Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Sociale Zaken en WerkgelegenheidStaatscourant 2020, 9824Besluiten van algemene strekking

Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 12 februari 2020, nr. 2019-0000172044, tot verlening van een eenmalige tegemoetkoming aan werknemers die lijden aan de aandoening CSE als gevolg van de blootstelling aan oplosmiddelen tijdens het verrichten van arbeid (Regeling tegemoetkoming werknemers met CSE)

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

Gelet op de artikelen 3, eerste lid, en 9 van de Kaderwet SZW-subsidies, en artikel 34a van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;

Besluit:

HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1. Begripsbepalingen

  • 1. In deze regeling wordt verstaan onder:

    CSE:

    chronic solvent-induced encephalopathy, een aandoening van het centrale zenuwstelsel als gevolg van de langdurige blootstelling aan oplosmiddelen;

    CSE-panel:

    multidisciplinair team van experts dat gespecialiseerd is in de aandoening CSE en beoordeelt of een afgegeven diagnose voldoet aan de criteria uit deze regeling;

    Instituut Asbestslachtoffers:

    Stichting Instituut Asbestslachtoffers te ’s-Gravenhage;

    lasten:
    • a. voorschot;

    • b. vergoedingen die door de SVB aan het Instituut Asbestslachtoffers worden verstrekt voor de advisering ten behoeve van deze regeling;

    minister:

    Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;

    nabestaanden:
    • a. de langstlevende van de echtgenoten;

    • b. bij ontstentenis van de onder a bedoelde persoon, de minderjarige kinderen, tot wie de overledene in familierechtelijke betrekking stond;

    • c. bij ontstentenis van de onder a en b bedoelde personen, degenen met wie hij in gezinsverband leefde;

    • d. bij ontstentenis van de onder a, b en c bedoelde personen, erfgenamen als bedoeld in Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek, mits een verklaring van erfrecht wordt overgelegd;

    oplosmiddelen:

    vluchtige organische stoffen als bedoeld in artikel 4.62a van het Arbeidsomstandighedenbesluit;

    Solvent Team:

    multidisciplinair team van experts, gevestigd in het Academisch Medisch Centrum te Amsterdam, dat gespecialiseerd is in het vaststellen of uitsluiten van de aandoening CSE en daarover een diagnose stelt;

    SVB:

    Sociale verzekeringsbank, genoemd in hoofdstuk 6 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;

    voorschot:

    tegemoetkoming als voorschot op de eventuele vordering van immateriële schade op de werkgever op wie deze schade kan worden verhaald;

    werkgever:

    natuurlijke of rechtspersoon voor wie de werknemer arbeid in Nederland verricht of heeft verricht krachtens een Nederlandse publiekrechtelijke aanstelling of krachtens een arbeidsovereenkomst waarop Nederlands recht van toepassing is of was;

    werknemer:

    degene die voor een natuurlijke of rechtspersoon arbeid in Nederland verricht of heeft verricht krachtens een Nederlandse publiekrechtelijke aanstelling of krachtens een arbeidsovereenkomst waarop Nederlands recht van toepassing is of was.

  • 2. In deze regeling wordt met de echtgenoot gelijkgesteld de geregistreerde partner en de persoon die op grond van artikel 1, derde lid, onderdeel a, en vierde tot en met zevende lid, van de Algemene Ouderdomswet en de daarop berustende bepalingen mede als zodanig wordt aangemerkt.

  • 3. In deze regeling wordt niet als echtgenoot aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is.

Artikel 2. Arbeid op vaartuig

Arbeid die wordt verricht aan boord van schepen en luchtvaartuigen die in Nederland hun thuishaven hebben, wordt ten opzichte van de bemanning aangemerkt als in Nederland verrichte arbeid.

HOOFDSTUK 2. HET RECHT OP EN DE HOOGTE VAN EEN VOORSCHOT

Artikel 3. Voorwaarden recht op een voorschot

  • 1. De werknemer bij wie de aandoening CSE is vastgesteld heeft recht op een voorschot, indien:

    • a. de aandoening CSE voor 1 maart 2020 is vastgesteld;

    • b. het CSE-panel heeft geconcludeerd dat de diagnose CSE voldoet aan de richtlijnen uit het artikel 'Chronic solvent-induced encephalopathy: European consensus of neuropsychological characteristics, assessment, and guidelines for diagnostics' zoals gepubliceerd in het tijdschrift NeuroToxicology 33 (2012), p. 710–726;

    • c. hij aannemelijk heeft gemaakt dat de aandoening CSE is veroorzaakt door de blootstelling aan oplosmiddelen tijdens het verrichten van arbeid als werknemer;

    • d. hij geen betaling in verband met de aandoening CSE van een of meer werkgevers heeft ontvangen, dan wel in verband daarmee een bedrag heeft ontvangen dat lager is dan € 21.269, ongeacht de vorm waarin de betaling is gedaan en de aard van de kosten waarin de betaling voorziet;

    • e. hij zich verplicht tot medewerking aan bemiddeling door het Instituut Asbestslachtoffers tussen hem en zijn werkgever om de schade vergoed te krijgen en, met inachtneming van onderdeel f, tot medewerking om de schade zo nodig langs gerechtelijke weg vergoed te krijgen;

    • f. hij de SVB een onherroepelijke volmacht als bedoeld in artikel 74 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek heeft verleend om:

      • 1°. zo nodig de immateriële schade langs gerechtelijke weg te verhalen;

      • 2°. de immateriële schadevergoeding namens hem van de werkgever te innen, teneinde dit te verrekenen met het verleende voorschot;

    • g. hij, indien hij een betaling van de werkgever ontvangt in verband met de aandoening CSE na uitbetaling van het voorschot, het voorschot voor het geheel of, wanneer de betaling lager is dan het verleende voorschot, het voorschot voor dat deel aan de SVB terugbetaalt; en

    • h. hij aan de SVB onverwijld mededeling doet van ontvangst van de betaling, bedoeld in onderdeel g.

  • 2. In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, kan een werknemer tevens recht hebben op een voorschot, indien ten behoeve van de werknemer uiterlijk op 1 september 2020 een verzoek voor een diagnose is ingediend bij het Solvent Team en dit later leidt tot de diagnose CSE door het Solvent Team.

Artikel 4. Recht op voorschot nabestaanden

De nabestaanden hebben in plaats van de werknemer recht op het voorschot indien de werknemer is overleden nadat hij de aanvraag heeft ingediend, doch voordat op de aanvraag is beslist, en de werknemer recht op het voorschot zou hebben gehad.

Artikel 5. Beperking recht op voorschot

Indien de werknemer bij wie de aandoening CSE is vastgesteld tevens tijdens het verrichten van arbeid buiten Nederland is blootgesteld aan oplosmiddelen en in verband daarmee een betaling van een werkgever of buitenlandse werkgever heeft ontvangen, bestaat het recht op een voorschot in afwijking van artikel 3 uitsluitend voor zover die betaling lager is dan € 21.269, ongeacht de vorm waarin de betaling is gedaan en de aard van de kosten waarin de betaling voorziet.

Artikel 6. Hoogte voorschot

  • 1. Het voorschot bedraagt € 21.269.

  • 2. Indien een of meer werkgevers een bedrag hebben betaald aan de werknemer in verband met de aandoening CSE dat in totaal lager is dan € 21.269 of indien de werknemer betalingen heeft ontvangen als bedoeld in artikel 5 wordt de hoogte van het voorschot vastgesteld op het verschil tussen de ontvangen bedragen en € 21.269.

  • 3. Voor de toepassing van het tweede lid wordt als maatstaf genomen de hoogte van de betalingen nadat daarop de verschuldigde belasting op grond van de Wet inkomstenbelasting 2001 en premies voor de volksverzekeringen op grond van de Wet financiering sociale verzekeringen in mindering zijn gebracht.

HOOFDSTUK 3. HET GELDEND MAKEN VAN HET RECHT OP HET VOORSCHOT

Artikel 7. De aanvraag van het voorschot

  • 1. De SVB stelt op aanvraag van de werknemer vast of recht op het voorschot bestaat.

  • 2. Een aanvraag voor het voorschot wordt bij de SVB ingediend.

Artikel 8. Overlijden na aanvraag

  • 1. De behandeling van de aanvraag wordt in de situatie dat de werknemer is overleden nadat hij de aanvraag heeft ingediend, doch voordat op de aanvraag is beslist, ten behoeve van de nabestaanden voortgezet, tenzij deze schriftelijk te kennen geven daarop geen prijs te stellen.

  • 2. Indien er meer dan één nabestaande is, dragen de nabestaanden er zorg voor dat aan één van hen een volmacht wordt verleend tot vertegenwoordiging ten behoeve van de uitvoering van deze regeling, het in ontvangst nemen van het voorschot daarbij inbegrepen.

Artikel 9. Informatieverplichtingen aanvraag voorschot

  • 1. De werknemer verstrekt de SVB of de door haar aangewezen personen of instellingen bij de indiening van de aanvraag om een voorschot in ieder geval de bewijsstukken die noodzakelijk zijn om vast te stellen dat:

    • a. hij voorafgaand aan de inwerkingtreding van de regeling is gediagnosticeerd met de aandoening CSE; of

    • b. uiterlijk op 1 september 2020 voor hem een verzoek voor een diagnose is ingediend bij het Solvent Team en dit later heeft geleid tot de diagnose CSE door het Solvent Team.

  • 2. In verband met de voorwaarde dat aannemelijk wordt gemaakt dat de aandoening CSE is veroorzaakt door blootstelling aan oplosmiddelen tijdens het verrichten van arbeid als werknemer verstrekt de werknemer de SVB of de door haar aangewezen personen of instellingen bij de indiening van de aanvraag om een voorschot de inlichtingen en zo mogelijk bewijsstukken omtrent:

    • a. de blootstelling aan oplosmiddelen gedurende het verrichten van arbeid als werknemer;

    • b. de periode gedurende welke die blootstelling aan oplosmiddelen heeft plaatsgevonden; en

    • c. degenen die in verband met de arbeid waarbij die blootstelling aan oplosmiddelen heeft plaatsgevonden als werkgever worden aangemerkt.

  • 3. De werknemer verstrekt de SVB of de door haar aangewezen personen of instellingen op verzoek of uit eigen beweging de overige inlichtingen en bewijsstukken die nodig zijn voor de uitvoering van deze regeling en verleent ook overigens de medewerking die redelijkerwijs nodig is.

  • 4. Indien de aanvraag om het voorschot van een werknemer na diens overlijden wordt voortgezet ten behoeve van de nabestaanden, is dit artikel op hen van overeenkomstige toepassing.

HOOFDSTUK 4. BETALING EN TERUGVORDERING

Artikel 10. Uitbetaling

De SVB betaalt het voorschot zo spoedig mogelijk uit aan de werknemer of de nabestaande, bedoeld in artikel 8, tweede lid.

Artikel 11. Herziening, intrekking en terugvordering

  • 1. De SVB herziet een besluit tot toekenning van het voorschot of trekt dat in indien degene aan wie het voorschot is toegekend of de nabestaande hiervan:

    • a. nadien alsnog een betaling heeft ontvangen waarmee rekening zou zijn gehouden bij de vaststelling van het recht op het voorschot; of

    • b. een verplichting als bedoeld in de artikelen 3, eerste lid, onder e, g of h, of 9 niet of niet behoorlijk is nagekomen en dit heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van het voorschot.

  • 2. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan de SVB besluiten geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking af te zien.

  • 3. Het voorschot dat als gevolg van een besluit als bedoeld in het eerste lid ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, wordt van degene aan wie het voorschot is toegekend, of de nabestaande hiervan, teruggevorderd.

Artikel 12. Indexering van bedragen

De in deze regeling genoemde bedragen worden jaarlijks met ingang van 1 januari gewijzigd met het percentage van de wijziging van het wettelijk minimumloon en door of namens de minister medegedeeld in de Staatscourant.

HOOFDSTUK 5. UITVOERING EN FINANCIERING

Artikel 13. Uitvoeringsorgaan

Deze regeling wordt uitgevoerd door de SVB.

Artikel 14. Advies Instituut Asbestslachtoffers

  • 1. De SVB kan over het recht op het voorschot advies vragen aan het Instituut Asbestslachtoffers.

  • 2. De SVB stelt de eisen vast waaraan het advies voldoet en stelt een termijn binnen welke het advies wordt verwacht.

Artikel 15. Overeenkomst tussen SVB en Instituut Asbestslachtoffers

  • 1. De SVB en het Instituut Asbestslachtoffers stellen een overeenkomst op betreffende de samenwerking en werkwijze in het kader van de uitvoering van deze regeling.

  • 2. In de in het eerste lid bedoelde overeenkomst wordt ten minste vastgelegd:

    • a. op welke wijze de behandeling van aanvragen om een voorschot plaatsvindt;

    • b. op welke wijze de juistheid en de volledigheid van de verkregen inlichtingen wordt onderzocht;

    • c. op welke wijze de informatievoorziening aan belanghebbenden wordt ingericht;

    • d. welke vergoeding door de SVB aan het Instituut Asbestslachtoffers zal worden verstrekt;

    • e. op welke wijze de verstrekking van de vergoedingen, bedoeld onder d, zal worden ingericht;

    • f. dat periodiek overleg zal worden gevoerd betreffende de uitvoering van deze regeling, alsmede de frequentie daarvan;

    • g. welke informatie door het Instituut Asbestslachtoffers aan de SVB wordt verstrekt ten behoeve van de informatieverplichting van de SVB aan de minister; en

    • h. hoe uit de overeenkomst voortvloeiende geschillen zullen worden beslecht.

Artikel 16. Raming baten en lasten

  • 1. Voor 1 oktober van elk jaar verstrekt de SVB aan de minister in het jaarplan met begroting een opgave van het totaalbedrag aan de voor het komende jaar geraamde baten en lasten met betrekking tot deze regeling, uitgesplitst naar uitkeringslasten per maand en uitvoeringskosten per jaar.

  • 2. In de opgave van de uitkeringslasten, bedoeld in het eerste lid, wordt rekening gehouden met de posten genoemd in artikel 18, tweede lid.

Artikel 17. Betaling voorschot

  • 1. De uitkeringslasten en uitvoeringskosten van deze regeling worden gefinancierd uit een rijksbijdrage ten laste van de begroting van de minister.

  • 2. De minister stort op de rekening-courant, bedoeld in artikel 5.16, onderdeel a, van de Regeling Wfsv, een periodiek voorschot op het bedrag, bedoeld in artikel 16, eerste lid, van:

    • a. geraamde uitkeringslasten met als valutadatum de tweeëntwintigste dag van elke maand; en

    • b. 1/12de deel van de geraamde uitvoeringskosten met als valutadatum de vijftiende dag van elke maand.

  • 3. De minister kan, na overleg met de SVB, van de in het tweede lid, onderdeel a en b, bedoelde bedragen afwijken.

Artikel 18. Afrekening

  • 1. In de jaarrekening, bedoeld in artikel 49 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, worden de baten en lasten, alsmede de ontvangen voorschotten, bedoeld in artikel 17, tweede lid, uitgesplitst naar uitkeringslasten en uitvoeringskosten, met betrekking tot deze regeling opgenomen.

  • 2. Op de in het eerste lid bedoelde uitkeringslasten komen in mindering:

    • a. de bedragen die op grond van artikelen 3, eerste lid, onder f en g, zijn terugbetaald;

    • b. de voorschotten die op grond van artikel 11 zijn teruggevorderd en zijn terugbetaald.

  • 3. Na goedkeuring van het besluit tot vaststelling van de jaarrekening, bedoeld in artikel 34, tweede lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen, rekent de minister de baten en lasten, alsmede de ontvangen voorschotten, met betrekking tot het desbetreffende kalenderjaar af, met als valutadatum 1 juni van het hierop volgende kalenderjaar.

HOOFDSTUK 6. SLOTBEPALINGEN

Artikel 19. Wijzigen overige regelgeving

Aan artikel 7 van de Regeling Participatiewet, IOAW en IOAZ wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel p door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • q. het voorschot, bedoeld in de Regeling tegemoetkoming werknemers met CSE.

Artikel 20. Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 maart 2020.

Artikel 21. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling tegemoetkoming werknemers met CSE.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag, 12 februari 2020

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, T. van Ark

TOELICHTING

Algemeen

1. Inleiding

Deze regeling voorziet in een eenmalige coulanceregeling voor werknemers die door het verrichten van arbeid lijden aan de aandoening chronic solvent-induced encephalopathy (CSE). Deze aandoening staat in Nederland ook wel bekend als chronische toxische encefalopathie (CTE) veroorzaakt door oplosmiddelen, het Organo Psycho Syndroom (OPS) of de schildersziekte. Het betreft een ernstige aandoening van het centrale zenuwstelsel als gevolg van de langdurige blootstelling aan oplosmiddelen.1

Op grond van deze regeling kan een afgebakende groep van slachtoffers die aan deze aandoening lijdt, een aanvraag voor een tegemoetkoming in de geleden immateriële schade indienen bij de Sociale Verzekeringsbank (SVB). Deze tegemoetkoming heeft in beginsel het karakter van een voorschot, in afwachting van een eventueel van de (voormalig) werkgever te ontvangen schadevergoeding. Uitgangspunt blijft dat de schade waar mogelijk op de werkgever moet worden verhaald. De overheid neemt expliciet niet de aansprakelijkheid van de werkgever over.

Het treffen van een coulanceregeling voor werknemers met een beroepsziekte is uitzonderlijk. Deze regeling volgt niet uit een juridische plicht tot schadevergoeding voor de overheid. In Nederland zijn werkgevers verantwoordelijk voor de arbeidsomstandigheden van hun werknemers en aansprakelijk voor de schade die werknemers in hun werk oplopen. Daarnaast biedt het socialezekerheidsstelsel in Nederland een financieel vangnet ingeval een werknemer ziek of arbeidsongeschikt is.

Het betreft hier echter om meerdere redenen een uitzonderlijke situatie, waardoor een coulanceregeling toch wenselijk is geacht. De regeling komt bovendien voort uit een wens van de Tweede Kamer. De Tweede Kamer heeft het kabinet door middel van een breed ondersteunde motie van het Kamerlid Aartsen c.s. opgeroepen om uit coulance een eenmalige financiële tegemoetkoming te verstrekken aan een vastgestelde groep slachtoffers met de aandoening CSE.2

De uitzonderlijkheid van de groep slachtoffers die op grond van deze regeling recht kan hebben op een tegemoetkoming, is gelegen in meerdere factoren. Allereerst is er gedurende meer dan 15 jaar een uitputtende zoektocht gedaan naar mogelijkheden tot een financiële tegemoetkoming anders dan via de overheid voor slachtoffers met de aandoening CSE. Daarnaast is er sprake van een beperkte groep slachtoffers die duidelijk in omvang is af te bakenen. Het is de verwachting dat er – onder andere vanwege aangescherpte wet- en regelgeving en arboconvenanten rondom de blootstelling aan oplosmiddelen – slechts enkele tot géén nieuwe gevallen meer bijkomen. Het gaat voorts om een ernstig ziektebeeld, waarbij er sprake is van aantasting van het centrale zenuwstelsel met grote gevolgen voor zowel het persoonlijke- als arbeidsleven van de slachtoffers. Dit zorgt voor zeer schrijnende situaties. Daarnaast blijft ook na het treffen van deze regeling de aansprakelijkheid van de werkgever vooropstaan.

In de volgende paragrafen wordt nader ingegaan op de voorgeschiedenis die tot deze regeling heeft geleid en worden de hoofdlijnen van de regeling toegelicht.

2. Historie

2.1 Blootstelling aan oplosmiddelen

In het verleden zijn in verschillende beroepsgroepen werknemers langdurig blootgesteld aan oplosmiddelen. Als gevolg van deze blootstelling is bij zeker honderden werknemers de aandoening CSE vastgesteld. De blootstellingen aan oplosmiddelen die deze aandoening hebben veroorzaakt, waren hoger dan destijds volgens de wettelijke voorschriften toegestaan. Daarnaast was op basis van de toenmalige wetenschappelijke inzichten reeds bekend dat de hoge blootstellingen een grote kans op gezondheidsschade zouden opleveren. De gezondheidsschade van de werknemers had derhalve kunnen worden voorkomen.

Vanaf 1990 heeft de Stichting OPS – een stichting die de belangen behartigt van personen bij wie de aandoening CSE is vastgesteld – zich actief ingezet om de gezondheidsproblemen als gevolg van de te hoge blootstelling aan oplosmiddelen op het werk onder de aandacht te brengen van de vakbewegingen, werkgevers en de overheid. Vanaf 2000 zijn verschillende aanvullende wettelijke voorschriften geïntroduceerd waarna het gebruik van producten met een hoog gehalte aan oplosmiddelen niet meer is toegestaan bij veel voorkomende toepassingen in de schildersbranche, de woninginrichting, de grafische industrie, autoschadeherstelbedrijven en later ook in de bouw en de timmerindustrie. Deze voorschriften zijn later ondersteund met een tiental arboconvenanten met afspraken over de aanpak van oplosmiddelen. Vervolgens zijn deze convenanten opgevolgd door afspraken in een aantal arbocatalogi. Deze ontwikkelingen hebben ertoe geleid dat hoge blootstellingen aan oplosmiddelen niet meer systematisch voorkomen.

2.2 Vaststellen aandoening CSE

Het vaststellen van de aandoening CSE is complex. Tussen de blootstelling aan oplosmiddelen en de diagnose van de aandoening zit vaak een geruime tijd. Dit komt allereerst doordat het – afhankelijk van de intensiteit van de blootstelling aan oplosmiddelen – jaren kan duren voordat de klachten ernstig en beperkend worden. Daarnaast zijn de klachten van personen met de aandoening CSE veelal aspecifiek. De klachten kunnen daardoor in eerste instantie worden gerelateerd aan zeer uiteenlopende factoren binnen en buiten het werk. Als gevolg hiervan duurt het vaak jaren voordat een huisarts of specialist het vermoeden krijgt dat de klachten door de blootstelling aan oplosmiddelen op het werk worden veroorzaakt.

De diagnosticering vindt sinds 1995 met name plaats door een zogenoemd Solvent Team. Dat is een multidisciplinair team van experts dat op grond van internationaal erkende diagnostische criteria de aandoening CSE vaststelt of uitsluit. Het Solvent Team werkt op verwijzing van een arts (huisarts, medisch specialist, bedrijfsarts of verzekeringsarts). Er waren tot 2017 twee Solvent Teams actief. Eén team in het Academisch Medisch Centrum te Amsterdam en één team in het Medisch Spectrum Twente te Enschede. Met ingang van 1 januari 2017 heeft het team in Enschede zijn activiteiten beëindigd, omdat er nauwelijks meer een beroep op werd gedaan.

De diagnosticering hoeft echter niet per definitie door een Solvent Team te zijn gedaan. De diagnose CSE kan ook zijn gesteld door een andere arts.

Voor een goede uitvoering van deze regeling wordt het van belang geacht dat bij de diagnosticering gebruik is gemaakt van wetenschappelijk gevalideerde criteria. Om deze reden is in de regeling als voorwaarde voor het recht op een voorschot opgenomen dat een multidisciplinair team van experts gespecialiseerd in de aandoening CSE (het CSE-panel) moet hebben vastgesteld dat de diagnose voldoet aan de richtlijnen uit een zogenoemd Europees consensusdocument. Dit betreft een wetenschappelijke publicatie waarin de internationaal erkende diagnostische criteria voor het vaststellen van CSE zijn vastgelegd en geharmoniseerd. Concreet betreft het de publicatie 'Chronic solvent-induced encephalopathy: European consensus of neuropsychological characteristics, assessment, and guidelines for diagnostics'.3 Deze publicatie dateert uit 2012. De werkwijze van beide Solvent Teams voldoet aan de richtlijnen uit deze publicatie. Ook diagnoses die door de Solvent Teams zijn vastgesteld vóór 2012 voldoen aan deze richtlijnen.

Bij een aanvraag voor een voorschot zal steeds door het CSE-panel worden beoordeeld of de diagnosticering voldoet aan de richtlijnen uit de bovenvermelde publicatie. Zie in dit kader ook paragraaf 3.4 van deze toelichting.

2.3 Verhalen schade

Doordat er vaak geruime tijd zit tussen de blootstelling aan oplosmiddelen tijdens het werk en het moment dat de aandoening CSE wordt vastgesteld, is het in de praktijk in veel gevallen lastig voor werknemers om de schade op de werkgever te verhalen. Zo kan het voorkomen dat een werkgever niet meer bestaat op het moment dat de aandoening wordt vastgesteld of een zaak is verjaard. Verder geldt in z’n algemeenheid dat aansprakelijkheidsprocedures zeer belastend zijn voor personen met een beroepsaandoening. Dit geldt in het bijzonder voor personen met CSE, omdat de psychische belasting van een aansprakelijkheidsprocedure een extra zware impact heeft vanwege de ernstige aantasting van het centrale zenuwstelsel. Daarmee is ten aanzien van deze specifieke groep slachtoffers in de loop der tijd een uitzonderlijke situatie ontstaan met weinig reële mogelijkheden om de schade te verhalen op de werkgever.

Voor de Stichting OPS was dit aanleiding om zich vanaf 2003 in te zetten voor een schadefonds of andere vormen van financiële tegemoetkomingen ter erkenning van het leed en het geven van enige tegemoetkoming in de schade van werknemers met de aandoening van CSE. Zo heeft de Stichting OPS een verkenning laten uitvoeren naar de bereidheid van werkgevers om uit coulance een financiële tegemoetkoming te leveren.

Meest recentelijk heeft de voormalig Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Minister Asscher, mede op verzoek van de Stichting OPS een verkenning laten uitvoeren naar de bereidheid van werkgeversorganisaties om te voorzien in een financiële oplossing voor werknemers die door de blootstelling aan oplosmiddelen de aandoening CSE hebben gekregen. Deze verkenning is uitgevoerd door Van Kesteren en Heerts.

De verkenners hebben gesprekken gevoerd met brancheorganisaties uit de sectoren waarin vroeger de meest problematische blootstellingen aan oplosmiddelen voorkwamen. Er is meerdere malen verkend of de brancheorganisaties bereid waren uit coulance een vorm van financiële tegemoetkoming voor de slachtoffers te leveren. Er is uitdrukkelijk niet gevraagd om juridische aansprakelijkheid voor de slachtoffers te erkennen. De brancheorganisaties hebben helaas geen bereidheid getoond aan het verzoek tegemoet te komen. In de resultaten van de verkenning wordt daarvoor als reden aangevoerd dat de brancheorganisaties – als vertegenwoordigers van de gehele branche – geen verantwoordelijkheid willen erkennen voor de (im)materiële schade van individuele gevallen. De verkenners hebben zich vervolgens uitgebreid ingezet om andere oplossingen te onderzoeken, maar dit heeft geen reële mogelijkheid in beeld gebracht. Dit bracht de verkenners tot de conclusie dat – gezien de uitzonderlijke situatie van de slachtoffers met CSE en het feit dat alle mogelijkheden tot financiële compensatie zijn onderzocht – een oplossing gevonden zou moeten worden door eenmalig en voor een duidelijk afgebakende groep een bedrag ter beschikking te stellen vanuit de overheid.

De resultaten van de verkenning zijn in december 2018 met de Tweede Kamer gedeeld en door middel van een schriftelijk overleg met de Tweede Kamer besproken.4 Dit heeft geleid tot een breed aangenomen motie van de Kamerleden Aartsen c.s. waarin het kabinet is opgeroepen om te komen tot een eenmalige coulanceregeling voor een afgebakende groep slachtoffers met CSE.5 In een brief aan de Tweede Kamer van 29 maart 2019 is met de Tweede Kamer gedeeld hoe (op hoofdlijnen) invulling zou worden gegeven aan de motie.6 Met deze regeling wordt hieraan een concrete invulling gegeven.

3. Hoofdlijnen van de regeling

3.1 Afgebakende groep slachtoffers

Op grond van deze regeling kunnen werknemers bij wie de aandoening CSE is vastgesteld onder bepaalde voorwaarden recht hebben op een voorschot.

Uitgangspunt van de regeling is allereerst dat deze zich richt op situaties waarin de problematiek een duidelijke band heeft met de Nederlandse samenleving. Daarom is ervoor gekozen de regeling alleen open te stellen voor werknemers die (a) de arbeid waarbij sprake was van blootstelling aan oplosmiddelen in Nederland hebben verricht en (b) waarbij er sprake is (of was) van een Nederlandse publiekrechtelijke aanstelling of een arbeidsovereenkomst waarop Nederlands recht van toepassing is (of was). In andere situaties wordt de band met Nederland onvoldoende sterk geacht om de zorg van de Nederlandse overheid daartoe uit te breiden.

De regeling is niet opengesteld voor zelfstandigen. Reden hiervoor is dat zelfstandigen zelf verantwoordelijk zijn voor hun arbeidsomstandigheden.

Zie de artikelsgewijze toelichting bij artikel 3 van deze regeling voor een uitgebreide toelichting op de afbakening van de groep slachtoffers die op grond van deze regeling recht kan hebben op een voorschot en de voorwaarden die gelden.

Onder omstandigheden kunnen – indien een werknemer komt te overlijden voordat op een aanvraag voor een voorschot is beslist – ook diens nabestaanden in aanmerking komen voor een voorschot op grond van deze regeling. Zie in dat kader de artikelsgewijze toelichting bij artikel 4 van deze regeling.

3.2 Werkgever blijft aansprakelijk

Zoals aangegeven neemt de overheid met deze regeling expliciet niet de aansprakelijkheid van de (voormalig) werkgever over. Vooropstaat dat waar mogelijk wordt geprobeerd de schade op de werkgever te verhalen.

Dit komt in de regeling allereerst tot uiting door het feit dat wordt gesproken van een voorschot, hetgeen moet worden gezien als een voorlopige financiële tegemoetkoming in afwachting van een eventueel van de werkgever te ontvangen immateriële schadevergoeding. Daarnaast is een werknemer – als voorwaarde om recht te kunnen hebben op een voorschot – verplicht om mee te werken aan een bemiddelingstraject tussen hem en zijn werkgever om de schade vergoed te krijgen van de werkgever. Ook dient de werknemer een volmacht te verlenen aan de SVB om de immateriële schade op de werkgever te verhalen en te innen.

Bij het onderzoeken of het verhalen van de schade op een werkgever realistisch is, speelt het IAS een belangrijke rol. Uitgangspunt is dat zij onderzoeken of er nog een voormalig werkgever van de werknemer bestaat, of deze aansprakelijk is voor de schade, bezien in hoeverre een bemiddelingstraject en/of aansprakelijkheidsstelling succesvol kan zijn en vervolgens een actieve rol daarbij spelen. Aangezien het bij deze regeling gaat om een beperkte groep slachtoffers, is het wenselijk geacht deze rol te beleggen bij een partij die hiervoor al de benodigde expertise heeft. Er is daarom voor gekozen deze taak te beleggen bij het IAS, aangezien het IAS reeds uitgebreide ervaring heeft opgedaan met een dergelijke taak in het kader van de uitvoering van de Regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers 2014.

Hoewel de inzet op het verhalen van de schade op een werkgever vooropstaat, wordt tegelijkertijd erkend dat het in veel gevallen lastig zal zijn om de schade op een werkgever te verhalen. Zoals in paragraaf 2.3 van deze toelichting aangegeven, hebben de vele inspanningen van de Stichting OPS en de recente verkenning van Van Kesteren en Heerts laten zien dat aansprakelijkheidsstelling van werkgevers om meerdere redenen bijzonder ingewikkeld is. Het IAS zal in het kader van deze regeling in individuele gevallen beoordelen welke inspanningen om de schade op een werkgever te verhalen door middel van een bemiddelingstraject opportuun worden geacht. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat het bemiddelingstraject door het IAS zowel betrekking kan hebben op de materiele als immateriële schade van een werknemer.

Indien een bemiddelingstraject weinig kansrijk wordt geacht of niet slaagt, kan de SVB een civiele procedure starten om de immateriële schade van de werknemer op de (voormalig) werkgever te verhalen. Ook hiervoor geldt dat de SVB steeds zal afwegen wanneer het op basis van alle feiten en omstandigheden opportuun wordt geacht om een gerechtelijke procedure te starten.

3.3 Hoogte van het voorschot

Voor het vaststellen van de hoogte van een (onverplichte) financiële tegemoetkoming bestaan binnen de overheid geen vaste uitgangspunten. Het vaststellen van de hoogte van het voorschot dat op grond van deze regeling wordt verstrekt, heeft derhalve tot op zekere hoogte een arbitrair karakter. Bij de totstandkoming van deze regeling is zoveel mogelijk gezocht naar vergelijkbare situaties die als referentie konden dienen bij het vaststellen van de hoogte van het voorschot. Er is ervoor gekozen om voor wat betreft de hoogte van het voorschot aan te sluiten bij de Regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers 2014. Reden hiervoor is dat de situatie van asbestose slachtoffers verwantschappen heeft met die van werknemers waarbij de aandoening CSE is vastgesteld. Het gaat in beide gevallen om slachtoffers die overwegend arbeidsongeschikt zijn en ernstige gezondheidsbeperkingen hebben opgelopen door de blootstelling aan gevaarlijke stoffen tijdens hun werk. De hoogte van het voorschot is derhalve op hetzelfde niveau vastgesteld als in de Regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers 2014, te weten € 21.269 in 2020. Dit bedrag wordt jaarlijks geïndexeerd aan de hand van de indexering van het wettelijk minimumloon.

Op de hoogte van het voorschot worden eventuele bedragen die een werknemer reeds van een werkgever heeft ontvangen in verband met de aandoening CSE in mindering gebracht. Voorts is een werknemer verplicht het voorschot (geheel of gedeeltelijk) terug te betalen aan de SVB, als de werknemer na ontvangst van een voorschot op grond van deze regeling alsnog een betaling van de werkgever ontvang in verband met de aandoening CSE. Dit sluit aan bij het uitgangspunt dat de aansprakelijkheid van de werkgever vooropstaat.

3.4 Aanvraagprocedure

De SVB is belast met de uitvoering van deze regeling. Er is gekozen voor de SVB als uitvoeringsorgaan, omdat dit een reeds bestaande uitvoeringsinstantie is die ervaring heeft met het uitvoeren van soortgelijke regelingen. Te denken valt hierbij aan de Regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers 2014. De SVB heeft voorts voldoende capaciteit om de uitvoering van de regeling op korte termijn te starten.

Om aanspraak te kunnen maken op een voorschot, moet een werknemer een aanvraag indienen bij de SVB en beschikken over een diagnose van een Solvent Team of een arts. Het aanvraagformulier van de SVB wordt beschikbaar gesteld via de website van het IAS (www.ops-loket.nl) dat voor de uitvoering van de regeling een “OPS-loket” inricht. De SVB vraagt over het recht op voorschot advies aan het IAS. In het advies geeft het IAS aan of de aanvrager voldoet aan de voorwaarden voor een voorschot. Het IAS beschikt ten behoeve van zijn adviserende rol over een medisch adviseur en onderhoudt (in de regel) het contact met het CSE-panel.

In verband met de voorwaarde in deze regeling over het moment waarop de diagnose CSE moet zijn vastgesteld, beziet het IAS allereerst of (a) de diagnose CSE reeds voor 1 maart 2020 is vastgesteld of (b) uiterlijk op 1 september 2020 een verzoek voor een diagnose is ingediend bij het Solvent Team en dit later heeft geleid tot de diagnose CSE door het Solvent Team. Indien aan deze voorwaarde is voldaan, wordt beoordeeld of is voldaan aan de overige voorwaarden.

Het CSE-panel onderzoekt of de diagnosticering voldoet aan de criteria uit het Europese consensusdocument. Het panel maakt hierbij gebruik van de stukken die door de werknemer bij het indienen van de aanvraag zijn verstrekt. De medische gegevens ontvangt het panel van de medisch adviseur van het IAS die hiertoe door de aanvrager is gemachtigd. Voor de vraag of de diagnosticering voldoet aan de criteria, is de diagnosebrief van een Solvent Team of een arts vereist. Indien de diagnose is vastgesteld door een Solvent Team, staat in de regel vast dat is voldaan aan de criteria uit het Europees consensusdocument (zie paragraaf 2.2 van deze toelichting). Het panel kan dan volstaan met een globale toets. Indien de diagnose niet door een Solvent Team maar door een andere arts is vastgesteld, beoordeelt het panel uitgebreid of de diagnose in overeenstemming met de criteria uit het Europese consensusdocument is vastgesteld. Het panel deelt de conclusie of al dan niet voldaan is aan de criteria met het IAS. De conclusie van het CSE-panel is op grond van deze regeling doorslaggevend voor de vraag of de diagnosticering voldoet aan de criteria uit het Europese consensusdocument (zie artikel 3, eerste lid, onderdeel b, van deze regeling).

Het IAS beoordeelt of het aannemelijk is dat de aandoening CSE is veroorzaakt door de blootstelling aan oplosmiddelen tijdens het verrichten van arbeid als werknemer. Het Solvent Team kijkt bij de diagnosticering altijd naar het arbeidsgerelateerde karakter van de aandoening CSE. Een diagnosebrief van een Solvent Team zal in de regel dan ook relevante informatie bevatten voor de beoordeling van deze vraag. In de praktijk zal (enig) nader inzicht in het arbeidsverleden van de werknemer evenwel noodzakelijk zijn, om met voldoende zekerheid vast te kunnen stellen dat het gaat om arbeid verricht als werknemer zoals bedoeld in deze regeling. Een werknemer is op grond van artikel 9 van deze regeling verplicht de daartoe relevante informatie te overleggen.

Het kan voorkomen dat de stukken die de werknemer heeft overgelegd onvoldoende gegevens bevatten voor een goede beoordeling van de aanvraag. Uitgangspunt is dat de werknemer in dat geval op grond van artikel 9 van deze regeling wordt verzocht om overige inlichtingen en bewijsstukken te verstrekken. Het kan in dit kader noodzakelijk zijn dat de werknemer zich wendt tot de arts of instelling die betrokken was bij het afgeven van de diagnose.

Indien de aanvraag door het IAS aan de verschillende voorwaarden is getoetst, wordt een advies aan de SVB vastgesteld over het recht op een voorschot van de betreffende werknemer. Naar aanleiding van een verkregen advies door het IAS, toetst de SVB de aanvraag met name procedureel en op volledigheid en neemt een besluit over het toe- of afwijzen van een voorschot.

Zoals hiervoor aangegeven is een voorwaarde voor het recht op een voorschot dat de werknemer zich bereid heeft verklaard mee te werken aan een bemiddelingstraject tussen hem en zijn (voormalig) werkgever om de schade vergoed te krijgen van de werkgever. Deze bemiddeling wordt gedaan door het IAS. Het IAS bepaalt op basis van het onderzoek naar het arbeidsverleden van de werknemer of een (voormalig) werkgever van de werknemer aansprakelijk kan worden gesteld voor de schade van de werknemer.

Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat de precieze werkwijze tijdens de aanvraagprocedure wordt uitgewerkt in uitvoeringsprotocollen. Hierin krijgt zowel de werkwijze van de SVB, het CSE-panel als het IAS een nadere invulling.

4. Gegevensverwerking

Zoals blijkt uit de voorgaande paragraaf worden in het kader van deze regeling bijzondere persoonsgegevens verwerkt, te weten persoonsgegevens met betrekking tot de gezondheid. Het betreft de gegevens of bij een persoon die een aanvraag indient (al dan niet) de aandoening CSE is vastgesteld en of de diagnose CSE volgens de juiste richtlijnen is vastgesteld.

Op grond van artikel 22, eerste lid, van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming (hierna: Uitvoeringswet AVG) is het in beginsel niet toegestaan om gegevens over de gezondheid van werknemers te verwerken. Hiervoor dient een uitzonderingsgrond te bestaan. Mogelijke uitzonderingsredenen voor het verwerken van gegevens over de gezondheid zijn neergelegd in de artikelen 22, tweede lid, en 30 Uitvoeringswet AVG. In het kader van deze regeling is artikel 30, eerste lid, Uitvoeringswet AVG van toepassing. Hierin is vastgelegd dat het verwerken van gegevens over de gezondheid van personen niet verboden is voor bestuursorganen en instellingen die ten behoeve van een bestuursorgaan werkzaam zijn, voor zover de verwerking noodzakelijk is voor een goede uitvoering van wettelijke voorschriften die voorzien in aanspraken die afhankelijk zijn van de gezondheidstoestand van de betrokkene. Daar is in de onderhavige regeling sprake van. Immers, deze regeling voorziet onder bepaalde voorwaarden in het recht op een tegemoetkoming voor werknemers met de aandoening CSE. Het is derhalve toegestaan dat de SVB (als bestuursorgaan belast met de uitvoering van deze regeling) en het IAS (als instelling die ten behoeve van de SVB werkzaam is) het gegeven of bij een werknemer al dan niet de aandoening CSE is vastgesteld verwerken, alsmede het gegeven of deze diagnose op de juiste wijze is vastgesteld. Ten overvloede zij opgemerkt dat daarbij uiteraard gehandeld dient te worden met inachtneming van de kaders uit de Algemene verordening gegevensbescherming. Zo zullen alle personen die voor het IAS werken of waarmee het IAS samenwerkt en voor de uitvoering van de regeling toegang moeten hebben tot (bijzondere) persoonsgegevens een geheimhoudingsverklaring moeten ondertekenen. De medisch adviseur valt onder het medisch beroepsgeheim.

5. Financiële gevolgen en regeldruk

5.1 Financiële gevolgen voor slachtoffers

De uitbetaling van een voorschot aan een werknemer gebeurt op grond van deze regeling in één keer. Dit betekent dat een werknemer in dat jaar een extra betaling van (in 2020) maximaal € 21.269 ontvangt. Uitgangspunt is dat over dit bedrag geen belasting ingevolge de Wet inkomstenbelasting 2001 is verschuldigd, alsmede geen premie voor de volksverzekeringen ingevolge de Wet financiering sociale verzekeringen. Achtergrond hiervan is dat het voorschot geheel is toe te rekenen als tegemoetkoming in geleden immateriële schade en niet als inkomen uit werk en woning in de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001 wordt aangemerkt.

Met deze regeling wordt gerealiseerd dat het voorschot niet tot de middelen in de zin van de Participatiewet wordt gerekend. Zie voor een nadere toelichting hierbij de artikelsgewijze toelichting bij artikel 19 van deze regeling.

Opgemerkt wordt nog dat het bedrag van de tegemoetkoming wel wordt meegeteld in de vermogenstoets ten behoeve van aanvragen van toeslagen. Hierdoor is het niet uitgesloten dat een enkele aanvrager door het ontvangen van de tegemoetkoming geen of een beperkter recht krijgen op het ontvangen van een toeslag. In overleg met het Ministerie van Financiën wordt bezien welke oplossing hiervoor kan worden gevonden. De uitvoering van de regeling is hiervan echter niet afhankelijk. Om die reden is besloten de regeling vast te stellen en in werking te laten treden.

5.2 Uitkeringslasten

In totaal hebben de Solvent Teams tot en met 2017 bij circa 600 personen de aandoening CSE vastgesteld. In het kader van de verkenning van Van Kesteren en Heerts heeft de Stichting OPS aangegeven dat ongeveer 350 van deze slachtoffers nog geen enkele mate van financiële tegemoetkoming hebben ontvangen voor hun schade. Deze slachtoffers zullen, indien zij voldoen aan de voorwaarden, recht hebben op een volledig voorschot. Voor de slachtoffers die al een schadevergoeding van de werkgever hebben ontvangen is het mede afhankelijk van de hoogte van het ontvangen bedrag, of nog gedeeltelijk recht bestaat op een voorschot.

Daarnaast zijn er mogelijk werknemers die na 2017 (waaruit de laatst beschikbare cijfers dateren) zijn gediagnosticeerd met de aandoening CSE die recht kunnen hebben op een voorschot. Ook kunnen er na inwerkingtreding van deze regeling nog werknemers zijn bij wie de aandoening CSE wordt vastgesteld. Met het oog op dit laatste is wel van belang op te merken dat in deze regeling een beperking is opgenomen voor wat betreft het moment waarop de aandoening is vastgesteld dan wel ten behoeve van de werknemer een verzoek voor een diagnose is ingediend bij het Solvent Team in Amsterdam. Uitgangspunt voor het recht op een voorschot is dat (a) de aandoening CSE op het moment van inwerkingtreding van deze regeling reeds is vastgesteld óf (b) uiterlijk een half jaar na inwerkingtreding van deze regeling ten behoeve van de werknemer een verzoek voor een diagnose bij het Solvent Team in Amsterdam is aangevraagd en dit later leidt tot de diagnose CSE door het Solvent Team. Dit bevordert de eenvoudige en goede uitvoering van deze regeling door de SVB. Bovendien sluit deze begrenzing aan bij de realiteit, waarin de groei van het aantal slachtoffers bijna tot stilstand is gekomen.

Op grond van de uitvoeringstoets door de SVB wordt er vanuit gegaan dat er ongeveer 540 personen recht zullen hebben op een tegemoetkoming. Op grond hiervan wordt aangenomen dat er in totaal € 11.500.000 aan tegemoetkomingen uitgekeerd zullen worden.

5.3 Uitvoeringskosten

De kosten voor de uitvoering van de onderhavige regeling zijn geraamd op € 2.420.000. Deze kosten vallen uiteen in eenmalige invoeringskosten door de SVB (€ 63.000) en het IAS (€ 85.000) en de uitvoeringskosten door de SVB (€ 212.000) en het IAS (€ 2.060.000). Onder de eenmalige invoeringskosten vallen onder meer de kosten voor het opleiden van medewerkers, het opstellen van werkinstructies en communicatie-instrumenten en de aanpassing van ICT-systemen. Onder de uitvoeringskosten vallen met name de kosten die gepaard gaan met de afhandeling van ingediende aanvragen en bezwaar- en beroepzaken.

De overgrote meerderheid van de aanvragen voor een voorschot zal worden ingediend door werknemers die op het moment van inwerkingtreding van deze regeling reeds zijn gediagnosticeerd met de aandoening CSE. Het is gegeven de beperkte beschikbaarheid van deskundigen die deze aanvragen moeten beoordelen niet te voorkomen dat in de beginfase de afhandeling van de aanvragen langer zal duren dan wanneer de regeling al wat langer van kracht is. De beoordeling van een aanvraag vergt zorgvuldigheid en kan complex zijn. De benodigde deskundigheid is maar beperkt voorhanden. De SVB zal de werknemer informeren over de termijn waarbinnen hij een besluit op zijn aanvraag kan verwachten. Bij het berekenen van de uitvoeringskosten is ervan uitgegaan dat de aanvragen van werknemers met een duidelijke diagnose van een Solvent Team middels een eenvoudigere procedure kunnen worden afgehandeld dan van werknemers met een diagnose van een andere arts. Achtergrond hiervan is dat bij diagnosticering door de Solvent Teams in de regel vaststaat dat is voldaan aan de criteria uit het Europees consensusdocument en standaard wordt gekeken naar het arbeidsgerelateerde karakter van de aandoening. In de praktijk betekent dit dat de aanvraag van werknemers waarvan de diagnose CSE is vastgesteld door het Solvent Team veelal eerder kan worden afgerond.

5.4 Regeldruk

Getracht is de regeldruk voor werknemers die een aanvraag voor een voorschot willen indienen, zo beperkt mogelijk te houden. Er wordt een aanvraagformulier op de website van de SVB ter beschikking gesteld op de website van het IAS (www.ops-loket.nl) waarin helder is opgenomen welke gegevens een werknemer dient te verstrekken.

Allereerst dient een werknemer de gebruikelijke gegevens te verstrekken die noodzakelijk zijn voor de communicatie over de ingediende aanvraag en de eventuele uitbetaling van het voorschot. Te denken valt hierbij aan de naam, het adres en het rekeningnummer van de werknemer. Voorts wordt er een formulier ter beschikking gesteld waarmee de werknemer de SVB een volmacht kan verlenen als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel f, van deze regeling.

Daarnaast dient er meer specifieke informatie te worden overgelegd op basis waarvan kan worden beoordeeld of de werknemer voldoet aan de voorwaarden voor het recht op een voorschot. Te denken valt hierbij aan de diagnosebrief waaruit blijkt dat sprake is van de aandoening CSE en bewijsstukken waaruit kan worden opgemaakt dat het aannemelijk is dat de aandoening CSE is veroorzaakt door de blootstelling aan oplosmiddelen tijdens het verrichten van arbeid als werknemer. Op zowel de website van de SVB als het IAS wordt nadere informatie opgenomen over de bewijsstukken die in dit kader van de werknemer worden verlangd.

Naast de noodzakelijke informatieverplichtingen om het recht op een voorschot te kunnen vaststellen, bevat de regeling weinig verplichtingen voor de werknemer. Eén verplichting die mogelijk meer inspanningen van de werknemer vergt, is de verplichting om mee te werken aan een bemiddelingstraject. Deze verplichting wordt evenwel van belang geacht met het oog op het karakter van deze regeling, waarbij de aansprakelijkheid van de werkgever voorop blijft staan. Bovendien is een bemiddelingstraject ook in het belang van de werknemer. Immers, het bemiddelingstraject door het IAS kan leiden tot een hogere schadevergoeding dan het voorschot dat op grond van deze regeling kan worden toegekend.

Deze regeling is voorgelegd aan het Adviescollege toetsing regeldruk. Het Adviescollege onderschrijft de analyse van de regeldrukgevolgen zoals opgenomen in deze paragraaf.

6. Uitvoeringstoets

De regeling is voor een uitvoeringstoets voorgelegd aan de SVB. De SVB heeft de uitvoeringstoets samen met het IAS uitgevoerd. Zowel de SVB als het IAS heeft de regeling als uitvoerbaar en handhaafbaar beoordeeld, mits voldaan wordt aan verschillende voorwaarden.

De SVB wijst er allereerst op dat het van groot belang is dat het Solvent Team juist en volledig vastlegt wanneer een verzoek voor een diagnose bij het Solvent Team is ingediend. Dit in verband met de voorwaarde uit artikel 3, tweede lid, van de onderhavige regeling. Op grond van dit artikellid kan een werknemer die op het moment van inwerkingtreding van deze regeling nog niet over de diagnose CSE beschikt, enkel in aanmerking komen voor een voorschot indien uiterlijk op 1 september 2020 ten behoeve van de werknemer een verzoek om een diagnose is ingediend bij het Solvent Team (en later de diagnose CSE wordt vastgesteld). In de praktijk is de juiste registratie van het moment waarop een dergelijk verzoek wordt ingediend, reeds geborgd. Het indienen van een verzoek voor een diagnose dient altijd te gebeuren door een arts, aangezien het Solvent Team uitsluitend op verwijzing van een arts werkt. Een verzoek voor een diagnose kan worden ingediend via de website van het Solvent Team of door een fax te verzenden waarbij deze wordt ontvangen op een computer ('PC-fax'). In beide gevallen wordt automatisch de datum en tijd waarop het verzoek is ingediend geregistreerd. Hiermee is gewaarborgd dat uit de administratie van het Solvent Team kan worden afgeleid wanneer een verzoek voor een diagnose is ingediend.

Daarnaast wijst de SVB op een mogelijk handhavingsrisico dat verband houdt met de verplichting voor werknemers om melding te doen van een betaling die zij van een werkgever (hebben) ontvangen in verband met de aandoening CSE. Een dergelijke betaling kan ertoe leiden dat een werknemer geen of een verminderd recht op een voorschot heeft. De SVB en het IAS onderzoeken de mogelijkheden om dit risico waar mogelijk te beperken. De SVB gaat ervan uit dat het risico in voldoende mate kan worden afgedekt. Het belang om dit handhavingsrisico te beperken wordt onderschreven en de inspanningen van de SVB en het IAS in dit kader worden dan ook aangemoedigd.

Voorts wijst de SVB op de noodzaak om goed te communiceren over de onderhavige regeling. Deze communicatie is in het bijzonder van belang voor de bovengenoemde groep van slachtoffers die op het moment van inwerkingtreding van deze regeling nog niet beschikt over een diagnose CSE en waarvoor tijdig een verzoek voor een diagnose moet worden ingediend bij het Solvent Team. De noodzaak van goede communicatie en voorlichting wordt onderschreven. De SVB en het IAS zullen voorzien in de nodige communicatie. Voor de uitvoering van de regeling heeft het IAS een aparte website ingericht onder de naam van het OPS-loket (www.ops-loket.nl) Alle relevante informatie over de regeling en de aanvraagprocedure is op deze website te vinden. Ook vanuit het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid wordt ingezet op tijdige en heldere communicatie omtrent de publicatie, inwerkingtreding en inhoud van de regeling. Dit wordt onder meer gedaan door het plaatsen van informatie op de speciale website van het ministerie over arbeidsomstandigheden (www.arboportaal.nl/onderwerpen/ops) en het uitsturen van persberichten. Voorts onderhoudt het Ministerie contact met de Stichting OPS die – als belangenbehartiger van personen bij wie de aandoening CSE is vastgesteld – kan bijdragen aan het bereiken van de werknemers die op grond van deze regeling in aanmerking kunnen komen voor een voorschot.

Tot slot heeft de SVB enkele opmerkingen bij de artikelsgewijze toelichting gemaakt. Deze opmerkingen zijn overgenomen.

Artikelsgewijs

Artikel 1. Begripsbepalingen

Hieronder worden enkele definitiebepalingen van een nadere duiding voorzien.

  • CSE

    Deze regeling heeft tot doel het verstrekken van een eenmalige tegemoetkoming ('voorschot') aan werknemers met de aandoening chronic solvent-induced encephalopathy (CSE). Deze aandoening staat in Nederland ook wel bekend als CTE veroorzaakt door oplosmiddelen, OPS of de schildersziekte. Het betreft een aandoening van het centrale zenuwstelsel als gevolg van de langdurige blootstelling aan oplosmiddelen.

  • CSE-panel

    Voor het recht op een voorschot wordt het van belang geacht dat de diagnosticering van de aandoening CSE voldoet aan de internationaal erkende diagnostische criteria voor het vaststellen van de aandoening CSE. Om te toetsen of aan deze criteria is voldaan, is in het kader van deze regeling een 'CSE-panel' in het leven geroepen. Dit is een multidisciplinair team van (in ieder geval) neuropsychologen, arbeidsgeneeskundigen/neurologen met ervaring in CSE-diagnostiek en arbeidshygiënisten met kennis en ervaring van de beoordeling van de werkblootstelling aan solvents. Het inschakelen van het panel gebeurt in de regel door de medisch adviseur van het IAS.

  • Nabestaanden

    In bepaalde omstandigheden komt het recht op een voorschot toe aan de nabestaanden van een werknemer met CSE (artikel 4 van deze regeling). In deze begripsbepaling is vastgelegd wie als nabestaanden worden aangemerkt. Deze begripsbepaling wordt geacht goed werkbaar te zijn voor de SVB, aangezien deze bijvoorbeeld ook wordt gehanteerd in de Regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers 2014.

  • Oplosmiddelen

    Met de definitiebepaling van oplosmiddelen is aangesloten bij artikel 4.62a van het Arbeidsomstandighedenbesluit.

  • Solvent Team

    Een Solvent Team is een multidisciplinair team van experts dat vaststelt of al dan niet sprake is van de aandoening CSE. De diagnosticering gebeurt aan de hand van internationaal erkende diagnostische criteria voor CSE. Er is op dit moment nog maar één Solvent Team actief in Nederland, te weten bij het Academisch Medisch Centrum (AMC) te Amsterdam.

  • Voorschot

    Uitgangspunt van deze regeling is dat de overheid de aansprakelijkheid van de (voormalig) werkgever niet overneemt. Doel blijft dat wordt getracht de schade van de werknemer te verhalen op de werkgever. Dit komt ook tot uiting in de keuze voor het begrip 'voorschot' in deze regeling. Met de keuze voor deze term komt tot uiting dat de tegemoetkoming die werknemers ontvangen in beginsel het karakter heeft van een voorschot in afwachting van een eventueel van de werkgever te ontvangen immateriële schadevergoeding.

    Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat in de situatie dat de schade niet meer kan worden verhaald op de werkgever, het voorschot automatisch definitief aan de werknemer toevalt. Hiervoor is geen aparte beschikking door de SVB nodig.

  • Werkgever en werknemer

    Met de definities van 'werkgever' en 'werknemer' die worden gehanteerd in deze regeling is getracht te realiseren dat op relatief eenvoudige wijze kan worden vastgesteld of de betrokkenen als werkgever en werknemer kunnen worden aangemerkt. Dit komt de uitvoerbaarheid van de regeling ten goede.

Daarnaast komt in de definities tot uiting dat er een band met Nederland moet zijn. Voor het beoordelen van de band met Nederland is van belang dat:

  • a. het moet gaat om in Nederland verrichte arbeid; en

  • b. er sprake is (of was) van een Nederlandse publiekrechtelijke aanstelling of een arbeidsovereenkomst waarop Nederlands recht van toepassing is (of was).

De beoordeling of op de arbeidsverhouding het Nederlands recht van toepassing is, moet worden gedaan aan de hand van het internationaal privaatrecht.

Artikel 2. Arbeid op vaartuig

Dit artikel bepaalt dat op een Nederlands schip of luchtvaartuig verrichte arbeid wordt aangemerkt als in Nederland verrichte arbeid.

Artikel 3. Voorwaarden recht op een voorschot

In dit artikel zijn de voorwaarden opgenomen voor het recht op een voorschot.

Eerste lid

Op grond van de aanhef geldt allereerst als voorwaarde dat het moet gaan om een werknemer bij wie de aandoening CSE is vastgesteld. Gezien de definiëring van het begrip werknemer in artikel 1 volgt hieruit reeds de beperking dat er enkel recht kan bestaan op een voorschot voor werknemers die (a) in Nederland arbeid hebben verricht (b) krachtens een Nederlandse publiekrechtelijke aanstelling of krachtens een arbeidsovereenkomst waarop Nederlands recht van toepassing is of was.

Voor wat betreft de voorwaarde dat de aandoening CSE moet zijn vastgesteld, is van belang dat deze aandoening in Nederland ook wel wordt aangeduid met de term OPS of CTE veroorzaakt door oplosmiddelen. Aangezien dit slechts andere kwalificaties voor hetzelfde ziektebeeld met dezelfde oorzaak zijn, is uiteraard ook aan de voorwaarde voldaan indien (a) de diagnose OPS of (b) de diagnose CTE veroorzaakt door oplosmiddelen is gesteld. Van belang is evenwel dat ook in dit geval de diagnose moet voldoen aan de voorwaarde gesteld in onderdeel b (zie hierna).

Voor de volledigheid zij opgemerkt dat de aandoening CTE ook kan worden veroorzaakt door andere neurotoxische stoffen dan oplosmiddelen. Echter, op grond van deze regeling komen alleen werknemers voor een voorschot in aanmerking waarbij de aandoening CTE specifiek is veroorzaakt door de blootstelling aan oplosmiddelen. Slachtoffers met dezelfde aandoening, maar veroorzaakt door andere neurotoxische stoffen, vallen niet onder de reikwijdte van deze regeling.

In onderdeel a is als voorwaarde vastgelegd dat de werknemer voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze regeling met de aandoening CSE moet zijn gediagnosticeerd.

Onderdeel b bepaalt dat het CSE-panel moet hebben vastgesteld dat de diagnose CSE voldoet aan de richtlijnen uit het wetenschappelijk artikel 'Chronic solvent-induced encephalopathy: European consensus of neuropsychological characteristics, assessment, and guidelines for diagnostics' zoals gepubliceerd in het tijdschrift NeuroToxicology 33 (2012), p. 710-726. Hierin zijn de internationale diagnostische criteria voor het vaststellen van CSE vastgelegd en geharmoniseerd. Zie in dit kader ook de paragrafen 2.2 en 3.4 van het algemeen deel van de toelichting.

In onderdeel c wordt de voorwaarde gesteld dat aannemelijk moet worden gemaakt dat de werknemer tijdens het verrichten van arbeid aan oplosmiddelen is blootgesteld en dat de aandoening CSE daarvan het gevolg is. Het is aan de werknemer om daarvoor de nodige bewijsstukken te overleggen. Voor de vaststelling van de 'aannemelijkheid' heeft de werknemer op grond van artikel 9, tweede lid, van deze regeling dan ook een informatieverplichting. Zie voor een nadere toelichting bij deze informatieverplichting de artikelsgewijze toelichting bij dit artikellid.

In de voorwaarden die zijn opgenomen in de onderdelen d tot en met h komt tot uiting dat het uitgangspunt is dat het vergoeden van de schade de verplichting van de werkgever blijft.

Onderdeel d bepaalt dat een werknemer enkel recht heeft op een voorschot als de werknemer géén betaling van zijn werkgever(s) in verband met de aandoening CSE heeft ontvangen of deze schadevergoeding lager was dan € 21.269. De vorm van de betaling en de naam die daaraan is toegekend, zijn niet van belang. Elke betaling waarvan duidelijk is dat die door een werkgever is gedaan in verband met de aandoening CSE, kan ervoor zorgen dat er geen recht bestaat op een voorschot of er een bedrag op het voorschot in mindering wordt gebracht. Deze voorwaarde is wenselijk, omdat in deze gevallen reeds langs de reguliere weg een vergoeding in de schade heeft plaatsgevonden en een voorschot vanuit de overheid niet noodzakelijk is.

In onderdeel e is vastgelegd dat een werknemer verplicht is mee te werken aan bemiddeling door het IAS en het eventueel langs de gerechtelijke weg verkrijgen van de schadevergoeding. Onderdeel f bevat de verplichting om een onherroepelijke volmacht te verlenen aan de SVB. Met de verplichting tot het meewerken aan bemiddeling door het IAS en het verlenen van een volmacht aan de SVB wordt de kans vergroot dat de schade uiteindelijk daadwerkelijk wordt gedragen door de werkgever.

Voor de situatie dat (a) de werknemer een voorschot op grond van deze regeling heeft ontvangen en (b) vervolgens alsnog een betaling van de werkgever ontvangt in verband met de aandoening CSE, is in onderdeel g vastgelegd dat een werknemer gehouden is het voorschot (geheel of gedeeltelijk) terug te betalen aan de SVB. Indien de van de werkgever ontvangen betaling lager is dan het verleende voorschot, gaat de terugbetalingsverplichting niet verder dan het bedrag van de ontvangen betaling.

Tot slot is in onderdeel h vastgelegd dat de werknemer het onverwijld aan de SVB moet melden als hij een betaling heeft ontvangen van de werkgever in verband met de aandoening CSE. Indien een werknemer dan niet vrijwillig tot terugbetaling overgaat, kan de SVB (een gedeelte van) het verleende voorschot terugvorderen als onverschuldigde betaling (zie artikel 11 van deze regeling).

Tweede lid

Het is wenselijk geacht de toepasselijkheid van deze regeling in de tijd te beperken (zie paragraaf 4.1 van het algemeen deel van deze toelichting). Derhalve is in het eerste lid, onderdeel a, als hoofdregel de voorwaarde opgenomen dat recht bestaat op een voorschot indien de werknemer op het moment van inwerkingtreding van deze regeling reeds is gediagnosticeerd met de aandoening CSE.

Tegelijkertijd wordt het onwenselijk geacht om alle werknemers die op het moment van inwerkingtreding van deze regeling nog niet zijn gediagnosticeerd met de aandoening CSE, maar deze op dat moment mogelijk al wel hebben, uit te zonderen van de werking van deze regeling. Derhalve is ervoor gekozen de regeling ook open te stellen voor werknemers waarvoor uiterlijk op 1 september 2020 een verzoek voor een diagnose is ingediend bij het Solvent Team in Amsterdam en bij wie vervolgens door het Solvent Team de aandoening CSE is vastgesteld. Dit betreft waarschijnlijk een beperkte groep. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat het indienen van het verzoek voor een diagnose waarnaar in dit artikellid wordt verwezen, dient te geschieden door een arts. Achtergrond hiervan is dat het Solvent Team uitsluitend op verwijzing van een arts werkt.

Opgemerkt zij dat er bewust voor is gekozen om in deze situatie voor te schrijven dat de diagnosticering moet zijn gedaan door het Solvent Team. Het feit dat de diagnosebrieven van de werknemers die pas na inwerkingtreding van deze regeling een diagnose aanvragen afkomstig zijn van één instantie, het Solvent Team in Amsterdam, vereenvoudigt de beoordeling of de diagnosticering voldoet aan de gestelde richtlijnen. Zo werkt het Solvent Team standaard volgens het Europese consensusdocument. Daarnaast kijkt het Solvent Team ook naar het arbeidsgerelateerde karakter van de aandoening. Dit vergemakkelijkt de bewijspositie van de werknemer om aannemelijk te maken dat het ontstaan van de aandoening het gevolg is van de blootstelling aan oplosmiddelen tijdens het verrichten van arbeid als werknemer. Tot slot is na publicatie van deze regeling voldoende kenbaar dat voor het recht op een voorschot eventuele diagnosticering ná het moment van inwerkingtreding dient te geschieden door het Solvent Team. Dit is anders voor werknemers bij wie reeds voor de inwerkingtreding van deze regeling de aandoening CSE is vastgesteld.

Voor de volledigheid zij opgemerkt dat uiteraard ook in dit geval voor het recht op een voorschot dient te zijn voldaan aan de voorwaarden uit artikel 3, eerste lid, onderdeel b tot en met h, van de regeling.

Artikel 4. Recht op voorschot nabestaanden

In dit artikel is vastgelegd dat bij overlijden van de werknemer onder omstandigheden de nabestaanden van de werknemer recht kunnen hebben op een voorschot. Dit is het geval in de situatie dat een werknemer overlijdt voordat door de SVB is besloten op een door hem ingediende aanvraag en de werknemer recht zou hebben op het voorschot. Indien het recht op het voorschot overgaat op de nabestaanden, hebben de nabestaanden een informatie- en medewerkingsverplichting om vast te kunnen stellen of de werknemer recht op een voorschot zou hebben gehad (zie artikel 9, vierde lid, van de regeling).

Artikel 5. Beperking recht op voorschot

Dit artikel voorziet in een beperking in het recht op een voorschot voor de situatie waarin een werknemer bij wie de aandoening CSE is vastgesteld tevens tijdens het verrichten van arbeid buiten Nederland is blootgesteld aan oplosmiddelen en in verband daarmee een betaling van de werkgever of een buitenlandse werkgever heeft ontvangen. Het kan gaan om een betaling van:

  • (a) een werkgever voor wie de werknemer krachtens een Nederlandse publiekrechtelijke aanstelling of krachtens een arbeidsovereenkomst waarop Nederlands recht van toepassing is (of was) buiten Nederland arbeid heeft verricht; en

  • (b) een buitenlandse werkgever waarvoor de werknemer werkzaamheden in het buitenland heeft verricht.

Het wordt niet opportuun geacht dat een werknemer recht heeft op een (volledig) voorschot op grond van deze regeling, indien hij (a) in verband met de buitenlandse werkzaamheden reeds een betaling heeft ontvangen en (b) deze betaling op grond van artikel 3, eerste lid, onderdeel b, van deze regeling in aanmerking zou zijn genomen als het een betaling was in verband met in Nederland verrichte werkzaamheden. Aangezien een werknemer ook in deze gevallen reeds langs de reguliere weg een vergoeding in de schade is ontvangen, wordt een (volledig) voorschot vanuit de overheid niet noodzakelijk geacht.

Artikel 6. Hoogte voorschot

In het eerste lid is vastgelegd dat de hoogte van het voorschot € 21.269 bedraagt. Er is gekozen voor een forfaitair bedrag. Dit sluit aan bij het doel van dit bedrag. Het voorschot is immers niet bedoeld als schadeloosstelling voor specifieke kosten, maar dient enkel als voorschot op een (waar mogelijk) van de werkgever te ontvangen immateriële schadevergoeding. Zoals volgt uit artikel 3 van deze regeling hoeft een werknemer voor het recht op een voorschot en de hoogte hiervan ook niet te stellen of aannemelijk maken dat er daadwerkelijk sprake is van schade en wat de eventuele omvang hiervan is.

In het tweede en derde lid zijn regels vastgelegd voor de situatie waarin een werknemer reeds bedragen van een of meer werkgevers heeft ontvangen vanwege het feit dat bij de werknemer de aandoening CSE is vastgesteld. Uitgangspunt is dat dergelijke bedragen in mindering worden gebracht op het voorschot. Bij het berekenen hiervan wordt uitgegaan van nettobedragen. Het is van belang dit expliciet vast te leggen, omdat over een voorschot op grond van deze regeling geen belasting ingevolge de Wet inkomstenbelasting 2001 is verschuldigd en ook geen premies voor de volksverzekering (zie ook paragraaf 5.1 van het algemeen deel van deze toelichting), maar van werkgevers ontvangen bedragen wel onderworpen kunnen zijn geweest aan de heffing van belasting en premies.

Artikel 7. De aanvraag van het voorschot

Het eerste lid bepaalt dat het vaststellen of recht bestaat op een voorschot geschiedt op aanvraag. Vereist is dat de aanvraag wordt ingediend door de betreffende werknemer zelf. Dit sluit aan bij het uitgangspunt dat het voorschot – vooruitlopend op een eventuele schadevergoeding door de werkgever – is bedoeld als tegemoetkoming in de immateriële schade van de werknemer.

De aanvraag moet op grond van het tweede lid worden ingediend bij de SVB. Het aanvraagformulier van de SVB wordt ter beschikking gesteld op de website van het IAS (www.ops-loket.nl).

Artikel 8. Overlijden na aanvraag

Het eerste lid regelt dat na het overlijden van de werknemer de behandeling van de aanvraag automatisch wordt voortgezet ten behoeve van de nabestaanden, tenzij de nabestaanden schriftelijk hebben aangegeven daaraan geen behoefte te hebben.

Indien er meer dan één nabestaande is, dienen de nabestaanden op grond van het tweede lid één persoon uit hun midden een volmacht te verlenen om de verdere behandeling van de aanvraag mogelijk te maken. Hierdoor is voor de SVB helder op wie de medewerkingsplicht rust, aan wie de beslissing moet worden gezonden, aan wie uitbetaling moet geschieden enzovoorts.

Artikel 9. Informatieverplichtingen aanvraag voorschot

Het vaststellen of recht bestaat op een voorschot geschiedt zoals gezegd op aanvraag. Op de werknemer rust op grond van de Algemene wet bestuursrecht de algemene verplichting om de informatie aan te leveren die noodzakelijk is voor de beoordeling van de aanvraag voor een voorschot.

In dit artikel is omwille van de kenbaarheid in het eerste lid gespecificeerd dat een werknemer in ieder geval de nodige bewijsstukken moet overleggen zodat kan worden vastgesteld dat (a) de werknemer vóór 1 maart 2020 met de aandoening CSE is gediagnosticeerd of (b) voor de werknemer uiterlijk op 1 september 2020 een verzoek voor een diagnose is ingediend bij het Solvent Team en dit later heeft geleid tot de diagnose CSE door het Solvent Team.

De informatieverplichting uit het tweede lid heeft betrekking op de voorwaarde dat aannemelijk moet worden gemaakt dat de aandoening CSE is veroorzaakt door blootstelling aan oplosmiddelen tijdens het verrichten van arbeid als werknemer. Hiertoe dient de werknemer verschillende gegevens te overleggen over het arbeidsverleden. Uitgangspunt is dat de werknemer verschillende stukken ter onderbouwing van het arbeidsverleden overlegt, zoals werkbriefjes, getuigschriften en arbeidsovereenkomsten. Een eigen verklaring van de werknemer over het arbeidsverleden geldt – bij het ontbreken van nadere bewijsstukken – als minimale voorwaarde. Deze verklaring moet een volledige omschrijving omvatten van de relevante arbeidsgeschiedenis en werkzaamheden. Meer specifiek kan worden gedacht aan het in beeld brengen van de functies waarin een werknemer werkzaam is geweest en is blootgesteld aan oplosmiddelen, de periode waarin de betreffende functie is uitgeoefend, de arbeidsomstandigheden, de verrichte taken en werkzaamheden, de aard van de arbeidsverhouding, de plaats waar de werkzaamheden zijn verricht (in Nederland of daarbuiten), de identiteit van de werkgever(s) c.q. rechtsopvolgers en de wijze waarop de blootstelling heeft plaatsgevonden.

Het IAS kan de werknemer ondersteunen bij het in beeld brengen van het (relevante) arbeidsverleden. Het IAS zal voorts bij de advisering aan de SVB over het recht op het voorschot expliciet een oordeel geven over de aannemelijkheid dat de werknemer tijdens het verrichten van arbeid aan oplosmiddelen is blootgesteld en dat de aandoening CSE daarvan het gevolg is.

Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat het Solvent Team bij de diagnosticering reeds kijkt naar het arbeidsgerelateerde karakter van de aandoening CSE. Het is dan ook zeer waarschijnlijk dat in het geval de aandoening CSE is vastgesteld door een Solvent Team, de diagnosebrief van het Solvent Team ondersteunend kan zijn voor de werknemer bij het aannemelijk te maken dat de aandoening het gevolg is van de blootstelling van oplosmiddelen tijdens het verrichten van arbeid als werknemer.

Het derde lid betreft een extra informatieverplichting en medewerkingsverplichting voor de werknemer voor zover dat redelijkerwijs noodzakelijk is voor de uitvoering van deze regeling.

Op grond van het vierde lid gelden de informatieverplichtingen en medewerkingsverplichting ook ten aanzien van de nabestaanden, indien bij overlijden van de werknemer de aanvraag ten behoeve van de nabestaanden wordt voortgezet.

Artikel 10. Uitbetaling

De SVB is belast met de uitbetaling van het voorschot aan de werknemer of nabestaande. De SVB gaat als is vastgesteld dat recht bestaat op het voorschot zo spoedig mogelijk tot uitbetaling over.

Artikel 11. Herziening, intrekking en terugvordering

In dit artikel is vastgelegd wanneer de SVB overgaat tot herziening, intrekking en terugvordering van een toegekend voorschot. Uitgangspunt op grond van het eerste lid is dat de SVB tot herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van een voorschot overgaat indien een voorschot ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend. Dit kan allereerst het geval zijn indien de werknemer (of de nabestaande) na ontvangst van het voorschot alsnog een betaling heeft ontvangen waarmee rekening zou zijn gehouden bij het vaststellen van het recht op het voorschot (onderdeel a). Voorts kan dit het geval zijn indien de werknemer (of de nabestaande) een verplichting uit de regeling niet of niet behoorlijk is nagekomen en dit heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van het voorschot (onderdeel b). Zo kan intrekking of herziening aangewezen zijn, indien een werknemer bij de aanvraag heeft aangegeven mee te willen werken aan het bemiddelingstraject door het IAS maar na ontvangst van het voorschot weigert (verdere) medewerking te verlenen aan een bemiddelingstraject. Het voorschot is dan ten onrechte toegekend, omdat een werknemer niet voldoet aan de voorwaarden die gelden voor het recht op een voorschot (artikel 3, eerste lid, onderdeel e, van deze regeling).

Op grond van het derde lid wordt hetgeen vanwege de herziening of intrekking (of anderszins) onverschuldigd is betaald teruggevorderd. Indien de werknemer op het moment van herziening of intrekking is overleden, wordt het voorschot teruggevorderd van de nabestaanden.

Het tweede lid voorziet in een uitzonderingsmogelijkheid. De SVB hoeft niet tot herziening of intrekking (en daarmee terugvordering) over te gaan, indien er dringende redenen aanwezig zijn. Wanneer hiervan sprake is, staat per individueel geval ter beoordeling van de SVB. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat het begrip dringende redenen hier dezelfde betekenis heeft als in andere regelingen die door de SVB worden uitgevoerd, zoals de Algemene Kinderbijslagwet (artikel 24, vijfde lid), de Algemene Ouderdomswet (artikel 24, vijfde lid), de Algemene nabestaandenwet (artikel 53, vijfde lid) en de Regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers 2014 (artikel 18, derde lid).

Artikel 12. Indexering van bedragen

Op grond van dit artikel worden de in deze regeling vermelde bedragen eenmaal per jaar geïndexeerd. Deze indexering gebeurt aan de hand van de indexering van het wettelijk minimumloon. De gewijzigde hoogte van het voorschot wordt voor het eind van elk kalenderjaar bekendgemaakt in de Staatscourant.

Artikel 13. Uitvoeringsorgaan

De SVB is belast met de uitvoering van deze regeling. De SVB besluit op aanvraag van de werknemer over het toe- of afwijzen van een voorschot. Dit betreft een zelfstandige beschikking waartegen bezwaar en beroep openstaat. Uitgangspunt op grond van artikel 4:13 van de Algemene wet bestuursrecht is dat de SVB binnen een redelijke termijn een besluit neemt.

Artikel 14. Advies Instituut Asbestslachtoffers

De SVB kan ten behoeve van de uitvoering van deze regeling advies vragen aan het IAS. De SVB stelt de eisen vast waaraan dit advies moet voldoen en de termijn waarbinnen het wordt verwacht.

Zie voor een nadere motivering van de rol van het IAS ook de paragrafen 3.2 en 3.4 van het algemeen deel van deze toelichting.

Artikel 15. Overeenkomst tussen SVB en Instituut Asbestslachtoffers

Voor de goede uitvoering van deze regeling is een goede samenwerking tussen de SVB en het IAS van groot belang. Met het oog hierop zijn de SVB en het IAS op grond van het eerste lid verplicht een overeenkomst te sluiten met daarin afspraken over de samenwerking en werkwijze bij de uitvoering van deze regeling. In het tweede lid is vastgelegd welke afspraken ten minste in de overeenkomst moeten worden vastgelegd.

Artikelen 16 tot en met 18. Financiering regeling

In deze artikelen zijn regels gesteld over de financiering van deze regeling. De uitkeringslasten- en kosten die uit deze regeling voortvloeien worden gefinancierd uit een bijdrage ten laste van de rijksbegroting.

De SVB zorgt als uitvoerder van deze regeling voor het beheer en de administratie van de financiële middelen. Daartoe wordt op grond van artikel 16 jaarlijks vóór 1 oktober bij de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een opgave ingediend van het totaalbedrag van de geraamde baten en lasten. In artikel 17 is vastgelegd dat de minister naar aanleiding van de opgegeven lasten door de SVB een bepaald bedrag moet storten op de rekening-courant, bedoeld in artikel 5.16, onderdeel a, van de Regeling Wfsv. De afrekening vindt op grond van artikel 18 plaats via de jaarrekening. Op basis van de uitvoeringstoets van deze regeling in 2019 wordt met een toekenningsbrief in 2020 van SZW voor deze regeling, voorzien in dekking van de uitgaven door de SVB voor de tegemoetkomingen vanaf 2020 en voor uitvoeringskosten die al in 2019 zijn gemaakt.

Artikel 19. Wijziging van de Regeling Participatiewet, IOAW en IOAZ

Op grond van de Participatiewet bestaat voor gemeenten de mogelijkheid om in individuele gevallen een immateriële schadevergoeding niet tot de middelen te rekenen (artikel 31, tweede lid, onderdeel m, van de Participatiewet). Daarnaast bestaat in de Participatiewet de mogelijkheid uitkeringen en vergoedingen voor immateriële schade bij ministeriële regeling niet tot de middelen te rekenen (artikel 31, tweede lid, onderdeel l, van de Participatiewet)

Voor de tegemoetkoming op grond van deze regeling wordt toegekend aan slachtoffers met CSE, wordt het wenselijk geacht om van deze laatste mogelijkheid gebruik te maken. Hiertoe wordt het voorschot dat op grond van deze regeling kan worden toegekend, toegevoegd aan de opsomming in artikel 7 van de Regeling Participatiewet, IOAW en IOAZ. Dit leidt ertoe dat uniform met het voorschot wordt omgegaan en elke bijstandsgerechtigde die een dergelijk voorschot ontvangt door gemeenten op dezelfde wijze wordt behandeld. Ook wordt hiermee mogelijk gemaakt dat bij het ontvangen van het voorschot bijstandsgerechtigden in dezelfde positie komen te verkeren als niet-bijstandsgerechtigden.

Artikel 20. Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 maart 2020. Het moment van inwerkingtreding is van belang bij de beoordeling door de SVB of is voldaan aan artikel 3, eerste lid, onderdeel a, of tweede lid, van deze regeling.

De datum van inwerkingtreding wijkt af van de vaste verandermomenten. De verwachting van alle betrokken partijen was dat de regeling met ingang van 1 januari 2020 in werking zou treden, dat bleek echter niet haalbaar. De regeling is thans gereed en de uitvoeringsorganisatie is klaar om met ingang van 1 maart 2020 te starten met de uitvoering. Het wordt niet wenselijk geacht slachtoffers nog langer te laten wachten op de mogelijkheid om een aanvraag voor de tegemoetkoming in te dienen. Om die reden is besloten de regeling met ingang van 1 maart 2020 in werking te laten treden.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, T. van Ark


X Noot
1

Met het begrip oplosmiddelen wordt in deze toelichting verwezen naar vluchtige organische stoffen als bedoeld in artikel 4.62a van het Arbeidsomstandighedenbesluit.

X Noot
2

Kamerstukken II 2018/19, 29 544, nr. 871. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat in de motie wordt gesproken over de beroepsziekte OPS. Zoals toegelicht betreft dit een andere benaming voor de aandoening CSE.

X Noot
3

Gepubliceerd in het tijdschrift NeuroToxicology 33 (2012), p. 710–726. Te raadplegen via: https://www.sciencedirect.com/science/article/pii/S0161813X12000733?via%3Dihub.

X Noot
4

Kamerstukken II 2018/19, 29 544, nr. 869 (bijlage) & 870.

X Noot
5

Kamerstukken II 2018/19, 29 544, nr. 871.

X Noot
6

Kamerstukken II 2018/19, 29 544, nr. 893.