Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van FinanciënStaatscourant 2018, 237Besluiten van algemene strekking

Regeling van de Minister van Financiën van 22 december 2017, 2017-0000211126, directie Financiële Markten, houdende regels tot vaststelling van de criteria voor de beoordeling van de vakbekwaamheid van werknemers van een beleggingsonderneming en tot wijziging van de Regeling taakuitoefening en grensoverschrijdende samenwerking financiële toezichthouders Wft ter implementatie van de richtlijn markten voor financiële instrumenten 2014 en van de Vrijstellingsregeling Wft (Regeling vakbekwaamheid werknemers beleggingsondernemingen Wft)

De Minister van Financiën,

Gelet op de artikelen 1:25, vierde lid, 1:69, derde lid, 2:104, eerste en tweede lid, 3:3 en 4:9, vierde lid, 4:14, tweede lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet op het financieel toezicht, en de artikelen 5a en 29b, tweede lid, van het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft;

BESLUIT:

§ 1. Inleidende bepaling

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

a. het besluit:

het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft;

b. werknemers:

werknemers en andere natuurlijke personen die werkzaam zijn onder verantwoordelijkheid van de beleggingsonderneming.

§ 2. Criteria vakbekwaamheid

Artikel 2 Bepalingen ter uitvoering van artikel 5a van het besluit

  • 1. Een beleggingsonderneming zorgt ervoor dat haar werknemers die cliënten informeren over financiële instrumenten of gestructureerde deposito’s, beleggingsdiensten of nevendiensten of die zich rechtstreeks bezighouden met het adviseren van cliënten over financiële instrumenten of gestructureerde deposito’s over de benodigde kennis beschikken van:

    • a. de belangrijkste kenmerken en risico’s van de financiële instrumenten of gestructureerde deposito’s die via de beleggingsonderneming verkrijgbaar zijn, met inbegrip van de kosten en eventuele fiscale gevolgen;

    • b. de totale kosten voor de cliënt die verband houden met de financiële instrumenten of gestructureerde deposito’s en het verlenen van een beleggingsdienst of nevendienst;

    • c. de kenmerken en omvang van de beleggingsdiensten of nevendiensten die de beleggingsonderneming verleent;

    • d. de werking van de financiële markten en de wijze waarop en de mate waarin de financiële markten de waarde en de prijs van financiële instrumenten en gestructureerde deposito’s beïnvloeden;

    • e. de invloed van economische cijfers en nationale, regionale en mondiale gebeurtenissen op de financiële markten en de waardeontwikkeling van financiële instrumenten en gestructureerde deposito’s;

    • f. het verschil tussen eerder behaalde beleggingsresultaten en scenario’s voor toekomstige beleggingsresultaten, evenals de beperkingen van prognoses;

    • g. de hoofdlijnen van de verordening marktmisbruik en de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme;

    • h. relevante informatie met betrekking tot een financieel instrument of gestructureerde deposito, zoals de essentiële beleggersinformatie;

    • i. handelsplatformen of secundaire markten die relevant zijn voor de handel in financiële instrumenten of gestructureerde deposito’s waarover zij informeren of adviseren; en

    • j. de waarderingsmethoden voor de financiële instrumenten of gestructureerde deposito’s waarover zij informeren of adviseren.

  • 2. Onverminderd het eerste lid beschikken werknemers die cliënten rechtstreeks adviseren over financiële instrumenten of gestructureerde deposito’s over basiskennis met betrekking tot het beheren van individuele vermogens en zijn zij bekwaam om te beoordelen of een financieel instrument of gestructureerde deposito geschikt is voor een bepaalde cliënt.

  • 3. In afwijking van het eerste en tweede lid kan een werknemer die niet over de benodigde kennis en bekwaamheid beschikt, bedoeld in het eerste of tweede lid, een cliënt informeren over financiële instrumenten, gestructureerde deposito’s, beleggingsdiensten of nevendiensten respectievelijk adviseren over financiële instrumenten of gestructureerde deposito’s mits:

    • a. de werknemer wordt begeleid door een andere werknemer van de beleggingsonderneming die voldoet aan het eerste of tweede lid;

    • b. de andere werknemer beschikt over de benodigde vaardigheden en middelen om als begeleider te kunnen optreden;

    • c. de andere werknemer de verantwoordelijkheid draagt voor de gegeven informatie of adviezen; en

    • d. de werknemer niet langer dan vier jaar onder begeleiding werkt.

§ 3. Aanvullende regels bedrijfsvoering

Artikel 3 Bepaling ter uitvoering van artikel 29b, tweede lid, van het besluit

Een beleggingsonderneming evalueert jaarlijks de vakbekwaamheid en de opleidingswensen van werknemers als bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef.

§ 4. Wijziging andere regelingen

Artikel 4

De Regeling taakuitoefening en grensoverschrijdende samenwerking financiële toezichthouders Wft wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1b wordt in tabel 1b in de alfabetische rangschikking een onderdeel ingevoegd, luidende:

Beleggingsondernemingen en gereglementeerde markten

Richtlijn markten voor financiële markten 2014:

art. 73, eerste lid

Opzetten mechanismen om de melding van (potentiële) inbreuken op de bepalingen van de verordening markten voor financiële instrumenten en op de artikelen ter implementatie van de richtlijn markten voor financiële markten 2014 mogelijk te maken

B

In artikel 2 wordt in tabel 2 het onderdeel met betrekking tot beleggingsondernemingen en gereglementeerde markten vervangen door:

Beleggingsondernemingen en gereglementeerde markten

Richtlijn markten voor financiële markten 2014:

art. 5, derde lid, eerste alinea

Informatie aan ESMA over verlening of intrekking van een vergunning

art. 9, tweede lid, eerste alinea, laatste volzin

Informatie aan ESMA over het verlenen van toestemming aan leden van het bestuur van een beleggingsonderneming om een extra niet-uitvoerende bestuursfunctie te vervullen

art. 17, vijfde lid, vijfde alinea

Beschrijving interne beheersing van beleggingsonderneming aan bevoegde autoriteit lidstaat van het handelsplatform waartoe de beleggingsonderneming DEA verleent

art. 18, tiende lid

Het op verzoek van ESMA beschikbaar stellen van informatie over werking van een MTF of OTF

Informatie aan ESMA over verlening van vergunning als MTF of OTF aan ESMA

art. 31, tweede lid, tweede alinea

In kennisstelling van ESMA en toezichthoudende instanties van andere lidstaten van inbreuken op regels en handelsvoorwaarden van een MTF of OTF

art. 32, tweede lid, derde alinea

In kennisstelling van ESMA en toezichthoudende instanties van andere lidstaten van uitsluiting of opschorting van de handel van een financieel instrument op een handelsplatform

art. 33, zesde lid

Informatie aan ESMA over registratie MKB-groeimarkt of doorhaling van registratie

art. 34, tweede lid

Het op verzoek van ESMA verstrekken van informatie over verbonden agenten i.v.m. grensoverschrijdende dienstverlening

art. 44, zesde lid

Informatie aan ESMA over intrekken vergunning gereglementeerde markt

art. 45, tweede lid, derde alinea

Informatie ESMA over het verlenen toestemming aan leden van het bestuur gereglementeerde markt om extra niet-uitvoerende bestuursfunctie te vervullen

art. 48, vijfde lid, tweede alinea

Informatie aan ESMA over parameters stilleggen handel op gereglementeerde markt

art. 52, tweede lid, derde alinea

Mededeling aan ESMA en andere bevoegde autoriteiten van besluit opschorten of uitsluiten van de handel van financieel instrument

art. 54, tweede lid, tweede alinea

Informatie aan ESMA en bevoegde autoriteiten over ernstige inbreuken op regels en handelsvoorwaarden

art. 57, zesde lid, eerste alinea

Raadpleging bevoegde autoriteiten over positielimiet grondstoffenderivaat. Informatie aan centrale bevoegde autoriteit over geschillen

art. 57, zesde lid, tweede alinea

Afsluiting samenwerkingsovereenkomst voor gegevensuitwisseling

art. 57, tiende lid

Art. 59, derde lid

Informatie aan ESMA over bijzonderheden van positiebeheerscontroles

Informatie aan ESMA over vergunningverlening datarapporteringsdienstverleners

art. 75, derde lid

Informatie aan ESMA over klachten- en beroepsprocedures

art. 79, zesde lid

Samenwerking met openbare instanties die toezicht houden op spotmarkten

art. 79, zevende lid

Samenwerking met en verslag uitbrengen aan bepaalde andere overheidsinstanties over agrarische grondstoffenderivaten

art. 87

Algemene samenwerking en informatieverplichting ESMA

C

In artikel 3 wordt in tabel 3 het onderdeel met betrekking tot Beleggingsondernemingen en gereglementeerde markten vervangen door:

Beleggingsondernemingen en gereglementeerde markten

Richtlijn markten voor financiële markten 2014:

artikel 57, zesde lid, eerste alinea

Geschil toezichthoudende instanties over toepassing unieke positielimiet

artikel 82

Te late honorering of afwijzing van een verzoek gericht aan een toezichthoudende instantie van een andere lidstaat

artikel 86, eerste lid, onderdeel b, tweede lid, vierde alinea, en derde lid, derde alinea

Onvoldoende samenwerken of uitvoering geven aan taken door een toezichthoudende instantie van een andere lidstaat

Artikel 5

De Vrijstellingsregeling Wft wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 10 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, aanhef, wordt ‘beleggingsondernemingen met zetel in Australië, de Verenigde Staten van Amerika of Zwitserland, voor zover’ vervangen door: beleggingsondernemingen met zetel in Australië, de Verenigde Staten van Amerika of Zwitserland, die in Nederland uitsluitend beleggingsdiensten verlenen aan in aanmerking komende tegenpartijen of professionele beleggers als bedoeld in bijlage II, afdeling I, van de richtlijn markten voor financiële instrumenten 2014 of in de uitoefening van hun beroep of bedrijf handelen voor eigen rekening, voor zover.

2. Er worden twee leden toegevoegd, luidende:

  • 4. Het eerste lid is niet van toepassing op beleggingsondernemingen die op grond van artikel 47, derde lid, eerste en tweede volzin, van de verordening markten voor financiële instrumenten bevoegd zijn om vanuit een bijkantoor dat is gelegen in een andere lidstaat in Nederland de in het eerste lid bedoelde beleggingsdiensten te verlenen of in de uitoefening van hun beroep of bedrijf te handelen voor eigen rekening.

  • 5. Beleggingsondernemingen als bedoeld in het eerste lid die op het tijdstip dat onmiddellijk voorafgaat aan de inwerkingtreding van de Wet implementatie richtlijn markten voor financiële instrumenten 2014 zijn vrijgesteld van artikel 2:96 van de wet zijn daarvan ook na dat tijdstip vrijgesteld, mits zij voor 1 januari 2019 aan de Autoriteit Financiële Markten op een door haar voorgeschreven wijze melden dat zij in Nederland geen beleggingsdiensten verlenen aan niet-professionele beleggers of professionele beleggers als bedoeld in bijlage II, afdeling II, van de richtlijn markten voor financiële instrumenten 2014.

B

Na artikel 10 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 10a
  • 1. Onverminderd artikel 1:18 van de wet en artikel 10 van deze regeling, zijn van artikel 2:96 van de wet vrijgesteld beleggingsondernemingen met zetel in een staat die geen lidstaat is, die in Nederland uitsluitend in de uitoefening van hun beroep of bedrijf voor eigen rekening handelen met of door middel van personen die ingevolge de wet bevoegd zijn in Nederland beleggingsdiensten te verlenen of in de uitoefening van hun beroep of bedrijf voor eigen rekening te handelen.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing op beleggingsondernemingen die op grond van artikel 47, derde lid, eerste en tweede volzin, van de verordening markten voor financiële instrumenten bevoegd zijn vanuit een bijkantoor gelegen in een andere lidstaat in Nederland beleggingsdiensten te verlenen of in de uitoefening van hun beroep of bedrijf te handelen voor eigen rekening.

C

Artikel 18 wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding ‘1.’ geplaatst.

2. In het eerste lid (nieuw) vervalt ‘die in Nederland uitsluitend beleggingsdiensten verlenen aan in aanmerking komende tegenpartijen of professionele beleggers of in de uitoefening van hun beroep of bedrijf handelen voor eigen rekening,’.

3. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 2. Beleggingsondernemingen die ingevolge artikel 10a, eerste lid, zijn vrijgesteld van artikel 2:96 van de wet zijn tevens vrijgesteld van het bepaalde ingevolge het Deel Prudentieel toezicht financiële ondernemingen, met uitzonderingen van de artikelen 3:5 en 3:7 van de wet.

D

Artikel 35 wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding ‘1.’ geplaatst.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 2. Beleggingsondernemingen die ingevolge artikel 10a, eerste lid, zijn vrijgesteld van artikel 2:96 van de wet zijn tevens vrijgesteld van het bepaalde ingevolge de hoofdstukken 4.2 en 4.3, met uitzondering van artikel 4:91n, van de wet.

§ 4. Slotbepalingen

Artikel 8

Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet implementatie richtlijn markten voor financiële instrumenten 2014 in werking treedt. Indien de Staatscourant waarin deze regeling wordt geplaatst, wordt uitgegeven op of na het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet implementatie richtlijn markten voor financiële instrumenten 2014, treedt zij in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Artikel 9

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling vakbekwaamheid werknemers beleggingsondernemingen Wft.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Financiën, W.B. Hoekstra

TOELICHTING

Algemeen

§ 1. Inleiding

In de Regeling vakbekwaamheid werknemers beleggingsondernemingen Wft (regeling) zijn nadere regels opgenomen omtrent de vakbekwaamheid van werknemers die werkzaam zijn bij een beleggingsonderneming die cliënten informeren over financiële instrumenten, gestructureerde deposito’s, beleggingsdiensten of nevendiensten of die zich rechtstreeks bezighouden met het adviseren van cliënten over financiële instrumenten of gestructureerde deposito’s. Verder worden in deze regeling de regels uit de richtlijn markten voor financiële instrumenten 2014 (MiFID II) verwerkt die betrekking hebben op de samenwerking en informatie-uitwisseling van de Autoriteit Financiële Markten (AFM) met de toezichthoudende instanties van andere lidstaten en de Europese Autoriteit voor effecten en markten (ESMA). Tenslotte bevat deze regeling enige bepalingen die vrijstellingen regelen voor ondernemingen met zetel in een staat die geen lidstaat is en die in Nederland beleggingsdiensten verlenen of in de uitoefening van hun beroep of bedrijf handelen voor eigen rekening.

§ 2. Vakbekwaamheid

Artikel 5a van het Besluit Gedragtoezicht financiële ondernemingen Wft (BGfo) voorziet in de bevoegdheid om bij ministeriële regeling regels te stellen met betrekking tot de vakbekwaamheid van werknemers van een beleggingsonderneming en andere natuurlijke personen die onder verantwoordelijkheid van de beleggingsonderneming cliënten informeren over financiële instrumenten, beleggingsdiensten of nevendiensten en werknemers en natuurlijke personen die zich rechtstreeks bezighouden met het adviseren van cliënten over financiële instrumenten. Aangezien artikel 4:9, derde lid, van de Wft en artikel 5a van het BGfo van overeenkomstige toepassing zijn op banken of beleggingsondernemingen die aan cliënten gestructureerde deposito’s als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel 43, van MiFID II verkopen of adviseren (zie artikel 4:2e van de Wft) hebben de hiervoor bedoelde vakbekwaamheidseisen ook betrekking op het informeren of adviseren over gestructureerde deposito’s. In deze regeling zijn de vakbekwaamheidseisen voor deze werknemers nader uitgewerkt.

§ 3. Grensoverschrijdende samenwerking en informatie-uitwisseling

Op grond van MiFID II dient een nationale toezichthouder in voorkomende gevallen bepaalde informatie naar ESMA te zenden of te delen met toezichthoudende instanties van andere lidstaten. Zo bepaalt artikel 5, derde lid, van MiFID II dat ESMA van elke verlening van een vergunning aan een beleggingsonderneming in kennis wordt gesteld. Ook dient een nationale toezichthouder in voorkomende gevallen bepaalde zaken met toezichthoudende instanties van andere lidstaten af te stemmen. Artikel 57, zesde lid, van MiFID II bepaalt bijvoorbeeld in het kader van de vaststelling van positielimieten dat de relevante toezichthouder de toezichthoudende instanties van andere lidstaten raadpleegt indien het desbetreffende grondstoffenderivaat in meerdere rechtsgebieden in aanzienlijke hoeveelheden wordt verhandeld. Dergelijke voorschriften zijn in de Regeling taakuitoefening en grensoverschrijdende samenwerking financiële toezichthouders Wft (regeling taakuitoefening) opgenomen. De AFM dient bij de uitvoering van haar taken rekening te houden met deze artikelen.

§ 4. Wijziging Vrijstellingsregeling Wft

De regeling bevat enkele wijzigingen van de op grond van de Vrijstellingsregeling Wft (vrijstellingsregeling) geldende vrijstellingen voor beleggingsondernemingen met zetel in een staat die geen lidstaat is die in Nederland beleggingsdiensten verlenen of handelen voor eigen rekening.

In de eerste plaats wordt het toepassingsbereik van de in de vrijstellingsregeling opgenomen vrijstelling voor beleggingsondernemingen met zetel in Australië, de Verenigde Staten van Amerika en Zwitserland die in Nederland beleggingsdiensten verlenen of handelen voor eigen rekening aangepast. Die wijziging houdt verband met de in de Wet implementatie richtlijn markten voor financiële instrumenten 2014 opgenomen regels voor personen met zetel in een staat die geen lidstaat is die voornemens zijn in Nederland beleggingsdiensten te verlenen aan niet-professionele beleggers of niet-professionele beleggers die hebben aangegeven dat zij willen worden aangemerkt als professionele beleggers (opt-up professionele beleggers).1 Als gevolg van de hiervoor bedoelde wijziging komen enkel nog personen met zetel in Australië, de Verenigde Staten van Amerika of Zwitserland in aanmerking voor de vrijstelling van de ingevolge de Wft geldende vergunningplicht voor beleggingsondernemingen alsmede van (bepaalde) doorlopend toezichteisen, indien zij in Nederland uitsluitend beleggingsdiensten verlenen aan (per se) professionele beleggers of in aanmerking komende tegenpartijen of in Nederland voor eigen rekening handelen.

Daarnaast wordt een vrijstelling van de hiervoor bedoelde vergunningplicht en doorlopende toezichteisen geïntroduceerd voor beleggingsondernemingen met zetel in een staat die geen lidstaat is, die voornemens zijn in Nederland uitsluitend te handelen voor eigen rekening. Deze maatregel geeft uitvoering aan een toezegging van de regering om in samenspraak met de AFM een vrijstelling voor dergelijke personen uit te werken die nauw aansluit bij de in enkele andere lidstaten geldende vrijstellingsregelingen voor handelaren voor eigen rekening met zetel in een staat die geen lidstaat is.2

§ 5. Marktconsultatie

§ 5.1. Algemeen

Een ontwerp van deze regeling is van 17 november 2017 tot en met 1 december 2017 ter consultatie voorgelegd aan belanghebbenden via www.internetconsultatie.nl. Er zijn reacties ontvangen van Dutch fund and asset management association (DUFAS), Bloomberg, Vereniging van Vermogensbeheerders & Adviseurs (VV&A), Nederlandse Verenging van Banken (NVB) en de AFM. Verder is er tijdens en na de consultatieperiode contact geweest met ABN AMRO Clearing Bank, Euronext en ICE Endex. Hieronder wordt verder ingegaan op de consultatiereacties.

§ 5.2. Vakbekwaamheid

De AFM geeft in haar consultatiereactie aan dat sommige bepalingen in de Richtsnoeren voor de beoordeling van kennis en bekwaamheid opgesteld door ESMA niet zijn opgenomen in deze regeling.

Bij het opstellen van de vakbekwaamheidseisen zijn die eisen opgenomen die van belang worden geacht voor werknemers die informeren over financiële instrumenten, beleggingsdiensten of nevendiensten of die zich rechtstreeks bezighouden met het adviseren van cliënten over financiële instrumenten. Verder is naar aanleiding van de consultatiereactie van de AFM artikel 2, tweede en derde lid, aangepast. Op grond van artikel 2, tweede lid, dient een werknemer die cliënten rechtstreeks adviseert over financiële instrumenten of gestructureerde deposito’s ook bekwaam te zijn om te beoordelen of een financieel instrument of gestructureerde deposito geschikt is voor een bepaalde cliënt. Door aanpassing van het derde lid van artikel 2 dient de begeleider van een werknemer van de beleggingsonderneming tevens te voldoen aan de eisen van artikel 2, tweede lid, indien de werknemer die hij begeleidt cliënten adviseert over financiële instrumenten.

Voorts merkt de NVB in haar consultatiereactie op dat de voorschriften zoals opgenomen in de artikelen 2 en 3 van deze regeling niet letterlijk overeenkomen met de Richtsnoeren voor de beoordeling van kennis en bekwaamheid en vraagt of er inhoudelijk verschil is beoogd. Onderhavige regeling geeft uitvoering aan artikel 25, eerste lid, van MiFID II. Op basis van dit artikel dient iedere lidstaat de criteria ter beoordeling van deze kennis en bekwaamheid openbaar te maken. Bij het opstellen van de regeling is de terminologie en systematiek van de Wft leidend en niet de terminologie of vormgeving van de richtsnoeren. Wellicht ten overvloede wordt opgemerkt dat de regeling vakbekwaamheid werknemers beleggingsondernemingen Wft leidend is.

DUFAS geeft in haar consultatiereactie aan dat de evaluatiebepaling opgenomen in artikel 3 van de regeling te ruim is geformuleerd. DUFAS geeft aan dat de evaluatie uitsluitend betrekking dient te hebben op de ontwikkeling en ervaring en behoeften van medewerkers, alsmede op eventuele (relevante) regelgeving updates.

De evaluatiebepaling is niet te ruim geformuleerd, aangezien het wel degelijk nuttig is om jaarlijks te evalueren of de vakbekwaamheid van de werknemers van de beleggingsonderneming nog aansluit op nieuwe wet- en regelgeving en eventueel nieuwe financiële instrumenten waarin de beleggingsonderneming voornemens is te gaan informeren dan wel adviseren. Daarnaast is de evaluatie een goede mogelijkheid voor de beleggingsonderneming om de opleidingswensen van haar werknemers in kaart te brengen.

De NVB merkt op dat in de toelichting bij de regeling niet expliciet wordt verwezen naar communicatie van de AFM over dit onderwerp en verzoekt zij dit te doen om de samenhang tussen de regeling en de communicatie van de AFM te weerspiegelen.

Het is niet wenselijk om in de toelichting bij een regeling te verwijzen naar publicatie van een toezichthouder. De toelichting bij een regeling geeft uitleg over de betreffende artikelen in de regeling en dient zelfstandig leesbaar te zijn.

De VV&A vraagt of kan worden voorzien in een overgangsregime met betrekking tot de vakbekwaamheidseisen.

Dit is niet mogelijk aangezien MiFID II niet voorziet in een overgangsregime.

Verder vraagt de VV&A in haar consultatiereactie voor het nationaal regime en aangegeven dat zij voorstander is van dezelfde vakbekwaamheidseisen voor beleggingsondernemingen die gebruik maken van het nationaal regime.

De opmerking van de VV&A zal worden meegenomen bij het vormgeven van het nationaal regime. Dit nationaal regime zal worden geregeld in de Vrijstellingsregeling Wft.

§ 5.3. Vrijstellingsregeling Wft

DUFAS constateert (terecht) dat artikel 10 van de vrijstellingsregeling geen verwijzing naar Hong Kong bevat. Anders dan DUFAS meent te hebben begrepen, is er nog geen overeenstemming bereikt tussen Nederland en Hong Kong over de adequaatheid van regime van het financiële toezicht in beide jurisdicties. Om deze reden ontbreekt de hiervoor bedoelde verwijzing in artikel 10.

Er is overleg gevoerd met Euronext, ABN AMRO Clearing Bank en ICE Endex over het toepassingsbereik van de artikelen 10 en 10a van de vrijstellingsregeling. Bij die marktpartijen bestond onduidelijkheid over de vraag of een persoon met zetel in een staat die geen lidstaat is (derde land) die directe elektronische toegang (direct electronic access: DEA) verleent tot een in Nederland gelegen handelsplatform moet beschikken over een op grond van artikel 2:96 van de Wft verleende vergunning. Bloomberg vraagt in haar consultatiereactie of artikel 10a van de vrijstellingsregeling ook ziet op agency capacity trading.

Het verlenen van DEA is geen zelfstandige beleggingsdienst, beleggingsactiviteit of nevendienst in de zin van MiFID II. Indien een verlener van DEA als principal (op zijn eigen naam en voor eigen rekening) handelt op een in Nederland gelegen handelsplatform, dient hij [in beginsel] te beschikken over een op grond van de Wft verleende vergunning voor het in Nederland verrichten van de beleggingsactiviteit handelen voor eigen rekening. Echter, indien de zetel van een dergelijke verlener van DEA is gelegen in een staat die geen lidstaat is (derde land), behoeft hij niet over een dergelijke vergunning te beschikken omdat hij onder het toepassingsbereik van (het nieuwe) artikel 10a van de vrijstellingsregeling valt.

Via een verlener van DEA met zetel in een derde land, die lid of deelnemer is van een in Nederland gelegen handelsplatform, kunnen gebruikers van DEA via die verlener van DEA op het handelsplatform in financiële instrumenten handelen. Een dergelijke gebruiker van DEA met zetel of woonplaats in een derde land die (eveneens) als principal op het hiervoor bedoelde handelsplatform handelt, valt ook onder het toepassingsbereik van artikel 10a van de vrijstellingsregeling. Hij behoeft derhalve evenmin over een vergunning als bedoeld in artikel 2:96 van de Wft te beschikken.

Bij het verlenen van DEA via agency capacity trading (handelen op naam van de verlener van DEA, maar voor rekening van de cliënt) aan gebruikers van DEA moet, indien er sprake is van het uitvoeren van orders van cliënten onderscheid gemaakt worden tussen orders van cliënten met zetel of woonplaats in een derde land en die van cliënten met zetel of woonplaats in Nederland (of een andere lidstaat).

Indien de verlener van DEA met zetel in een derde land (en die zijn beroep of bedrijf niet vanuit een bijkantoor in een lidstaat uitoefent) orders van cliënten met zetel of woonplaats in een derde land uitvoert dan valt de in dat kader verleende beleggingsdienst ‘in de uitoefening van beroep of bedrijf voor rekening van cliënten uitvoeren van orders met betrekking tot financiële instrumenten’ buiten het toepassingsbereik van de richtlijn markten voor financiële instrumenten 2014. Dit geldt ook indien die orders zijn ingelegd op een in Nederland gelegen handelsplatform.

Ingeval een verlener van DEA met zetel in een derde land via agency capacity trading op een in Nederland gelegen handelsplatform orders van cliënten met zetel of woonplaats in Nederland uitvoert, dient hij over een vergunning als bedoeld in artikel 2:96 van de Wft te beschikken. In deze situatie is artikel 10a van de vrijstellingsregeling niet van toepassing omdat de hiervoor bedoelde verlener van DEA niet uitsluitend voor eigen rekening handelt.

§ 5.4. Regeling taakuitoefening en grensoverschrijdende samenwerking financiële toezichthouders Wft

De AFM heeft een aantal redactionele opmerkingen geplaatst bij de wijziging van de regeling taakuitoefening. Deze opmerkingen hebben op een aantal punten geleid tot aanpassing van de tekst van de regeling.

Artikelsgewijs

Artikel 1

Een beleggingsonderneming dient op grond van artikel 4:9, derde lid, van de Wft zorg te dragen voor de vakbekwaamheid van haar werknemers en van andere natuurlijke personen die onder haar verantwoordelijkheid cliënten informeren over financiële instrumenten, gestructureerde deposito’s, beleggingsdiensten of nevendiensten of die zich rechtstreeks bezighouden met het adviseren van cliënten over financiële instrumenten of gestructureerde deposito’s. In artikel 1 is een definitie van werknemer opgenomen zodat wordt voorkomen dat in de regeling steeds dient te worden uitgeschreven over welke werknemers van de beleggingsonderneming en andere personen het gaat.

Artikel 2

Artikel 5a van het BGfo voorziet in de bevoegdheid om bij ministeriële regeling regels te stellen met betrekking tot de vakbekwaamheid van werknemers van een beleggingsonderneming die cliënten informeren over financiële instrumenten, beleggingsdiensten of nevendiensten en werknemers of die zich rechtstreeks bezighouden met het adviseren van cliënten over financiële instrumenten. Hetzelfde geldt voor het informeren of adviseren van cliënten over gestructureerde deposito’s.

In artikel 2 is opgenomen over welke kennis die werknemers dienen te beschikken.

Hierbij is aangesloten bij de Richtsnoeren voor de beoordeling van kennis en bekwaamheid die ESMA heeft vastgesteld op grond van artikel 25, negende lid, van MiFID II.3 Het kennisniveau van werknemers die adviseren zal hoger dienen te zijn dan dat van werknemers die slechts informeren over financiële instrumenten en diensten. Het is de verantwoordelijkheid van de beleggingsonderneming om zorg te dragen voor deze vakbekwaamheid en te bepalen wat de passende kwalificatie en passende ervaring is om de desbetreffende informerende of adviserende taak uit te oefenen. Daarnaast dient de beleggingsonderneming haar werknemers voldoende tijd en middelen te geven om deze kennis en bekwaamheid te verwerven en deze te gebruiken bij de dienstverlening aan cliënten. Indien een werknemer (nog) niet over de in het eerste of tweede lid bedoelde kennis of bekwaamheid beschikt, kan die werknemer niet een cliënt informeren over financiële instrumenten, gestructureerde deposito’s, beleggingsdiensten of nevendiensten respectievelijk adviseren over financiële instrumenten of gestructureerde deposito’s. Dit is wel mogelijk indien een andere werknemer van de beleggingsonderneming de hiervoor bedoelde werknemer die niet over de benodigde kennis beschikt, begeleidt en tevens wordt voldaan aan artikel 2, derde lid. De werknemer die als begeleider optreedt, dient dan wel aan de vakbekwaamheidseisen te voldoen zoals opgenomen in artikel 2, eerste lid, of, indien van toepassing, het tweede lid. Indien de werknemer als begeleider optreedt van een werknemer die adviseert dan is de begeleider verantwoordelijk voor de gegeven adviezen. Zo dienen de gegeven beleggingsadviezen door de begeleider te worden geaccordeerd en afgetekend. Het niveau en de intensiteit van de begeleiding dient in overeenstemming te zijn met de kennis en bekwaamheid van de werknemer die wordt begeleid. Een dergelijke situatie mag niet langer duren dan vier jaar.

Artikel 3

In artikel 29b, tweede lid, van het BGfo is opgenomen dat bij ministeriële regeling nadere regels kunnen worden gesteld met betrekking tot de bedrijfsvoering van een beleggingsonderneming ten aanzien van het beoordelen, onderhouden en bijhouden van de vakbekwaamheid van werknemers. Artikel 29b, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing op banken of beleggingsondernemingen die aan cliënten gestructureerde deposito’s adviseren (zie artikel 4:2e jo. artikel 4:14, tweede lid, aanhef en onderdeel a, Wft). In artikel 3 van deze regeling is opgenomen dat een beleggingsonderneming jaarlijks de vakbekwaamheid van haar werknemers evalueert. Door middel van deze evaluatie brengt de beleggingsonderneming in kaart of de vakbekwaamheid van haar werknemers nog aansluit op nieuwe wet- en regelgeving en eventueel nieuwe financiële instrumenten waarin de beleggingsonderneming voornemens is te gaan adviseren. Tevens is de evaluatie een mogelijkheid voor de beleggingsonderneming om de opleidingswensen van haar werknemers in kaart te brengen.

Artikel 4

A (artikel 1b)

Artikel 1b van de regeling taakuitoefening bevat in een tabel een opsomming van voorschriften uit verschillende richtlijnen waarmee de AFM bij het uitvoeren van haar taken rekening moet houden. Aan deze tabel wordt artikel 73, eerste lid, van MiFID II toegevoegd. Dit artikel draagt lidstaten op er zorg voor te dragen dat de nationale toezichthouders in het kader van MiFID II en de verordening markten voor financiële instrumenten (MiFIR) mechanismen opzetten om de melding van potentiële of daadwerkelijke inbreuken op voorschriften ter implementatie van MiFID II of inbreuken op artikelen van MiFIR mogelijk te maken. Door in artikel 1b een verwijzing naar artikel 73, eerste lid, van MiFID II op te nemen, wordt geregeld dat de AFM een dergelijk mechanisme dient in te richten. Overigens beschikt de AFM reeds over procedures met betrekking tot het melden van inbreuken op artikelen van de Wft.

B (artikel 2)

Artikel 2 van de regeling taakuitoefening bepaalt middels een tabel welke in (bepaalde) Europese richtlijnen opgenomen samenwerkingsbepalingen of verplichtingen tot het verstrekken van informatie door de Nederlandsche Bank of de AFM in aanmerking moeten nemen bij de uitoefening van hun taken. Het in die tabel opgenomen onderdeel met betrekking tot de richtlijn markten voor financiële instrumenten (MiFID I) wordt vervangen door een onderdeel waarin enige artikelen van MiFID II worden opgesomd. Het gaat daarbij om artikelen die nationale toezichthoudende instanties opdragen om toezichtrelevante informatie met elkaar of met ESMA te delen.

C (artikel 3)

Dit onderdeel wijzigt artikel 3 van de regeling taakuitoefening. Dit artikel regelt voor welke richtlijnartikelen de procedure bij de Europese toezichthouders tot schikking van meningsverschillen tussen nationale toezichthoudende instanties in grensoverschrijdende situaties ingezet kan worden. Dit onderdeel vervangt daarbij het reeds bestaande onderdeel in de tabel met betrekking tot MiFID I door een onderdeel dat de relevante artikelen uit MiFID II opsomt. In de genoemde gevallen kan de AFM een meningsverschil met een toezichthoudende instantie van een andere lidstaat neerleggen bij ESMA.

Artikel 5

A (artikel 10 vrijstellingsregeling)

Dit onderdeel wijzigt artikel 10, eerste lid, aanhef, van de vrijstellingsregeling. Op grond van dat artikel zijn van de in artikel 2:96 van de Wft neergelegde vergunningplicht vrijgesteld beleggingsondernemingen met zetel in Australië, de Verenigde Staten van Amerika of Zwitserland, die voornemens zijn in Nederland beleggingsdiensten te verlenen of in de uitoefening van hun beroep of bedrijf te handelen voor eigen rekening, indien zij voldoen aan de in artikel 10 van de vrijstellingsregeling neergelegde voorwaarden. De wijziging van artikel 10, eerste lid, aanhef, bewerkstelligt dat de hiervoor bedoelde vrijstelling nog enkel van toepassing is op de hiervoor bedoelde beleggingsondernemingen, indien zij voornemens zijn in Nederland uitsluitend beleggingsdiensten te verlenen aan professionele beleggers of in aanmerking komende tegenpartijen of in de uitoefening van beroep of bedrijf in Nederland handelen voor eigen rekening. Beleggingsondernemingen met zetel in Australië, de Verenigde Staten van Amerika of Zwitserland die (voldoen aan de in artikel 10 neergelegde voorwaarden en) die voornemens zijn in Nederland beleggingsdiensten te verlenen aan niet-professionele beleggers of personen die hebben verzocht om aangemerkt te worden als professionele belegger vallen niet langer binnen het toepassingsbereik van artikel 10.

De wijziging van artikel 10, eerste lid, aanhef, houdt verband met het in de Wet implementatie richtlijn markten voor financiële instrumenten 2014 opgenomen artikel 2:99a van de Wft. In artikel 2:99a zijn de vergunningeisen opgenomen waaraan een beleggingsonderneming met zetel in een staat die geen lidstaat is moet voldoen, indien zij in Nederland beleggingsdiensten verleent aan niet-professionele beleggers of personen die hebben verzocht om aangemerkt te worden als professionele belegger (opt-up professionele beleggers). Tot die vergunningeisen behoort onder meer de eis om in Nederland een bijkantoor te vestigen (artikel 2:99a, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wft). In de nota naar aanleiding van het verslag is van regeringszijde opgemerkt dat er geen redenen zijn om beleggingsondernemingen met zetel in Australië, de Verenigde Staten van Amerika of Zwitserland uit te zonderen van de hiervoor bedoelde bijkantoorverplichting, indien zij in Nederland beleggingsdiensten verlenen aan niet-professionele beleggers of personen die hebben verzocht om aangemerkt te worden als professionele belegger.4

De wijziging van het toepassingsbereik van artikel 10, eerste lid, heeft derhalve tot gevolg dat beleggingsondernemingen met zetel in Australië, de Verenigde Staten van Amerika of Zwitserland die in Nederland beleggingsdiensten verlenen aan niet-professionele beleggers of opt-up professionele beleggers niet langer kunnen worden vrijgesteld van artikel 2:96 van de Wft. Zij dienen derhalve te beschikken over een door de AFM op grond van dat artikel verleende vergunning. Voorts moeten zij een bijkantoor in Nederland vestigen.5

Het nieuwe artikel 10, vierde lid, regelt dat geen vrijstelling kan worden verleend (op grond van het eerste lid van dat artikel) aan een beleggingsonderneming waarop artikel 47, derde lid, eerste en tweede volzin, van MiFIR van toepassing is. Laatstgenoemd artikel ziet op de situatie dat een beleggingsonderneming met zetel in een staat die geen lidstaat is vanuit een bijkantoor in een andere lidstaat in Nederland de in artikel 10, eerste lid, bedoelde beleggingsdiensten verleent of voor eigen rekening handelt. Geen vrijstelling kan worden verleend omdat de betrokken beleggingsonderneming alvorens zij grensoverschrijdend in Nederland activiteiten mag verrichten reeds dient te beschikken over een door de toezichthoudende instantie van die andere lidstaat op grond van artikel 5, eerste lid, van MiFID II verleende vergunning.

Op grond van artikel 1:19c, aanhef en onderdeel b, van de Wft kan geen vrijstelling worden verleend aan beleggingsondernemingen die zijn opgenomen in het door ESMA in overeenstemming met artikel 48, eerste lid, van MiFIR bijgehouden register. In dat register kunnen uitsluitend beleggingsondernemingen met zetel in een staat die geen lidstaat is worden opgenomen die het ingevolge artikel 46 van MiFIR is toegestaan in de lidstaten beleggingsdiensten te verlenen of beleggingsactiviteiten te verrichten. ESMA kan pas tot registratie van een beleggingsonderneming uit een staat die geen lidstaat is, die toestemming heeft gevraagd om in de Europese Unie actief te mogen zijn, overgaan als aan de in artikel 46, tweede lid, van MiFIR neergelegde voorwaarden is voldaan. Daartoe behoort de voorwaarde dat de Europese Commissie ten aanzien van de staat van de zetel van de betrokken beleggingsonderneming een gelijkwaardigheidsbesluit als bedoeld in artikel 47, eerste lid, van MiFIR heeft genomen. Dit heeft tot gevolg dat wanneer de Europese Commissie bijvoorbeeld met betrekking tot Australië een dergelijk gelijkwaardigheidsbesluit heeft genomen en tevens is voldaan aan de overige voorwaarden voor registratie door ESMA de betrokken beleggingsonderneming met zetel in Australië niet (meer) op grond van artikel 10 van de vrijstellingsregeling is vrijgesteld van de vergunningplicht van artikel 2:96 van de Wft.

Van belang is verder dat artikel 1:19c, aanhef en onderdeel a, van de Wft regelt dat artikel 2:96 van de Wft niet van toepassing is op beleggingsondernemingen met zetel in een staat die geen lidstaat is die uitsluitend op eigen initiatief van een cliënt met zetel of woonplaats in Nederland aan die cliënt beleggingsdiensten verlenen of voor deze beleggingsactiviteiten verrichten door voor eigen rekening met een cliënt te handelen. Er bestaat derhalve geen noodzaak om dergelijke beleggingsondernemingen vrijstelling te verlenen op grond van artikel 10 van de vrijstellingsregeling.

Het nieuwe artikel 10, vijfde lid, van de vrijstellingsregeling bepaalt dat beleggingsondernemingen die op het tijdstip dat onmiddellijk vooraf gaat aan de inwerkingtreding van de Wet implementatie richtlijn markten voor financiële markten 2014 zijn vrijgesteld van artikel 2:96 van de Wft ook na dat tijdstip gebruik kunnen (blijven) maken van die vrijstelling, mits zij voor 1 januari 2019 aan de AFM (op een door deze toezichthouder voorgeschreven wijze) melden dat zij in Nederland geen beleggingsdiensten verlenen aan niet-professionele beleggers of opt-up professionele beleggers. Indien zij niet aan deze verplichting voldoen, zal de vrijstelling vanaf 1 januari 2019 niet meer op hen van toepassing zijn en zal de inschrijving van hun vrijstelling in het daartoe door de AFM aangehouden openbaar register worden geschrapt. Het vijfde lid bewerkstelligt dat de in het openbaar register opgenomen gegevens volledig en correct zijn zodat personen die het openbaar register raadplegen kunnen vertrouwen op de juistheid van de daarin opgenomen gegevens. Vanwege het belang dat deze verplichting wordt nageleefd en de verstrekkende gevolgen bij het niet naleven daarvan, zal de AFM de betrokken beleggingsondernemingen wijzen op de in het vijfde lid neergelegde verplichting.

Tenslotte wordt opgemerkt dat een beleggingsonderneming die op grond van artikel 10 van de vrijstellingsregeling is vrijgesteld van artikel 2:96 van de Wft niet hoeft te beschikken over een vertegenwoordiger met adres in Nederland als bedoeld in artikel 2:99b, eerste lid, aanhef, van die wet.

B (artikel 10a vrijstellingsregeling)

Het eerste lid van het nieuwe artikel 10a van de vrijstellingsregeling regelt dat een beleggingsonderneming met zetel in een staat die geen lidstaat is die in Nederland uitsluitend handelt voor eigen rekening is vrijgesteld van de vergunningplicht van artikel 2:96 van de Wft. Aan die vrijstelling is de voorwaarde verbonden dat de beleggingsonderneming in Nederland handelt met of door middel van een persoon waaraan het ingevolge de Wft is toegestaan om in Nederland beleggingsdiensten te verlenen of te handelen voor eigen rekening. De achterliggende reden voor deze voorwaarde is dat – in afwijking van de vrijstelling van artikel 10, eerste lid, van de vrijstellingsregeling – voor de vrijstelling van artikel 10a, eerste lid, ook personen in aanmerking kunnen komen die in de lidstaat van hun zetel niet onder toezicht staan. Door aan onderhavige vrijstelling de voorwaarde te verbinden dat vrijgestelde personen uitsluitend transacties in financiële instrumenten mogen uitvoeren met of door middel van andere personen waaraan het is toegestaan om in Nederland beleggingsdiensten te verlenen of te handelen voor eigen rekening is voldoende gewaarborgd dat op adequate wijze toezicht kan worden uitgeoefend op het handelen voor eigen rekening in Nederland door handelaren voor eigen rekening die ingevolge artikel 10a, eerste lid, zijn vrijgesteld van artikel 2:96 van de Wft. Om in Nederland (bepaalde) beleggingsdiensten te mogen verlenen of te handelen voor eigen rekening, dient de betrokken persoon in beginsel te beschikken over een ingevolge artikel 5, eerste lid, van MiFID II of artikel 2:96 van de Wft verleende vergunning of hij dient op grond van die wet te zijn vrijgesteld van die vergunningplicht.

De activiteiten van een op grond van artikel 10a, eerste lid, vrijgestelde handelaar voor eigen rekening kunnen zowel op als buiten een in Nederland beheerd of geëxploiteerd handelsplatform plaatsvinden. Indien een handelaar voor eigen rekening op een dergelijk handelsplatform voor eigen rekening handelt, is voldaan aan de in artikel 10a, eerste lid, neergelegde voorwaarde dat hij moet handelen met of door middel van een daartoe bevoegde persoon. Hetzelfde geldt voor de situatie dat een handelaar voor eigen rekening door middel van directe elektronische toegang (direct electronic access; DEA) op een in Nederland beheerd of geëxploiteerd handelsplatform voor eigen rekening handelt. Daarbij maakt de handelaar voor eigen rekening gebruik van de infrastructuur en de verbindingssystemen voor het doorgeven van orders van een andere persoon die cliënt, lid of deelnemer van het hiervoor bedoelde handelsplatform is.

Ten slotte wordt opgemerkt dat een op grond van artikel 10a, eerste lid, vrijgestelde handelaar voor eigen rekening geen notificatieprocedure behoeft te doorlopen, voordat hij zijn beroep of bedrijf in Nederland kan uitoefenen.

Voor een toelichting op het tweede lid van artikel 10a wordt verwezen naar de hiervoor opgenomen toelichting op artikel 10, vierde lid.

C (artikel 18 vrijstellingsregeling)

Op grond van artikel 18, eerste lid, van de vrijstellingsregeling (nieuw) zijn beleggingsondernemingen als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de vrijstellingsregeling, vrijgesteld van hetgeen ingevolge het Deel Prudentieel toezicht financiële ondernemingen van de Wft, met uitzondering van de artikelen 3:5 en 3:7 van de Wft, is bepaald. Artikel I, onderdeel A, van deze regeling beperkt het toepassingsbereik van de in artikel 10, eerste lid, opgenomen vrijstelling tot, voor zover belang, beleggingsondernemingen met zetel in Australië, de Verenigde Staten van Amerika of Zwitserland die in Nederland uitsluitend beleggingsdiensten verlenen aan professionele beleggers als bedoeld in bijlage II, afdeling I, van MiFID II, of in aanmerking komende tegenpartijen. In verband met deze wijziging van het toepassingsbereik van artikel 10, eerste lid, kan de in artikel 18, eerste lid, (nieuw) opgenomen zinsnede met betrekking tot de verlening van beleggingsdiensten aan in aanmerking komende tegenpartijen of professionele beleggers vervallen.

Aangezien op grond van artikel 10a, eerste lid, van de vrijstellingsregeling alleen vrijstelling kan worden verleend van de vergunningplicht van artikel 2:96 van de Wft, maar niet van de doorlopend toezichteisen, bepaalt artikel 18, tweede lid, van de Wft (nieuw) dat handelaren voor eigen rekening met zetel in een staat die geen lidstaat is, die ingevolge artikel 10a, eerste lid, zijn vrijgesteld eveneens zijn vrijgesteld van het bepaalde ingevolge het Deel Prudentieel toezicht financiële ondernemingen. Zij dienen echter wel te voldoen aan de artikelen 3:5 en 3:7 van de Wft.

D (artikel 35 vrijstellingsregeling)

Het in dit onderdeel opgenomen nieuwe tweede lid van artikel 35 van de vrijstellingsregeling regelt dat beleggingsondernemingen met zetel in een staat die geen lidstaat is die ingevolge 10a, eerste lid, zijn vrijgesteld van de in artikel 2:96 van de Wft neergelegde vergunningplicht tevens zijn vrijgesteld van het bepaalde in de hoofdstukken 4.2 en 4.3 van de Wft. Een op grond van artikel 10a, eerste lid, vrijgestelde persoon is het slechts toegestaan om in Nederland voor eigen rekening te handelen. Hij mag – anders dan de personen die onder het toepassingsbereik van artikel 10 vallen – in Nederland geen beleggingsdiensten (aan derden) verlenen. Om die reden kan aan een ingevolge artikel 10a, eerste lid, vrijgestelde persoon ook vrijstelling worden verleend van in het Deel Gedragstoezicht financiële ondernemingen van de Wft opgenomen doorlopend toezichteisen die tot doel hebben om de belangen van beleggers te beschermen. Deze gedragsregels zijn wel van toepassing op een ingevolge artikel 10, eerste lid, vrijgestelde persoon.

Teneinde de potentiële risico’s van het gebruik van financiële algoritmen door ingevolge artikel 10a vrijgestelde handelaren voor eigen rekening te mitigeren, zoals het risico op het overbelasten van de systemen van de handelsplatformen als gevolg van het groot aantal door hen ingelegde orders, regelt artikel 35, tweede lid, (nieuw) dat zij moeten voldoen aan de in artikel 4:91n van de Wft opgenomen doorlopend toezichteisen. Artikel 4:91n schrijft voor waaraan beleggingsondernemingen die zich bezighouden met algoritmische handel met inbegrip van beleggingsondernemingen die een techniek van hoogfrequente algoritmische handel toepassen, dienen te voldoen.

Artikel 6

Dit artikel regelt de inwerkingtreding van deze ministeriële regeling. Het streven is dat de regeling met ingang van 3 januari 2018 in werking treedt, de datum waarop de bepalingen van MiFID II van toepassing moeten zijn.

De Minister van Financiën, W.B. Hoekstra


X Noot
1

Zie het voorgestelde artikel 2:99a van de Wft, Kamerstukken I 2017/18, 34 583, A, p. 13 en 14.

X Noot
2

Kamerstukken II 2017/18, 34 583, nr. 11, p. 3 en 4.

X Noot
4

Kamerstukken II 2016/17, 34 583, nr. 6 p. 17.

X Noot
5

Op grond van artikel VIII van de Wet implementatie richtlijn markten voor financiële instrumenten 2014 behoeft een beleggingsonderneming met zetel in een derde land die op het tijdstip van inwerkingtreding van die wet beschikt over een vergunning om in Nederland beleggingsdiensten te verlenen of beleggingsactiviteiten te verrichten en op dat tijdstip geen bijkantoor in Nederland heeft tot 1 januari 2019 niet te voldoen aan de in artikel 2:99a, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wft neergelegde verplichting om in Nederland een bijkantoor te vestigen.