Start van deze pagina
Skip navigatie, ga direct naar de Inhoud

Overheid.nl - de wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden.

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Tekstgrootte
+


Jaargang 2017
Nr. 49343

Gepubliceerd op 6 september 2017 09:00



Regeling van de Minister van Financiën van 24 augustus 2017, 2017-0000171986, directie Financiële Markten, tot wijziging van de Vrijstellingsregeling Wft in verband met de verhoging van de vrijstellingsgrens voor de prospectusplicht en de invoering van een meldplicht en informatieverplichtingen

De Minister van Financiën,

Gelet op artikel 5:5 van de Wet op het financieel toezicht;

BESLUIT:

ARTIKEL I

De Vrijstellingsregeling Wft wordt gewijzigd als volgt:

A

Artikel 53 wordt gewijzigd als volgt:

1. In het tweede lid wordt ‘en toelaten van effecten tot de handel op een in Nederland gelegen of functionerende gereglementeerde markt zijn’ vervangen door ‘is’ en wordt ‘€ 2,5 miljoen’ vervangen door: € 5 miljoen.

2. Onder vernummering van het vierde en vijfde lid tot vijfde en zesde lid, wordt een lid ingevoegd, luidende:

  • 4. Het tweede lid is slechts van toepassing indien de aanbieder:

    • a. voorafgaand aan de aanbieding van effecten als bedoeld in het tweede lid aan de Autoriteit Financiële Markten de aanbieding meldt onder gelijktijdige verstrekking van de volgende informatie:

      • 1°. de naam en het adres van de uitgevende instelling en de aanbieder indien de uitgevende instelling niet tevens de aanbieder is en de naam, het e-mailadres en het telefoonnummer van de contactpersoon van de uitgevende instelling of aanbieder;

      • 2°. indien van toepassing: het nummer van inschrijving in het handelsregister van de uitgevende instelling en de aanbieder indien de uitgevende instelling niet tevens de aanbieder is;

      • 3°. de datum van oprichting van de uitgevende instelling en de aanbieder indien de uitgevende instelling niet tevens de aanbieder is;

      • 4°. de namen, geboortedata en geboorteplaatsen van de bestuurders van de uitgevende instelling en de aanbieder indien de uitgevende instelling niet tevens de aanbieder is;

      • 5°. de namen van de aandeelhouders van de uitgevende instelling en de aanbieder indien de uitgevende instelling niet tevens de aanbieder is;

      • 6°. de website van de uitgevende instelling en de aanbieder indien de uitgevende instelling niet tevens de aanbieder is aanbieder en, indien van toepassing, de website van de aanbieding;

      • 7°. de maximale omvang van de aanbieding in euro’s;

      • 8°. de aanbiedingsperiode;

      • 9°. de categorie effect;

      • 10°. de besteding van de door beleggers ingelegde gelden;

      • 11°. een kopie van het uittreksel uit het handelsregister van de uitgevende instelling en de aanbieder indien de uitgevende instelling niet tevens de aanbieder is, een kopie van het aanbiedingsdocument en eventueel reclamemateriaal en, voor zover van toepassing, een kopie van de vergunning van een toezichthoudende instantie; en

    • b. voorafgaand aan de aanbieding, bedoeld in het tweede lid, de in bijlage A bedoelde gegevens verstrekt met gebruikmaking van het in die bijlage opgenomen informatiedocument.

3. In het vijfde lid (nieuw) vervalt ‘of de toelating’ en telkens ‘of toelating’.

4. Er worden twee leden toegevoegd, luidende:

  • 7. De informatie, bedoeld in onderdeel b, is evenwichtig en begrijpelijk.

  • 8. Het vierde lid, onderdeel b, en het zevende lid zijn niet van toepassing op aanbieders van effecten die vallen onder de werking van de verordening essentiële-informatiedocumenten en op beheerders van beleggingsinstellingen die op grond van artikel 4:37l, eerste lid, van de wet, een prospectus aan beleggers dienen te verstrekken.

B

Aan de regeling wordt een bijlage toegevoegd, luidende:

BIJLAGE A. Informatiedocument voor aanbiedingen van effecten

(Bijlage als bedoeld in artikel 53, tweede lid, onderdeel b)

Tekst die tussen vierkante haken staat, wordt vervangen door de toepasselijke gegevens. Telkens als «indien van toepassing» is vermeld, moet de aanbieder of uitgevende instelling de vereiste informatie invullen indien de informatie relevant is voor de aanbieding. Indien de informatie niet relevant is voor de aanbieding, schrapt de aanbieder of uitgevende instelling de desbetreffende informatie of de hele rubriek.

De onderstaande informatie wordt in één enkel document meegedeeld. Het gebruikte lettertype moet duidelijk leesbaar zijn.

ARTIKEL II

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 oktober 2017.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Financiën, J.R.V.A. Dijsselbloem

TOELICHTING

Algemeen

§ 1. Inleiding

Deze regeling strekt tot verhoging van de vrijstellingsgrens voor aanbiedingen van effecten aan het publiek en tot invulling van de verplichting voor aanbieders om aan beleggers informatie te verstrekken over de aangeboden effecten. Daarnaast introduceert deze regeling een meldplicht voor ondernemingen die gebruik willen maken van de vrijstelling. In het Fiche over het voorstel voor een verordening betreffende het prospectus1 is aangegeven dat het kabinet voornemens is om de vrijstellingsgrens te verhogen van € 2,5 miljoen naar € 5 miljoen, onder gelijktijdige invoering van een meldplicht en minimuminformatievereisten voor partijen die gebruik willen maken van deze vrijstelling. In het algemeen overleg van de vaste commissie voor Financiën van 4 februari 2016 heeft de Minister van Financiën toegezegd deze verhoging te laten plaatsvinden vooruitlopend op de invoering van de nieuwe Prospectusverordening. Deze regeling geeft invulling hieraan.

§ 2. Hoofdpunten

De toegang van mkb-ondernemingen tot de kapitaalmarkten dient zo efficiënt mogelijk te zijn. De verhoging van de vrijstellingsgrens draagt hieraan bij. Door een hogere vrijstellingsgrens zullen ondernemingen minder kosten maken voor het ophalen van kapitaal omdat zij pas bij aanbiedingen vanaf € 5 miljoen een prospectus moeten opstellen en publiceren. Dit zal het ophalen van kapitaal via de kapitaalmarkt aantrekkelijker maken voor mkb-ondernemingen. De verhoging van de vrijstellingsgrens mag evenwel niet ten koste gaan van de bescherming van beleggers.

In de afgelopen jaren hebben zich incidenten voorgedaan waarbij malafide partijen aanbiedingen hebben gedaan waarvan de totale waarde net onder de vrijstellingsgrens bleef, waardoor zij zich aan het toezicht van de Autoriteit Financiële Markten (AFM) konden onttrekken. Dit soort incidenten leidt niet alleen tot schade bij de betrokken beleggers, maar schaadt ook het vertrouwen in de aanbieders van effecten die gebruik maken van de vrijstelling. Een verhoging van de vrijstellingsgrens zonder additionele waarborgen zou deze schade verder kunnen vergroten en is daarom geen optie. Er is daarom besloten om de vrijstellingsgrens te verhogen naar € 5 miljoen onder gelijktijdige invoering van een meldplicht en minimuminformatievereisten. De meldplicht en informatieverplichtingen gelden voor alle aanbiedingen onder de vrijstellingsgrens.

Door invoering van een meldplicht krijgt de AFM een overzicht van aanbieders die gebruik maken van de vrijstelling en kan zij eerder inspelen op mogelijke malversaties bij die partijen, hetgeen de beleggersbescherming vergroot. Indien de AFM verneemt dat een partij een vrijgestelde aanbieding doet, terwijl zij zich niet bij de AFM heeft gemeld, kan dit voor de AFM bovendien een dringende reden zijn om onderzoek bij deze partij te doen. Dit maakt het voor malafide partijen moeilijker om buiten het zicht van de AFM te blijven dan thans het geval is. Omdat het hier gaat om informatie die uitsluitend dient ten behoeve van het toezicht door de AFM, worden de meldingen niet openbaar gemaakt.

Voor de invulling van de minimuminformatievereisten is aansluiting gezocht bij de Wet oneerlijke handelspraktijken (Wohp) en artikel 194 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek. Op dit moment zijn vrijgestelde aanbieders al verplicht om juiste en essentiële informatie te verstrekken aan consumenten; op basis van de Wohp is het namelijk verboden onjuiste informatie te verstrekken en essentiële informatie weg te laten die de gemiddelde consument nodig heeft om een goede keuze te maken over een (financiële) dienst of activiteit. De Wet handhaving consumentenbescherming (Whc) geeft de AFM de bevoegdheid om bij schending van de Wohp op te treden. Dit toezicht vindt achteraf, dus na de uitgifte van de effecten, plaats. In haar toezicht heeft de AFM de afgelopen jaren geconstateerd dat ondernemingen moeite hebben met het voldoen aan deze informatieverplichtingen; ondernemingen verstrekken te weinig informatie of juist teveel informatie waardoor het voor de belegger moeilijk wordt in te schatten welke informatie relevant is.

Door invulling te geven aan de minimuminformatievereisten worden beleggers beter beschermd en is tegelijkertijd voor ondernemingen beter duidelijk welke informatie zij dienen te verschaffen. Het is daarbij van belang dat de verstrekte informatie evenwichtig is en begrijpelijk voor de belegger is. Deze informatie dient voorafgaand aan de aanbieding van de effecten te worden verstrekt, zodat de belegger relevante informatie tot zich kan nemen en in staat is het effect te vergelijken met andere effecten, voordat de overeenkomst tot stand komt.

De AFM zal zich in haar toezicht op vrijgestelde aanbiedingen richten op mogelijke probleemgebieden en zal naar aanleiding van meldingen, zoals vragen en klachten, of andere signalen bekijken of nader onderzoek of handhaving nodig is.

De informatie die aanbieders van effecten aan beleggers moeten verstrekken wordt met deze regeling gestandaardiseerd. De informatie dient door middel van het in bijlage A opgenomen informatiedocument te worden verstrekt aan beleggers. Effecten kunnen door hun vormgeving complex en moeilijk te begrijpen zijn. Door uniformiteit in het informatiedocument aan te brengen kunnen beleggers de aangeboden effecten beter begrijpen en de kenmerken beter doorgronden. Verder wordt het voor beleggers eenvoudiger om verschillende aanbiedingen van effecten met elkaar te vergelijken indien aanbieders op vergelijkbare wijze de informatie over die effecten presenteren.

§ 3. Gevolgen voor het bedrijfsleven

Aan deze regeling zijn geen administratieve lasten en nalevingskosten verbonden voor burgers. Er zijn voor het bedrijfsleven wel enige administratieve lasten en nalevingskosten verbonden aan de invoering van de nieuwe regels, maar die zijn beperkt. Administratieve lasten betreffen informatieverplichtingen richting de toezichthouders, zoals bijvoorbeeld de meldplicht. De meldplicht behelst echter niet meer dan een beperkte melding bij de toezichthouder. De minimuminformatievereisten zijn voor aanbieders van effecten een nadere en concrete invulling van de verplichting die nu ook al op grond van de Wohp op hen rust ten aanzien van consumenten. Naar verwachting zullen de nalevingskosten voor het opstellen en verstrekken van het informatiedocument gelijk zijn aan de kosten van de informatie die opgesteld moest worden op grond van de Wohp. Aanbieders van effecten zullen enige initiële nalevingskosten moeten maken om aan de nieuwe regels te kunnen voldoen.

§ 4. Consultatiereacties

In de periode van 13 juni tot en met 12 juli 2017 is deze regeling openbaar geconsulteerd op www.internetconsultatie.nl/verhogingvrijstellingsgrensprospectusplicht/. Er zijn drie consultatiereacties ontvangen, van de AFM, FG Lawyers en Lendahand. Hieronder wordt ingegaan op de belangrijkste punten van deze reacties.

FG Laywers verzoekt om het informatiedocument van bijlage A met het oog op incoming cross border aanbiedingen ook beschikbaar te stellen in het Engels. Hiervoor is niet gekozen omdat het gaat om aanbiedingen van effecten in Nederland met als doelgroep Nederlandse beleggers. Het informatiedocument heeft als doel informatie te verstrekken aan die beleggers. Om die reden dient het informatiedocument in het Nederlands te worden opgesteld.

FG Laywers maakt terecht de opmerking dat closed-end beleggingsinstellingen op grond van artikel 4:37l, eerste lid, van de wet voor vrijgestelde aanbiedingen reeds een prospectus beschikbaar dienen te stellen aan beleggers en vrijgesteld zouden moeten worden van de verplichting om informatie middels het standaarddocument te overleggen aan de belegger. Het achtste lid van artikel 53 en de toelichting daarbij is aangepast.

FG Laywers en Lendahand hebben in hun reacties aandacht gevraagd voor de samenloop van de nieuwe regeling met crowdfunding. Naar aanleiding van de wetgevingswens van de AFM uit 2016 betreffende wettelijke vereisten voor crowdfundingplatformen wordt momenteel samen met de AFM bekeken hoe dergelijke vereisten vorm kunnen worden gegeven.2 De mogelijkheid van aanpassing van de in artikel 24b gehanteerde grens van € 2,5 mln. zal in dat traject worden meegenomen.

De AFM merkt op dat het belangrijk is dat het informatiedocument voldoende onder de aandacht van consumenten wordt gebracht, bijvoorbeeld door in de reclame-uitingen bij de aanbieding van effecten te verwijzen naar het informatiedocument. Naar aanleiding van dit punt zal in overleg met AFM bekeken worden hoe hier invulling aan kan worden gegeven.

Artikelsgewijs

Artikel I

Bij de implementatie van de prospectusrichtlijn3 zijn toelatingen tot de handel op een gereglementeerde markt in Nederland abusievelijk onder de vrijstelling gebracht. Dit wordt nu gecorrigeerd door in het tweede lid en in het vijfde lid (nieuw) van artikel 53 toelatingen tot de handel op een gereglementeerde markt te schrappen. Verder wordt in het tweede lid de vrijstellingsgrens verhoogd van € 2,5 miljoen naar € 5 miljoen. Dit betekent dat een aanbieding van effecten nu is vrijgesteld indien de waarde daarvan tezamen met de waarde van eerdere aanbiedingen van effecten van dezelfde categorie in een periode van 12 maanden in totaal minder dan € 5 miljoen bedraagt.

In het nieuwe vierde lid van artikel 53 zijn de meldplicht en de minimuminformatievereisten opgenomen. In onderdeel a van dat lid is geregeld dat aanbieders die gebruik willen maken van de vrijstelling, zoals bedoeld in het tweede lid, de aanbieding moeten melden bij de AFM onder verstrekking van bepaalde informatie. De informatie die de aanbieder aan de AFM dient te verstrekken is opgenomen in de subonderdelen 1 tot en met 11. Het gaat hier onder meer om gegevens over de uitgevende instelling en aanbieder indien de uitgevende instelling niet tevens de aanbieder is en de bestuurders van de uitgevende instelling of aanbieder. Ook dient de aanbieder de namen van de aandeelhouders van de uitgevende instelling of aanbieder te melden. Deze informatie behelst bijvoorbeeld de namen van de aandeelhouders van een rechtspersoon, zoals bijvoorbeeld een N.V. of een B.V., maar ook bijvoorbeeld de namen van de vennoten of maten van respectievelijk een commanditaire vennootschap of maatschap. Hierdoor krijgt de AFM inzicht in welke natuurlijke personen en rechtspersonen de controle uitoefenen of zeggenschap hebben in de uitgevende instelling of aanbieder. Ook dient de categorie van de aangeboden effecten te worden gemeld. De reden hiervoor is dat de vrijstelling op grond van het tweede lid wordt berekend per categorie effect, zoals bijvoorbeeld aandelen of obligaties. Verder dient ook de besteding van de ingelegde gelden van beleggers te worden vermeld. De aanbieder dient aan te geven wat de (investerings)strategie is en op welke wijze rendement wordt gegenereerd. Daarnaast dient de aanbieder verschillende stukken aan de AFM te verstrekken zoals bijvoorbeeld reclamemateriaal voor de desbetreffende aanbieding en een kopie van de vergunning van een buitenlandse toezichthouder, indien van toepassing.

Middels het standaarddocument van bijlage A dient de aanbieder informatie aan beleggers te verstrekken. De informatie die opgenomen dient te worden, dient gelaagd te worden gepresenteerd in het standaarddocument zodat beleggers in de eerste laag de voor hen meest belangrijke informatie kunnen zien. De meer gedetailleerde informatie kunnen beleggers in de volgende laag vinden.

De eerste laag van het standaarddocument bevat een zestal onderwerpen. Deze onderwerpen betreffen onder meer een groot deel van de gegevens die tevens aan de AFM moet worden gemeld op grond van onderdeel a. Deze gegevens zijn ook relevant voor beleggers en moeten daarom ook aan hen verstrekt worden. Naast die informatie dient in de eerste laag informatie verstrekt te worden over de essentiële kenmerken van het effect. Daaronder vallen in ieder geval de voornaamste risico’s die verbonden zijn aan het effect, zoals bijvoorbeeld de beperkte verhandelbaarheid, vervroegde aflossing en de kosten, zoals bijvoorbeeld kosten bij inschrijving en verkoop van het effect. Ook dient hierbij de nominale waarde, de looptijd en de niet-marktconforme kenmerken van het effect vermeld te worden. Niet-marktconforme kenmerken zijn kenmerken van het effect die niet gebruikelijk zijn in de markt en die relevant zijn voor een adequate beoordeling van het effect, zoals de mate van verhandelbaarheid van het effect of de mogelijkheid van vervroegde aflossing.

De aanbieder dient verder middels het standaarddocument in de eerste laag informatie te verstrekken over de essentiële kenmerken van de aanbieding. Dit houdt onder andere in dat informatie moet worden verstrekt over hoe de ingelegde gelden worden besteed, de voornaamste risico’s van de aanbieding en van de uitgevende instelling en de aan de aanbieding verbonden kosten. Bij de aanbieding dient ook informatie te worden opgenomen over de doelgroep van de aangeboden effecten en eventuele zekerheden voor de beleggers, zoals informatie over in hoeverre de terugbetaling van de ingelegde gelden gedekt is en op welke wijze.

De tweede laag van het standaarddocument bevat een zevental onderwerpen. Deze onderwerpen bevatten nadere informatie over de aanbieding en de aangeboden effecten. Zo wordt er nadere informatie gegeven over de risico’s. Omdat beleggen in effecten risico’s met zich meebrengt en omdat beleggers zich een volledig beeld moeten kunnen vormen over de aanbieding dient nadere informatie te worden verstrekt over de risico’s. Met de aan de aanbieding en aan de uitgevende instelling verbonden risico’s van de aanbieding wordt onder meer bedoeld de risico’s met betrekking tot de financiële situatie van de uitgevende instelling en de uitkeringen aan de beleggers. Ook wordt hieronder verstaan de risico’s die zien op de gerelateerde (financiële) belangen tussen de aanbieder en haar bestuurders en de gerelateerde (financiële) belangen tussen de aanbieder en gelieerde entiteiten. Daarbij dient te worden vermeld welke natuurlijke persoon of rechtspersoon eigenaar is of wordt van datgene waarin belegd wordt, zoals vastgoed of effecten.

Een belangrijk onderdeel is voorts het verstrekken van nadere informatie over de aan de belegging verbonden kosten. De kosten beïnvloeden immers het behaalde rendement. Zowel directe als indirecte kosten dienen vermeld te worden. Het gaat hierbij, naast de hierboven genoemde kosten van het effect, om alle kosten van de belegging, zoals salariskosten, beheerkosten, kosten voor marketing, kosten van inhuur en vergoedingen aan het management en beheerder. Om verschillende aanbiedingen van effecten goed met elkaar te kunnen vergelijken is het van belang dat de kosten die bij een aanbieding gemaakt worden met elkaar vergeleken kunnen worden.

De aanbieder dient tevens aan te geven hoe het rendement wordt gegenereerd en wat de beperkende voorwaarden zijn voor het genereren van het rendement. Daarbij dient informatie te worden opgenomen over de opbrengsten van het effect die de belegger ontvangt, zoals bijvoorbeeld de rente.

Ten slotte dient in de tweede laag nadere informatie verstrekt te worden over de huidige financiële situatie van de uitgevende instelling. Deze verplichting houdt onder meer in dat informatie verstrekt dient te worden over het eigen vermogen van de uitgevende instelling en het werkkapitaal (vlottende activa en kortlopende schulden). Hierbij dient ook informatie te worden verstrekt over de omvang van het vreemde vermogen, welke langlopende leningen aangetrokken worden en de verhouding van het eigen vermogen ten opzichte van het vreemd vermogen. Met deze informatie kunnen beleggers een inschatting maken van de belegging. Daarnaast dienen, voor zover van toepassing, de belangrijkste kenmerken van zekerheden te worden beschreven. In dat kader dient onder meer te worden aangegeven of het bijvoorbeeld om een eerste of een tweede hypothecaire lening gaat en of een lening is achtergesteld of niet. Tevens dienen eventuele beperkende voorwaarden van de zekerheden te worden vermeld zoals situaties waarin de zekerheden kunnen komen te vervallen.

Er worden verder twee leden toegevoegd aan artikel 53. Het nieuwe zevende lid regelt dat de informatie die middels het standaarddocument aan de belegger verstrekt dient te worden evenwichtig en begrijpelijk is. Het is van belang dat de informatie zowel de positieve als negatieve kenmerken van het effect weerspiegelt en op die manier een evenwichtig beeld geeft van de aangeboden effecten. Ook dient de informatie begrijpelijk te zijn, zodat de informatie makkelijk leesbaar is voor de belegger.

In het nieuwe achtste lid wordt geregeld dat wanneer een aanbieder onder de werking van de verordening essentiële-informatiedocumenten valt, de aanbieder niet verplicht is op basis van het nieuwe vierde lid, onderdeel b, informatie middels het standaarddocument te verstrekken aan de belegger. In de verordening is namelijk bepaald dat een aanbieder voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst met een belegger een essentiële-informatiedocument dient te verstrekken aan de belegger. De belegger wordt op deze wijze reeds geïnformeerd over het aangeboden effect. Het zou dubbelop zijn dat deze aanbieder alsnog wordt verplicht informatie middels het standaarddocument te overleggen aan de belegger. Deze uitzondering geldt tevens voor beheerders van closed-end beleggingsinstellingen die voor vrijgestelde aanbiedingen op grond van artikel 4:37l, eerste lid, van de wet, een prospectus aan beleggers dienen te verstrekken. Ook hier geldt dat het dubbelop zou zijn om de beheerder alsnog te verplichten informatie middels het standaarddocument te overleggen aan de belegger.

De Minister van Financiën, J.R.V.A. Dijsselbloem


X Noot
1

Kamerstukken II 2015/16, 22 212, nr. 2051.

X Noot
2

Kamerstukken II 2015/16, 32 545, nr. 55.

X Noot
3

Richtlijn nr. 2003/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende het prospectus dat gepubliceerd moet worden wanneer effecten aan het publiek worden aangeboden of tot de handel worden toegelaten en tot wijziging van richtlijn nr. 2001/34/EG (PbEG 2003, L 345).


SnelzoekenInfo

Snelzoeken
U kunt dit veld gebruiken om te zoeken op
–een vrije zoekterm voor het zoeken op tekst (bijvoorbeeld "milieu")
–een betekenisvolle zoekterm voor het zoeken naar specifieke publicaties (bijvoorbeeld dossiernummer '32123' of 'trb 2009 16').
U kunt termen combineren door EN te zetten tussen de termen (blg 32123 EN milieu).
U kunt zoeken op letterlijke tekst door '' om de term te zetten. ('appellabele toezeggingen').

Voor meer mogelijkheden en uitleg verwijzen wij u naar de help-pagina's van Officiële bekendmakingen op overheid.nl