Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Sociale Zaken en WerkgelegenheidStaatscourant 2018, 41262Besluiten van algemene strekking

Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 12 juli 2018, 2018-0000006939 tot wijziging van de Arbeidsomstandighedenregeling in verband met de wijziging van bijlage XVIc, het vervallen van bijlage XVIf en de aanpassing van bijlage XVIb

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

Gelet op de artikelen 1.5b, vierde lid en 1.5f, tweede lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit;

Besluit:

ARTIKEL I

De Arbeidsomstandighedenregeling wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 6.5 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het opschrift komt te luiden: Artikel 6.5. Afgifte certificaat duikerarts, duiker, duikploegleider, niet zijnde brandweerduikploegleider, en duikmedisch begeleider.

2. In het derde lid, wordt ‘de aanvrager, niet zijnde brandweerduiker,’ vervangen door ‘de aanvrager’.

B

Artikel 6.6 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het opschrift komt te luiden: Artikel 6.6. Afgifte certificaat brandweerduikploegleider.

2. Het tweede lid alsmede de aanduiding ‘1.’ voor het eerste lid vervallen.

C

Bijlage XVIb, behorend bij artikel 6.5, tweede lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. Aan de inhoudsopgave wordt toegevoegd ‘14. Tijdelijke bepaling in verband met de verstrekking van certificaten duikploegleider categorie B1 aan duikploegleiders bij de brandweer’.

2. Paragraaf 8.1. ‘Duikploegleider’, onderdeel 1.4, komt te luiden:

  • 1.4 hij heeft:

    • a. voor duikploegleider A1: minimaal 1 kalenderjaar ervaring met duikarbeid categorie A1 en ten minste 30 duiken met Scuba gemaakt;

    • b. voor duikploegleider A2: minimaal 2 kalenderjaren ervaring met duikarbeid categorie A2 en ten minste 50 duiken met Scuba gemaakt;

    • c. voor duikploegleider A3: minimaal 2 kalenderjaren ervaring met duikarbeid categorie A3 en ten minste 100 duiken met Scuba gemaakt;

    • d. voor duikploegleider B1: minimaal 2 kalenderjaren ervaring met duikarbeid categorie A2 A3 of B1 en ten minste 50 duiken gemaakt, waarvan bij categorie B1 ten minste 10 duiken met behulp van SSE;

    • e. voor duikploegleider B2, B3, B4: minimaal 2 kalenderjaren ervaring met duikarbeid categorie A2, A3, B2, B3 of B4 en ten minste 100 duiken gemaakt.

3. Na paragraaf 13 wordt een nieuwe paragraaf ingevoegd, luidende:

14. Tijdelijke bepaling in verband met de verstrekking van certificaten duikploegleider categorie B1 aan duikploegleiders bij de brandweer

  • 1. Een duikploegleider bij de brandweer als bedoeld in artikel 6.6 van de Arbeidsomstandighedenregeling die beschikt over een geldig certificaat duikploegleider bij de brandweer verkrijgt op zijn aanvraag het certificaat duikploegleider voor categorie B1, indien hij, in afwijking van de verplichtingen uit paragraaf 8.1, onderdeel 1.5, paragraaf 10.2.2, onderdeel 5, en paragraaf 10.2.3, aan de volgende voorwaarden voldoet:

    • a. praktijkervaring als duikploegleider heeft opgedaan bij een erkende opleidingsinstelling voor duikarbeid categorie B1;

    • b. bij de aanvraag een getuigschrift heeft overlegd van een erkende opleidingsinstelling op basis van een door het Instituut Fysieke Veiligheid vastgestelde toetskaart waaruit blijkt dat hij aan de in onderdeel a gestelde eis en aan de overige eisen voor het verkrijgen van het certificaat duikploegleider categorie B1 voldoet; en

    • c. de aanvraag binnen 12 maanden na het voldoen aan de in de toetskaart, bedoeld in onderdeel b, gestelde eis heeft gedaan.

  • 2. Deze paragraaf alsmede de aanduiding van deze paragraaf in de inhoudsopgave vervalt met ingang van 1 januari 2020.

D

Bijlage XVIc, behorend bij artikel 6.5, derde lid, komt te luiden:

BIJLAGE XVIC, BEHOREND BIJ ARTIKEL 6.5, DERDE LID

Werkveldspecifiek certificatieschema voor het persoonscertificaat Duikarbeid (WSCS-WOD-D)

Hoofdstuk 1. Definities

In deze bijlage wordt verstaan onder:

Ademgas:

Een gasmengsel anders dan ademlucht bedoeld om in te ademen tijdens arbeid onder overdruk. De samenstelling van ademgas kan variëren naar gelang de aard van de arbeid onder overdruk waarbij het gebruikt wordt;

Ademlucht:

Samengeperste lucht en bevat 21% zuurstofgas, minimaal 78% stikstofgas en maximaal 1% overige gassen;

Aangedreven gereedschap:

arbeidsmiddelen die pneumatisch, hydraulisch, mechanisch of elektrisch dan wel via munitie worden aangedreven; Beheerstichting: Stichting Werken onder Overdruk (SWOD) zijnde de schemabeheerder, bedoeld in artikel 1.5b, eerste lid, onderdeel m, van het besluit.

Bell-man:

De duiker die in de duikklok aanwezig blijft terwijl andere duikers werkzaamheden uitvoeren;

Bell-run:

Een duik maken met een open of gesloten duikklok;

CCvD WOD:

Het Centraal College van Deskundigen Werken onder Over Druk, onderdeel van en gefaciliteerd door de beheerstichting, dat belanghebbende partijen in de duiksector de mogelijkheid biedt tot deelname bij het overleg over het opstellen en onderhouden van werkveld specifieke documenten op zodanige wijze dat sprake is van een evenwichtige en representatieve vertegenwoordiging van deze partijen;

Certificaatregister:

Register dat door de beheerstichting wordt beheerd op basis van de gegevens die de certificerende instellingen vastleggen op grond van artikel 1.5b, eerste lid, onderdeel l, van het besluit;

Decompressietank:

Drukvat geschikt voor menselijk verblijf ter ondersteuning van duik- en overdrukwerkzaamheden, zowel voor gecontroleerde decompressie als voor behandeling van decompressieverschijnselen of overdruktrauma’s, niet zijnde een hyperbare behandelkamer;

Duikklok, gesloten of droge:

Een afzinkbare kamer, met inbegrip van de rechtstreeks daarmee verbonden delen tot aan de voorziening voor de aansluiting met andere apparatuur, afsluitbaar door middel van één of twee deuren, bedoeld voor het transport van duikers tussen de onder water gelegen werkplek en de oppervlakte of de aan de oppervlakte gesitueerde decompressietank, ook wel closed bell genoemd;

Duikklok, open of natte:

Halfopen duikklok welke is voorzien van een droge ruimte gevuld met ademgas waar ook in geval van nood geademd kan worden, ook wel wet bell genoemd;

Duiklogboek:

Het persoonlijk duiklogboek, bedoeld in artikel 6.16, vijfde lid, van het besluit;

Duiktijd:

Tijdsduur van de duikarbeid weergegeven in minuten die aanvangt bij het moment van afdalen en eindigt bij het moment van opkomen;

Geconditioneerde omstandigheden:

Omgeving waar op voorhand met behulp van een risicoanalyse ingeschat kan worden dat er geen sprake is van een voorzienbare kans dat de duiker in moeilijkheden zal geraken tijdens de duikarbeid, waarbij ten minste wordt voldaan aan elk van de volgende criteria:

  • a. maximaal bereikbare diepte van 9 meter;

  • b. ten minste 4 meter onderwaterzicht indien de omvang van het zwembad, aquarium of vergelijkbare gesloten bassin dit toelaat;

  • c. een stroomsnelheid van-, maximaal 0,5 meter per seconde; en

  • d. te allen tijde mogelijkheid tot vrije opstijging.

    Hieronder wordt in ieder geval verstaan: zwembaden, duiktorens, aquaria of bassins met vergelijkbare omstandigheden;

Hyperbare behandelkamer:

Een in een ziekenhuis of medische instelling vast opgestelde decompressietank, bedoeld voor behandeling van patiënten onder overdruk volgens een door een arts voorgeschreven behandelprotocol;

LARS:

Launch and recovery system, een afzinkbare open kooiconstructie met clump weight, met inbegrip van de rechtstreeks daarmee verbonden delen tot aan de voorziening voor de aansluiting met andere apparatuur, bedoeld voor het transport van duikers tussen de onder water gelegen werkplek en de oppervlakte, geschikt voor het gebruik voor inwaterdecompressie;

NEN-EN-ISO/IEC 17024:

Algemene eisen voor instellingen die certificatie van personen uitvoeren, uitgegeven door het Nederlands Normalisatie-instituut, zoals opgenomen in de versie NEN-EN-ISO/IEC 17024:2012;

No Deco Tijd:

Tijdsduur waarbij op basis van duikdiepte en duiktijd geen decompressiestop(s) is benodigd;

Niet aangedreven handgereedschap:

Arbeidsmiddelen die met de hand worden ingezet en enkel door middel van het inzetten van spierkracht het beoogde effect realiseren. Hieronder worden in ieder geval verstaan: een ruitenhamer, een gordelsnijder, een mes, een handzaag, een ketting, een kabel en een hijsband;

Opleidingsportfolio:

een verzameling van bewijsstukken van een kandidaat van het doorlopen van een opleiding die voldoet aan het in het certificatieschema gestelde opleidingscurriculum voor de betreffende categorie duikarbeid, waarmee de opleiding aantoonbaar aan de eindtermen voldoet;

Portfolio:

Een verzameling van bewijsstukken van een kandidaat voor het aantoonbaar voldoen aan de entreecriteria;

Praktijkexamen:

Examen waarmee een deelnemer praktisch getoetst wordt ten behoeve van initiële certificatie;

Praktijkverrichting:

Instrument van de certificerende instelling waarmee hij de doorlopende beroepservaring praktisch kan toetsen;

Proeve van bekwaamheid:

Examen waarmee een deelnemer praktisch getoetst wordt ten behoeve van hercertificatie;

Saturatieduiken:

Werkzaamheden onder overdruk waarbij, gerelateerd aan tijd en diepte, de lichaamsweefsels zijn verzadigd met inert gas, ook wel verzadigingsduiken genoemd;

SCUBA:

Self contained underwater breathing apparatus, zijnde een verzamelnaam voor duikmaterieel dat zich kenmerkt door ademgasvoorziening vanuit drukvaten die door de duiker meegedragen worden;

SSE:

Surface supplied equipment, zijnde een verzamelnaam voor duikmaterieel dat zich kenmerkt door ademgasvoorziening vanaf de oppervlakte;

Totale tijd onder druk:

Totale tijd die duiker onder druk is geweest gerelateerd aan duikarbeid; te weten de som van duiktijd en tijd inwaterdecompressie of oppervlaktedecompressie.

Hoofdstuk 2. Eisen

De eisen in NEN-EN-ISO/IEC 17024 zijn onverkort van toepassing voor het verlenen van een certificaat overeenkomstig deze bijlage, tenzij daarvan in deze bijlage wordt afgeweken.

(Hoofdstuk 3. vervallen)
Hoofdstuk 4. Certificatieprocedure
Paragraaf 4.1. Certificatiereglement
  • 1. De certificerende instelling stelt een certificatiereglement op dat ten minste de onderwerpen van dit hoofdstuk regelt.

  • 2. Dit reglement omschrijft de procedure voor de certificering van duikers.

Paragraaf 4.2. Aanvraag
  • 1. De kandidaat dient in overeenstemming met de certificatieprocedure een aanvraag in voor het Persoonscertificaat duikarbeid bij een certificerende instelling.

  • 2. De certificerende instelling verstrekt aan de kandidaat alle relevante informatie over de certificatieprocedure.

Paragraaf 4.3. Certificatiebeslissing
  • 1. De certificatiebeslissing wordt genomen door een functionaris van de certificerende instelling die niet betrokken is geweest bij de examinering van de kandidaten.

  • 2. Hij is daartoe gekwalificeerd en aangesteld conform het kwaliteitssysteem en de procedures van de certificerende instelling.

Paragraaf 4.4. Geldigheidsduur van het certificaat
  • 1. De geldigheidsduur van het certificaat is maximaal vier jaar, mits tijdens die periode door de certificaathouder wordt voldaan aan de condities, bedoeld in hoofdstuk 13.

  • 2. De certificerende instelling registreert de gegevens van de certificaathouder.

  • 3. Deze gegevens worden ten minste zo vaak als zich mutaties voordoen elektronisch verzonden aan de beheerstichting.

  • 4. In de overeenkomst van de beheerstichting met de certificerende instelling, bedoeld in artikel 1.5a, onderdeel f, van het besluit kan worden geregeld op welke wijze de toelevering van gegevens plaatsvindt, in verband met opname daarvan in het certificaatregister.

Paragraaf 4.5. Norminterpretatie
  • 1. Indien bij de uitvoering door certificerende instellingen blijkt dat er interpretatieproblemen zijn of dat de certificerende instellingen een eis uiteenlopend interpreteren, vindt in het CCvD WOD overleg over een geharmoniseerde interpretatie plaats.

  • 2. Het CCvD WOD stelt vervolgens een geharmoniseerde interpretatie vast en publiceert deze op de website van de beheerstichting.

Hoofdstuk 5. Examenreglement
Paragraaf 5.1. Algemeen
  • 1. De certificerende instelling stelt een examenreglement op dat bepalingen bevat over de voorbereiding, uitvoering en beoordeling van examens.

  • 2. De examinering geschiedt onder verantwoordelijkheid van de certificerende instelling.

  • 3. Het examen bestaat uit de volgende onderdelen:

    • a. een portfoliobeoordeling;

    • b. een theorie-examen; en

    • c. een praktijkexamen.

Paragraaf 5.2. Uitvoering van het examen
  • 1. De certificerende instelling heeft een examenreglement met in ieder geval regels betreffende:

    • a. aanvraagprocedure;

    • b. bevestiging van deelname en oproep;

    • c. identificatie van de deelnemers;

    • d. toelating en afwezigheid;

    • e. examenduur en wijze van examinering;

    • f. gedragsregels voor kandidaten;

    • g. regeling aangepast examen;

    • h. normen voor slagen en afwijzen;

    • i. bekendmaking van de voorlopige en definitieve uitslag;

    • j. bewaartermijn van de examendocumenten zoals uitwerkingen en beoordelingsformulieren;

    • k. inzagerecht;

    • l. geldigheidsduur van het examenresultaat;

    • m. kansen en herkansen van een examen of onderdeel daarvan;

    • n. locatie van theorie- en praktijkexamen;

    • o. examenmiddelen voor theorie-examen; en

    • p. faciliteiten inzake het praktijkexamen.

  • 2. Indien een certificerende instelling het afnemen van een examen uitbesteedt aan een exameninstelling wordt deze uitbesteding schriftelijk vastgelegd in een contract tussen de certificerende instelling en de exameninstelling.

  • 3. De certificerende instelling meldt aan de beheerstichting dat examens worden afgenomen door een externe exameninstelling en welke instelling het betreft.

  • 4. Indien het theorie-examen digitaal wordt afgenomen met gebruik van ICT-middelen, worden hiervoor aanvullende bepalingen opgenomen in het examenreglement van de certificerende instelling.

Paragraaf 5.3. Eisen te stellen aan het examenpersoneel
  • 1. Het examenpersoneel voldoet aan de algemene en vakinhoudelijke eisen alsmede onafhankelijkheidseisen die zijn gesteld in paragraaf 4.1.5 van Bijlage XVI.

  • 2. Daarbij gelden de volgende aanvullende eisen aan kennis:

    • a. de examinator is in staat een duiklogboek te lezen en het gevolgde opleidingscurriculum van de kandidaat aan de hand van het opleidingsportfolio te beoordelen;

    • b. de examinator is in staat te beoordelen of de kandidaat in staat is om zelfstandig verrichtingen uit te voeren, waarbij de briefing en begeleiding vanuit de duikploeg beperkt blijft tot het niveau dat gebruikelijk is bij een duik; en

    • c. de examinator heeft actuele en aantoonbare kennis van duikprocedures, duikmaterieel en veiligheidsmaatregelen voor de desbetreffende subcategorie van de te beoordelen duikarbeid en heeft niet langer dan vier jaar geleden met goed gevolg het theorie-examen duikploegleider afgelegd In het geval dat de examinator optreedt als duikploegleider beschikt hij over het persoonscertificaat Duikploegleider met de van toepassing zijnde scope.

  • 3. Tevens geldt een aanvullende eis ten aanzien van praktijkervaring voor examinators die betrokken zijn bij praktijkexamens:

    • a. in de afgelopen acht jaar ten minste twee jaar ervaring als duiker voor de desbetreffende subcategorie en vier jaar als duikploegleider voor de desbetreffende subcategorie,

    • b. in de afgelopen acht jaar ten minste zes jaar als duikploegleider voor de desbetreffende subcategorie, of

    • c. een doorlopende beroepservaring als examinator zoals vastgelegd in het examenreglement van de certificerende instelling.

  • 4. Indien een examinator tijdens het examen duikt, beschikt hij over het desbetreffende persoonscertificaat Duikarbeid.

Paragraaf 5.4. Eisen inzake het examen
  • 1. Medewerkers van een certificerende instelling of medewerkers die werkzaamheden verrichten namens een certificerende instelling, dragen zorg voor absolute geheimhouding van de examenopgaven.

  • 2. De certificerende instelling beschikt over schriftelijke geheimhoudingsverklaringen van deze medewerkers.

  • 3. Het theorie-examen wordt in beginsel schriftelijk afgenomen in de Nederlandse taal.

  • 4. Voor het afnemen van examens maakt de certificerende instelling gebruik van een centrale itembank die wordt beheerd door de beheerstichting.

Hoofdstuk 6. Toezicht
Paragraaf 6.1. Medewerking aan toezicht
  • 1. De certificerende instelling beoordeelt periodiek of de certificaathouder blijft voldoen aan de gestelde eisen.

  • 2. De certificaathouder werkt mee aan toezicht door de certificerende instelling, de nationale accreditatie-instantie en de Inspectie SZW.

  • 3. De certificaathouder en de certificerende instelling sluiten een certificatieovereenkomst, waarin ten minste de volgende verplichtingen van de certificaathouder zijn opgenomen. De certificaathouder:

    • a. geeft op verzoek van de certificerende instelling binnen zes weken inzage in zijn duiklogboek;

    • b. verleent op verzoek van de certificerende instelling binnen zes weken zijn medewerking om een tussentijdse controle van praktijkverrichtingen uit te voeren;

    • c. geeft toestemming aan de certificerende instelling om het verslag van bevindingen, bedoeld in paragraaf 6.4, en overige bekende informatie te verstrekken aan de Inspectie SZW in het geval van weigering, schorsing en intrekking van het certificaat, alsmede van geconstateerde situaties waarin sprake is van gevaar voor veiligheid en gezondheid van medewerkers of derden bij werkzaamheden die door een afgegeven of nog af te geven certificaat worden gereguleerd.

Paragraaf 6.2. Frequentie van het toezicht
  • 1. De certificerende instelling voert indien nodig in aanvulling op de in paragraaf 6.1 bedoelde periodieke beoordeling tussentijdse controles uit.

  • 2. De certificerende instelling controleert een certificaathouder in elk geval tussentijds in de volgende situaties:

    • a. bij een ernstig vermoeden van gevaarlijke situaties bij werkzaamheden die door een afgegeven of nog af te geven certificaat worden gereguleerd en waardoor de veiligheid of de gezondheid van werknemers of derden in gevaar wordt of kan worden gebracht;

    • b. naar aanleiding van een klacht van een belanghebbende overeenkomstig paragraaf 6.3.4;

    • c. op specifieke melding van de Inspectie SZW.

  • 3. De certificaathouder geeft de certificerende instelling ten minste elke twee jaar inzage in zijn doorlopende beroepservaring als bedoeld in paragraaf 11.2.1.

  • 4. Bij de controle van de doorlopende beroepservaring wordt met name gelet op:

    • a. het aantal duiken waarbij de hoeveelheid duiken is gerelateerd aan aantal briefings, debriefings, predive- en postdivechecks van de duikuitrusting;

    • b. de verdeling van de duiksystemen, sub-categorie aard van de duiken/scope.

  • 5. Voor de registratie van de duiklogboekcontroles, de beoordelingen van de doorlopende beroepservaring en de certificatiebeslissingen of maatregelen jegens de certificaathouder voert de certificerende instelling een deugdelijke administratie.

  • 6. De in onderdeel 4 en 5 bedoelde administratie blijft minimaal 5 jaar beschikbaar.

Paragraaf 6.3. Uitvoering van het toezicht
Paragraaf 6.3.1. Uitvoeringsplan
  • 1. De certificerende instelling maakt een uitvoeringsplan voor een tussentijdse controle als bedoeld in paragraaf 6.2.

  • 2. Het uitvoeringsplan beschrijft ten minste:

    • a. aanleiding voor de controle;

    • b. wijze waarop de controle wordt uitgevoerd; en

    • c. wijze waarop de certificaathouder medewerking verleent aan de controle.

  • 3. Het uitvoeringsplan wordt schriftelijk aan de certificaathouder kenbaar gemaakt.

  • 4. De certificaathouder verleent binnen zes weken na de aankondiging van de controle zijn medewerking aan de uitvoering van de controle.

  • 5. Het uitvoeringsplan kan in overleg met de certificaathouder tot stand komen.

  • 6. Het uitvoeringsplan behandelt verder de locatie, de partij die het materieel en de duikploeg ter beschikking stelt en de partij die de verantwoordelijkheid over het materieel, de duikploeg en de verrichtingen van de certificaathouder draagt.

Paragraaf 6.3.2. Inzage in het duiklogboek

De certificerende instelling controleert het duiklogboek op zijn minst op de volgende criteria:

  • a. wijze van administreren en aanwezigheid van onlogische gegevens;

  • b. aantal gemaakte duiken binnen de geldigheidsduur van het certificaat; en

  • c. de diepte, het gebruikte duiksysteem en decompressie en procedures van de duiken in relatie tot de categorie van duikwerkzaamheden waarvoor het certificaat is afgegeven.

Paragraaf 6.3.3. Beoordeling van een praktijkverrichting
  • 1. Indien de certificerende instelling een praktijkverrichting gaat beoordelen op basis van de resultaten van de controle van het duiklogboek, bedoeld in paragraaf 6.3.2, dan wordt de keuze van de vereiste verrichting beargumenteerd in relatie tot de aanleiding voor de controle en de eindtermen van het certificatieschema.

  • 2. De certificerende instelling treedt louter op als beoordelaar van de praktijkverrichting en er bestaat uit dien hoofde dan ook geen werkgever-werknemer verantwoordelijkheid.

  • 3. De partij waarmee wordt samengewerkt is naar keuze van de certificerende instelling.

  • 4. De praktijkverrichting die in de controle betrokken wordt, wordt beoordeeld volgens de specifieke eisen van het certificatieschema die voor deze verrichting gelden op basis van de in hoofdstuk 9 bedoelde eindtermen.

Paragraaf 6.3.4. Beoordeling naar aanleiding van klachten
  • 1. Indien de certificerende instelling van een belanghebbende klachten over de certificaathouder ontvangt, beoordeelt de certificerende instelling of de klacht aanleiding geeft tot een tussentijdse controle in het kader van toezicht.

  • 2. De belanghebbende klager en de certificaathouder worden schriftelijk op de hoogte gesteld van de beslissing.

  • 3. Een eventuele controle wordt uitgevoerd overeenkomstig paragraaf 6.3.1 tot en met 6.3.3.

  • 4. Indien een certificerende instelling naar aanleiding van een klacht besluit geen controle uit te voeren, wordt dit besluit schriftelijk en deugdelijk gemotiveerd opgenomen in het dossier.

Paragraaf 6.4. Verslag van bevindingen
  • 1. De certificerende instelling maakt een verslag van de bevindingen naar aanleiding van de tussentijdse controles.

  • 2. In het verslag wordt ingegaan op:

    • a. aanleiding voor de controle;

    • b. wijze waarop de controle is uitgevoerd;

    • c. bevindingen en resultaten van de controle;

    • d. tekortkomingen die door een aanvullende opleiding of praktijkervaring en een daarop volgende examinering kunnen worden gecorrigeerd;

    • e. geanticipeerde consequenties voor de certificaathouder op het moment van hercertificatie; en

    • f. een eventueel opgelegde maatregel als bedoeld in paragraaf 6.5.

  • 3. Het verslag wordt ter beschikking gesteld aan de certificaathouder.

Paragraaf 6.5. Maatregelen
Paragraaf 6.5.1. Schorsing
  • 1. De certificerende instelling besluit tot schorsing van een certificaat, indien de certificaathouder:

    • a. niet binnen zes weken na een verzoek daartoe het duiklogboek overlegt;

    • b. niet binnen zes weken na een verzoek daartoe medewerking verleent aan het uitvoeren van een beoordeling van praktijkverrichtingen;

    • c. na de beoordeling van de toetscriteria voor hercertificatie niet voldoet aan de certificatie-eisen in dit schema;

    • d. niet aan zijn financiële verplichtingen jegens de certificerende instelling voldoet;

    • e. misbruik maakt van het beeldmerk van de beheerstichting of de certificerende instelling;

    • f. onvoldoende heeft voorkomen dat er misbruik wordt gemaakt van het certificaat; of

    • g. een bij de tussentijdse controles geconstateerde tekortkoming niet binnen twee weken na de opgelegde waarschuwing, bedoeld in paragraaf 6.5.4, heeft gecorrigeerd.

  • 2. Indien blijkt dat de certificaathouder een tekortkoming, bedoeld in het eerste onderdeel, onder c, heeft, dan wordt hij, in de gelegenheid gesteld om de tekortkoming binnen drie maanden te corrigeren door een nadere opleiding of praktijkervaring en een daarop volgende examinering. Deze termijn van drie maanden kan worden verlengd tot maximaal zes maanden wanneer de certificaathouder kan aantonen dat hij niet in staat is de tekortkoming binnen drie maanden op te lossen.

  • 3. De schorsing wordt opgeheven, zodra de certificaathouder de tekortkoming, bedoeld in het eerste onderdeel, onder a, b, d, e of f, of het tweede onderdeel, heeft gecorrigeerd en de certificerende instelling zich daarvan in voldoende mate heeft kunnen overtuigen.

  • 4. De schorsing en de opheffing van de schorsing wordt verwerkt in het certificaatregister.

Paragraaf 6.5.2. Intrekking
  • 1. De certificerende instelling besluit tot intrekking van een certificaat, indien de certificaathouder:

    • a. niet binnen de gestelde termijn heeft voldaan aan de correctie van een tekortkoming die hem in het kader van een schorsing is kenbaar gemaakt;

    • b. aantoonbaar een situatie creëert waarbij de veiligheid of de gezondheid van werknemers of derden ernstig in gevaar wordt of kan worden gebracht tijdens werkzaamheden die door een afgegeven certificaat worden gereguleerd;

    • c. zich schuldig heeft gemaakt aan examenfraude of fraude ten aanzien van het duiklogboek door valsheid in geschrifte; of

    • d. in laatste instantie gerechtelijk is veroordeeld voor feiten, waarbij hij ernstige fouten heeft gemaakt of door eigen schuld ernstig tekort is geschoten op veiligheidsaspecten bij de verrichting van duikwerkzaamheden.

  • 2. Indien een certificaathouder na een intrekking opnieuw gecertificeerd wil worden, wordt door de certificerende instelling op verzoek van en voor rekening van de certificaathouder een inschalingstraject opgesteld.

  • 3. Een verzoek tot certificatie kan worden ingediend vanaf één jaar na intrekking van het certificaat.

  • 4. De intrekking wordt verwerkt in het certificaatregister.

Paragraaf 6.5.3. Weigering
  • 1. De certificerende instelling besluit tot weigering van een certificaat indien:

    • a. de aanvrager aantoonbaar niet of de certificaathouder aantoonbaar niet meer voldoet aan de certificatie-eisen van deze bijlage;

    • b. de aanvrager of de certificaathouder aantoonbaar een situatie veroorzaakt bij werkzaamheden die door een nog af te geven certificaat worden gereguleerd en waardoor de veiligheid of de gezondheid van werknemers of derden ernstig in gevaar wordt of kan worden gebracht; of

    • c. sprake is van omstandigheden zoals genoemd in artikel 1.5g, eerste lid, onderdeel b, van het besluit.

  • 2. De weigering van hercertificatie wordt verwerkt in het certificaatregister.

Paragraaf 6.5.4. Waarschuwing
  • 1. De certificerende instelling besluit tot een schriftelijke waarschuwing van een certificaathouder, indien:

    • a. een certificaathouder zijn documenten niet ten minste twee weken voor het verstrijken van de beoordelingsdatum van de doorlopende beroepservaring indient; of

    • b. bij controle door de certificerende instelling blijkt dat een tekortkoming is geconstateerd op basis van het duiklogboek, waarbij schorsen, intrekken van het certificaat of weigeren van hercertificatie niet proportioneel is en die naar het oordeel van de certificerende instelling binnen een maand gecorrigeerd kan worden.

  • 2. De certificerende instelling neemt de waarschuwing op in het dossier van de certificaathouder.

Hoofdstuk 7. Onderwerp van de certificatie en categorieën van duikarbeid
  • 1. Bij de certificatie van de vakbekwaamheid voor het verrichten van duikarbeid worden categorieën onderscheiden op grond van het gebruikte duikmaterieel en de maximaal bereikte diepte. De volgende categorieën van duikarbeid worden onderscheiden:

    A. SCUBA

    Duikarbeid met behulp van SCUBA, waarbij de volgende subcategorieën worden onderscheiden:

    • A1. Duikarbeid met behulp van SCUBA met ademlucht binnen geconditioneerde omstandigheden.

    • A2. Duikarbeid met behulp van SCUBA met ademgas tot en met een duikdiepte van 15 meter en binnen de grenzen van No Deco duiktijden.

    • A3. Duikarbeid met behulp van SCUBA met ademgas tot en met een diepte van 30 meter.

    B. SSE

    Duikarbeid met behulp van SSE, waarbij de volgende subcategorieën worden onderscheiden:

    • B0. Duikarbeid met behulp van SSE met ademlucht binnen geconditioneerde omstandigheden.

    • B1. Duikarbeid met behulp van SSE met ademgas tot en met een duikdiepte van 15 meter en binnen de grenzen van No Deco duiktijden.

    • B2. Duikarbeid met behulp van SSE met ademgas tot en met een diepte van 30 meter, exclusief duiken vanuit een open duikklok.

    • B3. Duikarbeid met behulp van SSE met ademgas tot en met een diepte van 50 meter, exclusief duiken vanuit een open duikklok.

    • B4. Duikarbeid met behulp van SSE met ademgas tot en met een diepte van 50 meter, inclusief duiken vanuit een open duikklok.

    C. Gesloten duikklok

    Duikarbeid met behulp van een gesloten duikklok met ademgas.

  • 2. Op het certificaat wordt altijd de volledige aanduiding van de betreffende categorie inclusief de eventueel gestelde voorwaarden vermeld.

  • 3. De certificerende instelling heeft de mogelijkheid om verschillende categorieën en voorwaarden op één certificaat te vermelden.

Paragraaf 7.1. Dieper duiken dan aangegeven in de categorie van het certificaat (geldt alleen voor de categorieën A3, B3, B4)
  • 1. Er kunnen zich situaties voordoen waarbij er dieper moet worden gedoken dan bij de categorie A3, B3 en B4 staat aangegeven.

  • 2. Het certificaat voor deze categorieën biedt de mogelijkheid om dieper te duiken indien er aanvullend een risico-inventarisatie- en evaluatie voor wordt opgesteld. Op basis hiervan wordt er een plan van aanpak opgesteld ten aanzien van apparatuur, de te gebruiken duiktabellen en noodprocedures.

  • 3. De duiker krijgt aantoonbare doeltreffende opleiding en training en de training is afgestemd op de type werkzaamheden.

  • 4. De werkgever is verantwoordelijk voor het opstellen van de aanvullende risico-inventarisatie- en evaluatie en het zo nodig verzorgen van de opleiding en training van de duiker.

Hoofdstuk 8. Entreecriteria
Paragraaf 8.1. A. SCUBA

De kandidaat wordt toegelaten tot het certificatieprocedure ter verkrijging van het wettelijk vereiste persoonscertificaat duikarbeid met aantekening van categorie A1, A2 of A3, indien hij voldoet aan de volgende entreecriteria:

  • a. de kandidaat heeft de leeftijd van minimaal 18 jaren bereikt;

  • b. de kandidaat beschikt over een geldig duikmedisch attest conform de eisen opgenomen in artikel 6.14a van het besluit;

  • c. de kandidaat kan een volledig en positief beoordeeld opleidingsportfolio overleggen van een opleiding in het verrichten van duikwerkzaamheden in de subcategorie waarvoor het certificaat aangevraagd wordt en die opleiding voldoet aan de volgende eisen:

    • 1°. de betrokken opleidingsinstelling is voor het geven van de betreffende opleiding blijkens een door de beheerstichting openbaar gemaakte lijst erkend door de certificerende instelling op grond van vooraf kenbaar gemaakte kwalificatie-eisen;

    • 2°. in alle gevallen voldoet de door de kandidaat gevolgde opleiding blijkens een door de opleidingsinstelling afgegeven opleidingsportfolio en het duiklogboek van de kandidaat aantoonbaar aan de eisen die dit certificatieschema stelt aan het betreffende opleidingscurriculum; en

  • d. de kandidaat is in het bezit van een geheel ingevuld duiklogboek dat:

    • 1°. is voorzien van een pasfoto; en

    • 2°. de duiken vermeldt die zijn verricht.

Paragraaf 8.2. B. SSE
  • 1. De kandidaat wordt toegelaten tot het certificatieprocedure ter verkrijging van het wettelijk vereiste persoonscertificaat duikarbeid met aantekening van categorie B0, B1, B2, B3 of B4, indien hij voldoet aan de volgende entreecriteria:

    • a. de kandidaat heeft de leeftijd van minimaal 18 jaren bereikt;

    • b. de kandidaat beschikt over een geldig duikmedisch attest conform de eisen opgenomen in artikel 6.14a van het besluit;

    • c. de kandidaat kan een volledig en positief beoordeeld opleidingsportfolio overleggen van een opleiding in het verrichten van duikwerkzaamheden in de subcategorie waarvoor het certificaat aangevraagd wordt en die opleiding voldoet aan de volgende eisen:

      • 1°. de betrokken opleidingsinstelling is voor het geven van de betreffende opleiding blijkens een door de beheerstichting openbaar gemaakte lijst door de certificerende instelling erkend op grond van vooraf kenbaar gemaakte kwalificatie-eisen; en

      • 2°. in alle gevallen voldoet de door de kandidaat gevolgde opleiding blijkens een door de opleidingsinstelling afgegeven opleidingsportfolio en het duiklogboek van de kandidaat aantoonbaar aan de eisen die dit certificatieschema stelt aan het betreffende opleidingscurriculum; en

    • d. de kandidaat is in het bezit van een geheel ingevuld duiklogboek dat:

      • 1°. is voorzien van een pasfoto; en

      • 2°. de duiken vermeldt die zijn verricht.

  • 2. In het geval van een aanvraag tot certificatie in subcategorie B0:

    • a. voldoet de kandidaat blijkens het resultaat van een afgenomen praktijkexamen ten minste aan beoordelingseisen zoals die gelden voor het verkrijgen van het persoonscertificaat duikarbeid in subcategorie A1, hetgeen de kandidaat kan aantonen door het overleggen van het betreffende persoonscertificaat dat door een certificerende instelling is afgegeven; of

    • b. heeft de kandidaat een volledig en positief beoordeelde opleidingsportfolio van een erkende opleidingsinstelling.

  • 3. In het geval van een aanvraag tot certificatie in subcategorie B1:

    • a. voldoet de kandidaat blijkens het resultaat van een afgenomen praktijkexamen ten minste aan beoordelingseisen zoals die gelden voor het verkrijgen van het persoonscertificaat duikarbeid in subcategorie A2, hetgeen de kandidaat kan aantonen door het overleggen van het betreffende persoonscertificaat dat door een certificerende instelling is afgegeven; of

    • b. heeft de kandidaat een volledig en positief beoordeelde opleidingsportfolio van een erkende opleidingsinstelling.

  • 4. In het geval van een aanvraag tot certificatie in subcategorie B2, B3 of B4:

    • a. voldoet de kandidaat blijkens het resultaat van een door een onafhankelijke en competente organisatie afgenomen praktijkexamen ten minste aan beoordelingseisen zoals die gelden voor het verkrijgen van het persoonscertificaat duikarbeid in subcategorie A3, hetgeen de kandidaat kan aantonen door het overleggen van het betreffende persoonscertificaat dat door een certificerende instelling is afgegeven; of

    • b. heeft de kandidaat een volledig en positief beoordeelde opleidingsportfolio van een erkende opleidingsinstelling.

Paragraaf 8.3. C. Gesloten duikklok

De kandidaat wordt toegelaten tot het certificatieprocedure ter verkrijging van het wettelijk vereiste persoonscertificaat duikarbeid met aantekening van categorie C, indien hij voldoet aan de volgende entreecriteria:

  • a. de kandidaat heeft de leeftijd van minimaal 18 jaren bereikt;

  • b. de kandidaat beschikt over een geldig duikmedisch attest conform de eisen opgenomen in artikel 6.14a van het besluit;

  • c. de kandidaat heeft ten minste 50 uren duikarbeid met SSE gemaakt;

  • d. de kandidaat voldoet blijkens het resultaat van een door een onafhankelijke en competente organisatie afgenomen praktijkexamen ten minste aan beoordelingseisen zoals die gelden voor het verkrijgen van het persoonscertificaat duikarbeid in subcategorie B4, hetgeen de kandidaat kan aantonen door het overleggen van het betreffende persoonscertificaat dat door een certificerende instelling is afgegeven;

  • e. de kandidaat kan een volledig en positief beoordeeld opleidingsportfolio overleggen van een opleiding in het verrichten van duikwerkzaamheden in de categorie waarvoor het certificaat aangevraagd wordt en die opleiding voldoet aan de volgende eisen:

    • 1°. de betrokken opleidingsinstelling is voor het geven van de betreffende opleiding blijkens een door de beheerstichting openbaar gemaakte lijst door de certificerende instelling erkend op grond van vooraf kenbaar gemaakte kwalificatie-eisen;

    • 2°. de door de kandidaat gevolgde opleiding voldoet blijkens een door de opleidingsinstelling afgegeven opleidingsportfolio en het duiklogboek van de kandidaat aantoonbaar aan de eisen die dit certificatieschema stelt aan het betreffende opleidingscurriculum; en

  • f. de kandidaat is in het bezit van een geheel ingevuld duiklogboek dat:

    • 1°. is voorzien van een pasfoto;

    • 2°. de duiken vermeldt die zijn verricht.

Paragraaf 8.4. Eisen aan het opleidingscurriculum
Paragraaf 8.4.1. Opleidingscurriculum A1 SCUBA (geconditioneerde omstandigheden)

Bij de duikopleiding die toegang geeft tot de certificatie in subcategorie A1 worden in elk geval de volgende leerdoelstellingen onderscheiden en onderwezen:

1. Duikvaardigheid

De kandidaat doet ervaring op met het gebruik van duikapparatuur van het type SCUBA bij het verrichten van werkzaamheden in het verband van een duikploeg, waarbij door de kandidaat minimaal 600 duikminuten worden gemaakt tot een maximale duikdiepte van 9 meter, waarvan;

  • a. minimaal 200 duikminuten tot en met een diepte van 3,5 meter in een zwembad onder geconditioneerde omstandigheden met een maximaal bereikbare diepte van 3,5 meter in plaats van 9 meter; en

  • b. minimaal 200 duikminuten in een duiktoren of bassin onder geconditioneerde omstandigheden tot een maximaal bereikte diepte van 9 meter, waarbij ten minste 6 duiken op een diepte van 9 meter diepte worden gemaakt.

2. Duikoefeningen

Voornoemde duikoefeningen worden uitgevoerd in het verband van een duikploeg. De kandidaat heeft hierbij zowel aan de oppervlakte als onder water op een zelfstandige wijze werkzaamheden uitgevoerd. Hierdoor heeft hij kennis en ervaring opgedaan met:

  • a. de werking en het gebruiksonderhoud van diverse duikapparatuur van het type SCUBA afgestemd op het gebruik in geconditioneerde omstandigheden tot en met een diepte van 9 meter;

  • b. het uitvoeren van noodprocedures, waaronder ten minste het opbrengen van een duiker in nood en het uitvoeren van een gecontroleerde opstijging;

  • c. het uitvoeren van een volledige pre-dive check;

  • d. het uitvoeren van een volledige post-dive check;

  • e. het uitvoeren van relevante werkmethoden;

  • f. het uitvoeren van eenvoudig schiemanswerk; en

  • g. het verzorgen van een rapportage.

3. Theoretische kennis

Voor het veilig kunnen verrichten van werkzaamheden in het verband van een duikploeg heeft de kandidaat theoretische kennis opgedaan ten aanzien van:

  • a. elementaire natuurkunde, fysiologie en kennis van duikerziekten en de daaraan verbonden EHBO-procedures conform de opleiding EHBO Duikarbeid;

  • b. de decompressierichtlijnen;

  • c. onderwatertechniek en -veiligheid waaronder teamverantwoordelijkheid, duikprocedures en noodprocedures;

  • d. communicatie, waaronder lijnsignalen en visuele seinen;

  • e. eenvoudig schiemanswerk;

  • f. relevante wet- en regelgeving; en

  • g. de algemeen erkende stand van de wetenschap en professionele dienstverlening in de sector werken onder overdruk.

Paragraaf 8.4.2. Opleidingscurriculum A2 SCUBA (tot en met een diepte van 15 meter)

Bij de duikopleiding die toegang geeft tot de certificatie in subcategorie A2 worden in aanvulling op de leerdoelstellingen voor subcategorie A1 in elk geval de volgende leerdoelstellingen onderscheiden en onderwezen:

1. Duikvaardigheid

De kandidaat doet ervaring op met het gebruik van duikapparatuur van het type SCUBA bij het verrichten van werkzaamheden in het verband van een duikploeg, waarbij door de kandidaat ten minste 300 duikminuten worden gemaakt en wordt voldaan aan de volgende specificaties:

  • a. maximaal 100 duikminuten onder geconditioneerde omstandigheden met een maximaal bereikbare diepte van 15 meter in plaats van 9 meter voor het oefenen van werkzaamheden onder water; en

  • b. minimaal 200 duikminuten in buitenwater, waarbij ten minste 6 duiken worden gemaakt op een diepte van 9 tot 15 meter.

2. Duikoefeningen

Voornoemde duikoefeningen worden uitgevoerd in het verband van een duikploeg. De kandidaat heeft hierbij zowel aan de oppervlakte als onder water op een zelfstandige wijze werkzaamheden uitgevoerd. Hierdoor heeft hij kennis en ervaring opgedaan met:

  • a. de werking en het gebruiksonderhoud van diverse duikapparatuur van het type SCUBA;

  • b. inwaterdecompressie behorend bij duiken tot en met een diepte van 15 meter;

  • c. werkzaamheden met niet-aangedreven handgereedschappen,

  • d. inspecties, zoek- en werkmethoden; en

  • e. het verzorgen van een rapportage.

3. Theoretische kennis

Voor het veilig kunnen verrichten van werkzaamheden in het verband van een duikploeg heeft de kandidaat theoretische kennis opgedaan ten aanzien van:

  • a. de decompressierichtlijn en -methode tot en met een diepte van 15 meter;

  • b. elementaire meteorologie en elementaire nautische theorie;

  • c. onderwatercommunicatie en -navigatie;

  • d. relevante wet- en regelgeving; en

  • e. de algemeen erkende stand van de wetenschap en professionele dienstverlening in de sector werken onder overdruk.

Paragraaf 8.4.3. Opleidingscurriculum A3 SCUBA (tot en met 30 meter)

Bij de duikopleiding die toegang geeft tot de certificatie in subcategorie A3 worden in aanvulling op de leerdoelstellingen voor subcategorie A1 en A2 in elk geval de volgende leerdoelstellingen onderscheiden en onderwezen:

1. Duikvaardigheid

De kandidaat doet ervaring op met het gebruik van duikapparatuur van het type SCUBA bij het verrichten van werkzaamheden in het verband van een duikploeg, waarbij door de kandidaat minimaal 200 duikminuten worden gemaakt waarvan:

  • a. ten minste 120 duikminuten in buitenwater op een diepte van 20 tot 30 meter met een totale tijd onder druk van 150 minuten, waarvan ten minste 30 duikminuten gekoppeld zijn aan inwater- en/of oppervlaktedecompressie; en

  • b. ten minste 1 duik op een diepte tussen 28 en 30 meter.

2. Duikoefeningen

Voornoemde duikoefeningen worden uitgevoerd in het verband van een duikploeg. De kandidaat heeft hierbij zowel aan de oppervlakte als onderwater op een zelfstandige wijze werkzaamheden uitgevoerd. Hierdoor heeft hij kennis en ervaring opgedaan met:

  • a. de werking en het gebruiksonderhoud van diverse duikapparatuur van het type SCUBA;

  • b. in-water en oppervlaktedecompressie als duiker;

  • c. uitvoeren van meer uitgebreid schiemanswerk en tuigage;

  • d. werkzaamheden met diverse gereedschappen en gebruik van takels en een hefballon (lifting);

  • e. inspecties, zoek- en werkmethoden; en

  • f. het verzorgen van een rapportage.

3.Theoretische kennis

Voor het veilig kunnen verrichten van werkzaamheden in het verband van een duikploeg heeft de kandidaat theoretische kennis opgedaan ten aanzien van:

  • a. de in-water en oppervlakte decompressierichtlijn en -methode;

  • b. relevante wet- en regelgeving; en

  • c. de algemeen erkende stand van de wetenschap en professionele dienstverlening in de sector werken onder overdruk.

Paragraaf 8.4.4. Opleidingscurriculum B0 SSE (geconditioneerde omstandigheden)

Bij de duikopleiding die toegang geeft tot de certificatie in subcategorie B0 worden in elk geval de volgende leerdoelstellingen onderscheiden en onderwezen:

1. Duikvaardigheid

De kandidaat doet ervaring op met het gebruik van duikapparatuur met ademluchtvoorziening van de oppervlakte (SSE) bij het verrichten van werkzaamheden in het verband van een duikploeg, waarbij door de kandidaat ten minste 100 duikminuten worden gemaakt en wordt voldaan aan de volgende specificaties:

  • a. minimaal 70 duikminuten in een geconditioneerde omstandigheden; en

  • b. minimaal 30 duikminuten in een duiktoren met een bereikbare diepte van 9 meter.

2. Duikoefeningen

Voornoemde duikoefeningen worden uitgevoerd in het verband van een duikploeg. De kandidaat heeft hierbij zowel aan de oppervlakte als onderwater op een zelfstandige wijze werkzaamheden uitgevoerd. Hierdoor heeft hij kennis en ervaring opgedaan met:

  • a. de werking en het gebruiksonderhoud van diverse duikapparatuur met ademgasvoorziening vanaf de oppervlakte (SSE);

  • b. het uitvoeren van noodprocedures, waaronder het opbrengen van een duiker in nood en het uitvoeren van noodopstijging;

  • c. het uitvoeren van een volledige pre-dive check;

  • d. het uitvoeren van een volledige post-dive check.

3. Theoretische kennis

Voor het veilig kunnen verrichten van werkzaamheden in het verband van een duikploeg heeft de kandidaat theoretische kennis opgedaan ten aanzien van:

  • a. relevante wet- en regelgeving;

  • b. de algemeen erkende stand van de wetenschap en professionele dienstverlening in de sector werken onder overdruk;

  • c. diverse duikuitrustingen;

  • d. duikprocedures;

  • e. noodprocedures; en

  • f. teamverantwoordelijkheid.

Paragraaf 8.4.5. Opleidingscurriculum B1 SSE (tot en met 15 meter)

Bij de duikopleiding die toegang geeft tot de certificatie in subcategorie B1 worden in aanvulling op de leerdoelstellingen voor B0 in elk geval de volgende leerdoelstellingen onderscheiden en onderwezen:

1. Duikvaardigheid

De kandidaat doet ervaring op met het gebruik van duikapparatuur met ademgasvoorziening van de oppervlakte (SSE) bij het verrichten van werkzaamheden in het verband van een duikploeg, waarbij door de kandidaat ten minste 300 duikminuten worden gemaakt en wordt voldaan aan de volgende specificaties:

  • a. minimaal 150 duikminuten in buitenwater op een diepte tot en met 10 meter; en

  • b. minimaal 150 duikminuten in buitenwater op een diepte tussen 10 en 15 meter.

2. Duikoefeningen

Voornoemde duikoefeningen worden uitgevoerd in het verband van een duikploeg. De kandidaat heeft hierbij zowel aan de oppervlakte als onderwater op een zelfstandige wijze werkzaamheden uitgevoerd. Hierdoor heeft hij kennis en ervaring opgedaan met:

  • a. het uitvoeren van zoek- en werkmethoden waaronder het uitvoeren van inspecties;

  • b. het uitvoeren van eenvoudig schiemanswerk en tuigage (hijsbanden en kabels); en

  • c. het verzorgen van een rapportage.

3. Theoretische kennis

Voor het veilig kunnen verrichten van werkzaamheden in het verband van een duikploeg heeft de kandidaat voor de in deze subcategorie aanvullende theoretische kennis opgedaan ten aanzien van:

  • a. relevante wet- en regelgeving;

  • b. de algemeen erkende stand van de wetenschap en professionele dienstverlening in de sector werken onder overdruk;

  • c. diverse duikuitrustingen;

  • d. duikprocedures;

  • e. noodprocedures;

  • f. teamverantwoordelijkheid;

  • g. decompresssiemethoden; en

  • h. eenvoudige schiemanswerk en tuigage (hijsbanden en kabels).

Paragraaf 8.4.6. Opleidingscurriculum B2 SSE (tot en met 30 meter)

Bij de duikopleiding die toegang geeft tot de certificatie in subcategorie B2 worden in aanvulling op de leerdoelstellingen voor subcategorie B0 en B1 in elk geval de volgende leerdoelstellingen onderscheiden en onderwezen:

1. Duikvaardigheid

De kandidaat doet ervaring op met het gebruik van duikapparatuur met ademgasvoorziening vanaf de oppervlakte (SSE) bij het verrichten van werkzaamheden in het verband van een duikploeg, waarbij door de kandidaat ten minste 500 duikminuten worden gemaakt en wordt voldaan aan de volgende specificaties:

  • a. minimaal 300 duikminuten voor werkzaamheden op een diepte tot en met 10 meter;

  • b. minimaal 150 duikminuten in buitenwater op een diepte tussen 10 en 20 meter gekoppeld aan inwaterdecompressie en oppervlaktedecompressie; en

  • c. minimaal 50 duikminuten in buitenwater op een diepte tussen 20 en 30 meter gekoppeld aan inwaterdecompressie en oppervlaktedecompressie.

2. Duikoefeningen

Voornoemde duikoefeningen worden uitgevoerd in het verband van een duikploeg. De kandidaat heeft hierbij zowel aan de oppervlakte als onderwater op een zelfstandige wijze werkzaamheden uitgevoerd. Hierdoor heeft hij kennis en ervaring opgedaan met:

  • a. uitvoeren van inwater-decompressie en oppervlaktedecompressie;

  • b. gebruik van:

    • 1°. mechanisch gereedschap: ten minste de schiethamer of hogedrukspuit,

    • 2°. pneumatisch en hydraulisch aangedreven gereedschap: de airlift of reactiespuit,

    • 3°. elektrisch onderwatergereedschap: ten minste onderwaterbrand- en lasapparatuur;

  • c. het duiken in buitenwater met stroomsnelheid van maximaal een 0,5 meter per seconde;

  • d. ten minste 2 duiken met een heetwaterpak;

  • e. ten minste 2 duiken met een LARS;

  • f. inspectiemethoden ten aanzien van schepen en kunstwerken; en

  • h. meer uitgebreid schiemanswerk en tuigage.

3. Theoretische kennis

Voor het veilig kunnen verrichten van werkzaamheden in het verband van een duikploeg heeft de kandidaat theoretische kennis opgedaan ten aanzien van:

  • a. meer uitgebreide relevante wet- en regelgeving;

  • b. de algemeen erkende stand van de wetenschap en professionele dienstverlening in de sector werken onder overdruk in meer uitgebreide zin;

  • c. het gebruik van aangedreven gereedschappen;

  • d. meer uitgebreide decompressiemethoden inclusief de werking en bediening van de decompressietank;

  • e. inspectie van kunstwerken; en

  • f. meer uitgebreid schiemanswerk en tuigage;

  • g. het gebruik van een heetwaterpak;

  • h. het gebruik van een LARS; en

  • i. het duiken in vervuild water.

Paragraaf 8.4.7. Opleidingscurriculum B3 SSE (tot 50 meter)

Bij de duikopleiding die toegang geeft tot de certificatie in subcategorie B3 worden in aanvulling op de leerdoelstellingen voor subcategorie B0, B1 en B2 in elk geval de volgende leerdoelstellingen onderscheiden en onderwezen:

1. Duikvaardigheid

De kandidaat doet ervaring op met het gebruik van duikapparatuur met ademgasvoorziening van de oppervlakte (SSE) voor het verrichten van werkzaamheden in het verband van een duikploeg, waarbij door de kandidaat ten minste 160 duikminuten worden gemaakt en waarbij de kandidaat minimaal 200 minuten totaal onder druk is geweest en wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • a. minimaal 80 duikminuten op een diepte van 30 tot 40 meter met een totale tijd onder druk van ten minste 100 minuten en ten minste 6 duiken van minimaal 10 duikminuten;

  • b. minimaal 80 duikminuten op een diepte van 40 tot 50 meter met een totale tijd onder druk van ten minste 100 minuten, waarbij ten minste 2 duiken van minimaal 25 minuten; en

  • c. ervaring met zowel inwater- als oppervlaktedecompressie.

2. Duikoefeningen

Voornoemde duikoefeningen worden uitgevoerd in het verband van een duikploeg. De kandidaat heeft hierbij zowel aan de oppervlakte als onderwater op een zelfstandige wijze werkzaamheden uitgevoerd. Hierdoor heeft hij kennis en ervaring opgedaan met:

  • a. uitvoeren van een inwater- en een oppervlaktedecompressie;

  • b. gebruik van aangedreven gereedschappen:

    • 1°. mechanisch gereedschap: ten minste de schiethamer of hogedrukspuit,

    • 2°. lucht- en waterdruk aangedreven gereedschap: ten minste de airlift of reactiespuit; en

    • 3°. hydraulisch en elektrisch onderwatergereedschap: ten minste onderwaterbrand- en lasapparatuur.

3. Theoretische kennis

Voor het veilig kunnen verrichten van werkzaamheden in het verband van een duikploeg heeft de kandidaat theoretische kennis opgedaan ten aanzien van:

  • a. theorie met betrekking tot dynamische positioneringssystemen; en

  • b. veiligheid op zee.

Paragraaf 8.4.8. Opleidingscurriculum B4 SSE (met open duikklok)

Bij de duikopleiding die toegang geeft tot de certificatie in subcategorie B4 worden in aanvulling op de leerdoelstellingen voor subcategorie B0, B1, B2 en B3 in elk geval de volgende leerdoelstellingen onderscheiden en onderwezen:

1. Duikvaardigheid

De kandidaat doet ervaring op met het gebruik van duikapparatuur met ademgasvoorziening vanaf de oppervlakte (SSE) voor het verrichten van werkzaamheden in het verband van een duikploeg, waarbij door de kandidaat ten minste 220 duikminuten worden gemaakt en de kandidaat ten minste 260 minuten totaal onder druk is geweest en wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • a. minimaal 90 duikminuten op een diepte tot 9 meter vanuit een open duikklok;

  • b. minimaal 60 duikminuten op een diepte van 9 tot 20 meter vanuit een open duikklok;

  • c. minimaal 30 duikminuten op een diepte van 30 tot 40 meter met een totale tijd onderdruk van 50 min, waarvan ten minste 2 duiken met een duiktijd van minimaal 10 minuten; en

  • d. minimaal 40 duikminuten op een diepte van 40 tot 50 meter met een totale tijd onder druk van 60 minuten, waarvan ten minste 1 duik met een minimale duiktijd van 25 minuten.

2. Duikoefeningen

Voornoemde duikenoefeningen worden uitgevoerd in het verband van een duikploeg. De kandidaat heeft hierbij zowel aan de oppervlakte als onderwater op een zelfstandige wijze werkzaamheden uitgevoerd. Hierdoor heeft hij kennis en ervaring opgedaan met:

  • a. optreden als zowel duiker als bell-man; en

  • b. uitvoeren van de bij de open duikklok behorende noodprocedures.

3. Theoretische kennis

Voor het veilig kunnen verrichten van werkzaamheden in het verband van een duikploeg heeft de kandidaat theoretische kennis opgedaan ten aanzien van:

  • a. functioneren en uitrusting van een open duikklok; en

  • b. procedures bij het gebruik van een open duikklok.

Paragraaf 8.4.9. Opleidingscurriculum C Gesloten duikklok (met ademgas)

Bij de duikopleiding die toegang geeft tot de certificatie in hoofdcategorie C worden in aanvulling op de leerdoelstellingen voor subcategorie B4 in elk geval de volgende leerdoelstellingen onderscheiden en onderwezen:

1. Duikvaardigheid

De kandidaat doet ervaring op met het gebruik van een gesloten duikklok bij het verrichten van werkzaamheden in het verband van een duikploeg door het uitvoeren van:

  • a. minimaal 1 bounceduik met de duikklok tot ten minste 100 meter met 3 lockouts:

    • 1°. een lockout tussen de 50 en 60 meter;

    • 2°. een lockout tussen 70 en 80 meter;

    • 3°. een lockout op ten minste 100 meter inclusief de bijbehorende procedures en oefeningen; en

  • b. minimaal 1 saturatieduik inclusief de bijbehorende procedures en oefeningen.

2. Duikoefeningen

Voornoemde duikoefeningen worden uitgevoerd in het verband van een duikploeg. De kandidaat heeft hierbij zowel aan de oppervlakte, in de gesloten klok als onder water op een zelfstandige wijze werkzaamheden uitgevoerd. Hierdoor heeft hij kennis en ervaring opgedaan met:

  • a. het bedienen van een decompressietank en het uitvoeren van alle hiervoor noodzakelijke procedures;

  • b. het werken als lid van de oppervlakte- en de duikploeg bij zowel bounce- als saturatieduiken;

  • c. het uitvoeren als duiker en bell-man van procedures voor in- en uitsluizen (lock-out) en vervoer onder druk (transport under pressure) volgens het vereiste programma; en

  • d. het bedienen van de droge duikklok in de rol van duiker inclusief het uitvoeren van de noodzakelijke controles en noodprocedures.

3. Theoretische kennis

Voor het veilig kunnen verrichten van werkzaamheden in het verband van een duikploeg heeft de kandidaat theoretische kennis opgedaan ten aanzien van:

  • a. natuurkunde, fysiologie en kennis van duikerziekten met de daaraan verbonden EHBO-procedures voor duiken met ademgas;

  • b. decompressietanks, ten minste over gassystemen, gasbewaking, brandbestrijding, sanitaire systemen, communicatie en noodprocedures;

  • c. duikklokken, ten minste over gassystemen, scrubbers, verwarming, communicatie en het ballasten;

  • d. gasterugwinningssystemen en overlevingsapparatuur; en

  • e. relevante wet- en regelgeving.

Paragraaf 8.5. Algemene eisen duiklogboek
  • 1. De beoordeling of de duikervaring van de kandidaat voldoet aan de eisen die daarover gesteld zijn in de entreecriteria, bedoeld in hoofdstuk 8, en in de eindtermen, bedoeld in hoofdstuk 9, vindt mede plaats aan de hand van het duiklogboek.

  • 2. Iedere persoon die duikarbeid verricht houdt overeenkomstig artikel 6.16, vijfde lid, van het besluit een duiklogboek bij.

  • 3. Het duiklogboek maakt uitsluitend melding van uitgevoerde duikarbeid.

  • 4. Het duiklogboek maakt ten minste melding van:

    • a. aard van de duik;

    • b. gevolgde schema van de vermelde duik;

    • c. gevolgde decompressieverloop;

    • d. duikminuten;

    • e. datum van de duik;

    • f. aanvangstijdstip en eindtijd van de duik;

    • g. totale tijd onder druk;

    • h. aard van het gebruikte duikmaterieel;

    • i. aard van de verrichte werkzaamheden;

    • j. bijzondere sessies, zoals noodprocedures, veiligheidsmaatregelen en aanvullende competenties; en

    • k. maximaal bereikte diepte.

  • 5. In het duiklogboek wordt bij iedere duik:

    • a. een handtekening geplaatst door de duiker;

    • b. een aftekening inclusief duikploegleidernummer geplaatst door de duikploegleider.

  • 6. Het duikerlogboek heeft paginanummers en de pagina’s zijn doorgenummerd.

Paragraaf 8.6. Beoordeling van de entreecriteria

De certificerende instelling beoordeelt door controle van het portfolio of voldaan wordt aan de entreecriteria, bedoeld in hoofdstuk 8. Het portfolio bestaat voor de respectievelijke categorieën ten minste uit:

A. SCUBA:

  • 1. kopie van een geldig identiteitsbewijs;

  • 2. kopie van het duiklogboek;

  • 3. een volledig en positief beoordeeld opleidingsportfolio van een opleiding in het verrichten van duikwerkzaamheden in de categorie waarvoor het certificaat is aangevraagd, afgegeven door een door de certificerende instelling erkende opleidingsinstelling;

  • 4. attest dat de duiker duikmedisch is goedgekeurd door een duikerarts overeenkomstig artikel 6.14a van het besluit.

B. SSE:

  • 1. kopie van een geldig identiteitsbewijs;

  • 2. kopie van het duiklogboek;

  • 3. persoonscertificaat duikarbeid in categorie A2 respectievelijk A3 of een volledig en positief beoordeeld opleidingsportfolio van de subcategorie A2 respectievelijk A3;

  • 4. een volledig en positief beoordeeld opleidingsportfolio van een opleiding tot het verrichten van duikwerkzaamheden in de categorie waarvoor het certificaat aangevraagd wordt, afgegeven door een door de certificerende instelling erkende opleidingsinstelling;

  • 5. attest dat de duiker duikmedisch is goedgekeurd door een duikerarts overeenkomstig artikel 6.14a van het besluit.

C. Gesloten duikklok:

  • 1. kopie van een geldig identiteitsbewijs;

  • 2. kopie van het duiklogboek;

  • 3. persoonscertificaat duikarbeid in categorie B4 of een volledig en positief beoordeeld opleidingsportfolio van de subcategorie B4;

  • 4. een volledig en positief beoordeeld opleidingsportfolio van een opleiding in het verrichten van duikwerkzaamheden in de categorie waarvoor het certificaat aangevraagd wordt, afgegeven door een door de certificerende instelling erkende opleidingsinstelling;

  • 5. attest dat de duiker duikmedisch is goedgekeurd door een duikerarts overeenkomstig artikel 6.14a van het besluit.

Hoofdstuk 9. Eindtermen
Paragraaf 9.1. A. SCUBA
  • 1. De kandidaat is in staat duikarbeid te verrichten in categorie A1, indien hij voldoet aan de volgende eindtermen:

    T1. de kandidaat heeft kennis op het gebied van natuurkunde, fysiologie en duikerziekten;

    T2. de kandidaat is in staat individueel en in teamverband voorbereidend en afrondend werk te verrichten in een duikploeg;

    T3. de kandidaat is in staat op te treden als reserveduiker;

    T4. de kandidaat is in staat andere duikers te ondersteunen bij het verrichten van duikarbeid;

    T5. de kandidaat is in staat noodprocedures uit te voeren en assistentie te verlenen bij noodgevallen;

    T6. de kandidaat heeft kennis van de gevaren van duikarbeid tot en met een diepte van 9 meter en is in staat de relevante veiligheidsmaatregelen uit te voeren; en

    T7. de kandidaat is in staat om binnen geconditioneerde omstandigheden onder water werkzaamheden te verrichten met niet aangedreven gereedschap.

  • 2. De kandidaat is vakbekwaam in het verrichten van de duikarbeid in categorie A2, indien de kandidaat voldoet aan de hiervoor genoemde eindtermen T1 tot en met T5 en tevens voldoet aan de volgende eindtermen:

    T6A2. de kandidaat heeft kennis van de gevaren van duikarbeid in buitenwater tot en met een diepte van 15 meter binnen de limieten van No Deco duiktijden en is in staat de relevante veiligheidsmaatregelen uit te voeren; en

    T7A2. de kandidaat is in staat uiteenlopende werkzaamheden te verrichten met diverse niet aangedreven handgereedschappen in buitenwater tot en met een diepte van 15 meter met behulp van SCUBA.

  • 3. De kandidaat is vakbekwaam in het verrichten van de duikarbeid in categorie A3, indien de kandidaat voldoet aan de hiervoor genoemde eindtermen T1 tot en met T5 en tevens voldoet aan de volgende eindtermen:

    T6A3. de kandidaat heeft kennis van de gevaren van duikarbeid in buitenwater tot met een diepte van 30 meter en is in staat de relevante veiligheidsmaatregelen uit te voeren; en

    T7A3. de kandidaat is in staat uiteenlopende werkzaamheden in buitenwater tot en met een diepte van 30 meter met behulp van SCUBA uit te voeren en hierbij gereedschappen en hulpmiddelen te gebruiken, zoals takels en een hefballon.

Paragraaf 9.2. B. SSE
  • 1. De kandidaat is vakbekwaam in het verrichten van duikarbeid in categorie B0, indien de kandidaat in aanvulling op de eindtermen van categorie A2 voldoet aan de volgende eindtermen:

    T8. de kandidaat is in staat duikmaterieel voor ademgasvoorziening vanaf de oppervlakte te bedienen en als gebruiker te onderhouden;

    T9B0. de kandidaat is in staat deel te nemen in het functioneren van de duikploeg waarin met SSE wordt gedoken in geconditioneerde omstandigheden tot en met een diepte van 9 meter;

    T10B0. de kandidaat heeft kennis van de gevaren van de duikarbeid met ademgasvoorziening van de oppervlakte tot en met een diepte van 9 meter en is in staat de relevante veiligheidsmaatregelen en noodprocedures uit te voeren; en

    T11B0. de kandidaat is in staat om onder geconditioneerde omstandigheden onder water werkzaamheden te verrichten met niet aangedreven handgereedschap.

  • 2. De kandidaat is vakbekwaam in het verrichten van duikarbeid in categorie B1, indien hij in aanvulling op de eindterm van T8 van de categorie B0 voldoet aan de volgende eindtermen:

    T9B1. de kandidaat is in staat deel te nemen in het functioneren van de duikploeg waarin met SSE wordt gedoken in buitenwater tot en met een diepte van 15 meter; en

    T10B1. de kandidaat heeft kennis van de gevaren van de duikarbeid met ademgasvoorziening van de oppervlakte tot en met een diepte van 15 meter binnen de limieten van No Deco duiktijden en is in staat de relevante veiligheidsmaatregelen en noodprocedures uit te voeren.

  • 3. De kandidaat is vakbekwaam in het verrichten van duikarbeid in categorie B2, indien de kandidaat in aanvulling op de eindtermen van categorie A3 voldoet aan de volgende eindtermen:

    T8B2. de kandidaat is in staat duikmaterieel voor ademgasvoorziening van de oppervlakte dat gebruikt wordt bij werkzaamheden tot en met een diepte van 30 meter te gebruiken en als gebruiker te onderhouden;

    T9B2. de kandidaat is in staat te functioneren in een duikploeg waarin met SSE wordt gedoken in buitenwater met een droogpak dan wel heetwaterpak tot en met een diepte van 30 meter inclusief duiken in verontreinigd water;

    T10B2. de kandidaat heeft kennis van de gevaren van de duikarbeid met ademgasvoorziening van de oppervlakte tot en met een diepte van 30 meter en is in staat de relevante veiligheidsmaatregelen en noodprocedures uit te voeren; en

    T11B2. de kandidaat is in staat uiteenlopende werkzaamheden onder water te verrichten, waarbij gebruik gemaakt wordt van een LARS en van aangedreven gereedschappen.

  • 4. De kandidaat is vakbekwaam in het verrichten van duikarbeid in categorie B3, indien de kandidaat in aanvulling op de eindtermen van categorie A3 voldoet aan de eindterm T11B2 en voldoet aan de volgende eindtermen:

    T8B3. de kandidaat is in staat duikmaterieel voor ademgasvoorziening van de oppervlakte dat gebruikt wordt bij werkzaamheden tot en met 50 meter te gebruiken en als gebruiker te onderhouden;

    T9B3. de kandidaat is in staat deel te nemen in het functioneren van de duikploeg waarin met SSE wordt gedoken in buitenwater met een droogpak dan wel heetwaterpak tot en met een diepte van 50 meter; en

    T10B3. de kandidaat heeft kennis van de gevaren van de duikarbeid met ademgasvoorziening van de oppervlakte tot en met een diepte van 50 meter en is in staat de relevante veiligheidsmaatregelen en noodprocedures uit te voeren.

  • 5. De kandidaat is vakbekwaam in het verrichten van duikarbeid in categorie B4, indien de kandidaat in aanvulling op de eindtermen van categorie A3 en B3 voldoet aan de volgende eindtermen:

    T8B4. de kandidaat is in staat duikmaterieel voor ademgasvoorziening vanaf de oppervlakte, waaronder de open duikklok, te gebruiken en als gebruiker te onderhouden;

    T9B4. de kandidaat is in staat te functioneren in de duikploeg waarin met SSE wordt gedoken vanuit een open duikklok in buitenwater;

    T10B4. de kandidaat heeft kennis van de gevaren van de duikarbeid met ademgasvoorziening vanaf de oppervlakte in en rond een open duikklok en is in staat de relevante veiligheidsmaatregelen en noodprocedures uit te voeren; en

    T11B4. de kandidaat is in staat uiteenlopende werkzaamheden onder water uit te voeren vanuit een open duikklok.

Paragraaf 9.3. C. Gesloten duikklok

De kandidaat is vakbekwaam in het verrichten van duikarbeid in categorie C, indien de kandidaat in aanvulling op de eindtermen van categorie A3 en B4 voldoet aan de volgende eindtermen:

T12C. de kandidaat heeft uitgebreide kennis op het gebied van natuurkunde, fysiologie en acute en chronische duikerziekten in relatie tot duikarbeid waarbij in het lichaam van de duiker saturatie optreedt;

T13C. de kandidaat is in staat voor zichzelf en anderen het materiaal te bedienen dat wordt gebruikt bij duiken met een gesloten duikklok en saturatieduiken;

T14C. de kandidaat heeft kennis van de gevaren van het gebruik van de gesloten duikklok en is in staat de relevante veiligheidsmaatregelen en noodprocedures uit te voeren; en

T15C. de kandidaat is in staat de procedures voor het in- en uitsluizen (lock-out) en het vervoer onder druk uit te voeren.

Hoofdstuk 10. Toetsmethodiek bij initiële certificatie
Paragraaf 10.1. Toetscriteria

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

elementaire kennis:

het onthouden, begrijpen en kunnen toepassen van de begrippen en belangrijkste gedachtegangen binnen het genoemde vakgebied;

uitgebreide kennis:

het onthouden, begrijpen, kunnen toepassen, analyseren en evalueren van de kennis binnen het genoemde vakgebied en het creëren van nieuwe oplossingen binnen het genoemde vakgebied.

Paragraaf 10.1.1. A. SCUBA

De vakbekwaamheid van de kandidaat wordt door de certificerende instelling voor de verkrijging van het persoonscertificaat duikarbeid in categorie A1, A2 en A3 getoetst aan de volgende toetscriteria:

T1 De kandidaat beschikt over elementaire kennis op het gebied van natuurkunde, fysiologie en duikerziekten

T1.1

Elementaire kennis van natuurkunde, waaronder ten minste hyperbare fysica, de gaswetten en de natuurkundige effecten van overdruk.

T1.2

Elementaire kennis van duikmedische fysiologie, duikerziekten en de lange termijneffecten van het duiken.

T2 De kandidaat verricht individueel en in teamverband voorbereidend en afrondend werk in een duikploeg

T2.1

Uitgebreide kennis en vaardigheden ten aanzien van het gereed zetten en opruimen van eenvoudig gereedschap voor gebruik onder water en verschillende types van SCUBA inclusief het gebruiksonderhoud hiervan, dit alles afgestemd op het gebruik tot en met de maximale diepte behorende bij de categorie van het aangevraagde certificaat.

T2.2

Voor A1:

Vaardigheden en elementaire kennis ten aanzien van schiemanswerk bestaande uit omgang met touwwerk, het opschieten van lijnen en het leggen van elementaire knopen, met name de platte knoop, mastworp met halve steken en paalsteek.

Voor A2:

Vaardigheden en elementaire kennis ten aanzien van schiemanswerk en tuigage bestaande uit de herkenning van verschillende soorten touwwerk, hijsbanden en kabels en de omgang hiermee en het leggen van verschillende knopen en steken.

Voor A3:

Vaardigheden en uitgebreide kennis en vaardigheden ten aanzien van schiemanswerk en tuigage bestaande uit de herkenning van verschillende soorten touwwerk en kabels en de omgang hiermee, het leggen van verschillende knopen en steken.

T2.3

Voor A1, A2, :

Vaardigheden en elementaire kennis ten aanzien van het bijhouden van het duiklogboek.

Voor A3:

Vaardigheden en uitgebreide kennis ten aanzien van het bijhouden van het duiklogboek en elementaire kennis en vaardigheden ten aanzien van het rapporteren over verrichte werkzaamheden onder water.

T3 De kandidaat treedt op als reserveduiker

T3.1

Vaardigheden en uitgebreide kennis van deelname als reserveduiker aan de duikploeg, dit alles afgestemd op het duiken tot en met de maximale diepte behorende bij de categorie van het aangevraagde certificaat.

T4 De kandidaat ondersteunt andere duikers bij het verrichten van duikarbeid

T4.1

Voor A1:

Vaardigheden en uitgebreide kennis ten aanzien van communicatie met duikers onder water en met de omgeving, waaronder het gebruik van lijnsignalen en visuele seinen.

Voor A2 en A3:

Vaardigheden en uitgebreide kennis ten aanzien van communicatie met duikers onder water en met de omgeving, waaronder het gebruik van lijnsignalen en visuele seinen alsmede elektronische communicatie-apparatuur.

T5 De kandidaat voert noodprocedures uit en verleent assistentie bij noodgevallen

T5.1

Vaardigheden en uitgebreide kennis ten aanzien van de voorgeschreven handelswijze in het geval van een ongeval of incident.

T5.2

Voor A1:

Uitvoeren van veiligheids- en noodprocedures:

a) materiaal controleren en voor gebruik gereedmaken

b) uitvoeren en ondergaan van pre-dive- en post-divechecks;

c) duiker in nood van een diepte van 9 meter op veilige wijze omhoog brengen;

d) noodopstijging als vrije opstijging uitvoeren vanaf een diepte van 9 meter.

Voor A2:

Als voor A1 met de toevoeging dat de casus wordt uitgevoerd bij (gesimuleerde) werkzaamheden met niet aangedreven handgereedschappen.

Voor A3:

Als voor A1 met de toevoeging dat de casus wordt uitgevoerd bij (gesimuleerde) werkzaamheden met takels of een hefballon.

T6 De kandidaat onderkent de gevaren van de duikarbeid en voert de relevante veiligheidsmaatregelen uit

T6.1

Uitgebreide kennis van de relevante wet- en regelgeving.

T6.2

Vaardigheden en uitgebreide kennis ten aanzien van de operationele duikprocedures, veiligheid en verschillende communicatiemiddelen.

T6.3

Elementaire kennis van de toepassing van decompressierichtlijnen en de decompressiemethodes.

T6.4

Vaardigheden en uitgebreide kennis ten aanzien van de controle en gebruikersonderhoud van SCUBA, dit alles afgestemd op het duiken tot de diepte behorend bij de categorie van het aangevraagde certificaat.

T6.5

Elementaire kennis van de risico-inventarisatie en -evaluatie en beheersmaatregelen van specifieke gevaren die verbonden zijn aan de omgeving waarin wordt gewerkt.

T6.6

Voor A2 en A3:

Elementaire kennis van de specifieke gevaren en beheersmaatregelen die verbonden zijn aan de omgeving waarin wordt gewerkt, bijvoorbeeld het werken in omgevingen met scheepvaartverkeer, slecht zicht of stroming.

T6.7

Voor A2 en A3:

Elementaire kennis ten aanzien van zeemanschap, waaronder ten minste nautische theorie,

navigatie, elementaire meteorologie en het gebruik van getijde-atlassen en stroomkaarten.

T7 De kandidaat verricht uiteenlopende werkzaamheden onder water met behulp van SCUBA

T7.1

Duikervaring met SCUBA zoals volgens de categorieën in deze bijlage is voorgeschreven.

T7.2

Voor A1 en A2:

Uitvoeren van een afdaling naar 9 meter diepte en hierbij op de juiste wijze trimmen.

Voor A3:

Uitvoeren van een afdaling naar 20 meter diepte en hierbij op de juiste wijze trimmen gevolgd door een opstijging met inwater-decompressie.

T7.3

Uitgebreide kennis en vaardigheden ten aanzien van het gebruik van verschillende typen SCUBA, afgestemd op het gebruik tot de diepte behorende bij de categorie van het aangevraagde certificaat.

T7.4

Uitgebreide kennis en vaardigheden ten aanzien van het gebruik van trimmethodes, afgestemd op het gebruik tot de diepte behorende bij de categorie van het aangevraagde certificaat.

T7.5

Voor A3:

Vaardigheden en uitgebreide kennis ten aanzien van inspectiemethoden aan schepen, bouwkundige kunstwerken.

T7.6

Voor A3:

Vaardigheden en uitgebreide kennis en aanzien van het gebruik van de hefballon.

T7.7

Voor A1:

Elementaire kennis van het droogpak en ten minste 1 duik met droogpak.

Voor A2 en A3:

Vaardigheden en uitgebreide kennis van het droogpak.

Paragraaf 10.1.2. B. SSE

De vakbekwaamheid van de kandidaat wordt voor de beoordeling ter verkrijging van het persoonscertificaat duikarbeid:

  • a. in categorie B0 of B1 getoetst aan de toetscriteria voor het persoonscertificaat duikarbeid in categorie A2; en

  • b. in categorie B2, B3 of B4 getoetst aan de toetscriteria voor het persoonscertificaat duikarbeid in categorie A3;

die elk worden aangevuld met de volgende relevante toetscriteria:

T8 De kandidaat gebruikt en onderhoudt materieel op het niveau van de gebruiker voor ademgasvoorziening vanaf de oppervlakte

T8.1

Vaardigheden en uitgebreide kennis ten aanzien van schiemanswerk en tuigage ten aanzien van materieel met ademgasvoorziening vanaf de oppervlakte, dit alles afgestemd op het gebruik bij de categorie van het aangevraagde certificaat:

B0: maximaal 9 meter

B1: maximaal 15 meter

B2: maximaal 30 meter

B3: maximaal 50 meter

B4: maximaal 50 meter vanuit een open duikklok.

T8.2

Uitgebreide kennis van de theorie over de werking van ademgasvoorziening vanaf de oppervlakte en samenstelling van het ademgas.

T9 De kandidaat is in staat te functioneren in de duikploeg waarin met SSE wordt gedoken

T9.1

Vaardigheden en uitgebreide kennis ten aanzien van communicatie met duikers in uiteenlopende situaties tijdens de duikoperatie, dit alles afgestemd op het gebruik tot de diepte behorende bij de categorie van het aangevraagde certificaat.

T9.2

Vaardigheden en uitgebreide kennis ten aanzien van de ondersteuning van duikers bij de verrichting van hun werkzaamheden, dit alles afgestemd op het gebruik tot de diepte behorende bij de categorie van het aangevraagde certificaat.

T9.3

Vaardigheden en uitgebreide kennis ten aanzien van noodprocedures en deelname als reserveduiker aan de duikploeg, dit alles afgestemd op het gebruik tot de diepte behorende bij de categorie van het aangevraagde certificaat.

T10 De kandidaat onderkent de gevaren van de duikarbeid met ademgasvoorziening vanaf de oppervlakte en voert de relevante veiligheidsmaatregelen en noodprocedures uit

T10.1

Uitgebreide kennis van de gedragingen van ademgassen onder overdruk bij het gebruik van SSE.

T10.2

Uitgebreide kennis van de relevante wet- en regelgeving.

T10.3

Voor B0:

Uitvoeren van veiligheids- en noodprocedures in een casus waarbij (gesimuleerd) werkzaamheden worden uitgevoerd met niet aangedreven gereedschap:

a) materiaal controleren en voor gebruik gereedmaken;

b) uitvoeren en ondergaan van pre-dive- en post-divechecks;

c) duiker in nood van een diepte van 9 meter op veilige wijze omhoog brengen;

d) overschakelen op bail-out voorziening gevolgd door een opstijging vanaf een diepte van 9 meter.

Voor B1:

Uitvoeren van veiligheids- en noodprocedures in een casus waarbij (gesimuleerd) wordt gewerkt met handgereedschap:

a) materiaal controleren en voor gebruik gereedmaken;

b) uitvoeren en ondergaan van pre-dive- en post-divechecks;

c) duiker in nood van een diepte van 9 meter op veilige wijze omhoog brengen;

d) overschakelen op bail-out voorziening gevolgd door een opstijging vanaf een diepte van 9 meter.

Voor B2 en B3:

Uitvoeren van veiligheids- en noodprocedures in een casus waarbij (gesimuleerd) wordt gewerkt op een diepte tussen 9 en 15 meter met aangedreven gereedschap en/of gewerkt wordt met LARS-systeem.

a) materiaal controleren en voor gebruik gereedmaken;

b) uitvoeren en ondergaan van pre-dive- en post-divechecks;

c) duiker in nood van een diepte van 9 meter op veilige wijze omhoog brengen;

d) overschakelen op bail-out voorziening gevolgd door een opstijging vanaf een diepte van 9 meter.

Voor B4:

Uitvoeren van veiligheids- en noodprocedures in een casus waarbij vanuit een open duikklok (gesimuleerd) wordt gewerkt met aangedreven gereedschap:

a) materiaal controleren en voor gebruik gereedmaken;

b) uitvoeren en ondergaan van pre-dive- en post-divechecks;

c) op een diepte van 12 meter een duiker in nood op veilige wijze in de open duikklok brengen die op een diepte van 9 meter verblijft en in de open duikklok de procedures uitvoeren.

T10.4

Voor B1:

Vaardigheden en uitgebreide kennis van decompressierichtlijnen en decompressiemethoden bij duiken tot en met een diepte van 15 meter.

Voor B2, B3 en B4:

Vaardigheden en uitgebreide kennis van decompressierichtlijnen en decompressiemethoden inclusief de werking en de bediening van de decompressietank.

T10.5

Voor B4:

Vaardigheden en uitgebreide kennis met betrekking tot de open duikklok, inclusief noodprocedures.

T10.6

Voor B2, B3 en B4

Uitgebreide kennis van duiken in verontreinigd water.

T11 De kandidaat verricht uiteenlopende werkzaamheden onder water en bedient zich van meer typen materieel met ademgasvoorziening vanaf de oppervlakte, hulpmaterieel en verschillende gereedschappen

T11.1

Duikervaring met SSE de categorieën B0, B1, B2, B3 of B4 zoals volgens de categorieën in deze bijlage is voorgeschreven.

T11.2

Voor B0 en B1:

Uitvoeren van een afdaling naar 9 meter diepte gevolgd door een opstijging.

Voor B2 en B3:

Uitvoeren van een afdaling naar 20 meter diepte gevolgd door een opstijging met inwater-decompressie.

Voor B4:

Uitvoeren van een afdaling en opstijging met behulp van een open duikklok in open water gekoppeld aan inwaterdecompressie.

T11.3

Voor B2, B3 en B4

Vaardigheden en uitgebreide kennis ten aanzien van het gebruik van een onderwatercamera.

T11.4

Voor B2, B3 en B4:

Vaardigheden en uitgebreide kennis ten aanzien van aangedreven gereedschap, waarbij deze vaardigheden ten dele worden gecombineerd met het gebruik van een LARS.

T11.5

Voor B2, B3 en B4:

Vaardigheden en uitgebreide kennis ten aanzien van heetwaterpak.

T11.6

Voor B3 en B4:

Elementaire kennis van de theorie met betrekking tot dynamische positioneringssystemen.

Paragraaf 10.1.3. C. Gesloten duikklok

De vakbekwaamheid van de kandidaat wordt ter verkrijging van het persoonscertificaat duikarbeid in categorie C getoetst aan de volgende aanvullende toetscriteria:

T12 De kandidaat beschikt over uitgebreide kennis op het gebied van natuurkunde, fysiologie en acute en chronische duikerziekten in relatie tot duikarbeid waarbij in het lichaam van de duiker saturatie optreedt

T12.1

Uitgebreide kennis van de fysische theorie over het gebruik van ademgas en de gevolgen hiervoor voor de anatomie.

T12.2

Vaardigheden en uitgebreide kennis ten aanzien van het functioneren van de duikploeg bij het gebruik van ademgas en saturatie.

T13 De kandidaat bedient in zijn rol als duiker voor zichzelf en anderen het materiaal dat wordt gebruikt bij duiken met een gesloten duikklok en bij saturatieduiken

T13.1

Uitgebreide theoretische kennis met betrekking tot het saturatiesysteem, waaronder gassystemen, gasbewaking, brandbestrijding, sanitaire systemen, communicatie en noodprocedures.

T13.2

Vaardigheden en elementaire kennis ten aanzien van het als duiker omgaan met saturatiesysteem en het uitvoeren van alle hiervoor noodzakelijke procedures.

T13.3

Vaardigheden en uitgebreide theoretische kennis ten aanzien van de gesloten duikklok, waaronder gassystemen, scrubbers, verwarming, communicatie en het ballasten.

T13.4

Vaardigheden en uitgebreide kennis ten aanzien van de bediening van de gesloten duikklok inclusief het uitvoeren van de noodzakelijk controles.

T14 De kandidaat onderkent de gevaren van het gebruik van de gesloten duikklok en voert de relevante veiligheidsmaatregelen en noodprocedures uit

T14.1

Uitgebreide theoretische kennis en één duik waarbij overlevingsapparatuur gebruikt wordt dan wel gesimuleerd wordt.

T14.2

Uitgebreide kennis van de relevante wet- en regelgeving.

T15 De kandidaat is vaardig in de uitvoering van de procedures voor het in- en uitsluizen (lock-out) en het vervoer onder druk

T15.1

Ervaring als lid van de oppervlakte- en duikploeg bij zowel bounce- als saturatieduiken.

T15.2

Duikervaring met een open duikklok zoals voor paragraaf 8.3, categorie C vereist is in het opleidingscurriculum

Paragraaf 10.2. Beoordeling eindtermen
  • 1. De certificerende instelling beoordeelt of aan de eindtermen wordt voldaan door middel van:

    • a. de beoordeling van het opleidingsportfolio;

    • b. het afnemen van een theorie examen; en

    • c. het afnemen van een praktijkexamen.

  • 2. De cesuur is opgenomen in het examenreglement.

Paragraaf 10.2.1. Beoordeling opleidingsportfolio
  • 1. De ervaring, duikervaring en vaardigheden omschreven in de toetscriteria, bedoeld in hoofdstuk 10, worden door middel van een documentenonderzoek van het opleidingsportfolio beoordeeld tegen de relevante eindtermen T1 tot en met T15.

  • 2. Het volledig en positief beoordeelde opleidingsportfolio van de afgeronde opleiding van de kandidaat alsmede zijn duiklogboek tonen aan dat de kandidaat minimaal voldoet aan de eindtermen die in deze bijlage zijn gesteld aan de betreffende categorie duikarbeid.

  • 3. De kandidaat kan, wanneer de opleidingsinstelling een leerlingvolgsysteem of toetskaart ter beschikking stelt, daarmee aan de certificerende instelling inzicht verschaffen in:

    • a. iedere verrichting die in het kader van de opleiding is gedaan;

    • b. aanwezigheid van de kandidaat tijdens alle theoretische en praktische onderdelen van de opleiding;

    • c. bijzonderheden;

    • d. een beoordeling;

    • e. een indicatie van de leerprogressie; en

    • f. tussentijdse evaluaties die zijn afgetekend door de instructeur.

  • 4. Indien de duikvaardigheid van de kandidaat in het kader van de entreecriteria voor het examen als onvoldoende wordt beoordeeld, wordt de certificatie geweigerd of wordt als maatregel voorgeschreven dat de kandidaat zijn duikvaardigheid aanvult door het volgen van een duikopleiding die aan de kwalificatie-eisen voldoet.

Paragraaf 10.2.2. Theorie-examen A. SCUBA
  • 1. Het theorie-examen voor duikarbeid in categorie A beslaat 6 thema’s:

    • a. duikerziekten;

    • b. decompressie;

    • c. duiken algemeen;

    • d. veiligheid, wet- en regelgeving;

    • e. natuurkunde; en

    • f. zeemanschap.

  • 2. Het examen over deze zes thema’s kan door de certificerende instelling worden afgenomen in één theorie-examen dan wel in maximaal zes deelexamens.

  • 3. Het theorie-examen wordt door de certificerende instelling afgestemd op de categorie van certificatie die door de kandidaat is aangevraagd.

  • 4. Indien onderdelen van de theorie niet voor de categorie van toepassing zijn, komen deze onderdelen te vervallen.

  • 5. In het theorie-examen toont de kandidaat zijn kennis ten aanzien van de relevante toetscriteria aan:

Thema

Toetscriteria

Duikerziekten

T1.2

Decompressie

T6.3

Duiken algemeen

T2.1; T2.2; T2.3; T3.1; T4.1; T5.1; T6.2; T6.4; T7.3; T7.4; T7.5; T7.6

Veiligheid, wet- en regelgeving

T6.1; T6.5

Natuurkunde

T1.1

Zeemanschap

T2.1; T6.6; T6.7

Paragraaf 10.2.3. Theorie-examen B. SSE
  • 1. Het theorie-examen voor duikarbeid in categorie B beslaat vier thema’s:

    • a. decompressie;

    • b. duiken algemeen;

    • c. veiligheid, wet- en regelgeving; en

    • d. natuurkunde.

  • 2. Het examen over deze vier thema’s kan door de certificerende instelling worden afgenomen in één examen dan wel in maximaal vier deelexamens.

  • 3. Het theorie-examen wordt door de certificerende instelling afgestemd op de categorie van certificatie die door de kandidaat is aangevraagd.

  • 4. Indien onderdelen van de theorie niet voor de categorie van toepassing zijn, komen deze onderdelen te vervallen.

  • 5. In het theorie-examen toont de kandidaat zijn kennis ten aanzien van de relevante toetscriteria aan:

Thema

Toetstcriteria

Decompressie

T10.4

Duiken algemeen

T8.1; T8.2;T9.1; T9.2; T9.3; T10.5; T10.6; T11.3; T11.4; T11.5; T11.6

Veiligheid, wet- en regelgeving en organisatie

T10.2; T10.5

Natuurkunde

T10.1

Paragraaf 10.2.4. Theorie-examen C. Gesloten duikklok (met ademgas)
  • 1. Het theorie-examen voor duikarbeid in categorie C bestaat uit vier thema’s:

    • a. decompressie;

    • b. bediening gesloten duikklok;

    • c. veiligheid, wet- en regelgeving; en

    • d. natuurkunde.

  • 2. Deze vier thema’s kunnen door de certificerende instelling worden geëxamineerd in één examen dan wel in maximaal vier deelexamens.

  • 3. In het theorie-examen toont de kandidaat zijn kennis ten aanzien van de relevante toetscriteria aan:

Thema

Toetscriteria

Decompressie

T12.2

Bediening gesloten duikklok

T13.1; T13.2; T13.3; T13.4; T15.1

Veiligheid, wet- en regelgeving en organisatie

T14.1; T14.2

Natuurkunde

T12.1

Paragraaf 10.2.5. Uitvoering van het theorie-examen

Het theorie-examen wordt uitgevoerd conform het examenreglement.

Paragraaf 10.2.6. Praktijkexamen
  • 1. De kandidaat wordt toegelaten tot het praktijkexamen wanneer het portfolio van de desbetreffende categorie volledig en positief is beoordeeld.

  • 2. De praktijkexamens worden door de certificerende instelling zodanig ingericht dat zij voldoen aan de volgende criteria:

Praktijkexamen A1

Toetscriteria

T5.2 en T7.2

Locatie:

Geconditioneerde omstandigheden

Onderdelen:

In een casus met (gesimuleerde) werkzaamheden in het verband van een duikploeg komen de volgende onderdelen aan de orde:

1. materiaal controleren en voor gebruik gereedmaken;

2. volledige pre-dive- en post-dive-checks ondergaan en uitvoeren;

3. afdaling naar 9 meter diepte maken en op de juiste wijze trimmen;

4. duiker in nood van een diepte van 9 meter op veilige wijze omhoog brengen; en

5. gecontroleerde opstijging uitvoeren vanaf een diepte van 9 meter.

Praktijkexamen A2

Toetscriteria:

T5.2 en T7.2

Locatie:

Geconditioneerde omstandigheden (onderdeel A) en buitenwater (onderdeel B)

Onderdeel: A

In een casus met (gesimuleerde) werkzaamheden in het verband van een duikploeg komen de volgende onderdelen aan de orde:

1. materiaal controleren en voor gebruik gereedmaken;

2. volledige pre-dive- en post-dive-checks ondergaan en uitvoeren;

3. afdaling naar 9 meter diepte maken en op de juiste wijze trimmen;

4. duiker in nood van een diepte van 9 meter op veilige wijze omhoog brengen; en

5. gecontroleerde opstijging uitvoeren vanaf een diepte van 9 meter;

en

Onderdeel: B

Het uitvoeren van een casus met (gesimuleerde) werkzaamheden met niet aangedreven handgereedschappen tot een diepte van maximaal 15 meter in het verband van een duikploeg.

Praktijkexamen A3

Toetscriteria:

T5.2 en T7.2

Locatie:

Geconditioneerde omstandigheden (onderdeel A) en buitenwater (onderdeel B)

Onderdeel: A

In een casus met (gesimuleerde) werkzaamheden in het verband van een duikploeg komen de volgende onderdelen aan de orde:

1. materiaal controleren en voor gebruik gereedmaken;

2. volledige pre-dive- en post-dive-checks ondergaan en uitvoeren;

3. afdaling naar 9 meter diepte maken en op de juiste wijze trimmen;

4. duiker in nood van een diepte van 9 meter op veilige wijze omhoog brengen; en

5. gecontroleerde opstijging uitvoeren vanaf een diepte van 9 meter;

en

Onderdeel: B

a. een afdaling tot een diepte van maximaal 15 meter gevolgd door een opstijging met inwater-decompressie procedure, of

b. een casus met (gesimuleerde) werkzaamheden tot een diepte van maximaal 15 meter met takels of een hefballon in het verband van een duikploeg.

Praktijkexamen B0

Toetscriteria:

T10.3 en T11.2

Locatie:

Geconditioneerde omstandigheden

Onderdelen:

In een casus met (gesimuleerde) werkzaamheden met niet aangedreven handgereedschappen in het verband van een duikploeg, waarbij de duiker onderwater geen zicht heeft komen de volgende onderdelen aan de orde:

1. materiaal controleren en voor gebruik gereedmaken;

2. volledige pre-dive- en post-dive-checks ondergaan en uitvoeren;

3. afdaling naar 9 meter diepte maken;

4. duiker in nood van een diepte van 9 meter op veilige wijze omhoog brengen; en

5. vanaf een diepte van 9 meter overschakelen op bail-out en een opstijging maken.

Praktijkexamen B1

Toetscriteria:

T10.3 en T11.2

Locatie:

Geconditioneerde omstandigheden

Onderdelen:

In een casus met (gesimuleerde) werkzaamheden met niet aangedreven handgereedschappen in het verband van een duikploeg komen de volgende onderdelen aan de orde:

1. materiaal controleren en voor gebruik gereedmaken;

2. volledige pre-dive- en post-dive-checks ondergaan en uitvoeren;

3. afdaling naar 9 meter diepte maken;

4. duiker in nood van een diepte van 9 meter op veilige wijze omhoog brengen; en

5. vanaf een diepte van 9 meter overschakelen op bail-out en een opstijging maken.

Praktijkexamens B2 en B3

Toetscriteria:

T10.3 en T11.2

Locatie:

Geconditioneerde omstandigheden (onderdeel A) en buitenwater (onderdeel B)

Onderdeel A:

In een casus met (gesimuleerde)werkzaamheden met niet aangedreven handgereedschappen in het verband van een duikploeg, waarbij de duiker onderwater geen zicht heeft komen de volgende onderdelen aan de orde:

1. materiaal controleren en voor gebruik gereedmaken;

2. volledige pre-dive- en post-dive-checks ondergaan en uitvoeren;

3. afdaling naar 9 meter diepte maken;

4. duiker in nood van een diepte van 9 meter op veilige wijze omhoog brengen; en

5. vanaf een diepte van 9 meter overschakelen op bail-out en een opstijging maken;

en

Onderdeel B:

Ten minste een van de hieronder genoemde onderdelen:

1. een afdaling tot een diepte van maximaal 15 meter gevolgd door een opstijging met inwaterdecompressie procedure;

2. een casus met (gesimuleerde) werkzaamheden met aangedreven gereedschappen in het verband van een duikploeg tot een diepte van maximaal 15 meter;

3. een casus met (gesimuleerde) werkzaamheden met aangedreven gereedschappen in het verband van een duikploeg tot een diepte van maximaal 15 meter waarbij gebruik gemaakt wordt van een LARS.

Praktijkexamen B4

Een portfoliocontrole op categorie B3 en in aanvulling hierop ten minste een van de hieronder genoemde onderdelen A of B:

Toetscriteria:

T10.3 en T11.2

Locatie:

Buitenwater

Onderdeel A:

1. materiaal controleren en voor gebruik gereedmaken en volledige pre-dive- en post-dive-checks ondergaan en uitvoeren;

2. in een casus met gesimuleerde werkzaamheden vanuit een open duikklok in het verband van een duikploeg op een diepte van maximaal 15 meter komen ten minste twee van de hieronder genoemde onderdelen a tot en met c aan de orde:

3. a. een casus met (gesimuleerde) werkzaamheden met aangedreven gereedschappen in het verband van een duikploeg op een diepte van maximaal 15 meter;

b. een casus met zelfredzaamheid van de duiker van een diepte van maximaal 15 meter naar de open duikklok; of

c. een casus van functioneren als reserveduiker, waarbij de reserveduiker de duiker in nood op veilige wijze omhoog brengt van een diepte van maximaal 15 meter via de open duikklok;

of

Onderdeel B:

1. materiaal controleren en voor gebruik gereedmaken en volledige pre-dive- en post-dive-checks ondergaan en uitvoeren; en

2. in een casus met (gesimuleerde) werkzaamheden vanuit een LARS in het verband van een duikploeg op een diepte van maximaal 15 meter komen ten minste twee van de hieronder genoemde onderdelen a tot en met c aan de orde:

a. een casus met (gesimuleerde) werkzaamheden met aangedreven gereedschappen in het verband van een duikploeg op een diepte van maximaal 15 meter;

b. een casus met zelfredzaamheid van de duiker van een diepte van maximaal 15 meter naar de duikkooi; of

c. een casus van functioneren als reserveduiker, waarbij de reserveduiker de duiker in nood op veilige wijze omhoog brengt van een diepte van maximaal 15 meter via de duikkooi.

Portfoliobeoordeling C

Voor categorie C voert de certificerende instelling een portfoliobeoordeling uit. Indien hieruit blijkt dat de kandidaat tijdens zijn opleiding getoetst is, is geen aanvullend praktijkexamen nodig.

Hoofdstuk 11. Hercertificatie
Paragraaf 11.1. Toetscriteria voor hercertificatie

Voor de vervolgafgifte van het persoonscertificaat duikarbeid gelden de volgende toetscriteria:

H 1 De kandidaat is als duiker werkzaam en verricht werkzaamheden onder water

H1.1

Doorlopende beroepservaring van:

1. voor de categorie A (SCUBA) en B (SSE): ten minste 30 duiken in 24 maanden conform de in paragraaf 11.2.1. gestelde eindtermen voor doorlopende beroepservaring;

2. voor categorie C (Gesloten duikklok: ten minste 10 keer in 24 maanden een bell-run (gesloten bel) waarbij 5 keer is opgetreden als bell-man en waarbij 5 keer een lock out is gemaakt

H 2 De kandidaat heeft kennis en inzicht met betrekking tot het uitvoeren van (nood)procedures binnen de scope van de subcategorie

H2.1

Algemeen:

Procedures bij het in veiligheid brengen van een duiker in nood.

Voor A1, A2, B0 en B1:

Omhoog brengen van een duiker in nood vanaf een maximale diepte van 9 meter.

A3, B2, B3 en B4:

Vigerende veiligheids- en (nood)procedures uitvoeren.

Voor C:

Vigerende veiligheids- en (nood)procedures uitvoeren.

Paragraaf 11.2. Uitgangspunten toetsing
  • 1. De certificerende instelling beoordeelt aan de hand van het duiklogboek of voldaan wordt aan toetscriterium H1, en aan de hand van een proeve van bekwaamheid of voldaan wordt aan toetscriterium H2.

  • 2. Indien de certificaathouder certificaten heeft in meerdere categorieën kan worden volstaan met één hercertificatie voor de meest uitgebreide scope.

  • 3. Het voldoen aan de toetscriteria voor hercertificatie voor de desbetreffende scope wordt minimaal één keer in de vier jaar beoordeeld.

  • 4. Indien uit de beoordeling van het duiklogboek blijkt dat de certificaathouder niet voldoet aan de eisen voor hercertificatie, dan legt de certificaathouder een praktijkexamen af zoals vereist voor initiële certificatie.

Paragraaf 11.2.1 Eindtermen doorlopende beroepservaring
  • 1. De eindtermen op basis waarvan de certificerende instelling beoordeelt of binnen de afgelopen 24 maanden sprake was van voldoende doorlopende beroepservaring luiden als volgt:

    • a. voor subcategorie A1: ten minste 30 duiken en een totaaltijd onder druk van minimaal 300 minuten;

    • b. voor subcategorie A2: ten minste 30 duiken en een totaaltijd onder druk van minimaal 300 minuten, waarvan ten minste 5 duiken met een minimale duikdiepte van 9 meter en een totaaltijd onder druk van 50 minuten;

    • c. voor subcategorie A3: ten minste 30 duiken en een totaaltijd onder druk van minimaal 300 minuten;

    • d. voor subcategorie B0: ten minste 30 duiken en een totaaltijd onder druk van minimaal 300 minuten, waarvan ten minste 20 duiken met een totaaltijd onder druk van minimaal 200 duikminuten met SSE;

    • e. voor subcategorie B1: ten minste 30 duiken en een totaaltijd onder druk van minimaal 300 minuten, waarvan:

      • 1°. ten minste 20 duiken met een totaaltijd onder druk van minimaal 200 duikminuten met SSE; en

      • 2°. ten minste 5 duiken met een minimale duikdiepte van 9 meter en een totaaltijd onder druk van 50 minuten;

    • f. voor subcategorie B2: ten minste 30 duiken en een totaal tijd onder druk van minimaal 300 minuten, waarvan ten minste 15 duiken met een totaaltijd onder druk van minimaal 150 duikminuten met SSE;

    • g. voor subcategorie B3: ten minste 30 duiken een totaaltijd onder druk van minimaal 300 minuten waarvan ten minste 15 duiken met een totale duiktijd van minimaal 150 duikminuten met SSE; en

    • h. voor subcategorie B4: ten minste 30 duiken met een totaal tijd onder druk van minimaal 300 minuten waarvan ten minste 15 duiken met een totale tijd onder druk van minimaal 150 minuten met SSE.

  • 2. Indien de certificaathouder B4 eveneens beschikt over certificaat in de categorie C geldt dat het aantal gemaakte bellruns een compensatie is van het dienovereenkomstig aantal te maken duiken in de subcategorie B4. De totale tijd onder druk van 300 minuten in de subcategorie B4 mag worden verminderd met de gelogde tijd onder druk als lockout duiker.

Paragraaf 11.3. Aanvraag hercertificatie
  • 1. De certificaathouder vermeldt in de aanvraag voor welke subcategorie hij hercertificatie wenst.

  • 2. Indien de doorlopende beroepservaring van de certificaathouder niet voldoet aan de hieraan gestelde eisen, wordt door de certificerende instelling op aanvraag van en voor rekening van de certificaathouder een inschalingstraject opgesteld.

  • 3. Indien de certificaathouder voldoet aan de eisen inzake beroepservaring van een lagere subcategorie en de certificaathouder afziet van een inschalingstraject, wordt de certificaathouder op zijn verzoek beoordeeld tegen de eindtermen van de hoogste subcategorie waarvoor wel aan de eisen inzake beroepservaring voldaan wordt.

  • 4. De certificerende instelling verstrekt de certificaathouder bij een positieve beoordeling in dat geval het daarbij behorende certificaat.

Paragraaf 11.4. Beoordeling bij hercertificatie

De hercertificatie wordt verleend, indien op basis van de met het duiklogboek aangetoonde praktijkervaring en de door de certificerende instelling beoordeelde proeve van bekwaamheid wordt aangetoond dat aan de toetscriteria H1 en H2 wordt voldaan.

Paragraaf 11.5. Ingangsdatum van hercertificatie
  • 1. De ingangsdatum van hercertificatie is de datum van de beslissing omtrent hercertificatie.

  • 2. De portfoliobeoordeling en het afleggen van een proeve van bekwaamheid vinden binnen twee maanden voorafgaand aan de beslissing over de hercertificatie plaats.

Hoofdstuk 12. Certificaat
  • 1. Op het certificaat worden ten minste de volgende gegevens vermeld:

    • a. naam van de certificaathouder;

    • b. uniek en eenduidig certificaatnummer;

    • c. naam, nummer inschrijving Kamer van Koophandel, en logo van de certificerende instelling die het certificaat heeft verstrekt;

    • d. naam en logo van de beheerstichting;

    • e. kenmerk aanwijzingsbeschikking van de Minister van SZW;

    • f. verwijzing naar onderhavig certificatieschema;

    • g. categorie en geldigheidscondities van de gecertificeerde vakbekwaamheid; en

    • h. ingangsdatum van het certificaat en de datum waarop de geldigheid eindigt.

  • 2. Op het certificaat wordt de tekst opgenomen dat de certificerende instelling verklaart dat de betreffende persoon voldoet aan de wettelijke eisen ten aanzien van duikarbeid die zijn opgenomen in deze bijlage.

  • 3. Het certificaat vermeldt tevens of het certificaat is afgeven op grond van een initiële certificatie of een hercertificatie.

  • 4. De ingangsdatum van het certificaat is de datum waarop de certificatiebeslissing is genomen.

  • 5. De gegevens, bedoeld in het eerste onderdeel, subonderdelen a, b, f, g en h, worden geregistreerd in het certificaatregister.

Hoofdstuk 13. Geldigheidscondities
  • 1. Gedurende de looptijd van het certificaat gelden de volgende condities voor de certificaathouder:

    • a. De certificaathouder stelt de certificerende instelling onverwijld op de hoogte van wijzigingen betreffende zijn adres;

    • b. De certificaathouder gebruikt het certificaat uitsluitend zolang dit geldig is;

    • c. De certificaathouder voldoet aan de eisen die in het kader van de doorlopende beroepservaring gelden overeenkomstig paragraaf 11.2.1;

    • d. De certificaathouder gebruikt het certificaat uitsluitend als bewijs van zijn vakbekwaamheid binnen de betrokken subcategorieën;

    • e. De certificaathouder verleent medewerking bij het uitvoeren van toezicht door de certificerende instelling en stemt in met het steekproefsgewijs onderzoeken van zijn portfolio bij de werk- of opdrachtgevers;

    • f. De certificaathouder stemt in met vermelding van zijn certificatie door de certificerende instelling in het certificaatregister;

    • g. De certificaathouder meldt klachten die tegen zijn vakbekwaamheid zijn ingebracht bij de certificerende instelling en verleent medewerking aan onderzoek door de certificerende instelling van dergelijke klachten;

    • h. De certificaathouder gaat misbruik van dit certificaat door derden zoveel mogelijk tegen en meldt vermissing van het certificaat binnen tien dagen aan de certificerende instelling.

  • 2. Indien niet voldaan wordt aan deze condities kan dit tot consequentie hebben dat het certificaat wordt geschorst of ingetrokken of een waarschuwing worden gegeven.

Hoofdstuk 14. Overgangsbepalingen duikercertificaten
  • 1. Een brandweerduiker als bedoeld in artikel 6.6, tweede lid, van de Arbeidsomstandighedenregeling, zoals dat lid luidt op 30 september 2018, die beschikt over een persoonscertificaat duikarbeid verricht door de brandweer dat is afgegeven vóór 1 oktober 2018, wordt gedurende de looptijd van dat certificaat geacht te voldoen aan de eisen voor een duiker met een certificaat in de subcategorie A2 SCUBA, neergelegd in hoofdstuk 9 van deze bijlage. De certificaathouder werkt mee aan tussentijdse controles en zijn certificaat kan worden geschorst of ingetrokken indien de certificaathouder zich niet houdt aan de voor het gebruik van dat certificaat geldende voorschriften.

  • 2. Wanneer een in het eerste onderdeel bedoelde certificaathouder optreedt als examinator tellen de jaren ervaring die hij als brandweerduiker heeft opgedaan mee voor de in paragraaf 5.3, derde onderdeel, onder a, geformuleerde eis.

  • 3. Een duiker als bedoeld in artikel 6.5, derde lid, van de Arbeidsomstandighedenregeling die beschikt over een persoonscertificaat duikarbeid dat is afgegeven vóór 1 oktober 2018, wordt gedurende de looptijd van dat certificaat geacht te voldoen aan de eisen voor een duiker, neergelegd in hoofdstuk 9 van deze bijlage. De certificaathouder werkt mee aan tussentijdse controles en zijn certificaat kan worden geschorst of ingetrokken indien de certificaathouder zich niet houdt aan de voor het gebruik van dat certificaat geldende voorschriften.

E

Bijlage XVIf, behorend bij artikel 6.6, tweede lid, vervalt.

ARTIKEL II

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 oktober 2018.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag, 12 juli 2018

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, T. van Ark

TOELICHTING

Algemeen

1. Inleiding

De belangrijkste aanleiding voor deze wijziging van de Arbeidsomstandighedenregeling is de integratie van de certificatieschema’s in bijlage XVIc en bijlage XVIf die betrekking hebben op duikarbeid (WSCS-WOD-D) en duikarbeid verricht door de brandweer (WSCS-WOD-E) met als doel de harmonisatie van de eisen en terminologie uit deze twee schema’s. In verband hiermee zal bijlage XVIf vervallen.

Daarnaast wordt ook het certificatieschema voor een duikploegleider (bijlage XVIb) aangepast door aanpassing van één van de entreecriteria en door een tijdelijke bepaling op te nemen.

2. Wijzigingen in verband met integratie beide certificatieschema’s duikarbeid

De integratie van de beide bijlagen heeft voor de brandweerduikers tot een aantal wijzigingen geleid. Zo wordt het voor de brandweer mogelijk om naast het SCUBA-materieel ook het Surface Supply Equipment (SSE-) in te zetten.

In bijlage XVIf werd niet gerefereerd aan bepaalde categorieën of subcategorieën, maar aan de uitoefening van de duikarbeid werden drie eisen gesteld: (1) deze moest met SCUBA worden verricht (2) tot een maximale duikdiepte van 15 meter en (3) gedurende maximaal één aangesloten uur. Deze eisen waren vergelijkbaar met de eisen voor categorie A2, zoals geformuleerd in bijlage XVIc.

Door de harmonisatie gaan er voor de brandweer zwaardere eisen gelden bij hercertificering. Voor subcategorie A2 geldt: ten minste 30 duiken en een totaaltijd onder druk van minimaal 300 minuten, waarvan ten minste 5 duiken met een minimale duikdiepte van 9 meter en een totaaltijd onder druk van 50 minuten. Dit betekent voor een brandweerduiker een verzwaring van 20 naar 30 duiken. Daarnaast wijzigt de scope voor het brandweercertificaat. Op basis van het certificaat brandweerduiker mocht gedurende maximaal één aaneengesloten uur duikarbeid worden verricht, terwijl de duiktijd nu is gebaseerd op de tijdsduur waarbij op basis van duikdiepte en duiktijd geen decompressie nodig is.

Bij de brandweerduiker werd een onderscheid gemaakt tussen het optreden als reddingsduiker en als veiligheidsduiker. Als reddingsduiker had de brandweerduiker binnen de duikploeg de taak tot het opsporen en redden van mensen en dieren in en op het water tot een maximale diepte van 15 meter. De veiligheidsduiker had binnen de duikploeg de rol van reserveduiker en trad hij op om de reddingsduiker in nood te hulp te komen. Deze rollen en begrippen wordt in het geharmoniseerde schema niet meer gebruikt.

De verschillen tussen WOD-E en WOD-D betroffen onder andere de gebruikte terminologie. In bijlage XVIf (duikarbeid verricht door de brandweer) was een aantal begrippen opgenomen die in deze nieuwe bijlage niet meer worden gebruikt.

3. Overige wijzigingen in bijlage XVIc

Naast de wijzigingen die voortvloeien uit de integratie van bijlage XVIc en XVIf zijn nog een aantal andere wijzigingen doorgevoerd.

Nieuw is de toevoeging van Categorie duikarbeid B0. Deze categorie heeft een vergelijkbare scope als categorie A, maar maakt ook het gebruik van surface supplied equipment (SSE apparatuur) mogelijk in ondiepe en minder zware omstandigheden Dit is een veiligere methode dan SCUBA. Hierdoor wordt het mogelijk om met SSE apparatuur te duiken zonder dat aan alle eisen van de zwaardere categorie B1 hoeft te worden voldaan.

Daarnaast worden nu aanvullende eisen gesteld aan de doorlopende beroepservaring waarover de certificaathouder ten minste elke twee jaar informatie moet overleggen aan de certificerende instelling (zie paragraaf 6.2 onderdeel 3 en 4). Bij de beoordeling van de doorlopende beroepservaring wordt met name gelet op het aantal duiken en de aard van de duiken. De hoeveelheid duiken bepaalt het aantal briefings, debriefings en predive- en postdivechecks van de duikuitrusting. De aanvullende eisen beogen te waarborgen dat de certificaathouder zijn beroepservaring voor de betreffende scope van zijn certificaat op peil houdt.

Bij de entreecriteria (hoofdstuk 8) is de eis om een getuigschrift of een bewijs van toelating tot een opleiding te kunnen overleggen, vervangen door de eis om een opleidingsportfolio te overleggen. Wat moest worden verstaan onder een bewijs van toelating was onvoldoende duidelijk geformuleerd. Het bewijs van toelating omvatte ook niet het doel dat bereikt moest worden, namelijk dat een aanvrager van het certificaat moet kunnen aantonen dat hij is opgeleid voor de betreffende categorie waarvoor het certificaat wordt aangevraagd.

De gedetailleerde eisen ten aanzien van de examenlocatie, de examenmiddelen en de faciliteiten voor het praktijkexamen zijn niet meer opgenomen. De eisen staan nu in het examenreglement op de website van de Stichting Werken onder Overdruk.

De bepalingen over de klachtenregeling en bezwaarprocedure zijn in deze bijlage niet meer opgenomen. Het was niet nodig om deze op te nemen omdat de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing is.

De certificerende instelling beschikt naast de mogelijkheden van schorsing, intrekking en weigering nu ook formeel over de mogelijkheid om een certificaathouder een waarschuwing te geven (zie paragraaf 6.5.4). Hierdoor kan een certificerende instelling een certificaathouder aanspreken op lichte tekortkomingen wanneer het schorsen of intrekken van een certificaat disproportioneel is. Het is aan de certificerende instelling om dit te beoordelen.

Bij de indeling van de verschillende paragrafen is zoveel mogelijk aangesloten bij de indeling die nu ook in bijlage XVIc is gevolgd en is de tekst dus niet in artikelen ingedeeld, maar in hoofdstukken en paragrafen. Tevens zijn de teksten van het certificatieschema die een toelichtend karakter hebben niet langer in de tekst van de bijlage opgenomen of zijn ze verplaatst naar de toelichting. De inhoud van hoofdstuk 1 (Inleiding) en van hoofdstuk 3 (Werkveldspecifieke kenmerken) is daarom niet meer opgenomen.

Wanneer nu gekozen zou worden voor een indeling in artikelen zou de nummering daarvan afwijken van de nummering van de paragrafen zoals die tot nu toe is gehanteerd en die ook door de beheerstichting wordt gehanteerd in haar documenten die dienen tot nadere uitwerking van het certificatieschema.

4. Wijziging in certificatieschema duikploegleider

Met de onderhavige wijziging van het certificatieschema duikploegleider (bijlage XVIb) wordt het entreecriterium inzake het minimale aantal duiken voor het certificaat duikploegleider categorie A2 en B1 aangepast omdat de sector van oordeel is dat de huidige eis van minimaal 100 duiken voor toegang tot het examen voor het certificaat duikploegleider categorie A2 en B1 niet langer nodig is.

In verband hiermee wordt het certificatieschema voor een duikploegleider (bijlage XVIb) aangepast door aanpassing van één van de entreecriteria en door een tijdelijke bepaling op te nemen voor het verkrijgen van een certificaat duikploegleider categorie B1 (SSE duiken). De reden dat dit entreecriterium voor de duikploegleider (bijlage XVIb) voor het certificaat categorie A2 en B1 wordt aangepast (en dus niet alleen voor degenen die duikploegleider bij de brandweer met certificaat B1 willen zijn), is dat de sector van oordeel is dat de eis van 100 duiken achterhaald is door de veranderingen in de opleiding tot duikploegleider. In de huidige opleiding is de focus meer komen te liggen op de kennis en vaardigheden die nodig zijn voor het leidinggeven aan duikers bij duikarbeid. Het aantal duiken dat iemand heeft gemaakt is daardoor minder relevant. De reden dat deze verlichting van de eisen vooralsnog beperkt blijft tot de categorieën B1 en A2 ligt in het feit dat in deze categorieën de duikarbeid beperkt is tot en met een duikdiepte van 15 meter, binnen de grenzen van No Deco duiktijden. De risico’s binnen deze categorieën zijn beperkter dan in de categorieën A3, B2, B3, B4 waar tot grotere duikdieptes, gedurende langere periodes en met andere gereedschappen gewerkt kan worden. Voor de laatst genoemde categorieën is de sector nog in overleg over aanpassing van dit entreecriterium en zullen eventuele aanpassingen later doorgevoerd worden. Overigens was het minimaal aantal duiken als entreecriterium voor het verkrijgen van een certificaat duikploegleider bij de brandweer (bijlage XVIe) hiervoor beperkt tot 20 duiken, zodat voor de brandweer sprake is van een verzwaring van de eis. Voor het vaststellen van de nieuwe grenzen is gebruik gemaakt van de inzichten die vanaf 2012 zijn opgedaan in de opleidingen.

De brandweer duikt van oudsher met SCUBA (categorie A2), maar sinds 2011 is er een veiligheidsregio waar een pilot met SSE uitgevoerd (categorie B1). Ook andere veiligheidsregio’s willen overstappen op duiken met SSE.

Echter, omdat het certificatieschema voor een duikploegleider bij de brandweer (bijlage XVIe) nog niet is geïntegreerd met het certificatieschema voor duikploegleider (bijlage XVIb) zou een duikploegleider van de brandweer die een certificaat voor duikploegleider SSE (B1) wil verkrijgen, de volledige opleiding tot duikploegleider B1 moeten volgen. Aangezien de opleiding tot duikploegleider bij de brandweer grotendeels overeenkomt met de opleiding voor duikploegleider B1 is dit onwenselijk. Dit zou leiden tot onnodige extra kosten en doorlooptijd voor het verkrijgen van het certificaat.

In verband hiermee wordt in het certificatieschema voor een duikploegleider (bijlage XVIb) een tijdelijke bepaling opgenomen.

In de tijdelijke bepaling wordt aan duikploegleiders bij de brandweer die over een certificaat duikploegleider bij de brandweer (overeenkomstig categorie A2) (bijlage XVIe) beschikken de mogelijkheid geboden een certificaat als duikploegleider categorie B1 te verkrijgen op basis van een aangepaste opleiding en een toets op de elementen die in B1 aanvullend zijn ten opzichte van duikploegleider bij de brandweer.

Deze tijdelijke bepaling vervalt op 1 januari 2020. Op dat moment zal een nieuw certificatieschema voor duikploegleiders van kracht zijn dat zowel voor de brandweer als andere sectoren geldig is en waarmee de noodzaak voor de tijdelijke bepaling komt te vervallen.

5. Relatie met andere regelgeving

Voor de afgifte van de persoonscertificaten duikarbeid is thans één certificerende instelling door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangewezen, namelijk de Stichting Nederlands Duikcentrum Certificatie Instelling (Stcrt. 2017, 9601). Daarnaast worden certificaten afgegeven door de Defensie Duikschool op grond van de Regeling duikopleidingen Defensie 2014.

De certificaten voor een brandweerduiker worden afgegeven door het Instituut Fysieke Veiligheid (IFV) op grond van artikel 6.1, derde lid, onderdeel a, van de Arboregeling, artikel 68 van de Wet veiligheidsregio’s, artikel 2, bijlage 1, van het Besluit personeel veiligheidsregio’s en de Regeling personeel veiligheidsregio’s. In de Regeling personeel veiligheidsregio’s wordt in bijlage A, behorende bij artikel 1 eerste lid, van de Regeling personeel veiligheidsregio’s in supplement c, de functie van ‘brandweerduiker’ omschreven en is onder meer vermeld welke werkzaamheden hij verricht en welke competenties vereist zijn. In die regeling wordt verwezen naar de Arboregelgeving. Een brandweerduiker moet niet alleen beschikken over het certificaat voor een ‘gewone’ duiker (zie bijlage XVIc), maar moet ook examens afleggen die specifiek gericht zijn op de vakbekwaamheid als brandweerduiker. De functie ‘brandweerduiker’ blijft in het Besluit veiligheidsregio’s en de Regeling personeel veiligheidsregio’s bestaan en het IFV blijft ook verantwoordelijk voor het afgeven van certificaten aan deze groep duikers. Daarom kan in artikel 6.1, derde lid, onderdeel a, van de Arboregeling nog steeds gesproken worden over een duiker bij de brandweer.

6. Administratieve lasten en nalevingskosten

De integratie van bijlage XVIc (duikarbeid:WSCS-WOD-D) en XVIf (duikarbeid verricht door de brandweer: WSCS-WOD-E) heeft als doel de gestelde eisen en terminologie uit deze twee schema’s te harmoniseren. Hierdoor is er één certificatieschema voor duikarbeid ontstaan waardoor de administratieve lasten in het geheel zijn verminderd.

De inhoudelijke nalevingskosten zullen door de wijziging enerzijds stijgen en anderzijds afnemen. De inhoudelijke nalevingskosten zullen stijgen omdat er aanvullende eisen gesteld worden aan de informatie over de doorlopende beroepservaring die de certificaathouder ten minste elke twee jaar moet overleggen aan de certificerende instelling. Bij de beoordeling van de doorlopende beroepservaring wordt nu niet meer alleen gekeken naar het aantal duiken, maar wordt ook gekeken naar de aard van de duiken. Dit betekent een verzwaring van de nalevingskosten voor de certificaathouder en de certificerende instelling. De aanvullende eisen beogen te waarborgen dat de certificaathouder zijn beroepservaring voor de betreffende scope van zijn certificaat op peil houdt. Anderzijds zullen de inhoudelijke nalevingskosten dalen voor de certificaathouders van de nieuwe categorie BO. Deze categorie heeft een vergelijkbare scope als categorie A, maar maakt ook het gebruik van surface supplied equipment (SSE apparatuur) mogelijk in ondiepe en minder zware omstandigheden. Hierdoor wordt het mogelijk met SSE apparatuur te duiken zonder dat aan alle eisen van de zwaardere categorie B1 hoeft te worden voldaan.

7. Toezicht

Op 1 november 2017 heeft Inspectie SZW een concept voor wijzigingsregeling van bijlage XVIc ontvangen. De Inspectie SZW plaatste een aantal (wetstechnische) kanttekeningen met betrekking tot handhaafbaarheid en uitvoerbaarheid van het schema. Op basis van deze kanttekeningen is er een bijeenkomst gepland tussen Inspectie SZW en de Stichting Werken onder Overdruk waarin de vragen van de Inspectie SZW zijn beantwoord. Op basis daarvan is de wijzigingsregeling waar nodig aangepast dan wel verduidelijkt.

8. Advies

Over deze regelingswijziging heeft uitgebreid overleg plaatsgevonden met de beheerstichting, de Stichting Werken onder Overdruk. In de beheerstichting zijn de verschillende certificerende instellingen, de Stichting Nederlands Duikcentrum Certificatie Instelling, het Instituut Fysieke Veiligheid en de Defensie Duikschool vertegenwoordigd. Naar aanleiding van de (deels wetstechnische) opmerkingen van de Inspectie SZW, met betrekking tot handhaafbaarheid en uitvoerbaarheid van het schema, is een bijeenkomst belegd tussen Inspectie SZW en de Stichting Werken Onder Overdruk welke vervolgens tot aanpassing van de tekst heeft geleid.

9. Overgangsrecht en inwerkingtreding

Met de integratie van de bijlage XVIc en XVIf verdwijnt het aparte certificaat voor duikarbeid verricht door de brandweer. Dat maakt het noodzakelijk te voorzien in een overgangsregeling voor degenen die bij inwerkingtreding van deze regeling over een dergelijk certificaat beschikken en op basis daarvan aan het werk zijn. Een dergelijk certificaat dat op grond van paragraaf 4.4. van bijlage XVIf is afgegeven, blijft vier jaar geldig vanaf de datum van afgifte.

De aanpassing van bijlage XVIc heeft ook gevolgen voor duikers die voorafgaand aan het van kracht worden van deze regeling over een geldig certificaat als duiker beschikken. Ook voor hen geldt dat het certificaat geldig blijft voor de duur van 4 jaar vanaf het moment van afgifte.

Bij de aanpassing van bijlage XVIb is voorzien in een tijdelijke regeling. Deze is nader toegelicht bij Artikel I, onderdeel C.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel I, onderdeel A en B

Het laten vervallen van bijlage XVIf inzake het certificaat voor de brandweerduiker maakt het noodzakelijk artikel 6.5, derde lid, en artikel 6.6 van de Arboregeling aan te passen.

Artikel I, onderdeel C (bijlage XVIb)

De aanpassing van een van de entreecriteria, namelijk in onderdeel 1.4 in paragraaf 8.1, houdt in dat voor een duikploegleider bij duikarbeid met behulp van SSE in categorie B1 niet langer de eis gesteld wordt dat de kandidaat 2 kalenderjaren werkervaring heeft als duiker en ten minste 100 duiken heeft gemaakt voor een certificaat categorie A2, A3, B1, B2, B3 of B4. Voor hem gaat de eis gelden dat hij ten minste 50 duiken heeft gemaakt waarvan voor de categorie B1 ten minste 10 duiken met behulp van SSE.

In onderdeel 1.4 van paragraaf 8.1 is zijn ook de eisen in verband met categorie A2 aangepast, ook daar is de eis van 100 duiken verlaagd naar 50 duiken, maar daarbij gaat het om duiken met Scuba.

De aanpassing van dit entreecriterium heeft tevens tot gevolg dat een duikploegleider bij de brandweer, sneller toegelaten kan worden tot het certificatieproces ter verkrijging van het persoonscertificaat duikploegleider categorie B1. Hij hoeft daardoor na het behalen van het certificaat duikarbeid B1 niet eerst nog jaren te duiken om aan 100 duiken te komen.

De tijdelijke bepaling maakt het voor de brandweer mogelijk om op korte termijn te kunnen voorzien in de behoefte aan duikploegleiders B1.

Het gaat om de volgende situatie:

Het Instituut Fysieke Veiligheid stelt een toetskaart vast die de elementen bevat waarop getoetst moet worden om aan te tonen dat het verschil in kennis en vaardigheden tussen duikploegleider bij de brandweer en duikploegleider is overbrugd. Met een ingevulde en afgetekende toetskaart kan aangetoond worden dat aan alle eisen is voldaan.

De toetskaart is een gebruikelijk instrument bij de brandweer. Daarop staan beoordelingscriteria waarop tijdens de opleiding beoordeeld wordt. Het gaat hierbij om het aantonen van kennis en praktijkervaring door middel van het verrichten van bepaalde opdrachten. Zo’n toetskaart moet worden afgetekend door een door het IFV bevoegd verklaarde persoon.

Vervolgens wordt de toetskaart gebruikt om een getuigschrift aan te vragen bij een erkende opleidingsinstelling en wordt dit getuigschrift overgelegd bij de aanvraag (zie onderdeel b).

Het is wenselijk dat na het opdoen van de praktijkervaring niet heel veel tijd verstrijkt voordat de aanvraag wordt gedaan, zodat deze niet verwaterd. Daarom moet dit binnen twaalf maanden plaats vinden (zie onderdeel d).

Deze tijdelijke bepaling geeft brandweerkorpsen die in de periode tot 1 januari 2020 over willen stappen naar SSE de mogelijkheid om duikploegleiders bij de brandweer, in te schakelen als duikploegleiders B1, zodat een duikteam voor de categorie SSE duiken ingezet kan worden. Brandweerkorpsen die na 1 januari 2020 willen overstappen naar SSE kunnen de periode tot 1 januari 2020 gebruiken als voorbereiding op de overstap en nieuwe duikploegleiders werven die voldoen aan de eisen van het dan geldende certificatieschema voor duikploegleiders categorie B1.

De duikploegleiders categorie B1 die dit certificaat op grond van deze tijdelijke bepaling hebben verkregen, kunnen hercertificatie aanvragen op basis van de op dat moment gelden eisen.

Artikel I, onderdeel D bijlage XVIc)

Bijlage XVIc inzake het certificaat voor de duiker wordt in zijn geheel vervangen.

Deze bijlage is zoals hiervoor is toegelicht niet onderverdeeld in artikelen, maar in hoofdstukken en paragrafen.

Hoofdstuk 1. Definities

Zoals hiervoor in het algemeen deel van de toelichting is aangegeven is de tekst die voorheen in hoofdstuk 1 (Inleiding) was opgenomen niet langer opgenomen omdat die tekst uitsluitend een toelichtend karakter had.

De voorheen in hoofdstuk 2 opgenomen definities staan nu in hoofdstuk 1, zij het dat daarin een fors aantal wijzigingen is doorgevoerd.

Het aantal definities is aanzienlijk verminderd, soms omdat een begrip niet langer in de tekst voorkomt (zoals caissonarbeid, centrale examencommissie), omdat het begrip voldoende bepaald is en de betekenis niet afwijkt van het normale spraakgebruik (bijvoorbeeld: competentie, cesuur, examen), voldoende duidelijk is door de samenhang van de bepalingen (zoals aanvrager van een certificaat, aanwijzing, beoordeling, certificaat, certificaathouder, controle, eindtermen, entreecriteria, examinator, kandidaat) of omdat het begrip al in het Arbeidsomstandighedenbesluit gedefinieerd is (duikarbeid).

De omschrijving van de term ‘beheerstichting’ is verduidelijkt en toegespitst op het onderhavige schema over duikarbeid.

De term ‘compressiekamer of -tank’ is vervangen door ‘decompressietank’ omdat die term meer gebruikelijk is.

De term ‘certificerings- en keuringsinstelling (CKI)’ is overal vervangen door ‘certificerende instelling’ omdat die term in artikel 1.1, zevende lid, van het Arbobesluit staat.

Aan de definitie van de verschillende duikklokken is de Engelse term ‘closed bell’ en ‘wet bell’ toegevoegd.

De term ‘duikminuten’ is vervangen door ‘duiktijd’.

Er zijn ook enkele nieuwe begripsbepalingen toegevoegd, te weten: ademgas, ademlucht, aangedreven gereedschap, bell-man, bell-run, duiklogboek, geconditioneerde omstandigheden, LARS, niet aangedreven handgereedschap, No Deco Tijd, praktijkverrichting en totale tijd onder druk.

Onder niet aangedreven handgereedschap wordt in ieder geval verstaan: een ruitenhamer, een gordelsnijder, een mes, een handzaag, een ketting, een kabel en een hijsband.

Daarnaast is een definitie opgenomen van de begrippen ‘opleidingsportfolio’ en ‘ portfolio’ omdat het wenselijk is dat het verschil tussen beide begrippen duidelijk is. Als voorbeelden van bewijsstukken die in een opleidingsportfolio relevant kunnen zijn kunnen genoemd worden een lesrooster of een toetskaart. Voorbeelden van bewijstukken die in een portfolio relevant zijn, zijn een duiklogboek, behaalde certificaten, een opleidingsportfolio of een duikmedisch attest.

In het certificatieschema worden geregeld Engelse termen gebruikt, maar deze termen zijn zo gebruikelijk dat zij duidelijker zijn dan een Nederlandse vertaling van deze termen. Soms is er echter ook voor gekozen om een Engelse term door een Nederlandse term te vervangen, bijvoorbeeld ‘equipment’ door ‘materiaal’ en ‘rigging’ door tuigage.

De term ‘register van vakbekwaamheid’ is nu overal vervangen door de term ‘certificaatregister’ zodat er eenheid is in terminologie. Hetzelfde register werd voorheen ook wel aangeduid als ‘openbaar register’ of ‘centraal register’.

In bijlage XVIf (duikarbeid verricht door de brandweer) waren een aantal begrippen opgenomen die in de nieuwe bijlage XVIc niet meer gebruikt worden, te weten: reddingsduiker, veiligheidsduiker en verzuimherstel.

Hoofdstuk 2. Eisen

In hoofdstuk 2 waren voorheen de definities opgenomen, nu staan de definities in hoofdstuk 1 en wordt in hoofdstuk 2 de toepasselijkheid van de NEN-normen die relevant zijn voor instellingen die certificatie van personen uitvoeren benoemd. Het gaat daarbij dus om normen die in de eerste plaats gelden voor de certificerende instellingen en daarmee indirect ook voor de certificaathouders.

Hoofdstuk 3

In hoofdstuk 3 was een toelichtende tekst opgenomen over de duikarbeid, het certificatieschema, de betrokken partijen, de risico’s bij duikarbeid en de factoren die een rol spelen bij het voorkomen van incidenten.

Hoofdstuk 4.Certificatieprocedure
Paragraaf 4.1 tot en met 4.5

In paragraaf 4.1 is nu expliciet bepaald dat de certificerende instelling over een certificatiereglement moet beschikken.

De onderwerpen die in hoofdstuk 4 genoemd worden zien met name op de certificatieprocedure. Op grond van hoofdstuk 5 geldt tevens de verplichting dat de certificerende instelling een examenreglement heeft. Formeel is niet vereist dat er sprake is van twee verschillende reglementen, een certificatiereglement en een examenreglement. Er kan sprake zijn van één reglement, maar de genoemde onderwerpen moeten daarin wel aan de orde komen. Om te bewerkstelligen dat de certificerende instellingen uniforme eisen stellen in deze reglementen is het gebruikelijk dat de beheerstichting de uitgangspunten daarvan formuleert.

De inhoud van paragraaf 4.2 tot en met 4.4, eerste onderdeel, lijkt inhoudelijk zeer sterk op de oude paragrafen 4.1 tot en met 4.4.

Met het in paragraaf 4.3, tweede onderdeel, genoemde kwaliteitssysteem en procedures wordt gedoeld op de eisen in NEN-EN-ISO/IEC 17024.

De tekst van paragraaf 4.4., tweede tot en met vierde onderdeel, lijkt inhoudelijk sterk op de oude paragraaf 4.8 inzake het register voor vakbekwaamheid.

Paragraaf 4.5 bevatte een toelichting op de geldigheidscondities. Die zijn nader uitgewerkt in hoofdstuk 13.

De oude paragraaf 4.6 is niet langer opgenomen omdat een certificerende instelling al op grond van de Awb gehouden is om zorg te dragen voor een behoorlijke behandeling van klachten over zijn gedragingen. Afdeling 9.1.1 en 9.1.2 van de Awb zijn van toepassing met betrekking tot de klachtenbehandeling. Bij de invoering van deze titel in de Awb is aangegeven (zie Kamerstukken II 1997/98, 25 837, nr. 3, blz. 6) dat de minimumeisen van titel 9.1 een voldoende voorziening voor een behoorlijke klachtenbehandeling bieden zodat aanvullende regels niet nodig zijn. Bestuursorganen houden echter wel de vrijheid om extra voorschriften in eigen regelingen op te nemen, in het bijzonder als deze extra waarborgen voor de burger bevatten. Volgens de regering moet wel terughoudendheid wordt betracht met aanvullende regels.

In paragraaf 4.7 was de bezwaarschriftenprocedure nader uitgewerkt. Het betrof hier de behandeling van een bezwaarschrift tegen de beslissing van de certificerende instelling inzake het niet (opnieuw) verlenen van een certificaat of het wijzigen, schorsen of intrekken ervan. Omdat de inhoud van die bepalingen (grotendeels) overeenkomen met de eisen die al in de Awb zijn opgenomen zijn die bepalingen in de onderhavige regeling vervallen.

Paragraaf 4.5 inzake norminterpretatie lijkt inhoudelijk sterk op de oude paragraaf 4.9.

Hoofdstuk 5. Examenreglement
Paragraaf 5.1 tot en met 5.4

De inhoud van paragraaf 5.1 en 5.2, eerste onderdeel, lijkt inhoudelijk op de oude paragraaf 5.1 en 5.2. De verplichting om een bepaling op te nemen over de ingangsdatum van het certificaat is niet langer opgenomen, net zo min als de verplichting om een bepaling over de entree-eisen voor deelname aan het examen op te nemen. Beide onderwerpen worden al in deze bijlage geregeld (zie hoofdstuk 12, onderdeel 4 en hoofdstuk 8) en daarvoor hoeven dus geen bepalingen in het examenreglement opgenomen te worden.

De gedetailleerde eisen die in de oude paragraaf 5.4.2 waren opgenomen over examenlocatie, examenmiddelen en faciliteiten inzake het praktijkexamen moeten nu opgenomen worden in een examenreglement.

Om te bewerkstelligen dat er uniformiteit is tussen de examenreglementen die de verschillende certificerende instellingen opstellen, heeft de beheerstichting daarover bepalingen opgenomen in een examenreglement en gepubliceerd op de website www.werkenonderoverdruk.nl. De in paragraaf 5.2, onderdeel 2 tot en met 4, opgenomen bepalingen inzake het uitbesteden van examens zijn nieuw. In verband hiermee is in paragraaf 5.1 niet langer bepaald dat het examen door de certificerende instelling wordt afgenomen.

De in paragraaf 5.2, onderdeel 4, opgenomen bepaling over het gebruik van ICT-middelen is nieuw.

De inhoud van paragraaf 5.3 lijkt inhoudelijk sterk op de oude paragraaf 5.3, maar de paragraaf is iets anders vorm gegeven door de tekst in onderdelen in te delen en de volgorde iets te wijzigen.

De tekst van het eerste en tweede onderdeel van paragraaf 5.4 is aangepast om de geheimhouding inzake de examens nog beter te kunnen waarborgen dan voorheen was geformuleerd in paragraaf 5.4.1.

Het derde onderdeel van paragraaf 5.4 stond voorheen in paragraaf 5.4.2.

Het vierde onderdeel is nieuw, maar geeft de bestaande praktijk weer met betrekking tot de itembank weer.

Hoofdstuk 6. Toezicht
Paragraaf 6.1 tot en met 6.5

De inhoud van paragraaf 6.1 tot en met 6.5 lijkt inhoudelijk sterk op de oude paragrafen 6.1 tot en met 6.5, maar de paragrafen zijn iets anders vorm gegeven door de tekst in onderdelen in te delen.

Er wordt onderscheid gemaakt tussen periodieke beoordelingen en tussentijdse controles. Tussentijdse controles vinden indien nodig, in aanvulling op periodieke beoordelingen plaats. Paragraaf 6.1 is inhoudelijk nagenoeg ongewijzigd.

De tussentijdse controle is nader uitgewerkt in paragraaf 6.2.

In paragraaf 6.2 zijn de toelichtende teksten over de wijze waarop de risico’s van de werkzaamheden worden beperkt, niet over genomen.

In de oude paragraaf 6.2 was bepaald dat er een tussentijdse controle wordt uitgevoerd bij een ernstige klacht van een belanghebbende. Die eis dat de klacht ernstig moet zijn, staat niet meer in paragraaf 6.2, onderdeel 2, onder b, maar omdat nog steeds de in paragraaf 6.3.4 omschreven procedure geldt, wordt eerst bezien of de klacht aanleiding geeft tot een tussentijdse controle.

De bepaling dat de beoordeling van de doorlopende beroepservaring deel uit maakt van de hercertificatie is niet overgenomen in paragraaf 6.2, omdat dat ook uit paragraaf 11.3 volgt.

In paragraaf 6.2, onderdeel 3, wordt voor de controle van de doorlopende beroepservaring hier niet meer een bepaald aantal duiken wordt genoemd, maar wordt verwezen naar paragraaf 11.2.1.

Paragraaf 6.2, onderdeel 4 tot en met 6, zijn nieuw.

Paragraaf 6.3.1, onderdeel 1 tot en met 4, zijn inhoudelijk ongewijzigd. Paragraaf 6.3.1, onderdeel 5 en 6, zijn afkomstig uit de oude paragraaf 6.3.3, tweede en derde zin. Deze tekst is verplaatst naar paragraaf 6.3.1. omdat die paragraaf immers over het uitvoeringsplan gaat.

Paragraaf 6.3.2 is nagenoeg ongewijzigd, onderdeel c (voorheen onderdeel 3) is duidelijker geformuleerd.

In paragraaf 6.3.3, onderdeel 3, wordt gesproken over ‘een partij waarmee wordt samengewerkt’. Daarmee wordt, net als in de oude paragraaf 6.3.3, de organisatie bedoeld waar de praktijkverrichting wordt uitgevoerd.

De tekst van paragraaf 6.3.3, onderdeel 5, is iets gedetailleerder geformuleerd. De specifieke eisen van het certificatieschema zijn de in hoofdstuk 9 omschreven eindtermen.

Paragraaf 6.3.4 lijkt inhoudelijk sterk op de oude paragraaf 6.3.4, maar onderdeel 4 is nieuw. Dit onderdeel is toegevoegd zodat dossieropbouw plaats vindt en verantwoording kan worden afgelegd over de beslissing om geen controle uit te voeren.

In de oude paragraaf 6.4 was bepaald dat tegen een eventueel opgelegde maatregel een certificaathouder overeenkomstig paragraaf 4.7 een verzoek tot herziening (lees: bezwaar) kan indienen. Het is niet nodig dat te bepalen omdat de Awb al voorziet in de mogelijkheid van bezwaar. Voor het overige is paragraaf 6.4 over het verslag van bevindingen niet inhoudelijk gewijzigd.

Paragraaf 6.5.1 Schorsing

In paragraaf 6.5.1 zijn in het eerste onderdeel de situaties beschreven waarin een certificerende instelling besluit tot schorsing van een certificaat. De tekst is op een aantal onderdelen aangepast. De verplichting om ‘het overzicht van dossiers’ te overleggen is vervangen door de verplichting het duiklogboek te overleggen (zie subonderdeel a). Daarmee sluit de tekst aan bij paragraaf 6.1, derde onderdeel, subonderdeel a. Naast het duiklogboek kunnen overigens ook nog andere dossiers relevant zijn voor de certificerende instelling.

Subonderdeel c is iets anders geformuleerd dan het oude punt 3.

Subonderdeel d is gewijzigd, het gaat nu alleen nog om financiële verplichtingen jegens de certificerende instelling, niet meer om verplichtingen jegens de beheerstichting omdat die laatstgenoemde verplichtingen er niet zijn.

Subonderdeel f inzake misbruik van het certificaat is nieuw. Door bijvoorbeeld een certificaat uit te lenen zou misbruik gemaakt kunnen worden van een certificaat.

In de oude paragraaf 6.5.1 was als schorsingsgrond tevens de situatie omschreven waarin de certificaathouder tijdelijk een gevaarlijke situatie laat ontstaan bij werkzaamheden die door het certificaat worden gereguleerd en waardoor de veiligheid of gezondheid van werknemers of derden in gevaar wordt gebracht. Een dergelijke situatie is nu een grond voor intrekking in plaats van schorsing (zie paragraaf 6.5.2, onderdeel b.)

Subonderdeel g is nieuw en houdt verband met de invoering van paragraaf 6.5.4 inzake de waarschuwing.

Onderdeel 2 ziet op het herstel van tekortkomingen in de situatie dat een nadere opleiding of praktijkervaring noodzakelijk wordt geacht. De redelijke termijn is in dat onderdeel vervangen door een termijn van drie maanden, die zo nodig verlengd kan worden tot zes maanden.

De tekst van onderdeel 3 is aangevuld met de zinsnede dat de certificerende instelling zich heeft kunnen overtuigen van de correctie van de tekortkoming. De wijze waarop een tekortkoming kan worden gecorrigeerd, hangt uiteraard af van de aard van tekortkoming. De correctie kan bestaan uit het volgen van een opleiding gevolgd door een examinering waarvoor de betrokkene slaagt, door het alsnog betalen aan de certificerende instelling, het staken van het misbruik van het beeldmerk of van het certificaat en het herstellen van de eventueel daaruit ontstane schade.

Bij sommige tekortkomingen is correctie moeilijker te realiseren.

Paragraaf 6.5.2 Intrekking

De in het eerste onderdeel opgenomen omschrijving van de situaties waarin een certificerende instelling besluit tot intrekking van een certificaat is nagenoeg ongewijzigd.

Het oude onderdeel 2 inzake het niet meer voldoen aan de geldigheidscondities van het certificaat is niet overgenomen, omdat in hoofdstuk 13, onderdeel 2, nu wordt bepaald dat het niet voldoen aan de geldigheidscondities kan leiden tot schorsing of intrekking.

Het eerste onderdeel, onder b, is iets anders geformuleerd dan het oude onderdeel 3.

Er wordt in het eerste onderdeel, onder d, geen onderscheid meer gemaakt tussen valsheid in geschrifte en onrechtmatige aftekening. Onrechtmatige aftekening is een voorbeeld van valsheid in geschrifte.

De in het tweede onderdeel opgenomen eis inzake een inschalingstraject is nieuw. Daarbij wordt bezien welke stappen nog noodzakelijk zijn. Deze eis is in de plaats gekomen van de verplichting om na intrekking van een certificaat dezelfde procedure als bij initiële certificatie te doorlopen.

Het derde en vierde onderdeel zijn materieel ongewijzigd. Bij indiening van een verzoek tot certificatie verifieert de certificerende instelling of er niet eerder sprake was van intrekking en zo ja, of de wachtperiode van één jaar dan al voorbij is.

Paragraaf 6.5.3 Weigering

De paragraaf is zowel relevant wanneer iemand voor het eerst een certificaat aanvraagt als wanneer een certificaathouder een nieuw certificaat wil aanvragen omdat de geldigheid van zijn certificaat gaat eindigen. Dat is nu duidelijker in de tekst tot uitdrukking gebracht. De tekst is tevens aangepast door toevoeging van onderdeel c dat verwijst naar artikel 1.5g, eerste lid, onderdeel b, van het besluit. Een certificaat wordt op grond van artikel 1.5g, eerste lid, onderdeel b, van het Arbobesluit geweigerd wanneer in de 12 maanden voorafgaand aan het verzoek sprake was weigering of intrekking van eenzelfde certificaat en die weigering of intrekking is geschied op basis van aan de verzoeker toe te rekenen feiten of omstandigheden.

Paragraaf 6.5.4 Waarschuwing

Deze paragraaf is nieuw en al toegelicht in paragraaf 3 van het algemeen deel van de toelichting. Een waarschuwing kan bijvoorbeeld worden gegeven bij het ontbreken van de juiste handtekeningen in het duiklogboek. De certificaathouder wordt in de gelegenheid gesteld de tekortkoming te corrigeren.

Paragraaf 6.6 inzake de melding aan de Inspectie SZW is niet overgenomen omdat de Inspectie heeft aangegeven dit niet noodzakelijk te vinden. De certificerende instelling heeft dan immers al opgetreden. Bovendien kan de Inspectie SZW in het register zien of iemand een certificaat heeft en kan de Inspectie op basis van de algemene informatieverplichting van artikel 29a van de Arbowet informatie vragen aan de certificerende instelling.

Hoofdstuk 7.Onderwerp van certificatie en categorieën van duikarbeid

De in dit hoofdstuk onderscheiden categorieën van duikarbeid lijken inhoudelijk sterk op de in het oude hoofdstuk 7 opgenomen categorieën en subcategorieën, met dien verstande dat er één subcategorie is toegevoegd, namelijk categorie B0.

In subcategorie A2 en B1 is de genoemde maximale duiktijd van 60 minuten vervangen door de eis dat de duikarbeid binnen de grenzen van No Deco duiktijden moet plaatsvinden omdat voor het hanteren van een grens van 60 minuten geen goede argumenten te geven zijn en zo wordt aangesloten bij de eindtermen.

Tevens is in subcategorie A2, A3, B1, B2, B3 en B4 de term ‘ademlucht’ vervangen door ‘ademgas’ om de wettelijke mogelijkheid open te houden om te duiken met een ademgas, niet zijnde lucht. Voor bepaalde duiken is het gevaarlijk om met lucht te duiken en is ademgas anders dan lucht nodig.

Bij subcategorie B2 is de toevoeging ‘exclusief duiken vanuit een open duikklok’ toegevoegd ter verduidelijking van de scope.

Bij subcategorie C is ‘mengselgas’ vervangen door ‘ademgas’.

Het tweede en derde onderdeel hebben betrekking op de vermeldingen op het certificaat. In hoofdstuk 12 is bepaald wat er allemaal op het certificaat vermeld moet worden. De tekst van het tweede onderdeel van hoofdstuk 7 sluit aan bij hoofdstuk 12, eerste onderdeel, onder g.

De in het derde onderdeel van hoofdstuk 7 opgenomen tekst is nieuw.

Paragraaf 7.1

De in paragraaf 7.1 opgenomen tekst is nieuw.

De in het vierde onderdeel opgenomen eis inzake het opstellen van een risico inventarisatie en- evaluatie geldt al op grond van artikel 5 van de Arbowet. De verplichting van de werkgever om de opleiding en de training van de duiker te verzorgen is in zekere zin een uitwerking van de in artikel 8 van de Arbowet opgenomen verplichting van de werkgever inzake voorlichting en onderricht. De werkgever moet een aanvullende risico-inventarisatie en -evaluatie opstellen, de duiker zo nodig aanvullend trainen en opleiden en aanvullende maatregelen treffen wanneer dieper gedoken wordt dan op basis van de categorie van het certificaat formeel mogelijk is.

Hoofdstuk 8. Entreecriteria

De verschillende paragrafen zijn tekstueel iets aangepast. In paragraaf 8.4 is de formulering ‘de cursist heeft ervaring met’ steeds vervangen door ‘de kandidaat doet ervaring op’ en is het opschrift ‘theoretische instructie’ vervangen door ‘theoretische kennis’.

Paragraaf 8.1. A SCUBA

De inhoud van deze paragraaf lijkt inhoudelijk sterk op de oude paragraaf 8.1, maar de tekst is iets anders ingedeeld.

De in onderdeel b opgenomen eis over het duikmedisch attest was voorheen op een indirecte wijze geformuleerd door te bepalen dat het duiklogboek moest vermelden dat de duiker duikmedisch is goedgekeurd. Het is duidelijker om hiervoor naar de relevante bepaling in het besluit te verwijzen.

In onderdeel c is de eis dat de kandidaat een getuigschrift of een bewijs van toelating tot een theoretische en praktische opleiding in het verrichten van duikwerkzaamheden moet overleggen vervangen door de eis dat hij een opleidingsportfolio moet overleggen. Deze aanpassing is al toegelicht in paragraaf 3 van het algemeen deel van de toelichting.

In onderdeel c, onder 1° wordt gesproken over een opleidingsinstelling die is erkend door de certificerende instelling op grond van vooraf kenbaar gemaakte kwalificatie-eisen. Deze instellingen zijn, evenals de kwalificatie-eisen (zie protocol erkenning opleidingsinstellingen), te vinden op de website van de beheerstichting, te weten: www.werkenonderoverdruk.nl.

Paragraaf 8.2. B. SSE

De inhoud van deze paragraaf lijkt inhoudelijk op de oude paragraaf 8.2, maar de tekst is iets anders ingedeeld en de eis inzake minimumleeftijd van 18 jaar is toegevoegd.

De nu in het eerste onderdeel, onder b, opgenomen eis inzake het duikmedische attest is op dezelfde wijze geformuleerd als in paragraaf 8.1.

De tekst van het eerste onderdeel, onder c, is op dezelfde wijze aangepast als in paragraaf 8.1 waarbij het bewijs van toelating is vervangen door een opleidingsportfolio.

Het tweede onderdeel is nieuw en ziet op de subcategorie B0.

Het derde onderdeel lijkt inhoudelijk op de oude paragraaf 8.2, onderdeel 2. De wijze waarop een kandidaat kan aantonen dat hij aan de eisen voor A2 voldoet is uitgebreid. Naast het overleggen van het persoonscertificaat kan hij ook een volledig en positief beoordeelde opleidingsportfolio van een erkende opleidingsinstelling overleggen.

Het vierde onderdeel lijkt inhoudelijk op de oude paragraaf 8.2, onderdeel 3, maar ook hier is net als bij het derde onderdeel de wijze waarop de kandidaat kan aantonen dat hij aan de eisen voldoet uitgebreid door overlegging van een opleidingsportfolio.

Paragraaf 8.3. C. Gesloten duikklok

De inhoud van deze paragraaf lijkt inhoudelijk op de oude paragraaf 8.3, maar de tekst is iets anders ingedeeld en de eis inzake minimumleeftijd van 18 jaar is toegevoegd.

De nu in onderdeel b opgenomen eis inzake het duikmedische attest is op dezelfde wijze geformuleerd als in paragraaf 8.1.

De nu in onderdelen c, d en e opgenomen eisen stonden in de oude paragraaf 8.3, onderdeel 2, 1, en 4, met dien verstande dat in de onderdeel e opgenomen eis inzake een getuigschrift of de toelating tot een opleiding ook hier vervangen is door de eis om een opleidingsportfolio te kunnen overleggen.

Paragraaf 8.4.1. Opleidingscurriculum A1 SCUBA (geconditioneerde omstandigheden)

De eisen die ten aanzien van de Duikvaardigheid waren opgenomen in paragraaf 8.4.1 zijn iets gewijzigd. De eis dat ten minste 600 duikminuten moeten worden gemaakt is gehandhaafd, maar hoe dat moet gebeuren is nu voor 2 maal 200 minuten nader ingevuld in onderdeel 1, sub a en b, en voor de overige 200 minuten vrijgelaten zodat de certificerende instelling die eis zelf nader kan invullen. Omdat het begrip ‘geconditioneerde omstandigheden’ is gedefinieerd in hoofdstuk 1, waarbij ‘een maximaal bereikbare diepte van 9 meter’ als een van de criteria is opgenomen is, wordt in onderdeel a gesproken over ‘een maximaal bereikbare diepte van 3,5 meter in plaats van 9 meter. Daarbij wordt dus afgeweken van de definitie.

Bij de eisen inzake de duikoefeningen is toegevoegd dat de kandidaat zowel aan de oppervlakte als onder water op zelfstandige wijze werkzaamheden heeft uitgevoerd.

De eisen inzake de theoretische kennis zijn nagenoeg ongewijzigd gebleven; onderdeel g is anders geformuleerd omdat de arbocatalogus Werken onder overdruk is opgenomen in de Beleidsregel arbocatalogi 2010.

Paragraaf 8.4.2. Opleidingscurriculum A2 SCUBA (tot en met een diepte van 15 meter)

De eisen die waren opgenomen in paragraaf 8.4.2 zijn nagenoeg ongewijzigd.

Bij de eisen inzake de duikoefeningen is toegevoegd dat de kandidaat zowel aan de oppervlakte als onder water zelfstandig werkzaamheden heeft uitgevoerd.

Evenals in paragraaf 8.4.1 is in deze paragraaf sprake van ‘geconditioneerde omstandigheden’ maar wordt in onderdeel a afgeweken van de in de definitie genoemde diepte van 9 meter.

Paragraaf 8.4.3. Opleidingscurriculum A3 SCUBA (tot en met 30 meter)

De eisen die ten aanzien van de duikvaardigheid waren opgenomen in paragraaf 8.4.3 zijn iets gewijzigd. Onderdeel a is gewijzigd doordat het aantal duikminuten in buitenwater is verminderd van 200 naar 120, maar er worden aanvullende eisen gesteld inzake de totale tijd onder druk en decompressie. Het totale aantal duikminuten, te weten 200, is ongewijzigd gebleven.

In onderdeel 3 is subonderdeel a aangevuld door te spreken over ‘inwater- en oppervlaktedecompressierichtlijn en methode’, dus niet meer alleen over ‘decompressierichtlijnen en methodes’.

Paragraaf 8.4.4. Opleidingscurriculum B0 SSE (geconditioneerde omstandigheden)

De inhoud van deze paragraaf is geheel nieuw omdat deze betrekking heeft op de nieuwe subcategorie B0.

Een deel van de eisen ten aanzien van de duikoefeningen die waren opgenomen voor B1, zijn nu opgenomen bij B0. Subcategorie B0 heeft betrekking op duiken in bassins met geconditioneerde omstandigheden tot en met 9 meter.

Paragraaf 8.4.5. Opleidingscurriculum B1 SSE (tot en met 15 meter)

De eisen van deze paragraaf waren opgenomen in de oude paragraaf 8.4.4.

De eisen ten aanzien van de duikvaardigheid zijn gewijzigd. De eis dat aanvullend ten minste 300 duikminuten worden gemaakt geldt nog steeds, maar de eisen dat in een zwembad of in een duiktoren moet worden gedoken is vervallen en vervangen door de eis dat 150 duikminuten in plaats van 50 duikminuten in buitenwater op een diepte tussen 10 en 15 meter moet worden gemaakt.

De eisen ten aanzien van de duikoefeningen zijn beperkt tot drie in plaats van zeven omdat de andere vier eisen nu zijn opgenomen in paragraaf 8.4.4. (BO SSE).

De eisen ten aanzien van de theoretische kennis zijn nagenoeg ongewijzigd, onderdeel b is anders geformuleerd omdat de arbocatalogus Werken onder overdruk is opgenomen in de Beleidsregel arbocatalogi 2010.

Paragraaf 8.4.6. Opleidingscurriculum B2 SSE (tot en met 30 meter)

De eisen van deze paragraaf waren opgenomen in de oude paragraaf 8.4.5.

De eisen ten aanzien van de duikvaardigheid zijn gewijzigd. De eis dat in totaal ten minste 600 duikminuten worden gemaakt is verlaagd naar 500 duikminuten. Tevens zijn de in onderdeel a en b opgenomen eisen inzake het aantal duikminuten gewijzigd.

Ten aanzien van de duikoefeningen is in onderdeel b een onderscheid gemaakt tussen de verschillende soorten gereedschap en zijn enkele apparaten toegevoegd. De hogedrukspuit wordt veel gebruikt in de duikbranche en het is wenselijk dat kandidaten daar tijdens de opleiding mee leren omgaan. In onderdeel d en e zijn nieuwe eisen opgenomen inzake duiken met een heetwaterpak en een LARS. Onderdeel f en g waren voorheen opgenomen als onderdeel d en e. In onderdeel h is de term ‘rigging’ vervangen door ‘tuigage’.

De eis inzake het heetwaterpak gold al voor de categorie B3, maar is nu verplaatst naar B2, omdat de eis daar in de praktijk nu eigenlijk al thuis hoort. Ook de eis inzake LARS is van categorie B3 naar B2 verplaatst, LARS wordt in de praktijk steeds vaker gebruikt.

De eisen inzake theoretische kennis zijn uitgebreid door toevoeging van de onderdelen g, (heetwaterpak) h, (LARS) en dat houdt uiteraard verband met wijzigingen ten aanzien van de duikoefeningen.

Nieuw is onderdeel i (duiken in vervuild water).

De kennis van regelgeving moet uitgebreider zijn omdat de scope ook uitgebreider is.

Paragraaf 8.4.7. Opleidingscurriculum B3 SSE (tot 50 meter)

De eisen van deze paragraaf waren opgenomen in de oude paragraaf 8.4.6.

De eisen ten aanzien van de duikvaardigheid zijn gewijzigd. Het minimum aantal duikminuten van 150 is verhoogd tot 160. Aan de eisen in onderdeel a en b is toegevoegd dat die met een totale tijd onder druk van ten minste 100 minuten moet geschieden. In onderdeel b is de eis van 70 duikminuten verlengd tot 80 minuten. De oorspronkelijk in onderdeel c opgenomen eis inzake één duik in een heetwaterpak is hier vervallen en staat nu paragraaf 8.4.6. De oorspronkelijk in onderdeel d opgenomen eis inzake inwater- en oppervlaktedecompressie is nu opgenomen als onderdeel c.

De eisen inzake de duikoefeningen zijn gewijzigd door toevoeging van de eisen in onderdeel b ten aanzien de daar genoemde gereedschappen. De oorspronkelijk in onderdeel b opgenomen eis inzake het heetwaterpak is hier vervallen en staat nu in paragraaf 8.4.6.

Bij de eisen inzake theoretische kennis is de eis inzake het heetwaterpak vervallen en staat die eis nu in paragraaf 8.4.6.

Paragraaf 8.4.8. Opleidingscurriculum B4 SSE (met open duikklok)

De eisen van deze paragraaf waren opgenomen in de oude paragraaf 8.4.7. De eisen ten aanzien van de duikvaardigheid zijn gewijzigd. Er worden nu eisen gesteld aan de periode gedurende welke de kandidaat ten minste totaal onder druk is geweest. In onderdeel a en b wordt geen onderscheid meer gemaakt tussen een diepte van minder of meer dan 15 meter en minder dan 30 meter, maar van minder of meer dan 9 meter en minder dan 20 meter. In onderdeel a is het aantal vereiste duikminuten verhoogd van 30 tot 90 minuten. De eisen in onderdeel c en d zijn gewijzigd door het minimale aantal duikminuten te verlagen van 40 naar 30 respectievelijk van 100 naar 40 minuten maar door tegelijkertijd eisen toe te voegen over een totale tijd onder druk.

De eisen inzake duikoefeningen en theoretische kennis zijn ongewijzigd gebleven.

Paragraaf 8.4.9. Opleidingscurriculum C Gesloten duikklok (met ademgas)

De eisen van deze paragraaf waren opgenomen in de oude paragraaf 8.4.8.

De eisen ten aanzien van de duikvaardigheid zijn anders geformuleerd. In plaats van drie bounceduiken tot verschillende dieptes wordt één bounceduik geëist met lockouts op verschillende dieptes. De eisen inzake Duikoefeningen en Theoretische kennis zijn ongewijzigd gebleven.

Paragraaf 8.5 Algemene eisen duiklogboek

De eisen van deze paragraaf waren opgenomen in de oude paragraaf 8.5.

Het duiklogboek maakt deel uit van het portfolio, bedoeld in paragraaf 10.2.1. Het duiklogboek heeft uitsluitend betrekking op ‘duikarbeid’ en dus niet op sportduiken.

Nieuw in het schema is dat op grond van onderdeel 3, onder g, in het duiklogboek melding wordt gemaakt moet worden van de totale tijd onder druk. Die eis gold echter al op grond van artikel 6.16, vijfde lid, van het Arbobesluit, maar daar wordt gesproken over ‘de verblijftijd in de vloeistof’. Dat is hetzelfde als ‘de totale tijd onder druk’. De eisen in onderdeel 4, onder a tot en met c, staan al in artikel 6.16, vijfde lid, van het besluit. De paragraaf 8.5, derde, vierde en vijfde onderdeel, opgenomen eisen komen voor het overige overeen met de eisen die al waren opgenomen in de oude paragraaf 8.5.

Paragraaf 8.6. Beoordeling van de entreecriteria

De eisen van deze paragraaf waren opgenomen in de oude paragraaf 8.6, maar er zijn enkele wijzigingen doorgevoerd. De in twee aparte subonderdelen opgenomen eisen dat men een bewijs van toelating tot een theoretische en praktische opleiding moest hebben óf een getuigschrift, is in onderdeel A, B en C vervangen door een eis in één subonderdeel 3 dat men een volledig en positief beoordeeld opleidingsportfolio moet hebben. Een getuigschrift of een bewijs van toelating is dus niet meer voldoende. Die wijziging werkt ook door in onder B en C, waarin de eis dat de betrokkene een bepaald persoonscertificaat duikarbeid of een daarmee vergelijkbaar bewijs van vakbekwaamheid moet hebben, is gewijzigd in de eis dat iemand een bepaald persoonscertificaat of een volledig en positief beoordeeld opleidingsportfolio moet hebben.

In de onderdelen A, B en C is sprake van een door een certificerende instelling erkende opleidingsinstelling. Om na te gaan welke opleidingsinstelling door de gezamenlijke certificerende instellingen zijn erkend, kan men de website van de beheerstichting raadplegen. De erkenning geschiedt op basis van van te voren bekend gemaakte eisen.

Tevens is in de drie onderdelen A, B en C is de eis toegevoegd dat men een duikmedisch attest moet hebben, dat wil zeggen moet zijn goedgekeurd door een duikerarts. In het Arbobesluit is dit in artikel 6.14a geregeld.

Paragraaf 9.1. A. SCUBA

De inhoud van deze paragraaf, waarin de eindtermen voor categorie A1, A2 en A3 staan, was opgenomen in de oude paragraaf 9.1.

Bij de omschreven eindtermen van categorie A1 respectievelijk A2 is de in onderdeel T7 respectievelijk T7A2 omschreven eis iets verduidelijkt door de eis dat de kandidaat ´lichte werkzaamheden´ kan verrichten te vervangen door de eis dat hij werkzaamheden kan verrichten met ´niet aangedreven gereedschap´.

De eisen die bij categorie A2 en A3 waren aangeduid als T6 en T7 zijn vervangen door de aanduiding T6A2, T6A3, T7A2 en T7A3 zodat het onderscheid tussen de verschillende categorieën A1, A2 en A3 duidelijker is.

Bij de omschreven eindtermen van categorie A2 is in onderdeel T6A2 de formulering ´maximaal 60 minuten´ vervangen door binnen ´de limieten van No Deco duiktijden´. Dit houdt verband met de wijziging van de scope (zie ook toelichting bij hoofdstuk 7).

De eindtermen van categorie A3 zijn ongewijzigd gebleven.

Paragraaf 9.2. SSE

In de oude paragraaf 9.2 waren eindtermen voor de categorieën B1 tot en met B4 opgenomen.

De bij categorie B0 omschreven eindtermen zijn nieuw en lijken op de oude eindtermen van categorie B1, maar zijn (deels) minder zwaar. De eis aangeduid als T8 inzake duikmaterieel voor ademgasvoorziening gold al voor categorie B1. De eisen T9B0 en T10B0 gaan uit van een diepte van 9 meter (in plaats van 15 meter). De eis T11B0 inzake niet aangedreven handgereedschap is nieuw.

De bij categorie B1 omschreven eindtermen zijn op onderdelen gewijzigd. In eis T9B1 is (anders dan in T9) de zinsnede dat de kandidaat in staat is om andere duikers te ondersteunen bij het verrichten van hun werkzaamheden en op te treden als reserveduiker niet langer opgenomen omdat die eis al geldt op basis van categorie A1, eis T3 en T4. In eis T10B1 is de zinsnede ‘binnen de limieten van No Deco duiktijden’ toegevoegd ter vervanging van de formulering ‘gedurende een duiktijd van maximaal 60 minuten’.

De bij categorie B2 omschreven eindtermen zijn op onderdelen gewijzigd. In eis T9B2 is toegevoegd dat de kandidaat moet kunnen duiken met een droogpak of een heetwaterpak en ook moet kunnen duiken in verontreinigd water. In diezelfde eis is de zinsnede dat de kandidaat in staat is om andere duikers te ondersteunen bij het verrichten van hun werkzaamheden en op te treden als reserveduiker niet langer opgenomen omdat die eis al geldt op basis van categorie A1, eis T3 en T4.

In eis T11B2 is toegevoegd dat een kandidaat in staat moet zijn om uiteenlopende werkzaamheden onder water uit te oefenen waarbij gebruik wordt gemaakt van een LARS.

De bij categorie B3 omschreven eindtermen zijn in één onderdeel gewijzigd. In eis T9B3 is toegevoegd dat de kandidaat moet kunnen duiken in buitenwater met een droogpak of een heetwaterpak.

De bij categorie B1, B2,B3 en B4 omschreven eindtermen zijn op hetzelfde onderdeel gewijzigd. In T9B1, T9B2, T9B3 en T9B4 is de zinsnede dat de kandidaat in staat is om andere duikers te ondersteunen bij het verrichten van hun werkzaamheden en op te treden als reserveduiker niet langer opgenomen omdat die eis al geldt op basis van categorie A1, eis T3 en T4.

Paragraaf 9.3. C. Gesloten duikklok

De bij categorie C (gesloten duikklok) omschreven eindtermen zijn ongewijzigd.

Paragraaf 10.1. Toetscriteria

De begrippen ‘elementaire kennis’ en ‘uitgebreide kennis’ zijn iets anders geformuleerd. De term ‘toetstermen’ is vervangen door ‘toetscriteria’. In de bijlage werden beide termen gebruikt maar daarmee werd hetzelfde bedoeld. Daarom is nu gekozen voor de term ‘ toetscriteria’.

Paragraaf 10.1.1. A. SCUBA

De in deze paragraaf opgenomen toetscriteria zijn (nagenoeg) ongewijzigd.

Paragraaf 10.1.2. B. SSE

De in deze paragraaf opgenomen toetscriteria zijn gewijzigd, voor zover dat noodzakelijk was door toevoeging van categorie B0. Tevens is de term ‘equipment’ vervangen door ‘materiaal’.

De toetscriteria in T10.3 zijn voor B2 en B3 ook gewijzigd in verband met toevoeging van het LARS. Het toetscriterium in T10.6 inzake duiken in verontreinigd water is nieuw. Bij toetscriterium T11.2 is voor B0 en B1 naast een afdaling naar 9 meter ook een opstijging vereist. In de praktijk was het al gebruikelijk om ook een opstijging te vereisen.

De omschrijving van toetscriterium T11.4 is gewijzigd, er wordt niet meer gesproken over mechanisch, hydraulisch en elektrisch onderwatergereedschap, maar over aangedreven gereedschap. Tevens is het gebruik van LARS toegevoegd.

Het toetscriterium T11.5 inzake het heetwaterpak is nieuw.

Toetscriterium T11.6 was eerder opgenomen als T11.5, maar is in verband met de invoeging van het nieuwe T11.5 vernummerd.

Paragraaf 10.1.3. C. Gesloten duikklok

De in deze paragraaf opgenomen toetscriteria zijn op onderdelen gewijzigd.

De formulering van toetscriterium T13.2 is verbeterd door de zinsnede ‘het bedienen van de compressietank’ te vervangen door ‘het als duiker omgaan met saturatiesysteem’.

Paragraaf 10.2. Beoordeling eindtermen

De inhoud van deze paragraaf is aangevuld door te bepalen dat de cesuur wordt geregeld in het examenreglement. Dat vloeit voort uit paragraaf 5.2, eerste onderdeel, onder h. In de praktijk is het gebruikelijk dat de cesuur wordt bepaald door de Centrale Examencommissie van de beheerstichting.

Paragraaf 10.2.1. Beoordeling opleidingsportfolio

De tekst van deze paragraaf lijkt inhoudelijk sterk op de oude tekst, maar is anders vorm gegeven. In het eerste onderdeel is de beoordeling tegen de toetscriteria T7.1, T11.1 en T15.2 vervangen door beoordeling tegen de toetscriteria T1 tot en met T15 zodat duidelijk is dat de certificerende instelling beoordeelt op basis van alle toetscriteria.

In het tweede onderdeel is het getuigschrift vervangen door het opleidingsportfolio.

De formulering van het derde onderdeel is iets aangepast omdat de opleidingsinstelling geen normadressaat is.

In het vierde onderdeel is de term ‘kwaliteitseisen’ vervangen door ‘kwalificatie-eisen’. Het gaat hierbij om de vooraf kenbaar gemaakte kwalificatie-eisen die worden genoemd in paragraaf 8.1, onderdeel c, onder 1°, paragraaf 8.2, onderdeel c, onder 1°, en paragraaf 8.3, onderdeel c, onder 1°.

Paragraaf 10.2.2. Theorie-examen A. Scuba

In het eerste onderdeel van paragraaf 10.2.2 worden dezelfde thema’s (voorheen vakken) genoemd als in de oude paragraaf, maar wordt geen onderscheid meer gemaakt tussen hoofd- en bijvakken omdat het examen anders is opgebouwd en verschil wordt gemaakt door het aantal vragen dat is opgenomen over de verschillende onderwerpen.

Het tweede onderdeel is nieuw, maar in de mogelijkheid van deelexamens was al voorzien.

Het derde, vierde en vijfde onderdeel zijn inhoudelijk niet gewijzigd, maar ook hier wordt geen onderscheid meer gemaakt tussen hoofd- en bijvakken.

In deze paragraaf was ook bepaald hoe lang een examen voor ieder vak duurt en hoeveel pauze er werd gehouden, maar die bepalingen zijn hier vervallen en worden op grond van paragraaf 5.2, eerste onderdeel, onder e, in het examenreglement opgenomen.

Paragraaf 10.2.3. Theorie-examen B. SSE

In het eerste onderdeel van paragraaf 10.2.3 worden dezelfde thema’s (voorheen vakken) genoemd als in de oude paragraaf, maar wordt geen onderscheid meer gemaakt tussen hoofd- en bijvakken.

Het tweede onderdeel is nieuw, maar in de mogelijkheid van deelexamens was al voorzien.

Het derde en vierde onderdeel zijn nieuw, maar de formulering komt overeen met dezelfde onderdelen in paragraaf 10.2.2.

In het vijfde onderdeel zijn in de kolom behorend bij ‘Duiken algemeen’ twee nieuwe toetscriteria toegevoegd, namelijk T.10. 6 en T.11.6. Deze zijn ook toegevoegd in de tabel van toetscriteria.

In deze paragraaf was ook bepaald hoe lang een examen voor ieder vak duurt en hoeveel pauze er werd gehouden, maar die bepalingen zijn vervallen in deze bijlage, maar staan nu in het examenreglement.

Paragraaf 10.2.4. Theorie-examen C. Gesloten duikklok (met ademgas)

In het eerste onderdeel van paragraaf 10.2.3 worden dezelfde thema’s (voorheen vakken) als in de oude paragraaf genoemd. Ook hier wordt geen onderscheid meer gemaakt tussen hoofd- en bijvakken.

Het tweede onderdeel is nieuw, maar in de mogelijkheid van deelexamens was al voorzien.

Het derde onderdeel bevat geen inhoudelijke wijzigingen.

In deze paragraaf was ook bepaald hoe lang een examen voor ieder vak duurt en hoeveel pauze er werd gehouden, maar die bepalingen zijn vervallen in deze bijlage, maar staan nu in het examenreglement.

Paragraaf 10.2.5. Uitvoering van het theorie-examen

In de paragrafen 10.2.2 tot en met 10.2.4 was uitgewerkt hoe lang een examen duurt en hoeveel pauze er werd gehouden, maar daarvoor wordt nu naar het door de certificerende instellingen opgestelde examenreglement verwezen. Om te bewerkstelligen dat er uniformiteit is tussen de examenreglementen die de verschillende certificerende instellingen opstellen, heeft de beheerstichting in een door haar opgesteld examenreglement daarover bepalingen opgenomen. Het examenreglement is te vinden op de website van de beheerstichting www.werkenonderoverdruk.nl

Paragraaf 10.2.6. Praktijkexamen

Deze paragraaf over het praktijkexamen was voorheen opgenomen als paragraaf 10.2.5.

De vermelde eisen zijn voor het overgrote deel identiek, maar er zijn op onderdelen verschillen die deels een formalisering zijn van hetgeen in de praktijk al gebeurde.

Bij het praktijkexamen A2 zijn in onderdeel A de eisen van het praktijkexamen A1 herhaald en is in onderdeel B toegevoegd dat er in buitenwater gedoken moet zijn en geldt nu een diepte van 15 in plaats van 9 meter.

Bij het praktijkexamen A3 zijn in onderdeel A de eisen van het praktijkexamen A1 herhaald en geldt voor onderdeel B, subonderdeel a (afdaling en opstijging met inwater-decompressieprocedure) nu een diepte van 15 in plaats van 20 meter en geldt voor subonderdeel b (werkzaamheden met takels of hefballon) ook een diepte van maximaal 15 meter. Voorheen was daar geen diepte vermeld. Hierbij gaat het met name om de handelingen en niet zozeer om de diepte.

De eisen bij Praktijkexamen BO zijn nieuw omdat deze categorie nog niet eerder was vermeld.

Bij het praktijkexamen B1 zijn de eisen ongewijzigd gebleven.

Bij het praktijkexamen B2 en B3 is één nieuw onderdeel opgenomen in onderdeel B en een aantal wijzingen doorgevoerd ten aanzien van de duikdiepte en het gebruik van LARS. Door is de formulering is nu duidelijker tot uitdrukking gebracht dat anders dan bij A1 tot en met A3, B0 en B1 niet voldaan hoeft te worden aan alle genoemde oefeningen, maar bij B2, B3, en B4 slechts aan één van de in de opsomming van onderdeel B genoemde oefeningen.

Bij het praktijkexamen B4 zijn een aantal wijzigingen doorgevoerd. Er worden niet langer vier verplichte onderdelen omschreven, maar er worden acht onderdelen omschreven waarvan er ten minste twee aan de orde moeten komen.

Bij portfoliobeoordeling C is de tekst aangepast omdat een deel van de tekst per abuis ontbrak.

Paragraaf 11.1. Toetscriteria voor hercertificatie

De bij H.1.1 opgenomen tekst die betrekking heeft op de vereisten inzake de doorlopende beroepservaring is gewijzigd door nu ook voor categorie A1 en A2 wordt uitgegaan van ten minste 30 duiken in 24 maanden. H2.1 is alleen gewijzigd door toevoeging van BO. Zoals hiervoor is aangegeven bij paragraaf 10.1 is overal het begrip ‘ toetstermen’ vervangen door ‘toetscriteria’.

Paragraaf 11.2. Uitgangspunten toetsing

Voor de beoordeling of aan iemand voldoet aan toetscriterium H1 wordt net als voorheen op basis van de oude paragraaf 11.2 gekeken naar het duiklogboek.

De beoordeling of iemand voldoet aan toetscriterium H2 is gewijzigd, dit gebeurt niet meer op basis van een praktijkexamen, maar op basis van een proeve van bekwaamheid.

De beoordeling van de doorlopende beroepservaring in onderdeel 3 is in de plaats gekomen van de voorheen opgenomen bepaling dat een examinator ten minste één keer in de vier jaar toetst of de certificaathouder voldoet aan toetscriterium H2.1

Onderdeel 4 komt overeen met de voorheen opgenomen tekst. Voorheen was in paragraaf 11.2 ook nog bepaald welke eisen gesteld worden aan een examinator bij het praktijkexamen, maar die eisen zijn niet langer opgenomen.

Paragraaf 11.2.1. Eindtermen doorlopende beroepservaring

De inhoud van deze paragraaf is nieuw. De eisen aan de doorlopende beroepservaring zijn nader ingevuld om te waarborgen dat de beroepservaring ook daadwerkelijk ten aanzien van de hele scope wordt opgedaan.

Paragraaf 11.3. Aanvraag hercertificatie

De inhoud van deze paragraaf is nieuw. Het is een verduidelijking van de bestaande praktijk.

Paragraaf 11.4. Cesuur van de beoordeling bij hercertificatie

De inhoud van deze paragraaf lijkt inhoudelijk sterk op de oude paragraaf 11.3 en is alleen tekstueel aangepast.

Paragraaf 11.5. Ingangsdatum van hercertificatie

De inhoud van deze paragraaf is nieuw. Voor de ingangsdatum van certificatie en hercertificatie is de datum waarop de beslissing daarover wordt genomen bepalend, zie ook hoofdstuk 12, onderdeel 4.

Met de in het tweede onderdeel opgenomen termijn van twee maanden wordt beoogd te voorkomen dat de beslissing op basis van oude informatie wordt genomen.

Hoofdstuk 12. Certificaat

De gegevens die op grond van de onderdelen 1 tot en met 3 van deze paragraaf op het certificaat vermeld moeten worden, zijn ongewijzigd. Onderdeel 4 is toegevoegd omdat deze eis verplaatst is vanuit de oude paragraaf 5.2. Daar stond dat het examenreglement een bepaling moest bevatten over de ingangsdatum van het certificaat.

Onderdeel 5 is nieuw.

Hoofdstuk 13. Geldigheidscondities

De inhoud van dit hoofdstuk is nieuw. In het oude hoofdstuk 13 werd als geldigheidscondities alleen de verplichting genoemd om actief te blijven bij duikarbeid en de omschreven doorlopende beroepservaring te hebben.

Nu zijn in hoofdstuk 13 daarnaast als geldigheidscondities administratieve verplichtingen jegens de certificerende instelling opgenomen en verplichtingen om mee te werken aan uitvoering van het toezicht.

In het tweede onderdeel van hoofdstuk 13 staat dat het niet voldoen aan de geldigheidscondities kan leiden tot schorsing of intrekking van het certificaat. In dat verband zijn met name ook paragraaf 6.5.1 en 6.5.2 van belang waarin is bepaald wanneer de certificerende instelling besluit tot schorsing of intrekking.

Hoofdstuk 14. Overgangsbepalingen duikercertificaten

De overgangsbepalingen voorzien in het eerste onderdeel in een regeling voor brandweerduikers die ten tijde van de inwerkingtreding van de wijziging van deze regeling werkzaam zijn op basis van een geldig certificaat dat aan hen is verstrekt door het Instituut Fysieke Veiligheid. Zij kunnen op basis van dat certificaat werkzaam blijven zolang hun certificaat nog geldig is. Het vervallen van bijlage XVIf heeft voor hen dus niet tot gevolg dat zij vanaf 1 oktober 2018 direct een nieuw certificaat nodig hebben.

Wel zal vanaf 1 oktober 2018 bij tussentijdse controles van hun doorlopende beroepservaring worden uitgegaan van de per 1 oktober 2018 geldende bepalingen (zie paragraaf 11.2.1) en zullen zij moeten gaan voldoen aan de in hoofdstuk 13 opgenomen geldigheidscondities.

Met het tweede onderdeel is geregeld dat om examinator te kunnen zijn de ervaring die een certificaathouder als brandweerduiker heeft opgedaan net zo relevant is als de ervaring die een ‘gewone duiker’ heeft opgedaan.

In het derde onderdeel is een overgangsbepaling opgenomen voor ‘gewone’ duikers die ten tijde van de inwerkingtreding van de wijziging van deze regeling werkzaam zijn op basis van een geldig certificaat dat aan hen is verstrekt door de Stichting Nederlands Duikcentrum Certificatie Instelling. Ook voor hen geldt dat zij op basis van dat certificaat werkzaam kunnen blijven zolang hun certificaat nog geldig is, maar dat vanaf 1 oktober 2018 bij tussentijdse controles van hun doorlopende beroepservaring worden uitgegaan van de per 1 oktober 2018 geldende bepalingen (zie paragraaf 11.2.1) en zullen zij moeten gaan voldoen aan de in hoofdstuk 13 opgenomen geldigheidscondities.

Artikel I, onderdeel E (bijlage XVIf)

Het vervallen van bijlage XVIf die betrekking heeft op het certificaat voor de brandweerduiker is al toegelicht in paragraaf 2 van het algemeen deel van de toelichting.

Artikel II

Vooruitlopend op de wijziging van bijlage XVIc in verband met de overgang van beoordeling van accreditatie (Stb. 2017, 487), is gekozen voor een tussentijdse aanpassing van het certificatieschema omdat het door de sector wenselijk wordt geacht deze materiële wijzigingen op een eerder tijdstip door te voeren. Daarbij is in overleg met de sector gekozen voor een termijn van twee maanden.

De wijziging van bijlage XVIb kan op hetzelfde moment in werking treden.

Dit is in overeenstemming met de wensen van de sector.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, T. van Ark