Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND)Staatscourant 2019, 8116Besluiten van algemene strekking

Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 8 februari 2019, nummer WBV 2019/1, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000

De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

Gelet op de Vreemdelingenwet 2000, het Vreemdelingenbesluit 2000 en het Voorschrift Vreemdelingen 2000;

Besluit:

ARTIKEL I

De Vreemdelingencirculaire 2000 wordt als volgt gewijzigd:

A

Paragraaf B9/6 Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden:

6. Afsluiting Definitieve Regeling langdurig verblijvende kinderen

6.1 Inleiding

In de brief aan de Tweede Kamer van 29 januari 2019 (Nieuwe Balans in het Regeerakkoord, TK 2018-2019, 19 637, nr. 2459) is opgenomen dat de Definitieve Regeling per 29 januari 2019 wordt beëindigd en dat er een overgangsregeling komt voor langdurig verblijvende kinderen. Dit is de Afsluitingsregeling langdurig verblijvende kinderen (verder: de Afsluitingsregeling). In dit hoofdstuk wordt de beëindiging met terugwerkende kracht van de Definitieve Regeling geregeld en zijn beleidsregels opgenomen inzake deze Afsluitingsregeling.

6.2 Beëindiging Definitieve Regeling

De Definitieve Regeling, zoals voorheen opgenomen in dit hoofdstuk, wordt – met terugwerkende kracht – afgeschaft per 29 januari 2019.

De IND beoordeelt lopende procedures inzake de Definitieve Regeling aan de hand van de voorwaarden en contra-indicaties van de Afsluitingsregeling. De Afsluitingsregeling heeft immers als doel om tot een herbeoordeling te komen van de Definitieve Regeling. Ook is van belang dat in de Afsluitingsregeling, onder handhaving van de overige voorwaarden en contra-indicaties, een wijziging heeft plaatsgevonden van de contra-indicatie niet meewerken aan vertrek. Deze contra-indicatie wordt vervangen door de contra-indicatie niet beschikbaar zijn voor vertrek. Deze aanpassing geldt als gunstiger recht in de zin van artikel 3.103 Vb en wordt bij de beoordeling van alle lopende procedures betrokken, inclusief (hoger) beroepsprocedures.

6.3 Afsluitingsregeling - algemeen

De IND beoordeelt de Afsluitingsregeling op basis van:

  • alle lopende procedures inzake de Definitieve Regeling, waaronder (hoger) beroepsprocedures. De vreemdeling hoeft in dat geval geen nieuwe aanvraag in te dienen;

  • ambtshalve herbeoordeling van aanvragen op grond van de Definitieve Regeling, indien de eerdere afwijzing op grond van enkel het meewerkcriterium in rechte onaantastbaar is geworden. In paragraaf B9/6.4 Vc is geregeld onder welke voorwaarden en op welke van twee manieren vreemdelingen voor herbeoordeling in aanmerking kunnen komen;

  • aanvragen op grond van de Afsluitingsregeling, ingediend na 29 januari 2019 en uiterlijk binnen twee weken na inwerkingtreding van deze regeling, overeenkomstig paragraaf B9/6.8 Vc. De IND merkt vóór de inwerkingtreding van dit WBV ingediende aanvragen, waarin een beroep wordt gedaan op (de strekking van) eerdergenoemde Kamerbrief van 29 januari 2019, aan als aanvragen op grond van de Afsluitingsregeling. Vreemdelingen hoeven in dat geval niet opnieuw een schriftelijke aanvraag in te dienen.

Vreemdelingen die buiten deze termijn een aanvraag indienen, kunnen zich niet beroepen op de Afsluitingsregeling.

Voor zover in dit hoofdstuk niet anders is bepaald, gelden de bepalingen van hoofdstuk B1 onverkort.

6.4 Herbeoordeling Definitieve Regeling

De IND gaat onder de hieronder genoemde voorwaarden over tot ambtshalve herbeoordeling van aanvragen op grond van de Definitieve Regeling als de eerdere aanvraag enkel op grond van het meewerkcriterium is afgewezen.

Uit de uitwerking hieronder volgt dat herbeoordeling op twee manieren kan plaatsvinden:

  • volledig ambtshalve door de IND en zonder dat de vreemdeling daartoe enige handeling hoeft te verrichten;

  • op basis van een signaal van de vreemdeling binnen twee weken na inwerkingtreding van de Afsluitingsregeling.

Ambtshalve herbeoordeling vindt voor de eerste groep plaats zonder dat de vreemdeling daartoe enige handeling hoeft te verrichten. Dat geldt voor vreemdelingen waarvan op voorhand met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld dat zij op 29 januari 2019 in Nederland verbleven. Tevens bestaat er bij die groep voldoende zekerheid omtrent het adres waar deze vreemdelingen verblijven en hun actuele gezinssamenstelling.

De IND gaat ten aanzien van de hiervoor bedoelde groep over tot ambtshalve herbeoordeling indien:

  • a) de vreemdeling reeds eerder een aanvraag op grond van de Definitieve Regeling heeft ingediend en er tegen de afwijzing van die aanvraag geen procedure meer loopt;

  • b) er in die eerdere beoordeling van de Definitieve Regeling geen andere contra-indicaties of afwijzingsgronden dan het meewerkcriterium zijn tegengeworpen;

  • c) de vreemdeling op 29 januari 2019 in een opvangvoorziening van het COA verbleef dan wel onder toezicht van het NIDOS stond.

Ad c) Onder opvangvoorzieningen van het COA vallen ook de gezinslocaties (GL) en de Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL). De gemeentelijke noodopvang waaronder de zogenoemde bed, bad en brood locaties vallen hier niet onder.

In afwijking van vorenstaande vindt deze herbeoordeling niet plaats als zich een van de volgende in paragraaf B9/6.6 Vc opgenomen contra-indicaties voordoet:

  • de vreemdeling is al houder van een verblijfsvergunning, behoudens de verblijfsvergunningen die in paragraaf B9/6.6 onder b Vc zijn uitgezonderd;

  • de vreemdeling heeft de Europese Unie aantoonbaar verlaten (paragraaf B9/6.6, onder f Vc).

Voor vreemdelingen is het kenbaar of zij op grond van vorenstaande bepalingen voor ambtshalve herbeoordeling in aanmerking komen. Dat is immers gebaseerd op objectieve en voor de vreemdeling kenbare uitgangspunten.

De tweede groep die voor herbeoordeling in aanmerking komt, met toepassing van dezelfde contra-indicaties, betreft vreemdelingen die:

  • reeds op 29 januari 2019 in Nederland verbleven (paragraaf B9/6.5 Vc);

  • voldoen aan de hierboven onder a) en b) genoemde voorwaarden;

  • niet reeds op grond van punt c) hierboven zullen worden herbeoordeeld; en

  • binnen twee weken na inwerkingtreding van de Afsluitingsregeling kenbaar maken dat zij voor herbeoordeling in aanmerking wensen te komen. Zij dienen hiervoor een beroep te doen op de Afsluitingsregeling middels het op de website (www.ind.nl) opgenomen aanvraagformulier Afsluitingsregeling. Reeds ingediende aanvragen of verzoeken om herbeoordeling hoeven niet opnieuw middels dit aanvraagformulier te worden ingediend.

De daadwerkelijke herbeoordeling vindt plaats aan de hand van alle voorwaarden (paragraaf B9/6.5 Vc) en contra-indicaties (paragraaf B9/6.6 Vc). Mocht eerst bij de herbeoordeling blijken dat er sprake is van een van de twee hierboven genoemde contra-indicaties, dan worden die bij de beoordeling onverkort tegengeworpen.

Herbeoordeling vindt plaats door op grond van artikel 3.6b Vb een ambtshalve beschikking te nemen. Alvorens een inwilligend ambtshalve besluit te nemen, stelt de IND de vreemdeling in staat te voldoen aan de voorwaarde dat alle lopende procedures worden ingetrokken. Tevens kunnen daarbij nadere gegevens worden verlangd voor de afgifte van een verblijfsdocument of anderszins.

Indien de vreemdeling niet voldoet aan de voorwaarden voor verlening (paragraaf B9/6.5 Vc), dan wel indien er sprake is van contra-indicaties (paragraaf B9/6.6 Vc), weigert de IND bij ambtshalve beschikking een vergunning op grond van de Afsluitingsregeling te verlenen. Tegen deze beschikking kan bezwaar worden gemaakt.

6.5 Voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning op grond van de Afsluitingsregeling

De IND beoordeelt in alle gevallen of de vreemdeling zich op de peildatum van 29 januari 2019 in Nederland bevond. De IND verleent geen verblijfsvergunning aan vreemdelingen die zich op de peildatum niet in Nederland bevonden.

De IND neemt verblijf op de peildatum in beginsel aan indien de vreemdeling op die datum dan wel op enig moment in de periode van uiterlijk drie maanden daarvoor bekend was bij de IND, DT&V, COA, of AVIM. De IND beoordeelt dat overeenkomstig de voorwaarde als bedoeld onder paragraaf B9/6.5, onder c Vc.

De IND neemt – in uitzondering op vorenstaande – niet aan dat er sprake was van verblijf in Nederland als er concrete indicaties zijn dat de vreemdeling op de peildatum buiten Nederland verbleef. Een concrete indicatie doet zich in ieder geval voor bij aantoonbaar vertrek uit Nederland en waarbij er nadien niet is gebleken dat de vreemdeling weer is teruggekeerd.

De IND neemt ook aan dat er sprake is van verblijf in Nederland op de peildatum als op basis van bij de IND bekende gegevens buiten twijfel is dat de vreemdeling op de peildatum in Nederland verbleef.

De IND beoordeelt aan de hand van bij de IND de bekende gegevens of er sprake is van verblijf in Nederland op de peildatum. Indien de IND daartoe aanvullende gegevens verlangd, wordt de vreemdeling hiertoe in de gelegenheid gesteld.

Deze voorwaarde laat onveranderd dat een vergunning tevens kan worden geweigerd wegens verblijf buiten de Europese Unie, voor zover paragraaf B9/6.6, onder f Vc van toepassing is.

Hoofdpersoon

De IND verleent een vergunning aan de vreemdeling:

  • a. die jonger is dan 19 jaar op het moment van de oorspronkelijke aanvraag, dan wel op enig moment tussen 1 februari 2013 en 29 januari 2019;

  • b. die zelf, dan wel ten behoeve van wie, ten minste vijf jaar voor het bereiken van de leeftijd van 18 jaar een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft, dan wel is, ingediend bij de IND en na die aanvraag uiterlijk op de peildatum (29 januari 2019) ten minste vijf jaar in Nederland heeft verbleven;

  • c. die zich gedurende de periode van verblijf in Nederland niet langer dan een aaneengesloten periode van drie maanden heeft onttrokken aan het toezicht van IND, DT&V, COA of AVIM (in het kader van de meldplicht), of in het geval van alleenstaande minderjarige vreemdelingen, van voogdijinstelling Nidos; én

  • d. die, voor zover van toepassing, vooraf schriftelijk heeft aangegeven dat hij zijn lopende procedures onvoorwaardelijk intrekt bij verblijfsverlening op grond van deze Afsluitingsregeling.

Ad b.

De IND werpt niet tegen dat door of namens de vreemdeling geen asielaanvraag is ingediend als een ouder van de vreemdeling een asielaanvraag heeft ingediend en de vreemdeling na de start van de asielprocedure is geboren.

Als de vreemdeling voldoet aan de voorwaarde genoemd in onderdeel c (niet langdurig onttrekken aan toezicht) én hij ten minste vijf jaar voor het bereiken van de leeftijd van 18 jaar een asielaanvraag heeft ingediend, neemt de IND aan dat de vreemdeling sinds dat moment ten minste vijf jaar in Nederland heeft verbleven tenzij één van de omstandigheden als neergelegd in paragraaf B1/6.2.1 Vc (verplaatsing hoofdverblijf) zich voordoet.

Ad c.

De IND neemt aan dat sprake is van niet langdurig onttrekken aan het toezicht als de vreemdeling of zijn eventuele gezinsleden:

  • sinds 27 juli 2010 bekend is bij de IND, DT&V, COA, of AVIM (in het kader van de opgelegde meldplicht), of in het geval van alleenstaande minderjarige vreemdelingen voogdijinstelling Nidos; en

  • niet langer dan een aaneengesloten periode van maximaal drie maanden uit beeld is geweest.

Als sprake is van meerdere perioden, alle korter dan drie maanden, waarbij de vreemdeling uit beeld is geweest, werpt de IND dit niet tegen ook al is het totaal aantal drie of meer maanden.

De IND beoordeelt in het kader van ambtshalve herbeoordeling niet opnieuw of aan deze voorwaarde is voldaan.

De IND beoordeelt in het geval van een ingediende aanvraag of de vreemdeling in de periode vanaf zijn eerste asielaanvraag (maar niet eerder dan 27 juni 2010) tot aan de peildatum van 29 januari 2019 aan deze voorwaarde voldeed.

Als de vreemdeling of een gezinslid naar een andere Europese lidstaat is vertrokken en deze lidstaat de verantwoordelijkheid voor de vreemdeling of het gezinslid overneemt, bijvoorbeeld ingevolge de Dublinverordening, dan neemt de IND aan dat sprake is van langdurig onttrekken aan het toezicht ongeacht de termijn van drie maanden.

Als de gezinsband is verbroken, wordt dit uitsluitend aan het betreffende gezinslid tegengeworpen.

Gezinsleden

De IND verleent ook een vergunning aan gezinsleden die op de peildatum van 29 januari 2019 deel uitmaken van het gezin van de vreemdeling aan wie een vergunning wordt verleend, tenzij op het moment van beoordeling de feitelijke gezinsband inmiddels is verbroken.

De IND beoordeelt de aanspraken op de Afsluitingsregeling in de context van het gezin. Dat betekent dat een afwijzingsgrond of een contra-indicatie voor één van de gezinsleden er toe leidt dat het hele gezin niet in aanmerking komt voor verblijf, tenzij bij het betreffende criterium van dat uitgangspunt wordt afgeweken.

De IND beoordeelt of de gezinsband is verbroken aan de hand van het bepaalde in hoofdstuk B7.

Onder gezinsleden verstaat de IND:

  • ouders;

  • minderjarige broer(s)of zus(sen) die minderjarig waren op de peildatum;

  • meerderjarige broer(s)of zus(sen) die op de peildatum nog onderdeel vormen van het gezin.

En als de feitelijke gezinsband met bovenstaande perso(o)n(en) is verbroken:

  • de vreemdeling van achttien jaar of ouder die op de peildatum een duurzame en exclusieve relatie onderhoudt met de hoofdpersoon of die met hem een naar Nederlands recht, waaronder het in Nederland toe te passen internationaal privaatrecht, geldig huwelijk of een in Nederland geregistreerd partnerschap is aangegaan; of

  • het minderjarige kind van wie de hoofdpersoon de biologische of juridische ouder is, mits er op de peildatum feitelijke invulling aan het gezinsleven wordt gegeven.

6.6 Contra-indicaties

De IND verleent de vergunning niet als bij de hoofdpersoon of een gezinslid op het moment van de beoordeling sprake is van de volgende contra-indicaties:

  • a. de vreemdeling vormt een gevaar voor de openbare orde (inclusief artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag) of de nationale veiligheid;

  • b. de vreemdeling is al houder van een verblijfsvergunning;

  • c. de vreemdeling is onderdaan van een lidstaat van de EU;

  • d. de vreemdeling heeft de identiteit of nationaliteit niet kunnen aantonen door onder meer het overleggen van documenten of consistent en naar waarheid verklaren en antwoorden;

  • e. de vreemdeling is niet beschikbaar geweest in het kader van vertrek; of

  • f. de vreemdeling heeft de Europese Unie aantoonbaar verlaten.

Ad a.

De IND verleent de verblijfsvergunning niet als de vreemdeling of één van de gezinsleden een gevaar vormt voor de openbare orde. Dit is het geval als:

  • wegens misdrijf een veroordeling tot een gevangenisstraf heeft plaatsgevonden of een vrijheidsbenemende maatregel is opgelegd en het onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen gedeelte van de straf(fen) of maatregel(en) in totaal ten minste één maand bedraagt; of

  • bij beschikking van de IND artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen.

Als bij beschikking van de IND artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen, geldt geen verjaringstermijn.

Ad b.

Deze contra-indicatie leidt niet tot weigering van de verblijfsvergunning indien de vreemdeling in het bezit is van een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met:

  • medische behandeling (artikel 3.4, onder p, Vb);

  • tijdelijke humanitaire gronden (artikel 3.4, onder q, Vb); of

  • studie (artikel 3.4, eerste lid onder m, Vb).

Als een gezinslid al houder is van een verblijfsvergunning, geldt deze contra-indicatie uitsluitend voor dat gezinslid.

Als de vreemdeling of een gezinslid rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8 onder j, Vw (uitstel van vertrek wegens medische redenen) dan werpt de IND dit niet tegen.

Ad d.

De vreemdeling moet bij zijn asielaanvraag in beginsel zijn identiteit aantonen met documenten. Daarnaast moet hij in de eerste asielprocedure consistent en naar waarheid verklaard hebben over zijn identiteit en nationaliteit. Als de vreemdeling zijn identiteit niet kan aantonen met documenten maar wel consistent en naar waarheid heeft verklaard, wordt deze contra-indicatie niet tegengeworpen. Indien na de beoordeling van de oorspronkelijke aanvraag andere identiteitsgegevens bekend zijn geworden, wordt beoordeeld of deze contra-indicatie alsnog aan de vreemdeling wordt tegengeworpen.

Indien de vreemdeling of een gezinslid zich na vergunningverlening in de BRP inschrijft met een andere identiteit of nationaliteit, dan trekt de IND de vergunning in.

Ad e.

De IND neemt aan dat de vreemdeling beschikbaar is geweest voor vertrek aan de hand van de volgende uitgangspunten.

De toetsperiode is overeenkomstig de relevante toetsperiode van de voorwaarde niet onttrekken aan het toezicht, zoals bedoeld in paragraaf B9/6.5, onder c Vc.

De vreemdeling is in ieder geval beschikbaar geweest voor vertrek, indien de daadwerkelijke verblijfplaats van de vreemdeling bekend was bij de IND, DT&V, COA of AVIM, tenzij de vreemdeling op enig moment met onbekende bestemming is vertrokken. Het vertrek met onbekende bestemming wordt niet tegengeworpen indien de vreemdeling binnen drie maanden weer in beeld is gekomen (paragraaf B9/6.5, onder c Vc).

De daadwerkelijke verblijfsplaats is in ieder geval bekend als de vreemdeling verbleef in een opvanglocatie bij wege van de Rijksoverheid (zie paragraaf B9/6.4, onder c Vc).

Vertrek met onbekende bestemming kan onder meer aan de hand van een model M-100 worden vastgesteld. De vreemdeling heeft de opvanglocatie niet uit eigen beweging verlaten in het geval van vertrek naar aanleiding van een (voorgenomen) ontruiming van de opvanglocatie.

Ad f.

De IND beschouwt in het kader van deze regeling de landen Zwitserland, Noorwegen, IJsland en Liechtenstein als landen die deel uitmaken van de Europese Unie.

De IND werpt aantoonbaar vertrek buiten de Europese Unie altijd tegen ook als dit plaatsvond voor 27 juli 2010. De duur van het verblijf buiten de Europese Unie is hierbij niet van belang.

In het geval dat de vreemdeling in het bezit van een terugkeervisum is vertrokken, wordt deze contra-indicatie niet tegengeworpen.

Daarbuiten wordt deze contra-indicatie uitsluitend niet tegengeworpen, indien de vreemdeling na terugkeer opnieuw een asielaanvraag indient en hij nadien vijf jaar in Nederland verblijft overeenkomstig paragraaf B9/6.5, onder b Vc.

Als de gezinsband is verbroken, beschouwt de IND dit niet als een contra-indicatie ten aanzien van de overige gezinsleden.

6.7. Vereisten aanvraagprocedure

Voor het indienen van de aanvraag op grond van de Afsluitingsregeling zijn overeenkomstig artikel 3.34, onder s, VV leges verschuldigd.

De IND verleent vrijstelling van het paspoortvereiste en de inkomenseis. In aanvulling op het bepaalde in paragraaf B1/4.1 Vc merkt de IND de groep vreemdelingen die voldoet aan de voorwaarden van de Afsluitingsregeling aan als bijzondere groep aan wie in het kader van de hardheidsclausule als bedoeld in artikel 3.71, derde lid, Vb vrijstelling van het mvv-vereiste wordt verleend.

Indien de vreemdeling niet voldoet aan de voorwaarden van de regeling en ook overigens niet is gebleken van omstandigheden als neergelegd in paragraaf B1/4.1 Vc, wijst de IND de aanvraag af wegens het ontbreken van een mvv met toepassing van het bepaalde in artikel 16, eerste lid onder a, Vw.

6.8. Procedurele bepalingen

Ambtshalve herbeoordeling

Het ambtshalve herbeoordelingsbesluit wordt schriftelijk bekend gemaakt door toezending er van aan het (laatst bekende) adres de vreemdeling.

Indienen aanvraag

Vreemdelingen die wegens het voldoen aan de voorwaarden een beroep op de Afsluitingsregeling willen doen, moeten hiertoe tijdig schriftelijk een aanvraag indienen.

Een aanvraag is tijdig ingediend indien de vreemdeling binnen twee weken na inwerkingtreding van de Afsluitingsregeling een schriftelijke aanvraag heeft ingediend.

Er kan daartoe gebruik worden gemaakt van het op de website van de IND (www.ind.nl) opgenomen aanvraagformulier Afsluitingsregeling. Op de website is opgenomen op welke wijze de aanvraag kan worden ingediend.

Ook aanvragen die niet middels dit aanvraagformulier zijn ingediend en waarin een beroep wordt gedaan op de afschaffing van de Definitieve Regeling dan wel de kamerbrief van 29 januari 2019, worden aangemerkt als aanvraag op grond van de Afsluitingsregeling.

De IND nodigt de vreemdeling vervolgens op grond van artikel 3.99, tweede lid, onder a, Vb uit om in persoon aan het loket te verschijnen.

Overige procedurele bepalingen

Het kind, dat in het kader van de regeling als hoofdpersoon kan worden beschouwd, kan bij zijn aanvraag tevens verblijf aanvragen voor zijn gezinsleden, tenzij de gezinsband inmiddels is verbroken.

Ingangsdatum en geldigheidsduur van de verblijfsvergunning

De IND verleent de verblijfsvergunning met ingang van:

  • 29 januari 2019, voor zover de verblijfsvergunning ambtshalve op basis van een herbeoordeling wordt verleend;

  • de datum waarop de aanvraag is ontvangen indien er geen sprake is van een herbeoordeling maar van een ingediende aanvraag. De verblijfsvergunning wordt niet verleend met een eerdere datum dan 29 januari 2019.

ARTIKEL II

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na publicatie in de Staatscourant en werkt terug tot 29 januari 2019.

Dit besluit zal (met de toelichting) in de Staatscourant worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 8 februari 2019

De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, namens deze, A. van Dijk directeur-generaal Migratie

TOELICHTING

Zoals opgenomen in de brief aan de Tweede Kamer van 29 januari 2019 (Nieuwe Balans in het Regeerakkoord, TK 2018-2019, 19 637, nr. 2459), heeft de huidige discussie over het kinderpardon ertoe geleid dat de coalitiepartijen hebben gezocht naar een nieuwe balans in het regeerakkoord met betrekking tot enkele onderwerpen op het terrein van asiel en migratie. Daarbij is overeenstemming bereikt over meerdere onderwerpen, waaronder het beëindigen van de definitieve regeling met terugwerkende kracht per 29 januari 2019.

Daarnaast is overeenstemming bereikt over een overgangsregeling voor gevallen die op 29 januari 2019 reeds eerder beoordeeld waren in het kader van de Definitieve Regeling. Daaronder vallen ook nog lopende procedures in het kader van de Definitieve Regeling.

De Afsluitingsregeling kan op verschillende manieren aan de orde worden gesteld.

  • Ten eerste in het kader van lopende procedures in het kader van de Definitieve Regeling.

  • Ten tweede door ambtshalve herbeoordeling, die aan de hand van twee verschillende routes plaats kan vinden.

  • En tot slot door de vreemdeling een kortdurende periode de gelegenheid te geven een aanvraag in te dienen.

Lopende procedures

Gemeend zou kunnen worden dat ten behoeve van deze Afsluitingsregeling steeds een nieuwe aanvraag ingediend zou moeten worden, ook als er reeds een aanvraag op grond van de Definitieve Regeling is ingediend. Om verschillende redenen ligt het echter niet voor de hand om vreemdelingen ten behoeve van de Afsluitingsregeling steeds een nieuwe aanvraag in te laten dienen.

De Afsluitingsregeling heeft als oogmerk om tot een herbeoordeling van de Definitieve Regeling te komen. Gelet op de grote mate van verwantheid tussen de Definitieve Regeling en de Afsluitingsregeling wordt een lopende procedure inzake de Definitieve Regeling dan ook beoordeeld aan de hand van de gunstiger voorwaarden van de Afsluitingsregeling.

Dat is in lijn met het uitgangspunt van artikel 3.103 Vb en bovendien betreft het in beide gevallen een vergunning op grond van niet-tijdelijke humanitaire omstandigheden als bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, onder s, Vb. Consequentie daarvan is wel dat lopende aanvragen op grond van de Definitieve Regeling pas voor inwilliging in aanmerking komen vanaf het moment waarop is besloten te komen tot een overgangsregeling, zijnde onderhavige Afsluitingsregeling.

Aanvragen worden dan ook niet eerder ingewilligd dan 29 januari 2019, tenzij deze aanvragen ook reeds op grond van de Definitieve Regeling voor inwilliging in aanmerking zouden komen. Benadrukt wordt dat het meewerkcriterium is geaccepteerd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en dat er in zoverre geen aanleiding bestaat om terug te komen van beschikkingen die op grond van het meewerkcriterium zijn afgewezen (vgl AbRS 29 juni 2015, 201404060/1/V1, ECLI:NL:RVS:2015:2099.

Ambtshalve herbeoordeling

Vorenstaande laat onverlet dat het om redenen van doelmatigheid en in lijn met de Kamerbrief van 29 januari 2019 voor de hand ligt om vreemdelingen die reeds eerder beoordeeld zijn in het kader van de Definitieve Regeling zo snel mogelijk duidelijkheid te geven over hun aanspraken op de Afsluitingsregeling. Ook om die reden vindt ambtshalve herbeoordeling plaats van aanvragen die in eerdere instantie enkel op grond van het meewerkcriterium zijn afgewezen. Indien er sprake is geweest van andere redenen om de aanvraag op grond van de Definitieve Regeling en die redenen zijn – voor zover er een rechtsmiddel is ingediend – door de rechter bevestigd, dan bestaat er geen aanleiding om tot een herbeoordeling over te gaan. Die afwijzingsgronden zijn voor het overige immers ongewijzigd gebleven. Wel is het denkbaar dat vreemdelingen in die gevallen een aanvraag indienen, bijvoorbeeld omdat zij uiterlijk op 29 januari 2019 voldoen aan de voorwaarde van vijf jaar verblijf op grond van een asielaanvraag en ook overigens voor de Afsluitingsregeling in aanmerking komen.

Voor de duidelijkheid wordt opgemerkt dat de contra-indicatie dat de vreemdeling in het bezit is van een verblijfsvergunning op andere wijze is ingevuld dan onder de Definitieve Regeling. De tijdelijke aard van de Afsluitingsregeling in aanmerking nemend is die contra-indicatie ingevuld door in essentie aan te sluiten bij de Overgangsregeling langdurig verblijvende kinderen (WBV 2013/1). Wel zijn de gronden om een verleende vergunning niet als contra-indicatie tegen te werpen, aangepast aan de gewijzigde beperkingen zoals die met de Wet Modern Migratiebeleid (Stb. 2010, 290, in werking getreden op 1 juni 2013) zijn ingevoerd. Er bestaat daarnaast geen aanleiding meer om een uitzondering te maken voor de asielvergunning op grond van het nationale categoriale beschermingsbeleid (artikel 29, onder d, Vw) die ten tijde van WBV 2013/1 nog aan vreemdelingen kon worden verleend. De mogelijkheid om op nationale gronden een dergelijke asielvergunning te verlenen is inmiddels immers afgeschaft.

Indienen aanvragen Afsluitingsregeling

Er wordt kortdurend de mogelijkheid geboden om aanvragen in te dienen op grond van de Afsluitingsregeling. Een termijn van twee weken wordt daartoe redelijk geacht, ook in het licht van de aandacht die er reeds voordien voor de discussie over het kinderpardon is geweest. Het wordt niet voorstelbaar geacht dat vreemdelingen, die op 29 januari 2019 in Nederland verbleven, niet in staat zouden zijn om binnen een termijn van twee weken een beroep te doen op de regeling door daartoe een schriftelijke aanvraag in te dienen. In de praktijk is ook al gebleken dat de Kamerbrief van 29 januari 2019 reeds in veel gevallen aanleiding heeft gegeven om aanvragen in te dienen of bij de IND te informeren over de mogelijkheden daartoe.

Verschil in karakter tussen herbeoordeling en nieuwe aanvragen

Vreemdelingen die nog niet eerder een aanvraag hebben ingediend op grond van de Definitieve Regeling, worden aan de hand van de gebruikelijke uitgangspunten beoordeeld. Dat wil zeggen dat aan de hand van de ingediende aanvraag wordt beoordeeld of er aanspraken op de regeling bestaan, met dien verstande dat de peildatum voor het voldoen aan de voorwaarden wordt vastgesteld op 29 januari 2019, voor zover in de voorwaarden niet uitdrukkelijk anders is bepaald.

De beoordeling van de contra-indicaties is in alle gevallen het moment van beoordeling door de IND, met dien verstande dat voor de beoordeling van contra-indicatie niet beschikbaar zijn voor vertrek wordt aangesloten bij de periode aan de hand die ook bij de voorwaarde onttrekken aan het Rijkstoezicht wordt beoordeeld.

Afschaffen Definitieve Regeling en Afsluitingsregeling

De Definitieve Regeling wordt afgeschaft. Reeds gelet op de terugwerkende kracht van de Afsluitingsregeling, die voor de vreemdeling gunstiger voorwaarden kent, is dat niet onevenredig bezwarend. Dat geldt te meer daar in de praktijk het kader om vreemdelingen een vergunning te verlenen in grote mate gelijkenissen kent met het kader voor vreemdelingen die buiten hun schuld Nederland niet kunnen verlaten (vgl Vc B8/4). Bovendien was reeds op 29 januari 2019 kenbaar dat de Definitieve Regeling zou worden afgeschaft.

De Afsluitingsregeling heeft naar zijn aard een tijdelijk karakter. De contra-indicatie niet beschikbaar zijn voor vertrek leent zich immers niet voor toepassing op langere termijn, omdat het te zeer afbreuk zou doen aan de op vreemdelingen rustende verplichting om te vertrekken. Het handhaven van deze Regeling verhoudt zich evenmin tot het uitgangspunt dat prikkels om de duur van het verblijf te verlengen worden weggenomen, zodat de nadruk juist komt te liggen op de verplichting Nederland te verlaten. Ook in dat verband ligt het voor de hand dat de Afsluitingsregeling gen permanent karakter heeft.

Beschikbaarheidscriterium

Verschil met de voorheen geldende definitieve regeling is dat niet langer als contra-indicatie geldt dat een vreemdeling niet heeft meegewerkt aan vertrek. In plaats daarvan geldt de contra-indicatie dat de vreemdeling zich niet beschikbaar heeft gehouden in het kader van vertrek. Deze contra-indicatie wordt beoordeeld aan de hand van het beschikbaar zijn voor de meldplicht en het voeren van vertrekgesprekken.

De contra-indicatie niet beschikbaar zijn voor vertrek is opgenomen om een balans te treffen in de verantwoordelijkheid voor het langdurig verblijf van de vreemdeling. Indien de vreemdeling zich in het kader van de meldplicht of vertrekgesprekken niet of onvoldoende beschikbaar heeft gehouden voor vertrek, dan bestaat er geen aanleiding om een verblijfsvergunning te verlenen.

De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, namens deze, A. van Dijk directeur-generaal Migratie