Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
RijkswaterstaatStaatscourant 2018, 22895Overig

Wijziging bekendmaking, 16 april 2018, nr. RWS-2018/13465, houdende een verbod zich te bevinden in de veiligheidszone rondom offshore windturbinepark Prinses Amalia Windpark (PAWP, voorheen Offshore Windpark Q7-WP)

RWS-2018/13465

DE MINISTER VAN INFRASTRUCTUUR EN WATERSTAAT,

Gelet op artikel 6.10 van de Waterwet en Beleidsregel instelling veiligheidszone windparken op zee;

MAAKT BEKEND:

Artikel 1

Het is een ieder verboden zich te bevinden, dan wel enig voorwerp te hebben of te doen hebben, in de veiligheidszone rondom het offshore windturbinepark Prinses Amalia Windpark (PAWP) zoals aangegeven op de in de bijlage bij deze bekendmaking behorende kaart en waarvan de buitenrand 500 meter van de buitenrand van het windpark ligt.

Artikel 2

  • 1. Het verbod, bedoeld in artikel 1, geldt niet voor een vaartuig dat de veiligheidszone binnenvaart of daar blijft:

    • a. in verband met de aanleg, de inspectie, het testen, de reparatie, het onderhoud, de verandering, vernieuwing of verwijdering van onderzeese kabels, meetmasten en, transformatorstations en andere objecten,

    • b. om diensten te verlenen voor exploitatie van het windpark of vervoer van personen of goederen van en naar het windpark ten behoeve van exploitatie van het windpark,

    • c. ten behoeve van toezicht op de naleving en de handhaving van wettelijke voorschriften,

    • d. in het kader van onderzoek in opdracht van de rijksoverheid, of

    • e. met toestemming van de exploitant van het windpark.

  • 2. Het verbod, bedoeld in artikel 1, geldt niet voor het zich in de veiligheidszone bevinden, dan wel het daarin hebben of doen hebben van een voorwerp, in het kader van:

    • a. activiteiten als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a tot met d, of

    • b. in het kader van activiteiten waarvoor op grond van artikel 6.13 van het Waterbesluit een vergunning is verleend.

Artikel 3

  • 1. Het verbod in artikel 1 geldt niet tussen zonsopkomst en zonsondergang voor een vaartuig dat:

    • a. een maximale lengte over alles van vierentwintig meter heeft;

    • b. een Automatic Identification System transponder in werking heeft;

    • c. een marifooninstallatie aan boord heeft, waarbij gecommuniceerd wordt op kanaal 16;

    • d. een afstand van ten minste 50 meter in acht neemt van de windturbines inclusief enig voorwerp vanaf het vaartuig;

    • e. een afstand van 500 meter van het transformatorstation in acht neemt, en

    • f. geen verbinding met de bodem maakt.

  • 2. Bij de in het eerste lid bedoelde uitzondering wordt geen andere vorm van visserij uitgeoefend dan met een hengel als bedoeld in artikel 1, vijfde lid, van de Visserijwet 1963.

Artikel 4

De uitzonderingen, bedoeld in de artikelen 2, tweede lid en 3, zijn slechts van toepassing voor zover daarbij gevaarlijk of hinderlijk gedrag voor het scheepvaartverkeer of de exploitatie van het windpark wordt vermeden.

Artikel 5

Het Besluit houdende een verbod zich met een schip te bevinden in een gedeelte van het zeegebied (veiligheidszone) rondom Offshore Windpark Q7-WP (Stcrt. 2007, nr. 204) wordt ingetrokken.

Artikel 6

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 mei 2018.

Deze bekendmaking zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

DE MINISTER VAN INFRASTRUCTUUR EN WATERSTAAT, namens deze, Afdelingshoofd Vergunningverlening Rijkswaterstaat Zee en Delta, L.R. Minnaar

Bezwaarclausule

Op grond van de Algemene wet bestuursrecht kunnen belanghebbenden een bezwaarschrift indienen tegen dit besluit binnen zes weken na de dag waarop het is bekendgemaakt. Het bezwaarschrift moet worden gericht aan de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, Rijkswaterstaat Zee en Delta, afdeling Werkenpakket, ter attentie van mw. mr. E.J. Bekker, postbus 2232, 3500 GE Utrecht.

Het bezwaarschrift dient te zijn ondertekend en ten minste te bevatten:

  • a. de naam en het adres van de indiener;

  • b. de dagtekening;

  • c. een omschrijving van het besluit waartegen het bezwaarschrift zich richt (datum en nummer of kenmerk);

  • d. een opgave van de redenen waarom men zich met het besluit niet kan verenigen;

  • e. zo mogelijk een afschrift van het besluit waartegen het bezwaarschrift zich richt.

Voldoet het bezwaarschrift niet aan deze eisen of is het te laat ingediend, dan kan het zijn dat het bezwaar niet-ontvankelijk wordt verklaard.

Het indienen van een bezwaarschrift heeft geen schorsende werking. Dat betekent dat het besluit blijft gelden in de tijd dat het bezwaarschrift in behandeling is. Als u dit niet wilt, bijvoorbeeld omdat uitvoering van het besluit onherstelbare gevolgen heeft voor u, dan kunt u een verzoek om voorlopige voorziening indienen. Het verzoek dient u in bij de voorzieningenrechter van de rechtbank binnen het rechtsgebied waarin uw woonplaats zich bevindt. De rechtbank zal u daarvoor wel griffierecht in rekening brengen.

TOELICHTING

I Algemeen

1. Inleiding

Windenergie op zee is een belangrijke vorm van duurzame energie om te voldoen aan de doelstellingen van de rijksoverheid. Naast ruimte voor windenergie op zee zijn o.a. scheepvaart, recreatie en visserij belangrijke gebruiksvormen op zee. Meervoudig gebruik in windparken op zee wordt sinds 2009 onderzocht. De Beleidsregels instelling veiligheidszone windparken op zee (Stcrt. 26 april 2018, nr. 22588) maken per 1 mei 2018 onder voorwaarden meervoudig ruimtegebruik mogelijk voor windparken op zee. Het bestaande besluit houdende instelling van een veiligheidszone rondom het offshore windturbinepark Prinses Amalia Windpark (PAWP) wordt ingetrokken en vervangen door onderhavig besluit.

2. Gevolgen aanpassen beleid

In artikel 60, vierde lid, van het op 10 december 1982 te Montego-Bay tot stand gekomen Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee is bepaald dat binnen de veiligheidszone passende maatregelen genomen kunnen worden ter verzekering van de veiligheid van zowel de scheepvaart als van de installatie. Deze veiligheidszone is maximaal 500 meter vanaf de buitenste rand van de installatie. De mogelijkheid die het internationale recht biedt om een veiligheidszone op zee rondom een windpark in te stellen, is opgenomen in artikel 6.10, tweede lid, van de Waterwet.

Met het besluit van algemene strekking stelt het bevoegd gezag de geografische afbakening vast van de veiligheidszone en kan het inhoudelijke randvoorwaarden stellen. In verband met de bescherming van windparken en de scheepvaartveiligheid was in artikel 8 van de Beleidsregels inzake de toepassing van de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken op installaties in de exclusieve economische zone het beleid opgenomen dat doorvaart van vaartuigen niet is toegestaan. Alleen onderhoudsvaartuigen en vaartuigen in opdracht van de windparkexploitant of van de overheid mochten tot nu toe in de veiligheidszone varen.

Efficiënt en meervoudig ruimtegebruik is al vanaf de Nota Ruimte een belangrijke doelstelling van het beleid voor de Noordzee. In de Beleidsnota Noordzee 2009 – 2015 is een heroverweging van het verbod op doorvaart en medegebruik van windparken aangekondigd, waarna in de Beleidsnota Noordzee 2016-2021 een besluit over het toestaan van doorvaart en medegebruik in windparken is vastgelegd. Volgens deze beleidsnota wordt toegang tot de veiligheidszone mogelijk voor:

  • kleine vaartuigen met een maximum lengte mits search and rescue (SAR) mogelijk is;

  • recreatie en ander activiteiten zonder bodemberoering, alsmede aquacultuur (zoals zeewierkweek) en andere vormen van duurzame energieopwekking.

De uitgangspunten in de Beleidsnota Noordzee 2016-2021 zijn vastgelegd in de Beleidsregels instelling veiligheidszone windparken op zee. Het onderhavige besluit is genomen met inachtname van deze beleidsregels. Belangrijkste wijzigingen zijn dat doorvaren in een windpark is toegestaan voor schepen met een lengte over alles kleiner dan 24 meter mits AIS transponder (Automatic Identification System) en marifoon werkend is en alleen overdag wordt gevaren. Ter bescherming van de zogenoemde infield kabels van het windpark is ankeren alleen in noodgevallen toegestaan en is alleen vissen met een hengel toegestaan.

3. Geografische afbakening

De exploitant van het windmolenpark offshore windturbinepark Prinses Amalia Windpark (PAWP) heeft buiten de territoriale wateren de windturbines en een transformatorstation geplaatst alsmede de windturbines via het transformatorstation middels elektriciteitskabels verbonden met een aansluitpunt op het net op land ten behoeve van het opwekken van elektriciteit door middel van wind. Met het besluit gepubliceerd in de Staatscourant van 22 oktober 2007 (Stcrt. 2007, nr. 204) is de veiligheidszone rondom Offshore Windpark Q7 WP, thans Prinses Amalia Windpark genaamd, ingesteld. Hiermee heeft het bevoegd gezag de geografische afbakening van de veiligheidszone vastgesteld. Er is voor gekozen om een gebied van 500 meter rondom het gehele windpark voor de scheepvaart te beperken en niet voor beperking van een gebied van 500 meter rondom iedere turbine en het zich eveneens in het windpark bevindende transformatorstation. Dit omdat het windpark functioneel en geografisch één geheel vormt.

De hoekpunten van het windmolenpark bevinden zich op de volgende posities (op basis van het geografisch WGS84):

Punt

Noorderbreedte

Oosterlengte

Opmerking

1

52° 35' 07.403" N

4° 10' 52.408" E

Lijn

2

52° 35' 26.912" N

4° 10' 53.145" E

Raakpunt

3

52° 35' 34.547" N

4° 10' 56.619" E

Raakpunt

4

52° 36' 05.971" N

4° 11' 26.011" E

Raakpunt

5

52° 36' 11.521" N

4° 11' 34.600" E

Raakpunt

6

52° 36' 22.535" N

4° 12' 02.385" E

Raakpunt

7

52° 36' 22.777" N

4° 12' 03.012" E

Raakpunt

8

52° 36' 33.142" N

4° 12' 30.836" E

Raakpunt

9

52° 36' 35.516" N

4° 12' 45.346" E

Raakpunt

10

52° 36' 34.759" N

4° 13' 36.792" E

Raakpunt

11

52° 36' 34.726" N

4° 13' 37.966" E

Raakpunt

12

52° 36' 32.614" N

4° 14' 28.469" E

Raakpunt

13

52° 36' 23.580" N

4° 14' 50.520" E

Raakpunt

14

52° 35' 56.032" N

4° 15' 12.643" E

Lijn

15

52° 35' 32.555" N

4° 15' 32.371"E

Lijn

16

52° 35' 25.230" N

4° 15' 50.942" E

Raakpunt

17

52° 35' 11.101" N

4° 16' 03.050" E

Raakpunt

18

52° 34' 53.311" N

4° 16' 02.058" E

Raakpunt

19

52° 34' 45.714" N

4° 15' 58.463" E

Raakpunt

20

52° 34' 19.249" N

4° 15' 33.158" E

Raakpunt

21

52° 34' 13.426" N

4° 15' 23.617" E

Raakpunt

22

52° 34' 04.436" N

4° 14' 58.395" E

Raakpunt

23

52° 34' 02.226" N

4° 14' 45.641" E

Raakpunt

24

52° 34' 01.461" N

4° 13' 55.053" E

Raakpunt

25

52° 34' 03.290" N

4° 13' 42.112" E

Raakpunt

26

52° 34' 09.520" N

4° 13' 22.503" E

Lijn

27

52° 34' 08.409" N

4° 12' 39.044" E

Raakpunt

28

52° 34' 10.094" N

4° 12' 26.079" E

Raakpunt

29

52° 34' 18.043" N

4° 11' 59.907" E

Lijn

30

52° 34' 33.975" N

4° 11' 07.643" E

Raakpunt

31

52° 34' 48.149" N

4° 10' 52.968" E

Raakpunt

Dit is het zeegebied aangegeven op de in de bijlage bij de bekendmaking behorende kaart waarvan de buitenrand 500 meter van de buitenrand van het windpark ligt. Het gebied dient te worden beschouwd als een veiligheidszone als bedoeld in artikel 60 van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee (Trb. 1983, 83). De mogelijkheid die het internationale recht biedt om een veiligheidszone op zee rondom een windpark in te stellen, is opgenomen in artikel 6.10, tweedid, van de Waterwet. Overtreding van de bepalingen van dit besluit kunnen op grond van de Waterwet zowel op basis van het strafrecht als het bestuursrecht worden gehandhaafd.

II Artikelen

Artikel 2, eerste lid

Er wordt een uitzondering gemaakt van het algemene verbod voor varen in een windpark voor de windparkexploitant, door de windparkexploitant ingeschakelde derden en de rijksoverheid. De exploitant van het windpark moet toegang hebben tot zijn windpark voor het uitvoeren van operationele werkzaamheden aan de windturbines en elektriciteitskabels. De rijksoverheid heeft niet alleen toegang nodig voor het uitvoeren van wettelijke taken zoals toezicht en handhaving maar ook uitvoering van beleidsmatige taken zoals het verrichten van (wetenschappelijk) onderzoek.

Artikel 2, tweede lid

De uitzonderingen, bedoeld in het eerste lid, op het algemene verbod gelden alleen voor vaartuigen. Met het tweede lid vallen duikers die onderhoudswerkzaamheden verrichten en voorwerpen voor exploitatie van het windpark alsnog onder de uitzondering van algemene verbod. Sportduiken valt niet onder de uitzonderingen en is daarmee niet toegestaan in de veiligheidszone van het windpark.

De Minister van Infrastructuur en Waterstaat kan een vergunning verlenen voor bijvoorbeeld het oprichten van een installatie in de veiligheidszone op basis van de Waterwet. De belangenafwegingen met betrekking tot de risico’s als het gaat om mogelijke hinder en schade aan het windpark vindt dan plaats in het kader van de vergunningverlening. Om te voorkomen dat de vergunninghouder zijn installatie niet kan beheren, worden ook activiteiten uitgezonderd van het algemeen verbod waarvoor op grond van artikel 6.13 van het Waterbesluit een vergunning is verleend.

Artikel 3, eerste lid, onder aanhef

Doorvaart is alleen toegestaan tussen zonsopkomst en zonsondergang. Het verbod om ’s nachts te varen in een windpark, is gebaseerd op enerzijds de beperkte mogelijkheden om ’s nachts reddingsoperaties uit te voeren met helikopters en anderzijds de slechte zichtbaarheid van de binnenste turbinepalen van het windpark. Jaarlijks stelt het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut, onderdeel van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, een tabel vast, waarin de tijden zijn opgenomen, waarop de zon opkomt en ondergaat. Deze tijden zijn in dezen bepalend. De uitzondering op het toegangsverbod heeft alleen betrekking op vaartuigen.

Artikel 3, eerste lid, onderdeel a

Andere vaartuigen dan overheids- en onderhoudsschepen worden binnen windparken op de Noordzee onder voorwaarden toegelaten met inachtname van de Beleidsregels instellen veiligheidszone windparken op zee. Hierin is aangegeven dat vaartuigen kleiner dan of gelijk aan 24 meter worden toegelaten omdat deze bij een eventuele aanvaring geen wezenlijke risicofactor zijn voor de turbine, en daarmee ook geen kosten voor financiële zekerheidsstelling met zich meebrengen. De maatvoering van 24 meter sluit aan bij de internationale ondergrens waarin is voorzien in het Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen (Trb. 1966, 275). Bovendien betreft het hier de maximummaat voor eurokotters.

Artikel 3, eerste lid, onderdeel d

Het is niet toegestaan zich binnen een straal van 50 meter om iedere windturbine te bevinden. Turbines worden aangelegd met behulp van verschillende soorten funderingstypen. Afhankelijk van de toegepaste type fundering wordt hierdoor onder water meer of minder ruimte in beslag genomen. Doordat de funderingen boven water niet zichtbaar zijn, kunnen deze een gevaar opleveren voor een vaartuig dat ermee in aanraking komt en bestaat er kans op schade aan zowel het vaartuig als de fundering. Bovendien komt in de directe nabijheid van de fundering de infieldkabel naar boven. Dit is de elektriciteitskabel die de door iedere turbine opgewekte energie naar het transformatorstation transporteert. Afhankelijk van de plaats waar de kabel de turbine binnen gaat en welke techniek hierbij wordt toegepast, is deze elektriciteitskabel kwetsbaar. De aanwezigheid van vaartuigen in de nabijheid levert een gevaar op voor deze kabels.

Het is evenmin toegestaan om met voorwerpen, zoals hengels, haken en dobbers, vanaf het vaartuig binnen een straal van 50 meter rondom de windturbine te komen, omdat dit gebruik hinder of gevaar kan veroorzaken. Haken van hengels kunnen, ondanks dat ze de bodem niet raken, schade veroorzaken aan de kabels nabij de fundering en de onderhoudswerkzaamheden van duikers in opdracht van de windparkexploitant bemoeilijken. Gezien de gevaarsaspecten is het gerechtvaardigd op grond van het voorzorgsbeginsel dusdanige maatregelen te treffen dat het risico op beschadiging van de infrastructuur en beletsel voor onderhoudswerkzaamheden wordt geminimaliseerd.

Artikel 3, eerste lid onderdeel, e

Het is eveneens niet toegestaan zich te bevinden binnen een straal van 500 meter om het transformatorstation dat zich in het windpark bevindt. Bij het transformatorstation komen alle infieldkabels bij elkaar. Vanuit het transformatorstation loopt voorts de exportkabel, waarmee de door alle turbines tezamen opgewekte elektriciteit naar land wordt getransporteerd. Het is van groot belang de integriteit van het transformatorstation te beschermen, omdat bij schade hieraan de levering van de elektriciteit aan het hoogspanningsnet gevaar loopt.

Artikel 3, eerste lid onderdeel, f

Het is niet toegestaan verbinding te maken met de bodem binnen de veiligheidszone, zoals het ankeren of te vissen met een bodemberoerend vistuig noch vistuig dat de bodem aanraakt. Dit verbod dient ter bescherming van de zich op de zeebodem bevindende infieldkabels. Door deze kabels wordt de door de turbines opgewekte energie naar het transformatorstation (Offshore High Voltage Station). Als deze kabels worden beschadigd, heeft dit direct invloed op de levering van elektriciteit aan het hoogspanningsnet.

Artikel 3, tweede lid

Met vaartuigen die doorvaren in het windpark onder de voorwaarden genoemd in artikel 4, eerste lid, mag niet gevist worden. Een uitzondering wordt gemaakt voor visserij met een hengel als bedoeld in artikel 1, vijfde lid, van de Visserijwet 1963. Hierbij mag de hengel echter niet binnen een straal van 50 meter van de windturbine komen. Dat betekent dat de op dat moment niet actief vissende vaartuigen mogen doorvaren. In praktijk houdt dit in dat de aanwezige vistuigen, zoals sleepnetten, korven en fuiken, met uitzondering van hengels, zichtbaar aan dek worden geplaatst. Handlijnvisserij waarbij de lijnen worden verzwaard waardoor de lijnen of haken de bodem raken of op de bodem worden geplaatst, is niet toegestaan, gelet op onderdeel f van het eerste lid.

Artikel 4

Gebruikers mogen in het windpark aanwezig zijn onder voorwaarde dat zij geen onwenselijke handelingen en activiteiten binnen de veiligheidszone verrichten en daardoor hinder of gevaar veroorzaken. Als voorbeeld van gevaarlijk en hinderlijk gedrag kan in ieder geval kitesurfen en roekeloos vaargedrag genoemd worden.

Het vissen met een hengel mag geen hinder of gevaar veroorzaken. Het gebruik van lange lijnen kan snel tot hinder leiden. Ook het overboord gooien van gevangen vis en/of restafval van schoongemaakte vis kan tot hinder leiden doordat deze vogels aantrekken.

In het kader van de invoering van doorvaart en medegebruik wordt een gedragscode opgesteld, waarin onder andere nader wordt uitgelegd wat onder gevaar en hinder wordt verstaan. De gedragscode is te raadplegen op http://www.noordzeeloket.nl/doorvaart/

DE MINISTER VAN INFRASTRUCTUUR EN WATERSTAAT, namens deze, Afdelingshoofd Vergunningverlening Rijkswaterstaat Zee en Delta, L.R. Minnaar