Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2018-201929544 nr. 871

29 544 Arbeidsmarktbeleid

Nr. 871 MOTIE VAN HET LID AARTSEN C.S.

Voorgesteld 20 december 2018

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat er door de verkenners geen werkbare oplossing is gevonden voor een eenmalige financiële tegemoetkoming voor de slachtoffers van de beroepsziekte OPS, oftewel schildersziekte, waarvan de werkgevers niet meer te achterhalen zijn;

overwegende dat de gevolgen van nadelige arbeidsomstandigheden de verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid van werkgevers zijn en niet van de overheid;

overwegende dat de situatie van de groep van ongeveer 350 OPS-slachtoffers zeer uitzonderlijk is vanwege de lange latentietijd en het feit dat er voor hen geen reële mogelijkheden meer bestaan om hun voormalige werkgevers of diens rechtsopvolgers aansprakelijk te stellen;

overwegende dat de veelvuldige hoge blootstellingen aan vluchtige oplosmiddelen al geruime tijd niet meer voorkomen;

overwegende dat er bij OPS-slachtoffers sprake is van zeer ernstig lichamelijk letsel door aantasting van het zenuwstelsel, wat doorgaans leidt tot volledige arbeidsongeschiktheid;

overwegende dat er bij OPS specifiek sprake is van een een-op-eenrelatie tussen de vrijgekomen schadelijke stoffen tijdens het verrichten van arbeid en de beroepsziekte OPS;

overwegende dat de groep van OPS-slachtoffers zeer beperkt en goed af te bakenen is en de diagnose is vastgesteld door een van de twee multidisciplinaire Solvent Teams door middel van een CTE-diagnose;

overwegende dat een vorm van financiële tegemoetkoming uit coulance in dit zeer uitzonderlijke geval gelet op bovenstaande overwegingen gepast is;

verzoekt de regering, voor deze zeer uitzonderlijke groep en situatie een eenmalige coulanceregeling, waarvan geen precedentwerking uit mag gaan, voor de vastgestelde groep OPS-slachtoffers vorm te geven en hun de vastgestelde tegemoetkoming te geven met daarbij de voorwaarde dat alle slachtoffers afzien van toekomstige juridische stappen jegens de overheid, welke overheid daar waar reëel mogelijk de vordering van de slachtoffers op aansprakelijk te stellen partijen overneemt en dat de aansprakelijkheid van de werkgevers in stand blijft;

verzoekt de regering tevens, om de vorm van de eenmalige financiële tegemoetkoming uit coulance te dekken uit de niet juridisch verplichte uitgaven in de begroting SZW 2019;

spreekt als haar mening uit dat zij het niet wenselijk acht dat er een precedentwerking uitgaat van deze eenmalige coulanceregeling voor deze zeer uitzonderlijke groep,

en gaat over tot de orde van de dag.

Aartsen

Van Weyenberg

Gijs van Dijk

Bruins

Renkema

Van Kent

Pieter Heerma

Stoffer