
c. De loonstroken over de twee maanden of acht weken van re-integratie.
d. Een bewijs van betaling van de eenmalige uitkering aan de gere-integreerde werknemer.
e. De handtekeningen van de werkgever die de bonus aanvraagt en van de gere-integreerde werknemer.
4. De werkgever dient zich te melden binnen twee jaar na betaling van de eenmalige uitkering aan de werknemer.’
Stcrt. 2020, nr. 58904; laatstelijk gewijzigd bij besluit van 23 maart 2021 (Stcrt. 2021, nr. 9056)
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2021-35977.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.