TOELICHTING
1. Inleiding
Met deze regeling is voor fipronil en amitraz in pluimveemest een maximumniveau vastgesteld
in het kader van de regelgeving over dierlijke bijproducten. Hiermee is de tot nu
toe, in de praktijk gehanteerde detectiegrens geformaliseerd, waarmee pluimveemest
die het maximumniveau voor fipronil en amitraz niet overschrijdt kan worden aangemerkt,
gebruikt en verwijderd als categorie 2-materiaal.
2. Categorie-indeling verordening dierlijke bijproducten
Dierlijke bijproducten zijn dode dieren of delen van dieren, producten van dierlijke
oorsprong, of andere producten, die uit dieren zijn verkregen en die niet voor menselijke
consumptie zijn bestemd. Op grond van de verordening dierlijke bijproducten1 worden dierlijke bijproducten ingedeeld in 3 categorieën, waarvan categorie 1 de
meest risicovolle groep dierlijke bijproducten is, en categorie 3 de minst risicovolle.
Afhankelijk van de categorie-indeling van het dierlijk bijproduct bepaalt de verordening
dierlijke bijproducten op welke manieren zij kunnen worden gebruikt en verwijderd.
In artikel 8 van de verordening dierlijke bijproducten is bepaald welke dierlijke
bijproducten worden aangemerkt als categorie 1-materiaal. Zo worden dierlijke bijproducten,
op grond van artikel 8, onderdeel c, aangemerkt als categorie 1 indien zij afkomstig zijn van dieren die een illegale
behandeling hebben ondergaan. Hiernaast worden dierlijke bijproducten, op grond van
artikel 8, onderdeel d, aangemerkt als categorie 1, indien zij residuen bevatten van stoffen en contaminanten
die zijn opgenomen in groep B, punt 3, van bijlage I, bij richtlijn 96/23/EG, die
het maximumniveau overschrijden dat bij communautaire of, bij gebrek hieraan, nationale
wetgeving is vastgesteld.
Dierlijke bijproducten die worden aangemerkt als categorie 1 kunnen, op grond van
artikel 13 van de verordening dierlijke bijproducten, worden verbrand of worden gestort
op een toegelaten stortplaats. Categorie 2-materiaal, waaronder reguliere pluimveemest,
kan, op grond van artikel 13, onder andere worden gebruikt voor de vervaardiging van
organische meststoffen en bodemverbeteraars, of zonder verwerking worden uitgereden
op het land.
3. Maximumniveau voor fipronil en amitraz in pluimveemest
In tegenstelling tot voor fipronil en amitraz in eieren en in vlees2 was voor fipronil en amitraz in pluimveemest geen maximumniveau vastgesteld in communautaire
of nationale wetgeving als bedoeld in artikel 8, onderdeel d, van de verordening dierlijke bijproducten. Bij gebreke aan een dergelijk maximumniveau,
en om te voorkomen dat te hoge concentraties fipronil en amitraz in bodem en water
konden worden gebracht, werd de pluimveemest tot nu toe aangemerkt als categorie 1-materiaal
in de zin van artikel 8, onderdeel c, van de verordening dierlijke bijproducten. Hoewel het voor artikel 8, onderdeel
c, in beginsel niet relevant is of de pluimveemest daadwerkelijk fipronil of amitraz bevat, is bij de handhaving van deze categorie-indeling een detectiegrens
gehanteerd, die aansluit bij het maximumniveau voor vlees en eieren.3 De detectiegrens is de laagste waarde van een stof die in producten kan worden gemeten.
Met deze regeling is de detectiegrens geformaliseerd en vastgesteld als maximumniveau
in de zin van artikel 8, onderdeel d, van de verordening dierlijke bijproducten. Rekening
houdend met meetonzekerheden van 5 respectievelijk 10 microgram per kilogram, betekent
dit dat, in de praktijk, pluimveemest die meer dan 10 microgram fipronil of 20 microgram
amitraz per kilogram bevat wordt aangemerkt als categorie 1.
Fipronil en amitraz zijn insecticiden die onder meer in diergeneeskundige producten
tegen vlooien, mijten en teken worden gebruikt. Fipronil en amitraz mogen niet worden
gebruikt bij dieren die bestemd zijn voor de voedselketen, zoals pluimvee. Omdat fipronil
en amitraz een negatieve invloed kunnen hebben op insecten en andere ongewervelden,
is het van belang om te voorkomen dat deze stoffen – via verontreinigde pluimveemest
– in het milieu terechtkomen. Pluimveemest met een zodanig laag gehalte aan fipronil
of amitraz dat het niet kan worden gedetecteerd, vormt een beperkter risico voor het
milieu.
4. Inwerkingtreding
Met de inwerkingtreding van deze regeling is afgeweken van het beleid van vaste verandermomenten,
omdat hiermee een reeds bestaande praktijk is geformaliseerd.
De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,
C.J. Schouten