Toeslagen. Besluit Compensatieregeling CAF 11 en vergelijkbare (CAF-)zaken

Directoraat-generaal Belastingdienst/Corporate Dienst Vaktechniek

Besluit van 20 mei 2020, nr. 2020-95373,

De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.

Dit besluit bevat beleidsregels voor de verstrekking van een compensatie aan ouders vanwege de institutioneel vooringenomen handelwijze van de Belastingdienst/Toeslagen in het kader van CAF 11 en vergelijkbare (CAF-)zaken.

1. Inleiding

De Adviescommissie uitvoering toeslagen (hierna: de Adviescommissie) heeft op 14 november 2019 het interim-advies ‘Omzien in Verwondering’1 en op 12 maart 2020 het eindadvies ‘Omzien in Verwondering 2’2 uitgebracht. De Adviescommissie doet een voorstel voor een compensatieregeling voor ouders die deel uitmaakten van het onderzoek in CAF 11 of in vergelijkbare (CAF-)zaken (betreffende de behandeling van aanvragen kinderopvangtoeslag). De aanbevelingen uit de adviezen voor de compensatie van deze groep ouders zijn door het Kabinet overgenomen. Voor het toekennen van deze compensatie zal in een wettelijke grondslag worden voorzien. De Staatssecretaris van Financiën heeft goedgekeurd dat de Belastingdienst/Toeslagen de compensatieregeling al vooruitlopend op deze wettelijke grondslag mag uitvoeren.

De Adviescommissie geeft in haar advies concrete aanknopingspunten voor de bepaling van de reikwijdte van de compensatieregeling. De hierop gebaseerde vaststelling van de doelgroep van de compensatieregeling is verwerkt in onderdeel 2 van dit besluit.

De Adviescommissie onderscheidt zes elementen van compensatie:

  • a. Compensatie voor correctiebesluiten.

  • b. Compensatie voor veronderstelde immateriële schade.

  • c. Compensatie voor veronderstelde materiële schade.

  • d. Compensatie voor invorderingskosten.

  • e. Compensatie voor proceskosten.

  • f. Bedragen die in mindering worden gebracht.

Bovengenoemde elementen a t/m e van de compensatie komen terug in onderdeel 3 van dit besluit. Onderdeel f dat ziet op de eventuele vermindering van de uit de elementen a t/m e opgebouwde compensatie, komt aan de orde in onderdeel 5.

In aanvulling op bovenstaande elementen van compensatie voorziet dit besluit in de mogelijkheid van een aanvullende compensatie indien de geleden schade als gevolg van de institutioneel vooringenomen handelwijze van de Belastingdienst/Toeslagen hoger is dan de compensatie die op grond van de bovenstaande elementen van compensatie wordt toegekend. Deze aanvullende compensatie voor de werkelijke schade is opgenomen in onderdeel 4.

Onderdeel 6 van dit besluit voorziet in een extra forfaitaire vergoeding voor de mogelijk hogere vermogensrendementsheffing als gevolg van de compensatie en – daaruit voortvloeiende – lagere aanspraak op toeslagen.

Tot slot wordt in onderdeel 7 van dit besluit ingegaan op de gevolgen van de compensatie voor de inkomstenbelasting en toeslagen.

Gebruikte begrippen en afkortingen:

Awb:

Algemene wet bestuursrecht

CAF:

Combiteam Aanpak Facilitators

Neerwaarts correctiebesluit:

Het besluit om de aanspraak op kinderopvangtoeslag te verminderen – met inbegrip van het besluit tot stopzetting – naar aanleiding van het (CAF-)onderzoek

Ouder:

Ouder als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet kinderopvang

Wet IB 2001:

Wet inkomstenbelasting 2001

2. Doelgroep

Dit besluit voorziet in een compensatie voor de ouder die deel uitmaakte van het CAF 11-onderzoek (onderdeel 2.1), die deel uitmaakte van een vergelijkbaar (CAF-)onderzoek (onderdeel 2.2) of die aannemelijk maakt dat de vaststelling van zijn aanspraak op kinderopvangtoeslag in enig jaar onderdeel is geweest van een institutioneel vooringenomen handelwijze van de Belastingdienst/Toeslagen (onderdeel 2.3). De compensatieregeling geldt in deze situaties niet als er sprake is van een ernstige onregelmatigheid aan de kant van de ouder (onderdeel 2.4).

2.1 CAF 11

Dit besluit voorziet in een compensatie voor de ouder die deel uitmaakte van het CAF 11-onderzoek bij de vaststelling (van het voorschot) van de aanspraak op kinderopvangtoeslag. Het gaat dan om de ouder ten aanzien waarvan de Belastingdienst/Toeslagen op basis van dit onderzoek correctiebesluiten over de berekeningsjaren 2012, 2013 en/of 2014 heeft genomen en (het voorschot op) de kinderopvangtoeslag is stopgezet of is teruggevorderd. Voor de toepassing van dit compensatiebesluit bij ouders die deel uitmaakten van het CAF 11-onderzoek wordt ervan uitgegaan dat de ouder die een vooraankondiging van de compensatie heeft ontvangen van de Belastingdienst/Toeslagen een aanvraag voor compensatie heeft ingediend.

2.2 Vergelijkbare (CAF-)onderzoeken

Dit besluit voorziet ook in een compensatie voor de ouder die deel uitmaakte van een (CAF-)onderzoek bij de vaststelling (van het voorschot) van de aanspraak op kinderopvangtoeslag waarin op vergelijkbare wijze als in het CAF 11-onderzoek sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid van de Belastingdienst/Toeslagen.

De Adviescommissie heeft in haar advies de (CAF-)onderzoeken geïdentificeerd waarin waarschijnlijk sprake is geweest van een institutioneel vooringenomen handelwijze of waarin mogelijk sprake is geweest van een institutioneel vooringenomen handelwijze. De Belastingdienst/Toeslagen zal voor deze (CAF-)onderzoeken aan de hand van de door de Adviescommissie beschreven kenmerken beoordelen of daadwerkelijk sprake was van een institutioneel vooringenomen handelwijze. Het gaat hierbij om de volgende kenmerken:

  • 1. Een collectieve stopzetting zonder een voorafgaande individuele beoordeling die dit rechtvaardigde (‘zachte stop’).

  • 2. Het breed uitvragen van bewijsstukken over één of meerdere jaren.

  • 3. Een zero tolerance-onderzoek naar fouten, tekortkomingen en ontbrekende bewijsstukken met (soms/veelal) een tweede check wanneer bij eerste lezing geen grond voor afwijzing was gevonden.

  • 4. Het niet nader uitvragen van informatie bij gebleken tekortkoming in de door de ouder verstrekte bewijsstukken.

  • 5. Het afwijzen of reduceren van de aanspraak op kinderopvangtoeslag bij de minste of geringste onregelmatigheid in de door de ouder verstrekte bewijsstukken.

Bij de beoordeling van de (CAF-)onderzoeken aan deze kenmerken gaat het niet om de optelsom van deze kenmerken of het afzonderlijk aanwezig zijn daarvan, maar om het in samenhang voorkomen daarvan in een onderzoek. De afwezigheid van één kenmerk betekent niet dat er geen sprake is van een institutioneel vooringenomen handelwijze evenmin als dat de aanwezigheid van meerdere kenmerken per definitie een institutioneel vooringenomen handelwijze betekent.

De procedure voor de beoordeling van de onderzoeken verschilt voor (CAF-)onderzoeken die volgens de Adviescommissie behoren tot de categorie waarschijnlijk vergelijkbaar met CAF 11 (onderdeel 2.2.1) en de (CAF-)onderzoeken die volgens de Adviescommissie behoren tot de categorie mogelijk vergelijkbaar met CAF 11 (onderdeel 2.2.2).

2.2.1 Waarschijnlijk vergelijkbaar met CAF 11

De volgende onderzoeken zijn door de Adviescommissie aangemerkt als waarschijnlijk vergelijkbaar met CAF 11:

  • Tonga-2014 (07-04-2014)

  • CAF-Swierigheid (08-04-2014)

  • CAF-Beilen (18-04-2014)

  • CAF-Tonga2 (09-05-2014)

  • CAF-Danny De (18-04-2014)

  • CAF-Danny De Twins (14-11-2014)

  • CAF-Vanuatu (16-03-2015)

  • CAF-Horseshoe Bay (16-04-2015)

  • CAF-Caledonie 2015 (09-07-2015)

  • CAF-Kuil (09-07-2015)

De Belastingdienst/Toeslagen beoordeelt of in het betreffende (CAF-)onderzoek in het algemeen sprake is geweest van een institutioneel vooringenomen handelwijze van de Belastingdienst/Toeslagen. Als de Belastingdienst/Toeslagen voornemens is te oordelen dat geen sprake is geweest van een institutioneel vooringenomen handelwijze, dan wordt deze conclusie voorgelegd aan de commissie van onafhankelijke deskundigen. Het oordeel van deze commissie over dit voornemen is voor de Belastingdienst/Toeslagen leidend.

Als de Belastingdienst/Toeslagen – al dan niet na het voorleggen aan de commissie van onafhankelijke deskundigen – oordeelt dat er in het betreffende (CAF-)onderzoek wel sprake is geweest van een institutioneel vooringenomen handelwijze, ontvangen de betreffende ouders van de Belastingdienst/Toeslagen een mededeling dat zij mogelijk voor compensatie in aanmerking komen. De ouder kan vervolgens een aanvraag voor compensatie indienen bij de Belastingdienst/Toeslagen. De ouder kan deze aanvraag tot en met 31 december 2023 bij de Belastingdienst/Toeslagen indienen.

Als de Belastingdienst/Toeslagen – na het voorleggen aan de commissie van onafhankelijke deskundigen – oordeelt dat er in het betreffende (CAF-)onderzoek geen sprake is geweest van een institutioneel vooringenomen handelwijze, dan komt de ouder niet in aanmerking voor de compensatieregeling. De betreffende ouder ontvangt hiervan een mededeling. Een ouder die van mening is dat hij ten onrechte niet tot de doelgroep van de compensatieregeling wordt gerekend, kan bij de Belastingdienst/Toeslagen een aanvraag indienen tot compensatie, zodat de afwijzing in een beschikking wordt vastgelegd. De ouder kan bezwaar maken bij de Belastingdienst/Toeslagen tegen deze beschikking. Een onafhankelijke bezwaarschriftenadviescommissie als bedoeld in artikel 7:13 Awb brengt advies uit over dit bezwaar. In de regel zal de Belastingdienst/Toeslagen dit advies volgen bij het nemen van de beslissing op bezwaar.

De onderzoeken CAF Swierigheid, CAF Beilen en CAF Vanuatu hebben niet (enkel) betrekking op de kinderopvangtoeslag. Deze onderzoeken behoren tot de reikwijdte van dit besluit voor zover ze betrekking hebben op de kinderopvangtoeslag. Hoe moet worden omgegaan met het deel van deze onderzoeken dat betrekking heeft op de huurtoeslag, zorgtoeslag en/of het kindgebonden budget, wordt nader onderzocht.

2.2.2 Mogelijk vergelijkbaar met CAF 11

De volgende onderzoeken zijn door de Adviescommissie aangemerkt als mogelijk vergelijkbaar met CAF 11:

  • Bebegim (2011)

  • Caledonie (19-02-2014)

  • CAF-Namdrik (24-04-2014)

  • CAF-Punta (09-05-2014)

  • CAF-Lanai (28-05-2014)

  • CAF-Oahu (25-07-2014)

  • CAF-Danny De Fase 2 (21-10-2014)

  • CAF-Anker (Florien) (10-12-2015)

  • CAF-Inverness (10-12-2015)

  • CAF-Balmaha (19-02-2016)

  • CAF-Mundo (18-03-2016)

  • CAF-Kidzzl/Kidzz, Palace (11-04-2016)

De Belastingdienst/Toeslagen beoordeelt of in het betreffende (CAF-)onderzoek in het algemeen sprake is geweest van een institutioneel vooringenomen handelwijze van de Belastingdienst/Toeslagen. Het voorlopige oordeel van de Belastingdienst/Toeslagen wordt voorgelegd aan de commissie van onafhankelijke deskundigen. Het oordeel van deze commissie is voor de Belastingdienst/Toeslagen leidend.

Als de Belastingdienst/Toeslagen – na het voorleggen aan de commissie van onafhankelijke deskundigen – oordeelt dat er in het betreffende (CAF-)onderzoek sprake is geweest van een institutioneel vooringenomen handelwijze, ontvangen de betreffende ouders van de Belastingdienst/Toeslagen een mededeling dat zij mogelijk voor compensatie in aanmerking komen. De ouder kan vervolgens een aanvraag voor compensatie indienen bij de Belastingdienst/Toeslagen. De ouder kan deze aanvraag tot en met 31 december 2023 bij de Belastingdienst/Toeslagen indienen.

Als de Belastingdienst/Toeslagen – na het voorleggen aan de commissie van onafhankelijke deskundigen – oordeelt dat er in het betreffende (CAF-)onderzoek geen sprake is geweest van een institutioneel vooringenomen handelwijze, dan komt de ouder niet in aanmerking voor de compensatieregeling. De betreffende ouder ontvangt daarvan een mededeling. Een ouder die van mening is dat hij ten onrechte niet tot de doelgroep van de compensatieregeling wordt gerekend, kan bij de Belastingdienst/Toeslagen een aanvraag indienen tot compensatie, zodat de afwijzing in een beschikking wordt vastgelegd. De ouder kan bezwaar maken bij de Belastingdienst/Toeslagen tegen deze beschikking. Een onafhankelijke bezwaarschriftenadviescommissie als bedoeld in artikel 7:13 Awb brengt advies uit over dit bezwaar. In de regel zal de Belastingdienst/Toeslagen dit advies volgen bij het nemen van de beslissing op bezwaar.

De onderzoeken CAF Namdrik en CAF Punta hebben niet enkel betrekking op de kinderopvangtoeslag. Deze onderzoeken behoren tot de reikwijdte van dit besluit voor zover ze betrekking hebben op de kinderopvangtoeslag. Hoe moet worden omgegaan met het deel van deze onderzoeken dat betrekking heeft op de huurtoeslag, zorgtoeslag en/of het kindgebonden budget, wordt nader onderzocht.

2.3 Ouders die zich melden

Een ouder die aannemelijk kan maken dat de beoordeling van zijn aanspraak op kinderopvangtoeslag in enig jaar onderdeel is geweest van een breder onderzoek waarin een institutioneel vooringenomen handelwijze is gehanteerd (onderdeel 2.3.1) of een ouder die aannemelijk kan maken dat hij behoort tot de doelgroep van een (CAF-)onderzoek waarvan de Belastingdienst/Toeslagen heeft geoordeeld dat sprake is van een institutioneel vooringenomen handelwijze (onderdeel 2.3.2), kan een aanvraag tot compensatie indienen.

2.3.1 Overige (CAF-)onderzoeken

Een ouder die van mening is dat hij eveneens tot de doelgroep van de compensatieregeling behoort, kan tot en met 31 december 2023 bij de Belastingdienst/Toeslagen een aanvraag tot compensatie indienen. De ouder zal in dat geval op basis van de in onderdeel 2.2 genoemde kenmerken aannemelijk moeten maken dat de beoordeling van zijn aanspraak op kinderopvangtoeslag in enig jaar onderdeel is geweest van een breder onderzoek waarin een institutioneel vooringenomen handelwijze is gehanteerd. De Belastingdienst/Toeslagen beoordeelt of in het betreffende (CAF-)onderzoek in het algemeen sprake is geweest van een institutioneel vooringenomen handelwijze van de Belastingdienst/Toeslagen. Het voorlopige oordeel van de Belastingdienst/Toeslagen wordt voorgelegd aan de commissie van onafhankelijke deskundigen. Het oordeel van deze commissie is voor de Belastingdienst/Toeslagen leidend.

Als de Belastingdienst/Toeslagen – na het voorleggen aan de commissie van onafhankelijke deskundigen – oordeelt dat in het betreffende onderzoek sprake is geweest van een institutioneel vooringenomen handelwijze, ontvangt de betreffende ouder van de Belastingdienst/Toeslagen hiervan een melding. De andere bij het betreffende onderzoek betrokken ouders krijgen eveneens een mededeling dat zij mogelijk voor compensatie in aanmerking komen. Deze andere betrokken ouders kunnen vervolgens tot en met 31 december 2023 een aanvraag voor compensatie indienen bij de Belastingdienst/Toeslagen.

Als de Belastingdienst/Toeslagen – na het voorleggen aan de commissie van onafhankelijke deskundigen – oordeelt dat in het betreffende onderzoek geen sprake is geweest van een institutioneel vooringenomen handelwijze, dan wordt de aanvraag tot compensatie afgewezen. De afwijzing van de aanvraag is een beschikking in de zin van de Awb. De ouder kan bezwaar maken bij de Belastingdienst/Toeslagen tegen deze beschikking. Een onafhankelijke bezwaarschriftenadviescommissie als bedoeld in artikel 7:13 Awb brengt advies uit over dit bezwaar. In de regel zal de Belastingdienst/Toeslagen dit advies volgen bij het nemen van de beslissing op bezwaar.

2.3.2 Ouders die ten onrechte niet tot een (CAF-)onderzoek zijn gerekend

Ten slotte kan een ouder die van mening is dat hij ten onrechte niet is gerekend tot een in de onderdelen 2.1 en 2.2 of in dit onderdeel genoemd (CAF-)onderzoek, waarvan de Belastingdienst/Toeslagen heeft geoordeeld dat sprake is geweest van een institutioneel vooringenomen handelwijze, eveneens tot en met 31 december 2023 bij de Belastingdienst/Toeslagen een aanvraag tot compensatie indienen. De ouder zal in dat geval aannemelijk moeten maken dat hij behoort tot de doelgroep van dat betreffende (CAF-)onderzoek.

Als de Belastingdienst/Toeslagen oordeelt dat de ouder tot de doelgroep van het betreffende (CAF-)onderzoek behoort, dan ontvangt de ouder een mededeling dat hij mogelijk voor compensatie in aanmerking komt.

Als de Belastingdienst/Toeslagen voornemens is te oordelen dat de ouder geen deel uitmaakt van het betreffende (CAF-)onderzoek, dan wordt deze conclusie voorgelegd aan de commissie van onafhankelijke deskundigen. Het oordeel van deze commissie over dit voornemen is voor de Belastingdienst/Toeslagen leidend. Als de commissie besluit dat de ouder geen deel uitmaakt van het betreffende (CAF-)onderzoek, dan wordt de aanvraag tot compensatie door de Belastingdienst/Toeslagen afgewezen. De afwijzing van de aanvraag is een beschikking in de zin van de Awb. De ouder kan bezwaar maken bij de Belastingdienst/Toeslagen tegen deze beschikking. Een onafhankelijke bezwaarschriftenadviescommissie als bedoeld in artikel 7:13 Awb brengt advies uit over dit bezwaar. In de regel zal de Belastingdienst/Toeslagen dit advies volgen bij het nemen van de beslissing op bezwaar.

2.4 Ernstige onregelmatigheden

Als op grond van de onderdelen 2.1, 2.2 en 2.3 van dit besluit de Belastingdienst/Toeslagen heeft geoordeeld dat in het betreffende (CAF-)onderzoek sprake is geweest van een institutioneel vooringenomen handelwijze, beoordeelt de Belastingdienst/Toeslagen of sprake is van een ernstige onregelmatigheid die aan de ouder toerekenbaar is, die in de weg staat aan het toekennen van compensatie.3

Hiervan is sprake:

  • als blijkt dat de ouder evident geen recht op kinderopvangtoeslag had in het onderzochte berekeningsjaar; of

  • als de ouder ook na verzoeken om informatie of het maken van een afspraak niets van zich heeft laten horen, niet op ingeplande afspraken is verschenen en ook nooit bezwaar heeft gemaakt tegen de betreffende beschikkingen van de Belastingdienst/Toeslagen.

Als de Belastingdienst/Toeslagen oordeelt dat geen sprake is van een ernstige onregelmatigheid, dan behoort de betreffende ouder tot de doelgroep van deze compensatieregeling.

De commissie van onafhankelijke deskundigen wordt geraadpleegd als de Belastingdienst/Toeslagen voornemens is vanwege ernstige onregelmatigheden geen compensatie te verlenen. Het oordeel van deze commissie is voor de Belastingdienst/Toeslagen leidend. Indien de Belastingdienst/Toeslagen op basis van het oordeel van de commissie vaststelt dat de ouder geen recht heeft op compensatie ingevolge deze regeling, dan stelt de Belastingdienst/Toeslagen dit bij voor bezwaar vatbare beschikking vast. De ouder kan bezwaar maken bij de Belastingdienst/Toeslagen tegen deze beschikking. Een onafhankelijke bezwaarschriftenadviescommissie als bedoeld in artikel 7:13 Awb brengt advies uit over dit bezwaar. In de regel zal de Belastingdienst/Toeslagen dit advies volgen bij het nemen van de beslissing op bezwaar.

3. Compensatie

Een ouder die op grond van onderdeel 2 tot de doelgroep van deze compensatieregeling behoort, heeft recht op een compensatie.

3.1 Elementen van de compensatie

De compensatie bestaat uit een geldbedrag dat de Belastingdienst/Toeslagen uitbetaalt aan de betreffende ouder. De compensatie bevat zes elementen, waarvan het zesde element in onderdeel 5 wordt behandeld:

  • 1. Compensatie voor correctiebesluiten (onderdeel 3.1.1).

  • 2. Compensatie voor veronderstelde immateriële schade (onderdeel 3.1.2).

  • 3. Compensatie voor veronderstelde materiële schade (onderdeel 3.1.3).

  • 4. Compensatie voor invorderingskosten (onderdeel 3.1.4).

  • 5. Compensatie voor proceskosten (onderdeel 3.1.5).

De hoogte van de compensatie is de optelsom van de bedragen voor de verschillende elementen. Het bedrag van de compensatie wordt in bepaalde situaties verminderd (onderdeel 5).

3.1.1 Compensatie voor correctiebesluiten

Deze compensatie is het totaalbedrag waarmee de aanspraak van de ouder op kinderopvangtoeslag is stopgezet of neerwaarts is gecorrigeerd als direct gevolg van het (CAF-)onderzoek.

Het gaat hierbij niet om het herzien van onherroepelijke vaststellingsbeschikkingen. Het betreft dus niet het alsnog uitkeren van de kinderopvangtoeslag voor de betreffende berekeningsjaren, maar om een compensatie voor correctiebesluiten.

3.1.2 Compensatie voor veronderstelde immateriële schade

Deze compensatie betreft een vergoeding voor veronderstelde stress, ongemak en onzekerheid waarmee de ouder is geconfronteerd in de (lange) tijd die is verstreken vanaf het eerste neerwaartse correctiebesluit in het kader van het (CAF-)onderzoek.

De compensatie voor veronderstelde immateriële schade bedraagt per aanvrager € 500 voor ieder half jaar dat is verstreken tussen het eerste neerwaartse correctiebesluit en de dagtekening van de beschikking met betrekking tot de compensatie.

De bovengenoemde periode wordt naar boven afgerond op halve jaren.

De compensatie voor veronderstelde immateriële schade kan niet meer bedragen dan het bedrag aan compensatie voor correctiebesluiten.

De vergoeding geldt per aanvrager, ongeacht het aantal gecorrigeerde berekeningsjaren.

3.1.3 Compensatie voor veronderstelde materiële schade

Deze compensatie betreft een vergoeding voor veronderstelde materiële schade die is ontstaan door de handelwijze van de Belastingdienst/Toeslagen in het kader van het (CAF-)onderzoek.

De compensatie bedraagt 25% van het bedrag van de compensatie voor correctiebesluiten.

3.1.4 Compensatie voor invorderingskosten

Deze compensatie betreft een vergoeding van de kosten met betrekking tot invorderingshandelingen van de na het (CAF-)onderzoek teruggevorderde kinderopvangtoeslag over de betreffende berekeningsjaren, die de Belastingdienst/Toeslagen aan de ouder in rekening heeft gebracht.

Hierbij gaat het bijvoorbeeld om kosten die in rekening zijn gebracht voor aanmaningen en dwangbevelen en de invorderingsrente die is gerekend.

Als dwanginvordering heeft geleid tot gedwongen verkoop van bezittingen van de ouder, kan de ouder een aanvraag tot aanvullende compensatie indienen bij de Belastingdienst/Toeslagen (onderdeel 4).

3.1.5 Compensatie voor proceskosten

Deze compensatie betreft een forfaitaire vergoeding voor de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand, voor zover deze kosten niet eerder zijn vergoed. Deze forfaitaire proceskostenvergoeding wordt vastgesteld op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Hierbij zal een wegingsfactor van 2 (gewicht van de zaak: zeer zwaar) worden toegepast. Daarbij wordt aangenomen dat er geen sprake is van samenhangende zaken.

Hierbij gelden de volgende voorwaarden:

  • De ouder heeft kosten gemaakt voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand met betrekking tot de kinderopvangtoeslag over de betreffende berekeningsjaren.

  • Het eventueel eerder ontvangen bedrag of nog te ontvangen bedrag aan proceskostenvergoeding wordt in mindering gebracht op de forfaitaire proceskostenvergoeding.

3.2 Procedure

De Belastingdienst/Toeslagen berekent de voorlopige hoogte van de compensatie – waarbij ook rekening wordt gehouden met eventuele verminderingen van de compensatie (onderdeel 5) en de toekenning van extra compensatie (onderdeel 6) – en informeert de ouder hierover schriftelijk door middel van een vooraankondiging. Met uitzondering van de dossiers in het kader van het CAF 11-onderzoek wijst de Belastingdienst/Toeslagen de ouder in de vooraankondiging ook op de mogelijkheid van een aanvraag van aanvullende compensatie voor de werkelijke schade.

Het in de vooraankondiging genoemde bedrag aan compensatie wordt door de Belastingdienst/Toeslagen, vooruitlopend op de beschikking, zo spoedig mogelijk uitbetaald. Dit bedrag wordt uitbetaald op het bij de Belastingdienst/Toeslagen bekende rekeningnummer van de ouder.

De ouder krijgt de mogelijkheid om binnen zes weken na dagtekening van de vooraankondiging zijn zienswijze hierop te geven. Tegen de vooraankondiging staat geen bezwaar open.

Vervolgens neemt de Belastingdienst/Toeslagen een besluit over de aanspraak op compensatie. Dit besluit is een beschikking in de zin van de Awb. De ouder kan bezwaar maken bij de Belastingdienst/Toeslagen tegen deze beschikking. Een onafhankelijke bezwaarschriftenadviescommissie als bedoeld in artikel 7:13 Awb brengt advies uit over dit bezwaar. In de regel zal de Belastingdienst/Toeslagen dit advies volgen bij het nemen van de beslissing op bezwaar.

Het in de beschikking genoemde bedrag aan compensatie wordt – voor zover het niet reeds bij de vooraankondiging is uitbetaald – door de Belastingdienst/Toeslagen uitbetaald op het bij de Belastingdienst/Toeslagen bekende rekeningnummer van de ouder.

4. Aanvullende compensatie voor de werkelijke schade

4.1 De aanvullende compensatie voor de werkelijke schade

Een ouder die op grond van onderdeel 2 tot de doelgroep van deze compensatieregeling behoort, kan in aanmerking komen voor een aanvullende compensatie voor de werkelijke schade. De ouder komt hiervoor in aanmerking als hij aannemelijk maakt dat zijn werkelijke schade als gevolg van het handelen door de Belastingdienst/Toeslagen hoger is dan het geheel aan compensatie waarop hij op grond van onderdeel 3 van dit besluit aanspraak maakt. Voor zover de ouder reeds een bedrag aan schadevergoeding heeft ontvangen in verband met de gedragingen en/of besluiten waarvoor op grond van onderhavig besluit compensatie wordt geboden, wordt tot dat bedrag geen aanvullende compensatie voor de werkelijke schade toegekend.

Op basis van dit onderdeel is onder meer aanvullende compensatie mogelijk voor de schade die is ontstaan door gedwongen verkoop van bezittingen als gevolg van dwanginvordering door de Belastingdienst/Toeslagen. Ook kan worden gedacht aan de ouder die aannemelijk kan maken dat in het kalenderjaar na het verkrijgen van het recht op compensatie, bedoeld in onderdeel 3, door overschrijding van de vermogensgrens als gevolg van die compensatie geen aanspraak bestaat op zorgtoeslag (op grond van de Wet op de zorgtoeslag), huurtoeslag (op grond van de Wet op de huurtoeslag) of kindgebonden budget (op grond van de Wet op het kindgebonden budget). Een ander voorbeeld betreft de aan de ouder in rekening gebrachte bedragen voor door een derde (beroepsmatig) verleende bijstand. Naast de juridische proceshandelingen in een gerechtelijke procedure over de kinderopvangtoeslag kan het daarbij gaan om – de betaalde bedragen – voor het daarbuiten door de bijstandsverlener begeleiden van de ouder bij het halen van zijn recht (met inachtneming van de al verleende forfaitaire vergoedingen). Voor vergoeding komen in aanmerking redelijke kosten in die zin dat het in de gegeven omstandigheden redelijk moet zijn geweest om kosten te maken en dat de kosten naar hun omvang redelijk zijn.

4.2 Procedure

De ouder kan tot en met 31 december 2023 bij de Belastingdienst/Toeslagen een verzoek tot vergoeding van de werkelijke schade indienen. Hierbij zal de ouder aannemelijk moeten maken dat (en in welke mate) hij recht heeft op aanvullende compensatie voor werkelijke schade. De ouder zal informatie moeten verschaffen waaruit met toepassing van het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht aannemelijk wordt dat en in welke mate daadwerkelijk sprake is van aanvullende schade en dat die schade het gevolg is van een institutioneel vooringenomen handelwijze van de Belastingdienst/Toeslagen. De Belastingdienst/Toeslagen zal het verzoek voor advies voorleggen aan de Commissie aanvullende schadevergoeding werkelijke schade.

De Belastingdienst/Toeslagen neemt vervolgens een besluit met betrekking tot de aanvullende compensatie waarbij het advies van de Commissie aanvullende schadevergoeding werkelijke schade leidend is. Dit besluit is een beschikking in de zin van de Awb. De ouder kan bezwaar maken bij de Belastingdienst/Toeslagen tegen deze beschikking. Een onafhankelijke bezwaarschriftenadviescommissie als bedoeld in artikel 7:13 Awb brengt advies uit over dit bezwaar. In de regel zal de Belastingdienst/Toeslagen dit advies volgen bij het doen van uitspraak op bezwaar.

Het in de beschikking genoemde bedrag aan compensatie wordt door de Belastingdienst/Toeslagen uitbetaald op het bij de Belastingdienst/Toeslagen bekende rekeningnummer van de ouder.

5. Vermindering van de compensatie en de aanvullende compensatie voor werkelijke schade

Van de compensatie die aan de hand van de hiervoor gestelde elementen is bepaald en de aanvullende compensatie voor de werkelijke schade, moet in sommige gevallen nog een bedrag worden afgetrokken. Dit geschiedt om te voorkomen dat een ouder materieel meer kinderopvangtoeslag of compensatie ontvangt dan waar hij recht op heeft. De Belastingdienst/Toeslagen vermindert de toe te kennen compensatie (onderdeel 3) en toe te kennen aanvullende compensatie voor werkelijke schade (onderdeel 4) op de hierna beschreven wijze.

De Belastingdienst/Toeslagen vermindert de compensatie (onderdeel 3) als volgt:

  • Als de ouder een terugvordering kinderopvangtoeslag over de betreffende berekeningsjaren niet (volledig) heeft betaald, vermindert de Belastingdienst/Toeslagen de compensatie met het nog niet betaalde bedrag van de terugvordering. Dit geldt bijvoorbeeld ook in de situatie waarin de Belastingdienst/Toeslagen heeft toegezegd geen invorderingsmaatregelen te nemen voor de nog openstaande schuld (beschikking niet verder bemoeilijken). Het bedrag van de terugvordering wordt verlaagd met het bedrag van de vermindering van de compensatie.

  • Als na een neerwaartse correctiebeschikking de ouder in bezwaar en beroep is gegaan en hij daardoor een opwaartse correctiebeschikking heeft ontvangen, vermindert de Belastingdienst/Toeslagen de compensatie met het bedrag van de opwaartse correctiebeschikking. Hetzelfde geldt voor de situatie waarin de ouder een nieuwe tegemoetkoming tot een hoger bedrag heeft gekregen.

  • Als de Belastingdienst/Toeslagen de toegekende, of herziene definitieve vaststellingsbeschikking kinderopvangtoeslag alsnog op een hoger bedrag vaststelt dan waarmee bij de bepaling van de compensatie voor correctiebesluiten rekening is gehouden, vermindert de Belastingdienst/Toeslagen het bedrag van de compensatie op basis van dit besluit alsnog met dat verschil, met dien verstande dat de vermindering maximaal het bedrag aan compensatie voor correctiebesluiten bedraagt (onderdeel 3.1.1). Hetzelfde geldt als de Belastingdienst/Toeslagen de toegekende, of herziene definitieve terugvorderingsbeschikking op een lager bedrag vaststelt dan waarmee bij de bepaling van de compensatie voor correctiebesluiten rekening is gehouden. De te compenseren invorderingsrente wordt verminderd met de rente die ten aanzien van de kinderopvangtoeslag voor hetzelfde berekeningsjaar wordt vergoed ingevolge artikel 27 Awir. Indien achteraf blijkt dat de compensatie op grond van het voorgaande tot een te hoog bedrag is uitbetaald, kan dat bedrag worden verrekend met aan de ouder uit te betalen bedragen op grond van de Awir.

  • Als reeds een bedrag aan tegemoetkoming over de betreffende berekeningsjaren is toegekend op basis van een wettelijke hardheidsregeling, vermindert de Belastingdienst/Toeslagen de compensatie met dit bedrag. Hetzelfde geldt voor het gedeelte van de compensatie dat betrekking heeft op de invorderingsrente.

De Belastingdienst/Toeslagen vermindert de aanvullende compensatie voor werkelijke schade (onderdeel 4) met het openstaande bedrag van de terugvordering van de toeslagen waarop de aanvullende compensatie voor werkelijke schade betrekking heeft. Het bedrag van de terugvordering wordt afgeboekt met het bedrag van de vermindering.

De Belastingdienst/Toeslagen verrekent de compensatie en de aanvullende compensatie voor werkelijke schade niet met andere openstaande terugvorderingen of met belastingschulden.

6. Extra compensatie

Ter compensatie van de mogelijke gevolgen van een vermogenstoename, zoals de mogelijk hogere vermogensrendementsheffing in box 3 of een lagere aanspraak op toeslagen, wordt een extra forfaitaire compensatie toegekend. De ouder krijgt 1% over het bedrag van de compensatie (onderdeel 3) minus de verminderingen (onderdeel 5). Toekenning van dit bedrag maakt deel uit van de beschikking met betrekking tot de compensatie.

Het voorgaande geldt ook voor de ontvangen aanvullende compensatie voor werkelijke schade (onderdeel 4) minus de verminderingen (onderdeel 5). Toekenning van dit bedrag maakt deel uit van de beschikking met betrekking tot de aanvullende compensatie voor de werkelijke schade.

7. Gevolgen voor de inkomstenbelasting en de toeslagen

De toegekende compensatie op grond van deze regeling vormt geen inkomen uit werk en woning (box 1) in de zin van de Wet IB 2001. De compensatie, de aanvullende compensatie voor werkelijke schade en de extra compensatie vinden namelijk niet hun grond in een bron van inkomen.

Nadat de ouder de vooraankondiging met betrekking tot het bedrag aan compensatie heeft ontvangen, maakt dit bedrag voor het bepalen van het inkomen uit sparen en beleggen (box 3) deel uit van de bezittingen van de ouder. De compensatie, de aanvullende compensatie voor de werkelijke schade en de extra compensatie kunnen als gevolg van het hogere inkomen uit sparen en beleggen (box 3) leiden tot een (hogere) vermogensrendementsheffing en kunnen – door de verhoging van het verzamelinkomen – ook leiden tot een lagere aanspraak op toeslagen.

De hierboven beschreven mogelijke gevolgen voor de inkomstenbelasting en de toeslagen worden gecompenseerd zoals beschreven in onderdelen 4.1 en 6 van dit besluit.

8. Ingetrokken besluit

Het besluit van 6 december 2019, nr. 2019-200258 (Stcrt. 2019, 66172) is ingetrokken met ingang van de inwerkingtreding van dit besluit.

9. Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.

10. Citeertitel

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit Compensatieregeling CAF 11 en vergelijkbare (CAF-)zaken.

Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag, 20 mei 2020

De Staatssecretaris van Financiën, namens deze, J. de Blieck hoofddirecteur Fiscale en Juridische Zaken


X Noot
1

Interim-advies Omzien in verwondering van 14 november 2019 van de Adviescommissie uitvoering toeslagen (bijlage bij Kamerstukken II 2019/20, 31 066, nr. 546).

X Noot
2

Eindadvies Omzien in verwondering 2 van 12 maart 2020 van de Adviescommissie uitvoering toeslagen (bijlage bij Kamerstukken II 2019/20, 31 066, nr. 608).

X Noot
3

Op grond van onderdeel 2.1 wordt ervan uitgegaan dat de ouder die een vooraankondiging in het kader van CAF 11 heeft ontvangen, een aanvraag voor compensatie heeft ingediend.

Naar boven