Advies Raad van State inzake een algemene maatregel van bestuur houdende wijziging van het Besluit algemene rechtspositie politie en enkele andere besluiten in verband met de introductie van de ambtenaar van politie die is aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, met een specifieke inzetbaarheid

Nader Rapport

22 juni 2018

Nr. 2291314

Directie Wetgeving en Juridische Zaken,

Ministerie van Justitie en Veiligheid

Aan de Koning

Nader rapport inzake het ontwerp van een algemene maatregel van bestuur houdende wijziging van het Besluit algemene rechtspositie politie en enkele andere besluiten in verband met de introductie van de ambtenaar van politie die is aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, met een specifieke inzetbaarheid

Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw kabinet van 16 maart 2018, nr. 2018000480, machtigde Uwe Majesteit de Afdeling advisering van de Raad van State haar advies inzake het bovenvermelde ontwerp van een algemene maatregel van bestuur rechtstreeks aan mij te doen toekomen. Dit advies, gedateerd 25 april 2018, nr. W16.18.0048/II, bied ik U hierbij aan.

De Afdeling advisering van de Raad van State (hierna: de Afdeling) adviseert het besluit vast te stellen, maar acht het aangewezen om in de toelichting aandacht te besteden aan de verhouding tot de systematiek van het Wetboek van Strafvordering waarin een algemene en een beperkte opsporingstaak is geregeld (artikelen 141 en 142).

De betrokkene die een specifieke politieopleiding1 volgt, wordt bekwaam gemaakt om recht te doen aan het verkrijgen van een algemene opsporingstaak. Na het voltooien van die opleiding is hij een opsporingsambtenaar als bedoeld in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering (zogenoemde executieve politieambtenaar met een specifieke inzetbaarheid). Door het Besluit algemene rechtspositie politie (hierna: Barp) worden rechtspositionele regels vastgesteld waardoor de executieve politieambtenaar met een specifieke inzetbaarheid geen werkzaamheden verricht die buiten het vakgebied vallen waarvan diens functie onderdeel uitmaakt. Dergelijke regels zijn er in het algemeen nu ook voor degene die, na het voltooien van een basispolitieopleiding2, is aangesteld als ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak. Laatstbedoelde ambtenaar kan immers na die opleiding ook niet zonder meer in elke functie worden ingezet, zonder te voldoen aan (nadere) opleidings- of certificeringseisen, terwijl hij wel een opsporingsambtenaar als bedoeld in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering is. De nota van toelichting is op dit punt aangepast.

Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om in het ontwerpbesluit enkele andere wijzigingen aan te brengen ten opzichte van het ontwerp, zoals dat voor advies aan de Afdeling was aangeboden.

Bij nader inzien was in het oorspronkelijke ontwerp onduidelijk op welke grond de ambtenaar in opleiding is aangesteld, terwijl buiten twijfel is dat hij een ambtenaar van politie als bedoeld in artikel 2 van de Politiewet 2012 is. Om die reden zijn de rechtspositieregels van de ambtenaar in opleiding in – hoofdzakelijk – het Barp en het Besluit bezoldiging politie grotendeels gelijk getrokken met die van de aspirant. In paragraaf 5 van het algemeen deel van de nota van toelichting is aangegeven op welke onderdelen voor de ambtenaar in opleiding wordt afgeweken van de rechtspositieregels voor de aspirant.

In artikel I is nog een wetstechnische wijziging van artikel 35 van het Barp ingevoegd. Abusievelijk wordt in het huidige artikel 35 verwezen naar artikelen uit het Besluit overleg en medezeggenschap politie 1994, terwijl die artikelen reeds zijn vervallen.

In artikel I is artikel 99l (nieuw) van het Barp aangevuld. Zoals reeds in de oorspronkelijke nota van toelichting (paragraaf 7, onder ‘Overgang’), stond vermeld, blijven op een bepaalde groep van ambtenaren van politie bij aanstelling als ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, met een specifieke inzetbaarheid, de aanstellingseisen, bedoeld in artikel 7, tweede lid, onder c, d en e, van het Barp, buiten toepassing. Dit is nu vastgelegd in het nieuwe tweede lid van artikel 99l.

In artikel V is een onderdeel B ingevoegd met een delegatiegrondslag om bij ministeriële regeling te kunnen bepalen dat bepaalde executieve ambtenaren van politie met specifieke inzetbaarheid en ambtenaren in opleiding niet bewapend zijn.

Ik moge U hierbij het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.

De Minister van Justitie en Veiligheid, F.B.J. Grapperhaus.

Advies Raad van State

No. W16.18.0048/II

’s-Gravenhage, 25 april 2018

Aan de Koning

Bij Kabinetsmissive van 16 maart 2018, no.2018000480, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Justitie en Veiligheid, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit algemene rechtspositie politie en enkele andere besluiten in verband met de introductie van de ambtenaar van politie die is aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, met een specifieke inzetbaarheid, met nota van toelichting.

Het ontwerpbesluit beoogt om het makkelijker te maken om executieve politieambtenaren aan te stellen voor een specifieke inzet, zoals voor financieel-economische specialiteit en voor cybercrimedeskundigheid in de opsporing.1 Het ontwerpbesluit stelt voor deze categorie politieambtenaren daarom aangepaste aanstellings- en opleidingseisen voor. Voorzien wordt in wijzigingen van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp), het Besluit bezoldiging politie, het Besluit reis-, verblijf-, en verhuiskosten politie en het Besluit bewapening en uitrusting politie.

De Afdeling advisering van de Raad van State adviseert het besluit vast te stellen, maar acht het aangewezen om in de toelichting aandacht te besteden aan de verhouding tot de systematiek van de relevante bepalingen uit het Wetboek van Strafvordering.

Het Wetboek van Strafvordering (Sv) bepaalt in artikel 141 welke vier categorieën van ambtenaren belast zijn met de opsporing van (alle) strafbare feiten.2 De ambtenaren die worden genoemd in artikel 141 Sv hebben daarmee een algemene opsporingstaak. Er wordt, onder meer, verwezen naar de ambtenaren van politie die zijn aangesteld voor de uitvoering van de politietaak als bedoeld in artikel 2 van de Politiewet 2012 (de zogenoemde ‘executieve’ politieambtenaar).3 Hiernaast is in artikel 142 Sv opgenomen welke personen zijn belast met de opsporing van strafbare feiten als buitengewone opsporingsambtenaar. In de akte van opsporingsbevoegdheid of de aanwijzing door de minister wordt voor deze personen nader bepaald welke strafbare feiten de opsporingsbevoegdheid omvat. Het gaat daarbij in beginsel om een beperkte(re) opsporingstaak.4

In de voorgestelde regeling wordt de ambtenaar van politie met specifieke inzet wettelijk bevoegd gemaakt voor de opsporing van alle strafbare feiten. Vervolgens worden daarop bij algemene maatregel van bestuur beperkingen aangebracht. De vraag is hoe zich dit verhoudt tot het systeem van de toebedeling van de opsporingsbevoegdheden zoals dat is neergelegd in het Wetboek van Strafvordering en hierboven is weergegeven.

De Afdeling adviseert om in de toelichting op het ontwerpbesluit in te gaan op de verhouding van het ontwerpbesluit tot de systematiek van het Wetboek van Strafvordering waarin een algemene en een beperkte opsporingstaak is geregeld.

De Afdeling advisering van de Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat aan het vorenstaande aandacht zal zijn geschonken.

De vice-president van de Raad van State, J.P.H. Donner.

Tekst zoals aangeboden aan de Raad van State: Besluit van ......... houdende wijziging van het Besluit algemene rechtspositie politie en enkele andere besluiten in verband met de introductie van de ambtenaar van politie die is aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, met een specifieke inzetbaarheid

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van PM;

Gelet op de artikelen 22 en 47, eerste lid, van de Politiewet 2012;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van [datum en nummer]);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van [datum en nummer];

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Besluit algemene rechtspositie politie wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onderdeel b, wordt ‘een politieopleiding als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel s, onder 1°, van de Politiewet 2012’ vervangen door: een krachtens artikel 2c, eerste lid, aangewezen politieopleiding.

2. In het eerste lid worden de onderdelen c tot en met g geletterd d tot en met h.

3. In het eerste lid wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

c. ambtenaar in opleiding:

degene die door het bevoegd gezag is aangesteld als ambtenaar in opleiding en die is toegelaten tot een krachtens artikel 2c, tweede lid, aangewezen politieopleiding;.

4. In het eerste lid, onderdeel i, wordt na ‘de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak,’ ingevoegd: met inbegrip van de ambtenaar in opleiding,.

5. In het eerste lid, onderdeel l, onder 2, wordt na ‘de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak’ ingevoegd:, met inbegrip van de ambtenaar in opleiding,.

6. In het eerste lid, onderdelen ff en gg, wordt ‘een politieopleiding als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel s, onder 1°, van de Politiewet 2012’ telkens vervangen door: een krachtens artikel 2c, eerste lid, aangewezen politieopleiding.

7. In het eerste lid, onderdeel ii, wordt na ‘onderverdeeld naar’ ingevoegd: de domeinen leiding, uitvoering en ondersteuning, alsmede naar.

8. In het eerste lid vervalt onderdeel nn.

9. Onder vernummering van het tweede lid tot derde lid wordt een lid ingevoegd, luidende:

  • 2. De bepalingen die betrekking hebben op de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, zijn van overeenkomstige toepassing op de ambtenaar in opleiding, met uitzondering van de artikelen 10, eerste lid, onderdeel d, 12, vierde tot en achttiende lid, 12a, 25, 43 tot en met 48, 56, 58, 59, 59a, 61, 62, 64, 64a, 71 en 72.

B

Na artikel 2b worden een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 2c
  • 1. Aanstelling als ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, kan slechts plaatsvinden na het voltooien van een van de door Onze Minister aangewezen politieopleidingen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel s, onder 1°, van de Politiewet 2012.

  • 2. In afwijking van het eerste lid kan aanstelling als ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, tevens plaatsvinden in een functie in een van de door Onze Minister aangewezen vakgebieden in het domein uitvoering, indien de betrokkene enkel een van de door Onze Minister aangewezen politieopleidingen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel s, onder 2°, van de Politiewet 2012 heeft voltooid.

C

Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt ‘een politieopleiding als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel s, onder 1°, van de Politiewet 2012’ vervangen door: een krachtens artikel 2c, eerste lid, aangewezen politieopleiding.

2. In het derde lid wordt ‘een driejarige politieopleiding als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel s, onder 1°, van de Politiewet 2012’ vervangen door: een krachtens artikel 2c, eerste lid, aangewezen driejarige politieopleiding.

3. In het vierde lid wordt ‘een vierjarige politieopleiding als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel s, onder 1°, van de Politiewet 2012’vervangen door: een krachtens artikel 2c, eerste lid, aangewezen vierjarige politieopleiding.

4. In het vijfde lid wordt ‘een vierjarige politieopleiding als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel s, onder 1°, van de Politiewet 2012’ vervangen door: een krachtens artikel 2c, eerste lid, aangewezen vierjarige politieopleiding.

D

Na artikel 3 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 3a
  • 1. De ambtenaar in opleiding wordt tijdelijk aangesteld voor een periode overeenkomend met de duur van een krachtens artikel 2c, tweede lid, aangewezen politieopleiding.

  • 2. Na het voltooien van deze politieopleiding wordt de ambtenaar in opleiding tijdelijk aangesteld voor een proeftijd van één jaar als ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak. De proeftijd kan zo nodig in bijzondere gevallen op aanvraag van de ambtenaar met één jaar worden verlengd en zo nodig ambtshalve worden verlengd met de tijd, gedurende welke de ambtenaar de proeftijd niet in werkelijke dienst heeft doorgebracht.

  • 3. Zodra de proeftijd verstrijkt, wordt de desbetreffende ambtenaar zo mogelijk in vaste dienst aangesteld als ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak.

  • 4. Het bevoegd gezag kan, in bijzondere gevallen, afwijken van de perioden, bedoeld in het eerste en tweede lid, of van het stellen van een proeftijd.

E

Artikel 10 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid worden de onderdelen c tot en met k geletterd d tot en met l.

2. In het eerste lid wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

  • c. of de aanstelling geschiedt als:

    • 1°. aspirant;

    • 2°. ambtenaar in opleiding,

    • 3°. ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak,

    • 4°. ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie,

    • 5°. ambtenaar van de rijksrecherche, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak,

    • 6°. ambtenaar van de rijksrecherche, aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de rijksrecherche;

    • 7°. vakantiewerker;

3. Onder vernummering van het vierde tot en met zevende lid tot vijfde tot en met achtste lid, wordt een lid ingevoegd, luidende:

  • 4. Indien de ambtenaar is aangesteld voor de uitvoering van de politietaak en een krachtens artikel 2c, eerste lid, aangewezen politieopleiding heeft voltooid, wordt in de akte van aanstelling vermeld dat hij generiek inzetbaar is. Indien de ambtenaar is aangesteld voor de uitvoering van de politietaak en enkel een krachtens artikel 2c, tweede lid, aangewezen politieopleiding heeft voltooid, wordt in de akte van aanstelling het vakgebied waarvan diens functie onderdeel uitmaakt en, indien van toepassing, het werkterrein vermeld alsmede dat de ambtenaar specifiek inzetbaar is.

F

In artikel 13 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 5. De aanstelling van de ambtenaar in opleiding, bedoeld in artikel 3a, eerste lid, vindt in afwijking van het derde lid plaats met een arbeidstijd van gemiddeld 36 uur per week.

G

In artikel 14, eerste lid, wordt ‘een politieopleiding als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel s, onder 1°, van de Politiewet 2012’ vervangen door: een krachtens artikel 2c, eerste lid, aangewezen politieopleiding.

H

In artikel 37, tweede en derde lid, wordt ‘artikel 1, tweede lid’ vervangen door: artikel 1, derde lid.

I

Na artikel 59 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 59a
  • 1. De ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, die enkel een krachtens artikel 2c, tweede lid, aangewezen politieopleiding heeft voltooid, onthoudt zich van werkzaamheden buiten het vakgebied waarvan diens functie als bedoeld in dat lid onderdeel uitmaakt, onverminderd nadere opleidings- en certificeringseisen.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing gedurende de periode of perioden waarin de ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, de politietaak bij een eenheid uitvoert in het kader van een krachtens artikel 2c, eerste lid, aangewezen politieopleiding, met het oog op een aanstelling in een andere functie dan bedoeld in artikel 2c, tweede lid.

J

In artikel 77, tweede lid, wordt na ‘Aan aspiranten’ ingevoegd ‘en ambtenaren in opleiding’, wordt na ‘de aspirant’ ingevoegd ‘of de ambtenaar in opleiding’ en wordt na ‘de aspiranten’ ingevoegd: of de ambtenaren in opleiding.

K

In artikel 87, vijfde lid, wordt na ‘een aspirant’ ingevoegd: of een ambtenaar in opleiding.

L

Artikel 89 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het derde en vierde lid worden vernummerd tot vierde en zesde lid.

2. Er wordt een lid ingevoegd, luidende:

  • 3. Aan de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, met een proeftijd als bedoeld in artikel 3a, tweede lid, die tegen het einde van de proeftijd niet voldoet aan de eisen van bekwaamheid of geschiktheid, wordt eervol ontslag verleend met ingang van de dag, volgend op die waarop de proeftijd is verstreken.

3. Het vierde lid (nieuw) komt als volgt te luiden:

  • 4. Eervol ontslag kan worden verleend bij gebleken niet geschiktheid die voor de dienst wordt vereist aan:

    • a. de aspirant, gedurende een krachtens artikel 2c, eerste lid, aangewezen politieopleiding;

    • b. de ambtenaar in opleiding, gedurende een krachtens artikel 2c, tweede lid, aangewezen politieopleiding;

    • c. de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, gedurende de proeftijd, bedoeld in artikel 3a, tweede lid;

    • d. de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve of andere taken ten dienste van de politie, gedurende de proeftijd, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel a.

4. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 5. Bij het ontslag, bedoeld in het vierde lid, wordt een opzeggingstermijn in acht genomen van:

    • a. drie maanden, indien de ambtenaar ten tijde van de opzegging direct daaraan voorafgaand ten minste twaalf maanden ononderbroken in dienst is geweest;

    • b. twee maanden, indien de ambtenaar ten tijde van de opzegging direct daaraan voorafgaand ten minste zes maanden maar korter dan twaalf maanden ononderbroken in dienst is geweest, of

    • c. één maand, indien de ambtenaar ten tijde van de opzegging direct daaraan voorafgaand korter dan zes maanden ononderbroken in dienst is geweest.

M

Na artikel 99k worden twee artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 99l

Degene die uiterlijk op 30 juni 2019 is aangesteld als ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie, is geplaatst op een functies die met ingang van inwerkingtreding van dit artikel krachtens artikel 2c, tweede lid, is aangewezen en tevens buitengewoon opsporingsambtenaar als bedoeld in artikel 142, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering is, wordt voor de toepassing van de artikelen 2c, 2d, 10, vierde lid, en 59a geacht een politieopleiding als bedoeld in artikel 2c, tweede lid, te hebben voltooid.

Artikel 99m

De vermelding van de aanstelling, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel c, de inzetbaarheid, bedoeld in artikel 10, vierde lid, of het vakgebied, bedoeld in artikel 10, vierde lid, tweede volzin, wordt de ambtenaar die uiterlijk op 30 juni 2018 is aangesteld eerst medegedeeld, indien sprake is van een wijziging van een ander in artikel 10, eerste lid, bedoeld gegeven, behoudens de wijziging van een algemeen verbindend voorschrift waarnaar is verwezen.

N

Artikel 100 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt na ‘De artikelen’ ingevoegd ‘10, eerste lid, onderdeel d,’ en wordt ‘artikel 12 en 12a’ vervangen door: de artikelen 12 en 12a.

2. In het derde lid wordt na ‘De artikelen’ ingevoegd: 10, eerste lid, onderdeel d,.

ARTIKEL II

Het Besluit bezoldiging politie wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onderdeel b, wordt ‘een politieopleiding als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel s, onder 1°, van de Politiewet 2012’ vervangen door: een krachtens artikel 2c, eerste lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie aangewezen politieopleiding.

2. In het eerste lid worden de onderdelen c tot en met f geletterd d tot en met g.

3. In het eerste lid wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

c. ambtenaar in opleiding:

degene die door het bevoegd gezag is aangesteld als ambtenaar in opleiding en die is toegelaten tot een krachtens artikel 2c, tweede lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie aangewezen politieopleiding;.

4. In het eerste lid, onderdeel i, wordt na ‘de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak,’ ingevoegd: met inbegrip van de ambtenaar in opleiding,.

5. In het eerste lid, onderdelen tt en uu, wordt ‘een politieopleiding als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel s, onder 1°, van de Politiewet 2012’ telkens vervangen door: een krachtens artikel 2c, eerste lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie aangewezen politieopleiding.

6. Onder vernummering van het tweede lid tot derde lid wordt een lid ingevoegd, luidende:

  • 2. De bepalingen die betrekking hebben op de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, zijn van overeenkomstige toepassing op de ambtenaar in opleiding, met uitzondering van:

    • a. de artikelen 9 tot en met 10, voor zover de betrokkene direct voorafgaand aan de aanstelling als ambtenaar in opleiding geen ambtenaar in de zin van dit besluit was;

    • b. artikel 12c, voor zover de betrokkene voorafgaand aan de aanstelling als ambtenaar in opleiding geen aanspraak had op de in dit artikel bedoelde toelage;

    • c. de artikelen 6, eerste tot en met vierde en zesde tot en met dertiende lid, 14 tot en met 18, 20, 27 tot en met 30 en 37a.

B

Artikel 3bis a wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt ‘de politieopleiding als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel s, onder 1°, van de Politiewet 2012’ vervangen door: een krachtens artikel 2c, eerste lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie aangewezen politieopleiding.

2. In het negende lid wordt ‘de gehele politieopleiding, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel s, onder 1°, van de Politiewet 2012’ vervangen door: de gehele krachtens artikel 2c, eerste lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie aangewezen politieopleiding.

C

Na artikel 3bis a worden een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 3bis b

Voor de ambtenaar in opleiding geldt de salarisschaal behorende bij de functie waarop hij na het voltooien van de krachtens artikel 2c, tweede lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie aangewezen politieopleiding wordt geplaatst.

D

In artikel 6, vijfde lid, wordt na ‘als aspirant een politieopleiding als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel s, onder 1°, van de Politiewet 2012 te gaan volgen’ vervangen door: als aspirant een krachtens artikel 2c, eerste lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie aangewezen politieopleiding te gaan volgen of om als ambtenaar in opleiding een krachtens artikel 2c, tweede lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie aangewezen politieopleiding te gaan volgen.

E

In artikel 9a, eerste lid, wordt ‘bijlage 3’ vervangen door: bijlage VII.

F

Artikel 50 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt ‘artikelen 6 tot 10’ vervangen door ‘artikelen 6, eerste tot en met vierde lid en zesde tot en met dertiende lid, 7 tot en met 10’ en wordt na ‘27 tot en met 30’ ingevoegd: en 37a.

2. In het tweede lid wordt na ‘De artikelen 6 tot en met 30’ ingevoegd: en 37a.

G

In het opschrift van Bijlage III horende bij artikel 9a, eerste lid, van het Besluit bezoldiging politie wordt ‘Bijlage III’ vervangen door: Bijlage VII.

ARTIKEL III

In artikel 1, onder f, van het Besluit overleg en medezeggenschap politie 1994 wordt ‘de ambtenaar, bedoeld in artikel 1, onderdeel h, van het Besluit algemene rechtspositie politie’ vervangen door: de ambtenaar, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel i, van het Besluit algemene rechtspositie politie.

ARTIKEL IV

Het Besluit reis-, verblijf-, en verhuiskosten politie wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

1. De onderdelen c tot en met e worden geletterd d tot en met f.

2. Er wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

c. ambtenaar in opleiding:

de ambtenaar in opleiding, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c, van het Besluit algemene rechtspositie politie;.

B

Artikel 14a wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onderdeel a, wordt ‘de initiële opleiding’ vervangen door: een krachtens artikel 2c, eerste lid, van het Besluit algemene rechtspositie aangewezen politieopleiding.

2. In het eerste lid, onderdeel b, wordt ‘de initiële opleiding’ vervangen door: deze politieopleiding.

3. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 5. Het eerste tot en met vierde lid is van overeenkomstige toepassing op de ambtenaar in opleiding.

ARTIKEL V

In artikel 5 van het Besluit bewapening en uitrusting politie wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 6. Het eerste tot en met vijfde lid is van overeenkomstige toepassing op de ambtenaar die enkel een krachtens artikel 2c, tweede lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie aangewezen politieopleiding heeft voltooid, tijdens de uitoefening van de dienst gedurende de beroepspraktijkvorming, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder gg, van het Besluit algemene rechtspositie politie.

ARTIKEL VI

Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

De Minister van Justitie en Veiligheid,

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen deel

1. Inleiding

Politieambtenaren kunnen bij de politie en de rijksrecherche op twee manieren worden aangesteld: als ambtenaar voor de uitvoering van de politietaak (in de praktijk aangeduid als executief) of als ambtenaar voor technische administratieve en andere taken ten dienste van de politie. De aanstelling voor de uitvoering van de politietaak is gericht op inzetbaarheid voor de politietaak.1 Onder de politietaak wordt verstaan: in ondergeschiktheid aan het bevoegd gezag en in overeenstemming met de geldende rechtsregels te zorgen voor de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde en het verlenen van hulp aan hen die deze behoeven (artikel 3 van de Politiewet 2012), bestaande uit het optreden ter handhaving openbare orde, ter uitvoering van de hulpverleningstaak en ter strafrechtelijke handhaving (waaronder mede wordt verstaan het waken over de veiligheid van personen) en het uitvoeren van taken ten dienste van justitie. De aanstellingseisen en de te voltooien politieopleiding als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel s, onder 1°, van de Politiewet 2012 (de zogenoemde basispolitieopleiding)2 zijn dan ook gericht op de geschiktheid en het in de basis bekwaam maken voor de uitvoering van deze gehele politietaak.

De afgelopen jaren is binnen de politieorganisatie en de rijksrecherche steeds meer behoefte ontstaan aan het kunnen inzetten van executieve politieambtenaren op uitsluitend specifieke politietaken. Het gaat daarbij om specialistisch werk waarvoor veelal deskundigheid van buiten de organisatie nodig is en wordt aangetrokken, zoals financieel-economische specialisten of cybercrimedeskundigen in de opsporing. Deze specialistische politieambtenaren worden ingezet voor de uitvoering van specifieke delen van de politietaak. Voor hen hoeven niet alle voor executieven geldende aanstellingseisen, zoals neergelegd in de Regeling aanstellingseisen politie 2012, zoals deze luidde tot inwerkingtreding van dit besluit, te gelden en is het niet noodzakelijk en – gelet op een snelle inzetbaarheid – wenselijk om de drie- of vierjarige basispolitieopleiding, gericht op de brede inzetbaarheid voor de politietaak, af te ronden. Tot inwerkingtreding van het voorliggende besluit voorzag de regelgeving niet in een mogelijkheid van een enkel op een specifieke inzet gerichte executieve ambtenaar van politie.

2. Doel

Door het mogelijk te maken om executieve politieambtenaren gericht in te zetten, en daarbij passende aanstellingseisen te stellen en hen een bij die inzet passende politieopleiding te geven, kan de instroom van executieve politieambtenaren flexibeler worden. Deze ambtenaren worden (enkel) opgeleid voor een specifieke inzet. Doordat zij niet hoeven te worden opgeleid voor alle aspecten van het politiewerk kan hun politieopleiding korter zijn. Hierdoor zijn de politie en de rijksrecherche aantrekkelijker voor personen die deskundigheid bezitten die nodig is voor de uitvoering van specifieke delen van de politietaak en is het mogelijk om deze snel in te zetten. Verder hoeft de executieve politieambtenaar met een specifieke inzet niet aan alle eisen voor de breed opgeleide executieve politieambtenaar te voldoen (bijvoorbeeld fysieke vereisten). Dit draagt bij aan vergroting van het arbeidsmarktpotentieel. Beoogd effect is dat de politie en de rijksrecherche flexibeler en sneller kunnen inspelen op de vraag van de operatie en het gezag, en daarmee op de veiligheidsproblematiek in de samenleving. Dit is in lijn met het Regeerakkoord 2017–2021, waarin het kabinet ook inzet op verdere flexibilisering van de politieorganisatie.

Arbeidsvoorwaardenakkoord Sector Politie 2015–2017

In het op 1 februari 2016 tussen de Minister van Veiligheid en Justitie en de politievakorganisaties Nederlandse Politiebond (NPB), de Politievakbond ACP, de Vereniging van Middelbare en Hogere Politieambtenaren (VMHP) en de Algemene Nederlandse Politie Vereniging (ANPV) tot stand gekomen akkoord over de Arbeidsvoorwaarden Sector Politie 2015–2017 is afgesproken om ‘te differentiëren in de executieve aanstelling van politieambtenaren en deze differentiatie gedurende de looptijd van de cao in de rechtspositie te verankeren en implementeren. ‘Politietaken worden in principe verricht door politieambtenaren met een aanstelling voor de uitvoering van de politietaak (in het taalgebruik executief genoemd). Executieve politieambtenaren zijn breed inzetbaar in de (strafvorderlijke) rechtshandhaving en hulpverlening. Om flexibel te kunnen inspelen op de vraag van het gezag en operatie is er behoefte aan de mogelijkheid om politieambtenaren een executieve aanstelling gericht op een specifieke inzetbaarheid te kunnen geven. Vooralsnog geldt als vuistregel dat van de operationele sterkte (exclusief aspiranten) minimaal 2/3 van de fte’s breed opgeleid en breed inzetbaar is.(...). Partijen willen deze differentiatie in aanstellingen gedurende de looptijd in de rechtspositie verankeren en implementeren.’

De vuistregel dat minimaal 2/3 van de operationele sterkte van de politie breed inzetbaar en opgeleid is, is afgesproken met het oog op het waarborgen van de taakuitvoering van de politie. Er dient een voor de bedrijfsvoering (politietaken/prestaties) benodigde evenwichtige mix te zijn in de samenstelling van het politiepersoneel. Zo moet bijvoorbeeld de operationele inzetbaarheid van voldoende breed opgeleid politieambtenaren met het oog op calamiteiten en grootschalige incidenten overeind blijven.

3. Uitwerking executieve aanstelling met specifieke inzetbaarheid

Om uitvoering te geven aan deze afspraak uit het Arbeidsvoorwaardenakkoord is met de Commissie voor georganiseerd overleg in politie-ambtenarenzaken (de CGOP) afgesproken om gezamenlijk toe te werken naar een stelsel dat ruimte biedt aan ambtenaren van politie die zijn aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, met een specifieke inzetbaarheid. Voor de executieve politieambtenaar met een specifieke inzet worden (nieuwe) politieopleidingen ontwikkeld, gericht op die specifieke inzet. Ook worden aanstellingseisen vastgesteld die passen bij die specifieke inzet.

De specifieke inzetbaarheid van de politieambtenaar houdt in dat deze ambtenaar niet in de volle breedte van het politiewerk wordt ingezet. Een aantal functies waarin de politietaak wordt uitgevoerd is passend voor de executieve ambtenaar met een specifieke inzetbaarheid. Bij het bepalen van de functies die passend zijn wordt gekeken naar een aantal elementen. Zo is de functie in beginsel niet passend als in de functie sprake is van optreden in het publieke domein, waarbij de politieambtenaar voor de burger herkenbaar en aanspreekbaar is op de uitvoering van alle politietaken (zoals gedefinieerd in de Politiewet 2012). De burger mag immers verwachten dat een politieambtenaar handelt op alle taken indien noodzakelijk. Ook wordt de ambtenaar niet ingezet voor functies waarin de ambtenaar in de situatie gebracht wordt waarin snel schakelen tussen de verschillende politietaken in fysiek contact met de burger vereist is. Ten slotte is de functie niet passend voor de executieve ambtenaar met een specifieke inzetbaarheid als er bij de werkzaamheden in de functie sprake is van gevaarzetting waarbij geweldsmiddelen nodig zouden zijn. In paragraaf 6 wordt nader toegelicht op welke functies de executieve ambtenaar met een specifieke inzetbaarheid kan worden ingezet.

De executieve politieambtenaar met een specifieke inzetbaarheid wordt aangesteld als ambtenaar voor de uitvoering van de politietaak als bedoeld in artikel 2, onderdeel a onderscheidenlijk d (voor zover aangesteld voor de uitvoering van de politietaak), van de Politiewet 2012. Met deze aanstelling wordt de betrokkene belast met de uitvoering van in de Politiewet 2012 genoemde politietaken, te weten de handhaving van de openbare orde, de hulpverlening, de taken ten dienste van de justitie en de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde. Ook verkrijgt de ambtenaar daarmee de bevoegdheden die nodig zijn voor de uitvoering van deze taken. In het bijzonder verkrijgt de politieambtenaar de algemene opsporingsbevoegdheid (zie artikel 141, aanhef en onder b, van het Wetboek van Strafvordering). De nieuwe politieopleidingen zullen de executieve politieambtenaar met een specifieke inzetbaarheid in de basis bekwaam maken voor de uitoefening van de (politie)bevoegdheden die nodig zijn voor de uitvoering van de politietaak. Zo leert de ambtenaar een proces-verbaal opstellen en wordt hij bekwaam gemaakt voor de toepassing van basisbevoegdheden zoals doorzoeken en in beslagnemen. De nieuwe politieopleidingen omvatten ook algemene politiële vorming (waaronder integriteit). In de opleiding doet de ambtenaar basiskennis op over de belangrijkste politieprocessen (bijv. handhaving). De nieuwe politieopleidingen geven de executieve ambtenaar met een specifieke inzetbaarheid een specifieke bekwaamheid, uitsluitend gericht op bepaalde functies. Omdat deze ambtenaar op specifieke onderdelen van de politietaak wordt ingezet, kan diens bekwaamheid voor het politievak zich uitsluitend richten op die specifieke onderdelen.

De specifieke bekwaamheid van de ambtenaar brengt mee dat de executieve politieambtenaar met een specifieke inzetbaarheid, hoewel bevoegd om de gehele politietaak uit te voeren, geen werkzaamheden uitvoert die buiten het vakgebied waarvan diens functie onderdeel uitmaakt, vallen. Zo is het bijvoorbeeld niet mogelijk dat een cybercrime specialist als executieve politieambtenaar met specifieke inzet wordt ingezet in de noodhulp. Het zich onthouden van werkzaamheden door de ambtenaar is gekoppeld aan de grenzen van het – in de Regeling vaststelling LFNP vastgestelde – vakgebied waarin hij werkzaam is en dus niet enkel aan de functie waarin hij is geplaatst. De functies in een vakgebied verschillen namelijk niet van elkaar in de vereiste basisbekwaamheid, maar in het niveau waarop de functie wordt uitgeoefend en het daaraan gekoppelde schaalniveau. Optreden buiten de grenzen van het vakgebied leidt niet tot onbevoegd handelen (de betrokkene is immers een ambtenaar van politie die is aangesteld voor de uitvoering van de politietaak), maar mogelijk wel tot onbekwaam handelen. Om die reden is met de CGOP afgesproken dat de executieve politieambtenaar met een specifieke inzetbaarheid zich onthoudt van werkzaamheden buiten de functies van het vakgebied waarin hij werkzaam is. Het belang om binnen grenzen van de bepaalde inzetbaarheid te blijven en welke gevolgen dit heeft voor de politieambtenaar (wat mag deze ambtenaar wel en wat niet) zal terugkomen in de politieopleiding van zowel de medewerker als de leidinggevende. Daarnaast zal het een onderwerp zijn in de gesprekken tussen leidinggevende en medewerker in het kader van de resultaat- en ontwikkelcyclus. In de HR administratie wordt bijgehouden welke executieve ambtenaar is aangesteld met welke inzetbaarheid. De inzetbaarheid van de ambtenaar wordt tevens vastgelegd in de akte van aanstelling van de ambtenaar, waarbij voor de executieve politieambtenaar met een specifieke inzetbaarheid ook het vakgebied in de akte van aanstelling wordt vermeld. Vanuit de korpsleiding en de eenheidsleiding wordt uitgedragen en gehandhaafd dat de executieve politieambtenaren met specifieke inzetbaarheid enkel mogen worden ingezet binnen de aan die specifieke inzetbaarheid verbonden kaders. Bij geconstateerde afwijking hiervan worden leidinggevenden en/of medewerkers in beginsel altijd aangesproken. Het opdragen van werkzaamheden respectievelijk het handelen buiten de kaders van de specifieke inzetbaarheid kan plichtsverzuim opleveren.

Het vorenstaande heeft geresulteerd in de volgende hoofdlijnen die door middel van het voorliggende besluit zijn neergelegd in het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp), het Besluit bezoldiging politie, het Besluit reis-, verblijf-, en verhuiskosten politie (Brvvp) en het Besluit bewapening en uitrusting politie (Bbup).

  • 1. Om te kunnen worden aangesteld als ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, geldt dat een van de door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen basispolitieopleidingen moet zijn voltooid (artikel 2c, eerste lid, van het Barp).

    In afwijking hiervan kan aanstelling als ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, tevens plaatsvinden in een functie in een van de door de minister aangewezen vakgebieden in het domein uitvoering, indien de betrokkene enkel een van de door de minister aangewezen specifieke politieopleidingen heeft voltooid (artikel 2c, tweede lid, van het Barp).

  • 2. In de akte van aanstelling wordt de aanstelling van de ambtenaar, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder i, van het Barp, vermeld (artikel 10, eerste lid, onder c, van het Barp).

  • 3. Als de ambtenaar is aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, wordt in de akte van aanstelling vermeld of deze generiek (na het voltooien van een basispolitieopleiding) of specifiek inzetbaar is (na het voltooien van enkel een specifieke politieopleiding) (artikel 10, vierde lid, van het Barp). Als de ambtenaar specifiek inzetbaar is, wordt in de akte van aanstelling ook het vakgebied waarvan diens functie onderdeel uitmaakt, en, indien van toepassing, het werkterrein vermeld.

  • 4. Gedurende een basispolitieopleiding is de betrokkene aangesteld als aspirant (huidige artikel 3 Barp). De huidige systematiek voor de aspirant (artikel 3 van het Barp) blijft ongewijzigd.

    Gedurende een specifieke politieopleiding is de betrokkene aangesteld als ambtenaar in opleiding (artikel 3a, eerste lid, van het Barp).De specifieke politieopleiding is een fulltime (gemiddeld 36 uur per week), theoretische opleiding. De ambtenaar in opleiding is niet bevoegd de politietaak uit te voeren in het kader van deze opleiding. De ambtenaar in opleiding is dan ook geen ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak als bedoeld in art. 1, eerste lid, onder c, Barp.

  • 5. Diverse bepalingen van het Barp en Bbp dienen op de ambtenaar in opleiding van toepassing te zijn. Dit wordt geregeld in een schakelbepaling (artikel 1, tweede lid, van het Barp en artikel 1, tweede lid, van het Bbp). Deze bepaling houdt in dat de bepalingen die betrekking hebben op de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, van overeenkomstige toepassing zijn op de ambtenaar in opleiding. Bepaalde artikelen worden uitgezonderd, waaronder diverse artikelen die ook zijn uitgezonderd voor de aspirant.

  • 6. Omdat de ambtenaar in opleiding geen politietaak uitvoert, heeft hij geen rang (geen wijziging van het Besluit rangen politie). De rang wordt pas verkregen na het voltooien van de specifieke politieopleiding, bij de aanstelling als ambtenaar voor de uitvoering van de politietaak.

  • 7. De ambtenaar in opleiding ontvangt een bezoldiging (zie artikel 1, tweede lid, en artikel 3bis b van het Bbp). Als salarisschaal geldt de salarisschaal behorende bij de functie waarop hij na het voltooien van de specifieke politieopleiding wordt geplaatst. Op de ambtenaar in opleiding is het Brvvp van toepassing (artikel 1, onder a, van dit besluit, in samenhang met artikel 1, eerste lid, onder i, van het Barp).

  • 8. Na het voltooien van de specifieke politieopleiding wordt de ambtenaar in opleiding aangesteld voor een proeftijd van één jaar als ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak (artikel 3a, tweede lid, van het Barp). Zodra de proeftijd verstrijkt, wordt de desbetreffende ambtenaar zo mogelijk in vaste dienst aangesteld als ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak (artikel 3a, derde lid, van het Barp). Het bevoegd gezag kan in bijzondere gevallen afwijken van de periode en van het stellen van een proeftijd (zie artikel 3a, vierde lid, Barp).

  • 9. Een executieve ambtenaar met enkel een specifieke politieopleiding dient zich te onthouden van werkzaamheden buiten het vakgebied waarvan diens functie onderdeel uitmaakt (artikel 59a, eerste lid, van het Barp).

  • 10. Als deze ambtenaar (alsnog) een basispolitieopleiding gaat volgen, om daarmee terecht te kunnen komen op een functie die uitsluitend bereikbaar is na het voltooien van een dergelijke opleiding, behoudt hij gedurende deze opleiding zijn aanstelling voor de uitvoering van de politietaak. Tijdens de beroepspraktijkvorming van de basispolitieopleiding is de beperking van artikel 59a, eerste lid, Barp niet van toepassing op deze ambtenaar (artikel 59a, tweede lid, van het Barp). Voorts zal hij tijdens de uitoefening van de dienst gedurende het beroepspraktijkvorming deel van de basispolitieopleiding bewapend zijn (artikel 5, zevende lid, van het Bbup).

In de paragrafen hieronder wordt nader ingegaan op enkele van de hierboven genoemde onderwerpen.

4. Politieonderwijs

Er wordt gedifferentieerd in politieopleidingen om bekwaam te worden als ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak.

Voor een plaatsing als ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, op een functie in het domein uitvoering is in beginsel het voltooien van een basispolitieopleiding vereist. De huidige basispolitieopleidingen bestaan – op grond van de Regeling landelijke politieopleidingen PO2002 – uit een theoretisch opleidingsdeel en een beroepspraktijkvorming deel (duale opleiding).3 Een met goed gevolg afgelegd examen ter afronding van een basispolitieleiding leidt tot een diploma (artikel 91, vijfde lid, van de Politiewet 2012). Indien de basisopleiding wordt verzorgd op een niveau dat overeenkomt met het niveau van het middelbaar beroepsonderwijs, biedt het behaalde diploma de mogelijkheid om een vrijstelling van bepaalde toelatingseisen voor een hbo-opleiding te kunnen krijgen. Een basisopleiding kan ook worden verzorgd op het niveau van het hoger onderwijs als gevolg waarvan het behaalde diploma een diploma in de zin van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek is.

Voor een beperkt aantal functies in het domein uitvoering volstaat echter ook het voltooien van enkel een specifieke politieopleiding. Deze politieopleiding is korter dan de bestaande basispolitieopleiding en wordt in verband met de verschillen in opleidingsniveau van de ambtenaren in opleiding verzorgd op verschillende niveaus (vergelijkbaar mbo en hbo-niveau). De nieuwe specifieke politieopleidingen zijn gericht op het ontwikkelen van een basisbekwaamheid voor de aanstelling als executief politieambtenaar en van een specifieke (start)bekwaamheid voor de vakgebieden waarin deze politieambtenaren kunnen worden ingezet. Deze opleidingen zullen niet duaal zijn ingericht. Een met goed gevolg afgelegd examen ter afronding van een van de nieuwe specifieke politieopleidingen leidt tot een deeldiploma. Een deeldiploma is geen diploma in de zin van de Wet educatie en beroepsonderwijs of de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.

In een aantal gevallen volgt na aanstelling als executief politieambtenaar met specifieke inzetbaarheid een of meerdere functiegerichte opleidingsmodules.

Alle politieopleidingen zijn gebaseerd op de door de Minister van Justitie en Veiligheid vastgestelde kwalificatiestructuur. De minister zal in 2018 aan de politieonderwijsraad advies vragen over de benodigde aanpassing en/of aanvulling van de kwalificatiestructuur met het oog op de introductie van de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, met een specifieke inzetbaarheid. In de opleidingsprofielen horend bij de functiebeschrijvingen van het Landelijk Functiehuis Nederlandse Politie (LFNP) wordt per functie in het domein uitvoering vastgelegd welke politieopleiding ten minste vereist is om te kunnen worden geplaatst in die functie. Dit geldt ook voor de functies in de vakgebieden die door de minister zijn aangewezen als vakgebieden passend voor de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, die enkel een specifieke politieopleiding heeft voltooid.

Het kwaliteitszorgsysteem van de Politieacademie waarmee de kwaliteit van de opleidingen wordt gewaarborgd is ook van toepassing op de nieuw te ontwikkelen politieopleidingen.

5. Aanstelling tijdens specifieke opleiding: ambtenaar in opleiding

Het onderscheid tussen politieambtenaren met een specifieke inzet en politieambtenaren met een generieke inzet begint al bij de aanstelling tijdens de opleiding. Daar waar de ambtenaar gedurende de basispolitieopleiding is aangesteld als aspirant, is de ambtenaar gedurende de specifieke politieopleiding aangesteld als ambtenaar in opleiding. Concreet is het onderscheid tussen de aspirant en de ambtenaar in opleiding terug te zien in de hieronder benoemde aspecten.

Soort opleiding

De basispolitieopleiding is een duale opleiding, waarbij voor een groot deel beroepspraktijkvorming plaatsvindt binnen de eenheid waar de ambtenaar als aspirant is geplaatst. Tijdens de beroepspraktijkvorming voert de aspirant politietaken uit en is de aspirant een ambtenaar van politie die is aangesteld voor de uitvoering van de politietaak als bedoeld in artikel 2 van de Politiewet 2012.

De specifieke politieopleiding is een voltijds theoretische opleiding. De ambtenaar in opleiding voert in het kader van deze opleiding niet de politietaak uit in een eenheid van het korps en is dan ook geen ambtenaar van politie die is aangesteld voor de uitvoering van de politietaak als bedoeld in artikel 2 van de Politiewet 2012.

Toepassing artikelen van het Barp en het Bbp

Omdat diverse bepalingen van het Barp en Bbp (bijvoorbeeld de regels omtrent aanstellingseisen) wel op deze ‘nieuwe’ ambtenaar van toepassing moeten zijn en het vanwege de leesbaarheid niet wenselijk is om in al die bepalingen ‘ambtenaar in opleiding’ in te voegen, wordt geregeld dat de bepalingen die betrekking hebben op de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, van overeenkomstige toepassing zijn op de ambtenaar in opleiding. Dit betekent bijvoorbeeld dat de delegatiegrondslag in artikel 7, eerste lid, van het Barp om bij ministeriële regeling aanstellingseisen vast te stellen voor de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, met het nieuwe artikel 1, tweede lid, van het Barp ook ziet op de ambtenaar in opleiding. Aangezien de executieve politieambtenaar met een specifieke inzetbaarheid niet aan alle eisen voor de executieve politieambtenaar met een generieke inzetbaarheid hoeft te voldoen (bijvoorbeeld fysieke vereisten), worden in de Regeling aanstellingseisen politie 2002 afzonderlijke aanstellingseisen voor de ambtenaar in opleiding vastgelegd.

Bepaalde artikelen worden uitgezonderd voor de ambtenaar in opleiding, waaronder diverse artikelen die ook zijn uitgezonderd voor de aspirant gedurende het theoretische opleidingsdeel. Daarnaast gelden voor de ambtenaar in opleiding de volgende zaken:

  • rang: omdat de ambtenaar in opleiding geen politietaak uitvoert, heeft hij (anders dan de aspirant) geen rang.

  • bezoldiging: de ambtenaar in opleiding ontvangt in tegenstelling tot de meeste aspiranten een bezoldiging. Als salarisschaal geldt de salarisschaal behorende bij de functie waarop hij na het voltooien van de specifieke politieopleiding wordt geplaatst. Voor ambtenaren die, voordat zij worden aangesteld als ambtenaar in opleiding, een aanstelling voor de technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie of rijksrecherche hadden (de zogenaamde doorstromers) geldt dat zij gedurende de specifieke politieopleiding geen salarisschaal met een lager maximumsalaris kunnen hebben dan voor hen gold toen zij nog ambtenaar voor de technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie waren (artikel 6, vijfde lid, van het Bbp). Als zij vóór de aanstelling als ambtenaar in opleiding een toelage bezwarende functie ontvingen, dan blijft ook die aanspraak behouden tijdens de specifieke politieopleiding (artikel 1, tweede lid, onder b, van het Bbp).

  • aanstelling na het voltooien van de specifieke politieopleiding: na het voltooien van de specifieke politieopleiding wordt de ambtenaar in opleiding aangesteld voor een proeftijd van één jaar als ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak. Hiervoor is gekozen om het bevoegd gezag de mogelijkheid te geven de ambtenaar in de praktijk aan het werk te zien. De specifieke opleiding is immers theoretisch van aard en zal naar verwachting slechts enkele maanden duren. Na deze proeftijd kan een vaste aanstelling volgen.

6. Functies

In verband met de toegespitste bekwaamheden die in een specifieke politieopleiding worden aangeleerd is het van belang dat een functie waarop een executieve politieambtenaar met een specifieke inzetbaarheid kan worden geplaatst voldoende is af te bakenen. Met de CGOP is op 6 april 2017 een wegingskader overeengekomen waarmee kan worden afgesproken voor welke functies in het LFNP een executieve politieambtenaar die enkel een specifieke politieopleiding heeft voltooid passend is. In het wegingskader worden hiervoor de volgende indicatoren meegewogen.

  • a. In deze functies is geen sprake van optreden in het publieke domein, waarbij de politieambtenaar voor de burger herkenbaar en aanspreekbaar is op de uitvoering van de brede politietaak.

  • b. Bij de uitoefening van deze functies wordt de ambtenaar niet in de situatie gebracht waarin snel schakelen tussen de verschillende politietaken in fysiek contact met de burger vereist is. Het is voor de politieambtenaar vooraf aan de inzet bekend op welke politietaak/taken hij wordt ingezet.

  • c. Er is in de functies geen sprake van gevaarzetting. Gevaarzettende situaties kunnen onvoorspelbaar zijn en vallen (mogelijk) buiten de specifieke inzet van de ambtenaar.

Op basis van het wegingskader zijn met de CGOP de functies in de volgende vakgebieden van het domein uitvoering van het LFNP benoemd als geschikt voor de specifieke inzetbaarheid:

  • Intelligence (Intel),

  • Forensische Opsporing (FO),

  • Operationeel Specialisme (OS).

De functies van ambtenaren van politie worden door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen krachtens artikel 6 van het Besluit bezoldiging politie (Bbp).4 Dit artikel in samenhang met het nieuwe artikel 2c, tweede lid van het Barp vormt de grondslag om vakgebieden aan te wijzen. Voor functies in voornoemde vakgebieden geldt dat hierop een executieve politieambtenaar die enkel een specifieke politieopleiding heeft voltooid, kan worden geplaatst.

Ten aanzien van de functies in het vakgebied Operationeel Specialisme geldt het volgende: als deze functies naast het afgesproken wegingskader worden gelegd, dan kan worden geconstateerd dat de functies in het vakgebied Operationeel Specialisme in principe geschikt zijn om aan te wijzen als vakgebied waarin ook de executieve ambtenaar die enkel een specifieke politieopleiding heeft voltooid kan worden geplaatst. Wel is er een beperkt aantal elementen in de functies in het vakgebied Operationeel Specialisme dat niet aan de ambtenaar met een specifieke inzetbaarheid kan worden opgedragen. Het gaat hierbij om elementen waarvoor deze ambtenaar niet bekwaam is gemaakt of waarvoor de ambtenaar niet voldoet aan andere vereisten (bijvoorbeeld aanstellingseisen) die gekoppeld zijn aan inzet op die elementen. De ambtenaar met een specifieke inzetbaarheid die in een functie in dit vakgebied wordt ingezet wordt in lijn met het wegingskader niet in gevaarzettende situaties gebracht en als gevolg daarvan in beginsel niet uitgerust met geweldsmiddelen. Om deze reden kan deze ambtenaar niet worden ingezet voor het uitvoeren van functie-elementen zoals het toepassen van dwangmiddelen (bijvoorbeeld aanhouding) waarbij sprake is of kan zijn van vooraf voorzienbare gevaarzettende situaties. Ook kan deze ambtenaar niet worden ingezet voor functie-elementen waarbij sprake is van optreden in het publieke domein met herkenbaarheid en aanspreekbaarheid op alle politietaken. De ambtenaar wordt dan ook niet uitgerust met het operationele uniform.

In de Regeling vaststelling LFNP zal worden vastgelegd dat de ambtenaar met een specifieke inzetbaarheid die wordt ingezet als Operationeel Specialist niet wordt uitgerust met geweldsmiddelen en met het operationele uniform en als gevolg daarvan niet kan worden ingezet voor de hierboven genoemde elementen.

Ook wordt vastgelegd dat de Operationeel Specialist met een specifieke inzetbaarheid niet kan worden ingezet op de rol van hulpofficier van justitie. De ambtenaar met een specifieke inzetbaarheid heeft immers via de specifieke politieopleiding niet de brede basisbekwaamheid verkregen en de daarmee samenhangende executieve ervaring.

De hierboven genoemde functie-elementen zijn voorbehouden aan de ambtenaar met een generieke inzetbaarheid.

Mogelijk is er de toekomst behoefte aan uitbreiding van vakgebieden waarbij een specifieke inzetbaarheid passend is. Indien met de CGOP wordt overeengekomen dat een executieve politieambtenaar met enkel een specifieke politieopleiding op een functie in een ander vakgebied in het domein uitvoering van het LFNP kan worden geplaatst, zal de minister ook dit vakgebied daartoe aanwijzen. De Regeling vaststelling LFNP zal dan worden gewijzigd.

7. Gevolgen voor de doelgroep

Het onderscheid tussen executieve ambtenaren met een specifieke inzet of een generieke inzet is hierboven toegelicht. Voor de executieve ambtenaren met een generieke inzet verandert er materieel niets. Wel zal hun akte van aanstelling gaan vermelden dat zij generiek inzetbaar zijn. Naast deze ambtenaren staan de executieve ambtenaren met een specifieke inzetbaarheid. Dit betreft deels nieuw in te stromen ambtenaren die eerst een specifieke politieopleiding gaan volgen en voor wie specifieke aanstellingseisen gelden. Voordat zij de aanstelling voor de uitvoering van de politietaak verkrijgen, worden zij aangesteld als ambtenaar in opleiding, met daarbij horende rechtspositie (zie paragraaf 5). Bij aanstelling voor de uitvoering van de politietaak wordt in hun akte van aanstelling vermeld dat zij specifiek inzetbaar zijn en wordt het vakgebied waarvan hun functie onderdeel uitmaakt in de akte van aanstelling vermeld. Dat betekent dat voor hen slechts de functies in vakgebieden, geschikt voor de specifieke inzetbaarheid en als zodanig aangewezen door de minister, bereikbaar zijn. Deze ambtenaren dienen zich te onthouden van werkzaamheden buiten het vakgebied waarvan hun functie onderdeel uitmaakt. Niet alleen zij, maar ook hun leidinggevenden kunnen daarop worden aangesproken.

Overgang

Met de politievakorganisaties zijn in verband met de wijzigingen in dit besluit de volgende afspraken gemaakt.

Op de functies in vakgebieden die door de minister zullen worden aangewezen als passend voor de specifieke inzet zijn of worden ook ambtenaren geplaatst die zijn aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie, die tevens buitengewoon opsporingsambtenaar zijn. Hierover zijn afspraken gemaakt met de CGOP in het zogenoemde Tijdelijk Kader. Tot het moment dat de specifieke politieopleidingen gereed zijn om door de Politieacademie verzorgd te worden, is het voor het vervullen van de functies, waarop een executieve politieambtenaar die enkel een specifieke politieopleiding heeft voltooid, kan worden geplaatst, mogelijk om een persoon aan te stellen als ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie, die tevens buitengewoon opsporingsambtenaar is. Dit moment is gesteld op uiterlijk 30 juni 2019. Deze ambtenaren worden voor de toepassing van de artikelen 2c, 10, vierde lid, en 59a geacht een specifieke politieopleiding (aangewezen krachtens artikel 2c, tweede lid, van het Barp) te hebben voltooid. Dit is vastgelegd in artikel 99l van het Barp. Dit betekent dat zij kunnen worden aangesteld als ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak. Voor deze categorie ambtenaren is voorts afgesproken dat, nu de werkzaamheden voor hen feitelijk niet veranderen, zij voorafgaand aan deze aanstelling niet worden onderworpen aan een geschiktheidsonderzoek als bedoeld in artikel 4 van de Regeling aanstellingseisen politie 2002 en niet opnieuw een betrouwbaarheids- en geschiktheidsonderzoek als bedoeld in artikel 8b van het Barp wordt uitgevoerd.

De eis van Nederlanderschap (artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van het Barp) geldt onverkort. Mocht dit voor de betrokkene die is aangesteld als ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie, die tevens buitengewoon opsporingsambtenaar is, een belemmering zijn, dan behoudt hij zijn huidige aanstelling en functie.

De betrokkene die is aangesteld als ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie, en geen buitengewoon opsporingsambtenaar is, valt niet onder voornoemde categorie. Op hem is artikel 2c van het Barp onverkort van toepassing. Indien hij ervoor kiest een specifieke politieopleiding te gaan volgen, wordt hem ontslag verleend om als ambtenaar in opleiding een specifieke politieopleiding te volgen. Als voor de ambtenaar voorafgaand aan het voornoemde ontslag een salarisschaal met een hoger maximum salaris gold dan de salarisschaal waarop hij als ambtenaar in opleiding volgens het nieuwe artikel 3bis b Bbp recht heeft, blijft hij gedurende de specifieke politieopleiding zijn eerdere salarisschaal behouden. Gedurende de aanstelling als ambtenaar in opleiding blijven de artikelen 9 tot en met 10 van het Bbp op hem van toepassing. Als hij voorafgaand aan de aanstelling als ambtenaar in opleiding een toelage bezwarende functie als bedoeld in artikel 12c van het Bbp ontving, behoudt hij dit gedurende voornoemde aanstelling.

Voor ambtenaren die vallen onder het overgangsbeleid Overgang LFNP en plaatsing in de reorganisatie Politiewet 2012, blijft dit beleid onverminderd gelden.

8. Gevolgen voor de uitvoering

Er is geen verwachte impact op de operationele processen van de politie of de rijksrecherche. Door het mogelijk te maken dat executieve politieambtenaren met een specifieke inzetbaarheid kunnen instromen, zal de operatie sneller kunnen beschikken over de benodigde specialisten van buiten de organisatie.

De introductie van de executieve aanstelling met een specifiek inzetbaarheid vraagt een aantal aanpassingen en maatregelen in de bedrijfsvoering:

  • Met de introductie van de executieve aanstelling met een specifieke inzetbaarheid ontstaat een nieuwe groep executieve politieambtenaren. Deze wijziging ten opzichte van de huidige situatie vraagt de nodige uitleg aan leidinggevenden en medewerkers. Hiertoe wordt een communicatieplan opgesteld.

  • Het belang om binnen grenzen van de bepaalde inzetbaarheid te blijven en welke gevolgen dit heeft voor de politieambtenaar (wat mag deze ambtenaar wel en wat niet) zal terugkomen in de politieopleiding van zowel de medewerker als de leidinggevende. Hiertoe vult de Politieacademie de bestaande politieopleidingen aan.

  • De Politieacademie ontwikkelt nieuwe politieopleidingen voor de executieve politieambtenaren met een specifieke inzetbaarheid.

  • De HR-administratie en onderliggende systemen worden aangepast en aangevuld met de nieuwe categorie executieve politieambtenaren met een specifieke inzetbaarheid.

  • Voor de groep executieve politieambtenaren met een specifieke inzetbaarheid wordt een separaat proces van werving en selectie ontwikkeld, op basis van de in dit besluit opgenomen rechtspositie van deze ambtenaren.

9. Financiële gevolgen
Incidenteel politie
Projectcapaciteit politie

Voor de verwerking van de aanpassingen zoals hierboven beschreven is bij verschillende onderdelen binnen de HRM-kolom capaciteit nodig. Deze capaciteit komt uit de huidige formatie en heeft geen effect op de begroting.

Aanpassing systemen bij de politie

De systeemaanpassingen zijn beperkt en kunnen vanuit de huidige formatie en capaciteit worden gerealiseerd.

Structureel politie
Kosten bezoldiging politie

Het besluit leidt niet tot uitbreiding van de formatie van de politie. De bezoldiging en de rechtspositionele aanspraken van de ambtenaren die zijn aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie op functies in vakgebieden die door de minister zullen worden aangewezen als passend voor de specifieke inzet, blijven gelijk. Met de vakbonden is gezamenlijk vastgesteld dat met het door de minister aanwijzen van het vakgebied Intelligence als vakgebied waarop executieve politieambtenaren met een specifieke inzetbaarheid kunnen worden geplaatst, er voor de politieambtenaren met een functie in dat vakgebied het recht op Toeslag Bezwarende Functie (TBF) ontstaat. Een deel van de politieambtenaren met een functie in het vakgebied Intelligence is reeds aangesteld als ambtenaar voor de uitvoering van de politietaak en heeft derhalve al recht op TBF. De toename in de kosten van de bezoldiging van de politieambtenaren als gevolg van het ontstane recht op TBF voor politieambtenaren met een functie in het vakgebied Intelligence is beperkt en wordt opgevangen in de bedrijfsvoering van de politie.

Kosten ambtenaar in opleiding versus aspirant politie

Door de introductie van de aanstelling als executieve politieambtenaar met specifieke inzetbaarheid vervalt voor een deel van de executieve instroom bij de politie de verplichting van een uitgebreid assessment en medische keuring. Hiervoor in de plaats komt een kleiner assessment. Daarnaast vervalt voor een deel van de executieve instroom de verplichting van een meerjarige basispolitieopleiding. De specifieke politieopleidingen die daarvoor in de plaats komen duren enkele maanden en zijn daarmee aanzienlijk korter dan de basispolitieopleidingen. Hiermee is de executieve politieambtenaar met een specifieke inzet tevens sneller inzetbaar voor de politie. Daarnaast vervallen de boa-opleidingen en de verplichte hercertificeringen voor de groep politieambtenaren die voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit besluit is aangesteld als ambtenaar voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie en buitengewoon opsporingsambtenaar is, op functies in vakgebieden die door de minister zullen worden aangewezen als passend voor de specifieke inzet.

De mate van besparingen die kunnen worden gerealiseerd is afhankelijk van het aantal politieambtenaren dat in de toekomst als onderdeel van de executieve instroom bij de politie zal worden aangesteld als executieve politieambtenaar met specifieke inzet.

Kosten uniformen en geweldsmiddelen politie

De functies die door de minister worden aangewezen als passend voor de specifieke inzet vereisen geen uitrusting met geweldsmiddelen van de politieambtenaren. De executieve politieambtenaren met een specifieke inzet worden niet uitgerust met het operationele uniform, zij dragen geen uniform of een dienstenuniform. Derhalve geldt voor de kosten voor uniformen en geweldsmiddelen een neutraal effect.

Financiële gevolgen politie

De kosten die de invoering van de executieve aanstelling met een specifieke inzetbaarheid met zich brengt zullen worden opgevangen in de lopende begroting van de politie. Op termijn leidt de invoering naar verwachting tot besparingen met name als gevolg van bovengenoemde verkorting van de politieopleiding voor de executieve politieambtenaren met specifieke inzet, en de snellere inzetbaarheid van deze politieambtenaren.

Financiële gevolgen rijksrecherche

De financiële gevolgen voor de rijksrecherche zijn analoog aan de financiële gevolgen voor de politie, zij het dat in verhouding tot het korps de aantallen politieambtenaren die het betreft bij de rijksrecherche beperkt is.

10. Afstemming met de vakorganisaties

Over de inhoud van deze algemene maatregel van bestuur is overeenstemming bereikt met de politievakorganisaties.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel I (Besluit algemene rechtspositie politie)
Onderdeel A

De wetstechnische wijziging van artikel 1, eerste lid, onderdelen b, i, l, ff, gg en ii, hangt samen met het nieuwe artikel 2c. In de onderdelen b, ff en gg is een verwijzing naar artikel 2c, eerste lid, opgenomen om te verduidelijken dat het gaat om een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen basispolitieopleiding (een politieopleiding als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel s, onder 1°, van de Politiewet 2012).

Voor een toelichting op de nieuwe begripsomschrijving ‘ambtenaar in opleiding’ alsmede het nieuwe tweede lid van artikel 1 wordt verwezen naar de toelichting bij onderdeel B.

Vanwege een verwijzing in andere algemene maatregelen van bestuur naar artikel 1, eerste lid, onderdelen i (begripsomschrijving ambtenaar) en l (begripsomschrijving bevoegd gezag) is voor de duidelijkheid in deze onderdelen de zinsnede ‘de ambtenaar in opleiding’ ingevoegd.

Onderdeel B

Aan het Barp, zoals dat luidde voor inwerkingtreding van dit besluit, lag, zij het impliciet, als uitgangspunt ten grondslag dat aanstelling als ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, slechts mogelijk is na het voltooien van een basispolitieopleiding (artikel 3 van het Barp).5 Zoals aangegeven in het algemeen deel, wordt met dit besluit een differentiatie in de politieopleidingen gecreëerd om bekwaam te worden als ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak (artikel 2c), derhalve een ambtenaar als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, van de Politiewet 2012. Naast een algemene politiële basis en vorming volgt het opleidingsdeel dat bekwaam maakt voor inzetbaarheid voor de functie. Voor een plaatsing als ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, op een functie in het domein uitvoering is het voltooien van een basispolitieopleiding vereist. Voor een beperkt aantal functies in dat domein volstaat echter ook het voltooien van enkel een specifieke politieopleiding; zie artikel 2c, tweede lid, van het Barp. De vakgebieden waarvan deze functies onderdeel uitmaken worden door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen. De specifieke politieopleiding onderscheidt zich van de basisopleiding doordat eerstgenoemde niet leidt tot een diploma ten bewijze van de behaalde kwalificatie op een niveau dat overeenkomt met een mbo-niveau of op een niveau van het hoger onderwijs.

Ter onderscheiding van de aspirant (degene die door het bevoegd gezag is aangesteld als aspirant en is toegelaten tot een basispolitieopleiding) introduceert dit besluit de ambtenaar in opleiding; degene die door het bevoegd gezag is aangesteld als ambtenaar in opleiding en is toegelaten tot een specifieke politieopleiding (artikel 1, eerste lid, onderdeel c, van het Barp).

De specifieke politieopleiding is voltijds en niet duaal ingericht, zodat de ambtenaar in opleiding gedurende deze opleiding geen werkzaamheden verricht in het korps en dus niet in een functie wordt geplaatst. De specifieke politieopleiding is voorts een theoretische opleiding. De ambtenaar in opleiding voert in het kader van deze opleiding dan ook niet de politietaak uit in een eenheid van het korps en is dan ook geen ambtenaar van politie die is aangesteld voor de uitvoering van de politietaak als bedoeld in artikel 2 van de Politiewet 2012. Ter voorkoming dat in vele bepalingen in het Barp de ambtenaar in opleiding zou moeten worden ingevoegd, is ervoor gekozen de bepalingen die betrekking hebben op de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, van overeenkomstige toepassing te verklaren op de ambtenaar in opleiding (artikel 1, tweede lid). Van die bepalingen zijn enkele uitgezonderd die betrekking hebben op het verrichten van werkzaamheden in het korps. Daarbij is aansluiting gezocht bij de bepalingen die niet van toepassing zijn op de aspirant tijdens het theoretisch opleidingsdeel (zie artikel 100, eerste lid). Ook zijn uitgezonderd de artikelen 56 (regels over uniform- en dienstkleding), 59 (niet kunnen beroepen op de omstandigheid niet in dienst te zijn) en 64a (tijdelijke inzet in een andere functie of in een ander team).

Artikel 12, eerste tot en met derde lid, van het Barp is van overeenkomstige toepassing verklaard op de ambtenaar in opleiding, zodat het bevoegd gezag de arbeids- en rusttijden vaststelt. Het spreekt voor zich dat dit zal geschieden in afstemming met de Politieacademie. Het negentiende lid van artikel 12 is eveneens van overeenkomstige toepassing verklaard om daarmee de mogelijkheid te hebben om eventuele nadere regels ter uitvoering van het eerste tot en met derde lid van overeenkomstige toepassing te laten zijn op de ambtenaar in opleiding.

Voor de volledigheid wordt erop gewezen dat artikel 14 van het Barp niet van overeenkomstige toepassing is. Dit artikel ziet uitsluitend op de aspirant.

Ter verduidelijking wordt erop gewezen dat artikel 2c de toepassing van de artikelen 2a en 2b van het Barp onverlet laat.

Onderdelen C en G

De wetstechnische wijziging van de artikelen 3 en 14, eerste lid, hangt samen met artikel 2c.

Onderdeel D

Degene die wil worden aangesteld als ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, na het voltooien van een specifieke politieopleiding, wordt gedurende deze opleiding tijdelijk aangesteld als ambtenaar in opleiding. De duur van deze aanstelling is gekoppeld aan de duur van de desbetreffende opleiding (artikel 3a, eerste lid). Naar verwachting zal deze opleiding enkele maanden duren.

Na het voltooien van de opleiding wordt de betrokkene tijdelijk aangesteld voor een proeftijd van een jaar. De proeftijd kan zo nodig in bijzondere gevallen op aanvraag van de ambtenaar of zo nodig ambtshalve worden verlengd. Hierbij is aangesloten bij artikel 4, eerste lid, onder a, van het Barp.

Zodra de proeftijd verstrijkt, wordt de desbetreffende ambtenaar zo mogelijk in vaste dienst aangesteld als ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak. Voorafgaand aan het verstrijken van de proeftijd kan door leidinggevenden worden bekeken of de ambtenaar voldoet aan de eisen van bekwaamheid en geschiktheid. Is daarvan geen sprake, dan wordt de ambtenaar eervol ontslag verleend (zie artikel 89, vierde en vijfde lid, van het Barp) dan wel kan in bijzondere gevallen de proeftijd worden verlengd (zie artikel 3a, tweede lid).

Het vierde lid biedt de mogelijkheid om in bijzondere gevallen af te wijken van de periode van de tijdelijke aanstelling als ambtenaar in opleiding en van de periode van de proeftijd. Ook kan in bijzondere gevallen worden afgezien van een proeftijd. Hiervoor is aansluiting gezocht bij artikel 3, zesde lid, van het Barp.

Onderdeel E

Met het nieuwe onderdeel c van artikel 10, eerste lid, wordt beoogd om in de akten van aanstelling de aanstelling op een uniforme wijze te vermelden, waar de aanstelling voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit besluit veelal moest worden afgeleid uit de functie waarin de betrokkene wordt aangesteld.

In het algemeen deel is toegelicht dat voor de executieve politieambtenaar met een specifieke inzetbaarheid geldt dat hij zich dient te onthouden van werkzaamheden buiten het vakgebied waarvan diens functie onderdeel uitmaakt (zie artikel 59a, eerste lid, van het Barp). Om die reden is ervoor gekozen voor deze ambtenaar het vakgebied, en indien van toepassing het werkterrein, in de akte van aanstelling te vermelden.

Vanwege de differentiatie in politieopleidingen voor de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, en de functies waarin deze ambtenaar kan worden geplaatst, is het wenselijk het onderscheid in voltooide politieopleiding te vermelden in de akte van aanstelling. Dit wordt tot uitdrukking gebracht door bij degene die een basispolitieopleiding heeft voltooid, te vermelden dat deze generiek inzetbaar is en bij degene die een enkel een specifieke politieopleiding heeft voltooid, specifiek inzetbaar is. Het spreekt voor zich dat deze vermelding louter een declaratoir karakter heeft.

Onderdeel F

De specifieke politieopleiding is gemiddeld 36 uur per week. De ambtenaar in opleiding zal dan ook worden aangesteld met een arbeidstijd van gemiddeld 36 uur per week. Na afronding van de specifieke politieopleiding wordt de ambtenaar in opleiding tijdelijk6 aangesteld als ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, op grond van artikel 3a, tweede lid, waarbij de arbeidsduur van artikel 13, derde lid, geldt. Aangesloten is bij hetgeen geldt voor de aspirant na afronding van diens basispolitieopleiding.7

Onderdeel H

Vanwege de vernummering in artikel 1 van het Barp van het tweede lid tot derde lid, is de verwijzing in artikel 37, tweede en derde lid, naar het oorspronkelijke artikel 1, tweede lid, aangepast.

Onderdeel I

Met de politievakorganisaties is afgesproken dat de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, die enkel een specifieke politieopleiding heeft voltooid, zich dient te onthouden van werkzaamheden buiten het vakgebied (zie het algemeen deel van de toelichting, paragraaf 3). Dit is vastgelegd in artikel 59a, eerste lid.

Het tweede lid van artikel 59a is toegelicht in het algemeen deel van deze toelichting, paragraaf 3.

Onderdeel J

Voor de ambtenaar in opleiding gelden dezelfde disciplinaire maatregelen als die gelden voor de aspirant.

Onderdeel K

Net als voor de aspirant geldt voor een ontslag op aanvraag, verleend aan een ambtenaar in opleiding, dat dit ontslag onmiddellijk ingaat.

Onderdeel L

Bij het wijzigen van het derde lid van artikel 89 is, omwille van de leesbaarheid, ervoor gekozen het lid, zoals dat luidde voor inwerkingtreding van dit besluit, te splitsen in twee leden (het nieuwe derde en vierde lid). Het derde en vierde lid regelen wanneer eervol ontslag kan worden verleend bij gebleken niet geschiktheid die voor de dienst wordt vereist. Van de oorspronkelijk genoemde ambtenaren is ‘de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, die gedurende de proeftijd niet de geschiktheid blijkt te bezitten die voor de dienst wordt vereist’ geschrapt. Deze wijziging was abusievelijk niet opgenomen in het Besluit van 30 september 2013, houdende wijziging van het Besluit algemene rechtspositie politie, het Besluit bezoldiging politie en het Besluit bovenwettelijke werkloosheidsuitkering politie in verband met de aanpassing van de aspirantenmaatregelen uit het Arbeidsvoorwaardenakkoord 2012–2014 (Stb. 2013, 374).

Ten opzichte van het oorspronkelijke derde lid zijn toegevoegd: de ambtenaar in opleiding, gedurende de specifieke politieopleiding, en de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, gedurende de proeftijd, bedoeld in artikel 3a, tweede lid.

Onderdeel M

Artikel 99l is toegelicht in het algemeen deel, paragraaf 7.

Artikel 99m

Aan artikel 10, eerste en zesde lid, ligt ten grondslag dat een ambtenaar binnen een maand wordt geïnformeerd over een (wijziging van een) gegevens als bedoeld in het eerste lid van dat artikel. Een dergelijke wijziging geschiedt bij besluit. Artikel I, onderdeel E, zou in het licht van de bedoeling van artikel 10 meebrengen dat de aanstellingsvorm (artikel 10, eerste lid, onderdeel c), en generieke inzet (artikel 10, vierde lid) aan alle desbetreffende ambtenaren die op de datum van inwerkingtreding van dit besluit in dienst zijn bij de politie of de rijksrecherche zouden moeten worden medegedeeld. Deze wijzigingen houden evenwel geen verband met een materiële wijziging van de rechtspositie van deze ambtenaren. Om in zoverre kosten te voorkomen, regelt artikel 99m dat de aanstellingsvorm en generieke inzetbaarheid eerst aan de desbetreffende ambtenaar wordt medegedeeld als zich een andere wijziging van gegevens voordoet, zoals een wijziging van functie of plaats van tewerkstelling.

Onderdeel N

Aan de opsomming van bepalingen die niet van toepassing zijn op de aspirant en de vakantiewerker is artikel 10, eerste lid, onderdeel d, toegevoegd, aangezien de aspirant en vakantiewerker niet in een functie worden geplaatst.

Artikel II (Besluit bezoldiging politie)
Onderdelen A en B

Voor een toelichting op het vervangen van ‘artikel 1, eerste lid, onderdeel s, onder 1°, van de Politiewet 2012’ en het begrip ‘ambtenaar in opleiding’ wordt verwezen naar de toelichting bij artikel I, onderdelen A en B.

Voor een toelichting op de uitgezonderde bepalingen in artikel 1, tweede lid, van het Bbp wordt verwezen naar paragraaf 5 van het algemeen deel van deze toelichting. In aanvulling daarop nog het volgende over artikel 6 van het Bbp. Dit artikel is, met uitzondering van het vijfde lid, voor ambtenaren in opleiding niet van overeenkomstige toepassing. Voor hen geldt immers het nieuwe artikel 3bis b. Het vijfde lid is echter wel van overeenkomstige toepassing zodat doorstromers die ontslagen worden om een ambtenaar in opleiding te kunnen worden, hun salarisschaal kunnen behouden, mocht voor die salarisschaal een hoger maximum salaris gelden dan de salarisschaal waarop de ambtenaar in opleiding volgens het nieuwe artikel 3bis b van het Bbp recht heeft.

Onderdeel C

Zie voor een toelichting het algemeen deel van deze toelichting, paragraaf 3.

Onderdeel D

In artikel 6, vijfde lid, is een wetstechnische wijziging (vervangen van ‘artikel 1, eerste lid, onderdeel s, onder 1°, van de politiewet 2012’) doorgevoerd. Daarnaast is naast ‘ontslag om als aspirant een basispolitieopleiding’ tevens ‘ontslag om als ambtenaar in opleiding een specifiek politieopleiding’ ingevoegd in verband met de komst van de ambtenaar in opleiding.

Onderdeel E

Abusievelijk werd in artikel 9a, eerste lid, verwezen naar ‘bijlage 3’, terwijl de overige bijlagen van het Bbp met Romeinse cijfers worden genummerd.8 De zinsnede ‘bijlage 3’ wordt, gelet op de reeds aanwezige bijlagen, vervangen door: bijlage VII.

Onderdeel F

Abusievelijk vermeldde het oorspronkelijke artikel 100, eerste lid, van het Bbp dat het gehele artikel 6 niet van toepassing is op de aspirant, terwijl het vijfde lid wel op hem van toepassing dient te zijn. Met deze wijziging is dit gecorrigeerd.

Aan de opsomming van bepalingen die niet van toepassing zijn op de aspirant en de vakantiewerker is artikel 37a toegevoegd, aangezien de aspirant en vakantiewerker niet in een functie worden geplaatst.

Onderdeel G

Abusievelijk vermeldt de bijlage bij artikel 9a, eerste lid, van het Bbp in het opschrift ‘Bijlage III’.9

Zoals is toegelicht in artikel II, onderdeel E, dient dit ‘Bijlage VII’ te zijn.

Artikel III (Besluit overleg en medezeggenschap politie 1994)

Abusievelijk werd in artikel 1, onder f, verwezen naar een verkeerd onderdeel van artikel 1 van het Barp. Met deze wijziging wordt dit hersteld.

Artikel IV (Besluit reis-, verblijf- en verhuiskosten politie)
Onderdeel A

Voor een toelichting wordt verwezen naar de toelichting bij artikel I, onderdelen A en B.

Voor de duidelijkheid wordt erop gewezen dat de verwijzing in artikel 1, onder a, van het Brvvp naar artikel 1, eerste lid, onderdeel i, van het Barp meebrengt dat waar in bepalingen van eerstgenoemd besluit het begrip ‘ambtenaar’ wordt gebruikt, daaronder ook de ambtenaar in opleiding valt, zoals ook is toegelicht bij artikel I, onderdeel A.

Onderdeel B

In artikel 14a is, omwille van de leesbaarheid, ervoor gekozen om in een nieuw vijfde lid het eerste tot en met vierde lid van overeenkomstige toepassing te verklaren op de ambtenaar in opleiding in plaats van in het eerste tot en met vierde lid ‘ambtenaar in opleiding’ in te voegen.

In artikel 14a, eerste lid, werd abusievelijk verwezen naar het begrip ‘initiële opleiding’. Met de komst van de Wet van 25 mei 2016 tot wijziging van de Politiewet 2012 in verband met de inbedding van de Politieacademie in het nieuwe politiebestel (Stb. 2016, 203) is immers het onderscheid tussen initiële en postinitiële opleidingen vervallen.

Artikel V (Besluit bewapening en uitrusting politie)

Artikel 5, eerste tot en met vijfde lid, van het Besluit bewapening en uitrusting politie regelt de bewapening van de aspirant tijdens de uitoefening van de dienst gedurende de beroepspraktijkvorming, alsmede diens uitrusting. Aan dit artikel is een lid toegevoegd om daarmee te regelen dat de executieve ambtenaar met enkel een specifieke politieopleiding die (alsnog) een basispolitieopleiding gaat volgen, tijdens de uitoefening van de dienst gedurende de beroepspraktijkvorming mag beschikken over dezelfde bewapening en uitrusting als de aspirant tijdens de uitoefening van de dienst gedurende de beroepspraktijkvorming.

De Minister van Justitie en Veiligheid,


X Noot
1

Een van de door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen politieopleidingen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel s, onder 2°, van de Politiewet 2012 (zie nieuwe artikel 2c, tweede lid, van het Barp.

X Noot
2

Een van de door Onze Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen politieopleidingen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel s, onder 1°, van de Politiewet 2012 (zie nieuwe artikel 2c, eerste lid, van het Barp.

X Noot
1

Met executieve politieambtenaren worden de politieambtenaren bedoeld die zijn aangesteld voor de uitvoering van de politietaak. Zij onderscheiden zich van de politieambtenaren die zijn aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en anderen taken ten dienste van de politie.

X Noot
2

Het gaat naast officieren van justitie, ambtenaren van politie aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, de militairen van de Koninklijke Marechaussee, ook om opsporingsambtenaren van de bijzondere opsporingsdiensten.

X Noot
3

In artikel 3 van de Politiewet 2012 is de politietaak als volgt omschreven: ‘De politie heeft tot taak in ondergeschiktheid aan het bevoegd gezag en in overeenstemming met de geldende rechtsregels te zorgen voor de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde en het verlenen van hulp aan hen die deze behoeven.’

X Noot
4

Artikel 142 Sv bepaalt dat de opsporingsbevoegdheid in een akte of aanwijzing ook alle strafbare feiten kan omvatten.

X Noot
1

De rijksrecherche heeft tot taak het doen van onderzoek in opdracht van het College van procureurs-generaal, naar feiten of gedragingen die mogelijk een strafbaar feit opleveren (artikel 49, eerste lid, van de Politiewet 2012).

X Noot
2

Een politieopleiding als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel s, onder 1°, van de Politiewet 2012.

X Noot
3

Dit zogenoemde duale onderwijs is één van de kenmerken van het ‘Politieonderwijs 2002’ (zie Kamerstukken II 2014/15, 34 129, nr. 3, blz. 6–7).

X Noot
4

Zie de Regeling vaststelling LFNP.

X Noot
5

Met uitzondering van de artikelen 2a en 2b van het Barp.

X Noot
6

Of met toepassing van artikel 3a, vierde lid, direct met een vaste aanstelling.

X Noot
7

Zie ook de nota van toelichting bij het Besluit van 8 augustus 2011, houdende wijziging van het Besluit algemene rechtspositie politie en het Besluit bezoldiging politie in verband met het Akkoord Arbeidsvoorwaarden sector politie 2008–2010 (Stb. 2011, 379, blz. 6).

X Noot
8

Zie artikel II, onderdeel D, van het Besluit van 28 januari 2014, houdende wijziging van het Besluit algemene rechtspositie politie en het Besluit bezoldiging politie in verband met de reorganisatie naar aanleiding van de invoering van de Politiewet 2012 en de uitwerking van het Arbeidsvoorwaardenakkoord 2012–2014 (Stb. 2014, 52).

X Noot
9

Zie bijlage C bij het Besluit van 28 januari 2014, houdende wijziging van het Besluit algemene rechtspositie politie en het Besluit bezoldiging politie in verband met de reorganisatie naar aanleiding van de invoering van de Politiewet 2012 en de uitwerking van het Arbeidsvoorwaardenakkoord 2012–2014 (Stb. 2014, 52).

Naar boven