Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en WetenschapStaatscourant 2021, 32823Besluiten van algemene strekking

Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 18 juni 2021, nr. HO&S/27206364, houdende regels voor de subsidieverstrekking voor virtuele internationale samenwerkingsprojecten in het hoger onderwijs (Subsidieregeling virtuele internationale samenwerkingsprojecten hoger onderwijs)

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

Gelet op de artikelen 4 en 5 van de Wet overige OCW-subsidies en de artikelen 1.3 en 2.1 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS;

Besluit:

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

bekostigde instelling voor hoger onderwijs:

Nederlandse bekostigde instelling als bedoeld in artikel 1.8, eerste lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;

DUS-I:

Dienst Uitvoering Subsidies aan Instellingen;

instellingsbestuur:

instellingsbestuur als bedoeld in artikel 1.1 onderdeel j, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, van een bekostigde instelling voor hoger onderwijs;

Kaderregeling:

Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS;

leeruitkomsten:

datgene wat de student verwacht wordt te weten, begrijpen en in staat is om te demonstreren na afronding van het leerproces;

minister:

Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;

MOOC:

massive open online course, open online te volgen cursus waarbij de deelnemers niet aan een specifiek onderwijsprogramma of specifieke instelling voor hoger onderwijs verbonden zijn;

onderwijskundige:

bij een onderwijsinstelling werkzame persoon die betrokken is bij het ontwikkelen van, het verder ontwikkelen van, en het adviseren over onderwijs;

virtueel internationaal samenwerkingsproject:

onderwijsproject van een Nederlandse bekostigde instelling voor hoger onderwijs en een buitenlandse instelling voor hoger onderwijs waarbij door een student aan een bekostigde instelling voor hoger onderwijs en een student aan een buitenlandse instelling voor hoger onderwijs op afstand wordt samengewerkt op een thema, en waarbij co-creatie tussen de Nederlandse en buitenlandse studenten noodzakelijk is voor het tot stand komen van het eindproduct.

Artikel 2. Toepassing Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS

De Kaderregeling is van toepassing op subsidies die op grond van deze regeling worden verstrekt.

Artikel 3. Te subsidiëren activiteiten

  • 1. De minister kan aan een instellingsbestuur subsidie verstrekken voor het ontwerpen, ontwikkelen en implementeren van een virtueel internationaal samenwerkingsproject, of voor het herzien van een bestaand virtueel internationaal samenwerkingsproject voor een bepaalde opleiding en een bepaalde vestiging van een instelling.

  • 2. Het instellingsbestuur voorziet daartoe in ieder geval in het vrijroosteren van:

    • a. docenten en onderwijskundigen voor het in onderlinge samenwerking ontwikkelen of herzien van het virtueel internationaal samenwerkingsproject en de in dat kader benodigde afstemming met een instelling voor hoger onderwijs in het buitenland; en

    • b. docenten voor de coördinatie van het virtueel internationaal samenwerkingsproject aan de bekostigde instelling voor hoger onderwijs.

  • 3. Het instellingsbestuur kan daarnaast voorzien in het vrijroosteren van personen met een aanvullende expertise.

Artikel 4. Subsidiebedrag

Het subsidiebedrag per subsidieaanvraag is een vast bedrag van € 15.000.

Artikel 5. Subsidieaanvraag

  • 1. Een subsidieaanvraag kan worden ingediend:

    • a. van 1 september 2021 tot en met 30 september 2021;

    • b. van 1 februari 2022 tot en met 28 februari 2022;

    • c. van 1 september 2022 tot en met 30 september 2022;

    • d. van 1 februari 2023 tot en met 28 februari 2023;

    • e. van 1 september 2023 tot en met 30 september 2023;

    • f. van 1 februari 2024 tot en met 29 februari 2024;

    • g. van 30 augustus 2024 tot en met 30 september 2024.

  • 2. Elke aanvraagperiode opent op de eerste dag van de aanvraagperiode om 12:00 uur CET.

  • 3. Aanvragen die na de einddatum van het desbetreffende de aanvraagperiode worden ingediend, worden afgewezen.

  • 4. Voor de subsidieaanvraag wordt gebruik gemaakt van het digitale aanvraagformulier dat is te vinden op de website https://www.dus-i.nl/subsidies/virtuele-internationale-samenwerkingsprojecten.

  • 5. Als tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen, geldt het tijdstip waarop de aanvraag het systeem voor gegevensverwerking van de minister heeft bereikt.

  • 6. In aanvulling op artikel 3.4 van de Kaderregeling bevat het activiteitenplan in ieder geval:

    • a. een prognose van het aantal studenten dat zal deelnemen aan het virtueel internationaal samenwerkingsproject;

    • b. een beschrijving van het beoogde thema waarop het virtueel internationaal samenwerkingsproject wordt vormgegeven;

    • c. de beoogde start- en einddatum van het virtueel internationaal samenwerkingsproject;

    • d. de opleiding waaraan het virtueel internationaal samenwerkingsproject zal worden verzorgd;

    • e. een duiding of het een nieuw virtueel internationaal samenwerkingsproject of een herziening van een bestaand virtueel internationaal samenwerkingsproject betreft;

    • f. in voorkomend geval, een vermelding van de aanvullende expertises die betrokken zullen worden.

  • 7. Het instellingsbestuur kan per aanvraagperiode meerdere aanvragen indienen voor verschillende virtuele internationale samenwerkingsprojecten.

  • 8. In aanvulling op het zevende lid kan het instellingsbestuur per aanvraagperiode meerdere aanvragen indienen voor hetzelfde virtuele internationale samenwerkingsproject indien er sprake is van een multidisciplinaire samenwerking binnen een instelling of het aanbieden van hetzelfde virtuele internationale samenwerkingsproject op verschillende hoofd- of nevenvestigingen van het instellingsbestuur.

Artikel 6. Subsidieplafond

  • 1. Voor subsidieverstrekking is voor de aanvraagperiode, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel a, ten hoogste € 1.050.000 beschikbaar.

  • 2. De subsidieplafonds voor de andere aanvraagperiodes, bedoeld in artikel 5, eerste lid, zullen door wijziging van deze regeling aan de regeling worden toegevoegd.

  • 3. Indien het bedrag voor subsidieverstrekking voor de eerste periode van een kalenderjaar door subsidietoewijzingen niet wordt uitgeput, wordt het resterende bedrag toegevoegd aan het subsidieplafond voor de tweede aanvraagperiode van het desbetreffende kalenderjaar.

Artikel 7. Weigeringsgronden

De subsidieverstrekking wordt geweigerd, voor zover:

  • a. de activiteiten waarvoor aan de aanvrager reeds een andere subsidie of financiële bijdrage van de minister of één of meer andere bestuursorganen is verstrekt;

  • b. de aanvraag betrekking heeft op het ontwerpen en ontwikkelen van een MOOC;

  • c. de aanvraag betrekking heeft op het ontwerpen en ontwikkelen van virtuele uitwisseling, waarbij studenten online onderwijs volgen aan een buitenlandse hogeronderwijsinstelling;

  • d. de aanvrager voor de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd al in een eerdere aanvraagperiode subsidie ontvangen heeft in het kader van deze regeling.

Artikel 8. Wijze van verdeling beschikbare middelen

  • 1. De minister voorziet in een gelijktijdige beslissing op aanvragen per aanvraagronde.

  • 2. De minister rangschikt bij overschrijding van het subsidieplafond de aanvragen op volgorde van binnenkomst, met dien verstande dat een eventuele tweede aanvraag van een instellingsbestuur in een bepaalde aanvraagperiode na de eerste van alle aanvragen van instellingsbesturen wordt gerangschikt, totdat het subsidieplafond bereikt is.

  • 3. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op een tweede, derde of opeenvolgende aanvraag van een instellingsbestuur, totdat het subsidieplafond bereikt is.

Artikel 9. Subsidieverplichtingen

  • 1. Aan de subsidieontvanger worden de volgende verplichtingen opgelegd:

    • a. het virtuele internationale samenwerkingsproject start zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen zes maanden na het besluit tot subsidieverstrekking;

    • b. de activiteiten zijn uiterlijk binnen achttien maanden na het besluit tot subsidieverstrekking afgerond;

    • c. de subsidieontvanger verleent gedurende de looptijd van de activiteiten of tot één jaar na afloop daarvan op verzoek van de minister medewerking aan kennisdelingsactiviteiten rondom virtuele internationale samenwerkingsprojecten;

    • d. de subsidieontvanger verleent medewerking aan een onderzoek van de minister naar de leeruitkomsten van virtuele internationale samenwerkingsprojecten.

  • 2. De subsidieontvanger meldt onverwijld schriftelijk aan de minister indien:

    • a. aannemelijk is geworden dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verstrekt niet, niet tijdig of niet geheel zullen worden verricht;

    • b. aannemelijk is geworden dat niet, niet tijdig of niet geheel aan de subsidieverplichtingen zal worden voldaan; of

    • c. zich andere omstandigheden voordoen of zullen voordoen die van belang kunnen zijn voor een beslissing tot wijziging, intrekking of vaststelling van de subsidie.

  • 3. De melding bedoeld in het tweede lid wordt voorzien van een toelichting. Bij de melding worden de relevante stukken overgelegd.

Artikel 10. Vaststelling en verantwoording subsidie

  • 1. De subsidie wordt direct vastgesteld binnen 13 weken na afloop van de desbetreffende aanvraagperiode.

  • 2. De minister betaalt het subsidiebedrag ineens.

  • 3. De subsidieontvanger toont op verzoek van de minister aan dat de activiteiten waarvoor subsidie is verstrekt, zijn verricht en is voldaan aan de verplichtingen die aan de subsidie zijn verbonden.

  • 4. Indien de activiteiten volledig zijn uitgevoerd en aan alle verplichtingen is voldaan, kan het niet aangewende deel van de subsidie worden besteed aan andere activiteiten waarvoor bekostiging wordt verstrekt.

  • 5. De verantwoording van de subsidie geschiedt overeenkomstig de Regeling jaarverslaggeving onderwijs in de jaarverslaggeving met model G, onderdeel 1, zoals bedoeld in richtlijn 660 van de Raad voor de Jaarverslaggeving.

Artikel 11. Inwerkingtreding en vervaldatum

  • 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 september 2021.

  • 2. Deze regeling vervalt met ingang van 1 september 2026.

Artikel 12. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling virtuele internationale samenwerkingsprojecten hoger onderwijs.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, I.K. van Engelshoven

TOELICHTING

Algemeen

1. Aanleiding

In 2018 is de internationalisering van het hoger onderwijs vergevorderd volgens de Onderwijsraad.1 Wel zijn er toenemende zorgen en discussies in het publieke en politieke debat, die vragen om reflectie op de te varen koers. Door de Onderwijsraad worden diverse zorgen geuit. Ten aanzien van uitgaande mobiliteit is de conclusie dat er vier tot vijf keer zoveel studenten uit het buitenland naar Nederland komen voor een volledige studie dan dat er Nederlandse studenten naar het buitenland gaan om te studeren. De Onderwijsraad geeft aan dat in 2007 en 2009 op Europees niveau afgesproken is dat naar meer evenwicht in studentenmobiliteit gestreefd zal worden, maar dat de drijfveren van studenten met betrekking tot diplomamobiliteit evenwicht evenwel onwaarschijnlijk maken. Om de voordelen van internationalisering zo breed mogelijk te laten neerdalen in de Nederlandse samenleving benadrukt de Onderwijsraad dat mobiliteit één van de vormen is waarop internationalisering vorm kan krijgen.2 Naast fysieke mobiliteit, kunnen ook andere onderwijsvormen hieraan bijdragen. Door vormen van internationalisation at home aan te bieden kan niet alleen de beperkte groep studenten die naar het buitenland gaat worden aangesproken, maar ook de grote groep studenten die hun hele studie in Nederland volgt. Internationalisation at home kan onder andere via online samenwerking op drie niveaus worden vorm gegeven; 1) kennismaken, 2) vergelijken, 3) co-creatie.3 Bij het derde, meest disruptieve niveau, creëren studenten uit verschillende landen samen iets. Door de uitwisseling van informatie en eigen culturele gewoonten en overtuigingen worden studenten in Nederland geconfronteerd met de culturele gewoonten en gebruiken van de buitenlandse student.4

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft in 2018,5 in navolging van de Onderwijsraad, onderschreven dat het opdoen van interculturele competenties en een internationale oriëntatie belangrijk is. Zowel als leeruitkomst als voor economische, politiek-maatschappelijke en organisatorische doelen.6 Het is van belang dat alle studenten toegang krijgen tot de verschillende mogelijkheden die hieraan een bijdrage kunnen leveren (inclusiviteit). Internationalisation at home is hiervoor een goede vorm, in het bijzonder virtuele internationale samenwerkingsprojecten.7

De Onderwijsraad benadrukt dat het voor het bewerkstelligen van leereffecten op het gebied van interculturele vaardigheden van belang is dat er 'bewuste reflectie [is] op cultuurverschillen en confrontaties met andere culturen [..] en [dat] bij uitwisseling begeleiding vooraf, tijdens en na het verblijf in het buitenland een vereiste [is]'. 8

Door de flink toegenomen inkomende mobiliteit van internationale studenten is het voor meer studenten eenvoudiger geworden om deel te nemen aan een international classroom, concludeert het interdepartementaal beleidsonderzoek internationalisering van het (hoger) onderwijs (hierna: IBO)9. Mede als gevolg van de COVID-19 pandemie zijn de onderwijsvormen in 2020 veel digitaler geworden. De fysieke internationale mobiliteit onder studenten is bovendien slechts beperkt mogelijk door de internationale beperkingen op reisbewegingen om de COVID-19 pandemie het hoofd te bieden. Voor de eerdere conclusie uit de visiebrieven van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap uit 2014 en 201810 dat de international classroom het belangrijkste alternatief voor uitgaande mobiliteit is, betekent dit dat bij een teruglopende inkomende mobiliteit deze vorm van internationalisering minder beschikbaar en inzetbaar is. Maar ook in tijden zonder pandemie vormen virtuele internationale samenwerkingsprojecten een kwalitatieve vorm die voor veel studenten toegankelijk is. In de kabinetsreactie op het IBO11 schetst de regering, in aanvulling op het IBO, de aangescherpte focus op het inclusiever maken van de uitgaande mobiliteit. In antwoord op brede zorgen dat internationalisering niet voor iedereen van meerwaarde is en uitgaande mobiliteit niet voor iedereen wenselijk of bereikbaar is, ligt naast het inclusiever maken van uitgaande mobiliteit, de focus op het zoeken naar zo effectief mogelijke vormen van internationaliseringsonderwijs in Nederland zelf; vormen van internationalisation at home.

Het zoeken naar kwalitatieve vormen van onderwijs met een geïnternationaliseerd karakter past ook goed bij de ambities in de Strategische Agenda voor het Hoger Onderwijs,12 waarbij de belangrijkste focus voor studenten ligt op het studentsucces. Elke student heeft recht op de benodigde begeleiding, het vinden van zijn of haar plek met als doel het behalen van een diploma. Niet als eindstreep maar als startpunt voor een leven lang ontwikkelen. Ook in de Strategische Agenda is veel aandacht voor diversiteit onder studenten en verschillende begeleidingsbehoeften die dit mee zich meebrengt. Sociaal-emotionele vaardigheden (waaronder internationale en interculturele vaardigheden passen) worden toenemend relevant als bepalende succesfactoren in een steeds sneller veranderende arbeidsmarkt.13

Verschillende hogeronderwijsinstellingen in Nederland hebben al vormen van virtuele internationale samenwerkingsprojecten met een buitenlandse partnerinstelling toegepast, al worden deze nog niet grootschalig toegepast. Ook hebben deze projecten nog lang niet altijd een structureel karakter. Internationale samenwerking is tijdrovend en ook het opzetten van een virtueel samenwerkingsproject vergt de nodige afstemming met een hogeronderwijsinstelling in het buitenland. Dit vormt mogelijk belemmeringen voor het opzetten van dergelijke projecten. Daarnaast spelen digitale belemmeringen mogelijk ook een rol, hoewel de ontwikkeling hiervan in een stroomversnelling gekomen is door de COVID-19 pandemie.

Bestaande ervaringen met virtuele internationale samenwerkingsprojecten laten op dit moment wisselende resultaten zien. Er zijn kwalitatief veelbelovende projecten, maar ook projecten die minder kwalitatief van aard zijn en na verloop van tijd ook weer staken. Veelal heeft dit te maken met de beschikbaarheid van tijd en budget om deze projecten te ontwerpen en implementeren.

Voorbeelden van een virtueel internationaal samenwerkingsproject

 

...op vakgebied Archeologie

Studenten archeologie uit Nederland, Duitsland en Frankrijk werken samen naar aanleiding van een vondst van een getorpedeerd vliegtuig uit de Tweede Wereldoorlog in de grensregio van Duitsland en Frankrijk. Studenten verdiepen zich in de lokale gebeurtenis en koppelen de verschillende perspectieven (onder andere van 'winnaar' en 'verliezer' van de oorlog) voor weergave en informatievoorziening in een museum.

 

...als kruisbestuiving tussen opleidingen Small Business en fysiotherapie

Een opleiding Small Business in Nederland wordt gekoppeld aan een opleiding fysiotherapie in Roemenië. Bepaalde behandelingen zijn in Roemenië nog nieuw en de Nederlandse opleiding Small Business wordt gevraagd mee te denken hoe deze gepromoot kunnen worden in de Roemeense context. De Nederlandse en Roemeense studenten hebben elkaars input nodig om tot een goed resultaat te komen. Enerzijds verdieping in de specifieke fysiotherapiebehandelingen en anderzijds de culturele context in Roemenië als ingrediënten voor de samenwerking op afstand.

2. Doel

Subsidieregeling

De doelstelling van onderhavige regeling is zoveel mogelijk studenten aan Nederlandse hogeronderwijsinstellingen de mogelijkheid geven ervaring op te doen met een internationale oriëntatie op vak en wetenschap via virtuele internationale samenwerkingsprojecten. Een vorm waarbij fysieke, financiële, culturele of andere bezwaren, die kunnen gelden bij fysieke mobiliteit, minder of geen belemmering vormen voor deelname. Enerzijds wordt beoogd uitgaande mobiliteit inclusiever te maken; anderzijds wordt beoogd effectieve vormen van internationaliseringsonderwijs in Nederland zelf aan te bieden voor de thuisblijvers.

Onder een virtueel internationaal samenwerkingsproject wordt in deze subsidieregeling verstaan een individueel of gezamenlijk project waarbij:

  • a. een student in Nederland samenwerkt met een student van een instelling in het buitenland;

  • b. het thema waaraan gewerkt wordt inzet vergt van studenten in Nederland en het buitenland om de eigen context te duiden en te verbinden aan die van de samenwerkende student. Daarmee wordt een verbinding gelegd tussen internationale samenwerking en de regionale context. Dit gezamenlijke perspectief kan meerwaarde bieden.

  • c. Er sprake is van co-creatie door sociale interactie waarbij de verschillende perspectieven een belangrijke basis vormen. Het eindproduct van het project kan niet tot stand worden gebracht zonder input van beide zijden (de Nederlandse zijde en de buitenlandse zijde). Samenwerking is daardoor noodzakelijk.

Aanvullende ondersteuning bij deelname aan subsidie

Deze subsidieregeling vormt de basis voor de stimuleringsmaatregel waarmee docenten en onderwijskundigen de mogelijkheid wordt geboden te werken aan een virtueel internationaal samenwerkingsproject. Aanvullend op de subsidieregeling wordt kosteloos en vrijblijvend ondersteuning aangeboden voor docenten en onderwijskundigen die deelnemen aan de subsidieregeling. Deze ondersteuning heeft enerzijds tot doel een bijdrage te leveren aan de kwaliteit van de te ontwikkelen of te herziene virtuele internationale samenwerkingsprojecten. Anderzijds heeft de ondersteuning ten doel de regeldruk voor deelnemende docenten en instellingen te beperken en de kans op een structurele inbedding van virtuele internationale samenwerkingsprojecten in onderwijscurricula te vergroten.

Een externe partij krijgt de opdracht om docenten en onderwijskundigen te ondersteunen met advies bij het opzetten of verder professionaliseren van een virtueel internationaal samenwerkingsproject. De partij die het advies zal verstrekken beschikt over specifieke expertise op het gebied van collabarative online interactive learning (ofwel COIL) of virtual exchange (ofwel VE); expertise op het gebied van onderwijs met een geïnternationaliseerd karakter en het verzorgen van onderwijs in samenwerking met een buitenlandse instelling. Als onderdeel van de opdracht verzorgt deze partij een overkoepelende website waarop informatie te vinden is voor docenten en onderwijskundigen die meer willen weten en kennis willen uitwisselen over virtuele internationale samenwerkingsprojecten.

Ook wordt een opdracht verstrekt voor het aanbieden van een training voor docenten en onderwijskundigen die deelnemen aan de subsidieregeling. Dit betreft een training voor ‘beginners’ en ‘gevorderden’ op het gebied van virtuele internationale samenwerkingsprojecten. De training is gericht op het verzorgen van virtueel onderwijs met een geïnternationaliseerd karakter en het ontwikkelen van interculturele competenties bij studenten.

Onderzoek naar meerwaarde virtuele internationale samenwerkingsprojecten

Een externe partij krijgt de opdracht onderzoek te doen naar de daadwerkelijke leeruitkomsten die ten doel gesteld worden bij virtuele internationale samenwerkingsprojecten. Het onderzoek beperkt zich tot de projecten die met behulp van deze subsidieregeling worden geïmplementeerd. Ook heeft deze partij de opdracht te onderzoeken wat het aanbieden van virtuele internationale samenwerkingsprojecten vraagt om deze structureel in het hoger onderwijs in te bedden. Op basis van dit onderzoek tracht ik een onderbouwd oordeel te kunnen voorleggen over de effectiviteit van de inzet van virtuele internationale samenwerkingsprojecten als reguliere werkvorm binnen een opleiding. Het op te leveren rapport kan de basis vormen voor een breder debat over de toepassing van deze onderwijsvorm binnen het Nederlandse hoger onderwijs.

Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden en Caribisch Nederland

Op grond van deze subsidieregeling kan geen subsidie worden verstrekt aan hogeronderwijsinstellingen op Curaçao, Aruba of Sint-Maarten. De openbare lichamen Bonaire, Sint-Eustatius en Saba beschikken bij publicatie van deze regeling niet over een op grond van de WHW bekostigde hogeronderwijsinstelling en komen daarom niet in aanmerking voor subsidie. De minister roept Nederlandse hogeronderwijsinstellingen echter op een samenwerking met de instellingen in het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden te overwegen.

3. Inhoud en aanvraag

a. Algemene en overige activiteiten

De uit te voeren activiteiten in het kader van deze subsidieregeling betreffen activiteiten voor het ontwerpen of herzien, ontwikkelen en implementeren van een virtueel internationaal samenwerkingsproject. De totale looptijd van de subsidieperiode bedraagt anderhalf jaar vanaf de toekenningsdatum van de subsidie. De subsidie wordt in ieder geval besteed aan de kosten voor het vrijroosteren van docenten en onderwijskundigen die samenwerken aan het ontwerpen van een virtueel samenwerkingsproject. Gelijktijdig wordt samengewerkt met een buitenlandse instelling die tijdens het verzorgen van het uiteindelijke virtuele internationale samenwerkingsproject de buitenlandse student begeleidt. Deelnemende instellingen kunnen subsidie ontvangen ten behoeve van het herzien van een bestaand virtueel internationaal samenwerkingsproject, of voor het ontwerpen van een geheel nieuw virtueel internationaal samenwerkingsproject. De vormgeving van een nieuw virtueel samenwerkingsproject start in de regel met het formuleren van de beoogde leeruitkomsten. Bij het herzien van een virtueel internationaal samenwerkingsproject wordt heroverwogen of de gestelde leeruitkomsten nog voldoen. Vervolgens wordt de inrichting van het project in afstemming met de buitenlandse partnerinstelling uitgewerkt. Tot slot wordt het virtuele samenwerkingsproject geïmplementeerd in het opleidingsprogramma. Een virtueel internationaal samenwerkingsproject wordt als geïmplementeerd beschouwd op het moment dat het virtueel internationaal samenwerkingsproject klaar is om studenten deel te laten nemen.

Naast de algemene activiteiten om virtuele internationale samenwerkingsprojecten te ontwerpen, implementeren en uitvoeren, kunnen aanvullende expertises binnen de onderwijsinstelling betrokken worden. Denk hierbij aan vakdocenten met specifieke kennis op thema’s, IT-ondersteuning of de afstemming met het opleidings- of faculteitsbestuur.

Deze subsidieregeling vormt de basis voor de stimuleringsmaatregel waarmee docenten en onderwijskundigen de mogelijkheid wordt geboden te werken aan een virtueel internationaal samenwerkingsproject. De subsidie is alleen bestemd voor Nederlandse bekostigde hogeronderwijsinstellingen. De subsidie is niet bestemd voor cofinanciering van de buitenlandse partnerinstelling. Bij het samenwerken tussen hogeronderwijsinstellingen aan een gezamenlijk virtueel internationaal samenwerkingsproject, vraagt elke hogeronderwijsinstelling zelf subsidie aan en gaan aan elke instelling een docent en onderwijskundige aan de slag met het virtueel internationaal samenwerkingsproject.

Voor de docent en onderwijskundige is ondersteuning beschikbaar in de vorm van advies bij de ontwerp- of herzieningsfase van het virtueel internationaal samenwerkingsproject. Voor docenten bestaat de mogelijkheid voor het volgen van een training op het gebied van het verzorgen van virtueel geïnternationaliseerd onderwijs en interculturele competenties.

De subsidieontvanger is verplicht tot deelname aan het evaluerend onderzoek naar leeruitkomsten, dat zal worden uitgevoerd door een externe partij.

b. Subsidieperiode

De subsidie voor het opstarten van een virtueel samenwerkingsproject wordt verstrekt voor het ontwerpen, ontwikkelen en implementeren van een virtueel internationaal samenwerkingsproject. Uiterlijk binnen zes maanden na de toekenning dient gestart te worden met de ontwerp- of herzieningsfase van het virtueel internationaal samenwerkingsproject. De activiteiten zoals geformuleerd in het activiteitenplan dienen binnen anderhalf jaar na toekenning van de subsidie te zijn uitgevoerd.

c. Aanvraagprocedure
Procedure

Subsidies in het kader van deze regeling zijn beschikbaar voor instellingsbesturen van bekostigde instellingen voor hoger onderwijs. Aanvragen kunnen op twee momenten in een jaar worden aangevraagd, met uitzondering van 2021. De subsidie wordt aangevraagd door het instellingsbestuur. Het verdient aanbeveling voor de doelstelling van deze regeling dat er vooraf een gedeeld beeld is bij betrokken actoren over hun inzet en rolverdeling voor het ontwerpen en toepassen van virtuele internationale samenwerkingsprojecten als onderwijsprogramma binnen het beoogde curriculum. Daarnaast ligt het in de rede dat het voorstel past binnen de overkoepelende strategie van de onderwijsinstelling en breed gedragen wordt binnen de instelling, en onderdeel is van of een opstap naar verdere uitbreiding van virtuele internationale samenwerkingsprojecten binnen de instelling c.q. verdere professionalisering van virtuele internationale samenwerkingsprojecten binnen de instelling. Per aanvraagperiode kan meer dan één subsidieaanvraag worden ingediend door het instellingsbestuur.

Samenwerkende bekostigde Nederlandse instellingen vragen elk afzonderlijk subsidie aan. Ook bij samenwerking binnen een alliantie van Europese universiteiten vraagt elke Nederlandse instelling zelf subsidie aan. Op deze manier kan ervoor worden gezorgd dat het virtuele internationale samenwerkingsproject binnen elk van de betrokken Nederlandse instellingen relevant is. Alleen de Nederlandse instelling mag subsidie aanvragen, de buitenlandse partnerinstellingen niet.

Aan te leveren informatie

Aanvragen dienen te worden ingediend via het digitale aanvraagformulier op de website https://www.dus-i.nl/subsidies/virtuele-internationale-samenwerkingsprojecten. Het activiteitenplan is onderdeel van dit aanvraagformulier.

Het activiteitenplan bevat in aanvulling op artikel 3.4 van de Kaderregeling, een prognose van het aantal studenten dat zal deelnemen, een beschrijving van het beoogde thema, de beoogde start- en einddatum, de opleiding waar aan het virtueel internationaal samenwerkingsproject zal worden verzorgd, een duiding of het een herziening van een bestaand of een nieuw virtueel internationaal samenwerkingsproject betreft en een vermelding van aanvullende expertises die in elk geval zullen worden betrokken.

4. Toekenning en vaststelling van de subsidie

Uiterlijk 13 weken nadat een subsidie is aangevraagd, wordt de aanvrager in kennis gesteld over het besluit op de aanvraag (artikel 4.1, eerste lid, van de Kaderregeling). Wanneer een aanvraag onvolledig is, wordt de aanvrager, indien het totaal beschikbare budget nog niet is uitgeput, eenmalig in de gelegenheid gesteld de aanvraag binnen een gestelde termijn aan te vullen (onder toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht). Een dergelijke aanvraag dient binnen tien werkdagen te worden aangevuld.

5. Subsidieverplichtingen

Naast de verplichtingen zoals genoemd in hoofdstuk 5 van de Kaderregeling, gelden voor subsidieontvangers de in artikel 9 genoemde verplichtingen.

6. Beschikbaar budget

Voor de eerste aanvraagperiode (van 1 september 2021 tot en met 30 september 2021) is een totaalbedrag van € 1.050.000 beschikbaar.

7. Verantwoording

Overeenkomstig de Regeling jaarverslaggeving onderwijs wordt de aan het verslagjaar toe te rekenen subsidie in de jaarrekening herkenbaar als bate verantwoord in model G, onderdeel 1. Een externe partij doet onderzoek naar de leeruitkomsten van de verschillende projecten en zal bij de minister melding doen in het geval een subsidieontvanger geen activiteiten heeft uitgevoerd. De subsidieontvanger is verplicht om deel te nemen aan dit onderzoek en wordt hiervoor benaderd door de externe partij.

8. Evaluatie virtuele internationale samenwerkingsprojecten met behulp van onderzoek

Gelijktijdig aan deze subsidieregeling worden verschillende aan de subsidieregeling ondersteunende onderdelen aangeboden. Eén van de onderdelen is onderzoek doen naar de daadwerkelijke leeruitkomsten onder studenten, die worden beoogd met de virtuele internationale samenwerkingsprojecten waarvoor de subsidie gebruikt wordt. Dit onderzoek levert daarmee een bijdrage aan de evaluatie van het instrument virtuele internationale samenwerkingsprojecten als internationaliseringsactiviteit en leermiddel. Subsidieontvangers zijn verplicht om aan dit onderzoek mee te werken.

9. Administratieve lasten aanvragers

Administratieve lasten worden gedefinieerd als de kosten om te voldoen aan informatieverplichtingen aan de overheid, voorvloeiend uit wet- en regelgeving van de overheid. Uitgangspunt is dat het aanvraagproces zo wordt ingericht dat het zo min mogelijk administratieve lasten creëert.

Vanuit DUS-I wordt een format beschikbaar gesteld, waarmee de subsidieaanvraag wordt ingediend. Aanvragers wordt gevraagd om een beknopt, maar duidelijk activiteitenplan in te dienen. Ingeschat wordt dat een instelling circa twaalf uur nodig heeft om tot een goede subsidieaanvraag te komen en deze in te dienen.

Om een indruk te geven van de verwachte regeldrukkosten wordt uitgegaan van de volgende schatting.

Omdat de subsidie als substantiële bijdrage in de kosten bedoeld is, en niet volledig kostendekkend, is er vanuit gegaan dat instellingen zelf een investering plegen. Bij het berekenen van de regeldruk is uitgegaan van uren die nodig zijn voor de subsidieaanvraag en het voldoen aan de subsidieverplichting. Er is niet uitgegaan van de uren die de onderwijsinstelling hoe dan ook zou moeten maken voor het ontwerpen, ontwikkelen en uitvoeren van een virtueel internationaal samenwerkingsproject.

Per project wordt uitgegaan van vier uur interne afstemming, bijvoorbeeld met het instellingsbestuur en deelnemende opleidingsbestuur. Daarnaast wordt uitgegaan van twee uur externe afstemming, met de buitenlandse partnerinstelling. Voor het opstellen van het activiteitenplan wordt uitgegaan van vijf uur, een uur administratie en een kwartier voor het indienen van de subsidieaanvraag.

Tijdens de looptijd van het project wordt uitgegaan uit van vier uur voor het vergaren van informatie voor deelname aan het verplichte onderzoek naar leeruitkomsten. Voor nawerk wordt uitgegaan van zes uur deelname aan het verplichte onderzoek naar leeruitkomsten, twee uur voor interne afstemming en een uur administratie. De regeldruk per aanvraag beslaat daarmee circa 8,4% van het totale subsidiebedrag.

Deze regeling is ter advisering voorgelegd aan het Adviescollege Toetsing Regeldruk, hierna ATR. ATR heeft drie adviezen gegeven voor aanscherping van de subsidieregeling. Twee van de drie de adviezen zijn overgenomen.

Het college adviseert in de eerste plaats om het mogelijk te maken dat een onderwijsinstelling subsidie gebundeld aanvraagt voor meerdere projecten tegelijk. Ook in de internetconsultatie gaven diverse partijen aan dat dit een verbetering zou inhouden en de regeldruk kan beperken. Het advies is na afstemming met uitvoerder DUS-I niet overgenomen. De tijdswinst bij het indienen van aanvragen is zeer beperkt omdat per project een aantal vragen moeten worden beantwoord in het aanvraagformulier. De verantwoording van de subsidie dient per virtueel internationaal samenwerkingsproject plaats te vinden. Hierdoor is de tijdwinst van een gebundelde aanvraag zeer beperkt.

In de tweede plaats adviseert ATR de verplichting om te evalueren te beperken tot de medewerking aan het externe evaluatieonderzoek naar leeruitkomsten. Om onnodige herhaling in het nawerk te voorkomen is dit advies overgenomen en is de beleidsmatige evaluatie komen te vervallen.

In de derde plaats adviseert het college de gevolgen voor de regeldruk volledig in beeld te brengen in de toelichting bij het besluit, conform de Rijksbrede methodiek. Daarop is de aanvankelijke berekening herzien en toegevoegd aan de toelichting in de subsidieregeling.

10. Internetconsultatie

De subsidieregeling is voorgelegd voor openbare internetconsultatie. Daarop zijn diverse reacties binnengekomen, overwegend positief en met praktische input om de subsidieregeling aan te scherpen en effectiever te maken.

Een aanpassing op basis van de input in de internetconsultatie is een verhoging van het subsidiebedrag per project, van € 11.200 naar € 15.000 per virtueel internationaal samenwerkingsproject. Het subsidiebedrag is bedoeld als substantiële bijdrage voor het ontwerpen, ontwikkelen en implementeren van een virtueel internationaal samenwerkingsproject, niet als kostendekkend budget. Meerkosten zijn voor rekening van de onderwijsinstelling.

Veel van de overige opmerkingen hebben betrekking op de aanvullende ondersteuningsonderdelen die via aanbestedingsprocedures bij externe partijen zijn belegd; dit is derhalve geen onderdeel van onderhavige subsidieregeling.

11. Uitvoering

De regeling wordt namens de minister uitgevoerd door DUS-I, die de regeling op uitvoerbaarheid heeft beoordeeld. DUS-I acht de regeling uitvoerbaar. Voor de uitvoeringstoets heeft DUS-I advies ontvangen van de Audit Dienst Rijk (hierna: ADR) en de Inspectie van het onderwijs (hierna: Inspectie).

De ADR heeft geadviseerd subsidieontvangers de subsidie via de Jaarverslaggeving model G, onderdeel 1, te laten verantwoorden en een meldplicht op te nemen. De Inspectie acht verantwoording via model G, onderdeel 1 in de Jaarverslaggeving te zwaar met het oog op de hoogte van de subsidie. Volgens de Inspectie leidt verantwoording via model G, onderdeel 1, tot een onnodig hoge administratieve last voor de subsidieontvanger. Bovenstaande heeft niet geleid tot aanpassingen. De verantwoording in de Jaarverslaggeving met model G, onderdeel 1, blijft gehandhaafd om voldoende bewijs te hebben dat de subsidie daadwerkelijk besteed is aan het daarvoor bestemde doel. De controle of activiteiten zijn uitgevoerd vind enerzijds plaats via de verklaring van de accountant bij model G, onderdeel 1. Anderzijds door de verplichte deelname aan het onderzoek naar leeruitkomsten dat door een externe partij wordt uitgevoerd. De partij die dit onderzoek uitvoert maakt een melding bij DUS-I als er geen activiteiten zijn uitgevoerd.

De ADR heeft geadviseerd een minimumeis te stellen aan het aantal deelnemende studenten van de Nederlandse en buitenlandse hoger onderwijsinstelling. Om de toegankelijkheid van de regeling voor kleinere opleidingen te waarborgen, is deze minimumeis niet over genomen.

De aanvraag voor subsidie wordt elektronisch ingediend. Daarvoor wordt gebruik gemaakt van het aanvraagformulier dat beschikbaar wordt gesteld op de via https://www.dus-i.nl/subsidies/virtuele-internationale-samenwerkingsprojecten. DUS-I is gevraagd gedurende de looptijd van de regeling jaarlijks vóór 1 februari een tussenrapportage aan te leveren bij de minister. DUS-I dient uiterlijk 31 december 2024 een eindrapportage met een overzicht van alle projecten in bij de minister.

12. Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 september 2021.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 1 Begripsbepalingen

In artikel 1 zijn de begripsbepalingen opgenomen.

Artikel 2 Toepassing Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS

Op deze subsidieregeling is de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS van toepassing. Dat betekent onder andere – zoals in het algemene deel van deze toelichting is aangegeven – dat de subsidieverplichtingen van hoofdstuk 5 van toepassing zijn op de subsidies die op grond van deze regeling worden verstrekt.

Artikel 3 Te subsidiëren activiteiten

Eerste lid

In artikel 3, eerste lid, worden de te subsidiëren activiteiten benoemd. Een subsidie kan worden verstrekt voor het ontwikkelen van een nieuw of het bijwerken en actualiseren van een bestaand virtueel internationaal samenwerkingsproject. Het opzetten en ontwikkelen van een virtueel internationaal samenwerkingsproject kan bestaan uit het ontwerpen en vormgeven van het virtueel internationaal samenwerkingsproject, het leggen van contact en het maken van afspraken met een buitenlandse instelling, en het implementeren van het virtueel internationaal samenwerkingsproject.

Daarnaast kunnen activiteiten betrekking hebben op het doceren en het coördineren van het virtueel internationaal samenwerkingsproject. Ook dient afstemming met de buitenlandse partnerinstelling waarmee het samenwerkingsproject vorm krijgt, plaats te vinden. Tevens wordt verwezen naar het algemeen deel van de toelichting.

Diverse opleidingen binnen het Nederlandse hoger onderwijs verzorgen al langer virtuele internationale samenwerkingsprojecten om daarmee hun onderwijs te verrijken. Voor deze opleidingen bestaat de mogelijkheid om het bestaande virtuele internationale samenwerkingsproject zo nodig te herzien, en voor deze tijdsinvestering gebruik te maken van deze subsidieregeling. Het bijwerken en herzien van het project is bedoeld om in te spelen op ontwikkelingen die van invloed zijn op (de kwaliteit van) het virtueel internationaal samenwerkingsproject.

Tweede lid

In artikel 3, tweede lid, wordt geregeld dat het instellingsbestuur ten behoeve van de in het eerste lid bedoelde activiteiten in ieder geval kan voorzien in het vrijroosteren van docenten en onderwijskundigen.

Bij de aanvraag van een subsidie in het kader van onderhavige subsidieregeling wordt van de instelling verwacht intern akkoord te zijn met het beschikbaar stellen van tijd voor docent en onderwijskundige die aan het beoogde virtueel internationaal samenwerkingsproject gaan werken.

Voor een goede inbedding kan het noodzakelijk zijn om binnen de instelling nog verder af te stemmen, bijvoorbeeld over de structurele borging, mandatering en budgettering voor de continuering van het virtueel internationaal samenwerkingsproject.

Derde lid

De subsidie kan ook worden gebruikt voor activiteiten met betrekking tot het betrekken van aanvullende expertises binnen de instelling en kennisdisseminatie. Bij de ontwikkeling van het virtueel internationaal samenwerkingsproject kan het relevant zijn om ook aanvullende expertises binnen de instelling te betrekken. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het betrekken van een persoon met specifieke vakkennis om thematische dwarsverbanden met andere vakken of opleidingen te leggen, een persoon met een goed netwerk waarbinnen een opdracht uitgevoerd kan worden, een collega binnen de instelling met ervaring op het gebied van virtueel geïnternationaliseerd onderwijs of het reflecteren met studenten op interculturele competenties, een persoon met ervaring op het gebied van projectmatig werken, enzovoorts.

Artikel 4 Subsidiebedrag

In dit artikel wordt het subsidiebedrag bepaald.

Per subsidieaanvraag is € 15.000 beschikbaar. Het subsidiebedrag is bedoeld als een substantiële bijdrage voor het ontwerpen of herzien, ontwikkelen en implementeren van een virtueel internationaal samenwerkingsproject. Het bedrag biedt ruimte voor het instellingsbestuur om in elk geval een docent en onderwijskundige vrij te roosteren, die gezamenlijk werken aan het ontwerpen of herzien, ontwikkelen en implementeren van een virtueel internationaal samenwerkingsproject. Het subsidiebedrag kan door het instellingsbestuur ook gebruikt worden voor de inzet van aanvullende expertises om bij te dragen aan de ontwikkeling van het virtueel internationaal samenwerkingsproject. De verdeling van uren over de verschillende rollen is aan de instelling zelf.

Artikel 5 Subsidieaanvraag

In dit artikel worden de procedure, aanvraagtijdperioden en de aan te leveren informatie benoemd.

De subsidieontvanger kan per aanvraagperiode meerdere aanvragen indienen. Voor het ontwerpen of herzien van een virtueel internationaal samenwerkingsproject kunnen instellingen op verschillende manieren samenwerken.

Bijvoorbeeld: Multidisciplinaire samenwerking binnen een instelling: subsidieontvangers kunnen met verschillende opleidingen aan één multidisciplinair virtueel internationaal samenwerkingsproject werken. Wel vraagt de subsidieontvanger voor elke deelnemende opleiding een afzonderlijke subsidie aan. De instelling vraagt in dit voorbeeld drie subsidies aan.

Eén virtueel internationaal samenwerkingsproject aanbieden op verschillende vestigingen: indien dit betekent dat drie verschillende docenten, verspreid over de drie vestigingen, het virtueel internationaal samenwerkingsproject zullen aanbieden kan de subsidieontvanger hier drie keer subsidie voor aanvragen. Per docent gekoppeld aan een onderwijskundige op de verschillende vestigingen vraagt de subsidieontvanger afzonderlijk subsidie aan.

Bij het aanvragen van meerdere subsidies, met als doel samen te werken aan één virtueel internationaal samenwerkingsproject, loopt de subsidieontvanger per aanvraagperiode het risico dat niet elke afzonderlijke aanvraag wordt toegekend.

Het is niet mogelijk meerdere aanvragen in te dienen wanneer een instelling voor éénzelfde virtueel internationaal samenwerkingsproject en dezelfde vestiging al een subsidieaanvraag heeft ingediend.

Artikel 6 Subsidieplafond

Artikel 6 heeft betrekking op de subsidieplafonds. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar het algemeen deel van de toelichting.

Artikel 7 Weigeringsgronden

In dit artikel zijn de weigeringsgronden opgenomen. Deze weigeringsgronden gelden in aanvulling op de weigeringsgronden, opgenomen in artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht. Eén van de gronden waarop een subsidie kan worden geweigerd betreft de situatie waarin voor de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd, ook uit andere hoofde aanspraak op subsidie bestaat, bijvoorbeeld omdat al een andere subsidie is ontvangen voor dezelfde activiteiten.

Ook kan de subsidie worden geweigerd wanneer de aanvrager voornemens is het subsidiebedrag te besteden aan het ontwerpen van een MOOC, dat wil zeggen een open online te volgen cursus waarbij de deelnemers niet aan een specifiek onderwijsprogramma of instelling voor hoger onderwijs verbonden zijn.

Ook kan subsidie worden geweigerd wanneer de aanvrager subsidie aanvraagt voor activiteiten waarvoor al eerder op grond van deze subsidieregeling subsidie is ontvangen. Een instelling kan wel voor de ontwikkeling of herziening van een ander virtueel internationaal samenwerkingsproject subsidie aanvragen.

Artikel 8 Wijze van verdeling beschikbare middelen

Op twee momenten in het jaar, met uitzondering van 2021, zal er sprake zijn van een aanvraagperiode waarbij geïnteresseerde instellingsbesturen van bekostigde hogeronderwijsinstellingen een aanvraag voor subsidie kunnen doen. Wordt het subsidieplafond overschreden dan worden alle aanvragen op volgorde van binnenkomst gerangschikt. In het geval instellingsbesturen meerdere aanvragen in een bepaalde aanvraagperiode indienen, maakt de tweede aanvraag van een instelling kans op subsidie, nadat alle eerste aanvragen van instellingsbesturen zijn gerangschikt. Zo ook de derde, vierde, en opeenvolgende aanvraag, totdat het subsidieplafond van de betreffende aanvraagperiode bereikt is.

Een voorbeeld:

Instelling A wil in één aanvraagperiode subsidie aanvragen voor drie virtuele internationale samenwerkingsprojecten. In dezelfde aanvraagperiode vraagt instelling B vier subsidies aan. Omdat het subsidieplafond is overschreden, worden alle eerste ingediende aanvragen van alle instellingsbesturen op datum en tijdstip gerangschikt.

Voor zowel instelling A als instelling B komt de eerste ingediende subsidieaanvraag in aanmerking voor toekenning. Wanneer het subsidieplafond nog niet bereikt is, wordt er in rangschikking opnieuw gekeken naar de datum en tijdstip van binnenkomst van de tweede en navolgende ingediende aanvraag van instelling A en B.

Indien DUS-I constateert dat een aanvraag incompleet is, krijgt aanvrager op grond van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht, eenmalig de kans om de aanvraag aan te vullen, mits het subsidieplafond nog niet is bereikt.

Artikel 9 Verplichtingen subsidie

In onderhavig artikel zijn de verplichtingen bij de subsidie opgenomen.

Eerste lid

Onderdeel a: Het werken aan het virtuele internationale samenwerkingsproject start zo spoedig mogelijk na beschikking. Wanneer een aanvrager na 6 maanden start met de activiteiten dan heeft hij nog 12 maanden de tijd voor het ontwerpen, ontwikkelen en implementatie.

Onderdeel b: De maximale subsidieperiode bedraagt achttien maanden. De maximale looptijd van de subsidie is tevens van belang voor de verplichte deelname aan het onderzoek naar leeruitkomsten, dat door een externe partij wordt uitgevoerd.

Onderdeel c: Op verzoek van de minister verleent de subsidieontvanger medewerking aan kennisdelingsactiviteiten rondom virtuele internationale samenwerkingsprojecten.

Onderdeel d: De minister laat een externe partij onderzoek doen naar de leeruitkomsten van virtuele internationale samenwerkingsprojecten. De via een aanbesteding gecontracteerde externe partij zal toelichten op welke wijze het contact met de subsidieontvanger wordt gelegd. Deze partij levert aan het ministerie een overzicht van projecten die zijn uitgevoerd in het kader van de subsidieregeling. Indien hieruit blijkt dat een deelnemende subsidieontvanger geen werkzaamheden heeft verricht, kan de minister gelet op artikel 4:49 van de Algemene wet bestuursrecht besluiten de verstrekte subsidie terug te vorderen.

Tweede lid

Dit betreft de meldingsplicht zoals opgenomen in de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS, artikel 5.7 en is voor de volledigheid ook in deze regeling opgenomen. Op grond van artikel 5.7 van de Kaderregeling zijn de subsidieontvangers verplicht om het de minister onverwijld te melden indien (i) aannemelijk is geworden dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verstrekt niet, niet tijdig of niet geheel zullen worden verricht, (ii) aannemelijk is geworden dat niet, niet tijdig of niet geheel aan de subsidieverplichtingen zal worden voldaan, of (iii) zich andere omstandigheden voordoen of zullen voordoen die van belang kunnen zijn voor een beslissing tot wijziging, intrekking of vaststelling van de subsidie.

Artikel 10 Vaststelling en verantwoording subsidie

In onderhavig artikel is toegelicht wanneer de subsidie wordt vastgesteld en welke verantwoording vereist is.

Het subsidiebedrag wordt direct vastgesteld binnen 13 weken na afloop van de desbetreffende aanvraagperiode. Het vastgestelde subsidiebedrag wordt overgemaakt naar het bevoegd gezag van het instellingsbestuur,

Artikel 11 Inwerkingtreding en vervaldatum

In onderhavig artikel is de datum waarop de regeling in werking treedt en vervalt genoemd.

Artikel 12 Citeertitel

In onderhavig artikel is de titel waaronder deze regeling wordt aangehaald benoemd.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, I.K. van Engelshoven


X Noot
1

Onderwijsraad, 2018, Internationalisering in het hoger onderwijs

X Noot
2

Onderwijsraad, 2018, Internationalisering in het hoger onderwijs

X Noot
3

O’Dowd, R., 2012, Intercultural communicative competence through telecollaboration: Language in Action. London: Routledge

X Noot
4

O’Dowd, R., 2012, Intercultural communicative competence through telecollaboration: Language in Action. London: Routledge

X Noot
5

Tweede Kamer, vergaderjaar 2017–2018, 22 452, nr. 59

X Noot
6

Onderwijsraad, 2018, Internationalisering in het hoger onderwijs

X Noot
7

Onderwijsraad, 2018, Internationalisering in het hoger onderwijs

X Noot
8

Onderwijsraad, 2018, Internationalisering in het hoger onderwijs

X Noot
9

Ministerie van Financiën, 2019, IBO Internationalisering van (hoger) onderwijs

X Noot
10

Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 22 452, nr. 41 en Tweede Kamer, vergaderjaar 2017–2018, 22 452, nr. 59 en Onderwijsraad, 2018, Internationalisering in het hoger onderwijs

X Noot
11

Tweede Kamer, vergaderjaar 2018–1019, 31 288, nr. 782

X Noot
12

Tweede Kamer, vergaderjaar 2019–2020, 31 288, nr. 797

X Noot
13

Tweede Kamer, vergaderjaar 2019–2020, 31 288, nr. 797