Regeling van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de Minister van Justitie en Veiligheid en de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 6 mei 2019, nummer 2535369, houdende wijziging van de Subsidieregeling AMIF en ISF 2014–2020

De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de Minister van Justitie en Veiligheid en de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

Gelet op de artikelen 3, eerste lid, 5 en 8, eerste lid, van de Kaderwet SZW-subsidies en de artikelen 48s en 48t van de Wet Justitie-subsidies;

Besluiten:

ARTIKEL I

De Subsidieregeling AMIF en ISF 2014–2020 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

1. De definitie van deelnemers komt te luiden:

personen uit de doelgroep die deelnemen aan activiteiten uit het project van de subsidieaanvrager en personen die rechtstreeks gekoppeld kunnen worden aan de uitvoering van een activiteit uit het project van de subsidieaanvrager.

2. De definitie van directe loonkosten komt te luiden:

loonkosten van personeel, waarbij sprake is van direct aan deelnemers van het project bestede uren, dan wel loonkosten welke direct aan deelnemers van het project bestede uren, dan wel loonkosten welke direct te relateren zijn aan de uitvoering van subsidiabele activiteiten als bedoeld in bijlagen A tot en met Hf.

B

Onder vervanging van de punt aan het slot van artikel 4, onderdeel k, door een puntkomma worden twee onderdelen toegevoegd, luidende:

  • l. Inreis- en uitreissysteem, nader uitgewerkt in bijlage He, behorende bij deze regeling.

  • m. Specifieke Maatregel Frontex uitrusting die ter beschikking wordt gesteld aan het Europese Grens en Kustwacht Agentschap, nader uitgewerkt in bijlage Hf, behorende bij deze regeling.

C

In artikel 6, derde lid, wordt 'artikel 4, onderdelen d tot en met h' vervangen door 'artikel 4, onderdelen d tot en met m' en 'bijlagen D tot en met H' vervangen door 'bijlagen D tot en met Hf'.

D

In artikel 7, zevende lid, wordt 'achttien weken' vervangen door 'tweeëntwintig weken'.

E

In artikel 7, achtste lid, wordt 'artikel 4, onderdelen d tot en met h' vervangen door 'artikel 4, onderdelen d tot en met m' en 'achttien weken' vervangen door 'tweeëntwintig weken'.

F

In artikel 9, derde lid, wordt 'de periode, de totale subsidiabele kosten, het maximumbedrag van de subsidie, alsmede – indien van toepassing – de doelgroep van het project' vervangen door 'de in artikel 10, tweede lid, van de Gedelegeerde Verordening (EU) Nr. 1042/2014 genoemde onderdelen'.

G

Artikel 14, tweede lid, komt te luiden:

  • 2. Na realisering van ten minste 50% van de subsidiabele kosten en indiening van een voortgangsrapportage en op basis van de meest recente begroting kan een aanvullend voorschot van maximaal 30% van het in de beschikking tot subsidieverlening opgenomen maximum subsidiebedrag worden verleend.

H

Artikel 15 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het zevende lid komt te luiden:

  • 7. De minister, de Europese Commissie of haar vertegenwoordigers en de Rekenkamer hebben de bevoegdheid om audits, op basis van documenten of ter plaatse, uit te voeren bij alle begunstigden, contractanten en subcontractanten die overeenkomstig de Horizontale verordening en de specifieke verordeningen middelen van de Europese Unie hebben ontvangen. Tevens verstrekken zij voornoemde instanties desgevraagd informatie over de projecten die voor monitoring en evaluatie gebruikt kunnen worden.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 8. Het Europees Bureau voor Fraudebestrijding kan onderzoeken uitvoeren, zoals controles en verificaties te plaatse, overeenkomstig de bepalingen en procedures in Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad, om vast te stellen of er sprake is van fraude, corruptie of andere onwettige activiteiten waardoor de financiële belangen van de Europese Unie zijn geschaad, in verband met een subsidieovereenkomst, subsidiebesluit of een overeenkomst, gefinancierd overeenkomstig de Horizontale verordening of de specifieke verordeningen.

I

Bijlage A, artikel A3, wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt '€ 9.379.708' vervangen door '€ 9.872.970'.

2. In het tweede lid wordt '€ 5.627.825' vervangen door '€ 5.923.782'.

J

In bijlage B, artikel B3, wordt '€ 8.557.969' vervangen door '€ 8.943.283'.

K

Bijlage C, artikel C3, wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt '€ 14.156.950' vervangen door '€ 14.744.982'.

2. In het tweede lid wordt '€ 7.078.475' vervangen door '€ 7.372.491'.

L

Bijlage C, artikel C7, derde lid, komt te luiden:

  • 3. Voor projecten die zich richten op de activiteiten, bedoeld in artikel C5, eerste lid, onder a, b en c, zijn de volgende maximale bedragen die rechtstreeks ten goede komen aan de terugkeerder, subsidiabel:

    • a. bij praktische ondersteuning van vreemdelingen, de gemaakte kosten voor de daadwerkelijke terugkeer, met uitzondering van kosten voor vreemdelingen die de nationaliteit bezitten van een lidstaat van de Europese Unie, een land die tot de Europese Economische Ruimte behoort, van Andorra, Liechtenstein, Monaco, San Marino of Vaticaanstad of een land dat tot de top 35 behoort van de hoogste inkomens per hoofd van de bevolking volgens de lijst van de Wereldbank;

    • b. bij ondersteuning van vreemdelingen voor wie de kosten van de daadwerkelijke terugkeer subsidiabel zijn, een financiële bijdrage voor levensonderhoud van maximaal € 200 per volwassene en alleenstaande minderjarige vreemdeling en € 40 per meereizend minderjarig kind, met dien verstande dat voor vreemdelingen met de nationaliteit van Algerije, Albanië, Bosnië-Herzegovina, Egypte, Georgië, Kosovo, Libanon, Noord-Macedonië, Marokko, Montenegro, Moldavië, Oekraïne, Rusland, Servië, Tunesië, Turkije en Wit Rusland deze vergoeding maximaal € 100 per volwassene en alleenstaande minderjarige vreemdeling en € 40 per meereizend minderjarig kind is;

    • c. bij herintegratieondersteuning van vreemdelingen waarvoor een visumplicht om naar Nederland te reizen geldt, die terugkeren naar het land van herkomst en die de nationaliteit hebben van een land dat op de lijst met OESO-DAC-landen staat vermeld, € 1.800 per volwassene en € 2.800 per minderjarig kind. Van dit bedrag mag maximaal € 300 in contanten aan de vreemdeling worden verstrekt. Vreemdelingen met de nationaliteit van Algerije, Egypte, Kosovo, Libanon, Marokko, Mongolië, Tunesië, Turkije, Rusland en Wit-Rusland zijn uitgesloten van deze ondersteuning.

M

Bijlage G, artikel G1, komt te luiden:

De subsidie wordt aangevraagd door de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid, met uitzondering van de subsidie voor de activiteiten, bedoeld in artikel G4, onderdeel c, die wordt aangevraagd door het Directoraat-Generaal Politie en Veiligheidsregio’s van het Ministerie van Justitie en Veiligheid.

N

Bijlage H, artikel H1, komt te luiden:

De subsidie wordt aangevraagd door het Ministerie van Buitenlandse Zaken, het Ministerie van Justitie en Veiligheid, de Immigratie- en Naturalisatiedienst, de Koninklijke Marechaussee of de Kustwacht.

O

Bijlage H, artikel H2, komt te luiden:

Subsidieaanvragen met betrekking tot een project in het kader van deze bijlage worden door de minister ontvangen tot en met 31 december 2020, 17:00 uur.

P

Bijlage H, artikel H3, komt te luiden:

Het maximaal beschikbare bedrag voor het verlenen van subsidie bedraagt voor het aanvraagtijdvak genoemd in artikel H2 € 30.388.515, waarbij maximaal € 9.276.917 beschikbaar wordt gesteld voor subsidies voor de activiteit, bedoeld in artikel H5, onderdeel f.

Q

Bijlage H, artikel H7, vervalt.

R

Na Bijlage Hd worden twee bijlagen ingevoegd, die luiden als aangegeven in de bijlagen 1 en 2 bij deze regeling.

ARTIKEL II

  • 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

  • 2. Artikel I, onderdelen I, J en K werken terug tot en met 1 februari 2019.

  • 3. Bijlage C, artikel C7, derde lid, zoals dat luidde voor inwerkingtreding van artikel I, onderdeel L, blijft van toepassing op subsidies, die op basis van deze regeling op de dag voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling zijn verleend.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

‘s-Gravenhage, 6 mei 2019

De Minister van Justitie en Veiligheid, F.B.J. Grapperhaus

De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, M.G.J. Harbers

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, W. Koolmees

BIJLAGE 1, BEHOREND BIJ ARTIKEL I, ONDERDEEL R

Bijlage He, behorende bij artikel 4, onderdeel L

Specifieke bepalingen met betrekking tot de actie, genoemd in artikel 4, onderdeel l. Inreis- en uitreissysteem (EES).

Artikel He1. Subsidieaanvrager

De subsidie wordt aangevraagd door het Ministerie van Justitie en Veiligheid.

Artikel He2. Aanvraagtijdvak

Subsidieaanvragen met betrekking tot een project in het kader van deze bijlage worden door de minister ontvangen tot en met 31 december 2020, 17.00 uur.

Artikel He3. Subsidieplafond

Het maximaal beschikbare bedrag voor het verlenen van subsidie bedraagt voor het aanvraagtijdvak genoemd in artikel He2 € 6.412.600,00.

Artikel He4. Subsidiabele activiteiten

Voor subsidie komen in aanmerking investeringen en activiteiten ter dekking van de kosten bedoeld in artikel 64, lid 2, van Verordening (EU) 2017/2226 alsook de kosten in verband met de instelling en werking van de nationale uniforme interface, als bedoeld in artikel 64, lid 1, van Verordening (EU) 2017/2226 (EES Verordening).

Artikel He5. Specifieke eisen aan het project

  • 1. Een project gericht op de subsidiabele activiteiten genoemd in artikel He4 mag tot maximaal 30 december 2022 duren.

  • 2. In plaats van de datum van ontvangst van de volledige aanvraag kan door de Minister in de beschikking tot subsidieverlening een andere startdatum van het project worden vermeld.

Artikel He6. Hoogte van de subsidie

In afwijking van artikel 11 bedraagt de subsidie maximaal 100% van de subsidiabele kosten doch ten hoogste het in de beschikking tot subsidieverlening vermelde maximumbedrag.

BIJLAGE 2, BEHOREND BIJ ARTIKEL I, ONDERDEEL R

Bijlage Hf, behorende bij artikel 4, onderdeel M

Specifieke bepalingen met betrekking tot de actie, genoemd in artikel 4, onderdeel m. Specifieke Maatregel Frontex uitrusting die ter beschikking wordt gesteld aan het Europese Grens en Kustwacht Agentschap (EGKWA).

Artikel Hf1. Subsidieaanvrager

De subsidie wordt aangevraagd door de Koninklijke Marechaussee (Defensie).

Artikel Hf2. Aanvraagtijdvak

Subsidieaanvragen met betrekking tot een project in het kader van deze bijlage worden door de minister ontvangen tot en met 31 december 2019, 17.00 uur.

Artikel Hf3. Subsidieplafond

Het maximaal beschikbare bedrag voor het verlenen van subsidie bedraagt voor het aanvraagtijdvak genoemd in artikel Hf2 € 2.025.000,00.

Artikel Hf4. Subsidiabele activiteiten

Voor subsidie komen in aanmerking investeringen en activiteiten in verband met de aanschaf van een CABIN RHIB (vaartuig) inclusief uitrusting en toebehoren.

Artikel Hf5. Specifieke eisen aan het project

  • 1. Een project gericht op de subsidiabele activiteiten genoemd in artikel Hf4 mag tot maximaal 31 december 2021 duren.

  • 2. In plaats van de datum van ontvangst van de volledige aanvraag kan door de Minister in de beschikking tot subsidieverlening een andere startdatum van het project worden vermeld.

Artikel Hf6. Hoogte van de subsidie

In afwijking van artikel 11 bedraagt de subsidie maximaal 90% van de subsidiabele kosten doch ten hoogste het in de beschikking tot subsidieverlening vermelde maximumbedrag.

TOELICHTING

Algemeen

Deze regeling tot wijziging van de Subsidieregeling AMIF en ISF 2014–2020 bevat onder andere:

  • een ophoging van de maximaal beschikbare bedragen voor het verlenen van subsidie voor de aanvraagtijdvakken, bedoeld in de artikelen A3, B3 en C3.

  • diverse aanpassingen naar aanleiding van naamswijzigingen, overheveling van taken en naar aanleiding van aanbevelingen van de Audit Autoriteit en de Europese Commissie.

  • een aanpassing van het subsidieplafond met betrekking tot projecten op het gebied van het management van de externe EU-grenzen. Het betreft wijzigingen met betrekking tot het ISF die worden onderbouwd door aanpassingen in het nationaal programma. Voor het management van de externe EU-Grenzen is namelijk door de Europese Commissie additioneel budget beschikbaar gesteld en in het nationaal programma op projectniveau vastgelegd. Om de additionele middelen, waarvan een gedeelte door de Europese Commissie geoormerkt voor het inreis- uitreissysteem (EES) beschikbaar wordt gesteld, daadwerkelijk te kunnen besteden is aanpassing van onderhavige regelgeving noodzakelijk.

  • toevoeging van een aan Nederland toegekende Specifieke Maatregel ISF Frontex uitrusting welke ter beschikking wordt gesteld aan het Europese Grens en Kustwacht Agentschap (EGKWA) ten behoeve van de aanschaf van een boot (CABIN RHIB) inclusief uitrusting en toebehoren. Hiertoe is door de Europese Commissie additioneel geoormerkt budget beschikbaar gesteld en in het nationaal programma op projectniveau vastgelegd.

Artikelsgewijs

Artikel I

Onderdeel A (artikel 1)

De definitie van deelnemer is verduidelijkt, mede op verzoek van de Audit Autoriteit, zodat het voor de organisaties die AMIF-projecten uitvoeren en voor de controlerende instanties duidelijker is voor welke activiteiten het noodzakelijk is om een deelnemersadministratie bij te houden. Het is bijvoorbeeld nodig dit te doen voor personen uit de doelgroep die deelnemen aan activiteiten uit het project van de subsidieaanvrager. Maar ook voor personen die rechtstreeks gekoppeld kunnen worden aan de uitvoering van een activiteit uit het project van de subsidieaanvrager, zoals bijvoorbeeld voor medewerkers die worden opgeleid als dit tot een van de activiteiten van het project behoort.

Aan de definitie van directe loonkosten zijn de twee nieuwe acties toegevoegd die zijn vastgelegd in artikel 4 en in bijlagen He en Hf nader zijn uitgewerkt (zie voor een nadere toelichting van de twee nieuwe acties de toelichting bij onderdeel R).

Onderdelen B en C (artikel 4, onderdelen l en m)

In artikel 4 zijn in de onderdelen l en m twee nieuwe acties toegevoegd die in bijlagen He en Hf nader zijn uitgewerkt. De twee nieuwe acties zijn voorts toegevoegd in artikel 6, derde lid.

Onderdelen D en E (artikel 7, zevende en achtste lid)

Naar aanleiding van een aanbeveling van de Audit Autoriteit is besloten om de termijn om te beslissen op aanvragen in lijn te brengen met de Aanwijzingen voor de subsidieverstrekking, conform aanwijzing 17 (van 18 weken naar 22 weken). In het achtste lid zijn tevens de twee nieuwe acties toegevoegd.

Onderdeel F (artikel 9, derde lid)

Naar aanleiding van een aanbeveling van de Europese Commissie wordt in dit artikel expliciet verwezen naar artikel 10, tweede lid, van de Gedelegeerde verordening (EU) Nr. 1042/2014 waarin is benoemd dat in de beschikking in elk geval het volgende wordt opgenomen of vastgesteld:

  • a. het maximumbedrag dat de Europese Unie bijdraagt;

  • b. het maximumpercentage dat de Europese Unie overeenkomstig de relevante specifieke verordening bijdraagt;

  • c. een gedetailleerde beschrijving en een tijdschema van het project

  • d. in voorkomend geval, belangrijke taken die de begunstigde van plan is in onderaanneming te geven aan derde partijen, met de daaraan verbonden kosten;

  • e. de overeengekomen voorlopige begroting en het financieringsplan voor het project, met inbegrip van uitgaven en inkomsten, overeenkomstig de vastgestelde subsidiabiliteitsregels;

  • f. de methode waarmee bij de afsluiting van het project de hoogte wordt berekend van de bijdrage van de Europese Unie;

  • g. het tijdschema en de uitvoeringsbepalingen van de overeenkomst, met inbegrip van bepalingen inzake verslagleggingsverplichtingen, wijzingen van de overeenkomst en beëindiging van de overeenkomst;

  • h. de operationele doelstellingen van het project, met inbegrip van gekwantificeerde doelstellingen en de indicatoren waarover verslag moet worden uitgebracht;

  • i. de vereiste dat de begunstigde tijdig de benodigde gegevens voor de in de specifieke verordening vastgestelde gemeenschappelijke indicatoren en programmaspecifieke indicatoren verzamelt en deze gegevens ten minste eenmaal per jaar meedeelt;

  • j. de definitie van de subsidiabele kosten met, indien van toepassing, een beschrijving van de methode voor het bepalen van eenheidskosten, vaste bedragen en forfaitaire financiering;

  • k. de boekhoudkundige vereisten en de voorwaarden voor de betaling van de subsidie, en

  • l. de voorwaarden betreffende het auditspoor, de voorschriften inzake gegevensbescherming en de voorschriften inzake publiciteit.

Onderdeel G (artikel 14, tweede lid)

Naar aanleiding van een aanbeveling van de Audit Autoriteit is besloten om een aanvullend voorschot te kunnen verlenen na realisatie van ten minste 50% van de subsidiabele kosten, in plaats van na realisatie van ten minste 25% van de subsidiabele kosten. Dit om zoveel mogelijk te voorkomen dat het totale bedrag aan voorschotten dat is uitbetaald de uiteindelijke totale subsidiabele kosten overstijgt en bedragen moeten worden teruggevorderd, met alle risico’s die dat met zich meebrengt.

Onderdeel H (artikel 15, zevende lid)

Naar aanleiding van een aanbeveling van de Europese Commissie wordt in dit artikel expliciet verwezen naar de Algemene Rekenkamer en naar de Europese Rekenkamer als instanties waaraan door subsidieontvangers inzage in of informatie uit de administratie moet worden verstrekt, aangezien dit is vastgelegd in artikel 10, vierde lid, van Gedelegeerde verordening (EU) Nr. 1042/2014.

Daarnaast is naar aanleiding van een aanbeveling van de Europese Commissie in dit artikel expliciet verwezen naar het Europees Bureau voor Fraudebestrijding (OLAF) dat onderzoeken kan uitvoeren, zoals controles en verificaties ter plaatse om vast te stellen of er sprake is van fraude, corruptie of andere onwettige activiteiten, aangezien dit is vastgelegd in artikel 5, achtste lid, van Verordening (EU) Nr. 514/2014.

Onderdelen I tot en met K (bijlage A, artikel A3, bijlage B, artikelen B3 en bijlage C, artikel C3)

In februari 2019 is er een aanvraagtijdvak voor de bijlagen A tot en met C geopend. De projecten gericht op de subsidiabele activiteiten van de bijlagen A tot en met C die zijn medegefinancierd uit het aanvraagtijdvak dat in 2015 is geopend zijn inmiddels afgerond en hebben een verzoek tot vaststelling van de subsidie ingediend. Naar aanleiding van de informatie uit deze verzoeken wordt verwacht dat niet al het budget dat in 2015 beschikbaar is gesteld en aan projecten is toegekend zal worden benut. Daarom heeft de Verantwoordelijke Autoriteit voor AMIF en ISF, na positief advies van het Monitorcomité voor AMIF en ISF, besloten het beschikbare budget voor het aanvraagtijdvak dat in februari 2019 is geopend te verhogen. Dat besluit is in de subsidieregeling verwerkt.

Onderdeel L (bijlage G, artikel G1)

De maximale bedragen die rechtstreeks ten goede komen aan de terugkeerder en de landen waarvoor dit geldt zijn veranderd en deze veranderingen zijn doorgevoerd in de subsidieregeling. Voor meer informatie wordt verwezen naar de website van de Dienst Terugkeer en Vertrek: https://www.dienstterugkeerenvertrek.nl/Subsidies/belangrijke-documenten/index.aspx.

Onderdeel M (Bijlage G, artikel G1)

In de wijziging van het Organisatiebesluit van het Ministerie van Justitie en Veiligheid (Stcrt. 2018, 48419) zijn met ingang van 1 mei 2018 de taken die betrekking hebben op de subsidiabele activiteit opgenomen in artikel G4, onderdeel c (het doorontwikkelen van vroegtijdige waarschuwings- en responsmaatregelen) overgeheveld van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid naar het directoraat-generaal Politie. Dit is in de subsidieregeling doorgevoerd.

Onderdelen N tot en met Q (Bijlage H, artikelen H1, H2, H3 en H7)

Voor het management van de externe EU-Grenzen (ISF) is door de Europese Commissie additioneel budget beschikbaar gesteld en in het Nationaal Programma op projectniveau vastgelegd. Het nationaal programma ISF is hiertoe gewijzigd en op 27 september 2018 door de Europese Commissie goedgekeurd. Om de additionele middelen daadwerkelijk te kunnen besteden is deze aanpassing van onderhavige regelgeving noodzakelijk. Het betreft € 2.242.188 als resultaat van de in 2017 en 2018 uitgevoerde ‘tussentijdse evaluatie’ (conform de artikelen 6, onderdeel c en 8 van Verordening (EU) Nr. 515/2014) welke in Nederland zal worden uitgegeven aan de subsidiabele activiteit genoemd in artikel H5, onderdeel f (zie ook de 5e wijzing van deze Subsidieregeling (Stcrt. 2018, 30958)).

Deze activiteit ziet op investeringen en activiteiten in verband met het voorbereiden, ontwikkelen en onderhouden van de nationale systemen ten behoeve van de uitvoering van slimme grenzen. In 2017 is besloten door de ndse Verantwoordelijke Autoriteit dat eventueel te ontvangen additionele middelen of vrij te vallen middelen uit uitgevoerde projecten voor ISF Grenzen aan deze subsidiabele activiteit worden besteed. Aanleiding voor dit besluit was (onder meer) dat deze activiteit zich richt op het uitvoeren van Europese afspraken waarvoor in Nederland financiële investeringen noodzakelijk zijn binnen de looptijd van het huidige ISF. De activiteit heeft, omdat het gaat om het uitvoeren van Europese afspraken, vanzelfsprekend een hoge toegevoegde waarde.

Het besluit past binnen de met de Europese Commissie overeengekomen Nederlandse strategie voor ISF, te weten dat Nederland een strategische meerjarige aanpak ontwikkelt en beschrijft in het nationaal programma voor ISF dat rekening houdt met de specifieke Nederlandse situatie en kwetsbaarheden en zich richt op een beperkt aantal prioriteiten. Daarbij zal ISF-financiering zich richten op die prioriteiten waar de inzet van Europese middelen een bijzondere impact en toegevoegde waarde heeft. Daarnaast wordt een grote hoeveelheid losse projecten zonder samenhang vermeden.

Deze strategie is mede gekozen gezien de Nederlandse ISF allocatie, die niet bijzonder groot is vergeleken met de nationale middelen beschikbaar voor de ISF beleidsterreinen, maar die wel een reële bijdrage kan leveren als deze gericht en strategisch wordt ingezet.

Er was reeds € 7.467.468 gereserveerd voor deze subsidiabele activiteit. Daar zou nu € 2.242.188 aan kunnen worden toegevoegd. Echter, als de beschikbare middelen voor het ISF toenemen nemen ook de kosten voor het beheer van het ISF in Nederland toe. Daarom is besloten € 432.739 toe te voegen aan de ‘technische bijstand’. De technische bijstand is een maximum percentage (5% over het totaal) van de aan de lidstaat toegekende middelen voor ISF (Grenzen) waarmee acties ter voorbereiding, beheer, toezicht, evaluatie, voorlichting en communicatie, netwerkvorming, controle en audit kunnen worden ondersteund, alsmede maatregelen om de bestuurlijke capaciteit voor de uitvoering van de ISF verordening te versterken (conform artikel 20 van Verordening (EU) Nr. 514/2014 en artikel 16, tweede lid, van Verordening (EU) Nr. 515/2014).

Dat maakt dat er door de additionele middelen in totaal € 9.276.917 beschikbaar wordt gesteld voor de subsidiabele activiteit genoemd in artikel H5, onderdeel f (€ 7.467.468 + € 2.242.188) = € 9.709.656 – € 432.739 = € 9.276.917).

Om het extra budget maximaal te kunnen benutten is in de subsidieregeling ook het aanvraagtijdvak en de projectduur verlengd.

Onderdeel R (Bijlagen He en Hf)

Voor het management van de externe grenzen van de Europese Unie (ISF) is door de Europese Commissie additioneel budget beschikbaar gesteld en in het nationaal programma op projectniveau vastgelegd. Het nationaal programma ISF is hiertoe gewijzigd en op 11 december 2018 door de Europese Commissie goedgekeurd. Om de additionele middelen daadwerkelijk te kunnen besteden is deze aanpassing van onderhavige regelgeving noodzakelijk. Het betreft € 6.412.600 ten behoeve van het inreis- en uitreissysteem (EES) conform Gedelegeerde Verordening (EU) Nr. 2018/1728 van 13 juli 2018 behorend bij Verordening (EU) Nr. 515/2014.

In deze gedelegeerde verordening is vastgelegd dat de aan het ISF (Grenzen) deelnemende landen ieder € 6.412.600 toegevoegd krijgen aan hun nationale programma’s ter dekking van de kosten bedoeld in artikel 64, tweede lid, van Verordening (EU) Nr. 2017/2226 als ook de kosten in verband met de instelling en werking van de nationale uniforme interface, als bedoeld in artikel 64, eerste lid, van Verordening (EU) Nr. 2017/2226 (EES-Verordening). Overeenkomstig artikel 64, eerste en tweede lid, van Verordening (EU) Nr. 2017/2226 bedraagt de bijdrage uit de Uniebegroting aan de gemaakte kosten 100% van de totale in aanmerking komende kosten.

De Europese Commissie zal de wijze waarop deze extra allocatie in de lidstaat wordt benut nauwgezet monitoren om er zeker van te zijn dat de gelden worden gebruikt zoals in de Gedelegeerde Verordening is vastgelegd.

Nederland heeft in juni 2018 een aanvraag ingediend bij de Europese Commissie in het kader van de ISF Specifieke Maatregel ‘Frontex uitrusting welke ter beschikking wordt gesteld aan het Europese Grens en Kustwacht Agentschap (EGKWA)’, ten behoeve van de aanschaf van een vaartuig (CABIN RHIB) inclusief uitrusting en toebehoren. In oktober 2018 heeft de Europese Commissie laten weten dat specifiek geoormerkt voor deze aanschaf € 2.025.000,00 aan het Nederlandse nationaal programma ISF (Grenzen) mag worden toegevoegd (op basis van 90% financiering). Het nationaal programma ISF is hiertoe gewijzigd en op 11 december 2018 door de Europese Commissie goedgekeurd. Om de additionele middelen daadwerkelijk te kunnen besteden is deze aanpassing van onderhavige regelgeving noodzakelijk.

Artikel II

De invoeringstermijn bedraagt minder dan twee maanden en de inwerkingtreding valt niet op een vast verandermoment. Daarmee wijkt de inwerkingtreding af van het systeem van vaste verandermomenten. Deze regeling betreft een aantal gunstige aanpassingen, waarvoor afwijking is toegestaan, omdat de betreffende doelgroep daarbij gebaat is.

De Minister van Justitie en Veiligheid, F.B.J. Grapperhaus

De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, M.G.J. Harbers

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, W. Koolmees

Naar boven