Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Sociale Zaken en WerkgelegenheidStaatscourant 2019, 31367Besluiten van algemene strekking

Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 29 mei 2019, 2019-0000074487, tot vaststelling van tijdelijke regels inzake het verstrekken van subsidie ten behoeve van projecten gericht op eerlijk, gezond en veilig werk (Tijdelijke subsidieregeling eerlijk, gezond en veilig werk 2019)

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

Gelet op de artikelen 3, eerste lid, en 5 van de Kaderwet SZW-subsidies;

Besluit:

Artikel 1. Definities

In deze regeling wordt verstaan onder:

a. aanvrager:

een werkgeversorganisatie, een werknemersorganisatie, al dan niet gezamenlijk, een Opleidings- en Ontwikkelingsfonds of een rechtspersoon zonder winstoogmerk die ingeschreven is in het handelsregister, genoemd in artikel 2 van de Handelsregisterwet 2007 en die namens een of meer sectoren dan wel een of meer branches een subsidie aanvraagt op grond van deze regeling;

b. branche:

een tak van een handel of nijverheid binnen een sector;

c. de-minimisverklaring:

verklaring als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van Verordening (EU) nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun (PbEU 2013, L352);

d. eerlijk werk:

werk dat wordt uitgevoerd in overeenstemming met de geldende sociale- en arbeidswetgeving en waarbij specifiek aandacht wordt besteed aan onderwerpen als het bevorderen van een gelijk speelveld op arbeidsvoorwaarden, de adequate naleving van cao’s, de invulling van goed werkgeverschap of opdrachtgeverschap;

e. gezond en veilig werk:

werk dat wordt uitgevoerd in overeenstemming met de geldende sociale- en arbeidswetgeving en waarbij specifiek aandacht wordt besteed aan onderwerpen als fatsoenlijke arbeids- en rusttijden, goede arbozorg en organisatie van de arbeid, de juiste inrichting van arbeidsplaatsen, het veilig werken met gevaarlijke stoffen, het voorkomen van fysieke belasting, het vermijden van schade aan de gezondheid door fysische factoren, veilige arbeidsmiddelen en doeltreffende veiligheids- en gezondheidssignalering;

f. kaderregeling:

Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS;

g. minister:

Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;

h. Opleidings- en Ontwikkelingsfonds:

een opleidings- en ontwikkelingsfonds, opgericht bij een bij de minister aangemelde collectieve arbeidsovereenkomst;

i. persoonsgegevens:

persoonsgegevens als bedoeld in artikel 4 van de Algemene verordening gegevensbescherming;

j. project:

de uitvoering van een activiteitenplan;

k. projectperiode:

periode gelegen tussen de datum waarop de subsidie is verleend en de datum waarop het project uiterlijk moet zijn afgerond;

l. sector:

een sector als bedoeld in artikel 1.1 van de Regeling cofinanciering sectorplannen;

m. werkgeversorganisatie:

vereniging met volledige rechtsbevoegdheid van werkgevers, die krachtens haar statuten de belangbehartiging van werkgevers beoogt en die ten tijde van de subsidieaanvraag ten minste twee jaar bestaat;

n. werknemersorganisatie:

vereniging met volledige rechtsbevoegdheid van werknemers, die krachtens haar statuten de belangbehartiging van werknemers beoogt en die ten tijde van de subsidieaanvraag ten minste twee jaar bestaat.

Artikel 2. Toepasselijkheid Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS

Op deze regeling is de kaderregeling van toepassing voor zover daar in deze regeling niet van wordt afgeweken.

Artikel 3. Doelen van de regeling

  • 1. Doel van deze regeling is om met financiële ondersteuning projecten mogelijk te maken die zijn gericht op:

    • a. activiteiten die door middel van preventie bijdragen aan eerlijk, gezond of veilig werk; of

    • b. het vergroten van bewustwording of kennis over eerlijk, gezond of veilig werk;

  • 2. Met het project wordt een aanpak ontwikkeld en uitgevoerd die ook nog na afloop van het project toepasbaar is, die naar verwachting een structureel positief effect zal hebben en die in potentie breder inzetbaar is.

Artikel 4. Subsidiabele activiteiten

  • 1. De subsidie kan onder meer aan de aanvrager worden verstrekt in verband met de uitvoering van een van de volgende projecten op het terrein van eerlijk, gezond of veilig werk:

    • a. een onderzoek waarvan de resultaten door de aanvrager of derden worden toegepast;

    • b. een pilot waarin innovatieve instrumenten, methoden of werkwijzen worden ontwikkeld en getest;

    • c. een communicatie- of voorlichtingsactiviteit; of

    • d. een training aan groepen.

  • 2. Het project start uiterlijk twee maanden na het verlenen van de subsidiebeschikking.

Artikel 5. Aanvraagtijdvak en subsidieaanvraag

  • 1. De subsidieaanvraag wordt ingediend in het tijdvak van 17 juni 2019, 9.00 uur tot en met 31 juli 2019, 17.00 uur.

  • 2. Aanvragen worden ingediend bij de Directie Uitvoering van Beleid door middel van een door de minister elektronisch beschikbaar gesteld aanvraagformulier.

  • 3. Door het indienen van een aanvraag stemt de aanvrager er mee in dat het subsidiedossier, met uitzondering van persoonsgegevens, openbaar wordt gemaakt.

Artikel 6. Subsidieplafond, projectperiode en wijze van verdeling

  • 1. Het subsidieplafond bedraagt € 600.000.

  • 2. Het aangevraagde subsidiebedrag bedraagt tussen de € 25.000 en € 100.000 per aanvraag.

  • 3. Een aanvrager kan meerdere aanvragen indienen op voorwaarde dat het totaal aan verleende subsidie maximaal € 100.000 bedraagt per aanvrager.

  • 4. De subsidieverlening geschiedt op basis van cofinanciering en de subsidie bedraagt maximaal 50 procent van de subsidiabele kosten, maar ten hoogste het in de beschikking tot subsidieverlening vermelde maximumbedrag.

  • 5. In afwijking van het vierde lid bedraagt de subsidie maximaal 80 procent van de subsidiabele kosten, maar ten hoogste € 100.000, indien het project zowel is gericht op gezond en veilig werk als op eerlijk werk.

  • 6. De projectperiode bedraagt maximaal 18 aaneengesloten maanden.

  • 7. De minister verdeelt het beschikbare bedrag op volgorde van binnenkomst van de aanvragen, waarbij alleen een volledige subsidieaanvraag in behandeling wordt genomen.

  • 8. Een subsidieaanvraag is volledig als het aanvraagformulier volledig is ingevuld, is ondertekend door een tekenbevoegde persoon van de aanvrager en de gevraagde documenten zijn bijgevoegd.

Artikel 7. Specifieke eisen aan de subsidieaanvraag

  • 1. Onverminderd artikel 3.4 van de kaderregeling wordt in het activiteitenplan door de aanvrager aangegeven:

    • a. op welke wijze de activiteiten bijdragen aan een of meer van de in artikel 3 omschreven doelen;

    • b. op welke wijze blijkt dat het project geen commercieel belang dient en geen winstoogmerk heeft;

    • c. waarom subsidiëring in de gevraagde omvang noodzakelijk is; en

    • d. op welke wijze het project na de projectperiode naar verwachting een structureel positief effect zal hebben en in potentie breder inzetbaar is.

  • 2. De aanvrager werkt mee met de evaluatie van het project door de minister en het kosteloos beschikbaar stellen aan derden van producten waarvoor subsidie is verleend.

Artikel 8. Specifieke weigeringsgronden

De subsidieverlening wordt in ieder geval geweigerd indien:

  • a. de subsidieaanvraag niet voldoet aan de krachtens deze regeling gestelde eisen;

  • b. de beoogde activiteiten en resultaten onvoldoende meetbaar zijn geformuleerd;

  • c. de haalbaarheid van het project onvoldoende aannemelijk is gemaakt;

  • d. de toepasbaarheid van de aanpak na de projectperiode, overeenkomstig artikel 3, tweede lid, onvoldoende aannemelijk gemaakt is;

  • e. de kosten van het project niet in redelijke verhouding staan tot de beoogde resultaten;

  • f. op grond van deze of een andere subsidieregeling voor het project of een vergelijkbaar project al subsidie is verstrekt;

  • g. sprake is van staatssteun en geen de-minimisverklaring kan worden afgegeven; of

  • h. de subsidieaanvraag tot gevolg heeft dat het van toepassing zijnde maximaal beschikbare bedrag, bedoeld in artikel 6, eerste lid, wordt overschreden.

Artikel 9. Niet subsidiabele kosten

  • 1. Niet voor subsidie komen in aanmerking:

    • a. onredelijk gemaakte kosten ter uitvoering van het project;

    • b. kosten die naar het oordeel van de minister niet in redelijke verhouding staan tot de te verrichten activiteiten;

    • c. kosten voor overhead en aan overhead gerelateerde exploitatiekosten;

    • d. kosten gemaakt buiten de projectperiode;

    • e. kosten die in aanmerking komen voor andere financiering van overheidswege;

    • f. kosten die voortvloeien uit wettelijk verplichte taken;

    • g. kosten voor het opstellen, wijzigen of implementeren van een arbocatalogus.

  • 2. Onder kosten voor overhead en aan overhead gerelateerde exploitatiekosten worden verstaan alle niet directe kosten voor de directe uitvoering van het project.

Artikel 10. Intrekking of wijziging subsidie

Onverminderd artikel 4:48 van de Algemene wet bestuursrecht kan de beschikking tot subsidieverlening geheel worden ingetrokken, of ten nadele van de subsidieontvanger worden gewijzigd, indien binnen twee maanden na het verlenen van de subsidiebeschikking geen aanvang is gemaakt met de uitvoering van de activiteiten in het projectplan.

Artikel 11. Evaluatie regeling

De minister draagt zorg voor de evaluatie van de doeltreffendheid en doelmatigheid van de regeling.

Artikel 12. Eindrapportage

  • 1. De subsidieontvanger draagt zorg voor een eindrapportage over de uitvoering van het project op grond van deze regeling.

  • 2. De eindrapportage wordt gelijktijdig met de aanvraag tot subsidievaststelling aangeboden.

  • 3. De eindrapportage omvat in ieder geval:

    • a. een beschrijving van de activiteiten die de subsidieontvanger heeft verricht in het kader van het project waarvoor subsidie is verleend;

    • b. hoe de activiteiten na afloop van het project worden toegepast en breder zijn ingezet; en

    • c. tot welke positieve structurele resultaten de activiteiten gaan leiden.

  • 3. De eindrapportage wordt door de minister openbaar gemaakt, met uitzondering van persoonsgegevens.

Artikel 13. Inwerkingtreding en vervaldatum

  • 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst, en vervalt drie jaar na de inwerkingtreding.

  • 2. Deze regeling blijft van toepassing op tijdig aangevraagde en toegekende subsidieaanvragen.

Artikel 14. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Tijdelijke subsidieregeling eerlijk, gezond en veilig werk 2019.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag, 29 mei 2019

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, W. Koolmees

TOELICHTING

Algemeen

1. Achtergrond van subsidieregeling

In het Regeerakkoord (Kamerstukken II 2017/18, 34 700, nr. 34) is afgesproken dat het werken aan betere naleving van de regels over het wettelijk minimumloon, voorkoming van schijnconstructies, betere arbeidsomstandigheden en voorkoming van uitbuiting geïntensiveerd wordt. De focus richt zich daarbij op het versterken van de handhavingsketen om een zo groot maatschappelijk effect te bereiken. Naast de uitbreiding van capaciteit van de Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid (ISZW) wordt ingezet op preventie en bewustwording. Vanuit de middelen voor het Inspectie Control Framework (ICF), is onlangs het programma Eerlijk, Gezond en Veilig Werk gestart met als doel bij te dragen aan een betere naleving van de regels via preventie en bewustwording. Middels het programma wordt beoogd het eigen initiatief in sectoren, brancheorganisaties en bedrijven te bevorderen om vanuit goed werkgeverschap te werken aan eerlijk, gezond en veilig werk. Streven is daarnaast om met dit programma behalve bij werkgevers ook meer bewustwording te creëren bij en voor specifieke doelgroepen werkenden ten aanzien van de thema’s eerlijk, gezond en veilig werk. Gedacht kan worden aan doelgroepen als arbeidsmigranten, jongeren en flexwerkers.1

Niet eerder is via een programma bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna SZW) een gecombineerde inzet op de thema’s eerlijk werk én gezond en veilig werk gehanteerd. In het verleden zijn er reeds eerder programma’s geweest om gezond en veilig werk in branches, sectoren en bedrijven te stimuleren (bijvoorbeeld het programma Duurzame Inzetbaarheid2 en het Actieplan Arbeidsveiligheid 2010–20123). Met het onderhavige programma wil het ministerie bezien waar eerlijk werk en gezond en veilig werk elkaar raken en mogelijk ook kunnen versterken.

Het programma streeft er hierbij naar om een blijvende beweging in gang te zetten, zodat ook na afloop van het programma de thema’s eerlijk, gezond en veilig werk op de agenda blijven staan bij de partijen. Inzet en betrokkenheid van de sociale partners wordt gezien als een belangrijke randvoorwaarde om te komen tot een succesvolle aanpak.

2. Doel van de subsidieregeling

Het doel van de onderhavige subsidieregeling is in lijn met de inzet van het programma. De subsidieregeling wil met financiële ondersteuning projecten mogelijk maken die zijn gericht op preventieve activiteiten die bijdragen aan eerlijk, gezond of veilig werk en projecten die zien op het vergroten van kennis of bewustwording over eerlijk, gezond of veilig werk.

Aansluitend bij het doel van het programma geldt ook voor de subsidieregeling dat het wenselijk is om meer inzicht te krijgen in de effectiviteit van de projecten die worden opgezet door sectoren, branches en bedrijven. Daartoe worden subsidieaanvragers gevraagd hun medewerking te verlenen aan een evaluatie (voor- en nameting) in de vorm van interviews of enquête.

Het is voor het bereiken van de doelstelling van de subsidieregeling belangrijk dat de projecten naar verwachting een structureel effect hebben en in potentie breder inzetbaar zijn. Een belangrijke voorwaarde is daarom de betrokken partijen zich hieraan gecommitteerd hebben. Gelet hierop is de subsidieregeling gebaseerd op cofinanciering. In beginsel bedraagt de subsidie 50 procent van de subsidiabele kosten, maar ten hoogste het in de beschikking tot subsidieverlening vermelde maximumbedrag.

Om de gecombineerde inzet op de thema’s eerlijk werk én gezond en veilig werk extra te stimuleren zal het maximale percentage van subsidie hoger zijn, namelijk 80%, indien een project waarvoor een aanvraag op grond van deze regeling wordt gedaan zowel gericht is op het bevorderen van eerlijk werk als op gezond en veilig werk. De bijdrage van het Rijk is dan naar verhouding hoger dan wanneer een project alleen gericht is één van beide thema’s.

Om de uitwerking van initiatieven ter bevordering van eerlijk, gezond en veilig werk in sectoren en branches te stimuleren is in het jaar 2019 in totaal € 600.000 via een subsidieregeling aan subsidie beschikbaar.

3. Aard van de subsidiabele projecten

De subsidieregeling beoogt projecten die zijn gericht op het stimuleren van eerlijk, gezond en veilig werk financieel te ondersteunen door het verstrekken van subsidies. Door middel van die subsidies worden projecten gestimuleerd dan wel gefaciliteerd die op het gebied van gezond en veilig werk bijdragen aan verbetering van arbozorg, organisatie van de arbeid, de juiste inrichting van arbeidsplaatsen, het veilig werken met gevaarlijke stoffen, het voorkomen van fysieke belasting, het vermijden van schade aan de gezondheid door fysische factoren, veilige arbeidsmiddelen en doeltreffende veiligheids- en gezondheidssignalering.

Naast het versterken van gezond en veilig werk is er bij het programma Eerlijk, Gezond en Veilig Werk specifiek aandacht voor het bevorderen van eerlijk werk. Hierbij gaat het om onderwerpen als het bevorderen van een gelijk speelveld op arbeidsvoorwaarden, de adequate naleving van cao’s en de invulling van goed werkgeverschap c.q. goed opdrachtgeverschap.

De projecten kunnen zich richten op diverse activiteiten. In de regeling is in artikel 4 een niet limitatieve lijst opgenomen van mogelijke activiteiten. Hiermee wordt beoogd een indicatie te geven van het soort activiteiten die in aanmerking kunnen komen voor subsidie.

4. Staatssteun en een de-minimisverklaring

De EU wil gelijke concurrentievoorwaarden scheppen voor alle ondernemingen op de interne markt. Overheidssteun aan ondernemingen die de concurrentie binnen de Europese Unie negatief beïnvloedt, is in beginsel verboden. Gelet hierop is het van belang om uit te sluiten dat met deze subsidieregeling een subsidie wordt verstrekt die moet worden aangemerkt als staatssteun als bedoeld in artikel 107, eerste lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Om die reden wordt elke subsidieaanvraag op grond van deze regeling getoetst op de vraag of subsidieverlening leidt tot negatieve beïnvloeding van de concurrentie binnen de Europese Unie en er sprake is van staatsteun.

Staatssteun

Om te bepalen of subsidieverstrekking op grond van deze regeling moet worden aangemerkt als staatssteun, wordt per aanvraag een aantal vragen beantwoord aan de hand van het activiteitenplan dat is ingediend.

Allereerst wordt bekeken of de begunstigde een ’onderneming’ is en of de te subsidiëren activiteiten ‘economische activiteiten’ zijn (goederen of diensten die worden aangeboden op een markt waarop concurrentie is). Dat betekent dat ook een stichting een onderneming kan zijn in de zin van de staatssteunregels. Verder wordt bekeken of de regeling de onderneming een economisch voordeel oplevert. Het gaat dan om een voordeel dat de betrokken onderneming zonder de subsidieregeling, dus onder normale marktomstandigheden, niet had verkregen. Daarnaast is van belang of de subsidieverstrekking selectief is (niet iedereen kan voor de subsidie in aanmerking komen) en of de subsidieverstrekking leidt tot (potentiële) vervalsing van de mededinging en een ongunstige beïnvloeding van het handelsverkeer tussen lidstaten. Indien al deze vragen allemaal bevestigend beantwoord worden, is er sprake van staatssteun.

Geoorloofde staatssteun op grond van de de-minimisverordening

Indien is er sprake is van staatssteun, betekent dit echter nog niet dat er geen subsidie kan worden verleend. Er kan alsnog een subsidie worden verleend indien door de aanvragende onderneming een de-minimisverklaring wordt ondertekend. De aanvrager verklaart daarin over een periode van drie belastingjaren niet meer dan 200.000 euro aan steun te hebben ontvangen. Daarbij moeten alle subsidies bij elkaar moeten worden opgeteld, ook als deze door een andere overheidsinstantie en met een ander doel zijn verstrekt. De Europese Commissie heeft destijds hiertoe besloten omdat dergelijke steunverlening hoogstens marginale invloed zal hebben op verstoring van de mededinging.

Wanneer er sprake is van staatssteun en er geen de-minimisverklaring kan worden afgegeven, wordt de subsidieaanvraag afgewezen.

Uitvoering

De regeling wordt namens de minister uitgevoerd door de directie Uitvoering van Beleid omdat de directie Uitvoering van Beleid over bepaalde expertise beschikt die nodig is om bepaalde aspecten van de subsidieaanvraag te beoordelen.

De uitvoeringslasten zijn geschat op circa € 50.000,–.

Artikelsgewijs

Artikel 1. Begripsbepalingen

Onderdeel a, b en l (aanvrager, branche, sector)

De eis dat er sprake moet zijn van een rechtspersoon ‘zonder winstoogmerk’ wanneer de aanvraag niet wordt ingediend door een werkgeverorganisatie, een werknemersorganisatie of een O&O fonds, is opgenomen omdat het niet wenselijk wordt geacht dat bijvoorbeeld commerciële adviesbureaus een aanvraag namens één of meer sectoren of één of meer branches zouden kunnen doen.

Het begrip ‘sector’ is in de Regeling cofinanciering sectorplannen uitgewerkt door in een bijlage 21 sectoren te omschrijven. Dat is een zeer uitgebreide opsomming, daarom wordt hier naar die regeling verwezen.

Onderdeel c (de-minimisverklaring)

Het doel en de noodzaak van een de-minimisverklaring is toegelicht in paragraaf 4 van het algemeen deel van de toelichting.

Onderdeel h (Opleidings- en Ontwikkelingsfonds)

De definitie van dit begrip is eveneens ontleend aan artikel 1.1 van de Regeling cofinanciering sectorplannen.

Onderdeel j (project)

Het begrip ‘activiteitenplan’ wordt gebruikt in artikel 3.4 van de kaderregeling.

Onderdeel m en n (werkgeversorganisatie, werknemersorganisatie)

Met de eis dat de werkgevers- respectievelijk werknemersorganisatie al twee jaar moet bestaan ten tijde van de aanvraag wordt beoogd te voorkomen dat een organisatie uitsluitend wordt opgericht voor het verkrijgen van subsidie. Er is ten aanzien van deze begrippen voor gekozen om niet aan te sluiten de definities in artikel 1.1 van de Regeling cofinanciering sectorplannen omdat die als te beperkt wordt gezien omdat er dan sprake moet zijn (geweest) van een collectieve arbeidsovereenkomst.

Artikel 2. Toepasselijkheid kaderregeling

De kaderregeling is van toepassing op het aanvragen en verstrekken van subsidies op grond van de subsidieregeling. In de kaderregeling zijn algemene regels opgenomen over onder andere de verplichtingen van de subsidieontvanger en de wijze van verlening en vaststelling van de subsidie. De artikelen 3.1 en 7.1 zijn niet van toepassing, omdat een apart aanvraagformulier beschikbaar gesteld wordt voor deze subsidieregeling.

De subsidieregeling bevat verder uitsluitend regels voor zover de kaderregeling een keuzemogelijkheid geeft. Zo is bijvoorbeeld in artikel 3.3 van de kaderregeling bepaald dat een aanvraag voor subsidieverlening bestaat uit een activiteitenplan en een begroting, tenzij de minister geen behoefte heeft aan een activiteitenplan of de begroting naar het oordeel van de minister niet van belang is. Bij de onderhavige subsidieregeling wordt wél een activiteitenplan en een begroting gevraagd.

Artikel 5.5 van de kaderregeling biedt de mogelijkheid om wanneer een subsidie voor meer dan 12 maanden wordt verleend, eenmaal per 12 maanden verslag te doen van de activiteiten van de voortgang. De projectperiode in deze regeling is maximaal 18 maanden, maar van de bevoegdheid om na 12 maanden een verslag te verlangen, wordt in deze regeling geen gebruik gemaakt.

Artikel 3. Doel van de regeling

De regeling maakt het mogelijk om subsidie te verstrekken aan projecten die eerlijk, gezond en veilig werk stimuleren.

Op basis van de onderhavige subsidieregeling kan geen subsidie worden verkregen voor projecten die eerder in aanmerking kwamen voor subsidie (zie ook artikel 8, onderdeel f). Het is evenmin de bedoeling dat subsidie wordt verkregen voor het uitvoeren van activiteiten die al een wettelijke verplichting zijn van de subsidieaanvrager of van degenen ten behoeve van wie de activiteiten worden ontplooid, zoals werkgevers (zie ook artikel 9, onderdeel f).

Daarbij is tevens vereist dat een aanpak wordt ontwikkeld en uitgevoerd die ook nog toegepast kan worden wanneer er geen subsidie meer wordt verstrekt. Het project moet naar verwachting ook een blijvend positief effect hebben en ook voor en door anderen dan de aanvrager van de subsidie gehanteerd kunnen worden. De subsidie is niet alleen bedoeld voor de ontwikkeling van een aanpak, maar ook voor de uitvoering ervan. Wanneer bijvoorbeeld subsidie wordt verleend voor een training, is het ontwikkelen van het trainingsprogramma enkel en alleen subsidiabel als de training daadwerkelijk gegeven wordt en er dus sprake is van uitvoering.

Artikel 4. Subsidiabele activiteiten

In het eerste lid is een niet-limitatieve lijst opgenomen van de activiteiten die gesubsidieerd kunnen worden. Op grond van artikel 3.3 van de kaderregeling moet een activiteitenplan en een begroting worden opgesteld en moeten deze documenten worden ingediend bij de aanvraag.

Onderdeel a

Het is wenselijk dat wanneer subsidie wordt gevraagd voor het verrichten van een onderzoek de resultaten van dat onderzoek toegepast kunnen worden door de aanvrager of een derde, zoals andere werkgevers in de branches of andere sectoren en branches, waardoor dit onderzoek kan bijdragen aan de doelen van deze regeling. Voor het uitsluitend verrichten van een onderzoek wordt geen subsidie verleend.

Onderdeel b

Met de eis dat er sprake moet zijn van een innovatief instrument, methode, werkwijze wordt beoogd dat te waarborgen dat er sprake is van een vernieuwend project.

Onderdeel c

Onder ‘communicatie- en voorlichtingsactiviteiten’ wordt bijvoorbeeld (interactieve) bijeenkomsten en workshops verstaan. Op grond van artikel 8 van de Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet) heeft een werkgever de plicht om zijn werknemers voorlichting en onderricht te geven. Om aanmerking te kunnen komen voor subsidie moet er sprake zijn communicatie- en voorlichtingsactiviteiten die meer of iets anders inhouden dan het voldoen aan een wettelijke verplichting door de werkgever.

Onderdeel d

Een werkgever heeft op grond van artikel 8 van de Arbowet de plicht om zijn werknemers voorlichting en onderricht te geven. Om aanmerking te kunnen komen voor subsidie moet er sprake zijn van training die meer of iets anders inhoudt dan het voldoen aan een wettelijke verplichting door de werkgever. Het is ook niet wenselijk dat een groot subsidiebedrag wordt gebruikt voor de training van één individu, daarom is toegevoegd dat het moet gaat om een training aan groepen.

Tweede lid

Dit lid regelt wanneer uiterlijk met het project gestart moet worden. Dat is van belang om te voorkomen dat de aanvrager de start van het project uitstelt en dat er onvoldoende voortgang wordt geboekt. Het project mag geen langere looptijd hebben dan achttien maanden. Dat laatste volgt uit artikel 6, zesde lid.

Artikel 5. Aanvraagtijdvak- en subsidieaanvraag

Eerste lid

Een subsidieaanvraag op grond van deze regeling kan worden ingediend in de periode van 17 juni 2019, 9.00 uur tot en met 31 juli 2019, 17.00 uur. Op grond van artikel 3.2, tweede lid, van de kaderregeling kan geen subsidie worden aangevraagd voor projecten die al gestart zijn voor het begin van het aanvraagtijdvak.

Tweede lid

De subsidieaanvraag moet op grond van het tweede lid via een elektronisch aanvraagformulier ingediend worden, dat te vinden is op de website van directie Uitvoering van Beleid van het Ministerie van SZW, te weten: www.uitvoeringvanbeleidszw.nl. Dit formulier bevat onder andere een format voor het opstellen van het activiteitenplan en de begroting. Daarnaast bestaat op dit formulier ruimte om in te gaan op de informatie die op grond van artikel 7 vereist is. Dit artikellid geldt in plaats van artikel 3.1 van de kaderregeling waarin staat dat een door de minister vastgesteld modelformulier wordt gebruikt dat bekend is gemaakt op de website.rijksoverheid.nl.

Derde lid

Aangezien een bedrag van € 600.000,– beschikbaar wordt gesteld dat uit publieke middelen moet worden opgebracht, is transparantie over de besteding van deze middelen van groot belang. Daarom wil de minister informatie en documenten uit het subsidiedossier openbaar kunnen maken. Daar stemt de aanvrager door het indienen van de aanvraag mee in. Hiermee wordt voorts voorkomen dat bij een eventueel verzoek in het kader van de Wet openbaarheid van bestuur veel administratieve lasten ontstaan, nu niet eerst een zienswijze van de aanvrager behoeft te worden gevraagd.

Artikel 6. Subsidieplafond, projectperiode en wijze van verdeling

Eerste lid

Het bedrag dat ten hoogste beschikbaar wordt gesteld voor de verstrekking van subsidies krachtens deze regeling, bedraagt € 600.000,–. In artikel 2.2 van de kaderregeling is aangegeven op welke wijze het beschikbare subsidiebedrag kan worden verdeeld. In deze regeling is gekozen voor een verdeling op volgorde van binnenkomst (zie het zevende lid). In dat geval is ook artikel 2.3 van de kaderregeling relevant waarin is geregeld hoe de verdeling wordt uitgewerkt, rekening houdend met het subsidieplafond.

Tweede lid

In de kaderregeling wordt voor de toepasselijkheid van de verschillende regels onderscheid gemaakt naar gelang de hoogte van het subsidiebedrag en de vraag of de te subsidiëren activiteiten uit meetbare of niet-meetbare prestatie-eenheden bestaan. Het tweede lid geeft aan dat de regeling subsidie biedt voor ten minste € 25.000 en ten hoogst € 100.000. De prestatie-eenheden zijn niet-meetbaar. Het gaat in de onderhavige regeling dus om een subsidie als bedoeld in artikel 1.5, onderdeel c, van de kaderregeling.

Derde lid

Een subsidieaanvrager mag dus bijvoorbeeld twee verschillende aanvragen van ieder € 50.000 indienen (in totaal € 100.000).

Vierde en vijfde lid

Zoals in het algemeen deel van de toelichting is aangegeven wordt de inzet en betrokkenheid van de betrokken partners bij de initiatieven gezien als een belangrijke randvoorwaarde om te komen tot een succesvolle aanpak. Daarom is deze subsidieregeling gestoeld op het principe van cofinanciering.

Wanneer het project bijdraagt aan gezond en veilig werk óf bijdraagt aan eerlijk werk is, wordt op basis van het vierde lid uitgegaan van een subsidiepercentage van maximaal 50%. Wanneer een project tegelijkertijd zowel bijdraagt aan gezond en veilig werk als aan eerlijk werk bijdraagt, is de subsidie op basis van het vijfde lid hoger, namelijk maximaal 80%.

Zesde lid

Op grond van artikel 5.5 van de kaderregeling kan de minister bij een subsidie die voor meer dan 12 maanden wordt verleend verlangen dat de subsidieontvanger eenmaal per 12 maanden verslag doet van de voortgang van de gesubsidieerde activiteiten. Van die bevoegdheid wordt in deze regeling geen gebruik gemaakt.

Achtste lid

Een volledige subsidieaanvraag betekent concreet dat bij de subsidieaanvraag een activiteitenplan en begroting worden aangeleverd welke voldoen aan de eisen genoemd in de artikelen 3.4 en 3.5 van de kaderregeling en artikel 7 van de subsidieregeling. Degene die een onvolledige subsidieaanvraag heeft ingediend, wordt in de gelegenheid gesteld om deze binnen twee weken aan te vullen. Ook in dat geval geldt als de tijdstip van binnenkomst het tijdstip van de ontvangst van de volledige subsidieaanvraag. Aangevulde (volledige) subsidieaanvragen zullen niet meer in behandeling worden genomen wanneer het subsidieplafond al is bereikt.

Het is dus in het belang van de aanvrager om een onvolledige aanvraag zo snel mogelijk aan te vullen. Daarna wordt beoordeeld of het in de subsidieaanvraag voorgestelde project voldoet aan de inhoudelijke beoordelingscriteria.

Artikel 7. Specifieke eisen aan de subsidieaanvraag

Artikel 3.3 van de kaderregeling schrijft voor dat de subsidieaanvraag bestaat uit een activiteitenplan en een begroting, tenzij de minister daaraan geen behoefte heeft. Het activiteitenplan geeft een overzicht van de voorgenomen activiteiten. In het activiteitenplan worden aard, omvang, duur en uitvoering van die activiteiten beschreven. Daarbij wordt tevens aangegeven welke doelstellingen, resultaten of producten de aanvrager met de activiteiten nastreeft. De begroting behelst per activiteit een overzicht van de geraamde kosten en opbrengsten van de aanvrager, waarbij iedere begrotingspost wordt toegelicht en vereist wordt dat de begroting sluitend is.

Om te kunnen beoordelen of de aanvrager in aanmerking komt voor subsidie op grond van deze subsidieregeling is nadere informatie nodig. Daarom is in het onderhavige artikel opgenomen welke informatie, in aanvulling op de eisen in artikel 3.4 van de kaderregeling, in het activiteitenplan moeten zijn opgenomen.

De subsidieaanvraag moet het mogelijk maken een oordeel te vormen over de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd en door wie ze zullen worden uitgevoerd.

Onderdeel a

Van essentieel belang is dat de subsidieaanvraag aansluit bij de doelen van de subsidieregeling. Door de eis dat de activiteiten bijdragen aan deze doelen wordt deze aansluiting gewaarborgd.

Onderdeel b

De reden dat geëist wordt dat de projecten geen commercieel belang en geen winstoogmerk mogen hebben is dat de overheid geen financiële ondersteuning wil geven aan commerciële activiteiten. Producten en diensten die door de subsidie worden gerealiseerd worden gratis vrij beschikbaar gesteld aan de doelgroep. Met andere woorden: de doelgroep dient zowel tijdens de projectperiode als in de periode daarna gratis gebruik te kunnen maken van de ontwikkelde instrumenten, methodieken of werkwijzen. Eventuele kosten (van welke aard dan ook) na de projectperiode moeten dus gefinancierd worden uit andere bronnen. Dit volgt ook uit artikel 9, eerste lid, onderdeel d.

Onderdeel c

In verband met de verantwoording van de doelmatige besteding van overheidsgeld moet de gevraagde omvang van het subsidie door de aanvrager onderbouwd of aannemelijk gemaakt worden.

Onderdeel d

Omdat op grond van artikel 3, tweede lid, van de regeling wordt vereist dat met het project een aanpak ontwikkeld en uitgevoerd welke ook na afloop van het project toepasbaar is, naar verwachting structureel positief effect zal hebben en in potentie breder inzetbaar is, wordt gevraagd aan te geven hoe dat gerealiseerd kan worden.

Tweede lid

Het is wenselijk dat de aanvrager in het kader van de evaluatie ook meewerkt aan een nul- en eindmeting. Met dit lid wordt tevens beoogd dat ook anderen kennis kunnen nemen van het instrument, de methode of de werkwijze.

In de artikelen 5.8 en 5.9 van de kaderregeling zijn ook al bepalingen opgenomen over publicaties en intellectuele eigendom in verband met de gesubsidieerde activiteiten. Soms is het eenvoudig om de kennis over een bepaald instrument met anderen te delen, denk bijvoorbeeld aan een gedragscode. Voorkomen moet worden dat de subsidie wordt gebruikt om een instrument, methode of werkwijze te ontwikkelen die vervolgens wordt verkocht aan anderen. Het eventueel ontwikkelde cursusmateriaal moet dus gratis aan derden beschikbaar worden gesteld. Maar dat geldt niet voor het geven van trainingen op basis van dat cursusmateriaal.

Artikel 8. Specifieke weigeringsgronden

Op grond van artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht kan een subsidie in ieder geval worden geweigerd indien een gegronde reden bestaat om aan te nemen dat de activiteiten niet zullen plaatsvinden, de aanvrager niet zal voldoen aan de subsidievoorwaarden of de aanvrager niet op behoorlijke wijze rekening en verantwoording zal afleggen. Daarnaast kan de subsidie worden geweigerd indien de aanvrager onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en die verstrekking tot een onjuiste beschikking zou hebben geleid of indien de aanvrager failliet is verklaard of aan hem surseance van betaling is verleend.

Naast deze algemene weigeringsgronden kan de subsidie worden geweigerd indien de subsidieaanvraag niet voldoet aan de in de subsidieregeling gestelde eisen (onderdeel a). Concreet betekent dit bijvoorbeeld dat de subsidie wordt afgewezen indien het aangevraagde subsidiebedrag lager is dan € 25.000 (artikel 6, tweede lid).

De onderdelen b tot en met d hangen samen met enkele van de beoordelingscriteria. Deze onderdelen raken de kern van de doelen van de regeling en zijn derhalve als specifieke weigeringsgrond opgenomen.

De onderdeel e ziet op de verhouding tussen kosten en resultaten. Wanneer die verhouding niet redelijk is wordt de aanvraag geweigerd. Op basis van artikel 9, eerste lid, onderdeel b, wordt ook gekeken naar de kosten in verhouding tot de activiteiten. Wanneer die verhouding niet redelijk is, wordt de aanvraag niet geweigerd, maar komen die kosten niet voor subsidie in aanmerking.

Wanneer op grond van de onderhavige subsidieregeling al subsidie is verstrekt voor een soortgelijk of vergelijkbaar project wordt de aanvraag op grond van onderdeel f geweigerd, om te voorkomen dat bijvoorbeeld subsidieaanvragen van één aanvrager met vrijwel identieke plannen of subsidieaanvragers met dezelfde plannen allemaal moeten worden toegewezen. Wanneer subsidie voor al die aanvragen moet worden toegekend, is de meerwaarde erg laag. Tevens worden aanvragen geweigerd voor activiteiten waarvoor eerder subsidie is verstrekt op grond van een andere subsidieregeling.

Onderdeel g is toegelicht in paragraaf 4 van het algemeen deel van de toelichting.

Artikel 9. Niet-subsidiabele kosten

In dit artikel zijn de kosten opgenomen die niet voor subsidie in aanmerking komen. Onredelijk gemaakte kosten (onderdeel a) en kosten die naar het oordeel van de minister qua prijsniveau niet in redelijke verhouding staan tot de te verrichten activiteiten (onderdeel b), komen niet voor subsidie in aanmerking. De kosten moeten marktconform zijn. Om aan te tonen dat de kosten marktconform zijn, kan de aanvrager aansluiten bij zijn inkoopproces en gelden de algemene regels omtrent het aantonen van marktconformiteit.

Omdat het als onwenselijk wordt beschouwd om de staande bedrijfsvoering van de aanvrager te subsidiëren, zijn de kosten voor overhead en aan overhead gerelateerde exploitatiekosten zijn niet-subsidiabel (onderdeel c). Dit geldt ook voor de kosten die zijn gemaakt buiten de project periode (onderdeel d). Dat wil zeggen, kosten die gemaakt zijn vóórdat de subsidieaanvraag is ingediend of kosten die ná de uiterlijke afloopdatum van het project zijn gemaakt.

De kosten die voor andere financiering van overheidswege in aanmerking komen worden niet gesubsidieerd (onderdeel e).

Ook worden de kosten die voortvloeien uit wettelijk verplichte taken niet gefinancierd (onderdeel f). Hierbij kan gedacht worden aan verplichtingen voor de werkgever voortvloeiend uit het arbeidsomstandighedenrecht, zoals kosten voor de aanschaf of huur van (veilige) arbeidsmiddelen, fysieke aanpassingen binnen de onderneming gericht op het verhogen van arbeidsveiligheid; het opstellen, dan wel het verbeteren van een risico-inventarisatie en -evaluatie.

Onderdeel g is opgenomen omdat er eerder een subsidieregeling heeft bestaan voor de totstandkoming van arbocatalogi, maar het niet wenselijk wordt geacht daarvoor opnieuw subsidie te verstrekken. Wat onder een arbocatalogus wordt verstaan is gedefinieerd in de Beleidsregel arbocatalogi 2019.

Artikel 10. Intrekking subsidie

De projectperiode bedraagt maximaal 18 aaneengesloten maanden. Het is dan ook van belang dat subsidieontvangers na ontvangst van de verleningsbeschikking voortvarend starten met de uitvoering van het project. Indien blijkt dat zij binnen twee maanden na de start van de projectperiode nog niet zijn gestart met de uitvoering van het project, dan kan dat (verstrekkende) gevolgen hebben voor de verleende subsidie.

Artikel 11. Evaluatie van de regeling

De minister zal mede op basis van de eindrapportages van de subsidieontvangers de doeltreffendheid en doelmatigheid van deze subsidieregeling evalueren. De subsidieontvangers zijn op grond van artikel 7, tweede lid, gehouden om mee te werken aan de evaluatie door de minister. Zoals in het algemeen deel is aangegeven zal het daarbij gaan om een voor- of nameting in de vorm van interviews of enquêtes. De eindrapportage wordt door de minister openbaar gemaakt, met uitzondering van persoonsgegegevens.

Artikel 12. Eindrapportage

In de kaderregeling is in hoofdstuk 7 uitgewerkt op welke wijze verantwoording moet worden afgelegd in verband met de ontvangen subsidie. Voor de onderhavige regeling zijn met name de artikelen 1.5, onderdeel c, onder 2° en 7.7 van de kaderregeling relevant.

Artikel 13. Inwerkingtreding en vervaldatum

Deze regeling treedt in werking op de eerste dag na de publicatie ervan in de Staatscourant. Hiermee wordt afgeweken van de vaste verandermomenten, omdat dit in het belang is van subsidieontvangers die het gesubsidieerde project daardoor eerder in gang kunnen zetten.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, W. Koolmees


X Noot
1

Kamerstukken II 2018/19, 25 883, nr. 340, blz., 6.

X Noot
2

Kamerstukken II 2014/15, 25883, nr. 256.

X Noot
3

Kamerstukken II 2009/10, 25 883, nr. 162.