Besluit van 28 januari 2014, houdende wijziging van het Besluit algemene rechtspositie politie en het Besluit bezoldiging politie in verband met de reorganisatie naar aanleiding van de invoering van de Politiewet 2012 en de uitwerking van het Arbeidsvoorwaardenakkoord 2012–2014

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 3 juli 2013, nr. 402012;

Gelet op artikel 47, eerste lid, van de Politiewet 2012;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 24 juli 2013, No. W03.13.0196/II);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 23 januari 2014, nr. 470774;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Besluit algemene rechtspositie politie wordt als volgt gewijzigd:

A

Aan artikel 1, eerste lid, wordt, onder vervanging van de punt door een punt komma bij onderdeel nn een onderdeel ingevoegd, luidende:

oo. OVW punten:

Onvermijdelijk Verzwarende Werkomstandigheden punten, zoals deze met toepassing van het functiewaarderingssysteem op grond van artikel 6, tweede lid, van het Besluit bezoldiging politie, worden vastgesteld.

B

Artikel 12, zestiende lid komt te luiden:

  • 16. Een ambtenaar heeft in een kalenderjaar recht op:

    • a. ten minste 21 vrije zondagen welke aansluiten op een vrije dag, dan wel

    • b. 22 periodes van twee aaneengesloten vrije dagen waarbij de aaneengesloten periode een zaterdag of één van de 21 hierboven genoemde vrije zondagen omvat.

    Het bevoegd gezag verdeelt de te werken zondagen zo evenredig mogelijk over de ambtenaren. Deze verdeling wordt jaarlijks bezien.

C

Artikel 12a, eerste lid, komt te luiden:

  • 1. De ambtenaar doet jaarlijks voor 1 oktober bij het bevoegd gezag een aanvraag voor een werkmodaliteit. Het bevoegd gezag kent deze toe, tenzij een zwaarwegend dienstbelang zich daartegen verzet.

D

Artikel 54a wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «bedrag van € 136.100,–» vervangen door: bedrag van € 150.000,–.

2. In het tweede lid wordt «bedrag van € 68.100,–» vervangen door: bedrag van € 75.000,–.

3. Na het vierde lid wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 5. De bedragen genoemd in het eerste en tweede lid worden per 1 januari van elk kalenderjaar bij ministeriele regeling gewijzigd overeenkomstig de consumentenprijsindex.

E

Na artikel 55i wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 55ia

  • 1. In dit hoofdstuk wordt onder de reorganisatie Politiewet 2012 verstaan de reorganisatie in verband met de totstandkoming van de politie als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Politiewet 2012, welke aanvangt tussen 1 januari 2014 en 31 december 2014.

  • 2. Onder de reorganisatie bedoeld in het eerste lid wordt ook verstaan een collectieve verplaatsing tijdens de in het eerste lid bedoelde periode waarbij de reistijd van ambtenaren zodanig toeneemt dat zij meer dan drie uur per dag moeten reizen terwijl deze reistijd voor de verplaatsing minder dan drie uur per dag was.

  • 3. Onder reorganisatiegebied tijdens de reorganisatie bedoeld in het eerste lid wordt verstaan:

    • a. in eerste instantie de aparte deelreorganisatiegebieden zijnde:

      • de niet- operationele functies zoals opgenomen in de bij dit besluit behorende bijlage I, exclusief bijzondere functiegroepen;

      • de operationele functies zoals opgenomen in de bij dit besluit behorende bijlage II per eenheid, exclusief bijzondere functiegroepen, of

      • een bijzondere functiegroep.

    • b. nadat in de deelreorganisatiegebieden is bepaald wie als functievolgers kunnen worden geplaatst, wordt het deelreorganisatiegebied voor het vervullen van de overgebleven vacante functies vergroot tot landelijk reorganisatiegebied.

  • 4. Een bijzondere functiegroep uit het vorige lid wordt aangewezen door het bevoegd gezag, nadat het bevoegd gezag hierover overleg heeft gevoerd met de Commissie voor centraal georganiseerd overleg in politie- en ambtenarenzaken, bedoeld in artikel 2 in het Besluit overleg en medezeggenschap politie 1994.

F

In artikel 55jb, eerste lid wordt «nieuwe functie» vervangen door: functie.

G

Na artikel 55jb wordt een artikel toegevoegd, luidende:

Artikel 55jc

Tijdens de reorganisatie Politiewet 2012 is dit hoofdstuk niet van toepassing op de procedure voor het benoemen en vervullen van de functies sectorhoofd, teamchef B en teamchef C. Deze functies worden vervuld op grond van een in de Commissie als bedoeld in artikel 2 van het Besluit overleg en medezeggenschap politie 1994, vastgestelde selectie- en benoemingsprocedure.

H

Artikel 55l wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, eerste volzin, vervalt de zinsnede: , dan wel de aspirant.

2. Aan artikel 55l wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 5. Voor de reorganisatie Politiewet 2012, wordt, in afwijking van het tweede lid, de ambtenaar met de minste aantal jaren in politiedienst, als eerste als herplaatsingkandidaat aangewezen. In geval dat twee ambtenaren een gelijk aantal jaren in politiedienst hebben doorgebracht, wordt degene met het minst aantal jaren in overheidsdienst, als eerste tot herplaatsingkandidaat aangewezen. Voor het berekenen van het aantal in politiedienst of overheidsdienst doorgebrachte jaren wordt mede in aanmerking genomen de tijd gewijd aan verzorging van tot het huishouden van de ambtenaar behorende 0–4 jarige eigen, stief- of pleegkinderen, tot een maximum van in totaal zes jaren.

I

Artikel 55la komt te luiden:

De reorganisatiecommissie wordt paritair samengesteld en bestaat uit ten minste drie en ten hoogste vijf leden. De reorganisatiecommissie brengt binnen zes weken na ontvangst van het verzoek, bedoeld in artikel 55l, vierde lid, een schriftelijk oordeel uit aan het bevoegd gezag.

J

Aan artikel 55lb wordt het volgende lid toegevoegd:

  • 5. In afwijking van het tweede lid wordt voor plaatsing in de reorganisatie Politiewet 2012, onverminderd artikel 55l, als volgt gehandeld:

    • a. als eerste wordt geplaatst de ambtenaar die in de bestaande organisatie op diezelfde plaats van tewerkstelling was geplaatst;

    • b. indien er dan nog te plaatsen ambtenaren overblijven, wordt als eerste geplaatst de ambtenaar wiens plaats van tewerkstelling in de bestaande organisatie het dichtst bij de nieuwe plaats van tewerkstelling is gelegen;

    • c. indien er dan nog steeds te plaatsen ambtenaren overblijven, wordt als eerste geplaatst, de ambtenaar met het grootst aantal jaren in politiedienst;

    • d. indien er dan nog steeds te plaatsen ambtenaren overblijven, wordt als eerste geplaatst degene met het grootst aantal jaren in overheidsdienst.

K

Na artikel 55o worden de volgende artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 55oa:

  • 1. De ambtenaar met een functie als bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van het Besluit bezoldiging politie, wordt door het bevoegd gezag binnen drie jaar nadat hij als herplaatsingkandidaat is geplaatst op een lagere passende functie twee keer een passende functie aangeboden op het niveau van de functie waarop hij was aangesteld voor aanwijzing als herplaatsingkandidaat, inclusief ten minste 24 OVW punten.

  • 2. De ambtenaar mag een aangeboden functie als bedoeld in het eerste lid eenmaal weigeren zonder dat dit directe gevolgen heeft voor de rechtspositie van de ambtenaar.

Artikel 55ob

  • 1. De herplaatsingkandidaat kan, door de invoering van het LFNP en de reorganisatie Politiewet 2012, als gevolg van deze beide situaties in totaal maximaal twee schalen omlaag gaan.

  • 2. De ambtenaar die als gevolg van de reorganisatie Politiewet 2012 als herplaatsingkandidaat is geplaatst op een lager functieniveau dan het niveau van de functie waarin de ambtenaar voor invoering LFNP was aangesteld, wordt door het bevoegd gezag twee keer een passende functie aangeboden die passend is op zijn oorspronkelijke functieniveau voor de invoering van het LFNP, tenzij op deze ambtenaar het bepaalde in artikel 55oa van toepassing is.

  • 3. De ambtenaar mag een aangeboden functie als bedoeld in het tweede lid eenmaal weigeren zonder dat dit directe gevolgen heeft voor de rechtspositie van de ambtenaar.

  • 4. De ambtenaar die door de reorganisatie Politiewet 2012 als herplaatsingkandidaat buiten de politie wordt geplaatst, wordt door het bevoegd gezag binnen de voor deze persoon geldende loonsuppletietermijn een functie binnen de politie aangeboden op het niveau van de functie die de ambtenaar had voor de invoering van het LFNP. Mocht een dergelijke functie binnen genoemde loonsuppletietermijn niet voorhanden zijn, dan wordt een passende functie op een lager schaalniveau aangeboden.

  • 5. Als de ambtenaar, welke in de plaatsing buiten de politie een functie op het niveau van voor de invoering van het LFNP had, het aanbod van een lagere passende functie binnen de politie, bedoeld in het vierde lid, aanvaardt, doet het bevoegd gezag deze nog een keer een aanbod voor een passende functie op het oorspronkelijke functieniveau voor de invoering van het LFNP. Indien de ambtenaar dit aanbod weigert, heeft dit rechtspositionele consequenties.

  • 6. Als de ambtenaar, welke in de plaatsing buiten de politie een lagere functie dan op het niveau van voor de invoering van het LFNP had, het aanbod van een lagere passende functie binnen de politie, bedoeld in het vierde lid, aanvaardt, dan geldt het bepaalde in het tweede lid.

L

In artikel 55q, eerste lid, wordt «artikel 55n» vervangen door: artikelen 55n, 55oa en 55ob.

M

Aan artikel 55aa wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 4. Van een situatie als bedoeld in het eerste lid kan ook sprake zijn als op de vrijkomende formatieplaats een niet als pre-herplaatsingkandidaat of herplaatsingkandidaat aangewezen ambtenaar kan worden geplaatst of herplaatst indien op diens vrijkomende formatieplaats wel een pre-herplaatsingkandidaat of herplaatsingkandidaat kan worden geplaatst of herplaatst.

N

Na artikel 55aa wordt een artikel ingevoegd:

Artikel 55aaa

Op verzoek van de ambtenaar die niet als herplaatsingkandidaat of pre-herplaatsingkandidaat is aangewezen, wordt door het bevoegd gezag toepassing gegeven aan één of meer van de op grond van artikel 55u gebaseerde en de in dit besluit opgenomen flankerende voorzieningen die ter beschikking staan voor ambtenaren die zijn aangewezen als herplaatsingkandidaat, indien aan de ambtenaar op diens aanvraag ontslag wordt verleend en op de vrijkomende formatieplaats een pre-herplaatsingkandidaat kan worden geplaatst of een herplaatsingkandidaat kan worden herplaatst.

O

Aan artikel 64 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 7. De ambtenaar behoudt het recht op de periodieken op grond van artikel 9a Besluit bezoldiging politie OVW periodieken, bij plaatsing op grond van het eerste lid in een functie met minder dan 24 OVW punten.

ARTIKEL II

Het Besluit bezoldiging politie wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. Aan onderdeel m wordt na «van dit besluit» toegevoegd: , inclusief de op grond van artikel 9a toegekende periodieken;

2. Onder vervanging van de punt door een punt komma aan het einde van onderdeel vv twee onderdelen ingevoegd, luidende:

ww. OVW punten:

Onvermijdelijk Verzwarende Werkomstandigheden punten, zoals die met toepassing van het functiewaarderingssysteem zoals bedoeld in artikel 6, tweede lid, worden vastgesteld;

xx. OVW periodieken:

Onvermijdelijk Verzwarende Werkomstandigheden periodieken, welke kunnen worden toegewezen op grond van artikel 9a.

B

Artikel 6 wordt als volgt gewijzigd:

1. Aan het zevende lid wordt een zin toegevoegd, luidende: Ingeval artikel 55ob van het Besluit algemene rechtspositie politie van toepassing is, gaat de hiervoor genoemde termijn pas lopen vanaf het tijdstip dat de ambtenaar het tweede aanbod, bedoeld in het tweede lid van dat artikel, dan wel het aanbod op het oorspronkelijke functieniveau voor invoering van het LFNP, bedoeld in het vijfde lid van dat artikel, heeft geweigerd.

2. In het achtste lid, wordt de volgende zin toegevoegd: De lagere salarisschaal geldt ook niet indien de ambtenaar niet op grond van het bepaalde in artikel 55ob van het Besluit algemene rechtspositie politie teruggeplaatst kan worden in een functie op zijn niveau van voor de invoering van het LFNP, omdat dit niveau niet passend is.

3. Na het elfde lid worden de volgende leden toegevoegd, luidende:

  • 12. Indien een herplaatsingkandidaat, bedoeld in artikel 55oa van het Besluit algemene rechtspositie politie drie jaar na plaatsing op een lagere passende functie nog geen twee maal een passende functie op het oude functieniveau, inclusief ten minste 24 OVW punten is aangeboden, behoudt hij zijn oorspronkelijke salarisschaal, de inmiddels verworven OVW periodieken en de aanspraak op eventueel nog mogelijke OVW periodieken.

  • 13. Indien een herplaatsingkandidaat, bedoeld in artikel 55oa van het Besluit algemene rechtspositie politie voor de tweede maal een aanbod van een passende functie op het niveau van de functie waarin hij was geplaatst voor aanwijzing als herplaatsingkandidaat, inclusief ten minste 24 OVW punten weigert, geldt met ingang van de eerste dag van de tweede maand nadat het tweede aanbod is gedaan, het salaris behorende bij de functie waarop de ambtenaar op dat moment is geplaatst.

C

In artikel 6, zevende lid, wordt «vijf jaar» telkens vervangen door: «drie jaar».

D

Na artikel 9 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 9a

  • 1. De ambtenaar die het maximum van de schaal behorende bij een functie met 24 of meer OVW punten, zoals opgenomen in bijlage 3, heeft bereikt, wordt, met behoud van deze schaal en met inachtneming van het tweede lid, extra periodieken ter hoogte van de in de volgende salarisschaal opgenomen periodieken toegekend.

  • 2. Het toekennen van de periodieken bedoeld in het eerste lid, gebeurt overeenkomstig artikel 9.

  • 3. Uitgezonderd van het eerste lid is:

    • a. de ambtenaar die een functie bekleedt welke wordt gewaardeerd met schaal 15 of hoger;

    • b. de ambtenaar die leiding geeft aan een onderdeel of team waarin hoofdzakelijk ambtenaren werken met een functie met minder dan 24 OVW punten, of

    • c. de ambtenaar die recht heeft op Flexibel Pensioen en Uittreden.

  • 4. Het verkrijgen van de periodieken als bedoeld in het eerste lid heeft geen gevolgen voor de aan de functie gekoppelde rang.

  • 5. De periodieken die op grond van dit artikel worden verkregen vervallen bij een vrijwillige overstap naar een functie met minder dan 24 OVW punten.

E

Aan artikel 10 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 4. Indien de ambtenaar OVW periodieken heeft verkregen en er sprake is van een vrijwillige overstap naar een functie met minder dan 24 OVW punten, vervallen de verkregen OVW periodieken en worden deze niet meegenomen in de berekening bedoeld in het eerste lid.

F

In artikel 37a, eerste lid, komen de zinsneden «en deze leeftijd voor 1 januari 2012 heeft bereikt,» en «voor zover deze is ingediend voor de genoemde datum» te vervallen.

ARTIKEL III

  • 1. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.

  • 2. In afwijking van het eerste lid werken artikel I, onderdelen A en O, en artikel II, onderdelen A, D, E en F, terug tot en met 1 januari 2012.

  • 3. In afwijking van het eerste lid werken artikel I, onderdelen B en C, terug tot en met 1 januari 2013.

  • 4. In afwijking van het eerste lid treedt artikel II, onderdeel C, in werking per 1 januari 2015.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.histnoot

Wassenaar, 28 januari 2014

Willem-Alexander

De Minister van Veiligheid en Justitie, I.W. Opstelten

Uitgegeven de zevende februari 2014

De Minister van Veiligheid en Justitie, I.W. Opstelten

Bijlage A

Bijlage I bij artikel 55ia, derde lid, Besluit algemene rechtspositie politie

Niet operationele functies

Administratief Secretarieel Medewerker

Administratief Secretarieel Medewerker A

Administratief Secretarieel Medewerker B

Bedrijfsvoeringspecialist A

Bedrijfsvoeringspecialist B

Bedrijfsvoeringspecialist C

Bedrijfsvoeringspecialist D

Bedrijfsvoeringspecialist E

Bedrijfsvoeringspecialist F

Chauffeur (HSM)

Directiesecretaresse/Office Manager

Gespecialiseerd Medewerker A

Gespecialiseerd Medewerker B

Gespecialiseerd Medewerker C

Gezagvoerder Binnenvaart

Gezagvoerder Zeevaart

Gezagvoerder Zeevaart Beperkte Inzet

Medewerker Huisvesting, Services en Middelen A

Medewerker Huisvesting, Services en Middelen B

Medewerker Huisvesting, Services en Middelen C

Medewerker Huisvesting, Services en Middelen D

Medewerker Techniek A

Medewerker Techniek B

Medewerker Techniek C

Medewerker Techniek D

Secretarieel Medewerker

Stuurman Zeevaart

Teamchef A

Bijlage B

Bijlage II bij artikel 55ia, derde lid, Besluit algemene rechtspositie politie

Operationele functies

Assistent Beveiliging A

Assistent Beveiliging B

Assistent Forensische Opsporing

Assistent GGP A

Assistent GGP B

Assistent Intake & Service A

Assistent Intake & Service B

Chef Vlieger

Generalist Beveiliging

Generalist Forensische Opsporing

Generalist GGP

Generalist Intake & Service

Generalist Intelligence

Generalist Interventie

Generalist Meldkamer

Generalist Observatie

Generalist Tactische Opsporing

Medewerker Beveiliging

Medewerker Forensische Opsporing

Medewerker GGP

Medewerker Intake & Service

Medewerker Intelligence

Medewerker Observatie

Medewerker Tactische Opsporing

Operationeel Expert Beveiliging

Operationeel Expert Forensische Opsporing

Operationeel Expert GGP

Operationeel Expert Informantenrunner

Operationeel Expert Intake & Service

Operationeel Expert Intelligence

Operationeel Expert Interventie

Operationeel Expert Meldkamer

Operationeel Expert Observatie

Operationeel Expert Tactische Opsporing

Operationeel Specialist A

Operationeel Specialist B

Operationeel Specialist C

Operationeel Specialist D

Operationeel Specialist E

Operationeel Specialist F

Politie Vlieger

Senior Beveiliging

Senior Forensische Opsporing

Senior GGP

Senior Informantenrunner

Senior Intake & Service

Senior Intelligence

Senior Interventie

Senior Meldkamer

Senior Observatie

Senior Tactische Opsporing

Bijlage C

Bijlage III horende bij artikel 9a, eerste lid, van het Besluit bezoldiging politie

LFNP functie

Assistent A Beveiliging

Assistent A GGP

Assistent A intake &service

Assistent B Beveiliging

Assistent B GGP

Assistent B Intake &service

Assistent forensische opsporing

Chef vlieger

Directeur

Generalist beveiliging

Generalist forensische opsporing

Generalist GGP

Generalist intake & service

Generalist interventie

Generalist meldkamer

Generalist observatie

Generalist tactische opsporing

Gezagvoerder binnenvaart/bootcdt

Gezagvoerder zeevaart

Gezagvoerder zeevaart met beperkte inzet

Korpschef

Medewerker beveiliging

Medewerker forensische opsporing

Medewerker GGP

Medewerker intake & service

Medewerker observatie

Medewerker tactische opsporing

Operationeel- expert beveiliging

Operationeel- expert forensische opsporing

Operationeel- expert GGP

Operationeel- expert informantenrunner

Operationeel- expert Intake & service

Operationeel expert intelligence

Operationeel- expert interventie

Operationeel expert meldkamer

Operationeel- expert observatie

Operationeel- expert tactische opsporing

Operationeel specialist A

Operationeel specialist B

Operationeel specialist C

Operationeel specialist D

Operationeel specialist E

Operationeel specialist F

Politie vlieger

Sectorhoofd

Senior beveiliging

Senior forensische opsporing

Senior GGP

Senior informanten runner

Senior intake & service

Senior intelligence

Senior Interventie

Senior meldkamer

Senior Observatie

Senior tactische opsporing

Stuurman Zeevaart

Teamchef B

Teamchef C

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen

Op de wijze waarop de personele gevolgen van reorganisaties bepaald worden, is voor de sector politie het Landelijk Sociaal Statuut (LSS) van toepassing. Dit is vastgelegd in hoofdstuk VII.b van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) en bij nadere regeling in de Regeling landelijk sociaal statuut. Bovendien zijn enkele afspraken vastgelegd in het Convenant toepassing en uitvoering van het Landelijk sociaal statuut voor de Nederlandse politie (Stcrt. 2011, 14806, verder: Convenant), dat werd gesloten tussen de Ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie, de politievakbonden, vertegenwoordigd in de Commissie voor georganiseerd overleg in politie-ambtenarenzaken (CGOP), en de bevoegde gezagen.

Met de inwerkingtreding van de Politiewet 2012 is er vanaf 1 januari 2013 één landelijke politie. De politie wordt dientengevolge op andere wijze ingericht. In 2013 zal de daarmee gepaard gaande personele reorganisatie aanvangen. In verband met die reorganisatie zijn met de politievakbonden enkele wijzigingen van het LSS overeengekomen. De reorganisatie vangt aan met een reorganisatieplan. Vervolgens wordt met toepassing van de regels en procedure vastgelegd in hoofdstuk VII.b Barp en de Regeling LSS een personeelsplaatsingsplan vastgesteld. Het tijdstip waarop dat plan wordt vastgesteld, is bepalend voor de begrenzing van wat nog onder de reorganisatie in verband met de totstandkoming van de politie als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Politiewet 2012 (hierna reorganisatie Politiewet 2012) valt. Weliswaar wordt dat personeelsplaatsingsplan vervolgens nog uitgevoerd, maar reorganisaties die na vaststelling van dat plan aanvangen, zijn niet meer aan te merken als reorganisaties in verband met de totstandkoming van de politie.

Op 21 juni 2012 is het Akkoord arbeidsvoorwaarden sector politie gesloten voor de periode van 1 januari 2012 tot en met 31 december 2014. In het Akkoord is een aantal maatregelen overeengekomen dat leidt tot wijzigingen in het Besluit algemene rechtspositie politie (verder te noemen Barp) en het Besluit bezoldiging politie (verder te noemen Bbp). Afspraken betreffen onder meer de invoering van de mogelijkheid om in salaris door te groeien naar de naast hogere schaal voor medewerkers aan wie meer dan 24 Onvermijdelijk Verzwarende Werkomstandigheden punten zijn toegekend, een vermindering van het aantal vrije zondagen en een wijziging van de modaliteitenregeling.

Over de inhoud van deze algemene maatregel van bestuur is overeenstemming bereikt met de vakorganisaties.

Artikelsgewijs

Artikel I, onderdeel A en Artikel II, onderdeel A

Bij de sector politie kent men aan functies zogenoemde Onvermijdelijk Verzwarende Werkomstandigheden punten (OVW punten) toe conform het tussen sociale partners overeengekomen functiewaarderingssysteem, het Landelijk Functiegebouw Nederlandse Politie, ook bekend als Fuwa-Pol LFNP. Deze punten worden opgebouwd uit onder meer de indicatoren fysiek risico, psychisch risico, risico op slachtofferschap en aspect afbreukrisico. Aan de hand van dit soort indicatoren kan men inschatten of een functie in verhouding zwaarder is voor een ambtenaar dan een andere functie.

Artikel I, onderdeel B

Tussen partijen is afgesproken dat het aantal vrije zondagen terug gaat van 26 naar 21. Hierbij is aangegeven dat dit een minimum aantal is. Het bevoegd gezag verdeelt deze vrije dagen zo evenredig mogelijk over de ambtenaren. Daarmee wordt voorzien in een evenwichtige spreiding over het team of de groep, zodat de bedrijfsvoering zo min mogelijk wordt belemmerd. Deze verdeling wordt jaarlijks bezien.

Artikel I, onderdeel C

De modaliteiten regeling wordt door deze wijziging op een andere manier ingevuld. Het idee is dat de druk meer evenwichtig wordt gespreid over groepen medewerkers. Als er sprake is van een rooster op continu basis, is het de bedoeling dat in team- of groepsverband afspraken worden gemaakt over de modaliteiten en roostering. Het bevoegd gezag zal aan de hand daarvan uiteindelijk de modaliteiten en roosters vaststellen. Ambtenaren vragen jaarlijks de momenten aan waarop zij niet beschikbaar willen zijn voor de dienst. Bij de aanvraag en toetsing daarvan staat centraal dat de ambtenaar mede verantwoordelijk is voor een goede bedrijfsvoering en dat de afweging in groepsverband in overleg tussen leidinggevende en medewerkers tot stand komt. Als het team of de groep niet tot een oplossing komt, kan het individu zich beroepen op artikel 12a Barp. Het is op dat moment aan het bevoegd gezag om te beoordelen of er in die situatie sprake is van een zwaarwegend dienstbelang. Is het bevoegd gezag voornemens de aanvraag niet in te willigen, dan vraagt het advies aan de modaliteitencommissie (derde tot en met vijfde lid). Als een ambtenaar geen aanvraag doet, wordt er vanuit gegaan dat hij geen belangstelling heeft voor een bepaalde werktijdenmodaliteit en is hij dus beschikbaar om in te roosteren. In verband met de vraag naar het voortbestaan van de modaliteitencommissie is in het CGOP afgesproken dat voor de einddatum van het Arbeidsvoorwaardenakkoord 2012–2014 de noodzaak van het voortbestaan van de modaliteitencommissie zal worden geëvalueerd.

Artikel I, onderdeel D

De vergoedingen aan smartengeld voor invaliditeit die voortvloeit uit een dienstongeval of beroepsziekte dan wel voor overlijden dat voortvloeit uit een dienstongeval worden verhoogd. De laatste wijziging was in 2002, bij de invoering van de euro maar de bedragen zijn nooit geïndexeerd. Partijen hebben ook afgesproken dat de vergoedingen vanaf nu elk jaar worden geïndexeerd. De indexering zal jaarlijks gebeuren op grond van de consumentenprijsindex waarbij de bedragen eindigen op nul of vijf euro door afronding.

Artikel I, onderdeel E

In het eerste lid van dit artikel is verduidelijkt wat wordt bedoeld met de reorganisatie in verband met de totstandkoming van de politie als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Politiewet 2012. Op deze wijze wordt voorkomen dat aan bepalingen die specifiek voor deze reorganisatie zijn opgesteld, ook na deze reorganisatie nog gevolg wordt gegeven. Deze reorganisatie wordt aangehaald als «reorganisatie Politiewet 2012» en vangt aan tussen 1 januari 2014 en 31 december 2014.

In het tweede lid is bepaald dat voor de reorganisatie Politiewet 2012 collectieve verplaatsingen ook worden gezien als reorganisatie. Binnen het kader van de reorganisatie Politiewet 2012, zal er sprake zijn van zogenoemde collectieve verplaatsingen. Dit zijn verplaatsingen waarbij de plaats van tewerkstelling van een geheel team of een gehele afdeling wijzigt. Neemt de reistijd van betrokkenen daarbij zodanig toe dat zij meer dan drie uur per dag moeten reizen, terwijl de reistijd daarvoor minder dan drie uur per dag was, dan zal de verplaatsing worden aangemerkt als een reorganisatie. De reistijd wordt op dezelfde wijze berekend als de reistijd bedoeld in artikel 55o, vierde lid, onder d, Barp. In principe worden bij een verplaatsing de medewerkers aangemerkt als functievolgers. Gezien de toename in reistijd kunnen zij echter verzoeken zich te laten aanwijzen als herplaatsingkandidaat. In dat geval komen zij als herplaatsingkandidaat in aanmerking voor flankerende voorzieningen, zoals opgenomen in dit hoofdstuk en de Regeling landelijk sociaal statuut politie.

Het derde lid voorziet in de mogelijkheid bij de reorganisatie Politiewet 2012 in twee fases te reorganiseren, waarbij het reorganisatiegebied wordt onderverdeeld in deelreorganisatiegebieden.

Eén deelreorganisatiegebied wordt gevormd door de niet-operationele functies. Hieronder vallen de functies opgenomen in bijlage I, uitgezonderd de door het bevoegd gezag aangewezen bijzondere functiegroepen. Niet-operationele functies komen voor binnen de eenheden, het Politiedienstencentrum en de ondersteunende staf van de korpsleiding. De operationele functies, zijnde de functies uit bijlage II, vormen per eenheid een deelreorganisatiegebied, exclusief door het bevoegd gezag aan te wijzen bijzondere functiegroepen. Naast de twaalf deelreorganisatiegebieden die gevormd worden door de operationele functies per eenheid en de niet-operationele functies (allen exclusief bijzondere functiegroepen), kan het bevoegd gezag bijzondere functiegroepen aanwijzen die per groep een deelreorganisatiegebied vormen. Ter verduidelijking zij opgemerkt dat een bijzondere functiegroep zich niet tot één functie hoeft te beperken. Voorbeelden van functiegroepen waar aan gedacht kan worden zijn ambtenaren die werkzaam zijn bij de levende have, bij arrestatieteams of bij communicatieafdelingen. Het deelreorganisatiegebied niet-operationele functies en de deelreorganisatiegebieden die gevormd worden door een bijzondere functiegroep zijn landelijke deelreorganisatiegebieden en niet gebonden aan een onderdeel van de politie.

In de eerste fase wordt op grond van artikel 55l Barp per deelreorganisatiegebied bepaald welke ambtenaren aangewezen worden als functievolger naar een functie binnen dit deelreorganisatiegebied. Ten behoeve van de ambtenaren die in deze fase niet worden aangewezen als functievolger, wordt in de tweede fase bezien of zij – eveneens op grond van artikel 55l Barp – aangewezen kunnen worden als functievolger voor een functie binnen het complete reorganisatiegebied (landelijk), waar nog geen functievolger voor aangewezen is. Op deze wijze – door in twee fases functievolgers te bepalen – kunnen zoveel mogelijk ambtenaren worden aangewezen als functievolger binnen de politie. Tijdens de tweede fase komt de ambtenaar in aanmerking voor elke nog niet vervulde vergelijkbare of uitwisselbare functie, ongeacht het deelreorganisatiegebied waar deze functie in valt. Na de tweede fase wordt door de plaatsingsadviescommissie een concept-personeelsplaatsingsplan opgesteld conform artikel 8 Regeling LSS.

In het vierde lid staat aangegeven dat de bijzondere functiegroepen worden aangewezen door het bevoegd gezag. In het overleg met de vakorganisaties is afgesproken dat het bevoegd gezag hierover overleg voert met de vakorganisaties, zoals bedoeld in artikel 2, eerste lid van het Besluit overleg en medezeggenschap politie 1994; een en ander in verband met mogelijke rechtspositionele gevolgen.

Artikel I, onderdeel F

De invoering van het Landelijk Functiegebouw Nederlandse Politie (LFNP) heeft tot gevolg dat de in artikel 55jb geformuleerde definitie van sleutelfuncties niet meer volstaat. In het LFNP worden de 92 functies vastgelegd. Er kan dus niet langer sprake zijn van een «nieuwe» functie, vandaar dat de toevoeging «nieuwe» komt te vervallen. Om te toetsen of een specifieke functie voldoet aan het criterium «functie van groot organisatorisch belang» en om die reden kan worden aangewezen als sleutelfunctie, zal de reorganisatiecommissie (artikel 55la) het bevoegd gezag hierover adviseren naar aanleiding van concrete voorstellen. Indien het bevoegd gezag dit advies niet overneemt of indien de stemmen in de reorganisatiecommissie staken, wordt het advies voor overleg voorgelegd aan het CGOP (artikel 3, eerste lid, van het Besluit overleg en medezeggenschap politie 1994).

Artikel I, onderdeel G

Op 1 januari 2013 is de Politiewet 2012 in werking getreden. Ingevolge deze wet is de politie één landelijke organisatie. In 2014 zal de personele reorganisatie aanvangen. Mede in verband met de andere werkwijze van één landelijke organisatie en de wens van een cultuuromslag, is voor de vervulling van de functies sectorhoofd, teamchef B en teamchef C voorzien in een afwijking van de normale regels van het LSS, volgens welke zou moeten worden benoemd op grond van anciënniteit (en bij de reorganisatie Politiewet 2012 op grond van politiedienstjaren). Met de vakbonden is afgesproken dat er voor deze reorganisatie de invulling van vacatures voor de functies sectorhoofd, teamchef B en teamchef C zal geschieden volgens een procedure waarmee de CGOP heeft ingestemd. Daarmee is het anciënniteitbeginsel voor de vervulling van deze functies niet van toepassing en kan worden geselecteerd op grond van kwaliteit en geschiktheid. Bovendien ligt in de procedure het accent op medewerkerparticipatie bij de selectie van kandidaten voor deze leidinggevende functies.

Volledigheidshalve zij opgemerkt dat ambtenaren die op grond van deze procedure worden geselecteerd als sectorhoofd of teamchef B of C, terwijl dit een lagere functie is dan de functie die zij voor hun sollicitatie bekleedden, het bij die oude functie behorende salaris behouden. Indien er sprake is van toename van de reisafstand door een andere plaats van tewerkstelling, zijn de daarvoor geldende regels zoals vastgelegd in de Regeling landelijk sociaal statuut van toepassing.

Met de selectieprocedure zal worden gestart, zodra duidelijk is welke functie individuele ambtenaren hebben binnen het LFNP en het reorganisatieplan is vastgesteld. Deze bepaling zal zijn uitgewerkt wanneer alle sectorhoofden, teamchefs B en teamchefs C door middel van deze procedure zijn benoemd.

Artikel I, onderdeel H

De wijziging van artikel 55l, eerste lid, voorkomt dat aspiranten worden aangewezen als herplaatsingkandidaat. Dit is niet aan de orde, nu er geen verdringingseffect plaatsvindt.

Met de vakorganisaties is afgesproken dat voor de reorganisatie Politiewet 2012 primair aan de hand van het aantal politiedienstjaren zal worden bepaald wie functievolger en wie herplaatsingkandidaat wordt. De overheidsdienstjaren zijn in dit geval daarna het onderscheidende criterium. Dit uitgangspunt is in artikel 55l, vijfde lid, vastgelegd.

Artikel I, onderdeel I

Met de vakorganisaties is afgesproken dat de reorganisatiecommissie ook een aantal adviserende taken krijgt. Mede in verband met de reorganisatie Politiewet 2012, die in omvang eerdere reorganisaties overstijgt, is er aanleiding om de mogelijkheid te creëren deze commissie te laten bezetten door meer dan drie en ten hoogste vijf leden. Vanzelfsprekend zal er steeds sprake moeten zijn van een gelijk aantal leden van werkgevers- als van werknemerszijde.

Artikel I, onderdeel J

In dit artikel is geregeld dat de plaatsingsvolgorde van functievolgers in de reorganisatie Politiewet 2012 afwijkt van de reguliere plaatsingsvolgorde. Hierdoor worden functievolgers geplaatst op hun oorspronkelijke plaats van tewerkstelling of zo dicht mogelijk daarbij, zodat voor medewerkers zo min mogelijk verandert. Uitgangspunt is dat functievolgers de voorkeur hebben te worden geplaatst op hun oorspronkelijke plaats van tewerkstelling. Het kan echter voorkomen dat een functievolger een voorkeur uitspreekt voor een andere plaats van tewerkstelling als sluitstuk maar dit is alleen mogelijk als er met een andere functievolger geruild kan worden, dit op basis van vrijwilligheid.

Artikel I, onderdelen K en L

Artikel 55oa

Een medewerker die ten minste 24 OVW-punten heeft en die vervolgens ten gevolge van een reorganisatie herplaatsingkandidaat wordt, wordt volgens de gewone regels van het LSS geplaatst op een passende functie. Volgens de gewone regels van het LSS mag de medewerker de plaatsing op een passende functie een keer weigeren, bij een tweede weigering kan ontslag volgen (artikel 91, vierde lid). Bij aanvaarding, wordt de medewerker op de passende functie geplaatst. Indien dit een lagere passende functie is, wordt het salaris pas bijgesteld naar het niveau van de functie waarop deze medewerker is geplaatst als de werkgever de medewerker twee maal een aanbod heeft gedaan van een functie op het functieniveau waarop de medewerker was geplaatst vóórdat hij als herplaatsingkandidaat werd aangewezen, inclusief ten minste 24 OVW-punten. Bij een tweede weigering van een dergelijk aanbod wordt het salaris naar beneden bijgesteld.

De verplichting uit dit artikel doet geen afbreuk aan de voorrang van herplaatsingkandidaten bij plaatsing in een passende functie.

Artikel 55ob en artikel 55q

In het kader van de combinatie van invoering van het LFNP en de invoering van de Nationale Politie hebben werkgever en de vakorganisaties met elkaar het volgende afgesproken: dat uit de categorie herplaatsingkandidaten die vallen binnen het complex LFNP en reorganisatie Politiewet 2012 niemand uit die categorie er als gevolg van dat complex meer dan twee schalen op achteruit gaat. Een medewerker die als gevolg van reorganisatie Politiewet 2012 herplaatsingkandidaat wordt, wordt volgens de gewone regels van het LSS geplaatst op een passende functie. Volgens de gewone regels van het LSS mag de medewerker de plaatsing op een passende functie een keer weigeren, bij een tweede weigering kan ontslag volgen (artikel 91, vierde lid). Bij aanvaarding, wordt de ambtenaar op de passende functie geplaatst. Indien deze ambtenaar is geplaatst op een functie met een lagere salarisschaal dan voor invoering LFNP, wordt deze medewerker door het bevoegd gezag twee keer een passende functie aangeboden op het oorspronkelijke functieniveau van de ambtenaar voor de invoering van het LFNP. Ter illustratie houdt de afspraak het volgende in. Voor het LFNP heeft een ambtenaar functieschaal 8. Door het LFNP gaat hij naar een functie op schaal 7 maar door de afspraken rond het LFNP behoudt hij schaal 8 (zie artikel 49f, derde lid, van het Besluit bezoldiging politie). Door de reorganisatie Politiewet 2012 mag de ambtenaar indien hij herplaatsingkandidaat wordt maximaal terugvallen naar functieschaal 6 en moet hem vervolgens twee keer een functie worden aangeboden op zijn oorspronkelijke niveau (schaal 8).

De ambtenaar mag het aanbod van die passende functie de eerste keer weigeren. Bij de weigering van de tweede aangeboden functie die passend is op het oorspronkelijke functieniveau, wordt het salaris naar het niveau van de lagere functie waarop hij is geplaatst teruggebracht, een en ander met inachtneming van de salarisgarantietermijn genoemd in artikel 6, zevende lid, van het Besluit bezoldiging politie.

Voor de in het tweede lid gebruikte formulering van passende functie is kozen vanwege de inpasbaarheid in hoofdstuk VII.b. De flankerende maatregelen waar sprake is van herplaatsingkandidaten of passende functie is ook van toepassing voor de herplaatsingkandidaten uit dit artikel. Het opnemen van de zinsnede «die passend is op zijn oorspronkelijke functieniveau» is om aan te geven dat het erom gaat dat de functie passend is op het oorspronkelijke functieniveau en het in zoverre dus te onderscheiden is van het begrip «passende functie» zoals dat normaal wordt toegepast.

Uit het tweede lid volgt voorts dat ambtenaren die voordat zij in de reorganisatie Politiewet 2012 als herplaatsingskandidaat werden aangewezen een functie hadden met ten minste 24 OVW-punten en in deze reorganisatie op een lagere passende functie zijn geplaatst, vallen onder het regime van artikel 55oa Barp. Dit betekent dat hen een aanbod wordt gedaan op het functieniveau dat zij hadden voordat zij in de reorganisatie Politiewet 2012 als herplaatsingskandidaat werden aangewezen, inclusief ten minste 24 OVW-punten. Voor de invoering van het LFNP bestonden er immers nog geen functies waaraan OVW-punten waren toegekend. Het bepaalde in artikel 55oa is niet van toepassing indien deze herplaatsingskandidaten in deze reorganisatie worden geplaatst op een passende functie van hetzelfde functieniveau als zij hadden voordat zij werden aangewezen als herplaatsingskandidaat, al dan niet met ten minste 24 OVW-punten. In dit geval voorziet artikel 55ob Barp in een vangnet. Is deze ambtenaar als gevolg van de reorganisatie Politiewet 2012 op een lager functieniveau geplaatst dan waarop hij of zij voor invoering van het LFNP was aangesteld, dan geldt een resultaatsverplichting om deze medewerker terug te brengen naar een functie op functieniveau voor LFNP. Dit kan ook een functie zijn zonder ten minste 24 OVW-punten.

In artikel 55ob, vierde tot en met zesde lid, is vastgelegd op welke wijze wordt omgegaan met externe plaatsingen. Wordt een ambtenaar buiten de politie geplaatst, dan zal hem de keuze worden voorgelegd bij de politie terug te keren of definitief zijn of haar loopbaan buiten de politie voort te zetten. In dat laatste geval kan met toepassing van de hardheidsclausule (artikel 55v Barp) een maatwerkafspraak worden gemaakt en is de werkgever ontheven van de verplichting deze persoon nog een aanbod voor een functie binnen de politie te doen.

Wenst de herplaatsingskandidaat zijn loopbaan binnen de politie voort te zetten, dan kan deze weliswaar buiten de politie worden geplaatst, maar wordt deze binnen de voor hem of haar geldende loonsuppletietermijn een passende functie aangeboden binnen de politie.

Evenals voor ambtenaren die niet eerst extern zijn geplaatst, geldt dat het bevoegd gezag is gehouden deze teruggekeerde ambtenaren in totaal twee keer een aanbod te doen op het oorspronkelijke functieniveau voor invoering van het LFNP, waarbij een eventuele externe plaatsing op het oorspronkelijke functieniveau geldt als plaatsing naar aanleiding van een eerste aanbod.

Artikel I, onderdeel M

Naast de directe constructie zoals die in artikel 55aa, eerste lid, staat, wordt in het vierde lid een zogenaamde driehoeksoptie opgenomen. In dit lid wordt nadrukkelijk bepaald dat op de vrijkomende formatieplaats niet alleen een (pre-)herplaatsingkandidaat kan worden geplaatst of herplaatst, maar ook een niet-(pre-)herplaatsingkandidaat (functievolger) indien op de vrijkomende formatieplaats van deze laatste een (pre-)herplaatsingkandidaat kan worden geplaatst of herplaatst. De constructie is niet beperkt tot maar drie bewegingen maar kan zelfs zodanig zijn dat, alles op basis van vrijwilligheid, meerdere ambtenaren doorschuiven waardoor uiteindelijk een herplaatsingkandidaat kan worden herplaatst.

Artikel I, onderdeel N

Dit artikel bevat de klassieke remplaçantenregeling. Deze regeling was vastgelegd in artikel 30 van het Convenant. Nu de politie niet langer bestaat uit 26 maar uit één korps, is er reden deze bepaling vast te leggen in het Barp. Een ambtenaar die geen recht heeft op flankerend beleid kan dat recht toch krijgen als hij op eigen verzoek ontslag krijgt en op de formatieplaats die hij bezet een ambtenaar kan worden geplaatst of herplaatst die wel recht heeft op toepassing van flankerend beleid. Het recht op toepassing van flankerend beleid schuift in dat geval door van de (pre)herplaatsingkandidaat naar de ambtenaar die plaats maakt. De ambtenaar die vertrekt hoeft niet tot het reorganisatiegebied of dezelfde eenheid te behoren als de (pre)herplaatsingkandidaat. Het is aan het bevoegd gezag om in deze situatie een redelijke afweging te maken of dit mogelijk is. Verwacht mag worden dat een verzoek niet te snel wordt afgewezen. Er dient door het bevoegd gezag gemotiveerd te worden waarom het verzoek niet tot vervanging kan leiden. Het niet volledig in alle facetten kunnen vervangen van de vertrekkende ambtenaar, bijvoorbeeld door beperkte verschillen in arbeidsduur, is geen reden om een verzoek af te wijzen. Zie in dit verband artikel 125g van de Ambtenarenwet.

Artikel I, onderdeel O en Artikel II, onderdelen D, E en F

Ambtenaren die op het maximum van de schaal behorende bij hun functie zitten én een functie vervullen waaraan door het nieuwe functiewaarderingssysteem ten minste 24 punten voor Onvermijdelijk Verzwarende Werkomstandigheden (OVW) zijn toegekend, krijgen vanaf 1 januari 2012 het uitzicht op extra (zogenoemde OVW-)periodieken. Dit houdt in dat na het bereiken van het maximum in de schaal behorende bij de functie met minimaal 24 OVW punten, de ambtenaar daarna – met behoud van die schaal – periodieken erbij kan krijgen ter hoogte van de periodieken die horen bij de naasthogere schaal tot het maximum daarvan. Uitgezonderd hiervan zijn degenen die komen te vallen onder het arbeidsvoorwaardenkader van de politietop, degenen die recht hebben op de FPU en ambtenaren die leiding geven aan een onderdeel of team waarin hoofdzakelijk medewerkers werken met een functie met minder dan 24 OVW punten. Deze laatste uitzondering is niet vastgelegd in het Arbeidsvoorwaarden Akkoord maar in het Centraal Georganiseerd Overleg Politie op 8 november 2012 door werkgever en vakbondsorganisaties overeen gekomen. Het ontvangen van extra periodieken heeft geen consequenties voor de aan de functie gekoppelde rang.

Het toekennen van de OVW periodiek gebeurt op grond van dezelfde condities als voor het toekennen van een gewone periodiek. Dat wil zeggen dat de functie naar het oordeel van het bevoegd gezag naar behoren moet zijn vervuld, zoals omschreven in artikel 9 Bbp. Hij wordt toegekend op de reguliere periodiekdatum, welke afhankelijk is van de datum van aanstelling van de ambtenaar. De OVW-periodiek maakt deel uit van het salaris.

De OVW periodiek is een aan de functie gekoppelde periodiek. Dit houdt in beginsel in dat deze vervalt of, als er meerdere periodieken zijn toegekend, vervallen, indien er wordt overgestapt naar een functie met minder dan 24 OVW punten. Zo zal de ambtenaar bij een vrijwillige overstap door sollicitatie het salaris krijgen behorend bij de functie waarop hij solliciteert. Wordt hem een disciplinaire straf opgelegd, dan kan zijn salaris eveneens naar beneden worden aangepast wat consequenties kan hebben voor de OVW-periodieken (artikel 6, vijfde lid Bbp). Partijen hebben vastgelegd dat een ambtenaar in een aantal gevallen zijn (uitzicht op) OVW-periodieken niet verliest. De situaties van demotie en verplichte verplaatsing (artikel 64 Barp) zijn in dit besluit geregeld. De situatie van arbeidsongeschiktheid behoeft geen nadere regeling; zie in dit verband hoofdstuk 10 van het Bbp.

Artikel II, onderdeel B

In artikel 55ob is vastgelegd dat een herplaatsingkandidaat die in een lagere functie wordt geplaatst door het LFNP en de reorganisatie Politiewet 2012 weer terug moet worden gebracht naar zijn oude functieniveau. Het kan echter voorkomen dat het bevoegd gezag tot de conclusie komt dat de ambtenaar niet goed kan functioneren op zijn oude niveau. Indien dit het geval is, is afgesproken dat de ambtenaar dan zijn salarisgarantie behoudt en hierdoor niet op grond van het vijfde lid teruggaat in salarisschaal.

Artikel II, onderdeel C

In het Akkoord sector politie tot verlenging en aanvulling van het Arbeidsvoorwaardenakkoord 2008–2010 is afgesproken dat de termijn, bedoeld in artikel 91, vijfde lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie, per 1 januari 2015 van vijf jaar naar drie jaar gaat. Dientengevolge wordt ook de termijn in artikel 6, zevende lid, van het Besluit bezoldiging politie aangepast.

De Minister van Veiligheid en Justitie, I.W. Opstelten


XHistnoot
histnoot

Het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State wordt met de daarbijbehorende stukken openbaar gemaakt door publicatie in de Staatscourant.

Naar boven