Bouw & Infra 2020

Verbindendverklaring cao-bepalingen

MINISTERIE VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Besluit van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 16 november 2020 tot algemeenverbindendverklaring van bepalingen van de collectieve arbeidsovereenkomst Bouw & Infra

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;

Gelezen het verzoek van het Technisch Bureau Bouw en Infra namens partijen bij bovengenoemde collectieve arbeidsovereenkomst, strekkende tot algemeenverbindendverklaring van bepalingen van deze collectieve arbeidsovereenkomst;

Partijen ter ener zijde: Bouwend Nederland, de vereniging van bouw- en infrabedrijven, Bond van Aannemers van Tegelwerken in Nederland (Bovatin), Vereniging van Steiger-, Hoogwerk- en Betonbekistingbedrijven (VSB), Vereniging van Infrabedrijven MKB INFRA, Boorinfo Branche Vereniging, Ondernemersorganisatie MKB Bouw, Vereniging Wapeningsstaal Nederland (VWN), Vereniging voor aannemers in de sloop (VERAS), Noordelijke Vereniging Burgerlijke- en Utiliteitsbouw (NVBU), Ondernemersvereniging Bestratingsbedrijven Nederland (OBN), Vereniging Gebouwschil Nederland, secties Metselen en Voegen, NVB, vereniging voor ontwikkelaars & bouwondernemers en Vereniging van Waterbouwers;

Partijen ter andere zijde: FNV en CNV Vakmensen.nl.

Naar aanleiding van dit verzoek zijn schriftelijke bedenkingen ingebracht door van Till advocaten namens Asbestverwijdering Ede B.V., Asbestzorg Holland B.V., Bosvelt Klein Asbestsanering B.V., Dulo Asbestverwijdering B.V., EcoReno B.V., Eijlers Edes Milieu B.V., Freek Foppen, Loon- en Aannemingsbedrijf van ’t Foort B.V., P.Kruit B.V., MSHW Support B.V., Quartel Asbestverwijdering B.V., Sake Zittema Saneringen B.V., Sloopcombinatie Laren B.V., Veerkracht Asbest B.V., Vriend Asbestsanering B.V..

Deze bedenkingen kunnen als volgt worden samengevat:

De bedenkingen richten zich tegen de representativiteit en in het bijzonder tegen de brongegevens die cao-partijen hebben gebruikt om het totaal aantal werkzame personen vast te stellen dat binnen de werkingssfeer van de cao Bouw & Infra valt. Bedenkinghebbende stelt dat in de aangeleverde representativiteitsgegevens geen rekening is gehouden met ongeorganiseerde werknemers die nu (nog) niet in beeld zijn bij de fondsen respectievelijk de uitvoerder van de pensioenregeling in de Bouwnijverheid. Hierdoor is een substantiële groep werknemers buiten beschouwing gebleven en is niet aan de vereiste representativiteit voldaan. Bedenkinghebbende baseert zijn stelling op een onderzoek dat Panteia op verzoek van bedenkinghebbende heeft verricht naar het aantal ongeorganiseerde werknemers in de bouwsector over de jaren 2007-2016. In dit onderzoek heeft Panteia data van andere bronnen, namelijk van Eurostat/CBS, het vestigingenregister Lisa en overige – secundaire – bronnen, gecombineerd en schat Panteia het aantal ongeorganiseerde werknemers in de bouwsector aanzienlijk hoger in dan cao-partijen. Uitgaande van deze hogere totaalaantallen werknemers komt Panteia tot lagere representativiteitspercentages dan in de representativiteitsopgaves voor algemeenverbindendverklaring zijn gehanteerd die daarmee onwaarschijnlijk lijken. Volgens Panteia zijn de geconstateerde verschillen met de representativiteitsopgaves, naast dat men niet heeft gekeken naar ongeorganiseerden die niet bekend waren bij het bedrijfstakpensioenfonds, met name te verklaren door administratieve zaken bij het bedrijfstakpensioenfonds en doordat buitenlandse werknemers door hun werkgever niet voor pensioen worden verzekerd bij het bedrijfstakpensioenfonds. Aangezien cao-partijen bij het onderhavige verzoek gebruik hebben gemaakt van dezelfde brongegevens als in voorgaande jaren, gaat dit volgens bedenkinghebbende ook op voor de huidige representativiteitsopgave. Om deze reden zou naar het oordeel van bedenkinghebbende moeten worden afgezien van avv.

Bedenkinghebbende voert verder aan twijfels te hebben over de juistheid van de cijfers uitgaande van de representativiteit onder werkgevers van 34,15%. Volgens bedenkinghebbende is daarmee sprake van een scheve verhouding die tot waakzaamheid behoort op te roepen.

Ook vraagt bedenkinghebbende zich af of de werknemers die in de werkingssfeer zijn uitgesloten en degenen die vrijwillig deelnemen buiten de tellingen zijn gehouden. Dit bezwaar geldt met name voor het aantal werknemers dat werkzaam is bij direct aan de cao gebonden werkgevers.

Overwegende ten aanzien van de bedenkingen:

De cao-bepalingen waarop het verzoek tot avv betrekking heeft, moeten reeds gelden voor een naar het oordeel van de Minister van SZW belangrijke meerderheid van de in de bedrijfstak werkzame personen (artikel 2, eerste lid, van de Wet AVV). Deze belangrijke meerderheid moet blijken uit een opgave van het aantal werkgevers lid van werkgeversvereniging(en) die partij zijn bij de cao onderscheidenlijk het aantal werkgevers dat naar de aard van de bedrijfsactiviteiten en de werkzaamheden tot de werkingssfeer van de cao kan worden gerekend alsmede het aantal personen werkzaam bij werkgevers die lid zijn van de werkgeversvereniging(en) die partij zijn bij deze cao, onderscheidenlijk het aantal personen werkzaam bij werkgevers die naar de aard van de bedrijfsactiviteiten en de werkzaamheden tot de werkingssfeer van de cao gerekend kunnen worden.

Deze opgave dient voorzien te worden van een toelichting op de wijze van verzameling van de gegevens als bedoeld in artikel 2:2, eerste lid, sub c van het Besluit aanmelding van collectieve arbeidsovereenkomsten en het verzoeken om algemeenverbindendverklaring.

Cao-partijen hebben bij de aanlevering van de representativiteitsgegevens gebruik gemaakt van het formulier representativiteitsgegevens. Uit de overgelegde representativiteitsopgave blijkt dat voor de berekening van het aantal direct aan de cao gebonden werkgevers en werkgevers gebonden door de werkingssfeer van de cao gebruik is gemaakt van de ledenbestanden van de werkgeversorganisaties partij bij de cao en de databestanden van APG met peildatum 1 april 2020. APG beschikt als uitvoerder van de bedrijfstakfondsen in de sector Bouw & Infra over de gegevens van alle werkgevers en werknemers die onder de werkingssfeer van de cao vallen. De ledenbestanden zijn naast de databestanden van APG gehouden en de leden zijn gekoppeld aan werkgevers in de databestanden van APG op basis van APG ledennummer. Bij het bepalen van de representativiteit is alleen gekeken naar werkgevers met een CAO01 (Bouwplaatspersoneel) en/of CAO06 (uta-personeel) registratie in de databestanden van APG. Werkgevers die vrijwillig deelnemen zijn uitgesloten en er is gecontroleerd op dubbel geregistreerde werkgevers en gewaarborgd dat bedrijven slechts één keer worden meegenomen. Voor de berekening van het aantal werknemers werkzaam bij direct gebonden werkgevers en de werknemers die onder de werkingssfeer van de cao vallen is eveneens gebruik gemaakt van de databestanden van APG met peildatum 1 april 2020.

In reactie op de bedenkingen en ter bevestiging van de juistheid van de representativiteitsopgave hebben cao-partijen een assurancerapport van een onafhankelijke accountant toegezonden. Hieruit blijkt dat de opgave naar het oordeel van de accountant in alle van materieel belang zijnde aspecten in overeenstemming is met de gestelde eisen. Om tot dit oordeel te kunnen komen heeft de accountant nadrukkelijk moeten kijken of de opgegeven aantallen juist en volledig zijn, of de geautomatiseerde koppeling van de bestanden zorgvuldig is gebeurd en of de opgave gerelateerd is aan de werkingssfeer van de cao. Verder blijkt dat de standgegevens inzake werkzame personen maandelijks via de opgave van loon en premiegegevens van de werkgever actueel worden gehouden. Dit proces borgt de juistheid en volledigheid van de namens het bedrijfstakpensioenfonds en de BTER-fondsen geadministreerde werkzame personen.

Cao-partijen, Bpf Bouw en de BTER-fondsen Bouw & Infra hebben naar eigen zeggen bovendien een actief handhavingsbeleid. Werkgevers die wel onder de werkingssfeer vallen, maar ten onrechte de cao Bouw & Infra niet toepassen of ten onrechte niet zijn aangemeld, worden actief opgespoord en aangesloten. Dit blijkt ook uit de gerechtelijke procedures ten aanzien van asbestondernemingen. Werkgevers die onderdeel zijn van een werkingssfeeronderzoek zijn uitgesloten van de telling.

De gebruikte bronnen en systematiek zijn gebruikelijk en doorgaans als voldoende zorgvuldig aan te merken. Met een representativiteit van 68,53% op basis van het gebruikte bronmateriaal kan met voldoende zekerheid worden geconcludeerd dat wordt voldaan aan het meerderheidsvereiste.

Ten aanzien van de alternatieve representativiteitscijfers over de jaren 2007-2016 die door bedenkinghebbende zijn aangedragen merk ik op dat deze zijn gebaseerd op bronnen (SBI-codes) die niet volledig gerelateerd zijn aan de werkingssfeer van de cao Bouw & Infra en mede daardoor als minder betrouwbaar en valide kunnen worden aangemerkt ter vaststelling van de representativiteit.

Cao-partijen wijzen er in de reactie op de bedenkingen op dat het rapport van Panteia uitgaat van de veronderstelling dat alle werkgevers met een bouw-gerelateerde SBI-code, afgezien van enkele beperkte correcties die de opstellers van het rapport hebben toegepast, onder de werkingssfeer van de cao Bouw & Infra vallen. Die veronderstelling is volgens cao-partijen onjuist. De werkingssfeer wordt bepaald door de werkingssfeerbepalingen van de cao Bouw & Infra en niet door registratie op grond van een SBI-code. Het een en ander valt volgens cao-partijen niet geheel samen.

Hierbij verduidelijken cao-partijen ten eerste dat in de werkingssfeerbepalingen van de cao Bouw & Infra een opsomming staat van nauwkeurig omschreven bedrijfsactiviteiten welke behoren tot de Bouw & Infra, terwijl de bouw-gerelateerde SBI-codes een heel open omschrijving geven van de bedrijven die daaronder vallen. Ten tweede merken cao-partijen op dat de werkingssfeerbepalingen van de cao Bouw & Infra een zogenaamd ‘in hoofdzaak’-criterium bevatten, dat er kort gezegd op neer komt dat een werkgever die ook actief is op andere gebieden dan bouw, alleen onder de cao Bouw & Infra valt als hij de meerderheid van zijn loonsom behaalt met activiteiten als genoemd in de werkingssfeer van de cao Bouw & Infra. In de bouw-gerelateerde SBI-codes wordt met dit ‘in hoofdzaak’-criterium geen rekening gehouden.

In dit verband is volgens cao-partijen van belang dat er veel werkgevers zijn die wél een bouw-gerelateerde SBI-code hebben, maar niet onder de cao Bouw & Infra vallen. Dat heeft verschillende redenen. Zij hanteren of een onjuiste SBI-code, of hun bedrijfsactiviteiten vallen niet onder de werkingssfeer van de cao Bouw & Infra, dan wel behalen zij niet de meerderheid van hun loonsom met activiteiten als genoemd in de werkingssfeer van de cao Bouw & Infra, of er is een combinatie van redenen. Dat is een belangrijke verklaring waarom er veel meer werknemers werkzaam zijn bij een werkgever met een bouw-gerelateerde SBI-code dan werknemers die vallen onder de cao Bouw & Infra. Dat blijkt volgens cao-partijen ook wel uit de praktijk, waar de SBI-code een aanknopingspunt kan zijn om een onderzoek te starten, waarna met regelmaat aan de hand van de feitelijke bedrijfsactiviteiten van de werkgever wordt geconstateerd dat die werkgever niet onder de bouwregelingen valt terwijl hij wel een bouw-gerelateerde SBI-code heeft volgens het Handelsregister. De werkgever wordt dan – terecht – niet aangesloten.

Met betrekking tot de constatering van Panteia dat de verschillen in de totaalaantallen waarschijnlijk mede te verklaren zijn door buitenlandse werknemers, merk ik op dat buitenlandse werknemers die in het kader van transnationale dienstverrichting op basis van een arbeidsovereenkomst tijdelijk arbeid verrichten in Nederland en niet gewoonlijk in of vanuit Nederland arbeid verrichten, niet dienen te worden meegenomen voor de representativiteit omdat zij niet rechtstreeks gebonden zijn door de werkingssfeer van de cao, maar door artikel 2a van de Wet AVV.

Op grond van het bovenstaande concludeer ik dat de onderzoeksmethode op basis van bouw-gerelateerde SBI-codes inclusief de door Panteia toegepaste correcties geen goede onderzoeksmethode is om vast te stellen hoeveel werknemers onder de werkingssfeer van de cao Bouw & Infra vallen.

Ten aanzien van de lage werkgeversrepresentativiteit en de gestelde scheve verhouding, merk ik op dat voldaan is aan het meerderheidsvereiste zoals bedoeld in de Wet AVV, het Besluit aanmelding van collectieve arbeidsovereenkomsten en het verzoeken om algemeenverbindendverklaring en het Toetsingskader AVV. Met een meerderheid van 68,53% is op grond van het Toetsingskader AVV sprake van een belangrijke meerderheid en is een beoordeling van een eventuele scheve verdeling niet aan de orde. Cao-partijen hebben in hun reactie op de bedenkingen nog aangevoerd dat het percentage van 34,15% logisch te verklaren is doordat relatief veel van de ‘grote’ werkgevers georganiseerd zijn, maar dat er ook vele ‘kleine’ werkgevers lid zijn van de werkgeversverenigingen die het onderhavige avv-verzoek hebben ingediend.

Met betrekking tot de opmerking over de uitgesloten groepen werknemers merk ik op dat in het formulier representativiteitsgegevens expliciet wordt gesteld dat de grenzen van het domein waarover de gegevens zijn verzameld gerelateerd zijn aan de werkingssfeer van de cao en dat de uitgesloten categorieën werknemers niet zijn meegenomen in de tellingen. Dit wordt gestaafd door het assurancerapport van de onafhankelijke accountant.

Naar aanleiding van het door cao-partijen overgelegde formulier representativiteitsgegevens, de nadere toelichting en het assurancerapport, kan worden vastgesteld dat door cao-partijen in voldoende mate aannemelijk is gemaakt dat de bepalingen van de cao waarop het verzoek tot avv betrekking heeft reeds voor een belangrijke meerderheid van de in de bedrijfstak werkzame personen gelden.

De bedenkingen zijn naar mijn oordeel voldoende weerlegd en doen geen afbreuk aan de door cao-partijen overgelegde representativiteitsgegevens.

Gelet op de artikelen 2, 4 en 5 van de Wet op het algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten;

Besluit:

Dictum I

Verklaart algemeen verbindend de navolgende bepalingen van bovengenoemde collectieve arbeidsovereenkomst, zulks met inachtneming van hetgeen in de dicta II, III, IV, V en VI is bepaald:

1. IN DIENST – UIT DIENST

1.1 Intredekeuring

1.1.1 Waar gaat het om?
  • Een intredekeuring is bedoeld om vast te stellen of een kandidaat-werknemer medisch geschikt is voor de functie die hij wil gaan vervullen.

  • De keuring wordt uitgevoerd door een gecertificeerde arbodienst die een samenwerkingsovereenkomst heeft met Volandis.

1.1.2 Wanneer verplicht?
  • De intredekeuring is verplicht voor functies die bijzondere eisen stellen aan de medische geschiktheid van de kandidaat-werknemer. Dit zijn de functies waar in bijlage 1.1, bijlage 1.2 of bijlage 1.3 een asterisk (*) bij staat.

  • Deze verplichting geldt voor de kandidaat-werknemer die de afgelopen drie jaar niet als werknemer in de bouw & infra heeft gewerkt.

1.1.3 Uitzondering
  • De intredekeuring is niet verplicht als het gaat om een kandidaat-werknemer die wordt begeleid door een arbodienst of een uitvoeringsinstelling zoals een gemeente of UWV.

  • De werkgever en de arbodienst/uitvoeringsinstelling leggen hun afspraken over de inzet van deze kandidaat-werknemer schriftelijk vast. Dit doen zij vóór het afsluiten van de arbeidsovereenkomst.

1.1.4 Uitslag van de keuring
  • De arbodienst maakt de uitslag bekend aan de kandidaat-werknemer en de werkgever. De arbodienst houdt zich hierbij aan de privacywetgeving. De uitslag is: 'geschikt', 'geschikt onder voorwaarden' of 'ongeschikt'.

  • Is de uitslag 'geschikt'? Dan mag de werkgever een arbeidsovereenkomst met de kandidaat-werknemer sluiten. De geschiktheidsverklaring wordt in de arbeidsovereenkomst vastgelegd.

  • Is de uitslag ‘geschikt onder voorwaarden’? Dan mag de werkgever met de kandidaat-werknemer een arbeidsovereenkomst sluiten, nadat hij schriftelijk met de arbodienst/uitvoeringsinstelling heeft afgesproken hoe de gestelde voorwaarden worden vervuld.

  • Is de uitslag 'ongeschikt'? Dan mag de werkgever voor die functie geen arbeidsovereenkomst met de kandidaat-werknemer sluiten.

1.1.5 Herkeuring
  • Is de kandidaat-werknemer het oneens met de keuringsuitslag? Dan kan hij Volandis vragen om een herkeuring. Hij geeft daarbij aan om welke reden hij dit wil.

1.1.6 Vrijwillig intredeonderzoek
  • Geldt voor de werknemer geen verplichte intredekeuring? Dan kan hij vrijwillig deelnemen aan een intredeonderzoek. De werknemer maakt hier zelf een afspraak voor met de arbodienst.

1.2 Functie-indeling

1.2.1 Bouwplaatswerknemer
  • De bouwplaatswerknemer wordt ingedeeld in een functie uit bijlage 1.1 of bijlage 1.2. Dit gebeurt door de werkgever.

  • Iedere functie behoort tot een bepaalde functiegroep. De functiegroep bepaalt het garantieloon waar de werknemer recht op heeft. Dit geldt niet:

    • voor de werknemer van 16 tot en met 20 jaar,

    • tijdens het volgen van een opleiding via de beroepsbegeleidende leerweg (bbl) of

    • als de starttabel uit 4.5 van toepassing is.

    De garantielonen staan in hoofdstuk 4.

  • Komt de functie van de werknemer niet voor in de bijlagen 1.1 of 1.2? Dan kunnen de werkgever en/of de werknemer cao-partijen vragen een uitspraak te doen over de functie-indeling. In afwachting van die uitspraak bepaalt de werkgever volgens welke functiegroep de werknemer voorlopig wordt betaald. Hij kiest de functiegroep met – naar zijn mening – vergelijkbare functies.

1.2.2 Uta-werknemer
  • De uta-werknemer wordt ingedeeld in de functiestructuur van bijlage 1.3. Dit gebeurt door de werkgever.

  • De werkgever deelt de werknemer in op grond van de aard van de werkzaamheden. Hij houdt zich hierbij aan de procedure van bijlage 1.3.

  • Het functieniveau bepaalt het salaris waar de uta-werknemer recht op heeft. Dit geldt niet als de starttabel van toepassing is. De salarissen staan in hoofdstuk 4.

  • De werkgever maakt aan de werknemer bekend hoe hij invulling geeft aan de salarisstructuur.

1.2.3 Van uta naar bouwplaatswerknemer
  • Heeft de onderneming minder dan vijf uta-werknemers? Dan kan de werkgever deze werknemers onder de cao-bepalingen voor bouwplaatswerknemers brengen. De functie en het salaris van de uta-werknemers veranderen hierdoor niet.

  • Deze omzetting is alleen toegestaan als alle betrokken uta-werknemers ermee instemmen.

1.2.4 Als de werknemer het niet eens is met de functie-indeling
  • De werknemer die het niet eens is met zijn functie-indeling, gaat eerst in overleg met de werkgever.

  • Leidt dit niet tot een oplossing van het meningsverschil? Dan kan hij een beroep doen op zijn werknemersorganisatie. De werkgever kan van zijn kant een beroep doen op zijn werkgeversorganisatie.

  • Leidt dit ook niet tot een oplossing? Dan kunnen de werkgever en/of de werknemer cao-partijen vragen een uitspraak te doen over dit geschil. Zie 10.12 en bijlage 10.

  • Tijdens al deze stappen mag de werkgever zijn functie-indeling handhaven.

1.3 Arbeidsovereenkomst

1.3.1 Schriftelijk
  • Een arbeidsovereenkomst wordt schriftelijk aangegaan. Een voorbeeld is te vinden in bijlage 2.

  • In de arbeidsovereenkomst staan in ieder geval:

    • de begindatum van de arbeidsovereenkomst,

    • of het een overeenkomst is voor onbepaalde of bepaalde tijd,

    • bij een overeenkomst voor bepaalde tijd: de duur van de overeenkomst,

    • de eventuele proeftijd,

    • de arbeidsduur,

    • de functienaam en functie-indeling,

    • de standplaats (indien van toepassing),

    • de hoogte en de samenstelling van het vast overeengekomen loon of het salaris per betalingsperiode,

    • en

    • eventuele afspraken over secundaire arbeidsvoorwaarden.

1.3.2 Nuluren- en oproepcontracten
  • Nulurencontracten zijn niet toegestaan.

  • Dit geldt ook voor oproepcontracten zonder urengarantie.

1.3.3 Proeftijd
Tabel 1.3.3 Proeftijd

duur arbeidsovereenkomst

specificatie

maximale proeftijd

   

bouwplaats

uta

onbepaalde tijd

n.v.t.

2 maanden

2 maanden

bepaalde tijd

6 maanden of korter

geen proeftijd

geen proeftijd

 

langer dan 6 maanden, korter dan 1 jaar

2 weken

1 maand

 

1 tot 2 jaar

1 maand

1 maand

 

2 jaar of langer

2 maanden

2 maanden

 

niet eindigend op een specifieke datum1

 

1 maand

X Noot
1

Bijvoorbeeld een arbeidsovereenkomst voor de duur van een project.

  • Een proeftijd geldt alleen als die in de arbeidsovereenkomst is vastgelegd.

  • Hoe lang een proeftijd mag duren, hangt af van de duur van de arbeidsovereenkomst. Zie tabel 1.3.3.

1.3.4 Een keten van arbeidsovereenkomsten
  • Een keten van arbeidsovereenkomsten bestaat uit:

    • meerdere, elkaar opvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd,

    • met een eventuele tussenliggende periode van maximaal zes maanden per keer.

  • Heeft een keten meer dan 24 maanden geduurd? Dan geldt met ingang van de eerstvolgende dag na die 24 maanden de laatste arbeidsovereenkomst uit de keten als arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.

  • Bestaat een keten uit meer dan drie arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd? Dan is de vierde een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.

  • Uitzondering: in afwijking van de eerste alinea van 1.3.4 geldt voor een aantal functies dat een keten van arbeidsovereenkomsten bestaat uit:

    • meerdere, elkaar opvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd,

    • met een eventuele tussenliggende periode van maximaal drie maanden per keer.

    Dit zijn functies waarin de werknemer als gevolg van klimatologische omstandigheden maximaal negen maanden per jaar kan werken. Het gaat om de volgende bouwplaatsfuncties uit bijlage 1.1:

    • asfaltwerker (functie 15),

    • balkman (functie 87),

    • machinist met diploma (functie 122),

    • wegmarkeerder I (functie 85), II (functie 59) en III (functie 14).

1.3.5 Relatie met uitzendwerk en payrolling
  • Kan de werkgever een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd verlengen, zonder dat dit leidt tot een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd? Maar besluit hij dit niet te doen? Dan mag hij voor hetzelfde werk geen uitzend- of payrollkracht inlenen.

  • Uitzondering: dit verbod geldt niet als de arbeidsovereenkomst niet is verlengd omdat de werknemer aantoonbaar disfunctioneerde.

1.4 Tijdens de arbeidsovereenkomst: bouwplaatswerknemer

1.4.1 Bouwplaatswerknemer: basiscursus veilig en gezond werken
  • Neemt de werkgever een bouwplaatswerknemer in dienst die nog niet eerder in de bouw & infra heeft gewerkt? Dan laat hij hem een eendaagse basiscursus veilig en gezond werken volgen. De werkgever betaalt de kosten.

  • Deze verplichting geldt niet als het om een leerlingwerknemer gaat.

1.4.2 Verplichtingen van de bouwplaatswerknemer
  • De bouwplaatswerknemer voert de opgedragen werkzaamheden zo goed mogelijk uit. Dit doet hij volgens de voorschriften van de werkgever. De werkgever houdt hierbij rekening met de functie van de werknemer.

  • Voor zover en zolang de werknemer zijn eigen functie niet kan uitoefenen, is hij verplicht ander werk te doen dat bij zijn functie past.

  • De werknemer gedraagt zich als goed werknemer.

1.4.3 Werken in een andere onderneming
  • In de volgende gevallen is de bouwplaatswerknemer die daar geen gegronde bezwaren tegen heeft, verplicht te werken in een andere onderneming dan die van de werkgever:

    • in incidentele gevallen, voor korte tijd en

    • bij tijdelijke hulpverlening van de ene aan de andere onderneming.

    Hierbij gelden ten minste dezelfde voorwaarden als wanneer de werknemer in de onderneming van de werkgever werkt.

  • De werkgever mag de werknemer ook in een verwante onderneming laten werken. Bijvoorbeeld een dochteronderneming. Hierbij gelden de volgende regels.

    • De arbeidsvoorwaarden van de werknemer blijven ten minste gelijk.

    • De arbeidsovereenkomst met de uitlenende werkgever blijft bestaan. Dit geldt niet als schriftelijk is afgesproken dat die arbeidsovereenkomst eindigt. Voor een nieuwe arbeidsovereenkomst met de verwante onderneming gelden dan dezelfde voorwaarden.

1.4.4 In vrije tijd voor anderen werken
  • De bouwplaatswerknemer mag in zijn vrije tijd geen beroepsarbeid voor anderen doen, als:

    • hij daardoor volgens de Arbeidstijdenwet onvoldoende rusttijd overhoudt of

    • dit het belang van de werkgever aantoonbaar schaadt.

  • Uitzondering: het mag wel als de werkgever daar vooraf schriftelijk toestemming voor heeft gegeven.

1.4.5 Schorsing
  • De werkgever mag de bouwplaatswerknemer voor maximaal een week schorsen, zonder doorbetaling van loon als er sprake is van een dringende reden, zoals bedoeld in artikel 7:678 BW. De werkgever informeert de werknemer schriftelijk over de redenen en de duur van de schorsing.

  • De werkgever houdt altijd de mogelijkheid de werknemer op staande voet te ontslaan op grond van artikel 7:677 BW.

1.5 Tijdens de arbeidsovereenkomst: uta-werknemer

1.5.1 Verplichtingen van de uta-werknemer
  • De uta-werknemer is verplicht:

    • de opgedragen werkzaamheden die bij zijn functie passen zo goed mogelijk uit te voeren,

    • dit te doen op een door de werkgever in redelijkheid te bepalen plaats en

    • in bijzondere omstandigheden ander werk te doen. De werkgever voert daar eerst redelijk overleg over met de werknemer.

1.5.2 Werken in een andere onderneming
  • In de volgende gevallen is de uta-werknemer die daar geen gegronde bezwaren tegen heeft, verplicht te werken in een andere onderneming dan die van de werkgever:

    • de andere onderneming is een werkmaatschappij, een dochteronderneming of het moederbedrijf van de werkgever;

    • de andere onderneming is een combinatie waar de werkgever bij betrokken is, al dan niet via een werkmaatschappij, een dochteronderneming of het moederbedrijf;

    • in bijzondere gevallen, zoals bij tijdelijke hulpverlening van de ene aan de andere onderneming.

  • Hierbij gelden de volgende regels.

    • De arbeidsovereenkomst met de uitlenende werkgever blijft bestaan en de arbeidsvoorwaarden blijven ten minste gelijk. Dit geldt niet als de uitlenende werkgever en de werknemer daar schriftelijk andere afspraken met elkaar over hebben gemaakt.

    • De uitlenende werkgever betaalt de eventuele extra reis- en verblijfkosten van de werknemer. Hij stelt daar een regeling voor vast.

1.5.3 Voorrang bij vacatures
  • Veranderen uta-functies door technologische vernieuwingen? Dan geeft de werkgever bij het vervullen van deze functies bij voorkeur voorrang aan uta-werknemers die al bij hem in dienst zijn.

1.5.4 In vrije tijd voor anderen werken
  • De uta-werknemer mag in zijn vrije tijd geen beroepsarbeid voor anderen doen, als:

    • hij daardoor volgens de Arbeidstijdenwet onvoldoende rusttijd overhoudt of

    • dit het belang van de werkgever aantoonbaar schaadt.

  • Uitzondering: het mag wel als de werkgever daar vooraf schriftelijk toestemming voor heeft gegeven.

1.5.5 Schorsing
  • De werkgever mag de uta-werknemer voor maximaal een week schorsen, zonder doorbetaling van loon als er sprake is van een dringende reden, zoals bedoeld in artikel 7:678 BW. De werkgever informeert de werknemer schriftelijk over de redenen en de duur van de schorsing.

  • De werkgever houdt altijd de mogelijkheid de werknemer op staande voet te ontslaan op grond van artikel 7:677 BW.

1.6 Beëindiging arbeidsovereenkomst

Tabel 1.6.1 Opzegtermijnen

duur arbeidsovereenkomst

opzegtermijn werkgever

opzegtermijn werknemer

korter dan 5 jaar

1 maand

1 maand

5 tot 10 jaar

2 maanden

1 maand

10 tot 15 jaar

3 maanden

1 maand

15 jaar of langer

4 maanden

1 maand

1.6.1 Opzegtermijnen
  • Bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst gelden de wettelijke opzegtermijnen. Zie tabel 1.6.1.

1.6.2 Uitzonderingen
  • Ontslagvergunning UWV: heeft de werkgever een ontslagvergunning van UWV? Dan wordt de opzegtermijn verkort met de tijd die de UWV-procedure heeft geduurd. Dit gebeurt volgens de regels van artikel 7:672 BW. UWV vermeldt de proceduretijd in de ontslagvergunning. De opzegtermijn wordt in dit geval nooit korter dan een maand.

  • Bouwplaatswerknemer: vallen in de opzegtermijn van de bouwplaatswerknemer vakantiedagen van de aaneengesloten zomervakantie? Dan wordt de opzegtermijn met dit aantal dagen verlengd.

1.6.3 Manier van opzeggen
  • De werkgever of de werknemer die de arbeidsovereenkomst wil opzeggen, doet dit schriftelijk.

  • Bouwplaatswerknemer: bij deze werknemer gebeurt de opzegging tegen het einde van een kalenderweek. De feitelijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst vindt – met inachtneming van de opzegtermijn – plaats op een maandag. Eindigt de opzegtermijn op een maandag, dan vindt de feitelijke beëindiging plaats op de maandag daarna.

  • Uta-werknemer: bij deze werknemer gebeurt de opzegging tegen het einde van een betalingsperiode. De feitelijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst vindt – met inachtneming van de opzegtermijn – plaats na afloop van de laatste dag van een betalingsperiode. Dit kan een andere dag zijn als de werkgever en de werknemer dit schriftelijk zijn overeengekomen of als dit gebruikelijk is.

1.6.4 Einde arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd
  • Heeft de werknemer een arbeidsovereenkomst voor zes maanden of langer? En is het einde van die arbeidsovereenkomst bepaald op een kalenderdatum? Dan is de werkgever verplicht de werknemer schriftelijk te laten weten of hij de overeenkomst wil voortzetten en zo ja, onder welke voorwaarden. Dit doet hij uiterlijk een maand voor de einddatum.

  • Doet de werkgever dit niet? Dan is hij verplicht de werknemer de wettelijke aanzegvergoeding te betalen.

1.6.5 Overlijden
  • Bij overlijden van de werknemer betaalt de werkgever de gezamenlijke nagelaten betrekkingen van de werknemer een eenmalige overlijdensuitkering. Die is gelijk aan het vast overeengekomen loon of het salaris van de werknemer over de periode van de dag van overlijden tot het eind van die maand en de twee maanden daarna. Dit in afwijking van artikel 7:674 BW.

  • Overlijden door een ongeval: zie 7.6.

  • Bouwplaatswerknemer: overlijdt deze werknemer in het woon-werkverkeer of tijdens zijn werk? Dan betaalt de werkgever het vervoer van het stoffelijk overschot naar de woonplaats. Uitzonderingen: dit geldt niet als die woonplaats buiten Nederland ligt of als de kosten uit een wettelijke regeling worden vergoed.

1.7 Afrekenen bij beëindiging arbeidsovereenkomst

Tabel 1.7 Afrekenen bij einde arbeidsovereenkomst

arbeidsvoorwaarde/

onderwerp

specificatie

manier van verrekenen

loon-/salariscomponenten

bijv. overwerkuren, reisuren en vakantietoeslag

bij de loon-/salarisbetaling

vakantie

nog niet opgenomen dagen

uitbetalen of de werknemer in staat stellen deze voor het eind van de arbeidsovereenkomst op te nemen

 

te veel opgenomen dagen

verrekenen toegestaan

roostervrij

nog niet opgenomen dagen

voor het eind van de arbeidsovereenkomst opnemen, na overleg met de werkgever (zie 1.7.2)

 

te veel opgenomen dagen

niet verrekenen, tenzij…(zie 1.7.2)

extra roostervrij ouderen

nog niet opgenomen dagen

uitbetalen of de werknemer in staat stellen deze voor het eind van de arbeidsovereenkomst op te nemen

 

te veel opgenomen dagen

verrekenen toegestaan

versterking arbeidsmarktpositie

n.v.t.

verrekenen met transitievergoeding toegestaan (zie 1.7.3)

1.7.1 Waar gaat het om?
  • In tabel 1.7 staat hoe de werkgever en de werknemer met elkaar afrekenen bij het einde van de arbeidsovereenkomst.

  • Afrekenen koopdagen na een vierdaagse werkweek 55-plus: zie 6.5.6.

1.7.2 Uitzonderingen bij het afrekenen van roostervrije dagen
  • Heeft de werknemer op het moment dat de werkgever failliet gaat roostervrije dagen over? Dan worden ze behandeld als dagen die ook tijdens de opzegtermijn niet worden opgenomen, tenzij ze aantoonbaar al waren ingeroosterd.

  • Te veel opgenomen roostervrije dagen mogen wel worden verrekend:

    • als de werknemer zelf ontslag neemt of

    • bij ontslag op staande voet op grond van artikel 7:677 BW.

1.7.3 Transitievergoeding
  • Heeft de werkgever tijdens de arbeidsovereenkomst geïnvesteerd in het versterken van de arbeidsmarktpositie van de werknemer? Bijvoorbeeld door het betalen van omscholing naar een andere functie? Dan kan de werkgever die investering in mindering brengen op de transitievergoeding. Dit mag hij uitsluitend doen als is voldaan aan het 'Besluit voorwaarden in mindering brengen kosten op transitievergoeding'.

  • De werkgever mag het bedrag dat hij heeft betaald voor het individueel budget van de werknemer niet in mindering brengen op de transitievergoeding.

2. ARBEIDSDUUR EN WERKTIJDEN

2.1 Werktijdregelingen

2.1.1 Basis- of kaderregeling
  • De basisregeling arbeidsduur en werktijden (verder te noemen 'basisregeling') geldt voor alle werknemers. De basisregeling gaat uit van een gemiddelde arbeidsduur per dag en per week. Zie 2.2.

  • De kaderregeling arbeidsduur en werktijden (verder te noemen 'kaderregeling') maakt het mogelijk de grenzen van de basisregeling op onderdelen te verruimen. Binnen de onderneming kunnen de werkgever en de werknemers daar afspraken over maken. Zie 2.2 en 2.3.

2.1.2 Aanvullende mogelijkheden voor maatwerk
  • Aanvullende mogelijkheden om binnen de onderneming maatwerkafspraken te maken over de arbeidsduur en/of werktijden zijn:

    • verschoven uren infra (zie 2.4),

    • onderhoudswerk op zaterdag (zie 2.5),

    • ploegendienst (zie 2.6),

    • beschikbaarheidsdienst (zie 2.7) en

    • spaarurenmodel (zie 2.9).

2.2 Basisregeling en kaderregeling

Tabel 2.2 Kenmerken van de basis- en de kaderregeling

onderwerp

basisregeling

voor alle werknemers

kaderregeling

grenzen voor het afwijken van de basisregeling

Normale arbeidsduur

Gemiddeld 40 uur per werkweek en gemiddeld 8 uur per dag.

Beide gemiddelden gemeten over een periode van 13 weken.

Beide gemiddelden gemeten over een periode van maximaal 26 weken (infra: maximaal 52 weken).

Werkweek/

werkdagen

– Maandag t/m vrijdag.

– 5 dagen.

– Maandag t/m zaterdag.

– Niet meer dan gemiddeld 5 dagen, gemeten over een periode van 4 weken.

Werktijd per dag

Maximaal 9 uur volgens rooster.

– Maximaal 10 uur volgens rooster.

– 16 en 17 jaar: maximaal 9 uur volgens rooster.

Dagvenster bouw-

plaatswerknemer

– Tussen 07.00 uur en 19.00 uur (bij tijwerk: 06.00 uur–19.00 uur).

– Het rooster blijft binnen dit dagvenster.

– Tussen 06.00 uur en 19.00 uur.

– Inroosteren buiten het dagvenster is toegestaan.

– De toeslag bijzondere uren geldt op maandag t/m vrijdag alleen buiten het dagvenster (zie 5.3).

Werken op zaterdag

– Zaterdag is geen normale werkdag.

– De werkgever kan werken op maximaal 5 zaterdagen per jaar verplicht stellen. De werkweek blijft uit 5 werkdagen bestaan.

De werkgever kan werken op zaterdag verplicht stellen.

De toeslag bijzondere uren geldt voor alle gewerkte uren (zie 5.3).

Werken op zondag1

– Zondag is geen normale werkdag.

– Werken op zondag is niet verplicht.

– De toeslag bijzondere uren geldt voor alle gewerkte uren (zie 5.3).

Overwerk

– Overwerk is op een dag meer werken dan volgens het rooster.

– Overwerktoeslag: zie 5.7.

Rooster: algemeen

De werkgever stelt de dagelijkse en wekelijkse werk- en rusttijden vast.

Hij houdt zich hierbij aan de volgende voorwaarden:

– vooraf redelijk overleg met de werknemer;

– rekening houden met de persoonlijke omstandigheden van de werknemer;

– zoveel mogelijk zorgen voor een regelmatig en voorspelbaar werkpatroon;

– een rooster maken dat voldoet aan de eisen van de basisregeling of (indien van toepassing) de kaderregeling;

– in het rooster duidelijk de begin- en eindtijd van de werkdag aangeven;

– het rooster ten minste 14 dagen vooraf aan de werknemer beschikbaar stellen; dit mag alleen later gebeuren als de werknemer daarmee instemt.

Rooster: verschillen

De werkgever geeft in het rooster ook het begin en eind aan van de 13 wekenperiode voor de gemiddelde arbeidsduur.

De werkgever geeft in het rooster ook het begin en eind aan van de periode van maximaal 26 weken voor de gemiddelde arbeidsduur (voor de infra: periode van maximaal 52 weken).

Spaarurenmodel bouwplaatswerk-nemer

De werkgever kan de werknemer per kalenderjaar 80 spaaruren laten opbouwen (zie 2.9).

 

Voor de infra: maximaal 160 spaaruren per kalenderjaar, waarvan maximaal 128 verplichte extra uren per kalenderjaar en maximaal 5 per week.

Overige kenmerken

– Nadere voorwaarden staan in 2.2.1 t/m 2.2.3.

– Voor onderdelen van de werk- en rusttijden die daar niet zijn benoemd, geldt bijlage 3.

– Nadere voorwaarden staan in 2.2.1 t/m 2.2.3 en 2.3.

– Voor onderdelen van de werk- en rusttijden die daar niet zijn benoemd, geldt bijlage 3.

X Noot
1

De werknemer in de burgerlijke & utiliteitsbouw die op zondag werkt, heeft recht op ten minste acht vrije zondagen per dertien weken.

2.2.1 De hoofdlijnen
  • In tabel 2.2 staan de belangrijkste kenmerken van de basis- en de kaderregeling.

2.2.2 Loonbetaling
  • In beide regelingen is de arbeidsduur uitgedrukt in een gemiddeld aantal uren per werkweek. De werkgever betaalt echter het vast overeengekomen loon of het salaris over ten minste veertig uur per werkweek.

  • Uitzondering: heeft de werknemer in een week verlof zonder recht op loondoorbetaling? Dan brengt de werkgever deze verlofuren in mindering op die veertig uur.

2.2.3 Bouwplaatswerknemer: maxima voor werktijd, pauze(s) en reistijd
  • De werktijd, voorgeschreven pauze(s) en werkelijke reistijd van de bouwplaatswerknemer mogen samen niet langer duren dan twaalf uur per dag. Zo nodig wordt de werktijd ingekort om binnen deze grens te blijven. De reisuren die daardoor in werktijd vallen, worden als gewerkte uren betaald.

  • Uitzondering: als de werknemer overwerkt, geldt een maximum van dertien uur per dag.

2.3 Kaderregeling: nadere voorwaarden

2.3.1 Voorwaarden voor afwijking van de basisregeling
  • De werkgever mag onder de volgende voorwaarden een kaderregeling hanteren.

  • Nadat hij daarover schriftelijk overeenstemming heeft bereikt met:

    • het medezeggenschapsorgaan en

    • ten minste 70% van de betrokken werknemers (dit kan niet via individuele arbeidsovereenkomsten worden geregeld).

  • De werkgever organiseert de raadpleging van het medezeggenschapsorgaan en de betrokken werknemers. Het medezeggenschapsorgaan kan zich laten bijstaan door een of meer vakbondsvertegenwoordigers.

  • De looptijd van een overeengekomen kaderregeling wordt in de regeling vermeld. De looptijd is nooit langer dan die van deze cao. Stilzwijgende verlenging van de regeling is niet toegestaan.

  • De werkgever informeert cao-partijen over de gemaakte afspraken. Dit gebeurt via het digitaal loket van het Technisch Bureau Bouw & Infra (www.tbbouw.nl). Hij voegt daar bewijzen aan toe van de vereiste overeenstemming met het medezeggenschapsorgaan en de werknemers.

  • Zolang een kaderregeling niet is gemeld bij het Technisch Bureau Bouw & Infra, geldt in de onderneming de basisregeling.

  • De werkgever evalueert de uitvoering van de gemaakte afspraken. Hij informeert cao-partijen op hun verzoek over de uitkomsten. Dit doet hij via het Technisch Bureau Bouw & Infra.

2.3.2 Voorwaarden voor afwijking van de kaderregeling
  • Wil de werkgever afspraken maken die verder gaan dan de grenzen van de kaderregeling toelaten? Dan mag hij dit pas doen nadat:

    • de werknemersorganisaties FNV en CNV Vakmensen daarmee hebben ingestemd en

    • hij cao-partijen over de gemaakte afspraken heeft geïnformeerd; dit doet hij via het Technisch Bureau Bouw & Infra.

2.4 Verschoven uren infra

2.4.1 Waar gaat het om?
  • De regeling verschoven uren infra geldt voor de bouwplaatswerknemer.

  • Bij de regeling gaat het om:

    • vernieuwing, onderhoud en reparatie van infrastructurele werken (werk aan wegen, spoorwegen, riolerings- en kabelnetten en kunstwerken),

    • waarbij de basisregeling wordt verruimd binnen de grenzen van 2.4.2 en 2.4.3.

  • Werken in verschoven uren infra wordt tot het hoogst noodzakelijke beperkt. En het mag alleen als de opdrachtgever dit in het bestek eist.

  • Moet in dit verband asfalt worden geproduceerd? Dan volgen de werknemers in de asfaltcentrales hetzelfde arbeidspatroon. Hierbij is 2.4 in zijn geheel van toepassing.

2.4.2 Verruiming ten opzichte van de basisregeling
  • Normale arbeidsduur: gemiddeld 40 uur per kalenderweek, gemeten over een periode van 13 weken.

  • Dagvenster: werken buiten de grenzen van het dagvenster uit de basisregeling is toegestaan als de werkgever en de werknemer dit schriftelijk hebben afgesproken.

  • Zaterdag en/of zondag: dit zijn geen normale werkdagen. Maar werken op zaterdag en/of zondag is toegestaan. Daarbij gelden de voorwaarden van de regeling verschoven uren infra.

  • Toeslagen: de toeslag verschoven uren infra uit 5.15 is van toepassing; de toeslag voor werken op bijzondere uren niet.

  • Rooster: in onvoorziene omstandigheden mag de werkgever zonder overleg afwijken van de regel dat hij het rooster ten minste 14 dagen tevoren aan de werknemer beschikbaar moet stellen.

2.4.3 Nadere regels
  • Voor werken in verschoven uren infra gelden verder de volgende regels.

    • Vierdaagse werkweek. Een vierdaagse werkweek van maximaal tien uur per dag is toegestaan als alle diensten na 20.00 uur beginnen. Deze vierdaagse werkweek mag niet leiden tot een lagere beloning of een lagere rechtenopbouw in bedrijfstakfondsen dan bij een vijfdaagse werkweek.

    • Rusttijden.

      • ° De werknemer heeft recht op een onafgebroken rusttijd van 48 uur per week. Om de week valt in die rusttijd de periode van zaterdag 06.00 uur tot zondag 21.00 uur.

      • ° Gaat de werknemer tijdens de werkweek over van werken op normale werktijden naar werken in verschoven uren? Dan heeft hij tussendoor recht op ten minste tien uur rusttijd. Eventuele reisuren in het woon-werkverkeer komen daarbij. Om dit mogelijk te maken, mag hij de dag ervoor eerder ophouden met werken. De werkgever betaalt het vast overeengekomen loon door.

      • ° Is de werktijd na 20.00 uur begonnen en neemt de werknemer één of meer collega's in zijn auto mee terug? Dan heeft hij recht op een half uur rusttijd voordat hij naar huis gaat.

    • Roostervrije en feestdagen: gaat het om een kalenderweek waarin roostervrije dagen en/of feestdagen vallen? Dan wordt de arbeidstijd van degene die in verschoven uren werkt evenveel verkort als van degene die in normale uren werkt.

    • Oudere werknemers: de werknemer van 57 jaar of ouder hoeft in beginsel per kalenderjaar niet meer dan 30 weken in verschoven uren te werken.

2.5 Onderhoudswerk op zaterdag

2.5.1 Waar gaat het om?
  • De werkgever mag de werknemer op zaterdag onderhouds- en reparatiewerk laten doen aan bewoonde en in gebruik zijnde gebouwen. Bijvoorbeeld woningen, kantoren, ziekenhuizen en industriële ondernemingen.

2.5.2 Voorwaarden
  • De opdrachtgever eist in de voorwaarden dat het werk op zaterdag wordt gedaan.

  • De werknemer is niet verplicht op zaterdag te werken.

  • De werkzaamheden vinden plaats binnen het dagvenster van de basisregeling.

  • De werknemer heeft recht op de toeslag bijzondere uren uit 5.3. Daarnaast compenseert de werkgever hem ook in tijd. De werknemer mag een vaste vrije dag kiezen in de periode van maandag tot en met vrijdag. Over die dag betaalt de werkgever geen loon.

2.6 Ploegendienst

2.6.1 Voor wie?
  • De cao-bepalingen over ploegendienst gelden voor de bouwplaatswerknemer.

2.6.2 Arbeidsduur en dagvenster
  • Bij ploegendienst volgens dienstrooster gelden de volgende regels voor de arbeidsduur en het dagvenster.

    • Bij tweeploegendienst is de arbeidsduur maximaal 80 uur per twee weken. Bij drieploegendienst is deze maximaal 120 uur per drie weken.

    • Het dagvenster loopt van maandagochtend 00.00 uur tot vrijdagavond 24.00 uur.

2.6.3 Toeslag
  • De werknemer die in ploegendienst werkt, heeft recht op de ploegendiensttoeslag uit 5.8.

2.7 Beschikbaarheidsdienst

2.7.1 Waar gaat het om?
  • De regeling beschikbaarheidsdienst geldt voor de bouwplaatswerknemer.

  • De werknemer die beschikbaarheidsdienst heeft, is buiten het rooster beschikbaar om werk te doen dat niet tot de volgende werkdag kan wachten.

  • Beschikbaarheidsdienst is verplicht als dit bij de functie hoort en het bij het aanvaarden van de functie is afgesproken.

2.7.2 Toeslagen
  • De werknemer die beschikbaarheidsdienst heeft, heeft recht op de toeslag voor beschikbaarheidsdienst uit 5.2.

  • Wordt de werknemer tijdens zijn beschikbaarheidsdienst opgeroepen om te werken? Dan gelden de gewerkte uren als overwerk. De overwerktoeslag uit 5.7 is van toepassing.

2.7.3 Nadere voorwaarden
  • De werkgever stelt in overleg met de werknemer een schema op voor de beschikbaarheidsdienst. Dit moet voldoen aan de eisen van bijlage 3.

  • Werkt de werknemer tijdens zijn beschikbaarheidsdienst op een in deze cao erkende feestdag? En is dit een dag van zijn normale werkweek? Dan mag de werknemer voor die feestdag een andere dag vrij nemen.

2.7.4 Alternatieve regeling
  • De werkgever kan met de ondernemingsraad een afwijkende regeling overeenkomen. Zie 10.9.

2.8 Overwerk

2.8.1 Waar gaat het om?
  • Overwerk is op een dag meer werken dan volgens het rooster dat is vastgesteld volgens deze cao. Verplichte extra uren uit het spaarurenmodel zijn geen overwerk.

  • De werknemer is niet verplicht over te werken.

  • Overwerktoeslag: zie 5.7.

2.8.2 Voorwaarden bouwplaatswerknemer
  • Voor overwerk door de bouwplaatswerknemer gelden de volgende voorwaarden.

    • Uitsluitend in bijzondere gevallen, wanneer de omstandigheden het vereisen.

    • Instemming van ten minste 70% van de betrokken werknemers.

    • De werktijd, voorgeschreven pauze(s) en werkelijke reistijd mogen samen niet langer duren dan dertien uur per dag. Zo nodig wordt de werktijd ingekort om binnen deze grens te blijven. De reisuren die daardoor in werktijd vallen, worden als gewerkte uren betaald.

    • De werkgever houdt per project een overwerklijst bij. Daarop noteert hij per werknemer het aantal overwerkuren per week en de keuze van de werknemer voor een vergoeding in tijd of in geld (zie 5.7). De werkgever geeft deze lijsten eenmaal per jaar aan het medezeggenschapsorgaan. Is er geen medezeggenschapsorgaan? En gaat het om een onderneming met tien of meer werknemers? Dan bespreekt de werkgever het onderwerp overwerk eenmaal per jaar met de werknemers. Hij stelt de overwerklijsten voor dit overleg beschikbaar.

    • Laat de werkgever meer dan 25% van zijn werknemers op een project overwerken? En duurt dit overwerk langer dan een week? Dan vraagt hij daar advies over aan het medezeggenschapsorgaan. Is er geen medezeggenschapsorgaan? Dan vraagt hij advies aan de betrokken werknemers.

    • Structureel overwerk is verboden. In bijzondere gevallen kunnen cao-partijen ontheffing van dit verbod verlenen.

    • Een jongere tot 18 jaar mag niet overwerken.

2.8.3 Structureel overwerk uta-werknemer
  • In beginsel moet worden vermeden dat de uta-werknemer structureel overwerkt.

2.9 Spaarurenmodel

2.9.1 Waar gaat het om?
  • Het spaarurenmodel geldt voor de bouwplaatswerknemer. Spaaruren bestaan uit verplichte extra uren en/of reisuren.

  • Het model heeft als doel om pieken en dalen in de productie op te vangen. In perioden waarin er veel werk is (vaak is dit in de maanden april tot en met oktober), bouwt de werknemer spaaruren op. In perioden waarin er minder werk is (vaak van november tot en met maart), mag de werkgever spaaruren inzetten om de werknemer minder dagen te laten werken.

  • De financiële afwikkeling verloopt via het tijdspaarfonds. Dit gebeurt volgens de regels van 4.15 en bijlage 4.

2.9.2 Voor wie verplicht?
  • De werkgever kan de bouwplaatswerknemer verplichten tot deelname aan het spaarurenmodel.

  • Uitzonderingen: voor de volgende personen is deelname niet verplicht:

    • de bouwplaatswerknemer die jonger is dan 18 jaar of

    • de bouwplaatswerknemer die in deeltijd werkt of

    • de persoon die niet bij de werkgever in dienst is, zoals een uitzendkracht.

2.9.3 Opbouw en opname van spaaruren
  • De werkgever kan de werknemer ieder kalenderjaar verplichten maximaal 80 spaaruren op te bouwen. De opbouw mag worden gespreid over in totaal 26 weken. Gaat het om infrawerkzaamheden waarbij de kaderregeling wordt toegepast? Dan ligt het maximum op 160 spaaruren.

  • Verplicht extra uren werken gebeurt in eenheden van minstens een half uur. Hierbij gelden maxima van 3 uur per week en 64 uur per kalenderjaar. Gaat het om infrawerkzaamheden waarbij de kaderregeling wordt toegepast? Dan gelden maxima van 5 uur per week en 128 uur per kalenderjaar. Om aan het maximum aantal spaaruren per jaar te komen, kan de werknemer ook reisuren inleggen.

  • De werkgever rekent de verplichte extra uren en de reisuren om naar het aantal spaaruren.

    • Eén verplicht extra uur is gelijk aan één spaaruur plus het voor dat uur geldende toeslagpercentage volgens tabel 2.9.4.

    • De omrekening van reisuren naar spaaruren gaat als volgt. Is het garantieloon van de werknemer gelijk aan het garantieloon in functiegroep A of lager? Dan is één reisuur gelijk aan één spaaruur. Is zijn garantieloon hoger? Dan deelt de werkgever het garantieloon van functiegroep A door het garantieloon van de werknemer. In het laatste geval levert één reisuur dus minder op dan één spaaruur. De werkgever mag dit niet compenseren met verplichte extra uren. Tabel 2.9.3 laat bij wijze van voorbeeld zien hoe de omrekening van reisuren in spaaruren uitpakt voor de werknemer met een garantieloon volgens tabel 4.2.

  • De werkgever mag spaaruren inzetten in perioden waarin er minder werk is. Dit gebeurt uitsluitend in hele dagen.

  • De werkgever geeft de werknemer een overzicht waaruit is af te lezen wanneer hij hoeveel spaaruren gaat inzetten. Dit doet hij ten minste zeven dagen vooraf. De werkgever bewaart het overzicht in zijn administratie.

  • De werkgever heeft jaarlijks tot 1 april de tijd om opgebouwde spaaruren in te zetten. Zijn er op die datum nog spaaruren over? Dan vervallen die, tenzij de werknemer ervoor heeft gekozen ze over te hevelen naar de volgende spaarurenperiode. In dat laatste geval kan de werkgever deze uren inzetten tot 1 april van het volgende kalenderjaar.

Tabel 2.9.3 Voorbeeld omrekening reisuren in spaaruren1

functiegroep

1 reisuur =

A

1,00 spaaruur

B

0,95 spaaruur

C

0,89 spaaruur

D

0,83 spaaruur

E

0,79 spaaruur

X Noot
1

Deze tabel geldt uitsluitend bij een garantieloon volgens tabel 4.2.

2.9.4 Loon
  • De werkgever stort het loon over de verplichte extra uren en de ingelegde reisuren op de rekening van de werknemer bij het tijdspaarfonds. Per verplicht extra uur gaat het om één uur vast overeengekomen loon plus het voor dat uur geldende toeslagpercentage volgens tabel 2.9.4. Per reisuur is het één uur garantieloon met een maximum van het garantieloon in functiegroep A.

  • De werkgever die spaaruren inzet, hoeft over die dagen niet opnieuw loon te betalen. De werknemer kan dit loon van zijn rekening bij het tijdspaarfonds halen. Daarom is het belangrijk dat hij dit deel van zijn tegoed bij het tijdspaarfonds niet voor andere doelen gebruikt, zolang hij nog spaaruren heeft die de werkgever kan inzetten.

Tabel 2.9.4 Toeslag verplichte extra uren

soort uren

toeslag

de eerste drie verplichte extra uren per dag, direct voorafgaand aan of

aansluitend op de normale werkdag

25%

overige verplichte extra uren tussen maandag 05.00 uur en zaterdag 21.00 uur

50%

verplichte extra uren tussen zaterdag 21.00 uur en maandag 05.00 uur

100%

verplichte extra uren op een in deze cao erkende feestdag

100%

2.9.5 Overige regels
  • De werktijd, voorgeschreven pauze(s) en werkelijke reistijd mogen samen niet langer duren dan 13 uur per dag. Zo nodig wordt de werktijd ingekort om binnen deze grens te blijven. De reisuren die daardoor in werktijd vallen, worden als gewerkte uren betaald.

  • Zolang de werknemer nog spaaruren over heeft, mag de werkgever hem niet ontslaan. Een uitzondering geldt voor ontslag op staande voet op grond van artikel 7:677 BW.

  • Zet de werkgever spaaruren in om werknemers vrij te roosteren? En blijkt er toch werk te zijn? Dan vraagt de werkgever eerst de vrijgeroosterde werknemers of zij dit werk willen doen.

  • Een afwijkend spaarurenmodel mag alleen worden toegepast na instemming van de werknemersorganisaties FNV en CNV Vakmensen. De werkgever stuurt een kopie van de met deze organisaties gemaakte afspraken aan het Technisch Bureau Bouw & Infra.

3. VRIJE DAGEN EN VERLOF

3.1 Vakantie

Tabel 3.1 Vakantiedagen per kalenderjaar

leeftijd

tot 18 jaar

18 jaar en ouder

 

bouwplaats

uta

bouwplaats en uta

totaal

29

27

25

– waarvan wettelijk

20

20

20

– waarvan bovenwettelijk

9

7

5

3.1.1 Aantal vakantiedagen
  • In tabel 3.1 staat het aantal vakantiedagen dat de werknemer per kalenderjaar opbouwt. De bouwplaatswerknemer krijgt één extra vakantiedag in elk jaar waarin tussen Kerstmis en Nieuwjaar vijf werkdagen vallen.

  • De aantallen uit tabel 3.1 gelden voor de werknemer:

    • die het hele kalenderjaar bij de werkgever in dienst is en

    • dat hele jaar binnen de voor hem geldende leeftijdscategorie valt.

  • Is de werknemer slechts een deel van het jaar bij de werkgever in dienst? Dan heeft hij recht op het aantal vakantiedagen naar rato van de duur van zijn arbeidsovereenkomst in dat jaar.

  • Wordt de werknemer tijdens het kalenderjaar 18 jaar? Dan heeft hij recht op het aantal dagen naar rato van het deel van het jaar dat hij jonger was, respectievelijk 18 jaar is.

  • Werkt de werknemer in deeltijd? Dan heeft hij recht op het aantal dagen naar rato van zijn arbeidsduur.

3.1.2 Loon over vakantiedagen
  • Over een vakantiedag betaalt de werkgever het loon zoals bedoeld in artikel 7:639 BW. Voor vijf bovenwettelijke vakantiedagen gebeurt dit via het individueel budget.

  • Dit loon bestaat uit de looncomponenten die de werkgever voor de overeengekomen werkzaamheden aan de werknemer zou hebben moeten betalen als de werknemer op de vakantiedag had gewerkt. Onder vakantieloon vallen niet vergoedingen voor kosten die de werknemer bij de uitvoering van zijn werkzaamheden maakt.

3.1.3 Vakantie en ziekte
  • De opbouw van bovenwettelijke vakantiedagen eindigt na zes maanden ziekte. Werkt de zieke werknemer na die tijd voor een deel van zijn normale aantal uren? Dan bouwt hij over de gewerkte uren wel bovenwettelijke vakantiedagen op.

  • Is de werknemer langer dan zes maanden ziek geweest? En heeft hij daardoor onvoldoende vakantiedagen opgebouwd voor een collectieve bedrijfssluiting in de zomer? Dan betaalt de werkgever de ontbrekende dagen door tot een maximum van 2,5 dagen.

  • Is de werknemer op een vastgestelde vakantiedag ziek? Dan mag hij die dag op een ander moment alsnog opnemen.

  • Kan de werknemer geen gebruik maken van een of meer vakantiedagen om redenen zoals bedoeld in artikel 7:635 BW? En heeft hij dit vooraf aan de werkgever gemeld? Dan geeft de werkgever hem op een ander moment alsnog de gelegenheid die dag of dagen op te nemen. Op welk tijdstip dit gebeurt, bepaalt de werkgever in overleg met de werknemer.

3.1.4 Opnemen van vakantie: algemeen
  • Het uitgangspunt is dat eerst de wettelijke en daarna de bovenwettelijke dagen worden opgenomen.

  • De werkgever stelt de vakantiedata vast. Hij volgt hierbij de wensen van de werknemer. De werkgever mag daar alleen van afwijken als:

    • die vakantie de continuïteit van het bedrijfsproces in gevaar zou brengen en

    • hij dit de werknemer schriftelijk heeft laten weten, binnen twee weken nadat de werknemer zijn wensen schriftelijk bekend heeft gemaakt.

3.1.5 Opnemen van vakantie: bouwplaatswerknemer
  • Voor de bouwplaatswerknemer geldt – naast 3.1.4 – het volgende.

    • Deze werknemer heeft recht op drie weken aaneengesloten zomervakantie. Dit geldt alleen als hij daar voldoende vakantiedagen voor heeft opgebouwd. De werkgever stelt de data van deze vakantie voor zover mogelijk vast vóór 1 december van het voorafgaande jaar. Dit doet hij op verzoek van de werknemer.

    • Moet de bouwplaatswerknemer meedoen aan een bedrijfssluiting? Dan mag hij daarnaast een aaneengesloten vakantie van drie weken opnemen. Dit geldt alleen als hij daarvoor voldoende vakantie- en roostervrije dagen heeft opgebouwd.

3.1.6 Opnemen van vakantie: uta-werknemer
  • Voor de uta-werknemer geldt – naast 3.1.4 – dat hij ten minste drie weken aaneengesloten vakantie opneemt als dit nodig is vanuit het bedrijfsbelang. Dit gebeurt in overleg tussen de werkgever en de werknemer.

3.1.7 Loon over extra verlofdagen ouderen
  • Neemt de werknemer een extra verlofdag voor oudere werknemers op die hij vóór 1 januari 2016 heeft opgebouwd? Dan betaalt de werkgever over die dag het loon zoals bedoeld in artikel 7:639 BW.

  • De werkgever kan in aanmerking komen voor een tegemoetkoming in deze loonkosten. De voorwaarden zijn:

    • dat het om een bouwplaatswerknemer gaat en

    • dat is voldaan aan de eisen van het reglement overgangsregeling extra verlofdagen oudere werknemers van het Aanvullingsfonds Bouw & Infra. Dit reglement maakt deel uit van de cao BTER Bouw & Infra.

    De werkgever kan bij dit fonds een declaratie indienen.

3.2 Roostervrij

Tabel 3.2 Roostervrij per kalenderjaar en wijze van betaling

werknemer

aantal roostervrije dagen /uren

wijze van betaling1

 

totaal

waarvan collectief2

waarvan vrij opneembaar

loon/salaris

individueel budget

bouwplaats

20 dagen

(160 uren)

10 dagen

(80 uren)

10 dagen

(80 uren)

10 dagen (80 uren) collectief

10 dagen (80 uren) vrij opneembaar

uta

15 dagen

(120 uren)

0 dagen

(0 uren)

15 dagen

(120 uren)

10 dagen

(80 uren)

5 dagen

(40 uren)

X Noot
1

Zie 3.2.2.

X Noot
2

Zie 3.2.3.

3.2.1 Aantal roostervrije dagen
  • In tabel 3.2 staat hoeveel roostervrije dagen de werknemer per kalenderjaar opbouwt en hoe de betaling over die dagen plaatsvindt. Op roostervrije dagen werkt de werknemer niet.

  • De aantallen dagen uit tabel 3.2 gelden voor de werknemer die het hele kalenderjaar bij de werkgever in dienst is. Is de werknemer slechts een deel van het jaar bij de werkgever in dienst? Dan heeft hij recht op het aantal dagen naar rato van de duur van zijn arbeidsovereenkomst in dat jaar.

  • Werkt de werknemer in deeltijd? Dan heeft hij recht op het aantal dagen naar rato van zijn arbeidsduur.

3.2.2 Loon over roostervrije dagen
  • Over een roostervrije dag betaalt de werkgever het vast overeengekomen loon of het salaris. Zoals blijkt uit tabel 3.2 gebeurt dit voor een aantal roostervrije dagen via het individueel budget.

3.2.3 Opnemen van roostervrije dagen
  • Vrij opneembare roostervrije dagen worden vastgesteld volgens de wensen van de werknemer. De werkgever mag daar alleen van afwijken als:

    • dit de continuïteit van het bedrijfsproces in gevaar zou brengen en

    • hij dit de werknemer schriftelijk heeft laten weten, binnen twee weken nadat de werknemer zijn wensen schriftelijk bekend heeft gemaakt.

  • Collectieve roostervrije dagen gelden alleen voor de bouwplaatswerknemer. Het vaststellen daarvan gebeurt door de werkgever, in goed en vroegtijdig overleg met de ondernemingsraad. Is er geen ondernemingsraad? Dan gebeurt het in overleg met de betrokken werknemers of – als zij dit willen – een door hen gekozen delegatie van werknemers.

  • Collectieve roostervrije dagen kunnen ook in uren worden vastgesteld.

  • De werkgever legt de data/uren waarop de werknemer collectief roostervrij is, per kalenderjaar vast in een overzicht. Hij geeft dit overzicht ten minste tien dagen voor het begin van het kalenderjaar aan de werknemer. Als dit vooraf is afgesproken, mag het een overzicht zijn voor een kortere periode dan een kalenderjaar.

  • Levert de werkgever zo'n overzicht niet? Ook niet nadat de werknemer(s) of een van de werknemersorganisaties dit hebben geëist? Dan zorgen cao-partijen er samen voor dat dit alsnog gebeurt.

  • Niet opgenomen roostervrije dagen vervallen aan het eind van het kalenderjaar.

3.2.4 Roostervrij en ziekte
  • Tijdens ziekte bouwt de werknemer roostervrije dagen op.

  • Is de werknemer op een vastgestelde roostervrije dag ziek? Dan heeft hij niet het recht die dag later alsnog op te nemen.

  • De werkgever kan echter in goed overleg met de werknemer besluiten die dag later alsnog te laten opnemen.

3.2.5 Waarde roostervrije dag uta
  • De waarde van een roostervrije dag van de uta-werknemer is 0,4% van het jaarsalaris.

3.3 Extra roostervrij oudere werknemers (overgangsregeling)

Tabel 3.3 Extra roostervrij voor oudere werknemers per kalenderjaar

geboortejaar

aantal extra dagen

met ingang van (leeftijdsgrens)

 

bouwplaats

uta

 

1955 of eerder

13

11

60 jaar

1956–1960

10

9

55 jaar

1961

10

9

57 jaar

1962

9

8

57 jaar

1963

8

7

57 jaar

3.3.1 Aantal extra roostervrije dagen
  • In tabel 3.3 staat hoeveel extra roostervrije dagen de oudere werknemer per kalenderjaar opbouwt. Dit zijn geen vakantiedagen zoals bedoeld in artikel 7:634 BW.

  • De aantallen dagen uit tabel 3.3 gelden voor de werknemer:

    • die het hele kalenderjaar bij de werkgever in dienst is en

    • dat hele jaar binnen de voor hem geldende leeftijdscategorie valt.

  • Is de werknemer slechts een deel van het jaar bij de werkgever in dienst? Dan heeft hij recht op het aantal dagen naar rato van de duur van zijn arbeidsovereenkomst in dat jaar.

  • Wordt de werknemer tijdens het kalenderjaar 57 jaar? Dan heeft hij vanaf dat moment recht op het aantal dagen naar rato van het deel van het jaar dat hij 57 jaar is.

  • Werkt de werknemer in deeltijd? Dan heeft hij recht op het aantal dagen naar rato van zijn arbeidsduur.

3.3.2 Loon over extra roostervrije dagen
  • Neemt de werknemer een extra roostervrije dag op? Dan betaalt de werkgever over die dag het vast overeengekomen loon of het salaris.

  • De werkgever kan in aanmerking komen voor een tegemoetkoming in de loonkosten van opgenomen extra roostervrije dagen. De voorwaarden zijn:

    • dat het om een bouwplaatswerknemer gaat en

    • dat is voldaan aan de eisen van het reglement overgangsregeling extra roostervrije dagen oudere werknemers van het Aanvullingsfonds Bouw & Infra. Dit reglement maakt deel uit van de cao BTER Bouw & Infra.

    De werkgever kan bij dit fonds een declaratie indienen.

3.3.3 Opnemen van extra roostervrije dagen
  • De werknemer neemt zijn extra roostervrije dagen op in het jaar waarin hij ze opbouwt. De werkgever stelt hem hiertoe in staat.

  • Niet opgenomen extra roostervrije dagen vervallen aan het eind van het kalenderjaar.

3.3.4 Extra roostervrij en ziekte
  • De opbouw van extra roostervrije dagen eindigt na zes maanden ziekte. Werkt de zieke werknemer na die tijd voor een deel van zijn normale aantal uren? Dan bouwt hij over die uren wel extra roostervrije dagen op.

  • Is de werknemer op een vastgestelde extra roostervrije dag ziek? Dan mag hij die dag op een ander moment alsnog opnemen. Dit doet hij in overleg met de werkgever.

3.4 Feestdagen

3.4.1 In de cao erkende feestdagen
  • Iedere werknemer heeft recht op betaald verlof op nieuwjaarsdag, tweede paasdag, Koningsdag, Hemelvaartsdag, tweede pinksterdag, de beide kerstdagen en eens in de vijf jaar op 5 mei (in 2020, 2025 enz.).

  • De werkgever betaalt over deze feestdagen het vast overeengekomen loon of het salaris.

  • Werkt de werknemer op een in de cao erkende feestdag in ploegendienst? Dan geeft de werknemer hem op een andere dag betaald verlof.

3.5 Verlof rondom een overlijden

3.5.1 Stervensbegeleiding
  • De werknemer heeft recht op verlof voor de stervensbegeleiding van een terminaal ziek familielid.

  • Het gaat om tien dagen betaald verlof in een periode van twaalf maanden. Deze periode van twaalf maanden gaat in vanaf de eerste verlofdag.

  • Werkt de werknemer in deeltijd? Dan heeft hij recht op het aantal verlofdagen naar rato van zijn arbeidsduur.

  • Het verlof geldt voor de volgende familieleden: echtgenoten, kinderen (inclusief pleeg- en schoonkinderen), ouders (inclusief stief- en schoonouders), broers en zussen (inclusief halfbroers en halfzussen).

  • Naast betaald verlof kan de werknemer voor dit doel onbetaald verlof opnemen. Dit is het wettelijk langdurend zorgverlof.

3.5.2 Rouwverlof
  • De werknemer heeft recht op tien dagen betaald rouwverlof bij het overlijden van een familielid zoals bedoeld in 3.5.1.

  • Werkt de werknemer in deeltijd? Dan heeft hij recht op het aantal verlofdagen naar rato van zijn arbeidsduur.

  • Het verlof begint in beginsel direct aansluitend op het overlijden.

3.5.3 Loonbetaling bij verlof voor stervensbegeleiding en rouwverlof
  • Bij het betaald verlof, zoals bedoeld in 3.5.1 en 3.5.2, betaalt de werkgever het vast overeengekomen loon of het salaris.

3.5.4 Relatie met wettelijk zorgverlof
  • Heeft de werknemer gebruik gemaakt van betaald cao-verlof zoals bedoeld in 3.5.1 en/of 3.5.2? En neemt hij binnen twaalf maanden na het begin van dit verlof wettelijk kortdurend zorgverlof op? Dan hoeft de werkgever over dat kortdurend verlof geen loon te betalen. Dit in afwijking van de wet.

3.6 Kort verzuim

In afwijking van de Wet arbeid en zorg geldt het volgende.

3.6.1 Familiegebeurtenissen (onbetaald verlof)
  • De werknemer heeft recht op onbetaald verlof voor:

    • feestelijke gebeurtenissen in de familiekring, zoals ondertrouw, een huwelijk(sfeest), doop of (dienst)jubileum en

    • andere bijzondere omstandigheden in de familiekring, zoals ziekte of overlijden van de echtgenoot, een huisgenoot, een (pleeg)kind, een ander(e) familielid of aanverwante.

3.6.2 Medische zaken (onbetaald verlof)
  • De werknemer heeft recht op onbetaald verlof voor:

    • noodzakelijk bezoek aan de tandarts, huisarts of specialist,

    • poliklinische behandeling,

    • periodiek arbeidsgezondheidskundig onderzoek en

    • ziekenhuisopname en -ontslag van een huisgenoot.

3.6.3 Andere situaties met onbetaald verlof
  • De werknemer heeft ook recht op onbetaald verlof voor:

    • religieuze niet-christelijke feestdagen,

    • keuring of herkeuring (bijvoorbeeld een medische of een militaire keuring),

    • verhuizing,

    • examens (dit geldt niet voor de leerlingwerknemer; die heeft bij een examen recht op betaald verlof; zie 6.1.4),

    • bijeenkomsten van werknemersorganisaties, voor zover de werknemer daar als lid persoonlijk voor is uitgenodigd,

    • inschrijving als werkzoekende bij UWV en het solliciteren nadat ontslag is aangekondigd,

    • een voorbereidingscursus voor pensionering,

    • uitoefening van het kiesrecht en

    • verplichtingen die de wet de werknemer persoonlijk oplegt.

3.6.4 Financiële compensatie
  • Bij situaties omschreven in 3.6.1, 3.6.2 en 3.6.3 betaalt de werkgever geen loon of salaris. Dit in afwijking van de wet. Als compensatie ontvangt de werknemer – via zijn individueel budget – de geldwaarde van 24 uren per kalenderjaar. Werkt de werknemer in deeltijd? Dan heeft hij recht op het aantal uren naar rato van zijn arbeidsduur. Hoeveel uren onbetaald verlof de werknemer feitelijk opneemt, maakt niet uit.

  • Uitzondering: is de werknemer chronisch ziek of heeft hij een ernstig ongeval gehad? En is te voorzien dat hij als gevolg hiervan in een jaar méér dan 24 uur onbetaald verlof zal moeten opnemen? Dan zoeken de werkgever en de werknemer daar samen een passende oplossing voor. Als de betrokken werknemer onder behandeling van een arts of therapeut staat, geldt in ieder geval het volgende. Met ingang van het 25ste uur dat hij voor zijn behandeling verlof moet opnemen, betaalt de werkgever ten minste 50% van het vast overeengekomen loon of het salaris.

3.6.5 Noodsituatie thuis (betaald verlof)
  • Heeft de werknemer te maken met een noodsituatie thuis? En gaat het om een situatie die niet is genoemd in 3.6.1, 3.6.2 of 3.6.3? Bijvoorbeeld een gesprongen waterleiding of brand? Dan geeft de wet hem recht op betaald calamiteitenverlof.

  • Dit verlof is beperkt tot het aantal uren dat in redelijkheid nodig is om de noodsituatie op te lossen.

  • De werkgever betaalt het vast overeengekomen loon of het salaris.

3.6.6 Bevalling van de partner
  • Bij bevalling van de partner heeft de werknemer recht op één dag betaald verlof. De werkgever betaalt het vast overeengekomen loon of het salaris.

  • Daarnaast heeft de werknemer recht op wettelijk geboorteverlof. Dit bestaat uit twee delen.

    • Verlof van eenmaal het aantal werkuren per week. De werkgever betaalt het vast overeengekomen loon of het salaris.

    • Aanvullend verlof van maximaal vijfmaal het aantal werkuren per week. UWV betaalt een uitkering van 70% van het dagloon.

3.6.7 Algemene voorwaarden
  • Bij verlof zoals bedoeld in 3.6 gelden de volgende regels.

    • Het verlof wordt vastgesteld in overleg met de werkgever.

    • De werknemer informeert de werkgever ten minste één dag tevoren. Kan dit niet, dan doet de werknemer het zo snel mogelijk.

    • De werknemer geeft aan om welke reden hij verlof opneemt. De werkgever kan om bewijsstukken vragen.

    • Gaat het om een bouwplaatswerknemer die ver van huis moet werken, zoals bedoeld in 5.13.1? Dan heeft hij bij opname van dit verlof recht op een vergoeding van de reiskosten die hij daarvoor moet maken. Als maximum gelden de reiskosten naar zijn woonplaats en terug, berekend volgens 5.9.

4. INKOMEN

4.1 Inleiding

4.1.1 Brutobedragen
  • Alle bedragen in deze cao zijn brutobedragen, tenzij uitdrukkelijk is vermeld dat het om een nettobedrag gaat.

4.1.2 Snel naar het juiste loon of salaris
  • Het volgende schema laat zien waar welk loon of salaris in dit hoofdstuk te vinden is.

Stroomschema 4.1.2 Snel naar het juiste loon of salaris

Stroomschema 4.1.2 Snel naar het juiste loon of salaris

Bouwplaatswerknemer

4.2 Garantieloon 21 jaar of ouder

Tabel 4.2 Garantieloon bouwplaatswerknemer 21 jaar of ouder (euro per uur)

functiegroep

 

1/12/2020

(periode 13)

A

14,04

14,32

B

14,85

15,15

C

15,79

16,11

D

16,89

17,23

E

17,74

18,09

4.2.1 Voor wie geldt tabel 4.2?
  • De bouwplaatswerknemer van 21 jaar of ouder heeft recht op het garantieloon uit tabel 4.2.

  • Zijn functie bepaalt onder welke functiegroep hij valt. Zie 1.2.

4.2.2 Uitzonderingen
  • Tijdens bbl: is de bouwplaatswerknemer bezig met een opleiding bbl 2 of bbl 3? Zie dan 4.4.

  • Starttabel: heeft de werknemer nog niet eerder in de bouw & infra gewerkt? Zie dan 4.5.

4.3 Garantieloon 16 t/m 20 jaar

Tabel 4.3 Garantieloon bouwplaatswerknemer 16 t/m 20 jaar (euro per uur)

leeftijd

diploma bbl?

 

1/12/2020

(periode 13)

16

geen diploma

5,61

5,72

       

17

geen diploma

6,31

6,44

 

diploma bbl 2

8,18

8,34

       

18

geen diploma

7,71

7,86

 

diploma bbl 2

9,66

9,85

 

diploma bbl 3

12,26

12,51

       

19

geen diploma

9,12

9,30

 

diploma bbl 2

11,15

11,37

 

diploma bbl 3

14,29

14,58

       

20

geen diploma

10,52

10,73

 

diploma bbl 2

13,01

13,27

 

diploma bbl 3

16,35

16,68

4.3.1 Voor wie geldt tabel 4.3?
  • In tabel 4.3 staat het garantieloon dat geldt voor de volgende groepen bouwplaatswerknemers van 16 tot en met 20 jaar:

    • geen diploma: deze werknemer is niet bezig met een van de hierna genoemde opleidingen en heeft daar ook geen diploma voor behaald of

    • diploma bbl 2 of bbl 3: deze werknemer heeft een bbl-diploma behaald voor een bbl 2 of bbl 3 opleiding in het domein:

      • ° Bouw en infra,

      • ° Afbouw, hout en onderhoud of

      • ° Techniek en procesindustrie.

4.3.2 Uitzonderingen
  • Tijdens bbl: is de bouwplaatswerknemer bezig met een opleiding bbl 2 of bbl 3? Zie dan 4.4.

  • Niet in opleiding, toch extra loon: bestaat er geen bbl-opleiding voor het beroep dat de werknemer uitoefent? Of bestaat zo'n opleiding wel, maar is hij niet in de gelegenheid die te volgen? En levert deze werknemer goede prestaties? Dan kan de werkgever hem het garantieloon uit tabel 4.3 betalen dat geldt voor een werknemer die een jaar ouder is.

  • Starttabel: heeft de werknemer nog niet eerder in de bouw & infra gewerkt? Zie dan 4.5.

4.4 Garantieloon leerlingwerknemer

Stroomschema 4.4 Snel naar het juiste leerlingloon

Stroomschema 4.4 Snel naar het juiste leerlingloon
4.4.1 Loon over gewerkte uren
  • De leerlingwerknemer werkt ten minste 32 uur per week. Over de gewerkte uren ontvangt hij loon. Over de dagen waarop hij naar school gaat, ontvangt hij geen loon.

  • Heeft de leerlingwerknemer zich aangemeld voor een opleiding bbl 2 of bbl 3, maar begint die pas na de zomervakantie? Dan ontvangt hij over zijn gewerkte uren het loon waar hij recht op heeft als hij aan zijn opleiding begint.

4.4.2 Loon tijdens bbl 2 of tweejarig bbl 3
Tabel 4.4.2 Garantieloon leerlingwerknemer tijdens bbl 2 of tweejarig bbl 3 (euro per uur)

leeftijd

tijdens bbl 2 of

tweejarig bbl 3

 

1/12/2020

(periode 13)

16

bbl 2

4,66

4,75

 

bbl 3, 1e jaar

5,28

5,39

 

bbl 3, 2e jaar

5,95

6,07

       

17

bbl 2

5,36

5,47

 

bbl 3, 1e jaar

6,05

6,17

 

bbl 3, 2e jaar

6,77

6,91

       

18

bbl 2

6,17

6,29

 

bbl 3, 1e jaar

6,94

7,08

 

bbl 3, 2e jaar

7,83

7,99

       

19

bbl 2

7,13

7,27

 

bbl 3, 1e jaar

8,00

8,16

 

bbl 3, 2e jaar

9,01

9,19

       

20

bbl 2

8,36

8,53

 

bbl 3, 1e jaar

9,36

9,55

 

bbl 3, 2e jaar

10,56

10,77

       

21 of ouder

bbl 2

12,14

12,38

 

bbl 3, 1e jaar

13,06

13,32

 

bbl 3, 2e jaar

13,61

13,88

  • In tabel 4.4.2 staat het garantieloon dat geldt voor de leerlingwerknemer die een bbl 2 opleiding of een tweejarige opleiding bbl 3 volgt in het domein:

    • Bouw en infra,

    • Afbouw, hout en onderhoud of

    • Techniek en procesindustrie.

4.4.3 Loon tijdens driejarig bbl 3
Tabel 4.4.3 Garantieloon leerlingwerknemer tijdens driejarig bbl 3 (euro per uur)

leeftijd

tijdens driejarig bbl 3

 

1/12/2020

(periode 13)

16

1e jaar

4,66

4,75

 

2e jaar

5,28

5,39

 

3e jaar

5,95

6,07

       

17

1e jaar

5,36

5,47

 

2e jaar

6,05

6,17

 

3e jaar

6,77

6,91

       

18

1e jaar

6,17

6,29

 

2e jaar

6,94

7,08

 

3e jaar

7,83

7,99

       

19

1e jaar

7,13

7,27

 

2e jaar

8,00

8,16

 

3e jaar

9,01

9,19

       

20

1e jaar

8,36

8,53

 

2e jaar

9,36

9,55

 

3e jaar

10,56

10,77

       

21 of ouder

1e jaar

12,14

12,38

 

2e jaar

13,06

13,32

 

3e jaar

13,61

13,88

  • In tabel 4.4.3 staat het garantieloon dat geldt voor de leerlingwerknemer die een driejarige opleiding bbl 3 volgt in het domein:

    • Bouw en infra,

    • Afbouw, hout en onderhoud of

    • Techniek en procesindustrie.

4.5 Starttabel bouwplaatswerknemer

Tabel 4.5 Starttabel bouwplaatswerknemer (euro per uur)

leeftijd

max. duur

 

1/12/2020

(periode 13)

16

eerste halfjaar

3,91

3,94

 

tweede halfjaar

4,48

4,53

       

17

eerste halfjaar

4,45

4,48

 

tweede halfjaar

5,07

5,13

       

18

eerste halfjaar

5,57

5,60

 

tweede halfjaar

6,28

6,35

       

19

eerste halfjaar

6,65

6,69

 

tweede halfjaar

7,47

7,56

       

20

eerste halfjaar

8,44

8,50

 

tweede halfjaar

9,14

9,24

       

21 of ouder

eerste halfjaar

10,78

10,85

 

tweede halfjaar

11,87

12,01

4.5.1 Voor wie geldt tabel 4.5?
  • In tabel 4.5 staat het garantieloon voor de bouwplaatswerknemer die nog niet eerder in de bouw & infra heeft gewerkt. De starttabel geldt maximaal een jaar.

  • Uitzondering: de starttabel geldt niet tijdens een opleiding bbl 2 of 3 en ook niet na het behalen van een diploma voor die opleiding.

4.5.2 Hoe wordt dit garantieloon berekend?
  • Het eerste halfjaar is het garantieloon gelijk aan het wettelijk minimum(jeugd)loon (Wml) plus 25% van het verschil tussen dit Wml en het garantieloon van:

    • tabel 4.2, functiegroep A (21 jaar of ouder) of

    • tabel 4.3, geen diploma (16 tot en met 20 jaar).

  • Het tweede halfjaar is het garantieloon gelijk aan het wettelijk minimum(jeugd)loon (Wml) plus 50% van het genoemde verschil.

4.6 Prestatietoeslag

4.6.1 Waar gaat het om?
  • De werkgever mag bovenop het voor de bouwplaatswerknemer geldende garantieloon een prestatietoeslag betalen.

  • De prestatietoeslag kan worden gekoppeld aan een prestatiebevorderend systeem. De werkgever mag zo’n systeem alleen toepassen als de werknemer het daarmee eens is. De gemaakte afspraken worden schriftelijk vastgelegd.

  • De werknemer die jonger is dan 18 jaar mag niet in tarief werken.

4.6.2 Relatie met garantieloon
  • Overeengekomen prestatietoeslagen en dergelijke mogen niet worden verlaagd om een verhoging van het garantieloon te compenseren.

  • Uitzondering: dit mag wel als het garantieloon van de werknemer wordt verhoogd omdat hij in een hogere functiegroep wordt geplaatst.

4.7 Regels voor de loonbetaling

4.7.1 Betalingsperiode
  • De werkgever kiest voor de bouwplaatswerknemer een betalingsperiode van vier weken of een maand.

  • De betaling aan de bouwplaatswerknemer gebeurt uiterlijk vijf werkdagen na afloop van iedere betalingsperiode.

  • Heeft de werkgever het loon acht werkdagen na afloop van de betalingsperiode nog niet betaald? En is dit de werkgever aan te rekenen? Dan heeft de werknemer aanspraak op een verhoging wegens vertraging. Dit is geregeld in artikel 7:625 BW.

4.7.2 Loonspecificatie
  • Bij elke loonbetaling geeft de werkgever de bouwplaatswerknemer een loonspecificatie. Dit kan in digitale vorm of in de vorm van een loonstrook.

  • De loonspecificatie vermeldt de volgende gegevens:

    • het brutoloon, onderverdeeld in het garantieloon en de relevante vergoedingen, toeslagen, inhoudingen en premies,

    • TSF Dagen, TSF Vakantietoeslag en TSF Duurzame inzetbaarheid en

    • TSF Verplichte extra uren (waarde), TSF Reisuren (waarde) en de storting TSF Spaaruren.

  • Daarnaast verstrekt de werkgever bij elke loonbetaling een opgave van:

    • het saldo vakantiedagen, roostervrije dagen en extra roostervrije dagen oudere werknemers en

    • het aantal opgebouwde en ingezette spaaruren en het saldo spaaruren.

Uta-werknemer

4.8 Salaris: inleiding

4.8.1 Omrekenen maandsalaris in vierwekensalaris
  • Voor de uta-werknemer zijn in deze cao maandsalarissen opgenomen.

  • De omrekening van een maandsalaris naar een vierwekensalaris gaat als volgt: vermenigvuldig het maandsalaris met twaalf en deel de uitkomst door dertien.

4.8.2 Voltijd en deeltijd
  • De bedragen in de salaristabellen 4.9, 4.10 en 4.11 gelden voor de uta-werknemer met een normale arbeidsduur volgens tabel 2.2.

  • Werkt de uta-werknemer in deeltijd? Dan heeft hij recht op een bedrag naar rato van zijn arbeidsduur.

4.9 Salaris 21 jaar of ouder

Tabel 4.9 Salaris uta-werknemer 21 jaar of ouder (euro per maand)

functie-niveau

 

1/12/2020

(periode 13)

minimum

maximum

minimum

maximum

1

2.017,28

2.654,34

2.057,63

2.707,43

2

2.217,40

2.959,07

2.261,75

3.018,25

3

2.473,80

3.341,80

2.523,28

3.408,64

4

2.808,67

3.848,08

2.864,84

3.925,04

5

3.244,97

4.506,11

3.309,87

4.596,23

6

3.812,09

5.358,37

3.888,33

5.465,54

4.9.1 Voor wie geldt tabel 4.9?
  • De uta-werknemer van 21 jaar of ouder heeft recht op het salaris uit tabel 4.9 dat hoort bij het functieniveau waarop hij is ingedeeld. Zie 1.2.

  • Uitzondering: heeft deze werknemer nog niet eerder in de bouw & infra gewerkt? Zie dan 4.11.

4.9.2 Doorgroeien in salaris
  • De uta-werknemer van 21 jaar of ouder heeft uiterlijk twee jaar na zijn indeling op een (hoger) functieniveau recht op 104% van het minimum van het salaris dat bij dit functieniveau hoort. Na vier jaar heeft hij recht op 110% en na zes jaar op 116% van dat minimum.

4.9.3 Salaris tijdens de opleiding bbl 4
  • Volgt de uta-werknemer een opleiding bbl 4? Dan heeft hij recht op het salaris dat hoort bij zijn functie(niveau).

4.10 Salaris 16 t/m 20 jaar

Tabel 4.10 Salaris uta-werknemer 16 t/m 20 jaar (euro per maand)

leeftijd

functieniveau

 

1/12/2020

(periode 13)

   

minimum

maximum

minimum

maximum

16

1

706,04

929,03

720,16

947,61

 

2

776,07

1035,68

791,59

1056,39

           

17

1

806,91

1061,74

823,05

1082,97

 

2

886,95

1183,61

904,69

1207,28

           

18

1

1008,63

1327,19

1028,80

1353,73

 

2

1108,72

1479,54

1130,89

1509,13

           

19

1

1260,77

1658,96

1285,99

1692,14

 

2

1385,88

1849,42

1413,60

1886,41

 

3

1546,11

2088,64

1577,03

2130,41

           

20

1

1512,95

1990,76

1543,21

2030,58

 

2

1663,04

2219,30

1696,30

2263,69

 

3

1855,35

2506,36

1892,46

2556,49

4.10.1 Voor wie geldt tabel 4.10?
  • De uta-werknemer van 16 tot en met 20 jaar heeft recht op het salaris uit tabel 4.10 dat hoort bij het functieniveau waarop hij is ingedeeld. Zie 1.2.

  • Uitzondering: heeft deze werknemer nog niet eerder in de bouw & infra gewerkt? Zie dan 4.11.

4.11 Starttabel uta-werknemer

Tabel 4.11 Starttabel uta-werknemer (euro per maand)

leeftijd

 

1/12/2020

(periode 13)

16

635,43

648,14

17

726,23

740,75

18

907,78

925,94

19

1.134,71

1.157,40

20

1.361,66

1.388,89

 

eerste halfjaar

tweede halfjaar

eerste halfjaar

tweede halfjaar

21 of ouder

1.764,32

1.848,64

1.774,41

1.868,82

4.11.1 Voor wie geldt tabel 4.11?
  • In tabel 4.11 staat het salaris voor de uta-werknemer die nog niet eerder in de bouw & infra heeft gewerkt. De starttabel geldt maximaal een jaar.

4.11.2 Berekening salaris starttabel 21 jaar of ouder
  • Het salaris volgens de starttabel wordt voor de uta-werknemer van 21 jaar of ouder als volgt berekend:

    • het eerste halfjaar is het maandsalaris gelijk aan het wettelijk minimumloon (Wml) plus 25% van het verschil tussen dit Wml en het minimum van functieniveau 1 in tabel 4.9 en

    • het tweede halfjaar is het maandsalaris gelijk aan het wettelijk minimumloon (Wml) plus 50% van het genoemde verschil.

Voor iedere werknemer

4.12 Loon- en salarisverhogingen

Tabel 4.12 Structurele verhogingen en eenmalige uitkeringen

structureel

eenmalig

betalingsperiode

uitbetaling

2,0%

 

maand

m.i.v. 1 december 2020

   

vier weken

m.i.v. loonperiode 13-2020

 

€ 350

maand

uiterlijk december 2020

   

vier weken

uiterlijk loonperiode 13-2020

4.12.1 Toepassing
  • De werkgever past de in tabel 4.12 genoemde structurele verhoging toe op de feitelijke beloning van de werknemer. Dit is het vast overeengekomen loon of het salaris.

  • De eenmalige uitkering uit tabel 4.12 geldt voor degene die op 29 juni 2020 werknemer was in de zin van de cao. Werkt deze werknemer in deeltijd? Dan heeft hij recht op een bedrag naar rato van zijn arbeidsduur.

4.12.2 Vaststelling loonperiode bij vierwekenbetaling
  • Als de datum van de verhoging valt in de eerste twee weken van een loonperiode, gaat de verhoging in met ingang van de lopende loonperiode. Als de datum van de verhoging valt in de laatste twee weken van een loonperiode, is dit met ingang van de eerstvolgende loonperiode.

4.13 Vakantietoeslag

4.13.1 De regeling
  • De werknemer heeft recht op een vakantietoeslag van 8% van het vast overeengekomen loon of het salaris.

  • De toeslag is nooit minder dan die volgens artikel 16 lid 2 van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag.

  • De vakantietoeslag is een onderdeel van het individueel budget van de werknemer. Voor de betaling zie 4.14.

4.14 Individueel budget

4.14.1 Waar gaat het om?
  • Iedere werknemer heeft een individueel budget.

  • De werkgever betaalt iedere betalingsperiode een bedrag voor dit budget.

  • Het individueel budget bestaat uit drie onderdelen, ieder met een eigen bestedingsdoel.

4.14.2 Bestedingsdoelen
  • Duurzame inzetbaarheid: de werknemer gebruikt dit deel van zijn budget voor zaken die eraan bijdragen dat hij gezond en gemotiveerd kan blijven werken. Dit zijn onder meer:

    • investeringen naar aanleiding van een Duurzame Inzetbaarheidsanalyse (DIA; zie 6.4.2),

    • (verdere) opleiding en scholing en

    • het kopen van extra verlofdagen.

  • Dagen: dit onderdeel bestaat uit het loon of salaris over vijf bovenwettelijke vakantiedagen, drie compensatiedagen voor kort verzuim uit 3.6.4 en een aantal roostervrije dagen: tien voor de bouwplaatswerknemer en vijf voor de uta-werknemer. Met dit geld kan de werknemer zijn inkomen op peil houden als hij de genoemde dagen opneemt.

  • Vakantietoeslag.

4.14.3 Hoeveel betaalt de werkgever?
  • Wat de werkgever op jaarbasis voor het individueel budget betaalt, staat in tabel 4.14.3. De rekenregels hiervoor staan in het reglement tijdspaarfonds. Zie bijlage 4.2.

  • Uitzonderingen.

    • Bij een leerlingwerknemer betaalt de werkgever niet voor het onderdeel Duurzame inzetbaarheid. Dat is namelijk al verwerkt in het brutoloon van deze werknemer.

    • Maakt de werknemer nog gebruik van de levensloopregeling? En draagt de werkgever daar nog 1,5% aan bij? Dan betaalt de werkgever dit percentage niet voor het onderdeel Duurzame inzetbaarheid.

    • Is de werknemer 55 jaar of ouder en maakt hij gebruik van een vierdaagse werkweek 55-plus? Dan betaalt de werkgever voor het onderdeel Dagen uitsluitend het loon over de drie compensatiedagen voor kort verzuim uit 3.6.4.

Tabel 4.14.3 Wat betaalt de werkgever op jaarbasis voor het individueel budget?

doelen

bouwplaatswerknemer

(vast overeengekomen loon)

uta-werknemer

(salaris)

     

duurzame inzetbaarheid

4,36%

1,93%

dagen

18 dagen

13 dagen

vakantietoeslag

8,00%

8,00%

4.14.4 Hoe betaalt de werkgever?
  • De werkgever betaalt het bedrag voor het individueel budget gelijkmatig gespreid over alle betalingsperioden van het jaar. Hij houdt daar belasting en premies over in.

  • De werkgever stort het bedrag op de rekening van de werknemer bij het tijdspaarfonds. Dit gebeurt binnen veertien dagen na afloop van de betalingsperiode.

  • Voor de uta-werknemer die niet aan het tijdspaarfonds deelneemt, geldt het volgende.

    • De werkgever betaalt het bedrag tegelijk met het salaris. Op de loonstrook laat hij de onderverdeling zien naar Duurzame inzetbaarheid, Dagen en Vakantietoeslag.

    • Aan deze uta-werknemer mag de werkgever het onderdeel Vakantietoeslag jaarlijks ineens betalen. De betaling vindt dan uiterlijk in juni plaats en bedraagt 8% van het in de voorgaande twaalf maanden ontvangen salaris. Een jaarlijkse betaling is niet toegestaan als de werknemer schriftelijk heeft aangegeven dat hij de toeslag per betalingsperiode wil ontvangen.

4.14.5 Verdere regels
  • De werknemer heeft het recht de dagen waarvan het loon of salaris via het individueel budget wordt betaald, vóór het eind van het kalenderjaar op te nemen. De werkgever maakt dit mogelijk.

  • Heeft de werknemer aan het eind van het kalenderjaar van die dagen over? Dan mag hij ze niet meenemen naar het volgende jaar.

4.15 Tijdspaarfonds

4.15.1 Waar gaat het om?
  • Iedere bouwplaatswerknemer heeft een individuele rekening bij het tijdspaarfonds. De uta-werknemer kan op vrijwillige basis aan het tijdspaarfonds deelnemen.

  • Op www.tijdspaarfondsbouw.nl kan de werknemer zien hoeveel er op zijn rekening staat.

4.15.2 Stortingen door de werkgever
  • De werkgever stort op de rekening van de werknemer bij het tijdspaarfonds:

    • zijn betalingen voor het individueel budget (zie 4.14) en

    • alleen voor de bouwplaatswerknemer die deelneemt aan het spaarurenmodel uit 2.9: het loon over de verplichte extra uren en de ingelegde reisuren.

Dit doet hij bij binnen veertien dagen na afloop van elke betalingsperiode.

  • Bij zijn storting maakt de werkgever een onderverdeling naar TSF Duurzame inzetbaarheid, TSF Dagen, TSF Vakantietoeslag en TSF Spaaruren. Dezelfde omschrijvingen gebruikt hij op de loonstrook van de werknemer.

  • De werkgever houdt zich hierbij aan de statuten en het reglement van het tijdspaarfonds. Zie bijlage 4.

4.15.3 Geld opnemen
  • De werknemer kan altijd geld opnemen van zijn rekening bij het tijdspaarfonds. De bouwplaatswerknemer doet dit via een vakbondsconsulent van FNV of CNV Vakmensen. De uta-werknemer doet dit via www.tijdspaarfondsbouw.nl.

  • De tegoeden TSF Duurzame inzetbaarheid en TSF Spaaruren blijven op de rekening staan totdat de werknemer die opneemt.

  • Heeft de werknemer op 1 mei nog een tegoed TSF Vakantietoeslag en/of TSF Dagen op zijn rekening staan? Dan betaalt het tijdspaarfonds dat in die maand uit. Dit gebeurt automatisch.

  • Wil de werknemer het resterende tegoed TSF Vakantietoeslag en/of TSF Dagen op zijn rekening laten staan? Dan moet hij dit vooraf laten weten. De bouwplaatswerknemer doet dit via een vakbondsconsulent van FNV of CNV Vakmensen. De uta-werknemer doet dit via www.tijdspaarfondsbouw.nl.

4.16 Levensloopsparen: overgangsregeling

4.16.1 Waar gaat het om?
  • Met ingang van 2012 is het niet meer mogelijk te beginnen met levensloopsparen. De werknemer die op 1 januari van dat jaar al aan de levensloopregeling deelnam, kan gebruik maken van een overgangsregeling.

  • Deze overgangsregeling houdt in dat de werknemer die tot en met 2011 een levenslooptegoed heeft opgebouwd van € 3.000 of meer, mag doorgaan met levensloopsparen totdat het maximale spaarbedrag is bereikt. De overgangsregeling duurt tot en met 2021.

4.16.2 Werkgeversbijdrage
  • De werknemer die doorgaat met levensloopsparen heeft recht op een werkgeversbijdrage van 1,5% van het vast overeengekomen jaarloon of het jaarsalaris.

  • Neemt de werknemer niet (meer) deel aan de levensloopregeling? Dan ontvangt hij van de werkgever een zelfde bedrag via zijn individueel budget.

4.16.3 Berekening en uitkering
  • Voor de werknemer die op 1 januari van enig kalenderjaar bij de werkgever in dienst is, wordt de werkgeversbijdrage over dat jaar berekend op basis van het vast overeengekomen loon of het salaris in januari. De uitkering vindt in die maand plaats.

  • Is de werknemer op 1 januari niet bij de werkgever in dienst, maar op 1 juli van dat jaar wel? Dan wordt de werkgeversbijdrage berekend op basis van het vast overeengekomen loon of het salaris in juli en vindt de uitkering in die maand plaats. Deze werknemer is verplicht de werkgever te bewijzen dat hij in januari van dat jaar niet al een werkgeversbijdrage levensloop heeft ontvangen.

  • De werkgeversbijdrage wordt als volgt berekend: 1,5% van acht maal het vast overeengekomen loon of het salaris per uur, vermenigvuldigd met het aantal werkdagen in dat jaar. In 2020 zijn dit 262 dagen.

4.16.4 Bijzondere situaties
  • Kan de werknemer door ziekte niet werken? Dan blijft de werkgeversbijdrage gebaseerd op het vast overeengekomen loon of het salaris direct voorafgaand aan de ziekte.

  • Bij tussentijdse beëindiging van de arbeidsovereenkomst tijdens het kalenderjaar wordt de werkgeversbijdrage niet verrekend.

5. TOESLAGEN EN VERGOEDINGEN

5.1 Beroepschauffeur

Tabel 5.1 Toeslag en bonus schadevrij rijden bouwplaatswerknemer in een chauffeursfunctie

na schadevrij rijden gedurende

toeslag/bonus

1 kwartaal

€ 10,57 toeslag per kwartaal

2 kwartalen

€ 11,81 toeslag per kwartaal

3 of meer kwartalen

€ 12,91 toeslag per kwartaal

3 of meer jaren

€ 18,20 bonus per jaar (bovenop de toeslag)

5.1.1 Alleen in een chauffeursfunctie
  • Is de bouwplaatswerknemer werkzaam in de chauffeursfunctie 23, 65 of 93 uit de functielijst van bijlage 1.1? En rijdt hij schadevrij? Dan heeft hij recht op de toeslag en bonus uit tabel 5.1.

  • Werkt de werknemer in deeltijd? Dan heeft hij recht op deze toeslag en bonus naar rato van zijn arbeidsduur.

5.1.2 Schadevrij rijden
  • De chauffeur heeft schadevrij gereden als het voertuig geen schade heeft opgelopen of als een eventuele schade niet zijn schuld was.

  • Heeft het voertuig schade opgelopen en is dit wel de schuld van de werknemer? Dan vervallen zijn toeslag en bonus over dat kwartaal. Het kwartaal daarna begint de opbouw opnieuw.

5.2 Beschikbaarheidsdienst

Tabel 5.2 Toeslag beschikbaarheidsdienst bouwplaatswerknemer

dagen

minimum toeslag

(per dag)

maandag tot en met vrijdag

€ 13,00

zaterdag

€ 20,00

zondag of in deze cao erkende feestdag

€ 26,00

5.2.1 Waar gaat het om?
  • De toeslag beschikbaarheidsdienst is een toeslag voor de bouwplaatswerknemer die zich beschikbaar moet houden voor werk buiten het rooster.

  • De werkgever en de bouwplaatswerknemer stellen de hoogte van de toeslag in overleg met elkaar vast. De minimumbedragen per dag staan in tabel 5.2.

  • De overige regels voor beschikbaarheidsdienst staan in 2.7.

5.3 Bijzondere uren

Tabel 5.3 Toeslag werken op bijzondere uren

tijdstip

00.00–07.00 uur1

07.00–19.00 uur1

19.00–24.00 uur

dag van de week

     

maandag

100%

30%

dinsdag

30%

30%

woensdag

30%

30%

donderdag

30%

30%

vrijdag

30%

50%

zaterdag

50%

35%

75%

zondag

75%

100%

100%

X Noot
1

Bij toepassing van de kaderregeling is dit 00.00–06.00 uur, respectievelijk 06.00–19.00 uur.

5.3.1 Bouwplaatswerknemer
  • De bouwplaatswerknemer werkt op bijzondere uren als hij:

    • op een doordeweekse dag buiten het dagvenster werkt,

    • op een zaterdag werkt en/of

    • op een zondag werkt.

  • De werknemer die op bijzondere uren werkt, heeft recht op een toeslag volgens tabel 5.3. De toeslag voor werken op bijzondere uren wordt berekend over het vast overeengekomen uurloon van de werknemer.

5.3.2 Uitzonderingen bouwplaatswerknemer
  • Zaterdag als verplichte werkdag: volgens de basisregeling mag de werkgever maximaal vijf zaterdagen per jaar als verplichte werkdag aanwijzen. In afwijking van tabel 5.3 geldt op die zaterdagen binnen het dagvenster een toeslag van 20% in plaats van 35%.

  • Overwerk: doet de werknemer overwerk op bijzondere uren? En is de toeslag bijzondere uren hoger dan de overwerktoeslag? Dan geldt de toeslag bijzondere uren in plaats van de overwerktoeslag.

  • Verschoven uren infra: werkt de werknemer in verschoven uren infra? Dan geldt voor de werknemer niet de toeslag voor bijzondere uren, maar die voor verschoven uren infra. Zie 5.15.

  • Tijwerk: doet de bouwplaatswerknemer tijwerk op maandag tot en met vrijdag vóór 06.00 uur of na 19.00 uur? En gaat het daarbij om ingeroosterde uren? Dan geldt in afwijking van tabel 5.3 voor die uren een toeslag van 25% over het garantieuurloon. Bij tijwerk in ploegendienst geldt in plaats hiervan de toeslag ploegendienst. Zie 5.8.

5.3.3 Uta-werknemer
  • Werkt de uta-werknemer op bijzondere uren? Dan laat de werkgever hem schriftelijk weten hoe dit wordt gecompenseerd. Zolang de werkgever dit niet heeft gedaan, geldt ook voor de uta-werknemer tabel 5.3.

  • Uitzondering: volgens de basisregeling mag de werkgever per jaar maximaal vijf zaterdagen als verplichte werkdag aanwijzen. Op die zaterdagen geldt voor de uta-werknemer de volgende toeslag voor werken op bijzondere uren:

    • tussen 00.00 uur en 07.00 uur: 50%,

    • tussen 07.00 uur en 19.00 uur: 20% en

    • tussen 19.00 uur en 24.00 uur: 75%.

5.4 EHBO en BHV

5.4.1 Vergoedingen
  • Heeft de werknemer een erkend EHBO- of BHV-diploma behaald? En heeft hij dit op verzoek van de werkgever gedaan? Dan betaalt of vergoedt de werkgever het lesgeld, de examen- en diplomakosten en de kosten van het cursusmateriaal.

  • Heeft deze werknemer de EHBO- of BHV-cursus buiten werktijd gevolgd? Dan betaalt de werkgever hem bovendien een eenmalig bedrag van € 149,35 en een vergoeding voor gemaakte reiskosten volgens 5.9.

  • Een EHBO-diploma blijft twee jaar geldig; een BHV-diploma één jaar. Volgt de werknemer een herhalingscursus die nodig is om het diploma geldig te houden? En doet hij dit op verzoek van de werkgever? Dan betaalt of vergoedt de werkgever de kosten van het lesgeld en de verlenging van het diploma.

  • Gaat het om een werknemer met zowel EHBO als BHV? En voldoet hij voor beide trajecten aan de bovengenoemde criteria? Dan ontvangt hij de vergoedingen voor beide trajecten.

5.5 Handgereedschap

5.5.1 Eigen gereedschap
  • Moet de timmerman, straatmaker, metselaar of tegelzetter eigen handgereedschap gebruiken? Dan heeft hij recht op een gereedschapvergoeding volgens 5.5.2.

  • Dit recht vervalt als de werkgever het gereedschap verstrekt of ter beschikking stelt.

5.5.2 Vergoeding
  • Timmerman of straatmaker: € 0,75 netto per gewerkte dag.

  • Metselaar of tegelzetter: € 0,54 netto per gewerkte dag.

5.5.3 Alternatieve regeling
  • De werkgever kan met de ondernemingsraad een afwijkende regeling overeenkomen. Zie 10.9.

5.6 Leermeester of instructeur

Tabel 5.6 Leermeestertoeslag bouwplaatswerknemer

vanaf datum

per week: algemeen

per week: steigerbouw

 

€ 67,20

€ 33,20

1 december 2020

€ 68,40

€ 37,60

5.6.1 Waar gaat het om?
  • Is de bouwplaatswerknemer leermeester of instructeur? En begeleidt hij daadwerkelijk één of meer leerlingen? Dan heeft hij recht op de leermeestertoeslag uit tabel 5.6.

  • Is deze werknemer ingedeeld in een functie die behoort tot de functiegroepen A tot en met D? Dan heeft hij recht op de toeslag in de kolom 'algemeen'.

  • Is hij ingedeeld in de functie van voorman steigerbouw (functiegroep E)? Dan geldt voor hem de toeslag in de kolom 'steigerbouw'.

  • Is de leermeester ook voorman? Dan krijgt hij slechts één toeslag: de leermeestertoeslag of de voormantoeslag (tabel 5.16). De hoogte van deze toeslagen is gelijk.

5.7 Overwerk

5.7.1 Bouwplaatswerknemer
  • Voor elk uur overwerk krijgt de bouwplaatswerknemer het vast overeengekomen uurloon.

  • Voor elk uur overwerk boven de normale arbeidsduur krijgt deze werknemer een toeslag volgens tabel 5.7.1. De overwerktoeslag wordt berekend over het vast overeengekomen uurloon.

  • De werkgever betaalt het overwerk bij de eerstvolgende loonbetaling uit. Hij wacht daarmee niet tot het einde van het rooster.

Tabel 5.7.1 Overwerktoeslag bouwplaatswerknemer

soort overwerkuur

(boven de normale arbeidsduur)

toeslag

de eerste drie overwerkuren per dag, direct voorafgaand aan of aansluitend op de

normale werkdag

25%

overige overwerkuren tussen maandag 05.00 uur en zaterdag 21.00 uur

50%

overwerkuren tussen zaterdag 21.00 uur en maandag 05.00 uur

100%

overwerkuren op een in deze cao erkende feestdag

100%

5.7.2 Compensatie in vrije tijd
  • De bouwplaatswerknemer kan er voor kiezen de overwerktoeslag – in plaats van in geld – in vrije tijd te laten uitkeren. Deze keuze heeft de werknemer ook voor zijn overwerkuren.

  • Hij vertelt de werkgever binnen drie werkdagen na het overwerk welke vorm van compensatie hij kiest.

  • Kiest de werknemer voor compensatie in vrije tijd? Dan neemt hij die op in overleg met de werkgever. Over de opgenomen uren betaalt de werkgever het vast overeengekomen loon.

5.7.3 Uitzonderingen bouwplaatswerknemer
  • Doet de bouwplaatswerknemer overwerk op bijzondere uren, zoals bedoeld in 5.3? En is de toeslag bijzondere uren hoger dan de overwerktoeslag? Dan geldt de toeslag bijzondere uren in plaats van de overwerktoeslag.

  • Voor overwerk bij tijwerk geldt voor de bouwplaatswerknemer een overwerktoeslag volgens tabel 5.7.3.

Tabel 5.7.3 Overwerktoeslag tijwerk bouwplaatswerknemer

soort overwerkuur

toeslag

van maandag 05.00 uur tot vrijdag 22.00 uur:

 

– tussen 05.00 uur en 22.00 uur

25%

– tussen 22.00 uur en 05.00 uur

50%

van vrijdag 22.00 uur tot zaterdag 21.00 uur

50%

van zaterdag 21.00 uur tot maandag 05.00 uur

100%

5.7.4 Uta-werknemer
  • Doet de uta-werknemer overwerk van aanmerkelijke omvang? En gebeurt dit in opdracht van de werkgever? Dan laat hij de werknemer schriftelijk weten hoe hij dit compenseert.

  • Heeft de werkgever dit niet gedaan? Of is de compensatie per uur lager dan het uursalaris? Dan heeft de werknemer met een functie tot en met niveau 3 ten minste recht op een uur vrije tijd of een uur salaris per uur overwerk.

5.7.5 Meer regels voor overwerk
  • De overige regels voor overwerk staan in 2.8.

5.8 Ploegendienst

Tabel 5.8 Toeslag ploegendienst bouwplaatswerknemer

algemene regeling

toeslag

tweeploegendienst

10%

drieploegendienst

15%

industriële bouw

toeslag

bij begin voor 06.00 uur of einde na 19.00 uur (exclusief overwerkuren):

 

– uren tussen 06.00 uur en 19.00 uur

5%

– uren tussen 19.00 uur en 06.00 uur

25%

5.8.1 Waar gaat het om?
  • Werkt de bouwplaatswerknemer in ploegendienst? Dan heeft hij recht op een toeslag ploegendienst volgens tabel 5.8. De toeslag wordt berekend over het vast overeengekomen loon.

  • Bij overwerk in ploegendienst wordt de overwerktoeslag berekend over het vast overeengekomen loon inclusief de toeslag ploegendienst.

  • De overige regels voor ploegendienst staan in 2.6.

5.9 Reiskosten

5.9.1 Bouwplaatswerknemer
  • De bouwplaatswerknemer heeft recht op een reiskostenvergoeding volgens tabel 5.9.1 als hij:

    • voor het woon-werkverkeer in totaal meer dan 15 kilometer per dag moet reizen,

    • tijdens zijn werk moet reizen,

    • tijdens vorstverlet op verzoek van de werkgever reist en

    • bij ziekte de arbodienst moet bezoeken.

Tabel 5.9.1 Reiskostenvergoeding bouwplaatswerknemer

vervoermiddel

maatstaf

vergoeding

openbaar vervoer

klasse 2

100%

fiets

per dag

€ 0,80

bromfiets

per km

per dag (minimum)

€ 0,07

€ 0,89

motor

per km

€ 0,22

auto

per km

€ 0,32

5.9.2 Bouwplaatswerknemer: nadere regels
  • De werkgever bepaalt welk vervoermiddel uit tabel 5.9.1 de bouwplaatswerknemer gebruikt.

  • Het woon-werkverkeer gebeurt zoveel mogelijk groepsgewijs.

  • De werkgever kan met de ondernemingsraad een afwijkende regeling overeenkomen. Zie 10.9.

5.9.3 Bouwplaatswerknemer: bestuurderstoeslag
  • De bouwplaatswerknemer heeft recht op een bestuurderstoeslag uit tabel 5.9.3 als hij:

    • op de heen- en terugreis één of meer collega’s in zijn auto meeneemt,

    • deze auto niet door de werkgever ter beschikking is gesteld en

    • hij de collega('s) op verzoek van de werkgever vervoert of ten minste twee weken lang de collega('s) heeft vervoerd.

  • De toeslag geldt voor elke werkdag waarop de werknemer één of meer collega’s meeneemt.

  • Uitbetaling gebeurt aan het eind van iedere betalingsperiode.

Tabel 5.9.3 Bestuurderstoeslag bouwplaatswerknemer

afstand per dag

(enkele reis)

toeslag

(per dag)

0–30 km

€ 6,–

31–65 km

€ 9,–

meer dan 65 km

€ 12,–

5.9.4 Uta-werknemer: woon-werkverkeer
  • Voor zijn woon-werkverkeer heeft de uta-werknemer recht op een vergoeding van € 0,19 per km.

  • Uitzonderingen.

    • Deze vergoeding geldt niet als de werkgever bedrijfsvervoer of een OV-kaart voor de werknemer heeft geregeld.

    • Verhuist de werknemer op eigen initiatief? En wordt de afstand van zijn woon-werkverkeer daardoor langer? Dan krijgt hij die extra kilometers niet vergoed.

5.9.5 Uta-werknemer: zakelijke kilometers
  • Vindt de werkgever dat de uta-werknemer zakelijke ritten met een eigen auto of motor moet maken? Dan heeft de werknemer recht op een kilometervergoeding van € 0,32 (auto) of € 0,22 (motor).

  • Is de werkgever van mening dat de werknemer per openbaar vervoer (OV) moet reizen? Dan vergoedt hij de kosten volgens het voordeligste OV-tarief.

5.9.6 Uta-werknemer: bijzondere situaties
  • De uta-werknemer heeft recht op een reiskostenvergoeding volgens 5.9.5:

    • als hij in opdracht van de werkgever in een andere gemeente werkt dan in de arbeidsovereenkomst is afgesproken en

    • als hij bij ziekte de arbodienst moet bezoeken.

5.10 Reisuren

5.10.1 Waar gaat het om?
  • Reisuren zijn de uren die de bouwplaatswerknemer besteedt aan het reizen van de woning naar het werk en terug.

  • De bouwplaatswerknemer die buiten zijn woongemeente werkt, heeft recht op een reisurenvergoeding.

  • De vergoeding geldt voor reizen met een eigen vervoermiddel, met een vervoermiddel dat door de werkgever ter beschikking is gesteld, per openbaar vervoer of te voet.

  • De vergoeding geldt niet voor het eerste reisuur per dag, behalve als de werknemer een auto bestuurt waarin hij één of meer collega’s meeneemt.

  • De werkgever legt het aantal kilometers en de reisurenvergoeding per werknemer schriftelijk vast.

5.10.2 Vergoeding per uur
  • De reisurenvergoeding per uur is gelijk aan het garantieloon van de werknemer. Hierbij geldt als maximum het garantieloon van groep A in tabel 4.2.

  • Uitbetaling gebeurt aan het eind van iedere betalingsperiode.

5.10.3 Vaststelling aantal reisuren
  • Voor het vaststellen van het aantal uit te betalen reisuren geldt een normregeling. Per vervoermiddel ziet deze regeling er als volgt uit.

    • Auto: zie tabel 5.10.3. Voor het af te leggen aantal kilometers wordt uitgegaan van de snelste route. Tot een afstand van 50 km (enkele reis) geldt hierbij als norm een gemiddelde snelheid van 60 kilometer per uur.

    • Openbaar vervoer: de reistijd volgens de dienstregeling.

    • Andere vervoermiddelen: als norm geldt dat de werknemer per uur het volgende aantal kilometers kan afleggen: lopend 5 km, fiets 15 km, bromfiets 25 km en motor 40 km.

Tabel 5.10.3 Normregeling woon-werkverkeer bij autogebruik bouwplaatswerknemer

aantal km enkele reis

uit te betalen reisuren per dag

aantal km enkele reis

uit te betalen reisuren per dag

 

meerijder of alleen rijdende werknemer

werknemer die collega('s) vervoert (bestuurder)

 

meerijder of alleen rijdende werknemer

werknemer die collega('s) vervoert (bestuurder)

1

0,00

0,03

29

0,00

0,97

2

0,00

0,07

30

0,50

1,00

3

0,00

0,10

31

0,52

1,03

4

0,00

0,13

32

0,53

1,07

5

0,00

0,17

33

0,55

1,10

6

0,00

0,20

34

0,57

1,13

7

0,00

0,23

35

0,58

1,17

8

0,00

0,27

36

0,60

1,20

9

0,00

0,30

37

0,62

1,23

10

0,00

0,33

38

0,63

1,27

11

0,00

0,37

39

0,65

1,30

12

0,00

0,40

40

0,67

1,33

13

0,00

0,43

41

0,68

1,37

14

0,00

0,47

42

0,70

1,40

15

0,00

0,50

43

0,72

1,43

16

0,00

0,53

44

0,73

1,47

17

0,00

0,57

45

0,75

1,50

18

0,00

0,60

46

0,77

1,53

19

0,00

0,63

47

0,78

1,57

20

0,00

0,67

48

0,80

1,60

21

0,00

0,70

49

0,83

1,66

22

0,00

0,73

50 t/m 59

1,00

2,00

23

0,00

0,77

60 t/m 70

1,20

2,20

24

0,00

0,80

71 t/m 81

1,40

2,40

25

0,00

0,83

82 t/m 92

1,50

2,50

26

0,00

0,87

93 t/m 105

1,80

2,80

27

0,00

0,90

106 of meer

werkelijke reistijd minus 1 uur; minimum vergoeding is 1,8 reisuren

werkelijke reistijd; minimum vergoeding is 2,8 reisuren

28

0,00

0,93

5.10.4 Overige bepalingen
  • Is het onwerkbaar weer zoals bedoeld in de cao Onwerkbaar weer Bouw & Infra? Dan heeft de werknemer die van zijn woning naar het werk en terug reist, recht op de reisurenvergoeding. Dit geldt niet als het hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn geweest dat hij niet zou kunnen werken.

5.10.5 Alternatieve regeling
  • De werkgever kan met de ondernemingsraad een afwijkende regeling overeenkomen voor 5.10.1 tot en met 5.10.3. Zie 10.9.

5.11 Steenzetters- en rijswerk

5.11.1 Waar gaat het om?
  • Doet de bouwplaatswerknemer steenzetterswerk aan strandhoofden langs de Noordzeekust? Of doet hij dit werk ergens anders onder vergelijkbare omstandigheden? Dan heeft hij recht op een toeslag van € 7,91 per week. Deze toeslag geldt ook voor de werknemer die buitengaats rijswerk doet.

  • Werkt de werknemer in deeltijd? Dan heeft hij recht op de toeslag naar rato van zijn arbeidsduur.

5.12 Vakbondscontributie

5.12.1 Waar gaat het om?
  • De werkgever betaalt eenmaal per jaar een vergoeding voor de door de werknemer betaalde vakbondscontributie.

  • Deze vergoeding bedraagt € 50,00 netto.

5.12.2 Voorwaarden
  • De werknemer vraagt de werkgever de vergoeding te betalen.

  • De werknemer laat de werkgever een bewijs zien van de contributiebetaling aan zijn werknemersorganisatie.

5.13 Verafgelegen werken

5.13.1 Bouwplaatswerknemer
  • Van verafgelegen werken is sprake als het werk zo ver van de woning van de bouwplaatswerknemer is gelegen, dat dagelijks huiswaarts keren onredelijk zou zijn.

  • Hierbij gelden de bepalingen 5.13.2 tot en met 5.13.6.

5.13.2 Reiskosten en reisuren
  • Bij verafgelegen werken heeft de bouwplaatswerknemer recht op een vergoeding van zijn reiskosten en reisuren volgens 5.9 en 5.10.

  • Dit geldt in de volgende gevallen.

    • Bij het reizen tussen het werk en de tijdelijke verblijfplaats.

    • Bij het eenmaal per week van en naar de woning reizen. In afwijking van 5.9 en 5.10 vergoedt de werkgever alle reiskosten en reisuren die de werknemer hiervoor moet maken. De reisuren die in werktijd vallen, worden als gewerkte uren betaald.

5.13.3 Verblijfkosten
  • Tijdens de afwezigheid van huis komen de voeding, behoorlijke huisvesting en een vergoeding voor de verdere noodzakelijke verblijfkosten van de bouwplaatswerknemer voor rekening van de werkgever.

  • Dit geldt niet als de werkgever een naar behoorlijke maatstaven uitgeruste verblijfsgelegenheid ter beschikking stelt en ter tegemoetkoming in de kosten voor voeding een toelage verstrekt van € 6,65 per dag.

  • Het recht op een vergoeding voor de verdere noodzakelijke verblijfkosten komt te vervallen als de zaken waarop deze kosten betrekking hebben in natura worden verstrekt.

5.13.4 Ziekte
  • Is de bouwplaatswerknemer ziek? En is het medisch verantwoord hem naar zijn woonplaats te laten vervoeren? Dan mag de werkgever dit op zijn kosten doen. Is het vervoer medisch noodzakelijk? Dan moet de werkgever dit doen.

  • Is de werknemer door ziekte niet in staat om eenmaal per week van en naar zijn woning te reizen? Dan biedt de werkgever zijn gezinsleden of ouders eenmaal per week de gelegenheid de werknemer te bezoeken. De werkgever vergoedt hun reiskosten.

  • Zolang de zieke werknemer verblijft in de plaats waar hij te werk is gesteld, houdt hij recht op vrije voeding en logies.

5.13.5 Verblijftoeslag tijwerk
  • Deze bepaling geldt voor de bouwplaatswerknemer die ver van huis tijwerk doet.

  • Laat de werkgever hem niet in een hotel, bed & breakfast of iets dergelijks verblijven, maar bijvoorbeeld op een vaartuig? Dan heeft de werknemer recht op een toeslag van € 3,87 per nacht die hij daar doorbrengt.

5.13.6 Alternatieve regeling voor bouwplaatswerknemers
  • De werkgever kan met de ondernemingsraad een afwijkende regeling voor bouwplaatswerknemers overeenkomen. Zie 10.9.

5.13.7 Uta-werknemer
  • Moet de uta-werknemer zo ver van zijn standplaats werken dat hij 's avonds niet naar huis kan gaan? En verhuist hij niet naar zijn nieuwe standplaats? Dan betaalt de werkgever hem een redelijke vergoeding voor de extra reis- en verblijfkosten. Op verzoek van de werkgever tekent de werknemer voor ontvangst van de vergoeding.

  • De werknemer mag in de regel eenmaal per week naar huis gaan. De werkgever vergoedt de reiskosten van de heen- en terugreis.

5.14 Verhuiskosten

5.14.1 Uta-werknemer
  • Moet de uta-werknemer werken in een andere gemeente dan bij het sluiten van de arbeidsovereenkomst is afgesproken? En verhuist hij op verzoek van de werkgever? Dan vergoedt de werkgever in redelijkheid alle kosten die met de verhuizing samenhangen.

5.15 Verschoven uren infra

Tabel 5.15 Toeslag verschoven uren infra bouwplaatswerknemer

gewerkte uren

toeslag

vóór 07.00 uur en na 20.00 uur tussen maandag 20.00 uur en vrijdag 07.00 uur

30%

tussen vrijdag 20.00 uur en zaterdag 20.00 uur

50%

tussen zaterdag 20.00 uur en zondag 07.00 uur

75%

tussen zondag 07.00 uur en maandag 07.00 uur

100%

op in deze cao erkende feestdagen

100%

5.15.1 Waar gaat het om?
  • Werkt de bouwplaatswerknemer in verschoven uren infra? Dan heeft hij recht op een toeslag volgens tabel 5.15. De toeslag verschoven uren infra wordt berekend over het vast overeengekomen uurloon.

  • Werkt de werknemer in een periode van dertien weken uitsluitend in verschoven uren? En werkt hij daarbij minder dan gemiddeld veertig uur per kalenderweek? Dan betaalt de werkgever hem over de ontbrekende uren het vast overeengekomen loon en een toeslag verschoven uren infra van 30%.

5.15.2 Combinatie met overwerk
  • Bij overwerk in verschoven uren krijgt de werknemer – naast de toeslag verschoven uren infra – ook de overwerktoeslag. Zie 5.7. De overwerktoeslag wordt berekend over het vast overeengekomen uurloon, maar niet over de toeslag verschoven uren infra.

5.16 Voorman

Tabel 5.16 Voormantoeslag bouwplaatswerknemer

vanaf datum

per week: algemeen

per week: steigerbouw

 

€ 67,20

€ 33,20

1 december 2020

€ 68,40

€ 37,60

5.16.1 Waar gaat het om?
  • Een voorman is een bouwplaatswerknemer die leiding geeft aan ten minste vijf andere werknemers. Hij heeft recht op de voormantoeslag uit tabel 5.16.

  • Is deze werknemer ingedeeld in een functie die behoort tot de functiegroepen A tot en met D? Dan heeft hij recht op de toeslag in de kolom 'algemeen'.

  • Is hij ingedeeld in de functie van voorman steigerbouw (functiegroep E)? Dan geldt voor hem de toeslag in de kolom 'steigerbouw'.

  • Is de voorman ook leermeester? Dan krijgt hij slechts één toeslag: de voormantoeslag of de leermeestertoeslag (tabel 5.6). De hoogte van deze toeslagen is gelijk.

5.17 Werkkleding

Tabel 5.17 Vergoeding werkkleding bouwplaatswerknemer

soort werkkleding

netto per gewerkte dag

werkkleding

€ 0,87

idem, voor het heibedrijf

€ 0,95

laarzen

€ 0,54

indien uitsluitend knielaarzen

€ 0,43

laarzen en oliegoed kust- en oeverwerken

€ 1,11

5.17.1 Waar gaat het om?
  • De kosten van de noodzakelijke werkkleding zijn voor de werkgever.

  • De werkgever kan deze werkkleding aan de bouwplaatswerknemer verstrekken of die aan hem ter beschikking stellen.

  • Doet hij dit niet? Dan heeft de werknemer recht op een werkkledingvergoeding volgens tabel 5.17.

5.17.2 Alternatieve regeling
  • De werkgever kan met de ondernemingsraad een afwijkende regeling overeenkomen. Zie 10.9.

5.18 Ziektekostenverzekering

5.18.1 Vergoeding
  • De werknemer met een aanvullende ziektekostenverzekering heeft recht op een maandelijkse vergoeding van de werkgever van € 17,50.

  • Als voorwaarde geldt dat de basisverzekering en de aanvullende verzekering van de werknemer samen in ieder geval de kosten dekken van fysiotherapie, ergotherapie en psychologische zorg.

6. LOOPBAAN

6.1 Beroepsopleiding bouwplaatswerknemer

6.1.1 Voor wie?
  • De werkgever stelt zijn werknemers zoveel mogelijk in de gelegenheid een bbl-opleiding te volgen in het domein Bouw en infra.

  • Gaat het om een werknemer tot en met 22 jaar die zo’n opleiding wil volgen? Dan is de werkgever verplicht dit mogelijk te maken.

6.1.2 Arbeidsovereenkomst en bpvo
  • De werkgever sluit met de deelnemer aan bbl 2 en bbl 3 een beroepspraktijkvormingsovereenkomst (bpvo) voor de duur van de opleiding. Hij mag dit alleen doen met iemand met wie hij een arbeidsovereenkomst heeft gesloten voor ten minste 32 uur per week.

  • De beloning van deze leerlingwerknemer is geregeld in 4.4.

  • Is de leerlingwerknemer ontslag aangezegd? En is dit gebeurd om redenen buiten zijn schuld? Dan zoekt de werkgever eerst een nieuwe werkgever bij wie de leerlingwerknemer zijn opleiding kan afmaken. Tot het zover is, blijft de arbeidsovereenkomst in stand.

  • Is een opleidingsbedrijf de werkgever? En wordt de bpvo verbroken? Dan eindigt daarmee ook de arbeidsovereenkomst. De bij het opleidingsbedrijf betrokken werkgevers helpen bij het herplaatsen van de leerlingwerknemer.

6.1.3 Opleidingstraject
  • Bij het begin van de opleiding wordt in kaart gebracht welk opleidingsniveau voor de leerlingwerknemer haalbaar is en welke leerroute daarbij past. Dit gebeurt door het roc in samenwerking met het opleidingsbedrijf. Hierbij wordt gebruik gemaakt van een onafhankelijke diagnostische toets. De werkgever en de leerlingwerknemer maken afspraken over de bijbehorende (arbeids)voorwaarden.

  • Heeft de leerlingwerknemer zijn opleiding bbl 2 bij de werkgever afgerond? En was volgens de begintoets ook niveau bbl 3 voor hem haalbaar? Dan is die zelfde werkgever verplicht op verzoek van de leerlingwerknemer een arbeidsovereenkomst en een bpvo te sluiten voor de duur van de opleiding bbl 3. Betwijfelt de werkgever op dat moment of het niveau bbl 3 haalbaar is? Dan wordt opnieuw een onafhankelijke diagnostische toets uitgevoerd. Blijkt daaruit dat de twijfel van de werkgever terecht is? Dan hoeft hij met deze leerlingwerknemer geen arbeidsovereenkomst en bpvo voor een opleiding bbl 3 aan te gaan.

6.1.4 Theorielessen en examens
  • De werkgever stelt de leerlingwerknemer in de gelegenheid het theorieonderwijs van de bbl te volgen. De werknemer tot en met 22 jaar volgt dit onderwijs overdag, op een doordeweekse dag. De schooldag wordt niet betaald. Volgt de leerlingwerknemer avondonderwijs? Dan mag hij op lesdagen zoveel eerder stoppen met werken, als nodig is om op tijd op school te komen. De werknemer doet dit in overleg met de werkgever. De hierdoor niet gewerkte uren worden niet betaald.

  • De werkgever stelt de leerlingwerknemer in de gelegenheid in beroepspraktijkvormingstijd examens af te leggen. Hij betaalt het loon over deze uren door. Dit geldt ook voor andere activiteiten die volgens de onderwijsinstelling in werktijd moeten worden uitgevoerd.

6.1.5 Samengestelde Praktijk Toets-dagen
  • De werkgever is niet verplicht het loon over Samengestelde Praktijk Toets-dagen door te betalen.

  • De leerlingwerknemer gebruikt het onderdeel Duurzame inzetbaarheid van zijn individueel budget om zijn inkomen over die dagen op peil te houden. Zie 4.14.

6.1.6 Leermeester
  • De werkgever die een bpvo met een leerlingwerknemer sluit, is verplicht een leermeester aan te wijzen. Hij wijst een leermeester aan die:

    • als werknemer bij hem in dienst is en

    • een diploma heeft voor het beroep waarvoor de leerlingwerknemer wordt opgeleid of

    • ten minste vijf jaar werkervaring in dat beroep heeft.

  • De werkgever stelt de leermeester in de gelegenheid de leermeestercursus en de verplichte tweejaarlijkse nascholing van Volandis te volgen. De werkgever betaalt de cursus- en verletkosten. Is de leermeester een bouwplaatswerknemer? Dan ontvangt de werkgever van Volandis een vergoeding voor de door hem betaalde cursus- en verletkosten.

  • De werkgever stelt de leermeester in de gelegenheid een deel van de normale werktijd te gebruiken voor het uitoefenen van de leermeestertaken. Hoeveel tijd dit is, hangt af van het aantal te begeleiden leerlingwerknemers:

    • bij één leerlingwerknemer: gemiddeld 5% van de werktijd en

    • bij twee of drie leerlingwerknemers: gemiddeld 10% van de werktijd.

  • De werkgever betaalt de bouwplaatswerknemer die als leermeester één of meer leerlingwerknemers begeleidt, de leermeestertoeslag. Zie 5.6.

6.1.7 Instructeur
  • De werkgever stelt de instructeur in de gelegenheid de leermeestercursus en de verplichte tweejaarlijkse nascholing van Volandis te volgen. De werkgever betaalt de cursus- en verletkosten.

  • De instructeur is vrijgesteld van de cursus en de nascholing als hij:

    • een docentopleiding heeft of

    • een bijgehouden portfolio waaruit zijn deskundigheid blijkt.

6.1.8 Begeleidend vakman
  • Het individueel leerbedrijf kan een begeleidend vakman aanwijzen. Een begeleidend vakman is een werknemer van het individueel leerbedrijf. Tijdens zijn dagelijkse productieve werk begeleidt hij één of meer leerlingwerknemers. Hij draagt praktische vaardigheden over en geeft instructies. Het beoordelen van de leerlingwerknemer(s) is geen taak van de begeleidend vakman.

  • Het vervullen van de rol van begeleidend vakman mag geen nadelige gevolgen hebben voor het loon van deze werknemer. De werkgever geeft hem voldoende tijd en ruimte om de leerlingwerknemer(s) goed te begeleiden.

6.3 Scholing voor behoud van vakmanschap

6.3.1 Behoud van vakmanschap
  • Scholing voor behoud van vakmanschap is functiegerichte scholing. Dat wil zeggen: scholing die noodzakelijk is om de werknemer zijn functie goed te laten uitoefenen.

6.3.2 Verplichtingen van de werkgever
  • De werkgever ontwikkelt een opleidings- en scholingsbeleid en voert dit uit. Ieder kalenderjaar stelt hij een scholingsplan vast. Bij het opstellen daarvan houdt hij rekening met de wensen van de werknemers. Drie maanden voordat hij het plan vaststelt, informeert hij de werknemers over de inhoud.

  • De werkgever stelt de werknemer in staat functiegerichte scholing te volgen. Komt de functie van de werknemer te vervallen? Of is de werknemer niet meer in staat zijn functie te vervullen? Dan stelt de werkgever hem in staat scholing te volgen die het mogelijk maakt de arbeidsovereenkomst voort te zetten. Dit laatste voor zover dit redelijkerwijs van de werkgever verlangd kan worden. Hiermee voldoet de werkgever aan zijn wettelijke scholingsplicht van artikel 7:611a BW.

  • De werkgever betaalt alle kosten van deze scholing. Hij mag die kosten niet verrekenen met de transitievergoeding.

6.3.3 Bouwplaatswerknemer: cursus lasser of monteur
  • Heeft de werknemer na overleg met de werkgever een cursus voor lasser of monteur gevolgd? En heeft hij daar een certificaat voor behaald? Dan geeft de werkgever hem een kopie van dit certificaat. Bij het einde van de arbeidsovereenkomst geeft de werkgever hem het origineel.

6.4 Blijven ontwikkelen

6.4.1 Waar gaat het om?
  • Het is belangrijk dat de werknemer duurzaam inzetbaar is. Dat wil zeggen: gemotiveerd en gezond kan blijven deelnemen aan het arbeidsproces.

  • De werknemer en de werkgever zijn daar samen verantwoordelijk voor.

6.4.2 Duurzame Inzetbaarheidsanalyse
  • De Duurzame inzetbaarheidsanalyse (DIA) bestaat uit:

    • het periodiek arbeidsgezondheidskundig onderzoek (PAGO) en

    • een adviesgesprek met een DIA-adviseur.

Uit de DIA blijkt wat de werknemer kan doen om duurzaam inzetbaar te blijven.

  • Van de werknemer wordt verwacht dat hij eenmaal in de vier jaar aan de DIA deelneemt. Om te beginnen op de leeftijd van 20 jaar en vervolgens op de leeftijden van 24, 28, 32, 36, 40, 44, 48, 52, 56, 60 en 64 jaar.

  • Volandis roept de werknemer daarvoor op. De werkgever stelt de werknemer in de gelegenheid eraan deel te nemen.

  • De DIA leidt tot een onafhankelijk advies. Als het advies daar aanleiding toe geeft, stellen de werknemer en de DIA-adviseur een persoonlijk actieplan op.

  • De werknemer betaalt de acties die hij naar aanleiding van de DIA onderneemt. Dit doet hij uit het onderdeel Duurzame inzetbaarheid van zijn individueel budget (zie 4.14). Afhankelijk van de individuele situatie kan het zijn dat de werkgever en/of de bedrijfstak meebetalen.

  • De DIA is een voorziening uit het individugericht pakket preventiezorg (zie 7.1). Meer informatie is te vinden op www.volandis.nl.

6.4.3 Scholing voor duurzame inzetbaarheid
  • Besluit de werknemer scholing te volgen ter vergroting van zijn duurzame inzetbaarheid? Dan stelt de werkgever hem in staat daar verlof voor op te nemen.

  • De werkgever en de werknemer maken daar in goed overleg afspraken over.

6.5 Vierdaagse werkweek 55-plus

6.5.1 Waar gaat het om?
  • De werkweek van een werknemer van 55 jaar of ouder kan op zijn verzoek worden teruggebracht tot vier dagen met een gemiddelde arbeidsduur van 32 uur per week.

  • De vierdaagse werkweek 55-plus kan ingaan vanaf het moment dat de werknemer 55 jaar is geworden. De werknemer is vrij om deze vierdaagse werkweek op enig moment terug te draaien.

6.5.2 Procedure
  • De werknemer die gebruik wil maken van de vierdaagse werkweek 55-plus, dient een schriftelijk verzoek in bij de werkgever.

  • De werkgever gaat met dit verzoek akkoord, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich daar tegen verzetten. De werkgever maakt zijn beslissing binnen vier weken schriftelijk aan de werknemer bekend.

  • Gaat de werkgever akkoord? Dan stelt hij na overleg met de werknemer de werktijden vast. Wijst hij het verzoek af? Dan geeft hij aan om welke redenen dit gebeurt.

6.5.3 Inzet van dagen
  • Om de vierdaagse werkweek mogelijk te maken, gebruikt de werknemer de volgende soorten dagen.

    • In deze cao erkende feestdagen die op werkdagen vallen.

    • Vakantiedagen, rekening houdend met zijn recht op drie weken aaneengesloten zomervakantie.

    • Roostervrije dagen. De opbouw van deze dagen gebeurt op basis van een volledige werkweek van vijf dagen. De opname gebeurt in goed overleg met de werkgever. Voor de bouwplaatswerknemer geldt dit laatste in afwijking van 3.2.3, tweede alinea.

    • Extra roostervrije dagen voor oudere werknemers.

  • Heeft de werknemer te weinig dagen om het hele jaar vier dagen per week te kunnen werken? Dan kan hij een aantal weken per jaar vijf dagen werken en/of extra dagen van de werkgever kopen.

6.5.4 Koopdagen
  • De waarde van het aantal dagen dat de werknemer koopt, wordt uitgedrukt in een aankoopbedrag per jaar. De berekening van het aankoopbedrag gaat als volgt:

    • neem 0,4% van het vast overeengekomen jaarloon of het jaarsalaris bij een vijfdaagse werkweek van veertig uur en

    • vermenigvuldig dit met het aantal koopdagen.

  • De werkgever houdt het aankoopbedrag in op het brutoloon of -salaris. Dit gebeurt in gelijke delen per betalingsperiode. Deze inhouding vindt ook plaats bij ziekte van de werknemer. Bij de inhouding van het aankoopbedrag moet de werkgever voldoen aan de eisen van artikel 7:631 BW.

  • De berekening van de vakantietoeslag, pensioenpremies en de premies voor bedrijfstakeigen regelingen gebeurt vóór aftrek van het aankoopbedrag.

  • Is de werknemer op een koopdag ziek? Dan heeft hij geen recht op een vervangende vrije dag.

6.5.5 Invulling vierdaagse werkweek
  • De werkgever legt de invulling van de vierdaagse werkweek in een schema vast. Hij geeft dit aan de werknemer. Dit doet hij ten minste een maand voor invoering of voor het begin van een nieuw kalenderjaar.

  • Dit schema wordt als volgt opgezet.

    • De ingezette vrije dagen en koopdagen worden gelijkmatig over het jaar gespreid. Dit gebeurt in overleg tussen de werkgever en de werknemer.

    • In een werkweek met een in deze cao erkende feestdag of (voor bouwplaatswerknemers) een in de onderneming vastgestelde roostervrije dag, geldt die dag voor de betrokken werknemer als zijn vrije dag van die week.

6.5.6 Afrekenen koopdagen bij einde arbeidsovereenkomst
  • Bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst berekent de werkgever het saldo van de gekochte en opgenomen koopdagen.

  • De koopdagen die de werknemer nog niet voor zijn vierdaagse werkweek heeft opgenomen, worden door de werkgever uitbetaald. Heeft de werknemer meer koopdagen opgenomen dan hij heeft gekocht? Dan verrekent de werkgever het verschil met het loon of salaris.

7. ARBEIDSOMSTANDIGHEDEN EN VEILIGHEID

7.1 Individugericht pakket preventiezorg

7.1.1 Waar gaat het om?
  • Iedere werknemer heeft recht op de voorzieningen van het individugericht pakket preventiezorg. Het doel hiervan is uitval van de werknemer te voorkomen.

  • Deze voorzieningen worden uitgevoerd door een arbodienst. Dit moet een gecertificeerde arbodienst zijn die een samenwerkingsovereenkomst heeft met Volandis.

  • Het individugericht pakket preventiezorg bestaat uit de voorzieningen van 7.1.2 tot en met 7.1.8.

7.1.2 Intredekeuring
  • Zie 1.1 van deze cao.

7.1.3 Arbeidsgezondheidskundig onderzoek jongeren
  • De werknemer in de leeftijd tot 19 jaar kan op vrijwillige basis aan dit onderzoek deelnemen. Het onderzoek vindt plaats een jaar nadat hij in de bedrijfstak is komen werken.

  • De belasting van het werk en de belastbaarheid van de werknemer worden tegen elkaar afgewogen. De werknemer krijgt advies over een gezonde en veilige invulling van zijn functie.

7.1.4 Duurzame inzetbaarheidsanalyse (DIA)
  • Zie 6.4.2.

7.1.5 Periodiek arbeidsgezondheidskundig onderzoek (PAGO)
  • Het PAGO is bedoeld om tijdens de loopbaan regelmatig een afweging te maken tussen de belasting van het werk en de belastbaarheid van de werknemer.

  • Als onderdeel van de DIA vindt op de volgende leeftijden het PAGO plaats: 20, 24, 28, 32, 36, 40, 44, 48, 52, 56, 60 en 64 jaar.

  • Daarnaast wordt van de werknemer verwacht dat hij aan het PAGO deelneemt op de leeftijden van 42, 46, 50, 54, 58, 62 jaar en daarna individueel op indicatie.

  • Van de bouwplaatswerknemer in de steigerbouw wordt verwacht dat hij ieder jaar waarin geen DIA plaatsvindt, aan het PAGO deelneemt.

7.1.6 Gericht periodiek onderzoek (GPO)
  • Sommige werknemers hebben – in aanvulling op de DIA of het PAGO – recht op het GPO. Dit onderzoek is toegespitst op specifieke beroepen of werkzaamheden.

  • Hierbij gaat het om de volgende werknemers.

    • Machinisten van een torenkraan, mobiele kraan of heistelling: elke twee jaar of vaker op indicatie. Vanaf het 40e levensjaar kan het GPO als onderdeel van de DIA of het PAGO worden uitgevoerd.

    • Werknemers die werken op terreinen van de chemische industrie: elk jaar.

    • Werknemers die werken in of met verontreinigde grond en verontreinigd (grond)water: elk jaar.

    • Werknemers die werken met persluchtapparatuur: tot het 50e levensjaar eens per twee jaar, daarna elk jaar.

    • Werknemers die werken met asbest: voordat zij beginnen met werk waarbij blootstelling aan asbest boven het actieniveau mogelijk is. Vervolgens tot het 40elevensjaar: eens per twee jaar. Vanaf het 40e levensjaar kan het GPO als onderdeel van de DIA of het PAGO worden uitgevoerd.

    • Werknemers die werken met overdruk: voordat zij beginnen met dit werk en vervolgens jaarlijks.

    • Werknemers in de offshore: tot het 40e levensjaar eens per twee jaar, daarna elk jaar.

  • Is het niet mogelijk het GPO te combineren met de DIA of het PAGO? Dan maakt de werkgever een afspraak met de arbodienst voor het uitvoeren van het GPO. In dat geval betaalt hij de kosten van dit onderzoek.

7.1.7 Arbospreekuur
  • De werknemer kan op eigen initiatief naar het arbospreekuur van de arbodienst gaan.

7.1.8 Vervolgactiviteiten
  • Geeft het gebruik van de hiervoor genoemde voorzieningen volgens de arbodienst aanleiding tot vervolgactiviteiten? Dan kan de werknemer daar gebruik van maken.

7.2 Arbo- en verzuimbeleid in de onderneming

7.2.1 Waar gaat het om?
  • De werkgever voert in de onderneming een arbo- en verzuimbeleid. Dit voldoet ten minste aan de volgende bepalingen van 7.2.

  • Het arbo- en verzuimbeleid heeft tot doel:

    • het bevorderen van de veiligheid en het beschermen van de gezondheid van de werknemers in verband met het werk, als integraal onderdeel van het ondernemingsbeleid en

    • het terugdringen van het ziekteverzuim, met name door preventieve maatregelen.

7.2.2 RI&E en plan van aanpak
  • Het arbo- en verzuimbeleid wordt vastgesteld op basis van het volgende.

    • De wettelijk verplichte risico-inventarisatie en -evaluatie (RI&E). Hiermee brengt de werkgever in kaart of het werk gevaar kan opleveren of schade kan veroorzaken aan de veiligheid, de gezondheid en/of het welzijn van de werknemers.

    • Een analyse van het ziekteverzuim in de onderneming.

  • In het wettelijk verplichte plan van aanpak beschrijft de werkgever:

    • welke maatregelen hij zal nemen om de risico’s uit de RI&E te voorkomen of te verminderen,

    • welke technische en/of organisatorische maatregelen hij zal nemen voor de veiligheid en gezondheid en – voor zover die maatregelen niet afdoende zijn – de te gebruiken persoonlijke beschermingsmiddelen,

    • hoe de voorlichting en scholing van de werknemers op het gebied van veilig en gezond werken is georganiseerd, met speciale aandacht voor de begeleiding van werknemers tot en met 21 jaar en

    • hoe de werknemers gebruik kunnen maken van het individugericht pakket preventiezorg, zoals bedoeld in 7.1.

7.2.3 Uitzonderingen op de verplichte RI&E-toets
  • De wettelijk verplichte toetsing van de RI&E geldt niet voor de werkgever die:

    • maximaal 40 uur per week arbeid laat verrichten door al zijn werknemers bij elkaar of

    • maximaal 25 werknemers in dienst heeft.

  • Voor de werkgever die maximaal 25 werknemers in dienst heeft, geldt hierbij als voorwaarde dat hij gebruik heeft gemaakt van de RI&E Bouwnijverheid of een ander model dat door cao-partijen is goedgekeurd en geregistreerd bij www.rie.nl.

7.2.4 De preventiemedewerker
  • De werkgever stelt één of meer preventiemedewerkers aan.

  • De preventiemedewerker heeft de volgende taken.

    • Ondersteunen bij de uitvoering van de RI&E.

    • Adviseren aan en nauw samenwerken met het medezeggenschapsorgaan bij de ontwikkeling en uitvoering van arbomaatregelen. Is er geen medezeggenschapsorgaan? Dan doet hij dit met de betrokken werknemers.

  • De preventiemedewerker heeft voldoende deskundigheid, ervaring en uitrusting om zijn taken uit te voeren. Hij voldoet ten minste aan het competentieprofiel van de door cao-partijen goedgekeurde RI&E Bouwnijverheid. Zie www.rie.nl.

7.2.5 Inschakeling deskundigen
  • De werkgever mag gecertificeerde deskundigen inschakelen voor:

    • de begeleiding van zieke werknemers en

    • de wettelijk verplichte toetsing van de RI&E.

  • Hierbij gelden twee voorwaarden:

    • schriftelijke overeenstemming met het medezeggenschapsorgaan en

    • de deskundigen werken niet bij een arbodienst.

7.2.6 Arbofaciliteiten en arbotaken
  • Geeft de werkgever de uta-werknemer opdracht taken uit te voeren voor het arbo- en verzuimbeleid? En zijn dit taken die voortvloeien uit de zorg van de werkgever voor de naleving van de wet en/of de cao? Dan informeert hij deze werknemer schriftelijk over de verantwoordelijkheden en bevoegdheden die hij hem in dit verband geeft.

  • De uitvoerder kan elk jaar deelnemen aan een eendaagse voorlichtings- en instructiebijeenkomst over het bevorderen van goede arbeidsomstandigheden op de bouwplaats. Hij doet dit nadat de werkgever hem daar toestemming voor heeft gegeven.

7.3 Arbeidsomstandigheden op de bouwplaats

7.3.1 Veiligheid en hygiëne
  • De werkgever neemt uitvoeringsmaatregelen op het gebied van veiligheid en hygiëne. Dit doet hij in redelijk overleg met de betrokken werknemers.

  • De werkgever geeft bij de toegang van de bouwplaats duidelijk aan of het verplicht is een veiligheidshelm te dragen.

  • De hoofdaannemer stelt voldoende keetruimte ter beschikking.

7.3.2 Persoonlijke beschermingsmiddelen
  • De kosten van de in de arbowetgeving bedoelde persoonlijke beschermingsmiddelen zijn voor de werkgever. Bijvoorbeeld een veiligheidshelm, veiligheidsschoenen, werkhandschoenen, werkkleding met UV-bescherming en gehoorbescherming.

  • De werkgever verstrekt de noodzakelijke persoonlijke beschermingsmiddelen aan de werknemer of stelt die aan hem ter beschikking. Doet de werkgever dit niet? Dan mag de werknemer niet op de bouwplaats werken. Dit heeft geen gevolgen voor zijn loon.

  • Gebruikt de werknemer de persoonlijke beschermingsmiddelen niet? Dan kan de werkgever hem van de bouwplaats wegsturen. De werkgever betaalt het loon over de niet gewerkte uren niet door. Zie artikel 7:628 BW.

7.3.3 Winterkleding
  • Werkt de werknemer tijdens vorst? Dan heeft hij recht op doelmatige winterkleding.

  • De kosten van deze winterkleding zijn voor de werkgever. Hij verstrekt deze kleding aan de werknemer of stelt die aan hem ter beschikking.

  • De werknemer gebruikt deze kleding. Is die kapot of versleten? Dan ontvangt hij van de werkgever een nieuw exemplaar.

7.3.4 Infra
  • Maakt de infrawerkgever op de bouwplaats gebruik van eigen materieel dat uitlaatgassen produceert? Dan zijn de uitlaten van dit materieel verticaal naar boven gericht.

  • Voordat de werknemer wegwerkzaamheden mag uitvoeren, heeft hij een cursus veilig werken gevolgd.

  • Voor wegwerkzaamheden in de avond en nacht gelden de volgende regels.

    • De geldende veiligheidsvoorschriften worden voor het begin van het werk aan de werknemer verstrekt en mondeling toegelicht.

    • Zonder veiligheidsvest voert de werknemer geen werkzaamheden uit.

    • Bij wegwerkzaamheden waarbij het verkeer kan doorgaan, worden uitsluitend wegafbakeningsystemen gebruikt die het te bewerken weggedeelte als geheel afzetten.

    • Tijdens nachtvorst wordt niet gewerkt; een uitzondering geldt voor spoedwerkzaamheden, waarbij de veiligheidsvoorschriften en de gezondheid van de werknemers zijn geborgd.

7.3.5 Andere werksituaties
  • Tillen.

    • Verpakkingseenheden cement of andere grondstoffen, zwaarder dan 25 kilo worden niet op het werk gebruikt.

    • Metsel- en lijmblokken van 14 kilo of meer worden alleen met mechanische hulpmiddelen verwerkt.

    • Glooiingsstenen met een lengte van meer dan 30 centimeter worden alleen verwerkt met een daarvoor geschikte hijsinstallatie.

  • Gevaarlijke stoffen.

    • Worden op de bouwplaats veiligheids- en gezondheidsbedreigende stoffen en producten gebruikt? Dan moet de uitvoerder beschikken over een lijst van deze stoffen en producten en van te nemen voorzorgsmaatregelen.

    • Teer mag niet worden verwerkt. Uitzondering: teerhoudend asfalt mag thermisch worden gereinigd.

    • Oplosmiddelrijke producten worden niet gebruikt in afgesloten ruimten of bij binnenwerk. Dit in verband met het risico op het Organo Psycho Syndroom (OPS).

  • Vervuilend werk. Geeft de werkgever opdracht sterk vervuilend werk te doen? En heeft hij onvoldoende maatregelen getroffen om de werknemer en/of de omgeving te beschermen? Dan mag de werknemer weigeren dit werk uit te voeren.

  • Bodemonderzoek. Is voor een bouwplaats een analyserapport bodemonderzoek opgesteld? Dan heeft de werknemer die op die bouwplaats moet werken recht op inzage in dat rapport.

  • Tochtvrij binnenwerk. Moet in de periode tussen 1 september en 1 mei in een tochtige ruimte binnenwerk worden gedaan? Dan maakt de werkgever die werkruimte zo goed mogelijk tochtvrij. Een ruimte is tochtvrij als deze rondom met glas of ander materiaal is afgedicht.

  • Personenlift.

    • De werkgever is verplicht een personenlift te plaatsen bij gebouwen en woningen waarvan de hoogste verdiepingsvloer 15 meter of meer boven het aansluitend terrein ligt. Als hoogste verdiepingsvloer wordt niet beschouwd de dakvloer, de vloer van een technische ruimte of vloeren van steigers en andere hulpconstructies.

    • Deze verplichting geldt niet als:

      • ° de hoogste verdiepingsvloer 15 tot 25 meter boven het aansluitend terrein ligt,

      • ° op één van de tussenliggende verdiepingen schaft- en toiletvoorzieningen zijn aangebracht en

      • ° de afstand tussen deze voorzieningen en het aansluitend terrein, respectievelijk de hoogste verdiepingsvloer maximaal 15 meter is.

    • De werkgever kan voor deze verplichting met de ondernemingsraad een afwijkende regeling volgens 10.9 overeenkomen als:

      • ° er bijzondere omstandigheden zijn die een goede toepassing van de verplichting in de weg staan of

      • ° als het toepassen van de verplichting niet bijdraagt aan het beperken van de fysieke belasting.

  • Torenkranen. Een torenkraan is voorzien van een machinistenlift als:

    • de cabine zich twee maanden of langer op een hoogte van 30 meter of meer bevindt en

    • de montage van zo'n lift technisch mogelijk is.

  • Hijswerkzaamheden. Moet de werknemer lasten aanslaan? Of geeft hij daar aanwijzingen voor? Dan bevordert de werkgever dat hij een daarvoor bedoelde cursus volgt.

  • Steigerbouw. De werknemer die steigers monteert, moet beschikken over een door de overheid en branche erkend diploma op mbo-niveau of een geldig persoonscertificaat (ISO 17024). Deze verplichting geldt voor de functies van hulpmonteur steigerbouw, monteur steigerbouw, 1e monteur steigerbouw en voorman steigerbouw. De diploma’s en certificaten worden geregistreerd in het centraal diplomaregister van de Stichting Samenwerking voor Veiligheid. Dit gebeurt door de Stichting Veilig Werken Op Hoogte.

7.3.6 Jongere werknemers
  • De werknemer tot 18 jaar mag niet:

    • in tarief werken;

    • bij heistellingen werken, tenzij dit gebeurt onder toezicht van een leermeester;

    • zelfstandig werken als kraanbestuurder of machinist, zoals bedoeld in de functielijst bouwplaatswerknemers van bijlage 1.1 onder de nummers 33, 35, 72, 96, 99, 100 en 101.

  • De werknemer van 18 of 19 jaar mag uitsluitend zelfstandig in de bovengenoemde functies van kraanbestuurder en machinist werken als hij:

    • in opleiding is voor het diploma machinist gww of dit diploma heeft behaald en

    • werkt onder toezicht van een uitvoerder of een werknemer van 22 jaar of ouder met een zelfde functie.

  • De werknemer van 20 of 21 jaar mag uitsluitend zelfstandig in de bovengenoemde functies van kraanbestuurder en machinist werken als hij het diploma machinist bbl 3 heeft behaald.

7.4 Werkdruk uta-werknemer

7.4.1 Advies en begeleiding
  • Dreigt de uta-werknemer door werkdruk uit te vallen? Of is hij daardoor al uitgevallen? Dan heeft hij recht op advies en begeleiding.

  • De bedrijfstak heeft daar een voorziening voor getroffen. De werknemer kan er kosteloos gebruik van maken. Meer informatie is te vinden op www.volandis.nl.

7.5 Onwerkbaar weer

7.5.1 Cao Onwerkbaar weer Bouw & Infra
  • Er is een cao Onwerkbaar weer Bouw & Infra. De cao Onwerkbaar weer Bouw & Infra is een verlengstuk van de cao Bouw & Infra.

  • In de cao Onwerkbaar weer Bouw & Infra staat:

    • welke regels bij onwerkbaar weer gelden en

    • wanneer de werkgever bij onwerkbaar weer voor de werknemer een WW-uitkering kan aanvragen.

7.6 Ongevallen

7.6.1 Collectieve ongevallenregeling
  • Krijgt de werknemer in werktijd of tijdens het woon-werkverkeer een ongeval? En leidt dit ertoe dat hij blijvend invalide wordt of komt te overlijden? Dan kan recht bestaan op een uitkering uit de collectieve ongevallenregeling.

  • De collectieve ongevallenregeling is te vinden in de cao BTER Bouw & Infra.

8. MEDEZEGGENSCHAP

8.1 Vakbondscontactpersonen

8.1.1 Doelen
  • De werknemersorganisaties worden in staat gesteld om:

    • contacten te onderhouden met hun leden,

    • contacten tussen de leden onderling te organiseren en

    • de leden van de ondernemingsraad in hun werk te ondersteunen.

  • De cao-bepalingen van 8.1 maken dit mogelijk.

8.1.2 Aanwijzing
  • De werknemersorganisaties kunnen ieder binnen elke onderneming een vakbondscontactpersoon aanwijzen. Dit kunnen zij ook doen binnen elk project dat daarvoor in aanmerking komt.

  • De vakbondscontactpersoon is werknemer van de onderneming en lid van de organisatie die hem aanwijst.

  • De werknemersorganisatie meldt de werkgever wie als vakbondscontactpersoon is aangewezen.

  • De werkgever zorgt ervoor dat de vakbondscontactpersoon niet wordt benadeeld – bijvoorbeeld bij promotie en beloning – omdat hij vakbondswerk in de onderneming doet.

8.3 Medezeggenschap in bouwcombinaties

8.3.1 Vertegenwoordigend overleg
  • Ziet het ernaar uit dat een bouwcombinatie langer dan een jaar zal bestaan? Dan wordt binnen die combinatie een vertegenwoordigend overleg ingesteld.

  • Het vertegenwoordigend overleg bespreekt onderwerpen die te maken hebben met veiligheid en gezondheid. Daarbij worden ook de arbeidstijden betrokken.

8.3.2 Instellingsprocedure
  • De deelnemers in de bouwcombinatie regelen de medezeggenschap van het vertegenwoordigend overleg in de combinatieovereenkomst.

  • Daarin leggen zij vast dat de bestuurder van de combinatie het vertegenwoordigend overleg installeert.

8.4 Fusie, bedrijfsoverdracht en bedrijfssluiting

8.4.1 Waar gaat het om?
  • De voorschriften van 8.4.2 zijn van toepassing als:

    • de werkgever overweegt een fusie aan te gaan zoals bedoeld in de SER-Fusiegedragsregels 2015;

    • de werkgever overweegt zijn onderneming over te dragen (anders dan door een fusie) of zijn onderneming dan wel een bedrijfsonderdeel te sluiten; dit geldt alleen als het gaat om een onderneming met in de regel 25 of meer werknemers.

  • Uitzondering: de voorschriften van 8.4.2 gelden niet voor:

    • het aangaan of beëindigen van een bouwcombinatie en

    • het beëindigen van een bouwproject.

8.4.2 Voorschriften
  • Algemeen. De werkgever betrekt de sociale gevolgen van de fusie, bedrijfsoverdracht of bedrijfssluiting bij zijn beslissing. Bij een fusie houdt de werkgever zich bovendien aan de SER-Fusiegedragsregels 2015.

  • Informatieplicht.

    • Gaat het om een fusie? En ziet het ernaar uit dat die zal doorgaan? Dan informeert de werkgever cao-partijen daar onmiddellijk over. Hij stuurt cao-partijen zo snel mogelijk daarna een schriftelijke bevestiging.

    • Gaat het om een bedrijfsoverdracht of -sluiting? En ziet het ernaar uit dat die zal doorgaan? Dan informeert hij onmiddellijk de werkgevers- en werknemersorganisaties. Hij stuurt deze organisaties zo snel mogelijk daarna een schriftelijke bevestiging.

  • Rol vakbonden. Aansluitend bespreekt de werkgever met de betrokken werknemersorganisaties:

    • de maatregelen die hij overweegt te nemen,

    • de gevolgen daarvan voor alle werknemers of een groot deel van de werknemers en

    • het tijdstip en de manier waarop alle werknemers worden geïnformeerd.

  • Rol ondernemingsraad. De werkgever informeert de eventuele ondernemingsraad over:

    • zijn voorgenomen besluit tot fusie, bedrijfsoverdracht of -sluiting,

    • de redenen daarvoor,

    • de te verwachten gevolgen voor de werknemers en

    • de maatregelen die hij naar aanleiding daarvan van plan is te nemen.

    Daarna stelt hij de ondernemingsraad in de gelegenheid advies uit te brengen over zijn voorgenomen besluit.

  • Geheimhouding. Voor de werkgevers- en werknemersorganisaties geldt in dit verband een geheimhoudingsplicht. Die duurt tot een met de werkgever af te spreken tijdstip. Voor de ondernemingsraad geldt de geheimhoudingsplicht op grond van de Wet op de ondernemingsraden.

8.5 Sociaal beleid

8.5.1 Voor wie?
  • Is de werkgever wettelijk verplicht de ondernemingsraad ten minste één keer per jaar informatie te geven over het sociale beleid dat hij in het afgelopen jaar heeft gevoerd? Dan stelt hij deze informatie beschikbaar aan alle werknemers.

9. ZIEKTE, ARBEIDSONGESCHIKTHEID EN WERKLOOSHEID

9.1 Ziekte

9.1.1 Ziekmelden
  • Meldt de werknemer zich ziek? Dan moet hij thuisblijven totdat een eerste verzuimcontrole heeft plaatsgevonden.

  • In een onderneming kunnen andere afspraken worden gemaakt over ziekmelden. Bijvoorbeeld in een verzuimreglement.

  • Voor het bezoeken van een arts mag de zieke werknemer van huis gaan.

9.1.2 Loon eerste en tweede ziektejaar
  • Bij ziekte heeft de werknemer recht op loondoorbetaling volgens artikel 7:629 BW.

  • In plaats daarvan betaalt de werkgever, als dit tot een hoger bedrag leidt:

    • gedurende het eerste ziektejaar: 100% van het vast overeengekomen loon of het salaris en

    • gedurende het tweede ziektejaar: 70% van het vast overeengekomen loon of het salaris.

9.1.3 Uitzonderingen
  • Wachtdagen. Meldt de werknemer zich in een kalenderjaar voor de tweede of derde keer ziek? Dan hoeft de werkgever over de eerste ziektedag geen loon te betalen.

  • Bouwplaatswerknemer. Is de werknemer ziek geworden door het uitvoeren van bouw- en infra-activiteiten voor anderen dan zijn werkgever? En heeft hij dit werk zonder toestemming van zijn werkgever gedaan? Dan hoeft de werkgever hem gedurende de eerste drie maanden van deze ziekte slechts het wettelijk verplichte deel van zijn loon door te betalen. Zie artikel 7:629 BW.

  • Uta-werknemer. Doet de zieke werknemer werk voor anderen dan zijn werkgever? Dan hoeft de werkgever hem slechts het wettelijk verplichte deel van zijn loon door te betalen. Zie artikel 7:629 BW. Dit geldt ook als de werknemer gedeeltelijk arbeidsgeschikt is.

9.1.4 Schadevergoeding
  • Doet de werkgever een beroep op artikel 6:107a BW om van een of meer derde(n) een schadevergoeding te eisen voor de ziekte van de werknemer? Dan moet de werknemer daar aan meewerken.

9.1.6 Registratie ziekteverzuim
  • De werkgever registreert het ziekteverzuim, inclusief de frequentie en duur van het ziekteverzuim.

  • De werknemer heeft recht op inzage in de over hem geregistreerde gegevens.

9.2 Re-integratie

9.2.1 Re-integratiebedrijf
  • De werkgever is verplicht voor de re-integratie van een zieke werknemer een re-integratiebedrijf in te schakelen. Dit in aanvulling op de verplichtingen van de Wet verbetering poortwachter.

  • Het re-integratiebedrijf moet het Blik op Werk keurmerk hebben of een kwaliteitsniveau dat aantoonbaar gelijkwaardig is.

  • Heeft de werkgever veertien weken na het begin van de ziekte nog niet aan zijn verplichting voldaan? Dan mag de werknemer zelf een dergelijk re-integratiebedrijf inschakelen voor opleiding, begeleiding en bemiddeling. De kosten worden in dat geval betaald door het Aanvullingsfonds Bouw & Infra. Het fonds verhaalt de kosten op de werkgever. Dit is geregeld in het reglement re-integratie van dit fonds. Dit reglement maakt deel uit van de cao BTER Bouw & Infra.

  • Leidt het re-integratietraject tot werkhervatting bij een andere werkgever? Dan neemt het re-integratiebedrijf in de eerste zes maanden twee keer contact met de werknemer op om naar zijn situatie te informeren. Heeft de werknemer behoefte aan een of meer gesprekken met het re-integratiebedrijf? Dan zijn de kosten daarvan voor rekening van de oorspronkelijke werkgever.

9.2.2 Re-integratiebonus
  • Re-integreert de werknemer in het tweede ziektejaar? En is de re-integratie succesvol? Dan betaalt de oorspronkelijke werkgever de werknemer een re-integratiebonus. Het kan gaan om re-integratie in de oude of in een nieuwe functie, binnen of buiten de onderneming.

  • Een re-integratie is succesvol als de werknemer:

    • in het tweede ziektejaar ten minste twee betalingsperioden onafgebroken werkt en

    • per betalingsperiode ten minste 50% verdient van het vast overeengekomen loon of het salaris dat hij verdiende voordat hij ziek werd.

    Als in het tijdvak van twee betalingsperioden een vakantie valt, wordt dit tijdvak verlengd met de duur van de vakantie.

  • De re-integratiebonus is een eenmalige uitkering. De hoogte ervan komt overeen met een aanvulling tot 100% van het oorspronkelijke vast overeengekomen loon of het salaris over de volgende periode:

    • re-integratie bij de eigen werkgever: vanaf de eerste dag van het tweede ziektejaar tot en met de laatste dag van de tweede betalingsperiode van de re-integratie;

    • re-integratie bij een andere werkgever: vanaf de eerste dag van het tweede ziektejaar tot en met de laatste dag vóór de indiensttreding bij de andere werkgever.

  • Heeft de werkgever de re-integratiebonus aan de werknemer betaald? Dan heeft de werkgever recht op een re-integratiebonus van het Aanvullingsfonds Bouw & Infra. Hierbij geldt als voorwaarde dat de werkgever voldoet aan de eisen van het reglement re-integratie van dit fonds. Dit reglement maakt deel uit van de cao BTER Bouw & Infra.

9.3 Arbeidsongeschiktheid

9.3.1 Eindejaarsuitkering
  • Degene met een WIA- of WAO-uitkering heeft recht op een eindejaarsuitkering van het Aanvullingsfonds Bouw & Infra als hij:

    • het voorafgaande kalenderjaar ook recht had op een eindejaarsuitkering van dit fonds en

    • voldoet aan de eisen van het reglement aanvullingen en uitkeringen van dit fonds. Dit reglement maakt deel uit van de cao BTER Bouw & Infra.

9.4 Werkloosheid

9.4.1 Pensioenopbouw
  • Heeft de werknemer direct aansluitend op zijn arbeidsovereenkomst met de werkgever recht op een WW- of Ziektewetuitkering? Dan betaalt het Aanvullingsfonds Bouw & Infra de voortzetting van zijn pensioenopbouw. Dit gebeurt vanaf het begin van de uitkering en voor de duur van die uitkering, met een maximum van zes maanden.

  • Hierbij geldt als voorwaarde dat de werknemer voldoet aan de eisen van het reglement aanvullingen en uitkeringen van het Aanvullingsfonds Bouw & Infra. Dit reglement maakt deel uit van de cao BTER Bouw & Infra.

10. OVER DEZE CAO

10.1 Definities en begrippen

B

Bbl (beroepsbegeleidende leerweg):

leerweg binnen het middelbaar beroepsonderwijs volgens de Web voor leerlingen met zowel een arbeids- als een onderwijsovereenkomst. De leerling volgt de praktijkopleiding bij een erkend leerbedrijf. Voor het theorieonderwijs gaat hij gemiddeld een dag per week naar het roc.

Bbl 2:

een beroepsopleiding via de bbl op niveau 2.

Bbl 3:

een beroepsopleiding via de bbl op niveau 3.

Betalingsperiode:

het tijdvak van vier weken of een kalendermaand waarover de werkgever aan de werknemer het vast overeengekomen loon of het salaris betaalt, evenals de vergoedingen en toeslagen waar de werknemer recht op heeft.

Bol (beroepsopleidende leerweg):

leerweg binnen het middelbaar beroepsonderwijs volgens de Web voor leerlingen met uitsluitend een onderwijsovereenkomst. De leerling volgt de opleiding op het roc. Van tijd tot tijd loopt hij praktijkstage bij een erkend leerbedrijf.

Bouw- en infraondernemingen:

zie 10.2.2.

Bouw- en infrawerken/-activiteiten:

zie 10.2.2.

Bouwcombinatie:

een samenwerkingsverband tussen:

  • twee of meer bouw- en infraondernemingen of

  • één of meer bouw- en infraondernemingen en één of meer andere ondernemingen, met (onder meer) als doel gezamenlijk één of meer bouw- en infrawerken tot stand te brengen. Onder samenwerkingsverband wordt mede verstaan het samen als (middellijk) bestuurder, (middellijk) aandeelhouder en/of (middellijk) vennoot betrokken zijn bij of deel uit maken van dezelfde rechtspersoon en/of vennootschap.

Bouwplaats:

elke plaats waar bouw- en infrawerken/-activiteiten worden uitgevoerd en/of tot stand worden gebracht.

Bouwplaatswerknemer:

de werknemer die werkzaam is in een functie uit bijlage 1.1, bijlage 1.2 dan wel in een gelijksoortige functie.

bpfBOUW:

Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor de Bouwnijverheid.

Bpvo (beroepspraktijkvormingsovereenkomst):

de overeenkomst die bij aanvang van de bbl-opleiding wordt gesloten tussen de leerlingwerknemer, het opleidingsbedrijf of individueel leerbedrijf en de betrokken onderwijsinstelling. In de bpvo zijn de rechten en plichten rondom de uitvoering van de beroepspraktijkvorming vastgelegd.

BW:

Burgerlijk Wetboek.

C

Cao:

met 'de cao' of 'deze cao' wordt bedoeld de cao Bouw & Infra.

Cao BTER Bouw & Infra:

de cao Bedrijfstakeigen Regelingen Bouw & Infra.

Cao-partijen:

de werkgevers- en werknemersorganisaties die deze cao hebben afgesloten.

D

Deeltijd(werk):

een arbeidsduur die op basis van de individuele arbeidsovereenkomst korter is dan de normale arbeidsduur zoals bedoeld in tabel 2.2.

E

Echtgenoot/echtgenote:

de persoon met wie de werknemer gehuwd is. Met deze persoon wordt gelijkgesteld de ongehuwde partner met wie de werknemer een gezamenlijke huishouding voert, voor zover dit door middel van een notarieel vastgestelde samenlevingsovereenkomst en/of partnerregistratie aan de werkgever bekend is gemaakt.

G

Garantieloon:

het minimum functieloon waar de bouwplaatswerknemer volgens de cao recht op heeft.

I

Individueel budget:

zie 4.14.

Individueel leerbedrijf:

een werkgever die met een leerlingwerknemer een bpvo en een arbeidsovereenkomst sluit en daarbij optreedt als leerbedrijf overeenkomstig de Web.

Instructeur:

de werknemer van een opleidingsbedrijf die verantwoordelijk is voor de opleiding, scholing, beoordeling en begeleiding van de deelnemer binnen de opleidingswerkplaats.

L

Leerlingwerknemer:

de bouwplaatswerknemer die deelneemt aan een bbl 2 of bbl 3 opleiding in het domein:

  • Bouw en infra,

  • Afbouw, hout en onderhoud of

  • Techniek en procesindustrie.

Leermeester:

de werknemer die:

  • een geldig leermeestercertificaat en een geldige leermeesterpas van Volandis heeft,

  • in opdracht van zijn werkgever vakkennis overdraagt aan leerlingwerknemers in het leerbedrijf, hen begeleidt en beoordeelt en

  • naast deze leermeestertaken – in de eventueel resterende tijd – productieve arbeid verricht.

M

Medezeggenschapsorgaan:

de ondernemingsraad of personeelsvertegenwoordiging zoals bedoeld in de Wet op de ondernemingsraden.

O

Opleidingsbedrijf:

Zie 10.2.5.

Overwerk:

op een dag meer werken dan volgens het rooster dat is vastgesteld volgens deze cao.

Overwerk, structureel:

overwerk dat met een vaste frequentie en gedurende meerdere weken wordt uitgevoerd.

P

Payrolling:

het ter beschikking stellen van een payrollkracht aan een werkgever zoals bedoeld in 10.2.1.

Payrollkracht:

de arbeidskracht met een arbeidsovereenkomst die op basis van artikel 1 lid 1 onder d Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs (Waadi) ter beschikking is gesteld aan een werkgever zoals bedoeld in 10.2.1.

Persoonlijke beschermingsmiddelen:

uitrustingsstukken of -middelen die bestemd zijn om door een persoon te worden gedragen of vastgehouden als bescherming tegen een of meer gevaren die een bedreiging kunnen vormen voor zijn gezondheid of veiligheid.

R

Roc:

regionaal opleidingencentrum volgens de Web.

S

Salaris:

het tussen de uta-werknemer en de werkgever overeengekomen vaste brutobedrag dat de uta-werknemer van de werkgever ontvangt als loon voor zijn werkzaamheden in de door hem uitgeoefende functie. Dit bedrag is exclusief vakantietoeslag, vaste en/of variabele gratificaties, eindejaarsuitkeringen, uitkeringen ineens en alle andere toeslagen.

Schooldag:

de dag waarop de leerlingwerknemer onder verantwoordelijkheid van het roc onderwijs volgt.

T

Tijdspaarfonds:

Stichting Tijdspaarfonds Bouw & Infra.

Tijwerk:

werkzaamheden die onderhevig zijn aan de invloed van getijden (hoog en laag water als gevolg van eb en vloed).

U

Uitzendonderneming:

de werkgever zoals bedoeld in artikel 7:690 BW.

Uitzendkracht:

de werknemer zoals bedoeld in artikel 7:690 BW.

Uta-werknemer:

de werknemer die werkzaam is in een uitvoerende, technische of administratieve functie uit bijlage 1.3 dan wel in een gelijksoortige functie.

V

Vast overeengekomen loon:

het garantieloon plus de eventueel met de bouwplaatswerknemer overeengekomen prestatietoeslag.

Volandis:

het kennis- en adviescentrum op het gebied van duurzame inzetbaarheid voor alle werknemers en werkgevers in de bouw & infra. Volandis heeft de opdracht om op collectief en individueel niveau:

  • informatie te verzamelen, bewerken en ontsluiten en

  • duurzame inzetbaarheid te faciliteren en bevorderen.

W

WagwEU:

Wet arbeidsvoorwaarden gedetacheerde werknemers in de Europese Unie (Staatsblad 2016, 219).

Web:

Wet educatie en beroepsonderwijs (Staatsblad 2004, 353).

Werkgever:

zie 10.2.1.

Werkkleding:

kleding die (nagenoeg) uitsluitend bestemd is om tijdens het werk te dragen. Onder werkkleding wordt ook verstaan (knie)laarzen en laarzen, evenals oliegoed voor een werknemer die tijwerk doet.

Werknemer:

zie 10.2.1.

Z

Ziekte:

door een lichamelijke of geestelijke aandoening of gebrek niet in staat zijn de overeengekomen arbeid te verrichten.

10.2 Voor wie geldt de cao?

10.2.1 Werkingssfeer
  • Deze cao is van toepassing op ondernemingen, op werkgevers en werknemers, in de bouw & infra.

  • Een werkgever is iedere natuurlijke persoon, rechtspersoon, vennootschap en maatschap, die in Nederland door één of meer werknemers arbeid laat verrichten, zoals bedoeld in 10.2.2 tot en met 10.2.5.

  • Een werknemer is degene die in Nederland bij een werkgever arbeid verricht:

    • op basis van een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:610 BW, artikel 7:610a BW en artikel 7:610b BW of

    • op basis van een overeenkomst tot aanneming van werk, tenzij hij zelf ondernemer is, of

    • als hulp van de aannemer van werk, zoals bedoeld in het vorige gedachtestreepje.

  • Ondernemingen in de bouw & infra zijn:

    • bouw- en infraondernemingen, zoals bedoeld in 10.2.2,

    • ondernemingen die bouwen in eigen beheer, zoals bedoeld in 10.2.3,

    • uitzendondernemingen, zoals bedoeld in 10.2.4 en

    • opleidingsbedrijven, zoals bedoeld in 10.2.5.

10.2.2 Bouw- en infraondernemingen
  • Bouw- en infraondernemingen zijn ondernemingen waarvan het bedrijf is gericht op productie voor en/of dienstverlening aan derden op het gebied van:

    • het geheel of gedeeltelijk uitvoeren van bouw- en infrawerken/-activiteiten;

    • het op de bouwplaats uitvoeren van onderdelen van bouw- en infrawerken; het elders vervaardigen van deze onderdelen wordt hiermee gelijkgesteld, indien de onderneming die de onderdelen vervaardigt tevens zorg draagt voor de verwerking daarvan in het bouw- en infrawerk;

    • het uitvoeren van verbouwingen en/of onderhoudswerk aan (onderdelen van) bouw- en infrawerken;

    • het verlenen van diensten op bouwplaatsen;

    • elders dan op de bouwplaats verrichte werkzaamheden ter voorbereiding van de bouw, indien zij worden verricht door de onderneming die het bouw- en infrawerk op de bouwplaats tot stand brengt;

    • het verhuren van machines met bedienend personeel voor het verrichten van werkzaamheden bij de uitvoering van hierboven genoemde werken.

  • Bouw- en infrawerken/-activiteiten zijn of met bouw- en infrawerken/-activiteiten worden gelijkgesteld:

    • aanleg, montage en onderhoud van ondergrondse kabels en buisleidingen, alsmede aanleg, montage en onderhoud van bovengrondse kabels en buisleidingen ten behoeve van de te verrichten bouw- en infra-activiteiten;

    • afgraven van verontreinigde grond;

    • asbestverwijdering;

    • asfaltproductie;

    • betonbekisting, betonboren en vlechtwerk;

    • betonreparatie van constructieve aard en betoninjectering;

    • bouwkundige voorzieningen voor land-, water- en luchtverkeer;

    • dakbedekkingen;

    • droge zandwinning;

    • egalisatie van terreinen, bouwrijp maken, funderingen;

    • funderingswerkzaamheden;

    • grondborings-, bronbemalings-, sondeer- en buizenlegwerken;

    • grondwerken ten behoeve van civieltechnische bestemmingen;

    • heiwerkzaamheden: het in de grond storten of indrijven respectievelijk uittrekken van palen en damwanden en/of het uitvoeren van drainerings-, grondverdichtings- en grondinjecteringswerken;

    • industriële bouw: het overwegend met gebruikmaking van grote, fabrieksmatig vervaardigde elementen van beton, steen of kunststof bouwwerken tot stand brengen;

    • kust- en oeverwerken;

    • metsel-, voeg-, en lijmwerk;

    • ontwerpen, aanleggen, veranderen, herstellen, onderhouden of ontstoppen en/of bedrijfsvaardig opleveren van de openbare riolering vanaf het overnamepunt van het waterkwaliteitsbeheer tot aan de perceelgrens alsmede hierbij opgedragen werkzaamheden aan de buitenriolering vanaf de perceelgrens tot 0,5 meter buiten de gevel;

    • opbouwen en/of plaatsen van verplaatsbare verblijfsruimten (units bedoeld voor tijdelijke behuizing), voor zover het plaatsen gemeten naar de loonsom niet slechts een uitvloeisel is van de fabricage van deze verblijfsruimten;

    • ovenbouw en schoorsteenbouw;

    • riolerings- en kabelnetten;

    • sloopwerken;

    • spoorwerken;

    • steigerbouw: monteren/construeren en demonteren van steigerelementen;

    • steigerbouw, industriële: steigerbouw ten behoeve van het onderhoud aan industriële fabrieksinstallaties;

    • tegel- en kitwerk;

    • waterbouwkundige (kunst)werken;

    • wegenbouw en bestratingswerkzaamheden, waaronder het aanbrengen van wegmarkeringen en aanleg, montage, onderhoud en sloop van geluidsweringen en voorzieningen ter bevordering van de verkeersveiligheid;

    • woningen, gebruiks- of bedrijfsgebouwen dan wel andere constructies van bouwkundige aard;

    • zinkers, doorpersingen en regeninstallaties;

    • overige werken/activiteiten die naar hun aard tot het bouwbedrijf moeten worden gerekend;

    • grondverzetwerken ten behoeve van een van de hiervoor genoemde bouw- en infrawerken/-activiteiten.

10.2.3 Bouwen in eigen beheer
  • Ondernemingen die bouwen in eigen beheer zijn ondernemingen die:

    • voor eigen rekening bouwen met het doel het gebouwde aan derden te verkopen, te verhuren of op andere wijze ter beschikking te stellen;

    • bouw- en infrawerken of verbouwingen in eigen beheer doen uitvoeren met het doel het gebouwde voor zichzelf of voor de eigen onderneming in gebruik te nemen, dan wel ter beschikking te stellen van personeelsleden;

    • verbouwingen en onderhoudswerken in eigen beheer doen uitvoeren aan gebouwen die zij in eigendom bezitten of in beheer hebben.

  • In de twee laatstgenoemde gevallen geldt deze cao niet voor werknemers op wie een andere collectieve arbeidsovereenkomst van toepassing is.

10.2.4 Uitzendondernemingen
  • Alle bepalingen van deze cao zijn van toepassing op:

    • uitzendondernemingen die voor meer dan 50% van de Nederlandse loonsom op jaarbasis arbeidskrachten ter beschikking stellen aan werkgevers zoals bedoeld in 10.2.1 en die geen lid zijn van de ABU of de NBBU,

    • uitzendondernemingen die onderdeel zijn van een concern dat tevens bestaat uit een of meer ondernemingen zoals bedoeld in 10.2.1 en

    • paritair afgesproken arbeidspools die arbeidskrachten ter beschikking stellen aan werkgevers zoals bedoeld in 10.2.1.

    Met 'Nederlandse loonsom' wordt hier bedoeld: de loonsom van de arbeidskrachten van de uitzendonderneming, voor zover die in Nederland arbeid verrichten.

10.2.5 Opleidingsbedrijven
  • Een opleidingsbedrijf is een door meerdere werkgevers opgerichte, landelijk of regionaal werkende rechtspersoon zonder winstoogmerk die:

    • met leerlingwerknemers een bpvo en een arbeidsovereenkomst sluit,

    • daarbij optreedt als leerbedrijf overeenkomstig de Web en

    • een opleidingswerkplaats heeft ingericht en onderhoudt voor de uitvoering van het praktijkdeel van de beroepsopleiding in het domein Bouw en infra.

10.2.6 Tijdelijk in België werken
  • De cao is van toepassing op de in Nederland gevestigde bouwplaatswerknemer die in dienst van een Nederlandse werkgever tijdelijk in België arbeid verricht. Dit in afwijking van 10.2.1 en 10.7.1.

  • Van tijdelijk in België arbeid verrichten is sprake zolang de Nederlandse sociale verzekeringswetgeving op de werknemer van toepassing is.

  • Is op deze werknemer een algemeen verbindend verklaarde cao of wet in België van toepassing? Dan geldt die als ondergrens.

  • Zolang de werknemer tijdelijk in België werkt, heeft hij recht op een toeslag. Deze toeslag bedraagt 9% van het garantieloon voor functiegroep A in tabel 4.2.

10.2.7 Tijdelijk in Duitsland werken
  • De cao is van toepassing op de in Nederland gevestigde bouwplaatswerknemer die in dienst van een Nederlandse werkgever tijdelijk in Duitsland arbeid verricht. Dit in afwijking van 10.2.1 en 10.7.1.

  • Van tijdelijk in Duitsland arbeid verrichten is sprake zolang de Nederlandse sociale verzekeringswetgeving op de werknemer van toepassing is.

  • De werkgever draagt voor deze werknemer premies af aan de Urlaubs- und Lohnausgleichskasse der Bauwirtschaft (ULAK). Deze premies komen in de plaats van zijn bijdragen Dagen en Vakantietoeslag aan het tijdspaarfonds. De eventuele afdracht Vakantietoeslag over spaaruren blijft in stand.

  • Zolang de werknemer tijdelijk in Duitsland werkt, heeft hij recht op een ULAK-toeslag. Dit is een bruto toeslag per betalingsperiode. Deze toeslag maakt geen deel uit van het vast overeengekomen loon.

  • De hoogte van de ULAK-toeslag is zodanig, dat het nettoloon van de werknemer ten minste gelijk is aan zijn nettoloon bij volledige afdracht aan het tijdspaarfonds.

10.3 Voor wie geldt de cao niet?

10.3.1 Ondernemingen waar de cao niet voor geldt
  • Deze cao is niet van toepassing op ondernemingen, waarvan het bedrijf in overwegende mate is gericht op productie voor en/of dienstverlening aan derden op de hieronder genoemde gebieden.

  • Of sprake is van 'in overwegende mate', wordt bepaald door een vergelijking van de in elke productie en/of dienstverlening verloonde bedragen.

  • Het gaat om de volgende gebieden:

    • baggerwerken;

    • betonmortel en betonmorteltransport;

    • betonwaren;

    • centrale verwarmingsinstallaties;

    • cultuurtechnische werkzaamheden die vallen binnen de werkingssfeer van de cao Landbouwwerktuigen Exploiterende Ondernemingen, zoals omschreven in het besluit tot algemeenverbindendverklaring van de bepalingen van de cao Landbouwwerktuigen Exploiterende Ondernemingen van 24 mei 2018 (Stcrt. 2018, nr. 25113), laatstelijk gewijzigd bij besluit van 1 oktober 2018 (Stcrt. 2018, nr. 44627). De definitie van cultuurtechnische werkzaamheden staat in bijlage 8 van de cao Bouw & Infra. De verplichtingen voor de onderaannemer voortvloeiend uit 10.5 van deze cao, gelden niet voor ondernemingen die vallen onder de werkingssfeer van de cao Landbouwwerktuigen Exploiterende Ondernemingen;

    • dakbedekkingen, zijnde bitumineuze of van aluminium, kunststof, zink, lood of koper;

    • elektrotechnische verbindingen tussen kabels van kabelnetten maken;

    • fabrieksmatig timmerwerk;

    • interieurbetimmeringen;

    • isolatiebedrijf, waaronder wordt verstaan het door de onderneming zelf aanbrengen, herstellen, bekleden, afwerken en/of onderhouden van isolerende materialen ter voorkoming of beperking van warmte- of koudeverlies en/of tegen vuur, vocht, geluid en/of vibratie, bij industrieën, aan technische installaties en aan boord van schepen, zoals apparaten, kanalen, leidingen, tanks en dergelijke, voorts in ruimten, zoals koel- en vriescellen, ketel- en machineruimten, studio’s en dergelijke;

    • loodgieters- en fittersbedrijf;

    • natuursteen;

    • ovenbouw en schoorsteenbouw, voor zover onderdeel van isolatiewerkzaamheden;

    • parketvloeren;

    • railinfrastructurele werkzaamheden die vallen binnen de werkingssfeer van de cao Railinfrastructuur, zoals omschreven in het besluit tot algemeenverbindendverklaring van de bepalingen van de cao Railinfrastructuur van 25 september 2019 (Stcrt. 2019, nr. 41919);

    • schilderen en afwerken;

    • sloop van objecten die (nagenoeg) geheel bestaan uit metaal, waarbij het aantal arbeidsuren van de in dienst zijnde werknemers die bij de werkzaamheden worden ingezet groter is dan het aantal overeengekomen arbeidsuren bij de overige te verrichten werkzaamheden van alle in dienst zijnde werknemers gemeten over de periode van een kalenderjaar;

    • staalskeletbouw en het uitvoeren van werken geheel of nagenoeg geheel in staal;

    • steen, houtgraniet en kunststeen;

    • stukadoors-, afbouw- en terrazzo-/vloerenbedrijf;

    • verhuren van mobiele kranen;

    • overige werken die naar hun aard niet tot het bouwbedrijf moeten worden gerekend.

10.3.2 Afdelingen waar de cao niet voor geldt
  • Deze cao is niet van toepassing op een afzonderlijke afdeling, waarvan het bedrijf in overwegende mate is gericht op productie voor en/of dienstverlening aan derden op de in 10.3.1 genoemde gebieden.

  • Een afzonderlijke afdeling wordt geacht aanwezig te zijn als de bedrijfsuitoefening feitelijk als zelfstandige eenheid is georganiseerd. Of sprake is van 'in overwegende mate', wordt bepaald door een vergelijking van de in elke productie en/of dienstverlening verloonde bedragen.

10.3.3 Personen voor wie de cao niet geldt
  • Niet als werknemer worden beschouwd de:

    • vakantiewerker;

    • stagiair;

    • directeur-grootaandeelhouder van de naamloze vennootschap en/of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid die:

      • ° persoonlijk houder is van aandelen die ten minste een tiende deel van het geplaatste kapitaal van de vennootschap van de werkgever vertegenwoordigen of

      • ° indirect persoonlijk houder is van aandelen die ten minste een tiende deel van het geplaatste kapitaal van de vennootschap van de werkgever vertegenwoordigen of

      • ° houder is van certificaten van aandelen, uitgegeven door tussenkomst van een administratiekantoor waarvan hij voor ten minste een tiende deel in het bestuur vertegenwoordigd is, die ten minste een tiende deel van het geplaatste kapitaal van de vennootschap vertegenwoordigen.

10.4 Arbeidsovereenkomst naar buitenlands recht

10.4.1 WagwEU
  • Een aantal algemeen verbindend verklaarde bepalingen van deze cao geldt ook voor de werknemer die:

    • in het kader van transnationale dienstverrichting, zoals bedoeld in artikel 1, lid 1 van de WagwEU,

    • tijdelijk in Nederland arbeid verricht en

    • van wie de arbeidsovereenkomst wordt beheerst door een ander recht dan het Nederlandse recht.

  • Voor deze werknemer geldt in ieder geval het volgende.

    • Gedurende de eerste twaalf maanden: de bepalingen uit bijlage 6 van deze cao.

    • Met ingang van de dertiende maand: alle algemeen verbindend verklaarde bepalingen van deze cao. Dit geldt niet voor de bepalingen over procedures, formaliteiten en voorwaarden voor het sluiten en beëindigen van de arbeidsovereenkomst en over aanvullende bedrijfspensioenregelingen.

    De Wet AVV maakt het – onder voorwaarden – mogelijk de termijn van twaalf maanden te verlengen tot maximaal achttien maanden.

  • In bijlage 6 staan bepalingen met betrekking tot:

    • a. maximale werktijden en minimale rusttijden;

    • b. het minimale aantal vakantiedagen, gedurende welke de verplichting van de werkgever om loon te betalen bestaat;

    • c. beloning, waartoe in ieder geval behoren:

      • 1. het geldende periodeloon in de schaal;

      • 2. de van toepassing zijnde arbeidsduurverkorting per week, maand, jaar of periode;

      • 3. toeslagen voor overwerk, verschoven uren en onregelmatigheid, met inbegrip van feestdagentoeslag en ploegentoeslag;

      • 4. tussentijdse loonsverhoging;

      • 5. kostenvergoeding: toeslagen of vergoeding van uitgaven voor de kosten die noodzakelijk zijn vanwege de uitoefening van de functie, waaronder begrepen reis-, maaltijd- en verblijfkosten voor werknemers die beroepshalve van huis zijn;

      • 6. periodieken;

      • 7. eindejaarsuitkeringen;

      • 8. extra vergoedingen in verband met vakantie.

      Tot de beloning behoren niet:

      • ° bijdragen aan pensioenen als bedoeld in artikel 1 van de Pensioenwet dan wel artikel 1, eerste lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling;

      • ° bovenwettelijke socialezekerheidsaanspraken;

      • ° toeslagen die worden uitgekeerd als vergoeding van daadwerkelijk in verband met de detachering gemaakte kosten, zoals reis-, maaltijd- en verblijfkosten.

    • d. voorwaarden voor het ter beschikking stellen van werknemers;

    • e. gezondheid, veiligheid en hygiëne op het werk;

    • f. beschermende maatregelen met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden en arbeidsomstandigheden van kinderen, jongeren en van zwangere of pas bevallen werknemers;

    • g. gelijke behandeling van mannen en vrouwen, alsmede andere bepalingen ter voorkoming en bestrijding van discriminatie; en

    • h. voorwaarden van huisvesting van werknemers, indien de dienstontvanger zoals bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de WagwEU huisvesting ter beschikking stelt aan werknemers die zich niet op hun gewone werkplaats in Nederland bevinden.

  • Onder het begrip werknemer, zoals vermeld in de eerste en tweede alinea van 10.4.1, valt ook de uitzendkracht met een arbeidsovereenkomst naar buitenlands recht in dienst van een uitzendonderneming die voor meer dan 50% van de Nederlandse loonsom op jaarbasis arbeidskrachten ter beschikking stelt aan werkgevers zoals bedoeld in 10.2.1 en die geen lid is van de ABU of de NBBU. Met 'Nederlandse loonsom' wordt hier bedoeld: de loonsom van de arbeidskrachten van de dienstverrichter, voor zover die in Nederland arbeid verrichten. Het maakt daarbij niet uit of de arbeid gewoonlijk of tijdelijk in Nederland wordt verricht.

  • De inlenende werkgever aan wie een werknemer met een arbeidsovereenkomst naar buitenlands recht ter beschikking wordt gesteld, vergewist zich ervan dat de werkgever van deze werknemer, de dienstverrichter, de geldende bepalingen uit de tweede alinea van 10.4.1 naleeft. De inlenende werkgever maakt hiertoe een afspraak in de overeenkomst met de dienstverrichter dan wel verzekert zich er van dat voornoemde afspraak in de overeenkomst met de dienstverrichter wordt opgenomen. Indien sprake is van onderaanneming, is ook 10.5 van toepassing.

  • Voor zover een uitzendkracht niet onder deze cao valt, vergewist de inlenende werkgever zich ervan dat de werkgever van deze uitzendkracht, de dienstverrichter, de bepalingen in bijlage 7 naleeft. De inlenende werkgever maakt hiertoe een afspraak in de overeenkomst met de dienstverrichter dan wel verzekert zich er van dat voornoemde afspraak in de overeenkomst met de dienstverrichter wordt opgenomen. Indien sprake is van onderaanneming, is ook 10.5 van toepassing.

10.5 Onderaanneming

10.5.1 Wat is onderaanneming?
  • Van onderaanneming in de zin van 10.5 is sprake als de werkgever in de rol van opdrachtgever een overeenkomst sluit met een andere onderneming (hierna te noemen: onderaannemer), met het doel een bouwwerk te realiseren en/of bouw- en infra-activiteiten te laten uitvoeren (hierna te noemen: overeenkomst).

  • Sluit de werkgever zo’n overeenkomst met een zelfstandige zonder personeel, een uitzendonderneming of een daarmee vergelijkbare onderneming? Dan is ook sprake van onderaanneming.

  • Is de onderaannemer een uitzendonderneming? Dan zijn naast 10.5 ook 10.6.2 en 10.6.3 van toepassing. Is de onderaannemer de werkgever van een payrollkracht? Dan is naast 10.5 ook 10.6.4 van toepassing.

10.5.2 Zelfstandige zonder personeel
  • De werkgever schakelt alleen een zelfstandige zonder personeel in als dit een natuurlijk persoon is die:

    • geen personeel in dienst heeft,

    • staat ingeschreven in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel en

    • een overeenkomst tot aanneming van werk of een overeenkomst van opdracht met de opdrachtgever wil sluiten waarin een resultaatverplichting is opgenomen. Een resultaatverplichting betekent hier dat het werk of de uit te voeren werkzaamheden in de overeenkomst zijn vastgelegd voordat de werkzaamheden beginnen.

  • De werkgever ziet er op toe dat de feitelijke situatie waaronder de zelfstandige zonder personeel wordt ingeschakeld, overeenstemt met de inhoud van de overeenkomst.

10.5.3 De overeenkomst met de onderaannemer
  • De werkgever bepaalt in de overeenkomst met de onderaannemer:

    • dat de onderaannemer de voor hem geldende bepalingen van deze cao naleeft (dit betekent onder meer dat hij dit doet ten aanzien van alle individuele arbeidsovereenkomsten waarop deze cao betrekking heeft) en

    • dat de onderaannemer ditzelfde vastlegt in de overeenkomst die hij op zijn beurt aangaat met een andere onderaannemer en dat dit in alle daaropvolgende overeenkomsten wordt vastgelegd, tot aan het einde van de keten van onderaanneming (doorgeefverplichting).

  • Uitzondering: dit geldt niet als voor de onderaannemer een andere (algemeen verbindend verklaarde) cao geldt.

10.5.4 Vergewisplicht
  • De werkgever vergewist zich ervan dat zijn onderaannemer zich houdt en blijft houden aan de afspraken van 10.5.3.

  • Is de onderaannemer van de werkgever een onderneming die de bouw- en infra-activiteiten niet met haar eigen werknemers en/of de eigen organisatie uitvoert? Dan oefent de werkgever de vergewisplicht uit op de eerstvolgende lagere schakel in de uitbestedingsketen waar het personeel dat de bouw- en infra-activiteiten uitvoert in dienst is.

10.5.5 Vergewisplicht bij een bouwcombinatie
  • Is de werkgever betrokken bij of maakt hij deel uit van een bouwcombinatie? En is deze bouwcombinatie geen werkgever in de zin van deze cao? Dan vergewist de werkgever zich ervan dat de onderaannemer van deze bouwcombinatie zich houdt en blijft houden aan de afspraken van 10.5.3.

  • Is de onderaannemer van deze bouwcombinatie een onderneming die de bouw- en infra-activiteiten niet met haar eigen werknemers en/of de eigen organisatie uitvoert? Dan oefent de werkgever die betrokken is bij of deel uitmaakt van de bouwcombinatie de vergewisplicht uit op de eerstvolgende lagere schakel in de uitbestedingsketen waar het personeel dat de bouw- en infra-activiteiten uitvoert in dienst is.

10.5.6 Aansprakelijkheid werkgever
  • De wettelijke regeling voor aansprakelijkheid voor het verschuldigde loon (artikel 7:616a BW e.v.) is onverkort van toepassing. De bepalingen van 10.5 gelden in aanvulling op de wet. Voor zover 10.5 daar voor de werknemer in negatieve zin van afwijkt, gaat de wettelijke regeling voor.

  • Lijdt de werknemer van een onderaannemer schade omdat die onderaannemer zich niet houdt aan de voor hem geldende cao-bepalingen? Dan is de werkgever voor deze schade aansprakelijk. Dit geldt alleen als het om een onderaannemer gaat waarop de werkgever het toezicht uitoefent, zoals bedoeld in 10.5.4 en 10.5.5. De werkgever heeft het recht deze kosten op de onderaannemer te verhalen.

10.5.7 Vrijwaring van aansprakelijkheid
  • Als cao-partijen daarom vragen, geeft de werkgever inzage in de manier waarop hij zijn vergewisplicht heeft uitgevoerd.

  • Heeft de werkgever op de door cao-partijen voorgeschreven manier voldaan aan de vergewisplicht zoals bedoeld in 10.5.4 of 10.5.5? Dan is hij gevrijwaard van de aansprakelijkheid, zoals bedoeld in 10.5.6, tweede alinea. Deze vrijwaring geldt alleen voor de cao-bepalingen die aantoonbaar op de voorgeschreven manier zijn meegenomen in de vergewisplicht.

  • Uitzondering: deze vrijwaring geldt niet voor zover de werkgever weet of redelijkerwijze kan vermoeden dat de onderaannemer zich niet houdt aan de voor hem geldende bepalingen van deze cao.

10.6 Inlenen van uitzend- en payrollkrachten

10.6.2 Alleen gecertificeerde uitzendondernemingen
  • De werkgever leent alleen uitzendkrachten in van gecertificeerde uitzendondernemingen in het Register Normering Arbeid. Zie www.normeringarbeid.nl.

  • Deze verplichting geldt niet voor:

    • (collegiaal) in- en uitlenen door bouw- en infraondernemingen of opleidingsbedrijven;

    • uitzendondernemingen die deel uitmaken van bouw- en infraondernemingen of opleidingsbedrijven.

10.6.3 Vergewisplicht bij uitzendwerk
  • De inlenende werkgever vergewist zich er te allen tijde van dat de uitzendonderneming de volgende bepalingen van de cao Bouw & Infra naleeft ten aanzien van de individuele arbeidsovereenkomsten van de uitzendkrachten die hij inleent.

    • Gaat het om een uitzendonderneming die op grond van 10.2.4 de gehele cao Bouw & Infra moet toepassen? Dan vergewist de inlenende werkgever zich ervan dat dit gebeurt.

    • Gaat het om een andere uitzendonderneming? Dan vergewist de inlenende werkgever zich van de naleving van bijlage 7.

    • Gaat het om een uitzendkracht met een arbeidsovereenkomst naar buitenlands recht? Dan vergewist de inlenende werkgever zich ervan dat de dienstverrichter, de werkgever van deze uitzendkracht, bijlage 6 of bijlage 7 van deze cao naleeft conform de bepalingen van 10.4.1.

  • De inlenende werkgever bepaalt in de inleenovereenkomst met de uitzendonderneming dat de uitzendonderneming deze cao-bepalingen naleeft.

  • De inlenende werkgever verstrekt de uitzendonderneming informatie over de geldende cao-bepalingen. Dit gebeurt schriftelijk of elektronisch en voorafgaand aan de inlening.

  • De inlenende werkgever vergewist zich ervan dat:

    • de uitzendkracht beschikt over een uitzendbevestiging en

    • dat daarin de beloning is opgenomen waar de uitzendkracht recht op heeft.

    Met uitzendbevestiging wordt bedoeld de schriftelijke bevestiging uit artikel 16 lid 7 van de ABU- en de NBBU-CAO voor Uitzendkrachten 2019-2021.

  • Is sprake van onderaanneming zoals bedoeld in 10.5? Dan is naast 10.6.2 en 10.6.3 ook 10.5 van toepassing.

  • Is de inlener een bouwcombinatie? En is deze bouwcombinatie geen werkgever in de zin van deze cao? Dan gelden de in 10.6.2 en 10.6.3 genoemde verplichtingen voor de werkgever die betrokken is bij of deel uitmaakt van deze bouwcombinatie.

10.6.4 Vergewisplicht bij payrolling
  • De inlenende werkgever vergewist zich er te allen tijde van dat de werkgever van de payrollkrachten alle bepalingen van deze cao naleeft ten aanzien van de individuele arbeidsovereenkomsten van de payrollkrachten die hij inleent.

  • De inlenende werkgever bepaalt in de inleenovereenkomst met de werkgever van de payrollkrachten dat de laatstgenoemde werkgever deze cao-bepalingen naleeft.

  • De inlenende werkgever verstrekt de werkgever van de payrollkrachten informatie over de geldende cao-bepalingen. Dit gebeurt schriftelijk of elektronisch en voorafgaand aan de inlening.

  • Is sprake van onderaanneming zoals bedoeld in 10.5? Dan is naast 10.6.4 ook 10.5 van toepassing.

  • Is de inlener een bouwcombinatie? En is deze bouwcombinatie geen werkgever in de zin van deze cao? Dan gelden de in 10.6.4 genoemde verplichtingen voor de werkgever die betrokken is bij of deel uitmaakt van deze bouwcombinatie.

10.7 Vrijwillig toepassen van de cao

10.7.1 Tijdelijk in het buitenland werken
  • Verricht de bouwplaatswerknemer tijdelijk arbeid in het buitenland? Dan kan de werkgever er voor kiezen de cao te blijven toepassen.

  • Van tijdelijk arbeid verrichten in het buitenland is sprake zolang de Nederlandse sociale verzekeringswetgeving op de werknemer van toepassing is.

  • Uitzonderingen: zie 10.2.6 en 10.2.7.

10.9 Afwijken van de cao

10.9.1 Alleen als er een ondernemingsraad is
  • In deze cao is op de volgende plaatsen aangegeven dat de werkgever met de ondernemingsraad een afwijkende regeling kan overeenkomen: 2.7.4, 5.5.3, 5.9.2, 5.10.5, 5.13.6, 5.17.2 en 7.3.5 (personenlift).

  • Naast de Wet op de ondernemingsraden geldt in die gevallen 10.9.2.

10.9.2 Nadere voorwaarden
  • De werkgever heeft met de ondernemingsraad overeenstemming bereikt over de afwijkende regeling. Zolang dit niet is gebeurd, geldt de cao-regeling.

  • De ondernemingsraad kan zich laten bijstaan door vertegenwoordigers van de werkgevers- en werknemersorganisaties die deze cao hebben afgesloten.

  • Is er een voorgenomen besluit om een afwijkende regeling te treffen? Dan raadpleegt de ondernemingsraad de betrokken werknemers over dit besluit en de gevolgen daarvan. Dit gebeurt vroegtijdig en op een zodanige manier, dat het draagvlak kan worden getoetst.

  • De afwijkende regeling is per saldo ten minste gelijkwaardig aan de cao-regeling. Dit geldt niet voor een afwijkende regeling voor de personenlift. Zie 7.3.5.

  • De afwijkende regeling duurt uiterlijk tot het eind van de looptijd van deze cao. Stilzwijgende verlenging is niet toegestaan.

10.10 Dispensatie

10.10.1 Waar gaat het om?
  • Een dispensatieverzoek is een verzoek tot ontheffing van de verplichting om een of meer bepalingen van deze cao, de cao Onwerkbaar weer Bouw & Infra en/of de cao BTER Bouw & Infra toe te passen.

  • De hiervoor geldende regels staan in het reglement dispensatie. Zie bijlage 9.

10.11 Nalevingsonderzoek

10.11.1 Waar gaat het om?
  • Een nalevingsonderzoek is een onderzoek naar de vraag of een werkgever de bepalingen van deze cao, de cao Onwerkbaar weer Bouw & Infra en de cao BTER Bouw & Infra naleeft.

  • De werkgever is verplicht mee te werken aan een schriftelijk nalevingsonderzoek. Op hem rust de bewijslast om aan te tonen dat hij de cao naleeft.

  • Wanneer de werkgever de cao niet naleeft, moet hij een vergoeding betalen. Zie het reglement naleving.

  • In het reglement naleving staan de regels voor nalevingsonderzoeken. De werkgever is verplicht de bepalingen van dit reglement na te leven. Het maakt deel uit van de cao BTER Bouw & Infra.

10.12 Geschillen

10.12.1 Waar gaat het om?
  • Een geschil is een verschil van mening tussen een werkgever en een werknemer over de toepassing van een of meer bepalingen van deze cao, de cao Onwerkbaar weer Bouw & Infra en/of de cao BTER Bouw & Infra.

  • De hiervoor geldende regels staan in het reglement geschillen. Zie bijlage 10.

10.13.2 Minimum-cao
  • Deze cao is een minimum-cao. Dit betekent dat de onderneming van de cao mag afwijken als dit gunstiger is voor de werknemer.

10.13.3 Overgangsbepalingen
  • Gunstiger aanspraken op basis van eerdere cao's eindigen met ingang van deze cao.

  • Gaat het om gunstiger aanspraken op basis van individuele afspraken? Dan houdt de werknemer recht op die gunstiger aanspraken. Dit geldt niet als deze gunstiger aanspraken zijn gebaseerd op:

    • een arbeidsovereenkomst waarin staat dat de cao geheel of gedeeltelijk van toepassing is;

    • eerdere besluiten tot algemeenverbindendverklaring.

10.13.4 Terminologie en uitgangspunten
  • Werkgever/werknemer. Van deze begrippen wordt in de cao de mannelijke vorm gebruikt. Het kan echter zowel om mannen als om vrouwen gaan.

  • Geldbedragen. Alle bedragen in deze cao zijn brutobedragen, tenzij uitdrukkelijk is vermeld dat het om een nettobedrag gaat.

  • Voltijd en deeltijd. Deze cao gaat uit van de werknemer met een normale arbeidsduur (de werknemer die in voltijd werkt). Voor de werknemer die in deeltijd werkt, zijn de bepalingen van deze cao onverkort van toepassing. Dit geldt niet voor cao-bepalingen waarin uitdrukkelijk van dit uitgangspunt wordt afgeweken.

  • Prestatiebevorderend systeem en loon over niet gewerkte dagen. Werkt een bouwplaatswerknemer in een prestatiebevorderend systeem? En is de werkgever verplicht hem over een niet gewerkte dag het vast overeengekomen loon te betalen? Dan wordt de gemiddelde prestatietoeslag over de in die loonperiode gewerkte dagen meegenomen in het vast overeengekomen loon per niet gewerkte dag. Heeft de werknemer de hele betalingsperiode niet gewerkt? Dan geldt de gemiddelde prestatietoeslag over de voorgaande betalingsperiode als maatstaf.

10.14 Cao BTER Bouw & Infra

10.14.1 Opleidings- en Ontwikkelingsfonds en Aanvullingsfonds Bouw & Infra
  • Er is een cao BTER Bouw & Infra. De cao BTER Bouw & Infra is een verlengstuk van de cao Bouw & Infra.

  • In die cao staan regels voor de uitvoering van de regelingen van het Opleidings- en Ontwikkelingsfonds Bouw & Infra en het Aanvullingsfonds Bouw & Infra.

BIJLAGE 1. FUNCTIE-INDELING

BIJLAGE 1.1 BOUWPLAATSWERKNEMERS: FUNCTIELIJST

De indeling van functies in de groepen A tot en met E is gebaseerd op functie-eisen met betrekking tot opleiding, ervaring, veiligheid en gezondheid, belastende fysieke arbeidsomstandigheden, leiding geven en de mate waarin zelfstandig beslissingen genomen moeten worden. Bij het aangaan van een dienstverband dienen werkgever en werknemer gezamenlijk na te gaan wat de aard van de te verrichten werkzaamheden zal zijn. Aan de hand van deze analyse wordt de werknemer ingedeeld in de juiste functie, en de daarbij behorende functiegroep vastgesteld. Wanneer een werknemer een functie vervult die niet in de functielijst voorkomt, kan cao-partijen worden verzocht uitspraak te doen inzake de indeling van deze werknemer. Zie 1.2.1 van de cao.

De vermelding van het Romeinse cijfer I, II of III achter de functienaam heeft betrekking op het niveau van de functie in de desbetreffende functiefamilie. Tot een functiefamilie behoren functies uit eenzelfde vakgebied.

De vermelding van het teken * achter de functienaam betekent dat voor de desbetreffende functie een intredekeuring verplicht is, zoals bedoeld in 1.1 van de cao.

De functielijst is in 1981 tot stand gekomen.

GROEP A

  • 1. Asfalteerder buisleidingen*

    Het aanbrengen van bekledingsmateriaal op buisverbindingen en armaturen alsmede het repareren van beschadiging aan bestaande bekledingen volgens de daarvoor geldende voorschriften.

  • 2. Assistent springmeester*

    Het onder verantwoordelijkheid en toezicht van de springmeester verrichten van alle voorkomende springwerkzaamheden. De werknemer die deze functie vervult, moet ten minste 18 jaar zijn en voldoende op de hoogte zijn van de gevaren die aan het werken met springstof en ontstekingsmiddelen zijn verbonden.

  • 3. Bakschipper*

    Het verrichten van alle werkzaamheden verband houdende met het varen op en verankeren van gesleepte bakken en dekschuiten.

  • 4. Bediener van een portaal- of loopkatkraan*

    Het door middel van knoppen op een bedieningspaneel bedienen van een eenvoudige portaal- of loopkatkraan.

  • 5. Bouwvakhelper*

    Het verrichten van eenvoudige werkzaamheden in de sectoren burger-, utiliteits-, grond-, water-, spoor- en wegenbouw, waarvoor geen speciale kennis is vereist.

Toelichting bij functie Bouwvakhelper

Onder de benaming Bouwvakhelper zijn de volgende functies welke in de voorgaande cao’s afzonderlijk in de functielijst waren opgenomen bijeengebracht, te weten:

Afkorter

Laboratoriumbediende

Afplakker

Lierdrijver

Afplakker asfalteerder

Machinehulp

Baggeraar

Machineman

Bediende algemene dienst

Magazijnbediende II

Betonafwerker II

Molenhulp Betonboorder/-zager

Betonwerker-opperman

Olie-cementspuiter

Bouwvakhelper

Olieman

Bouwvaksjouwer

Opruimer

Corveeër

Palentransporteur

Elementenstapelaar

Schijfschuurder

Elementenwerker

Sjouwer

Grondwerker

Sjouwerman

Grondwerker-stortarbeider

Smalspoorlegger

Handlanger

Specialist-rachelaar

Helper

Specialist-vloerder

Hulparbeider

Spoorwerker

Hulparbeider bij de betonmolen

Steenbikker

Hulpheier

Stelleur-aluminiumgevels

Hulpkabelwerker

Stoker II

Hulpmolenbaas

Transportarbeider

Hulpmonteur-systeembouw

Transportwerker

Hulpopsluiter

Voegwerker

Hulpriool- en drainagewerker

Wegenbouwhelper

Hulpstraler

IJzervlechter

Hulpvlechter

Zandpalenwerker

Hulpijzervlechter

 

Klipsenman

 

Koppensneller

 
  • 6. Buisleidingenlegger III*

    Het onder leiding van de buisleidingenlegger I verrichten van werkzaamheden verband houdend met het leggen, verbinden en repareren van ondergrondse buisleidingen.

  • 7. Heier II*

    Het behulpzaam zijn bij het opstellen, verplaatsen, bedrijfsklaar houden, strijken en vervoeren van de stelling alsmede het behulpzaam zijn bij het verrichten van diverse werkzaamheden bij en onder de heistelling.

  • 8. Kabelwerker*

    Het verrichten van alle werkzaamheden verbonden aan het leggen en afdichten van kabels of het aanbrengen van bovengrondse kabels.

  • 9. Leerling machinist hei-installatie of funderingsinstallatie*

    Het behulpzaam zijn bij werkzaamheden van de machinist van een hei-installatie of funderingsinstallatie zoals bijvoorbeeld schroef- en boorpalenstelling, groutankermachine enzovoorts.

  • 10. Magazijnbediende*

    Het beheren van een eenvoudig magazijn op een object of het behulpzaam zijn van de magazijnmeester met het opbergen en uitgeven van magazijnartikelen, het verrichten van eenvoudige reparaties aan gereedschappen.

  • 11. Monteur bronbemalingsinstallaties III*

    Het onder leiding van de monteur bronbemalingsinstallaties I installeren en na gebruik wederom verwijderen van bronbemalingsinstallaties en het verrichten van hiervoor noodzakelijke bijkomende werkzaamheden.

  • 12. Sondeerassistent II*

    Het assisteren bij het opstellen en bedienen van apparatuur voor het uitvoeren van technisch bodemonderzoek.

  • 13. Vorkheftruckbestuurder*

    Het bedienen van een vorkheftruck en het verrichten van het dagelijks onderhoud daaraan.

  • 14. Wegmarkeerder III*

    Het verrichten van eenvoudige hulpwerkzaamheden, waarvoor geen speciale kennis vereist is, rond het aanbrengen van alle voorkomende markeringswerkzaamheden.

GROEP B

  • 15. Asfaltafwerker*

    Het verrichten van alle werkzaamheden bij het lossen, spreiden en profileren van asfaltspecie bij de aanleg van verhardingen ten behoeve van wegen, taluds en dijken en de goede afwerking daarvan. Hiervoor is minimaal drie jaar ervaring vereist.

  • 16. Assistent bankwerker lasser*

    Het verrichten van las- en/of bank- en/of smeedwerkzaamheden alsmede het assisteren bij constructiewerkzaamheden.

  • 17. Bediener van een betonmenginstallatie*

    Het mengen van grondstoffen voor de diverse betonsamenstellingen in de juiste verhoudingen met behulp van eenvoudig te transporteren betonmenginstallatie en het verrichten van het dagelijks onderhoud daaraan.

  • 18. Betonboorder III*

    Het onder begeleiding verrichten van bij het betonboren en sleuvenzagen voorkomende eenvoudige werkzaamheden met standaard boorlengtes.

  • 19. Betonwerker II*

    Het verrichten van alle voorkomende werkzaamheden bij de fabricage van betonelementen, het afwerken van betonconstructies inclusief het aanbrengen van slijtlagen, alsmede het verrichten van technisch niet ingewikkelde reparaties aan deze constructies en elementen.

  • 20. Boorassistent*

    Het assisteren bij het bedienen van boorinstallaties voor het uitvoeren van grondboringen en het maken van pompputten dan wel het bedienen van boorinstallaties voor het uitvoeren van technisch niet ingewikkelde grondboringen en pompputten.

  • 21. Buisleidingenlegger II*

    Het verrichten van werkzaamheden verband houdende met het leggen en verbinden van hoofd- en dienstleidingen alsmede het verrichten van reparatie aan al of niet onder druk staande leidingen, een en ander met uitzondering van autogenisch en elektrisch laswerk.

  • 22. Buizensteller*

    Het op juiste hoogte, onderlinge afstand en in de juiste richting stellen van buizen.

  • 23. Chauffeur III*

    In het bezit van wettelijk rijbewijs. Het vervoeren van goederen en materieel met een auto of vrachtauto waarvan het ledig gewicht, vermeerderd met het laadvermogen niet meer bedraagt dan 7.500 kg. Werkt mee aan het laden en lossen en is verantwoordelijk voor een juiste belading. Heft kleine storingen op en verricht het dagelijks onderhoud aan dit voertuig overeenkomstig de bedrijfsinstructies.

  • 24. Dakdekker II*

    Het volgens aanwijzingen zelfstandig uitvoeren van de meest voorkomende dakdekkerswerkzaamheden, ongeacht het soort bedekking.

  • 25. Palenboorder/Funderingswerker II*

    Het onder toezicht en conform aanwijzingen uitvoeren van werkzaamheden welke betrekking hebben op het boren en vullen van palen en op funderingstechnieken, anders dan heien. Hieronder begrepen werkzaamheden verband houdende met diepwanden, groutankers, grout-ankerpalen, verdichten en schroef- en boorpalen etcetera.

  • 26. Gevelbekleder lasser (aluminiumgevels)*

    Het verrichten van alle werkzaamheden verband houdende met de maatvoering en het uitrichten van al het aluminiumwerk in gevels en dergelijke.

  • 27. Grondwerker wegenbouw*

    Het verrichten van alle voorkomende grondwerkzaamheden, alsmede het afwerken van bermen, taluds en aardebanen, waarvoor minimaal twee jaar ervaring in de sector wegenbouw is vereist.

  • 28. Heier I*

    Het verrichten van onderhoud en controle op onderdelen in de top van de heistelling. Het opstellen van de stelling compleet met hei- of trilblok, het plaatsen van de heibuis, paal of damwand op de juiste plaats. Bij geheide in de grond gevormde palen, het vullen van de heibuis met betonspecie, het afhangen van de wapening en het gereed maken voor het trekken van de heibuis.

  • 29. Isoleerder*

    Het zelfstandig verrichten van isolatiewerkzaamheden aan bestaande gebouwen door het mechanisch inbrengen van vulstoffen in spouwmuren. Het onderhouden van de voor deze werkzaamheden benodigde apparatuur en gereedschappen.

  • 30. Kabellasser II*

    Het maken van diverse kabelverbindingen en het waterdicht maken van deze verbindingen.

  • 31. Kitter*

    Het in het werk aanbrengen van de juiste kitten en primers op diverse ondergronden.

  • 32. Kozijnmonteur*

    Het plaatsen, richten, vastzetten en afdichten van kozijnen in gevelelementen.

  • 33. Kraanbestuurder*

    Het zelfstandig verrichten van werkzaamheden verband houdende met het bedienen van een eenvoudige bouwkraan, waarvoor geen bewijs van deskundigheid of speciale vakkennis is vereist, alsmede het verrichten van onderhoudswerkzaamheden.

  • 34. Machinaal houtbewerker bouwplaats*

    Het verrichten van eenvoudige houtbewerkingen op de bouwplaats.

  • 35. Machinist eenvoudig bedienbaar materieel*

    Het verrichten van alle werkzaamheden verband houdende met het bedienen en het dagelijks onderhoud van motorisch aangedreven en/of voortbewogen eenvoudig bedienbaar materieel, waarvoor door opleiding en ervaring geen bijzondere vakopleiding vereist is, zoals eenvoudig bedienbare graafmachines, handtrilwalsen, smalspoorlocomotieven enzovoorts.

  • 36. Machinist ketelhuis*

    Het bedienen en bedrijfsklaar houden van de fabrieksketelhuisinstallatie en het verrichten van eenvoudige reparaties.

  • 37. Machinist verdichtingen*

    Het bedienen en onderhouden van de verdichtingsinstallatie en de daarbij behorende mobiele hijsinrichting.

  • 38. Malleninstallateur*

    Het monteren en demonteren van mallen met daarbij behorende werkzaamheden.

  • 39. Matroos motordrijver*

    Het assisteren bij het varen met sleepboten of andere door motorkracht voortbewogen schepen, voor zover deze vaartuigen een waterverplaatsing van meer dan 25 ton hebben; het smeren van motoren, lieren en pompen en het verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan genoemde vaartuigen zowel aan dek als in de machinekamer overeenkomstig de bedrijfsinstructies.

  • 40. Mechanisch stamper*

    Het op dichtheid stampen van opgevulde sleuven tot op de juiste hoogte met behulp van een mechanische stamper, alsmede het zelfstandig verrichten van het dagelijks onderhoud en het uitvoeren van kleine reparaties aan de stamper.

  • 41. Metselaar II*

    Het op aanwijzing van een vakman verrichten van eenvoudig schoon metselwerk. Het zelfstandig verrichten van vuil metselwerk, voeg- en raapwerk.

  • 42. Molenbaas*

    Het verrichten van alle werkzaamheden verbonden aan het installeren en bedienen van een betonmolen alsmede het dagelijks onderhoud.

  • 43. Monteur bronbemalingsinstallaties II*

    Het al dan niet aan de hand van tekeningen zelfstandig installeren van technisch niet ingewikkelde bronbemalingen.

  • 44. Opperman*

    Het verrichten van alle werkzaamheden verbonden aan het mengen van grondstoffen voor het verkrijgen van metselspecie in de juiste verhoudingen met behulp van een eenvoudig te transporteren en te bedienen metselspeciemenginstallatie en het verrichten van het dagelijks onderhoud daarvan. Het aanvoeren van metselspecie en stenen ten behoeve van metselwerkzaamheden op de bouwplaats. Het eventueel verlenen van hand- en spandiensten op de bouwplaats.

  • 45. Opperman bestratingen*

    Het verrichten van alle voorkomende werkzaamheden verband houdende met bestratingswerkzaamheden, zoals het grondwerk en het aanvoeren van stenen, blokken en trottoirbanden.

  • 46. Opperman-steigermaker*

    Het maken van normale steigers, het maken van specie en het zorgen voor de materiaalvoorziening ten behoeve van metselaars.

  • 47. Schilder II*

    Het verrichten van eenvoudige schilderswerkzaamheden en het verlenen van hulp bij de uitvoering van minder eenvoudige schilderswerkzaamheden of het ontroesten (bikken en grit-stralen), meniën, gronden en afschilderen van constructies, werktuigen en materieel.

  • 48. Sloper II*

    Het onder toezicht van sloper I verrichten van alle voorkomende sloopwerkzaamheden en het behulpzaam zijn bij het onderhouden van machines en gereedschappen.

  • 49. Sondeerassistent I*

    Het zelfstandig maken van technisch niet ingewikkelde sonderingen en proefboringen, alsmede het assisteren bij gecompliceerde sonderingen en proefboringen.

  • 50. Spanmonteur*

    Het verrichten van alle werkzaamheden verband houdende met het voor- en naspannen van kabels ten behoeve van betonconstructies.

  • 51. Spoorlegger-wisselbouwer II*

    Het onder leiding leggen, bouwen, opbreken en onderhouden van normaalspoor en wissels.

  • 52. Springmeester II*

    Het voorbereiden en met behulp van springstoffen uitvoeren van sloopwerk aan bouwwerken of delen daarvan alsmede het verzorgen van aanvoer, opslag, gebruik en afvoer van de voor deze springwerken geëigende materialen en apparatuur. Een en ander met inachtneming van de daarvoor geldende wettelijke voorschriften. Om deze functie te mogen vervullen moet de werknemer ten minste 21 jaar oud en in het bezit van het door de Arbeidsinspectie erkende basisdiploma springmeester zijn.

  • 53. Stelleur II*

    Het verrichten van alle voorkomende werkzaamheden bij het aanvoeren, stellen en monteren van elementen op de bouwplaats en het assisteren van de stelleur I.

  • 54. Straatmaker II*

    Het verrichten van alle voorkomende eenvoudige bestratingswerkzaamheden.

  • 55. Tegelzetter III*

    Het onder begeleiding verrichten van bij het tegelzetten voorkomende eenvoudige werkzaamheden.

  • 56. Timmerman II*

    Het aan de hand van tekeningen en op aanwijzingen van een vakman maken en stellen van de meest voorkomende bekistingen en verrichten van technisch niet ingewikkelde stel- en timmerwerkzaamheden.

  • 57. Transportwerker*

    Het verrichten van alle werkzaamheden verband houdende met het laden, lossen, opslaan en transporteren van elementen en materialen en de regeling daarvan.

  • 58. Voeger*

    Het met handgereedschap of mechanische hulpmiddelen verrichten van alle voorkomend voegwerk en de daarbij behorende werkzaamheden.

  • 59. Wegmarkeerder II*

    Het onder leiding van een wegmarkeerder I met behulp van mechanische hulpmiddelen aanbrengen van wegmarkeringen zoals verkeersstrepen en figuraties. Het behulpzaam zijn bij alle noodzakelijke werkzaamheden, zoals het uitzetten van markeringen, het plaatsen en in stand houden van wegafzettingen, het aanbrengen van verkeerspunaises en voorgevormde plakstrepen, het afstrooien met parels en/of krijt van wegmarkeringen.

  • 60. IJzervlechter II*

    Het verrichten van buig- en ijzervlechtwerkzaamheden en het behulpzaam zijn bij het in het werk brengen van het vlechtwerk.

GROEP C

  • 61. Betonboorder II*

    Het zelfstandig verrichten van bij het betonboren voorkomende werkzaamheden, met onbeperkte boorlengtes alsmede het zagen in vloeren en het plaatsen van ankers met standaard zettingsdieptes.

  • 62. Betonwerker I*

    Het zelfstandig verrichten van alle werkzaamheden verband houdende met het boren, zagen, injecteren dan wel repareren van beton, alsmede het bedienen en onderhouden van de voor deze werkzaamheden benodigde machines en gereedschappen.

  • 63. Betonspuiter*

    Het zelfstandig hanteren van hogedrukpistool, kruipslang/lans en dergelijke van een hogedrukinstallatie.

  • 64. Boormeester II*

    Het met behulp van boorinstallaties zelfstandig maken van grondboringen en het in samenhang met de doorboorde aardlagen afwerken hiervan tot pompput.

  • 65. Chauffeur II*

    In bezit van wettelijk rijbewijs en bewijs van vakbekwaamheid ingevolge Rijtijdenbesluit 1977 tenzij daarvoor dispensatie is verleend. Heeft minimaal 2 jaar ervaring. Voert normale transporten uit met behulp van alle soorten vrachtauto’s (inclusief vrachtautocombinaties en dergelijke). Werkt mee aan het laden, lossen en is verantwoordelijk voor de belading. Heft kleine storingen op en verricht het dagelijks onderhoud aan de vrachtauto, overeenkomstig de bedrijfsinstructies.

  • 66. Dakdekker I*

    Het zelfstandig verrichten van alle bij het dakdekken voorkomende werkzaamheden en zonodig geven van instructies aan dakdekker II.

  • 67. Elektromonteur II*

    Het assisteren bij of onder toezicht verrichten van werkzaamheden ten behoeve van de aanleg, het onderhoud en het herstel van elektrische geleidingen, alsmede het opheffen van eenvoudig te lokaliseren storingen aan elektrische apparatuur.

  • 68. Kabellasser I*

    Het zelfstandig verrichten van alle werkzaamheden, verband houdende met het maken van kabelverbindingen, zoals het monteren en ombouwen van aansluitingen voor hoog- en laagspanning, telefoon en centrale antenne-inrichtingen. Hiervoor is op basis van opleiding en/of ervaring een bijzondere vakbekwaamheid vereist.

  • 69. Lasser buisleidingen*

    Het verrichten van alle voorkomende laswerkzaamheden aan buisleidingen, zowel boven als ondergronds.

  • 70. Machinaal metaalbewerker II*

    Het op aanwijzing, zonodig volgens tekening vervaardigen van machineonderdelen met behulp van metaalbewerkingsmachines (zoals draaibank, freesmachine, sterkarmschaafbank, radiaalboormachine) enzovoorts.

  • 71. Machinemonteur II*

    Het opheffen van eenvoudig te lokaliseren storingen bij de in het bouwbedrijf in gebruik zijnde machines en/of voertuigen en het assisteren en onder toezicht verrichten van reparatie- en revisiewerkzaamheden daaraan.

  • 72. Machinist kleine hei-installatie of funderingsinstallatie*

    Het verrichten van alle werkzaamheden verband houdende met het bedienen en dagelijks onderhouden van kleine hei-installaties niet werkend met een valblok, waarvan de capaciteit niet meer bedraagt dan 35 kNm (3,50 tonmeter), of het verrichten van alle werkzaamheden verband houdende met het dagelijks bedienen en onderhouden van kleine funderingsinstallaties zoals bijvoorbeeld schroef- en boorpalenstelling, groutankermachine, enzovoorts.

  • 73. Machinist kettingsleuvengraafmachine*

    Het op juiste diepte en in de juiste richting machinaal graven van sleuven voor kabels en buizen, alsmede het zelfstandig verrichten van dagelijks onderhoud en het uitvoeren van kleine reparaties aan de sleuvengraver.

  • 74. Monteur steigers II*

    Met inachtneming van de geldende veiligheidsvoorschriften en bedrijfsinstructies, het aan de hand van tekeningen of volgens aanwijzingen zelfstandig uitvoeren van een technisch niet ingewikkelde steigerconstructie, alsmede het onder leiding uitvoeren van alle soorten steiger- en ondersteuningsconstructies op iedere voorkomende hoogte (zie bijlage 1.2).

  • 75. Palenboorder/Funderingswerker I*

    Het verrichten van alle werkzaamheden verband houdende met het boren en vullen van palen en met funderingstechnieken.

  • 76. Remmingwerker*

    Het maken, afwerken en repareren van remmingwerken.

  • 77. Rijswerker*

    Het verrichten van alle voorkomende werkzaamheden voor het maken van rijsbeslag en zinkwerken.

  • 78. Sloper I*

    Het verrichten van alle voorkomende sloopwerkzaamheden met inbegrip van het zagen, boren en branden en het onderhouden van de voor deze werkzaamheden benodigde machines en gereedschappen.

  • 79. Sondeermeester II*

    Het zelfstandig maken van sonderingen en de proefboringen en het vastleggen van de verzamelde gegevens.

  • 80. Spoorlegger-wisselbouwer I*

    Het zelfstandig leggen, vernieuwen, opbreken, onderhouden en repareren van sporen en wissels.

  • 81. Stelleur I*

    Het stellen en monteren van elementen op de bouwplaats, het zorgen voor de juiste maatvoering en het geven van aanwijzingen aan assistenten.

  • 82. Stortbaas (natte stort)*

    Het meewerken aan alle werkzaamheden welke voorkomen op het natte stort en het houden van toezicht op de werknemers die hem daarbij assisteren, alsmede het aflezen van de hoogte van het stort met behulp van een waterpastoestel.

  • 83. Tegelzetter II*

    Het zelfstandig verrichten van alle bij het tegelzetten voorkomende standaardwerkzaamheden.

  • 84. Vakman GWW*

    Het in de sector grond-, water-, spoor- en wegenbouw verrichten van minder eenvoudige werkzaamheden zoals: aan de hand van tekeningen of op aanwijzing uitzetten naar richting en hoogte van onder andere rioleringen, verhardingen en grondwerken; inritsen, afwerken en bekleden van taluds; leggen van rioolbuizen en het stellen van duikerelementen; zelfstandig repareren van wegen; op juiste diepte en afschot brengen van sleufbodems; dichten van sleuven; stellen van stalen bekistingsrails; snoeien van bomen; bedienen van hulpwerktuigen en het verrichten van kleine reparaties daaraan.

  • 85. Wegmarkeerder I*

    Het zelfstandig – zonodig aan de hand van tekeningen – uitzetten en met behulp van mechanische hulpmiddelen aanbrengen van wegmarkeringen zoals verkeersstrepen en figuraties. Het treffen van alle noodzakelijke verkeersmaatregelen. Het verrichten van onderhoudswerk en het verhelpen van kleine storingen aan de mechanische hulpmiddelen. Het geven van leiding aan de bij de werkzaamheden betrokken werknemers en het bijhouden van de werkadministratie (productieopnamen en dergelijke).

GROEP D

  • 86. All-round lasser buisleidingen*

    Het zelfstandig verrichten van alle laswerkzaamheden onder strenge keur aan hogedrukleidingen zowel boven- als ondergronds.

  • 87. Balkman*

    Het bedienen van de verwarmde strijkbalk op een asfaltafwerkmachine bij het spreiden, profileren en afwerken van asfalt. Het in voorkomende gevallen vervangen van de machinist groot materieel. Voor deze functie is op basis van opleiding en/of ervaring een bijzondere vakbekwaamheid vereist.

  • 88. Bankwerker/lasser*

    Het zelfstandig verrichten – zonodig aan de hand van tekeningen – van alle voorkomende las- en/of bank- en/of constructiewerkzaamheden.

  • 89. Betonboorder specialist I*

    Het zelfstandig verrichten van bij het betonboren voorkomende werkzaamheden, met onbeperkte boorlengtes en diameters alsmede het zagen in vloeren en wanden en het plaatsen van ankers met alle zettingsdieptes.

  • 90. Boormeester I*

    Het met behulp van boorinstallaties zelfstandig maken van grondboringen, volgens meerdere gebruikelijke boorsystemen al of niet met toepassing van boorspoelingen en het in samenhang met de doorboorde aardlagen afwerken hiervan tot pompput.

  • 91. Boormeester palen*

    Het volgens tekening en/of aanwijzing verrichten van alle voorkomende werkzaamheden, zoals het construeren en aanbrengen van de verankering en belasting, het opstellen en bedienen van de vijzel(s), het uitpulsen van de paalkoker, het slaan van de betonnen voet en het vullen van de paal met betonspecie.

  • 92. Buisleidingenlegger I*

    Het zelfstandig verrichten van alle werkzaamheden verband houdende met leggen, verbinden en repareren van leidingen (uitgezonderd laswerk), waarbij tevens leiding wordt gegeven aan andere daarbij betrokken werknemers en de bijbehorende administratie wordt verricht.

  • 93. Chauffeur I*

    In het bezit van wettelijk rijbewijs en bewijs van vakbekwaamheid ingevolge Rijtijdenbesluit 1977 tenzij daarvoor dispensatie is verleend. Heeft minimaal 5 jaar ervaring overeenkomend met de functie van chauffeur. Voert met alle soorten vrachtauto’s (inclusief vrachtautocombinaties en dergelijke) speciale transporten uit zoals van groot materieel/materiaal, van verontreinigde grond en andere vracht, alsmede zonodig normale transporten. Werkt mee aan het laden en lossen en is verantwoordelijk voor de lading. Heft kleine storingen op en verricht het dagelijks onderhoud aan de vrachtauto, overeenkomstig de bedrijfsinstructies.

  • 94. Dakloodgieter*

    Het zelfstandig verrichten van alle bij het dakdekken voorkomende loodgieterswerkzaamheden, waaronder het aanbrengen van zinken daken en goten en HWA-afvoeren.

  • 95. Elektromonteur I*

    In het bezit van het diploma sterkstroom uitgereikt door VEV. Het zelfstandig aan de hand van schema’s en/of tekeningen installeren, onderhouden en repareren van elektrische installaties en apparaten.

  • 96. Machinist Torenkranen*

    Het zelfstandig verrichten van werkzaamheden verband houdende met het bedienen van een bouwkraan, alsmede het opsporen en opheffen van storingen, het verrichten van onderhoudswerkzaamheden en eenvoudige reparaties, overeenkomstig de bedrijfsinstructies. Het wettelijk voorgeschreven bewijs van deskundigheid is vereist.

  • 97. Machinaal metaalbewerker I*

    Het zelfstandig, eventueel volgens tekening, vervaardigen van machine-onderdelen of constructies met behulp van de gebruikelijke metaalbewerkingsmachines. Zonodig het reviseren/repareren van machines of repareren van constructies.

  • 98. Machinemonteur I*

    Het opsporen en opheffen van alle voorkomende storingen bij de in het bouwbedrijf in gebruik zijnde machines en/of voertuigen alsmede het verrichten van reparatie- en revisiewerkzaamheden daaraan. Geeft in voorkomende gevallen leiding aan de werkzaamheden van de machinemonteur II.

  • 99. Machinist wegenbouw-, grondverzet-, graaf- en spoorwegbouwmachines*

    Het zelfstandig verrichten van alle werkzaamheden verband houdende met het bedienen en dagelijks onderhoud van wegenbouw-, grondverzet-, graaf- en spoorwegbouwmachines waarvoor op basis van opleiding en/of ervaring een bijzondere vakbekwaamheid is vereist. Ook het verrichten van sloop en/of opruimwerkzaamheden met behulp van deze machines valt hieronder.

  • 100. Machinist mobiele hei-installatie of funderinginstallatie*

    Het zelfstandig verrichten van alle werkzaamheden verband houdende met het bedienen en onderhouden van hei-installaties, niet werkende met een valblok, of funderingsinstallaties (zoals bijvoorbeeld schroefpalen- en boorpalenstelling, enzovoorts) waarvoor op basis van opleiding en/of ervaring een bijzondere vakbekwaamheid is vereist.

    NB: Indien tevens gefungeerd wordt als heibaas, dan is de beloning conform die van de heibaas.

  • 101. Machinist mobiele kraan*

    Het zelfstandig verrichten van alle werkzaamheden verband houdende met het bedienen en onderhouden van een mobiele kraan. Hiervoor is op basis van opleiding en/of ervaring een bijzondere vakbekwaamheid vereist. Het lokaliseren van storingen en het verrichten van kleine reparaties aan de machine zelf, de motor en de hydraulische pneumatische en elektrische systemen overeenkomstig de bedrijfsinstructie. Het in alle situaties kunnen beoordelen van de juiste en veilige opstelling van de kraan. Het rijden met de kraan over de openbare weg.

  • 102. Menger*

    Het zelfstandig verrichten van alle technische en toezichthoudende werkzaamheden verband houdende met het bedienen van een menginstallatie van een betoncentrale of asfaltcentrale.

  • 103. Metselaar I*

    Het zelfstandig verrichten en repareren van alle soorten metselwerk, voegwerk en eenvoudig raapwerk; het leggen of herstellen van rioleringen alsmede herstellen of vernieuwen van tegelvloeren, wanden of pannendaken.

  • 104. Modelmaker/mallenbouwer*

    Het aan de hand van tekeningen zelfstandig verrichten van alle voorkomende werkzaamheden verbonden aan de nieuw- en verbouw, onderhoud en reparatie, van mallen respectievelijk maltafels en/of lijsten ten behoeve van de fabrieksmatige productie van elementen voor de industriële bouw. De betrokken werknemer is daarbij verantwoordelijk voor een exacte maatvoering.

  • 105. Monteur bronbemalingsinstallaties I*

    Het zelfstandig installeren en boren van alle voorkomende bronbemalingen, alsmede het leidinggeven aan andere daarbij betrokken werknemers en het verrichten van administratieve werkzaamheden.

  • 106. Monteur steigers I*

    Met inachtneming van de geldende veiligheidsvoorschriften en bedrijfsinstructies, het aan de hand van tekeningen of volgens aanwijzingen zelfstandig maken van alle voorkomende steiger- en ondersteuningsconstructies op iedere voorkomende hoogte, alsmede het leidinggeven aan ten hoogste 3 monteurs steigers II (zie bijlage 1.2).

  • 107. Ovenbouwer*

    Het metselen van of het verrichten van reparaties aan industrie- en andere ovens, alsmede het uitmetselen van industrieschoorstenen en ketelaanlagen.

  • 108. Schilder I*

    Het verrichten van alle voorkomende schilderswerkzaamheden, decoratieschilderen en letterzetten, waarbij eventueel mechanische hulpmiddelen kunnen worden gebruikt.

  • 109. Schipper*

    Het varen met een door motorkracht voortgedreven schip of sleepboot met een waterverplaatsing van meer dan 25 ton. Houdt toezicht op en draagt zorg voor de juiste belading en heeft kennis van de vaarreglementen.

  • 110. Sondeermeester I*

    Het zelfstandig verrichten van technisch bodemonderzoek met behulp van alle voorkomende apparatuur, alsmede het inmeten en waterpassen van sondeer- en boorlocaties.

  • 111. Springmeester I*

    Het zelfstandig voorbereiden en verrichten van sloopwerk met behulp van springstoffen aan bouwwerken. Het verzorgen van aanvoer, opslag, gebruik en afvoer van de hiervoor benodigde materialen en apparatuur. Dient op de hoogte te zijn van de hiervoor geldende wettelijke voorschriften en dient deze in acht te nemen. Voor deze functie is het bezit van het diploma springmeester met aantekening ‘Gebouwen en hoge bouwwerken’ en ‘onder water’ vereist en geldt een minimum leeftijd van 21 jaar.

  • 112. Steenzetter*

    Het volgens voorschriften verrichten van alle voorkomende steenzetterswerkzaamheden.

  • 113. Straatmaker I*

    Het zelfstandig verrichten van alle voorkomende bestratingswerkzaamheden. Voor deze functie is op basis van opleiding en/of ervaring een bijzondere vakbekwaamheid vereist.

  • 114. Tegelzetter I*

    Het zelfstandig verrichten van alle bij het tegelzetten voorkomende specialistische werkzaamheden.

  • 115. Timmerman I*

    Het aan de hand van tekeningen zelfstandig maken en stellen van alle voorkomende bekistingen en het zelfstandig verrichten van alle voorkomende stel- en timmerwerkzaamheden zowel in de nieuwbouw, vernieuwings-, als onderhoudssector.

  • 116. Werkplaatstimmerman*

    Het in een timmerwerkplaats aan de hand van tekeningen zelfstandig verrichten van alle voorkomende werkzaamheden met of zonder machines.

  • 117. IJzervlechter I*

    Het aan de hand van tekeningen zelfstandig verrichten van alle voorkomende buig-, knip- en vlechtwerkzaamheden, maatvoering en het maken van buigstaten.

GROEP E

  • 118. Funderingsspecialist

    Medewerker belast met de dagelijkse leiding van werkzaamheden op het gebied van alle typen funderingen, anders dan heien, hetzij op een klein object of onderdeel van een groot object. Verantwoordelijk voor de juiste uitvoering van het werk overeenkomstig aanwijzingen en/of voorschriften en/of tekeningen of andere gegevens en voor juist gebruik en dagelijks onderhoud van voor de toe te passen techniek geëigend materieel. Houdt werkadministratie bij en onderhoudt werkcontacten met opdrachtgevers en eigen bedrijfsleiding.

  • 119. Heibaas*

    Werkt mee en geeft leiding aan een ploeg belast met heiwerk of het aanbrengen van in de grond gevormde palen. Het opstellen en verplaatsen, strijken en vervoeren van de stelling. Deze werkzaamheden kunnen worden uitgevoerd met heistelling met trilblok, mechanische heiblokinstallatie (met trekhamer of mechanisch trekblok) of drijvende hei-installaties met een capaciteit boven 500 k p/m.

  • 120. Hoofdboormeester diepboringen*

    Het met behulp van boorinstallaties zelfstandig maken van grondboringen naar grote diepte, volgens gebruikelijke boorsystemen en het afwerken van de doorboorde aardlagen tot pompput. Voor deze functie is op basis van opleiding en/of ervaring een bijzondere vakbekwaamheid vereist.

  • 121. Machinemonteur specialist*

    Het zelfstandig opsporen en opheffen van alle voorkomende storingen bij de in het bouwbedrijf in gebruik zijnde machines en/of voertuigen, alsmede het zelfstandig verrichten van reparatie- en revisiewerkzaamheden daaraan. Eventueel toezicht houden op, of leiding geven aan werkzaamheden van machinemonteur I en/of machinemonteur II. Voor deze functie is het bezit van het diploma ‘machinemonteur GWSW’ verplicht.

  • 122. Machinist met diploma*

    De in functiegroep D onder de functienummers 96, 99, 100 en 101 genoemde machinisten welke in het bezit zijn van het diploma machinist SBW (Stichting Beroepsopleidingen Weg- en waterbouw) respectievelijk het diploma Bouwradius of het diploma Middelbaar Technische Machinistenschool (SOMA).

BIJLAGE 1.2 BOUWPLAATSWERKNEMERS STEIGERBOUW: FUNCTIELIJST

Onderstaande functieomschrijvingen voor werknemers werkzaam in de steigerbouw zijn tot stand gekomen in 2000.

Voor de met * gemerkte functies geldt de verplichte intredekeuring. Zie 1.1 van deze cao.

GROEP A

  • 1. Hulpsteigerbouwer*

    Het verrichten van eenvoudige (transport)werkzaamheden ter ondersteuning van de montage van steigers. Hiervoor is geen speciale kennis vereist.

GROEP B

  • 2. Monteur steigers III*

    Het construeren van normale steigers. Om deze functie te mogen vervullen is het wenselijk dat de werknemer in het bezit is van het Certificaat A steigerbouw.

GROEP C

  • 3. Monteur steigers II*

    Met inachtneming van de geldende veiligheidsvoorschriften en bedrijfsinstructies, het aan de hand van tekeningen of volgens aanwijzingen zelfstandig uitvoeren van een technisch niet ingewikkelde steigerconstructie, alsmede het onder leiding uitvoeren van alle soorten steiger- en ondersteuningsconstructies op elke voorkomende hoogte. Om deze functie te mogen vervullen moet de werknemer ten minste 1 jaar ervaring hebben. De hulpsteigerbouwer, de opperman-steigermaker en de monteurs steigers II zijn verantwoordelijk en bevoegd tot:

    • veilig werken, gebruik maken van de van toepassing zijnde persoonlijke beschermingsmiddelen en milieubewust werken;

    • werken volgens de procedures en instructies;

    • melding van tekortkomingen, gevaren (onveilige situaties), bijna-ongevallen en ongevallen aan de directe leidinggevende;

    • actief meewerken aan verbeteringen op alle gebied;

    • meewerken aan goed overleg.

GROEP D

  • 4. Monteur steigers I*

    Met inachtneming van de geldende veiligheidsvoorschriften en bedrijfsinstructies, het aan de hand van tekeningen of volgens aanwijzingen zelfstandig maken van alle voorkomende steiger- en ondersteuningsconstructies op iedere voorkomende hoogte, alsmede het leidinggeven aan ten hoogste drie monteurs steigers II. Het leiding geven dient een structureel karakter te hebben. Om deze functie te mogen vervullen moet de werknemer in het bezit zijn van het Certificaat B steigerbouw. De monteur steigers I is in nauwe samenwerking met de voorman verantwoordelijk voor en bevoegd tot:

    • het in ontvangst nemen van de mondelinge en schriftelijke instructies van de voorman;

    • bespreken van het werk met de ter beschikking gestelde eigen en ingeleende medewerkers, inclusief de veiligheidsaspecten daarbij;

    • het verzorgen van de benodigde materialen en werkinstructies;

    • het melden van afwijkingen en tekortkomingen aan de voorman en de uitvoering van passende corrigerende maatregelen, met inbegrip van het, in voorkomend geval, informeren van de veiligheidskundige;

    • het, in overleg met de voorman, treffen van preventieve maatregelen teneinde afwijkingen of tekortkomingen in de toekomst te voorkomen;

    • het, in overleg met de voorman uitvoeren van ontvangst- en eindcontroles met registratie van resultaten;

    • uitvoeren van de eindinspecties, met registratie van de resultaten en aftekenen door klant;

    • het melden van klachten van klanten aan de voorman, alsmede het verzorgen van een snelle correctie van eventuele tekortkomingen;

    • het voeren van de uren- en steigerregistratie;

    • actief meewerken aan het uitvoeren van werkoverleg;

    • het ter beschikking stellen van de nodige persoonlijke beschermingsmiddelen.

GROEP E

  • 5. Voorman

    De voorman is verantwoordelijk voor en bevoegd tot het op de toegewezen werklocaties ondersteunen van de projectleider in alle voorkomende zaken. Indien er geen projectleider is aangesteld, dan verricht hij zelfstandig de taken. Hij rapporteert aan de projectleider of rechtstreeks aan de operations manager. De werknemer dient tien jaar werkervaring te hebben opgedaan alvorens hij/zij de functie van voorman mag vervullen. De voorman is in overleg met de projectleider of zelfstandig verantwoordelijk voor en bevoegd tot:

    • het in ontvangst nemen van de projectgevers van toegewezen steigerwerken, planningen en mondelinge instructies en het controleren van deze gegevens op volledigheid en ondubbelzinnigheid;

    • het zekerstellen dat ter beschikking gestelde, eigen en ingeleende medewerkers adequaat zijn opgeleid voor hun taak, inclusief de veiligheidsaspecten daarbij;

    • het verzorgen van passende werkinstructies op de werkplek;

    • het registreren van afwijkingen en tekortkomingen en de uitvoering van passende corrigerende maatregelen, met inbegrip van het, in voorkomend geval, informeren van de veiligheidskundige;

    • het treffen van preventieve maatregelen teneinde afwijkingen en tekortkomingen in de toekomst te voorkomen;

    • het uitvoeren van ontvangst- en eindcontroles met registratie van resultaten;

    • het opleveren van het steigerwerk aan de klant na uitvoering van de eindinspecties, met registratie van de resultaten en aftekenen door de klant;

    • het registreren van klachten van klanten, alsmede het verzorgen van een snelle correctie van eventuele tekortkomingen;

    • uitvoeren van werkoverleg conform de gestelde eisen en frequentie;

    • het beheer van de orderadministratie op de werklocatie;

    • het voeren van de uren- en steigerregistratie;

    • het ter beschikking stellen van de benodigde persoonlijke beschermingsmiddelen.

BIJLAGE 1.3 UTA-WERKNEMERS: FUNCTIESTRUCTUUR

Gebruiksinstructies

Stap 1: Ga na welke de belangrijkste werkzaamheden zijn die regelmatig in de functie voorkomen.

Stap 2: Kies voor de in te delen functie de overeenkomstige ladder.

Stap 3: Lees deze ladder helemaal door.

Stap 4: Zoek in deze ladder het niveau dat het meest met de in te delen functie overeenkomt.

Stap 5: Stel vast dat de karakteristiek op de hogere trede ook duidelijk hoger en die op de lagere trede ook duidelijk lager is dan het niveau van de desbetreffende functie.

  • NB 1: Lukken stappen 4 en 5 niet, ga dan na of er sprake is van een combinatiefunctie. Splits deze dan op en volg de stappen 4 en 5 voor de afzonderlijke delen. In zo’n geval geldt de hoogste trede als het niveau van de functie, mits de werkzaamheden op dit hoogste niveau voor meer dan 20% van de tijd worden uitgeoefend.

  • NB 2: Voor medewerkers in opleiding wordt geen apart functieniveau onderscheiden. Deze medewerkers worden tijdelijk één trede lager ingedeeld dan de functie waarvoor zij in opleiding zijn.

Stap 6: Ken een salaris toe dat past binnen de aangegeven grenzen.

Stap 7: Deel uw beslissing mee aan medewerker en PZ-medewerker en het middenkader.

Nadere toelichting

In de ladders worden diverse aanduidingen gebruikt om de omvang van de onderneming of de projecten die zij uitvoert, aan te geven. Deze omvang is een indicatie voor de wijze waarop leiding wordt gegeven, respectievelijk waarop beheer plaatsvindt. Het komt dus niet aan op een tiental medewerkers meer of minder, hetgeen ook bij het gebruik van de ladders zal blijken.

Er worden drie bedrijfsgrootten onderscheiden.

  • Klein bedrijf: onderneming of werkmaatschappij met niet meer dan 25 medewerkers op de werken.

  • Middelgroot bedrijf: onderneming of werkmaatschappij met tussen de 25 en 100 medewerkers op de werken, dan wel een concern met één of meer werkmaatschappijen van deze omvang.

  • Groot bedrijf: concern met doorgaans meer dan één werkmaatschappij, waarvan één of meer werkmaatschappijen méér dan 100 medewerkers op de werken hebben.

Met het aantal ‘medewerkers op de werken’ wordt bedoeld de gemiddelde bezetting van de uitvoering over het jaar, inclusief de personeelsleden van derden, zoals vakonderaannemers, installateurs e.a.

Er worden vier projectgrootten onderscheiden.

  • Kleine (wegen)bouwprojecten: circa 10 medewerkers op het project.

  • Middelgrote (wegen)bouwprojecten: circa 20 medewerkers op het project.

  • Grote woningbouw-, wegenbouw- of middelgrote utiliteitsbouwprojecten: tussen de 20 en 100 medewerkers op het project.

  • Grote utiliteitsbouwprojecten: meer dan 100 medewerkers op het project.

Met ‘kosten onder de streep’ en ‘staartposten’ wordt in ladder 4 (Calculatie) bedoeld: alle indirecte kosten, bijvoorbeeld kosten verbonden aan de inrichting van het bouwterrein, gebruik van bouwkranen, uitvoerings- en stafpersoneel op de bouwplaats, reservering voor risico’s, winst en andere commerciële kosten, alsmede de algemene kosten die betrekking hebben op centrale diensten en het kantoor.

De niveaus in de ladders zijn gebaseerd op het functiewaarderingssysteem USF’78 van Berenschot.

De vermelding van het teken * achter de functienaam betekent dat voor de desbetreffende functie een intredekeuring verplicht is. Zie 1.1 van deze cao.

Functieniveaumatrix

In de functieniveaumatrix zijn de functieladders en de niveaus die per ladder bestaan aangegeven.

functieladders

functieniveau

 

1

2

3

4

5

6

1. Uitvoering*

   

2. Bedrijfsbureau