Beleidsregel van de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat van 6 juli 2022, nr. DGKE-PDG/ 22285713, betreffende de vergoeding van meerkosten van aardbevingsbestendig bouwen in Groningen 2022

De Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat,

Gelet op artikel 52g, derde lid, van de Mijnbouwwet en artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht;

Besluit:

Artikel 1. Begripsomschrijvingen

In deze beleidsregel wordt verstaan onder:

aardbevingsbelasting:

belasting op een gebouw door een aardbeving als bedoeld in NPR 9998;

basisontwerp:

ontwerp van een gebouw dat binnen een bouwproject één of meerdere malen, eventueel met kleine niet-constructieve variaties, wordt gebouwd en waarvan de berekeningen of het voldoet aan de veiligheidsnorm ook wanneer het meerdere keren wordt gebouwd éénmaal volledig hoeven te worden gemaakt;

gebouw:

gebouw als bedoeld in artikel 1 van de Woningwet;

grondgebonden woning:

een gebouw met een woonfunctie dat geheel of gedeeltelijk voor permanente bewoning is ontworpen en gebouwd, en waarvan de constructie bestendig met de grond verbonden is;

Minister:

Minister van Economische Zaken en Klimaat;

NPR 9998:

praktijkrichtlijn NPR 9998 uitgave NPR 9998:2020, van de Stichting Koninklijk Nederlands Normalisatie Instituut;

NPR-webtool:

webtool die behoort bij NPR 9998, versie 6;

piekgrondversnelling:

amplitude van de grootste absolute versnelling geregistreerd op een locatie tijdens een aardbeving op maaiveldniveau;

projectonderdeel met gelijke piekgrondversnelling:

onderdeel van een bouwproject dat ziet op de bouw van één of meerdere gebouwen door één partij op één locatie met dezelfde piekgrondversnelling en dezelfde voor de NPR 9998 relevante grondomstandigheden;

veiligheidsnorm:

veiligheidsnorm, bedoeld in artikel 1.3a.3, eerste lid, van de Mijnbouwregeling;

versterkingsprogramma:

bouwkundig versterkingsprogramma als gevolg van de gaswinning in het Groningenveld;

windbelasting:

belasting op een gebouw door de wind zoals bedoeld in NEN-EN 1991-1-4+A1+C2/2011 en NEN-EN 1991-1-4+A1+C2:2011/NB:2019.

Artikel 2. Toepassingsbereik

  • 1. Deze beleidsregel is van toepassing op nieuw te bouwen gebouwen, waaronder begrepen een constructief zelfstandige uitbouw of aanbouw van een bestaand gebouw.

  • 2. Deze beleidsregel is niet van toepassing op:

    • a. nieuw te bouwen gebouwen waarop de Beleidsregel vergoeding kosten aardbevingsbestendige industrie Groningen van toepassing is;

    • b. nieuw te bouwen gebouwen die dienen ter vervanging van gebouwen die in het versterkingsprogramma zijn opgenomen en waarvoor de eigenaar middelen heeft ontvangen of nog zal ontvangen van de Minister om het gebouw te laten voldoen aan de veiligheidsnorm; en

    • c. verbouw van bestaande panden.

Artikel 3. Vergoeding voor aardbevingsbestendig bouwen

  • 1. De Minister verstrekt op aanvraag van degene die verantwoordelijk is voor de bouw een vergoeding voor de extra kosten in verband met het ontwerpen en bouwen van een nieuw gebouw dat voldoet aan NPR 9998, bij toepassing van de grenstoestand ‘Near Collapse’, indien de piekgrondversnelling op de locatie van het nieuwe gebouw tenminste 0,05 g is.

  • 2. De piekgrondversnelling wordt berekend met de NPR-webtool op het moment van de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, voor de datum van verwachte oplevering van het gebouw bij een herhalingstijd van 475 jaar.

Artikel 4. Aanvraag voor vergoeding

  • 1. Een aanvraag om een vergoeding wordt voor de start van de bouwwerkzaamheden ingediend.

  • 2. Een aanvraag wordt per projectonderdeel met gelijke piekgrondversnelling ingediend.

  • 3. Een aanvraag bevat per basisontwerp binnen het projectonderdeel met gelijke piekgrondversnelling:

    • a. de locatie van het nieuw te bouwen gebouw of de nieuw te bouwen gebouwen;

    • b. de datum van verwachte oplevering;

    • c. een vergelijking tussen de wind- en aardbevingsbelasting;

    • d. de bij het ontwerp toegepaste versie van de NPR 9998;

    • e. de piekgrondversnelling bij een herhalingstijd van 475 jaar;

    • f. de piekgrondversnelling bij een herhalingstijd van 2.475 jaar;

    • g. de op basis van de NPR 9998 gehanteerde rekenmethodiek;

    • h. de ductiliteitsklasse;

    • i. de q-factor;

    • j. de gevolgklasse zoals omschreven in de NPR 9998;

    • k. de bouwkundige tekeningen;

    • l. de constructieve tekeningen;

    • m. de statische berekeningen;

    • n. de seismische berekeningen.

    • o. het geotechnisch onderzoek.

    • p. een verklaring van de hoofdconstructeur dat het ontwerp voldoet aan de eisen van de NPR 9998;

    • q. een verklaring en rapport van een tweede constructeur dat de hoofdconstructeur een juiste methode van berekening heeft gekozen, in de in het derde lid, onder a tot en met o en vierde lid, genoemde elementen van de berekeningen de juiste parameters heeft gehanteerd en dat op basis hiervan aannemelijk is dat het ontwerp voldoet aan de eisen van de NPR 9998.

  • 4. Een aanvraag bevat indien van toepassing:

    • a. het funderingsadvies;

    • b. de paalberekening;

    • c. de verwekingsanalyse.

Artikel 5. Hoogte vergoeding wanneer de aardbevingsbelasting maatgevend is

  • 1. De hoogte van de vergoeding, bedoelt in artikel 3, eerste lid, bedraagt voor een grondgebonden woning, niet zijnde een gebouw dat op basis van de NPR 9998 valt in de gevolgklasse CC2, CC3, CC4 of CC1a of een constructief zelfstandige uitbouw of aanbouw van een bestaand gebouw, indien de aardbevingsbelasting van het gebouw hoger is dan de windbelasting, voor:

    • a. het ontwerpen van het gebouw, het bedrag dat is berekend op grond van de volgende formule:

    • n = het aantal woningen waarop de aanvraag betrekking heeft; en

    • c. het treffen van maatregelen voor zover deze noodzakelijk zijn om te voldoen aan de NPR 9998 voor:

      • I. een rijwoning: € 6.339;

      • II. een twee-onder-een-kap grondgebonden woning: € 8.436; en

      • III. een vrijstaande grondgebonden woning: € 10.064.

  • 2. De hoogte van de vergoeding, bedoelt in artikel 3, eerste lid, bedraagt voor een gebouw dat op basis van de NPR 9998 valt in de gevolgklasse CC2, CC3 of CC4, indien de aardbevingsbelasting van het gebouw hoger is dan de windbelasting, voor het ontwerp en het treffen van maatregelen voor zover deze noodzakelijk zijn om te voldoen aan de NPR 9998: € 61 per vierkante meter bruto vloeroppervlak.

  • 3. De hoogte van de vergoeding, bedoelt in artikel 3, eerste lid, bedraagt voor een gebouw dat op basis van de NPR 9998 valt in de gevolgklasse CC1a of een constructief zelfstandige uitbouw of aanbouw van een bestaand gebouw is, indien de aardbevingsbelasting van het gebouw hoger is dan de windbelasting, voor:

    • a. het ontwerp: € 1.724; en

    • b. het treffen van maatregelen voor zover deze noodzakelijk zijn om te voldoen aan de NPR 9998: de daadwerkelijke kosten van de maatregelen.

Artikel 6. Hoogte vergoeding wanneer de windbelasting maatgevend is

  • 1. De hoogte van de vergoeding, bedoeld in artikel 3, eerste lid, bedraagt indien de aardbevingsbelasting van het gebouw lager is dan de windbelasting: de daadwerkelijk gemaakte kosten:

    • a. per basisontwerp: voor het opstellen van de vergelijking van de aardbevingsbelasting met de windbelasting, met een maximum van € 4.142; en

    • b. per gebouw: voor de detailleringskosten met een maximum van € 16.905 voor volgens de NPR noodzakelijke maatregelen indien op de locatie van het nieuwe gebouw geen sprake is van lage seismiciteit, zoals gedefinieerd in de NPR 9998.

Artikel 7. Vergoeding voor toetsing van de berekeningen

  • 1. De hoogte van de vergoeding, bedoeld in artikel 3, eerste lid, wordt aangevuld met een vergoeding voor de toetsing van het ontwerp van de hoofdconstructeur door de tweede constructeur, bedoeld in artikel 4, derde lid, onderdeel q, en bedraagt de daadwerkelijk gemaakte kosten met een maximum per gebouw:

    • a. voor grondgebonden woningen of gedeelte daarvan dat op basis van de NPR 9998 valt in de gevolgklasse CC1a of CC1b, van:

      n = het aantal woningen waarop de aanvraag betrekking heeft; en

    • b. voor een gebouw dat op basis van de NPR 9998 valt in de gevolgklasse CC2, CC3 of CC4, van: € 4.790.

Artikel 8. Verhoging vergoedingen met omzetbelasting en prijsindexatie.

  • 1. De vergoedingen, geregeld in de artikelen 5, 6 en 7, worden verhoogd met het hoge tarief van de omzetbelasting, tenzij de aanvrager de omzetbelasting in aftrek kan brengen.

  • 2. De hoogte van de vergoeding die een aanvrager ontvangt op grond van de artikelen 5, 6 en 7 wordt elk kwartaal aangepast met de ontwikkelingen in het prijspeil zoals vastgesteld voor de versterkingsoperatie ten opzichte van april 2022.

Artikel 9. Voorschriften bij besluit

  • 1. De Minister beslist binnen 8 weken nadat een aanvraag als bedoeld in artikel 4, eerste, vijfde, of zesde lid, is ingediend, over de toekenning van de vergoeding.

  • 2. Aan een besluit tot toekenning van een vergoeding worden de volgende voorschriften verbonden:

    • a. de Minister wordt in staat gesteld om op de bouwlocatie te controleren of de maatregelen, vereist op grond van NPR 9998, zijn genomen;

    • b. aan de Minister wordt na oplevering van het gebouw aangeleverd:

      • 1°. foto’s waaruit blijkt dat de maatregelen, genomen ter voldoening aan NPR 9998, genomen zijn; en

      • 2°. een verklaring van de hoofdconstructeur en de aannemer dat de bij de aanvraag vermelde maatregelen ter voldoening aan NPR 9998 zijn genomen; en

      • 3°. indien een vergoeding wordt aangevraagd als bedoeld in artikel 5, derde lid, onderdeel b, artikel 6, eerste lid, onderdeel b of artikel 7, eerste lid: een overzicht van daadwerkelijk gemaakte kosten onderbouwd met facturen.

  • 3. Indien de aanvrager aan de voorschriften van het tweede lid, onderdeel b, heeft voldaan, vult hij een door de Minister beschikbaar gesteld formulier ‘verzoek tot uitbetaling’ in en overlegt dat aan de Minister.

Artikel 10. Betaling en verlaging van de subsidie

  • 1. De vergoeding wordt uitbetaald binnen 6 weken nadat het formulier, bedoeld in artikel 9, derde lid, is aangeleverd aan de Minister.

  • 2. Indien niet is voldaan aan de in deze beleidsregel opgenomen voorwaarden of aan de aan het besluit verbonden voorschriften, kan de Minister besluiten de vergoeding te verlagen of op nihil vaststellen.

Artikel 11. Intrekking en overgangsrecht

  • 1. De Beleidsregel vergoeding kosten aardbevingsbestendige nieuwbouw wordt ingetrokken.

  • 2. Indien toegekende vergoedingen op basis van Beleidsregel vergoeding kosten aardbevingsbestendige nieuwbouw lager zijn dan op grond van deze beleidsregel kan worden verkregen, wordt het verschil ambtshalve aan aanvragers toegekend.

Artikel 12. Inwerkingtreding

Deze beleidsregel treedt in werking op 1 oktober 2022.

Deze beleidsregel zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 6 juli 2022

De Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat, J.A. Vijlbrief

TOELICHTING

1. Inleiding

1.1 Aanleiding

Deze beleidsregel voorziet in een procedure voor het vergoeden van de meerkosten van maatregelen bij het bouwen van nieuwe aardbevingsbestendige gebouwen in het aardbevingsgebied in Groningen. Het gaat om extra kosten zoals meer of duurdere bouwmaterialen. Daarnaast kan er sprake zijn van hogere planontwikkelings-, onderzoeks- en organisatiekosten en kan het traject van ontwerp tot oplevering langer duren. Het gaat hier om de meerkosten ten opzichte van de situatie waarin gebouwd wordt zonder maatregelen om een gebouw aardbevingsbestendig op te leveren.

Artikel 52g, derde lid, van de Mijnbouwwet verplicht de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat om alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs gevergd kunnen worden om te voorkomen dat als gevolg van de gaswinning uit het Groningenveld de veiligheid wordt geschaad. Het bouwen van aardbevingsbestendige gebouwen bevordert de veiligheid. Deze beleidsregel is derhalve één van de maatregelen om invulling te geven aan artikel 52g, derde lid, van de Mijnbouwwet.

De voorliggende beleidsregel is de opvolger van de Beleidsregel vergoeding kosten aardbevingsbestendige nieuwbouw Groningen. Ten opzichte van die beleidsregel zijn de resultaten van een studie naar passende hoogte van de vergoeding verwerkt en worden een aantal knelpunten in de uitvoering van de beleidsregel weggenomen. Het belangrijkste daarin is dat uitkeringen van vergoedingen aan projectontwikkelaars mogelijk is gemaakt.

Net als de vorige beleidsregel wordt ook deze beleidsregel uitgevoerd door de Nationaal Coördinator Groningen (hierna: NCG). De beleidsregel staat in de regio en op de website van de NCG bekend als de ‘Publieke Nieuwbouwregeling’ of ‘Nieuwbouwregeling’.

1.2 De NPR 9998

De in artikel 52d, tweede lid, onderdeel a, van de Mijnbouwwet genoemde veiligheidsnorm is van belang voor de Nieuwbouwregeling. Deze veiligheidsnorm is uitgewerkt in artikel 1.3a.3 van de Mijnbouwregeling en betreft het individueel aardbevingsrisico van maximaal 1 op de 100.000 per jaar dat een individu mag lopen in of nabij de verschillende bouwwerken waar dat individu verblijft.

Het Nederlands Normalisatie Instituut heeft in opdracht van de Minister van EZK de NPR 9998 opgesteld, een richtlijn voor aardbevingsbestendig bouwen. De NPR 9998 gaat uit van een integrale aanpak: in het gehele proces van ontwerpen en uitvoeren van de bouw worden de eisen toegepast die voortvloeien uit de NPR. De NPR is een praktijkrichtlijn. Dit betekent dat de inhoud een aanbeveling vormt en dat de bouwer vrij is om andere maatregelen toe te passen dan die zijn beschreven in de NPR 9998. Het is echter aan de bouwer om aan te tonen dat zijn genomen maatregelen tot een gelijkwaardig niveau (of hoger) van veiligheid leidt.

De NPR 9998 onderscheidt een aantal stappen dat doorlopen moet worden bij het bouwen van nieuwe gebouwen. In de eerste plaats moet bepaald worden wat de piekgrondversnelling is op de locatie waar gebouwd gaat worden op het moment dat het gebouw naar verwachting in gebruik genomen wordt. Dit is het verwachte moment van oplevering. De volgende stap is dat in het ontwerp de benodigde maatregelen worden opgenomen. Naast de seismische kracht is dat afhankelijk van factoren, zoals lokale grondomstandigheden en gekozen bouwsysteem. Vervolgens dienen de maatregelen tijdens de bouw te worden uitgevoerd.

Wordt een gebouw niet aardbevingsbestendig gebouwd en de veiligheidsnorm niet gehaald, dan kan het betreffende gebouw onderdeel worden van de versterkingsoperatie. Het aardbevingsbestendig maken van een gebouw na oplevering kan vele malen ingrijpender zijn dan direct aardbevingsbestendig bouwen. Tegelijk kunnen, door de afnemende gaswinning en daarmee afnemende aardbevingsdreiging, de maatregelen maar beperkte periode meerwaarde bieden. Het is van belang dat een zorgvuldige afweging gemaakt wordt over het toepassen van de NPR 9998 in het ontwerp door de opdrachtgever van de nieuwbouw.

1.3 Reikwijdte beleidsregel

Deze beleidsregel heeft betrekking op gebouwen. Onder gebouw wordt verstaan – in lijn met de Woningwet – een bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. Bepaalde transformatorhuisjes, gasverdeelstations, waterdistributiestations en rioolwaterzuiveringen vallen buiten deze definitie, omdat deze bouwwerken niet voor mensen toegankelijk zijn. Dergelijke bouwwerken vallen buiten de reikwijdte van dit besluit, net als alle andere bouwwerken niet zijnde gebouwen, zoals bruggen en industriële installaties. Voor een vergoeding voor het voldoen aan de veiligheidsnorm van dergelijke infrastructuur wordt verwezen naar de Beleidsregel vergoeding kosten aardbevingsbestendige infrastructuur Groningen en de Beleidsregel vergoeding kosten aardbevingsbestendige industrie Groningen van de Minister van EZK. Aanvragen voor deze beleidsregels kunnen respectievelijk bij het Ministerie van EZK en de NCG worden ingediend.

Gebouwen die functioneel zijn verbonden met installaties met gevaarlijke stoffen, zijn uitgesloten van deze beleidsregel. Aan dergelijke combinaties worden specifieke eisen gesteld en vallen daarom buiten deze beleidsregel. Voor een vergoeding voor aardbevingsbestendig maken van deze gebouwen wordt verwezen naar de Beleidsregel vergoeding kosten aardbevingsbestendige industrie Groningen van de Minister van EZK. Een aanvraag op grond van deze beleidsregel kan ook bij de NCG worden ingediend.

De nieuwbouwregeling heeft voorts enkel betrekking op nieuw te bouwen gebouwen. De methodiek en vergoeding voor het aardbevingsbestendig maken van bestaande gebouwen valt onder het Besluit versterken gebouwen Groningen. Bij de Eerste Kamer is op dit moment een wetsvoorstel aanhangig waarmee de versterkingsoperatie wordt vastgelegd in de Tijdelijke wet Groningen (Kamerstukken 35 603).

Indien in het kader van de versterkingsoperatie wordt besloten tot versterking of tot sloop en nieuwbouw, bevat het budget daarvoor middelen om op norm te komen. Nieuwbouw waarbij gebruik wordt gemaakt van middelen uit de versterkingsoperatie komt niet in aanmerking voor vergoeding op basis van deze beleidsregel. Hierbij is het ‘versterkingsprogramma’ het brede begrip van de versterking van gebouwen waarvan bij de NCG bekend is dat aanleiding is te veronderstellen dat deze niet aan de veiligheidsnorm voldoen door gaswinning uit het Groningenveld en de gasopslag bij Norg.

Tot slot, alleen nieuwbouwprojecten die gebouwd worden op een locatie waar de piekgrondversnelling ten minste 0,05 g is, komen in aanmerking voor een vergoeding. Daarbij wordt uitgegaan van het seismisch risico op het geplande moment van oplevering. Dit sluit aan op de NPR 9998 dat stelt dat ‘indien de piekgrondversnelling [...] op maaiveldniveau (inclusief de bodemfactor), bepaald met de NPR 9998-webtool voor een herhalingstijd van 475 jaar, kleiner is dan 0,05 g of wanneer de NPR 9998-webtool geen waarden oplevert, dan behoeft geen beoordeling op aardbevingsbelastingen plaats te vinden (zeer lage seismiciteit)’. De genoemde webtool is te vinden op https://seismischekrachten.nen.nl/map.php. Op basis van de NPR 9998 is in gebieden met zeer lage seismiciteit voor de veiligheid dus geen noodzaak om aardbevingsbestendig te bouwen.

2. Vergoeding van kosten voor aardbevingsbestendige nieuwbouw

In deze paragraaf wordt nader toegelicht hoe de vergoeding voor aardbevingsbestendige nieuwbouw wordt toegekend en welke rollen en verantwoordelijkheden de betrokken partijen hebben.

2.1 Aanvraagproces

De aanvraag dient voor de start van de bouwwerkzaamheden te worden gedaan door diegene die verantwoordelijk is voor de bouw. Deze partij draagt de kosten van het aardbevingsbestendig maken van het gebouw en stuurt andere betrokkenen bij de bouw – zoals een architect, constructeur of aannemer – aan en kan vanuit die rol borgen dat NPR 9998 wordt toegepast. Dit laat uiteraard onverlet dat de verantwoordelijke uit praktische overwegingen een andere betrokkene kan machtigen om namens hem een aanvraag in te dienen.

De aanvraag wordt gedaan voordat met de bouwwerkzaamheden wordt gestart waarbij de maatregelen ter uitvoering van de NPR 9998 worden uitgevoerd. In de meeste gevallen is dat bij de fundering. Dit moment van aanvraag is van belang omdat de maatregelen ter uitvoering van NPR 9998 bij nieuwbouw in het gehele bouwproces worden geïntegreerd. Het gevolg daarvan is dat de maatregelen in veel gevallen fysiek niet meer te traceren zijn als de bouw is afgerond, bijvoorbeeld omdat de maatregelen de fundering of de inhoud van vloeren of muren betreffen. Het is van belang dat gecontroleerd kan worden dat deze maatregelen correct worden genomen en dat kan enkel als tijdig de aanvraag wordt gedaan. De aanvrager dient rekening te houden met de mogelijkheid dat de aanvraag na beoordeling door de NCG nader dient te worden aangevuld of gewijzigd, bijvoorbeeld omdat aanpassingen in het ontwerp nodig zijn om aan de veiligheidsnorm te voldoen, en dat de aanvraag ook kan worden afgewezen als hier niet aan wordt voldaan. Het is aan de aanvrager om rekening te houden met dit risico. Dit kan bijvoorbeeld door langer voor de start van de bouw een aanvraag te doen.

Het gebouw waarvoor een vergoeding wordt aangevraagd dient bij oplevering aardbevingsbestendig te zijn. Dit houdt in dat een gebouw moet voldoen aan de praktijkrichtlijn NPR 9998 uitgave NPR 9998:2020 uitgaande van de grensstaat van ‘Near Collapse’.

De NPR 9998 kan ingewikkeld zijn om toe te passen. Architecten en constructeurs moeten diverse keuzes en onderbouwde aannames maken. Zo moet bijvoorbeeld een keuze gemaakt worden over de te hanteren rekenmethode op basis van het ontwerp. Kwaliteitsborging van de berekening door de constructeur is daarom cruciaal. Onderdeel van de kwaliteitsborging is een toets op de gemaakte berekeningen door een onafhankelijke – dus niet aan de eerste constructeur gelieerde – tweede constructeur. De tweede constructeur stelt een rapport op van zijn bevindingen en geeft een verklaring af dat het aannemelijk is dat het ontwerp voldoet aan de eisen van de NPR 9998. De tweede constructeur neemt geen verantwoordelijkheid voor het ontwerp zelf, uiteraard wel voor zijn rapport daarover.

De aanvraag dient gedaan te worden per basisontwerp. Kenmerkend daaraan is dat ongeacht het aantal gebouwen, de juiste toepassing van de NPR 9998 slechts eenmaal bepaald hoeft te worden per basisontwerp, omdat hetzelfde ontwerp op een locatie gebouwd wordt met dezelfde grondomstandigheden en piekgrondversnellingen.

Bijvoorbeeld: een aanvrager wil een aanvraag doen ten behoeve van een groot bouwproject, waarbij de te bouwen constructief gelijke gebouwen in dat project in een gebied komen te staan waar sprake is van twee deelgebieden met een andere piekgrondversnelling. In dat geval dient de aanvrager twee aanvragen te doen: één aanvraag per deelgebied waarbij sprake is van één gelijke piekgrondversnelling. Een aanvrager kan ten behoeve van gebouwen die worden gebouwd op basis van hetzelfde basisontwerp op dezelfde locatie waar dezelfde piekgrondversnelling geldt ten hoogste één aanvraag indienen.

De gegevens die de aanvrager aanlevert worden per toegepast basisontwerp binnen een projectonderdeel met gelijke piekgrondversnelling aangeleverd. Zie bijvoorbeeld het aanvraaggegeven uit artikel 4, vierde lid, onderdeel c: er moet een vergelijking tussen de wind- en aardbevingsbelasting worden aangeleverd. Voor de te bouwen gebouwen die in een gebied met gelijke piekgrondversnelling worden gebouwd op grond van hetzelfde basisontwerp, geldt ook dat de vergelijking tussen de wind- en aardbevingsbelasting voor die gebouwen gelijk zal zijn.

2.2 Hoogte van de vergoeding

De beleidsregel gaat uit van gemiddelde extra kosten voor aardbevingsbestendig bouwen. De omvang van de meerkosten kan onder andere beïnvloed worden door het ontwerp van het gebouw of de gekozen bouwmethode. Met deze beleidsregel wordt zo goed als mogelijk benaderd wat de meerkosten zijn.

In opdracht van de Minister van EZK heeft een consortium onder leiding van Ecorys berekend wat in de afgelopen periode de gemiddelde kosten zijn geweest om een gebouw aan de veiligheidsnorm te laten voldoen.1 Op basis van deze berekeningen en een aantal gesprekken met stakeholders heeft Ecorys op hoofdlijnen geadviseerd om:

  • Een vaste vergoeding te bieden voor grondgebonden woningen, waarbij onderscheid gemaakt dient te worden tussen vrijstaande, twee-onder-een-kap en rijwoningen.

  • Minder vergoeding te bieden voor de extra ontwerpkosten wanneer een nieuwbouwproject uit meerdere woningen van hetzelfde ontwerp bestaat, omdat de ontwerpkosten maar eenmaal volledig worden gemaakt.

  • Een vast bedrag per vierkante meter bruto vloeroppervlak te bieden voor gebouwen in de categorie CC2 en CC3.

  • De vergoedingen te indexeren naar het prijspeil van de bouwnijverheid.

Daarbij heeft Ecorys ook geadviseerd over de hoogte van de vergoedingen waarmee de gemiddelde meerkosten van aardbevingsbestendig bouwen het beste benaderd worden.

Het advies van Ecorys over de hoogte van de vergoeding is volledig overgenomen. Daarbij is vanwege een onzekerheidsmarge in de berekeningen de vergoeding met 25% verhoogd.

Echter, ook na opvolging van het advies van Ecorys kan de situatie ontstaan dat niet alle mogelijke ontwerpen en bouwstijlen volledig gecompenseerd worden voor de daadwerkelijk gemaakte meerkosten. Dit is onvermijdelijk om de beleidsregel uitvoerbaar en voor het overgrote deel van de gevallen voorspelbaar te houden. In uitzonderlijke gevallen kan de Minister op grond van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht een uitzondering maken op de beleidsregel in het geval dat handelen conform de beleidsregel voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die onevenredig zouden zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. Hiervan kan bijvoorbeeld sprake van zijn bij gebouwen die duurder zijn dan € 5 miljoen om te bouwen.

De hoogte van de ‘reguliere’ vergoeding is opgenomen in de artikelen 5 tot en met 8 en is modulair vorm gegeven. Vergoedingen zijn beschikbaar voor de volgende elementen:

  • Maatregelen aan het gebouw (Artikelen 5 en 6);

  • Ontwerpkosten (Artikelen 5 en 6);

  • Toets van een tweede constructeur (Artikel 7); en

  • BTW en ontwikkeling prijspeil (Artikel 8).

De vergoedingselementen worden hieronder toegelicht.

2.3 Vergoeding voor maatregelen aan het gebouw

Artikel 5 betreft de vergoeding voor maatregelen wanneer de aardbevingsbelasting hoger is dan de windbelasting. Artikel 6 betreft de vergoeding voor maatregelen wanneer de windbelasting hoger is dan de aardbevingsbelasting.

Dit onderscheid is van belang omdat op grond van het Bouwbesluit 2012 voor nieuwbouw in generieke zin maatregelen genomen dienen te worden zodat het gebouw de windbelasting in voldoende mate op kan vangen. Wanneer de windbelasting groter is dan de aardbevingsbelasting voldoet het gebouw na het nemen van deze maatregelen bij definitie ook aan de NPR 9998. De aanvrager hoeft dan geen extra kosten te maken om aardbevingsbestendig te bouwen.

Wanneer de windbelasting groter is dan de aardbevingsbelasting en er sprake is van lage seismiciteit, mogen de nadere materiaalspecifieke detailleringsregels voor primaire en secundaire seismische elementen van NEN-EN 1998-1 buiten beschouwing blijven. Wanneer er geen sprake is van lage seismiciteit worden de detailleringskosten vergoed die op grond van de NPR 9998 genomen dienen te worden.

Wanneer uit berekeningen van de constructeur blijkt dat de aardbevingsbelasting maatgevend is, kan een aanvraag op grond van de beleidsregel worden ingediend voor een vergoeding van de extra kosten om het gebouw aardbevingsbestendig te laten zijn. De beleidsregel maakt conform het advies van Ecorys onderscheid tussen:

  • Grondgebonden woningen (gevolgklasse CC1b):

    • Vrijstaand;

    • Twee-onder-een-kap;

    • Rijwoning;

  • Appartementen en utiliteitsbouw (Gevolgklasse CC2, CC3 en CC4);

  • Overige gebouwen.

Gebouwen met bouwkosten hoger dan € 5 miljoen zijn dusdanig zeldzaam dat daar geen rekening mee is gehouden bij het bepalen van het vaste bedrag per vierkante meter bruto vloeroppervlak. Als dit in een concreet geval onredelijk uitwerkt kan worden bekeken of de inherente afwijkingsbevoegdheid op grond van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht kan worden toegepast.

De categorie overige gebouwen heeft betrekking op andere soorten gebouwen die nieuw worden gebouwd en evident bouwkundig niet vergeleken kunnen worden met reguliere grondgebonden woningen of appartements- en utiliteitsbouw. Denk aan stallen, industriële hallen, tiny houses en een zelfstandige uitbouw. Conform de NPR 9998 kan bij deze gebouwen berekend worden of er maatregelen nodig zijn. Wanneer op grond van de NPR 9998 maatregelen genomen dienen te worden, worden de kosten daarvan vergoed.

2.4 Ontwerpkosten

Zoals eerder gemeld is het toepassen van de NPR 9998 een ingewikkeld en tijdsintensief proces. Hier zijn dan ook extra kosten mee gemoeid. Hiervoor kan een vergoeding worden aangevraagd. Ook hier dient weer het onderscheid gemaakt te worden in:

  • Grondgebonden woningen (gevolgklasse CC1b);

  • Appartementen en utiliteitsbouw (Gevolgklasse CC2, CC3 en CC4);

  • Overige gebouwen.

Voor de ontwerpkosten van grondgebonden woningen geldt dat deze maar één keer volledig gemaakt hoeven te worden per basisontwerp, ook wanneer hetzelfde basisontwerp eventueel met kleine variaties meermaals wordt gebouwd. De vergoeding per woning voor de ontwerpkosten wordt daarom berekend met de in artikel 5, tweede lid genoemde formule.

Rekenvoorbeeld

Het bouwproject bestaat uit vier zelfstandige woningen. Dit zijn constructief dezelfde woningen, waardoor de maatregelen om de woningen aan de NPR 9998 te laten voldoen bepaald kunnen worden door dit voor één gebouw te berekenen. De vergoeding voor de ontwerpkosten bedragen dan per woning:

De vergoeding voor de ontwerpkosten voor appartementen en utiliteitsbouw zijn reeds inbegrepen in het vaste bedrag per m2 bruto vloeroppervlak.

Voor de overige gebouwen geldt een vaste vergoeding van € 1.724 (prijspeil april 2022) exclusief btw voor het ontwerpen met toepassing van de NPR 9998.

2.5 Vergoeding voor toets van tweede constructeur

Om aanspraak te maken op een vergoeding uit deze regeling is een toets van een tweede constructeur vereist. Er is een vergoeding beschikbaar voor de kosten die daarmee gemoeid zijn. De vergoeding bedraagt de daadwerkelijk gemaakte kosten met een maximum van € 4.790 exclusief btw. Deze vergoeding is beschikbaar per basisontwerp en dient dus gelijk verdeeld te worden over alle gebouwen in het project die op basis van dat basisontwerp zijn gebouwd.

2.6 Vergoeding voor btw en prijspeilontwikkelingen

Wanneer een aanvrager de omzetbelasting niet kan verrekenen met de Belastingdienst, wordt de vergoeding voor het ontwerp, de te nemen maatregelen en de toets van de tweede constructeur verhoogd met het hoge btw-tarief.

De berekeningen van de gemiddelde meerkosten door Ecorys zijn gebaseerd op het prijspeil van 2020. Sinds die periode zijn de prijzen gestegen en ook in de toekomst zullen prijsontwikkelingen plaats vinden. Ten opzichte van het advies van Ecorys zijn de bedragen in deze beleidsregel reeds geïndexeerd naar het prijspeil van april 2022. Daarbij is gebruik gemaakt van het prijspeil dat wordt vastgesteld voor de versterkingsoperatie.

Om aanvragers ook voor toekomstige prijsontwikkelingen te compenseren zullen de prijspeilontwikkelingen na afloop van het kwartaal worden meegenomen in de vergoedingen. Er wordt daarmee aangesloten bij de reguliere momenten van indexatie in de versterkingsoperatie. De NCG zal de actuele vergoedingen op haar website publiceren en zal de op de website gepubliceerde vergoeding toepassen wanneer het beslist op aanvragen voor een vergoeding. Dit biedt de beoogde voorspelbaarheid over de hoogte van de vergoedingen en is uitvoerbaar voor de NCG.

2.7 Nadere toelichting vergoedingen

Grondgebonden woningen

Vergoeding in € voor

Vrijstaand

2^1 kap

Rijwoning

Ontwerp

3.675

3.675

3.675

Maatregelen

8.930

7.485

5.625

Indexatie naar april 2022

1.601

1.418

1.181

Btw1

2.983

2.641

2.201

Totaal vergoeding

17.189

15.219

12.683

Advies Ecorys (prijspeil 2020)

12.250 – 15.250

10.750 – 13.500

9.000 – 11.250

X Noot
1

NB, alleen aanvragers die btw-uitgaven niet van hun aangifte op de omzetbelasting kunnen aftrekken, komen in aanmerking voor deze vergoeding

De ontwerpkosten zijn afgeleid uit het advies van Ecorys om voor elk tweede gebouw van hetzelfde basisontwerp in het bouwproject een lagere vergoeding toe te kennen omdat voor die gevallen slechts 10% van de ontwerpkosten gemaakt worden. Dit betekent dat het verschil in de door Ecorys geadviseerde vergoeding tussen het eerste en ieder volgend gebouw 90% van de ontwerpkosten is. Dat bedrag is zichtbaar in de bovenstaande tabel. Op basis daarvan is te berekenen dat exclusief btw, Ecorys adviseert € 3.675 aan vergoeding toe te kennen voor de ontwerpkosten.

Door de btw a 21% van de geadviseerde vergoeding af te trekken en de berekende vergoeding voor het ontwerp, is te herleiden welk deel van de door Ecorys geadviseerde vergoeding bedoeld is voor de te nemen maatregelen.

NB, de tabel gaat uit van een bouwproject van één gebouw. Bij meerdere gebouwen van hetzelfde basisontwerp zullen de toegekende ontwerpkosten in het bouwproject gelijk verdeeld worden over alle gebouwen. De toegekende ontwerpkosten in het bouwproject bedraagt € 4.142 aangevuld met € 414,2 voor elk extra gebouw (prijspeil april 2022) en indexatie.

CC2, CC3 en CC4

Vergoeding in € voor

Vrijstaand

Ontwerp en maatregelen per m2

54

Indexatie

7

Btw1

12,78

Totaal vergoeding

73,63

Advies Ecorys per m2 (prijspeil 2020)

65

X Noot
1

NB, alleen aanvragers die btw-uitgaven niet van hun aangifte op de omzetbelasting kunnen aftrekken, komen in aanmerking voor deze vergoeding

CC1a

Vergoeding in € voor

Vrijstaand

Ontwerp

1.530

Maatregelen

Werkelijk gemaakte kostenkosten

Indexatie

194

Btw1

362

Totaal vergoeding

2.086 + werkelijke kosten voor de maatregelen

Advies Ecorys (prijspeil 2020)

1.850

X Noot
1

NB, alleen aanvragers die btw-uitgaven niet van hun aangifte op de omzetbelasting kunnen aftrekken, komen in aanmerking voor deze vergoeding

2.8 Voorschriften en berekening van de vergoeding

Wanneer een aanvraag wordt ingediend voor een vergoeding, neemt de NCG namens de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat een besluit. De NCG zal dit, conform artikel 4:13 van de Algemene wet bestuursrecht als uitgangspunt binnen acht weken na de aanvraag doen. Het kan zijn dat de NCG aanvragers vraagt om meer informatie zodat de NCG tot een goed oordeel kan komen. De NCG zal aanvragers hiervoor een redelijke termijn geven. Gedurende deze termijn wordt de beslistermijn voor de NCG opgeschort.

Indien een vergoeding wordt toegekend, moeten aanvragers gedurende het verdere bouwtraject nog de zaken, genoemd in artikel 9, aanleveren.

De NCG kan op locatie de genomen maatregelen bekijken. Aanvragers dienen daarom de NCG op diens verzoek toegang te geven tot de bouwlocatie.

Zodra de NCG heeft vastgesteld dat aan alle voorschriften die zijn opgenomen in het besluit zijn voldaan, betaalt de NCG de vergoeding.

Het kan ook voorkomen dat niet aan alle voorwaarden van het besluit is voldaan. Bijvoorbeeld doordat niet (alle) benodigde aardbevingsbestendige maatregelen zijn getroffen. Het gebouw is dan niet aantoonbaar aardbevingsbestendig nieuwgebouwd en komt daarom niet (meer) in aan aanmerking voor een vergoeding.

3. Evaluatie van de regeling

In de bestuurlijke afspraken van 6 november 2020 (Kamerstukken II, 2020/21, 33 529, nr. 830) is afgesproken dat omwille van de stabiliteit van de uitvoering, de nieuwe NPR 2020 op 1 januari 2021 in beginsel de laatste wijziging is van de beoordelingskaders. Alleen bij een significante ontwikkeling in de situatie of de inzichten worden de beoordelingskaders aangepast. Het Adviescollege Veiligheid Groningen wordt gevraagd om te adviseren wanneer de ontwikkelingen in gaswinning zodanig zijn dat een update van de NPR noodzakelijk is.

Eventuele aanpassingen van de NPR 9998 of onderliggende dreigingskaarten kunnen gevolgen hebben voor de maatregelen die genomen dienen te worden bij nieuwe gebouwen. Wanneer dat het geval is, moet ook deze beleidsregel worden bezien zodat de eisen en vergoeding in lijn blijft met de meest recente versie van de NPR. Ook de vergoeding voor de berekeningen van de constructeur wanneer de windbelasting maatgevend is en de vergoeding voor de kosten die gemaakt worden door de aanvrager voor de tweede constructeur worden bekeken of deze nog in verhouding staan tot de benodigde werkzaamheden.

Uiteraard zal bij aanpassing van deze beleidsregel rekening worden gehouden met projecten die al wel in de ontwerpfase zitten waarbij de – inmiddels achterhaalde – versie van NPR 9998 wordt toegepast, maar nog niet gereed zijn om een aanvraag in te dienen. Van belang is dat deze projecten doorgang kunnen vinden zonder met nieuwe regels voor de vergoeding te worden geconfronteerd.

Door de afbouw van de gaswinning en daarmee seismische dreiging zullen, in het steeds kleinere gebied waarin op grond van NPR 9998 nog steeds aardbevingsbestendig gebouwd moet worden, gebouwen toekunnen met steeds minder maatregelen en daarom zullen de kosten ook minder zijn. Na verloop van tijd, wanneer er geen of nauwelijks meer beroep gedaan wordt op de beleidsregel of wanneer de omvang van de compensatie niet meer in verhouding staat tot de uitvoeringskosten van deze beleidsregel, zal deze beëindigd worden.

4. Staatssteun en technische voorschriften

Zowel particulieren als ondernemingen kunnen een vergoeding ontvangen op grond van deze beleidsregel. Daar waar staatsmiddelen ten goede komen aan bepaalde ondernemingen en deze ondernemingen verkrijgen daarmee een selectief, niet-marktconform voordeel, kan er sprake zijn van staatssteun, mits dit voordeel de mededinging in de interne markt vervalst of dreigt te vervalsen en voor zover deze steun het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedt. Uit jurisprudentie van het Europees Hof van Justitie volgt dat vergoedingen door de overheid, voor zover deze hun basis vinden in een rechtsplicht van de overheid, geen staatssteun zijn omdat er geen sprake is van een selectief voordeel.

Op de Staat rust de plicht om jegens de bewoners en ondernemers in het aardbevingsgebied de maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem mogen worden verwacht om het risico van schending van het EVRM (bescherming recht op leven, bescherming tegen onmenselijke behandeling bescherming tegen inbreuk op woongenot) te vermijden (zie de uitspraak van de Hoge Raad, ECLI:NL:HR:2019:1278).

Dit is ook vastgelegd in artikel 52g, derde lid, van de Mijnbouwwet. Daarmee is de Staat gehouden om zelf maatregelen te nemen. Zou zij dat niet doen, dan handelt de Staat onrechtmatig en kan zij door de rechter worden veroordeeld tot schadevergoeding, hetzij in de vorm van geld, hetzij in andere vorm (bijvoorbeeld het nemen van feitelijke maatregelen).

Een belangrijke maatregel van de Staat in dit kader is de versterking van bestaande gebouwen. Voor nieuw te bouwen gebouwen in het aardbevingsgebied geldt deze beleidsregel als de invulling van de zorgplicht van de Staatssecretaris van EZK op basis van artikel 52g van de Mijnbouwwet.

Deze beleidsregel is de opvolger van de van de beleidsregel vergoeding kosten aardbevingsbestendige nieuwbouw Groningen van de Minister van EZK. Die beleidsregel diende ter vervanging van de nieuwbouwregeling van de NAM. In andere gevallen dan het Groningerveld ligt de zorgplicht voor veiligheidsmaatregelen echter nog steeds bij de exploitant. Dit gegeven zorgt ervoor dat NAM een selectief voordeel kan hebben bij deze beleidsregel. Bovendien is de NAM als (laatste) exploitant van het Groningenveld volgens het civiele recht aansprakelijk voor schade die ontstaat door beweging van de bodem als gevolg van de aanleg of exploitatie van het Groningenveld (artikel 6:177, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van het Burgerlijk Wetboek). Ook kan NAM aansprakelijk zijn voor het nemen van afdoende preventieve maatregelen. Ook dit rechtvaardigt dat NAM moet blijven betalen.

Uit bovenstaande volgt dat deze beleidsregel niet kwalificeert als staatssteun.

De vorige beleidsregel, de Beleidsregel vergoeding kosten aardbevingsbestendige nieuwbouw, is gemeld aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen ter voldoening aan artikel 5, eerste lid, van richtlijn 2015/1535 van het Europees parlement en de Raad van 9 september 2015 betreffende een informatieprocedure op het gebied van technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (codificatie) (PbEU 2015, L 241). Het gaat hier om technische specificaties of andere eisen die verbonden zijn met fiscale of financiële maatregelen. Hiervoor geldt op grond van artikel 7, vierde lid, van de richtlijn 2015/1335 geen standstill-termijn.

5. Uitvoering

De beleidsregel is opgesteld in nauw overleg met de NCG waarbij veel aandacht is uitgegaan naar de praktische implicaties voor de aanvragers en uitvoering door de NCG. De NCG acht deze beleidsregel goed uitvoerbaar.

6. Regeldruk

Aanvragers dienen informatie aan te leveren bij de aanvraag en bij uitvoering van de voorschriften in het besluit. Het is aannemelijk dat van aanvragers de grootste inzet van tijd en middelen gevraagd wordt voor het rapport van de constructeur en de toetsing van de tweede constructeur. Daarnaast moeten aanvragers ook aanvullende informatie verzamelen en aan de NCG ter beschikking stellen. De vergoeding op grond van deze regeling voorziet in een vergoeding van de gemiddelde meerkosten van aardbevingsbestendig bouwen, waaronder deze posten ook worden inbegrepen. De regeldrukkosten bevatten daarmee slechts het doen van een aanvraag.

Op grond van het handboek meting regeldruk 2018, en uitgaand van een matig complexe regeling is bepaald dat een burger die een aanvraag doet circa 20 minuten nodig heeft voor de aanvraag en 18 minuten voor uitvoering van de voorschriften bij het besluit. De regeldruk bij een burger per aanvraag zijn daarmee 38 min x uurtarief van € 15 = ca € 10.

Op grond van het handboek meting regeldruk 2018, en uitgaand van een matig complexe regeling is bepaald dat een bedrijf die een aanvraag doet circa 39 minuten nodig heeft voor de aanvraag en 30 minuten voor uitvoering van de voorschriften bij het besluit. De regeldruk bij een bedrijf zijn daarmee per aanvraag 69 min x uurtarief van € 54 = ca € 62.

De bovenstaande berekeningen gaan uit van de gemiddelde tijd die het kost om aan de verplichtingen te voldoen die meekomen met een beroep op deze regeling. Dit kan natuurlijk ook betekenen dat sommige aanvragers meer tijd kwijt zijn of dat het als nuttig ervaren wordt om meer tijd te investeren in de aanvraag, bijvoorbeeld door te overleggen met de NCG over de aanvraag.

Het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) heeft het dossier niet geselecteerd voor een formeel advies, omdat het voorstel naar verwachting geen directe (omvangrijke) gevolgen voor de regeldruk heeft

7. Consultatie

Van 28 december 2021 tot en met 28 januari 2022 is de concept beleidsregel via www.internetconsultatie.nl openbaar geconsulteerd. De reacties zijn meegenomen in de definitieve versie van deze beleidsregel.

Daarnaast waren er diverse verduidelijkende vragen over hoe de regeling in de praktijk zal werken. Hiervoor wordt verwezen naar de website van de NCG die op overzichtelijke wijze het proces van de aanvraag en de verdere afhandeling weergeeft zodra deze beleidsregel in werking treedt.

Een aantal opmerkingen had betrekking op de hoogte van de vergoeding. Er waren vragen over de berekeningen en er werd gesteld dat de vergoedingen zoals voorgesteld onvoldoende kostendekkend zouden zijn. Belangrijk te noteren is dat bij het bepalen van de hoogte van de vergoeding uitgegaan wordt van de gemiddelde meerkosten, onder meer vanwege uitvoeringstechnische overwegingen. Dat betekent dat bedragen niet per definitie kostendekkend zijn. Daarnaast is het onwenselijk om af te wijken van de onafhankelijke berekeningen van Ecorys. Dit neemt overigens niet weg dat er sprake is van een onzekerheidsmarge in de berekeningen van Ecorys, bijvoorbeeld omdat de steekproef mogelijk onvoldoende representatief is. Ecorys heeft rekening gehouden met deze onzekerheid door een bandbreedte te adviseren voor de hoogte van de vergoeding. Er is gekozen om de bovenkant van de geadviseerde bandbreedte te kiezen als vergoeding. Dit is 25% boven het door Ecorys berekende gemiddelde meerkosten. De verwachting is dat, samen met het meenemen van de ontwikkelingen in het prijspeil – regelmatig, maar niet altijd de vergoeding hoger zal zijn dan de gemaakte meerkosten. Voor een aantal gebouwen zal bekeken worden of de vergoeding in verhouding staat tot de kosten die gemaakt moeten worden door de aanvrager, gegeven de doelen die verwezenlijkt moeten worden met deze beleidsregel. De grens om hiervoor in aanmerking was in het concept van de beleidsregel € 20 miljoen aan bouwkosten per gebouw. Dit is verlaagd naar € 5 miljoen aan bouwkosten per gebouw.

Ook zijn opmerkingen gemaakt over de onmogelijkheid voor uitkeringen aan de projectontwikkelaar wanneer de te bouwen of gebouwde woningen nog geen koper hebben. Dit is nu wel mogelijk gemaakt, waarmee de beleidsregel voor aanvrager en uitvoerder eenvoudiger wordt.

8. Inwerkingtreding

Deze beleidsregel treedt in werking op 1 oktober 2022. Zo is er een ruime periode tussen publicatie en inwerkingtreding. In deze periode kunnen personen of bedrijven die een aanvraag voor een vergoeding op grond van de vorige beleidsregel aan het voorbereiden zijn, deze nog afmaken onder het regime van de oude beleidsregel als zij dat willen.

De Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat, J.A. Vijlbrief


X Noot
1

Bijlage bij Kamerstuk 33 529, nr 941: Ecorys, Van Rossum, BOAG. (2020). Onderzoek naar passende vergoeding nieuwbouwregeling.

Naar boven