Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en WetenschapStaatscourant 2021, 12435Besluiten van algemene strekking

Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media van 11 maart 2021, nr. MBO/27228346, houdende wijziging van de Subsidieregeling inhaal- en ondersteuningsprogramma’s onderwijs 2020–2021 in verband met een aanpassing van het verantwoordingsregime voor bekostigde onderwijsinstellingen en enkele technische wijzigingen

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media,

Gelet op artikel 4 van de Wet overige OCW-subsidies en artikel 1.3 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS;

Besluiten:

ARTIKEL I. WIJZIGING SUBSIDIEREGELING INHAAL- EN ONDERSTEUNINGSPROGRAMMA’S ONDERWIJS 2020–2021

De Subsidieregeling inhaal- en ondersteuningsprogramma’s onderwijs 2020–2021 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onder c, wordt ‘vavo-studenten’ vervangen door ‘studenten’.

2. In het eerste lid, onder d, wordt ‘deelnemers’ vervangen door ‘vavo-studenten’.

B

Artikel 12 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het vierde tot en met zevende lid wordt ‘31 augustus 2021’ telkens vervangen door ‘31 december 2021’.

2. In het vijfde lid wordt ‘kunnen worden uitgevoerd’ vervangen door ‘worden uitgevoerd’.

C

Artikel 13 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het opschrift vervalt de zinsnede ‘tot € 125.000,–’.

2. In het eerste lid vervalt ‘die minder dan € 125.000,– bedraagt,’.

D

Artikel 14 vervalt.

E

Artikel 15 wordt als volgt gewijzigd:

1. In de aanhef van het eerste lid wordt ‘artikel 13 en 14’ vervangen door ‘artikel 13’.

2. In het vijfde lid vervalt de tweede volzin.

3. Na het vijfde lid worden twee leden ingevoegd, die luiden:

  • 6. Een subsidie als bedoeld in het vijfde lid wordt lager vastgesteld voor zover:

    • a. de totale kosten lager zijn dan het verleende subsidiebedrag van € 900,– per deelnemer;

    • b. de subsidie niet is besteed aan de activiteiten waarvoor deze wordt verleend; of

    • c. minder dan 85% van het aantal deelnemers waarvoor subsidie is verstrekt het inhaal- en ondersteuningsprogramma heeft afgerond.

  • 7. De ontvanger van een subsidie als bedoeld in het vijfde lid maakt er bij de minister melding van indien het aantal deelnemers dat het inhaal- en ondersteuningsprogramma heeft afgerond, minder is dan 85% van het aantal deelnemers waarvoor subsidie is verstrekt.

F

Na artikel 17 wordt een artikel ingevoegd, dat luidt:

Artikel 17a. Overgangsbepaling aanpassing verantwoordingsregime

De minister neemt voor de subsidies die zijn verleend op grond van artikel 14, zoals dat luidde op het moment van subsidieverlening, uiterlijk op 1 april 2021 een beschikking tot directe subsidievaststelling onder toepassing van artikel 13. Deze beschikking tot vaststelling treedt daarbij in de plaats van de eerdere beschikking tot subsidieverlening.

G

In artikel 16 wordt ‘2021’ vervangen door ‘2022’.

ARTIKEL II. INWERKINGTREDING

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst, en werkt voor artikel I, onderdeel A, terug tot en met 25 november 2020 en voor artikel I, onderdelen C, D en E, terug tot en met 26 mei 2020.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, I.K. van Engelshoven

De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, A. Slob

TOELICHTING

Algemeen deel

Aanleiding

Bij de Tweede Kamerbehandeling van de begroting van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) is op 27 oktober 2020 een motie van de leden Van Meenen (D66) en Westerveld (GroenLinks) over de Subsidieregeling inhaal- en ondersteuningsprogramma’s onderwijs 2020–2021 aangenomen.1 Met deze motie wordt de regering verzocht ‘de verantwoording over deze middelen te vereenvoudigen en de mogelijkheid open te stellen om de middelen ook preventief in te zetten’. De sectorraden uit PO, VO en MBO hebben nadat de motie is aangenomen een gezamenlijke brief aan het Ministerie van OCW gestuurd, waarin zij de motie kracht bijzetten en vragen om alle subsidieontvangers onder het lichtste verantwoordingsregime te brengen.

Met deze wijzigingsregeling wordt uitvoering gegeven aan het deel van de motie dat betrekking heeft op het verantwoordingsregime. In de Subsidieregeling inhaal- en ondersteuningsprogramma’s onderwijs 2020–2021 wordt geregeld dat de bekostigde onderwijsinstellingen die eerder onder het zwaardere verantwoordingregime (model G2) vielen, onder het lichtere verantwoordingsregime (model G1) worden gebracht.2

Over het openstellen van de mogelijkheid om de middelen ook preventief in te zetten, het volgende. De inhaal- en ondersteuningsprogramma’s zijn bedoeld voor leerlingen, studenten, vavo-studenten en deelnemers die in 2020 leerachterstanden of studievertraging hebben opgelopen door de (gedeeltelijke) sluiting van scholen en instellingen vanwege de COVID19-maatregelen. De programma’s moeten een reëel perspectief geven op het wegwerken of inhalen van de opgelopen onderwijsachterstanden of studievertraging, maar kunnen op die manier ook bijdragen aan het voorkomen van (verdere) leerachterstanden en studievertraging.3 Bovendien is in aanvulling op de Subsidieregeling inhaal- en ondersteuningsprogramma’s onderwijs 2020–2021 op 17 december 2020 de Subsidieregeling extra hulp voor de klas gepubliceerd.4 Scholen (met één penvoerder per regio) en instellingen kunnen op grond daarvan subsidie aanvragen voor een tegemoetkoming in de extra kosten die zij tijdelijk maken om de continuïteit van het onderwijs tijdens de uitbraak van COVID-19 te kunnen waarborgen. Deze middelen kunnen dus ook preventief ingezet worden. Het is daarom niet nodig om in deze wijzigingsregeling uitvoering aan dit deel van de motie te geven: dit deel is en wordt reeds uitgevoerd.

Verder wordt met deze wijzigingsregeling invulling gegeven aan de door de sectorraden en verschillende scholen en instellingen geuite wens meer tijd te krijgen om de activiteiten die zij in het kader van deze regeling ontplooien, af te ronden. Aangezien ook in schooljaar 2020/2021 sprake is (geweest) van (gedeeltelijke) sluiting van scholen en instellingen, kan tijdige uitvoering van de activiteiten in het kader van de Subsidieregeling inhaal- en ondersteuningsprogramma’s onderwijs 2020–2021 in de knel komen. Door deze wijziging kunnen scholen en instellingen tot en met 31 december 2021 in plaats van tot en met 31 augustus 2021 de inhaal- en ondersteuningsprogramma’s aanbieden.

Tot slot worden met deze wijzigingsregeling enige technische aanpassingen in de Subsidieregeling inhaal- en ondersteuningsprogramma’s onderwijs 2020–2021 aangebracht.

Uitvoerbaarheid

De Dienst Uitvoering Subsidies (DUS-I) en de Inspectie van het Onderwijs achten de regeling uitvoerbaar.

Artikelsgewijs deel

Artikel I, onderdeel A

Op 25 november 2020 is een aantal termen in deze regeling gewijzigd in verband met de terminologiewijzigingen voortvloeiend uit de Wet versterken positie mbo-studenten.5 De benaming van een deelnemer die een beroepsopleiding volgt, is door genoemde wet gewijzigd in ‘student’, en de deelnemer die een opleiding voortgezet algemeen volwassenenonderwijs (vavo) volgt in ‘vavo-student’. De deelnemer die een opleiding overige educatie (dit is alle educatie, niet zijnde vavo) volgt, blijft ‘deelnemer’ heten. Hetzelfde is gedaan op het niveau van besluiten en regelingen, waaronder de Subsidieregeling inhaal- en ondersteuningsprogramma’s onderwijs 2020–2021.

In de wijziging van artikel 3 van de Subsidieregeling inhaal- en ondersteuningsprogramma’s onderwijs 2020–2021 is dit per abuis niet goed gegaan. Het eerste lid, onderdeel c, heeft betrekking op (mbo-)studenten die vertraging hebben opgelopen in de beroepspraktijkvorming en niet op vavo-studenten. Het eerste lid, onderdeel d, heeft betrekking op vavo-studenten met studievertraging en niet op deelnemers aan een opleiding overige educatie. Met deze wijzigingsregeling wordt dit hersteld.

Artikel I, onderdeel B

In artikel 12, vierde tot en met zesde lid, wordt de uiterlijke datum waarop de activiteiten kunnen worden uitgevoerd, gewijzigd in 31 december 2021. Deze datum is ook opgenomen in artikel 12, zevende lid, dat voorschrijft dat het bevoegd gezag na afloop van de activiteiten meldt hoeveel leerlingen, studenten, vavo-studenten en deelnemers het inhaal- en ondersteuningsprogramma hebben afgerond. De bijgestelde einddatum is nog in 2021. Zo behoeft de verantwoording over de ontvangen subsidie niet ook in de jaarverslaggeving over 2022 plaats te vinden. Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om de formulering van de subsidieverplichting, opgenomen in artikel 12, vijfde lid, qua formulering in lijn te brengen met de overige subsidieverplichtingen die in artikel 12 zijn opgenomen.

Artikel I, onderdelen C, D, E en F

In het opschrift en het eerste lid van artikel 13 komen de verwijzingen naar de grens van € 125.000,– te vervallen. Artikel 13 geldt nu dus voor alle subsidies aan bekostigde onderwijsinstellingen. Artikel 14, dat eerder gold voor subsidies aan bekostigde onderwijsinstellingen die een subsidie hebben ontvangen van € 125.000,– of meer, kan daarom komen te vervallen. In verband daarmee is ook artikel 15 technisch aangepast, waarbij de oude leden 6 en 7 van artikel 14 – die ook voor de subsidieverstrekking aan niet-bekostigde onderwijsinstellingen van belang zijn – aan het artikel zijn toegevoegd.

Naast het eerdere verschil in verantwoordingsregimes voor bekostigde onderwijsinstellingen, zijn de subsidies van minder dan € 125.000,– meteen vastgesteld en de subsidies van € 125.000,– eerst verleend. Laatstgenoemde subsidies zouden pas worden vastgesteld nadat de activiteiten zijn verricht. Ook dit verschil zal worden weggenomen; het nieuwe artikel 17a van de regeling bevat daarvoor een regeling. Door middel van nieuwe beschikkingen zal ervoor worden gezorgd dat verleende subsidies alsnog direct worden vastgesteld, waarbij deze directe vaststelling in de plaats treedt van de eerdere verleningsbeschikkingen. DUS-I heeft alle bekostigde onderwijsinstellingen erover geïnformeerd dat het verantwoordingsregime voor de subsidies van € 125.000,– of meer wordt versoepeld en dat er een wijzigingsregeling zal worden gepubliceerd. Met publicatie van deze regeling wordt daar invulling aan gegeven.

Artikel I, onderdeel G

In artikel 17 wordt het jaar waarin de evaluatie van de regeling gereed moet zijn, veranderd in 2022 in plaats van 2021. Op die manier kan in de evaluatie rekening worden gehouden met het feit dat de inhaal- en ondersteuningsprogramma’s als gevolg van deze wijzigingsregeling kunnen doorlopen tot en met uiterlijk 31 december 2021.

Artikel II

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant. Hiermee wordt afgeweken van de vaste verandermomenten. Dit is in het belang van het onderwijsveld, aangezien dat snel duidelijkheid over het toepasselijke verantwoordingsregime nodig heeft. Voor 1 juli 2020 dienen de bekostigde onderwijsinstellingen hun jaarverslaggeving over het jaar 2020 in te dienen, en de voorbereidingen daarvoor zijn veelal al in gang gezet. Ook is het van belang van het onderwijsveld om snel duidelijkheid te krijgen over de periode waarbinnen de activiteiten moeten zijn afgerond.

Verder werkt de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel A, terug tot en met 25 november 2020. Zoals aangegeven in de artikelsgewijze toelichting bij artikel I, onderdeel A, is op deze datum een aantal termen in de Subsidieregeling inhaal- en ondersteuningsprogramma’s onderwijs 2020–2021 aangepast in verband met de Wet versterken positie mbo-studenten. In artikel 3 is daarbij een misslag opgetreden. Om verwarring te voorkomen, is ervoor gekozen deze omissie te herstellen met terugwerkende kracht.

Ook aan de inwerkingtreding van artikel I, onderdelen C, D en E, is terugwerkende kracht verleend, maar dan tot en met 26 mei 2020. Op deze datum is de Subsidieregeling inhaal- en ondersteuningsprogramma’s onderwijs 2020–2021 in werking getreden. Hiermee wordt verduidelijkt dat het lichtere verantwoordingsregime geldt voor de hele looptijd van de subsidie, dus ook voor de periode voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wijzigingsregeling. Dit is eveneens niet bezwaarlijk voor het onderwijsveld, aangezien het verantwoordingsregime voor subsidies aan bekostigde onderwijsinstellingen van € 125.000,– of meer met deze wijzigingsregeling lichter is geworden.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, I.K. van Engelshoven

De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, A. Slob


X Noot
1

Kamerstukken II 2020/21, 35 570 VIII, nr. 68.

X Noot
2

Het gaat hier om verantwoording in de jaarverslaggeving met de modellen G, onderdeel 1, en G, onderdeel 2, van richtlijn 660 uit Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving zoals vastgesteld door de Raad voor de Jaarverslaggeving.

X Noot
3

Zie voor het precieze doel en de precieze doelgroepen artikel 3, eerste en tweede lid, van de Subsidieregeling inhaal- en ondersteuningsprogramma’s onderwijs 2020–2021.

X Noot
5

Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 16 november 2020, nr. 26008797, houdende de wijziging van diverse ministeriële regelingen en beleidsregels in verband met de terminologiewijzigingen in de Wet versterken positie mbo-studenten, Stcrt. 2020, 60912.