BIJLAGE 2. LIJST VERDUURZAMINGSMAATREGELEN
Deze bijlage behoort bij artikel 1 van de Subsidieregeling tienjarige ondersteuning
iconische rijksmonumenten.
-
− Maatregelen die leiden tot een verbetering van de duurzaamheid van het rijksmonument
zijn op grond van deze subsidieregeling subsidiabel.
-
− De te nemen maatregelen dienen onderbouwd te worden door een verduurzamingsadvies.
Een verduurzamingsadvies dient te voldoen aan de eisen die zijn opgenomen in bijlage
1 bij deze regeling.
-
− Als de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed op basis van de aanvraag of eventueel
nader onderzoek tot de conclusie komt dat de voorgestelde verduurzamingsmaatregel
zou leiden tot onacceptabele schade aan de monumentale waarde van het monument, dan
zijn de kosten voor uitvoering van deze maatregel niet subsidiabel. Voor de beoordeling
hiervan hanteert de Rijksdienst de uitgangspunten die zij ook toepast bij het geven
van een advies aan een gemeente bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning.
-
− De kosten van de te nemen maatregelen zijn enkel subsidiabel voor zover ze naar het
oordeel van de minister redelijk en doelmatig zijn. Hoofdstuk 1.3, paragrafen 1, 5
en 10, en hoofdstuk 2 van de Leidraad subsidiabele instandhoudingskosten, opgenomen
als bijlage bij de Subsidieregeling instandhouding monumenten, zijn van overeenkomstige
toepassing.
-
− Inkoop van duurzame energie via het openbare elektriciteitsnet is niet subsidiabel.
-
− De te treffen maatregelen dienen te worden uitgevoerd door een aannemer of installateur.
Een keurmerk is niet noodzakelijk. Maatregelen die in zelfwerkzaamheid worden uitgevoerd,
zijn niet subsidiabel.
Maatregelenlijst
In onderstaande lijst zijn de meest gangbare energiebesparende maatregelen opgenomen.
|
Basismaatregelen
|
|
Kierdichting
|
|
Raamluiken
|
|
Schoorsteenballonen of schoorsteenkleppen
|
|
Isolatie van leidingen en appendages
|
|
Radiatorfolie
|
|
Inregelen van verwarmingsinstallatie
|
|
Verwarmingsregeling
|
|
Verlichtingsregeling
|
| |
|
Isolerende maatregelen
|
|
Vensterisolatie
|
|
Dak- of kapisolatie
|
|
Gevelisolatie
|
|
Vloerisolatie/bodemisolatie
|
| |
|
Energievoorziening
|
|
HRe- of Hybride ketel
|
|
Biomassa gestookte installatie
|
|
Warmtepomp
|
|
Warmtekrachtkoppeling
|
|
Warmte-koudeopslag
|
|
Zonnepanelen en overige systemen op basis van zonne-energie
|
|
Aansluiting op warmtenet
|
| |
|
Distributie, afgifte en terugwinning
|
|
Lagetemperatuurverwarming (LTV)
|
|
WTW
|
|
Vraaggestuurde mechanische ventilatie
|
|
Waterbesparende maatregelen
|
1. Kierdichting
Beschrijving:
In monumentale panden zijn kieren en naden vaak een belangrijke oorzaak van warmteverlies.
Naast kierdichting bij deuren en ramen is het nuttig om te kijken of kieren en naden
op andere plekken zoals naast kozijnen, bij brievenbussen, in kapconstructies en in
vloeren gedicht kunnen worden.
Indieningsvereiste: Op (detail)tekening aangeven hoe de kierdichting wordt gerealiseerd.
Aandachtspunten: Bij kierdichting moet erop gelet worden dat het monument nog wel voldoende kan ventileren
ten behoeve van de luchtkwaliteit.
2. Raamluiken
Beschrijving: Raamluiken zijn van oudsher een efficiënte vorm voor vensterisolatie. Luiken verminderen
niet alleen het warmteverlies door geleiding, maar ook door convectie en straling.
In de zomer houden ze warmte buiten.
Indieningsvereiste: Op tekening aangeven welke raamluiken worden hersteld of teruggebracht.
Aandachtspunten: Punten worden alleen toegekend voor het herstellen of terugbrengen van raamluiken
aan of in monumenten die van oudsher al luiken hadden en op plaatsen waar zij vroeger
ook zaten of nog steeds aanwezig zijn. Bij raamluiken aan de binnenzijde neemt de
kans op condensatie op het glas toe.
3. Schoorsteenballonen of schoorsteenkleppen
Beschrijving: Open schoorsteenkanalen maken veel uit in het energieverbruik van gebouwen. Niet-gebruikte
schoorstenen kunnen worden afgesloten met een schoorsteenballon. Voor schoorstenen
die nog gebruikt worden zijn schoorsteenkleppen of haardplaten een goede oplossing.
Indieningsvereiste: Op tekening aangeven welke schoorstenen worden afgesloten en op welke wijze.
Aandachtspunten: Sluit historische schoorsteenkanalen nooit volledig af met een 'perfect' passende
schoorsteenklep of -ballon. Dit hindert namelijk de noodzakelijke ventilatie van schoorstenen.
Om dezelfde reden is het nuttig schoorstenen in de zomer open te laten. Dan voeren
zij vochtige binnenlucht af, waardoor ook minder stroom nodig is voor ventilatie met
mechanische systemen.
4. Isolatie van leidingen en appendages
Beschrijving: Isolatie rond cv-leidingen in onverwarmde ruimten gaat tegen dat het water teveel
afkoelt vóór het de radiatoren bereikt.
Indieningsvereiste: –
Aandachtspunten: –
5. Radiatorfolie
Beschrijving: Radiatorfolie reflecteert de stralingswarmte van de achterkant van de radiator grotendeels
terug richting de radiator of zorgt ervoor dat de achterkant van de radiator minder
stralingswarmte uitzendt.
Indieningsvereiste: Op tekening aangeven welke radiatoren worden voorzien van folie.
Aandachtspunten: –
6. Inregelen van verwarmingsinstallatie
Beschrijving: Toepassen van een weersafhankelijke regeling, waardoor de stooktemperatuur wordt
aangepast aan de buitentemperatuur. Daarnaast waterzijdig inregelen.
Indieningsvereiste: Omschrijving van de werkzaamheden die worden uitgevoerd.
Aandachtspunten: –
7. Verwarmingsregeling
Beschrijving: Bewerkstelligen dat alleen ruimten verwarmd worden waar dat nodig is, door bijvoorbeeld
het toepassen van zoneregeling, thermostatische radiatorkranen en/of op afstand bedienbare
thermostaten.
Indieningsvereiste: Beschrijving van het systeem dat wordt toegepast (zo mogelijk met vermelding van merk
en type) en op tekening aangeven hoe de verwarmingsregeling wordt gerealiseerd.
Aandachtspunten: –
8. Verlichtingsregeling
Beschrijving: Bewerkstelligen dat alleen ruimten verlicht worden waar dat nodig is, door bijvoorbeeld
het toepassen van bewegingsmelders en centrale aan- en uitschakelaars.
Indieningsvereiste: Op tekening aangeven hoe de verlichtingsregeling wordt gerealiseerd.
Aandachtspunten: –
9. Vensterisolatie
Beschrijving: Isolatie door glasfolie, achterzetbeglazing of vervanging door monumentenglas of
dubbelglas.
Aandachtspunten: Vensterisolatie door middel van glasfolie of achterzetbeglazing heeft de voorkeur,
boven het vervangen van bestaand glas door monumentenglas of dubbelglas. Ook met glasfolie
kan de gevraagde prestatie (maximale U-waarde van 3,1 W/m²K) worden behaald.
10. Dak- of kapisolatie
Beschrijving: Isolatie van een hellend dak, vlak dak of de zoldervloer daaronder indien de zolder
een onverwarmde ruimte is.
Indieningsvereiste: Op tekening aangeven welke daken, kappen of zoldervloeren worden geïsoleerd en met
welk materiaal.
Aandachtspunten: –
11. Gevelisolatie
Beschrijving: Isolatie van een massieve muur of spouwmuur
Indieningsvereiste: Op tekening aangeven welke gevels worden geïsoleerd en met welk materiaal. Ook detailtekening
van de aansluiting op venster, vloeren, binnenmuren, etc.
Aandachtspunten: Isolatie met een bij de situatie passend materiaal en opbouw.
12. Vloerisolatie/bodemisolatie
Beschrijving: Het aanbrengen van hoogwaardig isolatiemateriaal op de bodem van de kruipruimte op
onder, tussen of op de begane grondvloer.
Indieningsvereiste: Op tekening aangeven waar de bodem en/of welke vloeren worden geïsoleerd en met welk
materiaal.
Aandachtspunten: Bij bodemisolatie is over het algemeen sprake van een al dan niet geventileerde luchtlaag
tussen de isolatie en de begane grondvloer. Hierdoor gaat een deel van de isolatiewaarde
verloren, hetgeen tot gevolg heeft dat de isolatielaag beduidend dikker dient te zijn
dan bijvoorbeeld isolatie direct onder de vloer. Controleer daarom altijd of van het
product een kwaliteitsverklaring beschikbaar is en of in die specifieke toepassing,
de vereiste warmteweerstand van 3,5 m2K/W wordt gerealiseerd. De kruipruimte dient ook diep genoeg te zijn om er te mogen/kunnen
werken.
13. HRe- of Hybride ketel
Beschrijving: Een HRe-ketel of micro-warmtekrachtkoppeling is een installatie waarbij de productie
van warmte en elektriciteit vanuit eenzelfde energiebron gelijktijdig plaats vindt.
Een hybride warmtepomp is een moderne, gasgestookte HR-ketel in combinatie met een
warmtepomp.
Indieningsvereiste: Informatie over te installeren vermogen en rendement van de installatie. Ook dient
de opstelplaats op tekening te worden aangegeven.
Aandachtspunten: –
14. Biomassa gestookte installatie
Beschrijving: Een biomassaketel die bestemd is voor ruimteverwarming en/of de warmtapwatervoorziening
van het monument.
Indieningsvereiste: Informatie over te installeren vermogen en rendement van de installatie. Ook moet
inzichtelijk worden gemaakt hoe de biomassa (pellets, houtsnippers), wordt aangevoerd.
Bij houtsnippers moet ook de bunker op tekening worden aangegeven in verband met de
archeologie. Ook dient de opstelplaats op tekening te worden aangegeven.
Aandachtspunten: –
15. Warmtepomp
Beschrijving: Een warmtepomp die is bestemd als hoofd- of basisruimteverwarming van een monument
en/of warm tapwater voor een monument en die niet primair gericht is op actieve koeling,
waarbij warmte wordt onttrokken aan de bodem, het grondwater, het oppervlaktewater,
de buitenlucht of ventilatieafvoerlucht. De bron bepaalt voor een belangrijk deel
het rendement.
Indieningsvereiste: Informatie over te installeren vermogen en rendement van de installatie. Ook dient
de opstelplaats op tekening te worden aangegeven.
Aandachtspunten: –
16. Warmtekrachtkoppeling
Beschrijving: Installatie waarbij bij de opwekking van elektriciteit de warmte ook wordt benut voor
het verwarmen van gebouwen.
Indieningsvereiste: Informatie over te installeren vermogen en rendement van de installatie. Ook dient
de opstelplaats op tekening te worden aangegeven.
Aandachtspunten: Energiebesparing met warmtekrachtkoppeling (WKK) is alleen interessant als zowel de
warmte als de elektriciteit wordt gebruikt.
17. Warmte-koudeopslag
Beschrijving: Warmte-koude opslag is een seizoensbuffer waarin warmte en koude in een ondergrondse
zandlaag wordt opgeslagen.
Indieningsvereiste: In verband met de archeologie op tekening de locatie van de bronnen aangeven. Ook
dient de opstelplaats op tekening te worden aangegeven.
Aandachtspunten: –
18. Zonnepanelen en overige systemen op basis van zonne-energie
Beschrijving:
-
− Zon-PV-systeem, bestaande uit één of meerdere zonnepanelen met fotovoltaïsche zonnecellen
en de daarbij behorende spanningsomvormer(s)
-
− Zonneboiler, bestaande uit één of meer zonnecollectoren in combinatie met één of meer
warmteopslagvaten.
-
− PVT-collectoren, collectoren die zowel warmte als stroom opwekken.
Indieningsvereiste: Opgave van het totale te installeren vermogen en op tekening de plaatsing aangeven.
Aandachtspunten: Het systeem mag niet ten koste gaan van de historische materialen en constructies,
het karakter van het monument en het aanzicht van het monument en de omgeving.
19. Aansluiting op warmtenet
Beschrijving: Aansluiting op een warmtenet.
Indieningsvereiste: Korte beschrijving van het warmtenet waarop het monument wordt aangesloten (o.a. warmtebron
en het aantal panden dat wordt aangesloten).
Aandachtspunten: –
20. Lagetemperatuurverwarming (LTV)
Beschrijving: Verwarmen van radiatoren, vloer- of wandverwarming met water dat een aanvoertemperatuur
heeft van maximaal 55 graden Celsius.
Indieningsvereiste: Informatie waaruit blijkt welke ruimten in het monument LTV verwarmd zullen worden.
Aandachtspunten: Voor het mogelijk maken van LTV is het nodig om na-te isoleren en/of de warmteafgifte
elementen te vergroten of er meer te plaatsen.
21. WTW
Beschrijving: Warmteterugwinning uit ventilatielucht of uit douchewater.
Indieningsvereiste: Informatie over te installeren capaciteit en rendement van de installatie. Daarnaast
plaatsing van de installatie op tekening aangeven.
Aandachtspunten: –
22. Vraaggestuurde mechanische ventilatie
Beschrijving: De mate van ventilatie wordt per ruimte afgestemd op de ventilatiebehoefte, gemeten
door CO2-sensoren (en eventueel luchtvochtigheidssensoren).
Indieningsvereiste: Informatie waaruit blijkt in welke ruimten vraaggestuurde ventilatie wordt toegepast
en het aantal zones hierin.
Aandachtspunten: –
23. Waterbesparende maatregelen
Beschrijving: Voorbeelden van waterbesparende maatregelen zijn het toepassen van waterbesparende
kranen en sanitair, druk- en debietbegrenzers, (her)gebruik van drinkwater, hemelwater
of grijs water.
Indieningsvereiste: Overzicht van maatregelen en onderbouwing hoe deze maatregelen leiden tot het realiseren
van 20% waterbesparing op het totaalverbruik.
Aandachtspunten: –
24. Alternatieve innovatieve maatregelen
Beschrijving: Mogelijk kan de energieprestatie van het rijksmonument ook worden verbeterd met andere
maatregelen dan hiervoor genoemd.
Indieningsvereiste: De energieprestatieverbetering van de te nemen alternatieve innovatieve maatregelen
moet kwantitatief worden aangetoond. De aanvrager voegt bij de aanvraag documenten
(waaronder tekeningen) op basis waarvan de minister kan beoordelen wat de bouwfysische
gevolgen zijn van de maatregel, wat de gevolgen van de maatregel zijn voor de monumentale
waarden van het rijksmonument en welke energiebesparing door de maatregel wordt gerealiseerd.
TOELICHTING
Algemeen
In het regeerakkoord is in totaal € 325 miljoen extra beschikbaar gesteld voor erfgoed
en monumenten voor de periode 2018–2021.1 Het kabinet heeft in de brief ‘Erfgoed telt’ aangegeven dat € 95 miljoen van de €
325 miljoen via subsidieregelingen in de restauratie, herbestemming en verduurzaming
van grote rijksmonumenten wordt geïnvesteerd.2 Uit het rapport van Ecorys, ‘Samenhangende evaluatie van het financiële stelsel voor
monumentenzorg’,3 is immers gebleken dat grote rijksmonumenten ondervertegenwoordigd zijn in het huidige
financieringsstelsel voor monumenten. Daarom zijn ter besteding van deze middelen
de volgende regelingen opgesteld: de Subsidieregeling restauratie rijksmonumenten
2018 (€ 30 miljoen) en de Subsidieregeling restauratie rijksmonumenten 2019–2020 (€
60 miljoen). Met de resterende € 5 miljoen wordt invulling gegeven aan de wens van
de Tweede Kamer om extra aandacht te hebben voor de instandhouding van klinkend erfgoed
(€ 2,5 miljoen) en Joods erfgoed (€ 2,5 miljoen).
Er zijn ook grote rijksmonumenten die geen eenmalige restauratiebehoefte hebben, maar
een structureel grote instandhoudingsbehoefte. Het gaat vaak om moeilijk exploiteerbare
monumenten waarvan de eigenaren de financiële draagkracht missen om te investeren
in maatschappelijke opgaven zoals verduurzaming en een betere toegankelijkheid van
het erfgoed. Met de brief ‘Erfgoed telt’ heeft het kabinet aangekondigd ook voor dit
knelpunt een voorziening te willen treffen. Daarvoor is bij Voorjaarsnota 2019 € 35,6
miljoen beschikbaar gesteld.4 De voorliggende regeling biedt 12 eigenaren ten behoeve van grote iconische rijksmonumenten
of projecten voor een periode van 10 jaar zekerheid over een voor hen gereserveerd
bedrag. De eigenaar kan ten laste van dit individuele plafond subsidie aanvragen voor
(naar behoefte) de instandhouding, de verduurzaming of de toegankelijkheidsverbetering
van het rijksmonument. De eigenaar kan daarbij zelf bepalen voor welk bedrag hij subsidie
aanvraagt en in welk jaar of jaren in de tienjarige periode hij dat doet.
De Raad voor cultuur onderschrijft de hierboven gekozen inzet op de problematiek bij
grote monumenten in haar sectoradvies ‘Monumenten en Archeologie’.5
Doelgroep
Gelet op de wens uit het regeerakkoord om aandacht te besteden aan de toonbeelden
van onze (inter)nationale geschiedenis, is ervoor gekozen om deze regeling beschikbaar
te stellen voor 12 grote, iconische rijksmonumenten of projecten. Het is een gesloten
regeling, ter aanvulling op de open Subsidieregeling restauratie rijksmonumenten 2019–2020.
Daarvoor is gekozen omdat er relatief beperkt budget is, omdat er de laatste jaren
diverse knelpunten zijn gepresenteerd bij het beheer en gebruik van enkele grote monumenten
en omdat op deze wijze gezocht kan worden naar de beste formule om grote monumenten
langjarig te ondersteunen in nieuwe opgaven. De 12 rijksmonumenten of projecten zijn
geselecteerd op grond van een aantal criteria.
Allereerst moet het gaat om grote monumenten of projecten die concrete ideeën hebben
voor het komende decennium, bijvoorbeeld gericht op maatschappelijke opgaven zoals
verduurzaming en een betere toegankelijkheid. Daarnaast is de subsidie bedoeld voor
organisaties zonder winstoogmerk met een sociaal-culturele functie. Er is daarom voor
gekozen om te selecteren op organisaties met een ANBI-status. Uitzondering vormt Middachten,
omdat deze bijzondere continuïteit in eeuwenlange particuliere eigendom en bewoning
van dit kasteel juist het behouden waard is. Het ontbreekt de eigenaren bovendien
aan voldoende financiële draagkracht om te investeren in deze grote maatschappelijke
opgaven. Ten slotte is de subsidie bedoeld voor iconische monumenten. Met iconisch
wordt het volgende bedoeld: de relatie met de Nederlandse geschiedenis, een (inter)nationale
uitstraling, een groot volume of een groot publieksbereik.
Er zijn 12 rijksmonumenten of projecten geselecteerd uit verschillende categorieën
monumenten. Het zijn voorbeelden van religieus erfgoed (Rolduc, St. Jan Den Bosch,
Portugese Synagoge & Beth Haim), buitenplaatsen (kasteel Amerongen, Middachten en
Elswout), van monumenten met een groot publieksbereik (Museum Boymans van Beuningen,
Artis en Blijdorp) en van monumenten of projecten met de ambitie om te groeien (Waterloopbos,
Museumhuizen van Vereniging Hendrick de Keyser en Kerken van Stichting Oude Groninger
Kerken). De rijksmonumenten en projecten zijn ten slotte verspreid door het land.
Subsidiepercentage en subsidiabele kosten
Het subsidiepercentage is maximaal 70% van de subsidiabele kosten. Subsidiabel zijn
de kosten voor instandhouding (op basis van de Leidraad subsidiabele instandhoudingskosten),
de kosten voor verduurzaming (op basis van bijlage 3 bij de regeling) en de kosten
om het rijksmonument beter toegankelijk te maken.
Uitvoerbaarheid
Deze regeling is aan de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed voorgelegd voor een
uitvoeringstoets. De regeling is als uitvoerbaar beoordeeld.
Regeldruk
Met de uitvoering van deze regeling zijn administratieve lasten gemoeid voor de eigenaren.
Onder administratieve lasten wordt verstaan: de kosten om te voldoen aan informatieverplichtingen
aan de overheid, voortvloeiend uit wet- en regelgeving van de overheid.
De administratieve lasten voor de eigenaren zijn bepaald voor één jaar. Naar verwachting
zal een eigenaar ongeveer drie uur nodig hebben voor het aanvragen van subsidie op
grond van deze regeling. Het gaat om startklare projecten, dus het gaat hierbij alleen
om het invullen van het aanvraagformulier en het verzamelen of opstellen van de vereiste
documenten (indieningsvereisten uit artikel 5 van deze regeling). Uitgaande van het
aantal aanvragen van 12 bedragen de totale administratieve lasten in het eerste jaar:
12 x € 45 (uurtarief) x 3 (uur) = € 3.645.
Artikelsgewijs
Artikel 1
Artikel 1 bevat de begripsbepalingen. Met het begrip ‘instandhoudingskosten’ wordt
aangesloten bij de kosten die subsidiabel zijn op grond van de Sim. Het begrip duidt
specifiek op de kosten van werkzaamheden, maatregelen en voorzieningen en andere kosten
die als subsidiabel zijn aangemerkt in de bijlage bij de Sim, de Leidraad subsidiabele
instandhoudingskosten. Anders dan subsidieverstrekking op grond van de Sim zijn daarbij
voor groene monumenten ook de werkzaamheden, bedoeld in hoofdstuk 1.3, paragraaf 92,
van de Leidraad, subsidiabel die in de Leidraad als onderhoud prioriteit 2 of restauratie
zijn aangemerkt.
Het begrip ‘werkzaamheden’ is algemeen van aard en duidt niet alleen op werkzaamheden,
maatregelen en voorzieningen ten behoeve van de instandhouding van het rijksmonument,
maar ook op andere werkzaamheden, maatregelen en voorzieningen (gericht op de toegankelijkheidsverbetering
of verduurzaming van het rijksmonument) waarvoor op grond van deze regeling subsidie
kan worden verleend.
Artikel 2
De Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS (hierna: de Kaderregeling) is op deze regeling
van toepassing. Dit geldt bijvoorbeeld voor artikel 3.2, tweede lid, waaruit volgt
dat een subsidieaanvraag wordt gedaan voor aanvang van de periode waarvoor subsidie
wordt aangevraagd. Dit betekent concreet dat activiteiten die zijn uitgevoerd voorafgaand
aan de subsidieaanvraag in beginsel niet subsidiabel zijn (zie voor een uitzondering
evenwel artikel 4, zesde lid). Ook hoofdstuk 5 van de Kaderregeling (dat een aantal
algemene aan de subsidie verbonden verplichtingen bevat) is van toepassing bij subsidieverstrekking
op grond van deze regeling. Niettemin wordt in deze regeling (vanwege het bijzondere
karakter van een subsidie voor de ondersteuning van rijksmonumenten) op een aantal
punten afgeweken van de Kaderregeling. In artikel 2 is duidelijkheidshalve geëxpliciteerd
welke artikelen van de Kaderregeling niet op deze regeling van toepassing zijn. Daarnaast
is in een tweetal artikelen (artikel 4, zesde lid, en artikel 10, eerste lid) waarin
op specifieke punten van de Kaderregeling wordt afgeweken, afzonderlijk aangegeven
dat van een afwijking van de Kaderregeling sprake is.
Artikel 3
Bijzonder aan deze regeling is dat voor elke in artikel 3 genoemde eigenaar voor de
genoemde rijksmonumenten een individueel subsidieplafond is opgenomen. Dit plafond
blijft gedurende een periode van tien jaar (2020 tot en met 2029) voor de eigenaar
gereserveerd. De eigenaar kan gedurende deze periode subsidie aanvragen voor werkzaamheden
aan het rijksmonument ten behoeve van instandhouding, verduurzaming of toegankelijkheidsverbetering
van het rijksmonument. Het subsidieplafond biedt de eigenaar zekerheid over het bedrag
waarvoor hij gedurende deze periode ten hoogste subsidie aan kan vragen.
Artikel 4
Artikel 4 heeft betrekking op de activiteiten waarvoor subsidie wordt verstrekt en
de kosten die daarbij voor subsidie in aanmerking komen. Ten eerste kan subsidie worden
verstrekt voor instandhouding van het rijksmonument. Daarbij kan ook voor de verduurzaming
van het rijksmonument subsidie worden verstrekt. Ten slotte kan subsidie worden verstrekt
voor de verbetering van de toegankelijkheid van het rijksmonument.
In het tweede lid is opgenomen welke kosten voor subsidie in aanmerking komen. Het
gaat om instandhoudingskosten (de kosten die subsidiabel zijn op grond van de Leidraad,
behorende bij de Subsidieregeling instandhouding monumenten), de verduurzamingskosten
die subsidiabel zijn op grond van bijlage 3 bij deze regeling, en de kosten voor de
verbetering van de toegankelijkheid van het rijksmonument (nader gespecificeerd in
het derde lid van artikel 4). Hierbij geldt telkens dat de kosten enkel subsidiabel
zijn voor zover zij naar het oordeel van de minister redelijk zijn, en voor zover
de werkzaamheden naar het oordeel van de minister geen nadelige gevolgen hebben voor
het rijksmonument of zijn monumentale waarden.
Het verdient nadere toelichting welke kosten subsidiabel zijn ten behoeve van een
vergroting van de publiekstoegankelijkheid van het rijksmonument. Daartoe worden allereerst
gerekend de kosten van bouwkundige werkzaamheden om bezoekers van het monument beter
te faciliteren, zoals de kosten voor het creëren van een ontvangstruimte, expositieruimte,
garderobe of toiletten. Het moet wel gaan om voorzieningen die direct gerelateerd
zijn aan de cultuurhistorische functie van het monument. De bouw van een horecavoorziening
is bijvoorbeeld niet subsidiabel. Ook kosten die worden gemaakt om bezoekers ter plaatse
beter te informeren over het rijksmonument zijn subsidiabel. Voorbeelden van dit soort
kosten zijn het inrichten van een expositieruimte, plaatsen van informatiepanelen
of -schermen en aanschafkosten van een audiotour. Tenslotte zijn ook kosten voor het
digitaal ontsluiten van een rijksmonument subsidiabel. Hierbij gaat het om aanschafkosten
voor het (online) aanbieden van (audio)visuele tours door het rijksmonument voor personen
die het monument niet fysiek kunnen bezoeken.
In het zesde lid is opgenomen dat alleen kosten die zijn gemaakt na de indiening van
de aanvraag subsidiabel zijn. Daarbij is duidelijkheidshalve bepaald dat Hoofdstuk
1.1, onderdeel f, van de Leidraad niet van toepassing is. Dat onderdeel bepaalt namelijk
dat de kosten voor werkzaamheden die zijn aangevangen voorafgaand aan de subsidieverstrekking niet subsidiabel zijn, hetgeen een later moment betreft dan het moment van indiening
van de aanvraag. In de tweede zin van het zesde lid is een uitzondering opgenomen
voor die betrekking hebben op voorbereiding van de aanvraag subsidiabel. Die kosten
zijn wel subsidiabel. Daarbij wordt – nu het strikt genomen gaat om kosten die vóór
de indiening van de subsidieaanvraag zijn gemaakt – afgeweken van de artikelen 3.2,
tweede lid, en 4.3, eerste lid, van de Kaderregeling.
Artikel 5
Artikel 5 gaat over de hoogte van het subsidiebedrag. Het subsidiebedrag bedraagt
ten hoogste 70% van de subsidiabele kosten. Het subsidiebedrag kan op verzoek van
de aanvrager worden vastgesteld op een lager percentage dan 70% van de subsidiabele
kosten als de aanvrager daarmee al voldoende subsidie ontvangt om de werkzaamheden
te kunnen bekostigen, bijvoorbeeld omdat ook de gemeente of de provincie subsidie
verleent voor de subsidiabele kosten. Hierdoor blijft een groter budget over voor
opvolgende subsidieaanvragen.
Artikel 6 en 7
De artikelen 6 en 7 gaan over de subsidieaanvraag. Op grond van het eerste lid van
artikel 6 kunnen eigenaren jaarlijks eenmaal subsidie aanvragen. Dit is enkel anders
indien het gaat om aanvragen die betrekking hebben op meerwerk of meerkosten. Van
een vaste aanvraagperiode is daarbij geen sprake; de aanvraag kan op elk moment worden
ingediend. In de regeling zijn wel een start- en einddatum voor het doen van aanvragen
opgenomen. Op grond van het tweede lid kan in 2020 vanaf 1 augustus voor het eerst
subsidie worden aangevraagd. Op grond van het derde lid uiterlijk tot 1 augustus 2029
subsidie worden aangevraagd. Dit is bedoeld om te verzekeren dat op de aanvraag nog
voor het einde van dat kalenderjaar kan worden beslist.
Artikel 7 bevat de eisen die aan de aanvraag worden gesteld. In de leden 1 tot en
met 3 zijn de specifieke eisen opgenomen die gelden als in een aanvraag aanspraak
wordt gemaakt op subsidie voor instandhoudingskosten, verduurzamingskosten, onderscheidenlijk
kosten voor toegankelijkheidsverbetering. Indien in één aanvraag op meerdere van deze
kostensoorten aanspraak wordt gemaakt, zijn de desbetreffende leden cumulatief van
toepassing. In zo’n geval kunnen de voor de verschillende soorten kosten bij de aanvraag
in te dienen documenten (indien mogelijk) evenwel worden samengevoegd. In een aanvraag
waarin aanspraak wordt gemaakt op subsidie voor zowel instandhoudings- als verduurzamingskosten,
kan er (om aan zowel het eerste lid, als het tweede lid, onderdeel a, te voldoen)
bijvoorbeeld voor worden gekozen om één plan over de te verrichten werkzaamheden op
te stellen.
Artikel 8
Op grond van artikel 8, onderdeel a, weigert de minister subsidie te verstrekken voor
zover voor de subsidiabele kosten waarvoor subsidie wordt gevraagd reeds uit anderen
hoofde subsidie is verstrekt en subsidieverstrekking ten gevolge zou hebben dat de
eigenaar in totaal meer dan 100% subsidie ontvangt voor de subsidiabele kosten. Deze
weigeringsgrond is bedoeld om te voorkomen dat overcompensatie zou optreden. Daarnaast
wordt subsidieverstrekking geweigerd voor zover de kosten bij schade op grond van
een verzekering worden gedekt, op grond van de Wet op de omzetbelasting in aftrek
kunnen worden gebracht, dan wel anderszins niet ten laste van de aanvrager komen.
Artikel 9
Artikel 9 bevat de subsidieverplichtingen. Het eerste lid bevat de verplichting voor
de eigenaar om de werkzaamheden – voor zover daarvoor een omgevingsvergunning als
bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel f, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
is vereist – niet te doen aanvangen zonder of in afwijking van die omgevingsvergunning.
Deze subsidieverplichting is niet facultatief en is derhalve steeds verbonden aan
een op grond van deze regeling verstrekte subsidie. Het tweede lid bepaalt dat eventuele
exploitatiewinsten die een redelijke winst ontstijgen, door de eigenaar moeten worden
aangewend ten behoeve van de instandhouding van het rijksmonument.
Het derde lid van artikel 9 bevat een aantal facultatieve subsidieverplichtingen.
De minister kan één of meer van deze subsidieverplichtingen opleggen in het besluit
tot subsidieverlening. De opgenomen subsidieverplichtingen zijn gebaseerd op de artikelen
21 en 22 van de Subsidieregeling instandhouding monumenten (zulks met uitzondering
van artikel 21, onderdelen b en d). Onderdeel b van het tweede lid is nieuw, en biedt
de mogelijkheid om een eigenaar te verplichten om mee te werken aan een onderzoek
naar het energieverbruik van het rijksmonument, de bezoekersaantallen en de inzet
van vrijwilligers om het rijksmonument toegankelijk te maken. Deze specifieke informatieplicht
doet niet af aan de algemene subsidieverplichting (opgenomen in artikel 5.4, aanhef
en onder b, van de Kaderregeling) om mee te werken aan onderzoek dat erop is gericht
de minister inlichtingen te verschaffen die van belang zijn voor de ontwikkeling van
het beleid van de minister.
Artikelen 11 tot en met 13
De artikelen 11 tot en met 13 betreffen de verantwoording van een subsidie door de
eigenaar. De artikelen 11 tot en met 13 zijn in belangrijke mate gebaseerd op de artikelen
23 tot en met 25 van de Sim, met dien verstande dat de derde en vierde leden van artikel
24 van de Sim niet zijn overgenomen in artikel 12 en 23 van deze regeling. Daarbij
zijn de artikelen 12 en 13 van deze regeling – anders dan de artikelen 24 en 25 van
de Sim – als alternatief geformuleerd. Daarbij is artikel 12 van toepassing voor de
verantwoording van subsidies vanaf € 25.000 tot € 125.000, en artikel 23 voor de verantwoording
van subsidies van € 125.000 of meer.
In artikel 13, vierde lid, is opgenomen dat de eigenaar het financieel verslag enkel
vergezeld doet gaan van een controleverklaring, indien de subsidie € 300.000,- of
meer bedraagt. Dit is in lijn met de wijze van verantwoording van subsidies op grond
van de Sim, waarbij in de praktijk thans ook – ter beperking van de regeldruk – alleen
een controleverklaring wordt gevraagd indien de subsidie € 300.000,– of meer bedraagt.
Artikel 16 en 17
Artikel 17 regelt de inwerkingtreding van deze regeling. De regeling treedt in werking
met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt
geplaatst. Een uitzondering is artikel 16, dat in werking treedt op het moment dat
de Omgevingswet in werking treedt. Artikel 16 strekt ertoe op dat moment artikel 9,
eerste lid, van deze regeling te wijzigen. Daarbij wordt de verwijzing naar artikel
2.1, eerste lid, onder f, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (die met de
inwerkingtreding van de Omgevingswet wordt ingetrokken) vervangen door een nieuwe
verwijzing naar het corresponderende onderdeel in artikel 5.1, eerste lid, onder b,
van de Omgevingswet.
In artikel 17, tweede lid, is de vervaldatum van de regeling opgenomen. De regeling
vervalt met ingang van 1 januari 2030. Deze lange werkingsduur van de regeling is
noodzakelijk om de eigenaren gedurende een periode van tien jaren zekerheid te kunnen
geven over het bedrag dat voor hen beschikbaar is. Die zekerheid biedt eigenaren de
ruimte om binnen die periode wezenlijke stappen te zetten ten aanzien van de instandhouding,
verduurzaming of toegankelijkheidsverbetering van hun rijksmonument. Omdat de werkingsduur
van de regeling langer is dan vijf jaren, is – onder toepassing van artikel 4.10,
vierde lid, van de Comptabiliteitswet 2016 – een concept van deze regeling voorgelegd
aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Gedurende de looptijd van deze regeling zal
door de minister, onder toepassing van artikel 4.10, derde lid, onderdeel b, van de
Comptabiliteitswet 2016, een verslag aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal worden
gezonden over de doeltreffendheid en de doelmatigheid van de subsidie die op grond
van deze regeling wordt verstrekt.
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
I.K. van Engelshoven