Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Sociale Zaken en WerkgelegenheidStaatscourant 2017, 37625Besluiten van algemene strekking

Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 27 juni 2017, 2017-0000098188, tot wijziging Subsidieregeling ESF 2014–2020 ivm nieuwe tijdvakken UWV, V&J en Duurzame Inzetbaarheid Regio's en Sectoren

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

Gelet op de artikelen 3, eerste lid, en 5 van de Kaderwet SZW-subsidies;

Besluit:

ARTIKEL I. WIJZIGING VAN DE SUBSIDIEREGELING ESF 2014–2020

De Subsidieregeling ESF 2014–2020 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

1. In de definitie van arbeidsbelemmerde vervalt de zinsnede: op grond van de Wet werk en bijstand of;

2. De definitie van Arbeidsorganisatie wordt vervangen door:

arbeidsorganisatie:

een onderneming als bedoeld in artikel 5 van de Handelsregisterwet 2007 of een rechtspersoon als bedoeld in artikel 6 van de Handelsregisterwet 2007, waarin door werknemers arbeid wordt verricht;

3. De definitie van duurzame inzetbaarheidwordt vervangen door:

duurzame inzetbaarheid:

het gemotiveerd, gezond en productief houden van werkenden om hen in staat te stellen tot aan het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, binnen of buiten de arbeidsorganisatie betaald werk te verrichten;

4. In de definitie van niet-uitkeringsontvanger vervalt de zinsnede: die als werkzoekende staat geregistreerd bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en;

5. In de definitie van bijstandsuitkering vervalt de zinsnede: de Wet werk en bijstand of;

6. De definities van Verordening (EG) 1081/2006 en Verordening (EG) 1083/2006 vervallen.

B

In artikel 2, eerste lid, artikel 3, eerste, tweede en derde lid, en artikel 4, eerste lid, wordt ‘de Verordening’ telkens vervangen door: de Verordening (EU) nr. 1303/2013.

C

In artikel 4, derde lid, vervalt de zinsnede: , alsmede Verordening (EG) nr. 1083/2006 en Verordening (EG) nr. 1081/2006.

D

In artikel 19, derde en vijfde lid, wordt de zinsnede ‘bijlage XII van de Verordening en in de artikelen 3 en 4 van de Uitvoeringsverordening’ vervangen door: bijlage XII van Verordening (EU) nr. 1303/2013.

E

In artikel 21, eerste lid, onderdeel e, wordt ‘Verordening’ vervangen door: Verordening (EU) nr. 1303/2013.

F

In bijlage 1 wordt artikel A4, eerste lid, als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel c vervalt de zinsnede: Wet werk en bijstand of.

2. In onderdeel e vervalt de zinsnede: de WWB of.

G

In bijlage 1 komt artikel A12 te luiden:

Artikel A12. Subsidieplafond

  • 1. Het maximaal beschikbare bedrag voor het verlenen van subsidie bedraagt voor het aanvraagtijdvak van 2 februari 2015, 09.00 uur, tot en met 27 februari 2015, 17.00 uur, € 4.730.918,–.

  • 2. Het maximaal beschikbare bedrag voor het verlenen van subsidie bedraagt voor het aanvraagtijdvak van 5 december 2016, 09.00 uur, tot en met 27 januari 2017, 17.00 uur, € 26.000.000,–.

H

In bijlage 1 komt artikel A15, eerste lid, onderdeel b, te luiden:

  • b. het project een duur heeft tot en met uiterlijk 31 december 2020.

I

In bijlage 1 wordt na artikel A16 een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel A17. Tussentijdse declaratie

  • 1. De subsidieontvanger dient een tussentijdse declaratie in bij de minister, direct voorafgaand aan de in het tweede lid genoemde data, met daarbij een verantwoording van de kosten onder gelijktijdige verstrekking van de burgerservicenummers van de deelnemers aan het project, als bedoeld in artikel A17a.

  • 2. De tussentijdse declaraties, bedoeld in het eerste lid, worden ingediend voorafgaand aan de volgende data:

    • a. 31 december 2017 en

    • b. 31 december 2019.

  • 3. In afwijking van het eerste en tweede lid kan de minister besluiten tot het opvragen van een extra tussentijdse declaratie dan wel het laten vervallen van een tussentijdse declaratie.

  • 4. Artikel 18, tweede en vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing op de tussentijdse declaratie, bedoeld in het eerste lid.

  • 5. De minister betaalt binnen negentig dagen nadat een tussentijdse declaratie is ontvangen, de op dat moment bekende verschuldigde subsidie.

  • 6. De einddeclaratie, bedoeld in artikel 18, bevat de som van alle tussentijdse declaraties en het resterend eindbedrag. De verantwoording van de kosten en de burgerservicenummers van de deelnemers, bedoeld in artikel 18, eerste lid, hebben betrekking op het resterend eindbedrag opgenomen in de einddeclaratie.

J

In bijlage 1 worden na artikel A17 twee artikelen ingevoegd, luidende:

A17a. Uitzonderingen op algemeen deel

In afwijking van artikel 17, eerste lid, verstrekt de subsidieontvanger, onder gebruikmaking van het daartoe door de minister elektronisch beschikbaar gestelde formulier en een door hem erkende elektronische handtekening, uiterlijk 31 december van elk kalenderjaar aan de managementautoriteit het burgerservicenummer van de deelnemers waarvan het individuele traject is beëindigd.

A17b. Bevoorschotting

In afwijking van artikel 14, kan de minister besluiten tot het verstrekken van een voorschot tot maximaal de op basis van de tussentijdse declaratie verschuldigde subsidie.

K

In bijlage 1 komt artikel A19 als volgt te luiden:

Artikel A19. Aanvraagtijdvak

Subsidieaanvragen met betrekking tot een project in het kader van dit hoofdstuk worden door de minister ontvangen in het aanvraagtijdvak van 2 oktober 2017, 9.00 uur, tot en met 31 oktober 2017, 17.00 uur.

L

In bijlage 1 komt artikel A20 te luiden:

Artikel A20. Subsidieplafond

Het maximaal beschikbare bedrag voor het verlenen van subsidie bedraagt voor het aanvraagtijdvak, bedoeld in artikel A19, € 9.200.000,–.

M

In bijlage 1 komt artikel A24, tweede lid, te luiden:

  • 2. In afwijking van artikel 12, eerste lid tot en met elfde lid, komen uitsluitend de kostensoorten als bedoeld in artikel 12, twaalfde lid, voor subsidie in aanmerking. De Minister specificeert nadere voorwaarden met betrekking tot het afrekenen op basis van deze kostensoort in de in artikel 9 bedoelde beschikking tot subsidieverlening.

N

In bijlage 1 wordt in artikel B10 onder verlettering van het vijfde lid naar het zesde lid een lid ingevoegd, luidende:

  • 5. In afwijking van artikel 18, eerste lid, is er geen sprake van deelnemers aan het project als bedoeld in Bijlage I van Verordening 1304/2013.

O

In bijlage 1 komt artikel B13 te luiden:

Artikel B13. Aanvraagtijdvak

Subsidieaanvragen met betrekking tot een project in het kader van dit hoofdstuk worden door de minister ontvangen in het aanvraagtijdvak van 25 september 2017, 09.00 uur, tot en met 13 oktober 2017, 17.00 uur.

P

In bijlage 1 wordt artikel B15 als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt ‘vergroten’ vervangen door ‘stimuleren’.

2. In het tweede lid, onderdeel a, wordt na ‘werken’ toegevoegd: , waaronder gelijke kansen en non-discriminatie, het voorkomen van werkstress en burn-out.

3. In het tweede lid, onderdeel b, wordt na ‘employability’ toegevoegd: , waaronder een leercultuur en skills strategy.

4. Het derde lid vervalt.

Q

In bijlage 1 komt artikel B16, tweede lid, te luiden:

  • 2. Bij de subsidieaanvraag wordt een document overgelegd met daarin:

    • a. de probleemanalyse;

    • b. de doelstellingen en concretisering van beoogde resultaten;

    • c. het plan van aanpak;

    • d. een uitwerking van de kwalitatieve criteria zoals beschreven in artikel B22.

R

In bijlage 1 wordt artikel B17, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. Onderdeel b komt te luiden:

  • b. aan het project op grond van artikel B22 ten minste een score van 15 punten wordt toegekend;

2. Onder vervanging van de punt aan het eind van onderdeel e door een puntkomma, worden twee onderdelen toegevoegd luidende:

  • f. over de voortgang en resultaten van projectactiviteiten actief gecommuniceerd wordt richting werkenden en arbeidsorganisaties in de betreffende sector of sectoren en regio of regio’s;

  • g. de producten, zoals die voortkomen uit de activiteiten beschreven in artikel B18, actief beschikbaar worden gesteld voor vrij gebruik door anderen, waaronder arbeidsorganisaties, regio’s en sectoren die niet direct betrokken waren bij het project.

S

In bijlage 1 wordt artikel B21 wordt als volgt gewijzigd:

1. Aan onderdeel a wordt de zinsnede toegevoegd: met uitzondering van activiteiten die passen binnen het doel van de regeling, bedoeld in artikel B15.

2. In onderdeel b wordt de zinsnede ‘bedrijfsspecifieke scholing of het reguliere scholingsplan’ vervangen door: kwalificerende of bedrijfsspecifieke scholing, een bestaand sectoraal of regionaal scholingsplan.

T

In bijlage 1 wordt artikel B22 als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. De minister beoordeelt de subsidieaanvraag aan de hand van:

    • a. de probleemanalyse met de aanduiding en oorzaak van het probleem (3 punten);

    • b. de doelmatigheid en doeltreffendheid van het projectplan (3 punten);

    • c. de toegevoegde van het project ten opzichte van bestaande activiteiten (3 punten);

    • d. de overweging van de bestaande kennis en interventies (1 punten);

    • e. de wijze waarop de doelgroep wordt betrokken (3 punten);

    • f. de inrichting van een stappenplan (1 punt);

    • g. meetbaarheid van het beoogde resultaat (1 punt);

    • h. de betrokkenheid van een brede groep stakeholders en arbeidsorganisaties (3 punten);

    • i. de inbedding van het product bij betrokken partijen (1 punt);

    • j. het evaluatieplan (3 punten).

2. Het tweede lid vervalt onder vernummering van het derde en het vierde lid, naar het tweede en het derde lid.

U

In bijlage 1 wordt in artikel B23 onder vernummering van het vijfde lid naar het zesde lid een nieuw lid ingevoegd, luidende:

  • 5. In afwijking van artikel 18, eerste lid, is er geen sprake van deelnemers aan het project als bedoeld in Bijlage I van Verordening 1304/2013.

ARTIKEL II. INWERKINGTREDING

  • 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

  • 2. Artikel I, de onderdelen A tot en met H, N en U, werken terug tot en met 18 september 2014.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag, 27 juni 2017

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J. Klijnsma

TOELICHTING

Algemeen

De directe aanleiding voor de wijziging van de Subsidieregeling ESF 2014–2020 is het openstellen van drie nieuwe tijdvakken voor de aanvraag van subsidie, voor:

  • a. Investeringsprioriteit A, Hoofdstuk II. UWV (zie artikel A11);

  • b. Investeringsprioriteit A, Hoofdstuk III. De Minister van Veiligheid en Justitie (zie artikel A19); en

  • c. Investeringsprioriteit B, Hoofdstuk Va. Duurzame inzetbaarheid regio’s en sectoren (zie artikel B13).

Wijzigingen in Hoofdstuk II. UWV

De wijzigingen in dit hoofdstuk maken het mogelijk om het resterend programmabudget voor UWV beschikbaar te stellen ten behoeve van één doorlopend project tot en met het einde van de programmaperiode. Dit heeft een vermindering van de uitvoeringslasten, een verhoging van de flexibiliteit en meer duidelijkheid voor de begunstigde voor de gehele programmaperiode tot gevolg. Om dit mogelijk te maken is de tussentijdse declaratie aan dit hoofdstuk van de regeling toegevoegd. Op deze manier kan er tijdig en met een gewenste regelmaat worden afgerekend met de begunstigde.

Wijzigingen in Hoofdstuk III. De Minister van Veiligheid en Justitie

De wijzigingen betreffen het openstellen van een nieuw aanvraagtijdvak ten behoeve van ‘Investeringsprioriteit A: Actieve inclusie, mede met het oog op bevordering van gelijke kansen en actieve participatie, en het verbeteren van de inzetbaarheid, Hoofdstuk III. De Minister van Veiligheid en Justitie’ en het opnemen van aanvullende voorwaarden met betrekking tot de subsidiëring van kosten op basis van de vereenvoudigde kostenopties zoals opgenomen in artikel 12, twaalfde lid.

Wijzigingen in Hoofdstuk Va. Duurzame inzetbaarheid regio’s en sectoren

Deze wijzigingsregeling betreft het openstellen van een nieuw aanvraagtijdvak ten behoeve van ‘Investeringsprioriteit B: Actief en gezond ouder worden, Hoofdstuk Va. Duurzame inzetbaarheid regio’s en sectoren’.

Projecten in het kader van de regeling dienen werkgevers en werkenden te stimuleren om gezamenlijk aan de slag te gaan met duurzame inzetbaarheid. Werkenden en werkgevers moeten daarvoor intrinsiek gemotiveerd worden om met duurzame inzetbaarheid aan de slag te gaan (zie Stcrt. 2016, 24721).

De regeling beoogt via projecten van O&O-fondsen en samenwerkingsverbanden een beweging binnen arbeidsorganisaties op gang brengen in de aanpak van knelpunten op het gebied van duurzame inzetbaarheid. Daarbij kan geleerd worden van (wetenschappelijk) onderzoek en de ervaringen van het programma Duurzame inzetbaarheid. Om een blijvend resultaat te bereiken, is een organisatieverandering(sproces) gericht op gedragsverandering – en uiteindelijk cultuurverandering – nodig. Om deze gedragsverandering te bereiken zijn de volgende zaken essentieel:

  • het commitment van de directie aan de verandering en het tonen van voorbeeldgedrag door de directie; en

  • het ondersteunen en actief bij de verandering betrekken van direct leidinggevenden, medewerkers en andere belanghebbenden (zoals stafmedewerkers, HR en Arbo en medezeggenschapsorganen) waarbij zij voldoende tijd en ruimte krijgen om met eigen initiatief bij te dragen aan de verandering;

  • het borgen van de bereikte resultaten door deze een integraal onderdeel van de bedrijfsvoering te maken.

De focus op motivatie, gezondheid en productiviteit moet eraan bijdragen dat het menselijk kapitaal (de werkende) aansluiting vindt op de arbeidsmarkt. Actuele thema’s, welke aansluiten op de doelstellingen van duurzame inzetbaarheid, zijn bijvoorbeeld het stimuleren van intersectorale samenwerking en mobiliteit die bijdragen het afstemmen van menselijk kapitaal op toekomstbestendig werk. Robotisering en andere ontwikkelingen vereisen immers dat mensen new skills for new jobs ontwikkelen. Werkenden zullen met hun tijd mee moeten gaan en werkgevers kunnen hen daarbij helpen door inzicht te geven in wat de toekomst brengt, en aan te reiken wat nodig is om inzetbaar te blijven.

Om bij te blijven is het nodig dat mensen blijven leren, ook informeel op hun werkplek. De ontwikkeling die mensen zo kunnen doormaken is in Nederland een punt van aandacht (Leren en ontwikkelen tijdens de loopbaan, SER, 2017). Concrete aanbevelingen die de SER deed, zijn bijvoorbeeld: het regionaal aanbieden van laagdrempelige ondersteuning bij loopbaanontwikkeling, bovensectorale scholing en de inzet van leerambassadeurs. De sociale partners, O&O-fondsen en regionale partijen kunnen hier een belangrijke rol in spelen. De aanbevelingen sluiten goed aan op de doelstellingen die in de ESF-regelingen omtrent het thema duurzame inzetbaarheid zijn vertaald.

In artikel B13 wordt het aanvraagtijdvak opengesteld van 25 september 2017, 09.00 uur, tot en met 13 oktober 2017, 17.00 uur. Het beschikbare budget voor dit tijdvak is opgenomen in artikel B14 en bedraagt maximaal 12,5 miljoen euro. Enkele subsidievoorwaarden worden op basis van de ervaringen uit het eerste tijdvak aangepast.

Naast het openen van de nieuwe tijdvakken, worden enkele verduidelijkingen, vereenvoudigingen en technische wijzigingen aangebracht, welke in de artikelsgewijze toelichting zo nodig verder aan bod komen.

Artikelsgewijs

Artikel I. Wijziging van de Subsidieregeling ESF 2014–2020

Onderdeel A t/m F
arbeidsorganisatie

Met deze bredere omschrijving van de definitie van arbeidsorganisatie, wordt verduidelijkt dat bijvoorbeeld organisaties zoals zorginstellingen, scholengemeenschappen, gemeenten, waterschappen en dergelijke ook in aanmerking komen om als arbeidsorganisatie subsidie aan te vragen conform artikel B1 Duurzame inzetbaarheid bedrijven/instellingen in hoofdstuk V. Zoals in de toelichting op de regeling bij de openstelling van het eerste tijdvak is aangegeven, is de regeling immers gericht op werkgevers in de brede zin (Stcrt. 9 juli 2014, nr. 19322). Bedrijven en instellingen die tenminste twee medewerkers in dienst hebben, kunnen subsidie aanvragen. Daarbij dienen zij aan te tonen te zijn ingeschreven bij de Kamer van Koophandel op grond van artikel 5 dan wel artikel 6 van de Handelsregisterwet. Het Handelsregister spreekt niet van een onderneming in de zin van artikel 5 en 6, wanneer bijvoorbeeld een filiaal of bedrijfsonderdeel niet over een aparte inschrijving beschikt bij de Kamer van Koophandel. Zoals is bepaald in artikel B6 Specifieke eisen, dienen arbeidsorganisaties tevens aan te tonen dat zij tenminste twee medewerkers in dienst hebben.

duurzame inzetbaarheid

Dit betreft een technische wijziging, waarmee beter wordt aangesloten op bestaande wet- en regelgeving.

arbeidsbelemmerde en niet-uitkeringsontvanger

In deze regelwijziging zijn ook enkele technische aanpassingen met betrekking tot de definities van de arbeidsbelemmerde en de niet-uitkeringsontvanger (NUO) in artikel 1 opgenomen. Het betreft het aanpassen van een definitie aan de huidige stand van de wetgeving en een aanpassing van een definitie uit het oogpunt van vereenvoudiging. Deze aanpassingen worden direct toegepast.

In de uitvoering van het ESF-programma is gebleken dat de toets of een ESF deelnemer uit de NUO-doelgroep staat ingeschreven bij het UWV als werkzoekende een geringe toegevoegde waarde heeft, terwijl deze toets tegelijkertijd een administratieve uitvoeringslast oplevert. Een afweging van deze zaken heeft geleid tot de beslissing om de inschrijvingseis voor de NUO-doelgroep met terugwerkende kracht ongedaan te maken in deze regeling.

bijstandsuitkering

Aangezien de Wet werk en bijstand is ingetrokken en gelijktijdig is vervangen door de Participatiewet is in deze regeling elke verwijzing naar de Wet werk en bijstand (WWB) verdwenen of vervangen door een verwijzing naar de Participatiewet.

Verordening (EG) 1081/2006 en Verordening (EG) 1083/2006

Beide verordeningen verwijzen nog naar het vorige ESF subsidieprogramma en zijn voor een goede werking van deze regeling niet meer nodig. De nieuwe verordeningen uit het jaar 2013 hebben de oude verordeningen uit het jaar 2006 ingetrokken en zijn daarmee niet meer van belang. Niet alleen de definities kunnen vervallen maar ook de verwijzingen in diverse artikelen naar die verordeningen uit 2006 zijn aangepast dan wel verwijderd.

Onderdeel G (bijlage 1, artikel A12 Subsidieplafond)

Dit betreft het aanpassen van het subsidieplafond, om het mogelijk te maken het resterend programmabudget dat ten behoeve komt van UWV in één keer te verlenen. Deze wijziging heeft terugwerkende kracht, zodat er geen nieuw tijdvak hoeft te worden opengesteld om dit te realiseren.

Onderdeel H (bijlage 1, artikel A15)

Aanpassing van dit artikel maakt mogelijk dat de duur van het project waarvoor het resterend programmabudget beschikbaar wordt gesteld tot en met het einde van de programmaperiode (31 december 2020) doorloopt.

Onderdeel I (bijlage 1, artikel A17 Tussentijdse declaratie)

Dit nieuwe artikel regelt de methodiek van tussentijds afrekenen. Afrekening gebeurt op een zelfde wijze als bij de einddeclaratie. Dit betekent dat een tussentijdse declaratie een verantwoording van de gedeclareerde kosten moet bevatten en een rapportage met de burgerservicenummers van de deelnemers waarop de tussentijdse declaratie betrekking heeft. Dit artikel bevat twee vaste momenten waarop de begunstigde een tussentijdse declaratie moet indienen, maar het is mogelijk gemaakt dat de Minister extra tussentijdse declaraties opvraagt, of een tussentijdse declaratie, als gespecificeerd in de regeling, laat vervallen.

Onderdeel J (bijlage 1, artikel A17a + A17b)

Om te waarborgen dat de jaarlijkse rapportages met de burgerservicenummers van de deelnemers aansluiten op de deelnemers opgenomen in de tussentijdse declaratie, is de bepaling in artikel A17 iets aangescherpt met de toevoeging dat het hier gaat om deelnemers waarvan het individueel traject is beëindigd. Dit kan dus gaan om deelnemers die hun traject bij UWV hebben afgerond, maar ook om uitgevallen deelnemers, waarover is gerapporteerd in de tussenrapportage. Het gaat hier niet om deelnemers die op het rapportagemoment nog steeds in een UWV-traject zitten.

Op basis van de tussentijdse declaraties, als bedoeld in artikel A17, kunnen ook voorschotten worden verstrekt. Dit is geregeld in artikel A18a.

Onderdeel K (bijlage 1, artikel A19 Aanvraagtijdvak)

Dit betreft de openstelling van een nieuw aanvraagtijdvak ten behoeve van ‘Investeringsprioriteit A: Actieve inclusie, mede met het oog op bevordering van gelijke kansen en actieve participatie, en het verbeteren van de inzetbaarheid, Hoofdstuk III. De Minister van Veiligheid en Justitie’. Het aanvraagtijdvak zal worden opengesteld van 2 oktober 2017 tot en met 31 oktober 2017.

Onderdeel L (bijlage 1, artikel A20 Subsidieplafond)

Het beschikbare budget voor dit tijdvak is opgenomen in artikel A20 en bedraagt maximaal 9,2 miljoen euro.

Onderdeel M (bijlage 1, artikel A24)

Dit nieuwe tweede lid komt in de plaatst van het voorgaande tweede lid dat hiermee komt te vervallen. Het lid bevat aanvullende voorwaarden met betrekking tot de subsidiabele kosten als bedoeld in artikel 12. De afrekening van subsidiabele kosten zal uitsluitend plaatsvinden op basis van de vereenvoudigde kostenopties zoals omschreven in artikel 12, twaalfde lid.

Onderdeel N (bijlage 1, artikel B10)

Projecten in Hoofdstuk V Duurzame inzetbaarheid bedrijven/instellingen en Hoofdstuk Va Duurzame inzetbaarheid regio’s en sectoren zijn gericht op het arbeidsorganisaties. Hierop zijn ook de prestatie- en resultaatindicatoren in het Operationeel Programma ESF 2014–2020 geënt. Er zijn geen specifieke uitgaven geoormerkt voor deelnemers. Zodoende zijn de gemeenschappelijke indicatoren voor deelnemers uit bijlage I van de Verordening 1304/2013 niet van toepassing. Aanvragers hoeven, in tegenstelling tot wat artikel 18, eerste lid, stelt geen overzicht van burgerservicenummers aan te leveren. In de artikelen B11 en B24 zijn reeds uitzonderingen op artikel 17, eerste lid, opgenomen. In hoofdstuk V en Va is het overleggen van de burgerservicenummers aan het eind van elk kalenderjaar immers niet van toepassing. De projectadministratie behelst enkel de prestatieverantwoording. Een deelnemersadministratie (met bijvoorbeeld naam, geboortedatum, geslacht, BSN, loonstrook) zoals genoemd in artikel 15, eerste lid, is niet van toepassing, omdat hier geen deelnemers zijn als bedoeld in bijlage I van de Verordening 1304/2013. Deze gegevens zijn niet noodzakelijk voor de beoordeling van het project en de subsidiabiliteit van de kosten. Deze verduidelijking treedt met terugwerkende kracht in werking, gezien de lastenverlichting die deze met zich meebrengt voor aanvragers. Zie ook onderdeel U.

Onderdeel O (bijlage 1, artikel B13. Aanvraagtijdvak)

Het tweede tijdvak van Duurzame inzetbaarheid regio’s en sectoren wordt in het najaar van 2017 voor drie weken opengesteld. Er wordt wederom een bedrag van € 12.500.000,– beschikbaar gesteld.

Onderdeel P (bijlage 1, artikel B15)

Projecten gericht op duurzame inzetbaarheid stimuleren dat werkgevers en werknemers binnen arbeidsorganisaties actief aan de slag gaan met active ageing-beleid. In de thema’s binnen artikel B15 wordt benadrukt dat het voorkomen van werkstress en burn-outs, het verbeteren van de leercultuur en skills strategy tot de aandachtspunten behoren. Het bieden van loopbaanadvies en in kaart brengen van de ontwikkelvraag van de werkende zijn voorbeelden van hoe arbeidsorganisaties werkenden kunnen helpen om hun vaardigheden optimaal in te zetten en te ontwikkelen.

Projecten dragen ook bij aan de horizontale ESF-doelstelling van non-discriminatie en het bieden van gelijke kansen via active ageing-beleid. Dit wordt in artikel B15 verduidelijkt. Gelijke participatie op de arbeidsmarkt wordt bijvoorbeeld bevorderd doordat zwangerschapsdiscriminatie wordt tegengegaan, of combinaties van arbeid en (mantel)zorg mogelijk worden gemaakt met behulp van een flexibele werkcultuur. Duurzame inzetbaarheid draagt via active ageing-beleid niet alleen bij aan de gelijkheid tussen mannen en vrouwen, maar ook aan gelijkheid op andere vlakken die relevant zijn in de werksfeer. Zo is het tegengaan van pesten en ongewenste omgangsvormen op de werkvloer een belangrijk punt van aandacht. Dergelijke activiteiten zijn subsidiabel. Projecten hoeven daarbij geen activiteiten te bevatten die expliciet op het thema gelijke kansen worden gericht.

Onderdeel Q (bijlage 1, artikel B16)

In artikel B16 wordt benadrukt dat het voor alle projecten van groot belang is dat de aanvrager concrete resultaten voor ogen heeft, die aansluiten op de probleemanalyse en het plan van aanpak. Daarnaast is er in artikel B22 een aantal kwalitatieve criteria gedefinieerd aan de hand waarvan een project in het geval van overtekening extra punten kan scoren. De wijze van verankering van de uitkomsten is één van de kwalitatieve criteria waar men op kan scoren. Aan de hand van die score kan ranking van projecten plaatsvinden.

Onderdeel R (bijlage 1, artikel B17)

Onderdeel f en g worden toegevoegd aan de specifieke eisen om aan te geven dat zowel het geven van ruchtbaarheid aan de uitvoering als de actieve verspreiding van opbrengsten vereisten zijn voor een project in het kader van Hoofdstuk Va. Dit gold reeds voor de brede openstelling voor deelname van arbeidsorganisaties in de sector of arbeidsmarktregio en het nadrukkelijk betrekken van werkenden en arbeidsorganisaties bij het project. Dergelijke voorwaarden dragen eraan bij dat de subsidieregeling van nut kan zijn voor meer arbeidsorganisaties en werkenden dan alleen die welke direct bij het project betrokken waren. De regeling levert daarmee voor een breder publiek nuttige ervaringen en goede voorbeelden op. De minimumscore op de kwalitatieve criteria is aangepast in verband met het aanpassen van het aantal en de weging van de criteria. De minimumscore bedraagt 15 punten. Zie ook onderdeel T.

Onderdeel S (bijlage 1, artikel B21)

De wijziging van artikel B21 en bijhorende toelichting brengen voor aanvragers helderder onderscheid aan in welke activiteiten wel en niet subsidiabel worden geacht.

Het vergroten van de ontwikkelmogelijkheden, autonomie, betrokkenheid en inspraak van werkenden en het terugbrengen van belastend werk zijn subsidiabel. Dergelijke activiteiten moeten nadrukkelijk in dienst staan van de doelen in artikel B15. Concreet kan worden gedacht aan het organiseren van de inspraak en meer zeggenschap voor werknemers over de inrichting van het werk, het faciliteren van informeel leren (bijvoorbeeld met coaching), cross training of taakroulatie. Activiteiten in het kader van procesverbetering zijn daarentegen niet subsidiabel wanneer deze er primair op zijn gericht om bedrijfsprocessen efficiënter in te richten met het doel de productie en het economisch rendement te verhogen of kosten te verlagen en niet bijdragen aan de duurzame inzetbaarheid. Zo zijn het opleiden in een methodiek voor procesoptimalisatie en het maken en aanpassen en van functie-, taak- en procesbeschrijvingen subsidiabel voor zover zij aantoonbaar bijdragen aan de duurzame inzetbaarheid van werkenden.

Scholing die is gericht op toekomstige functies is ook subsidiabel, dus bijvoorbeeld omscholing van iemand naar een functie waar vraag naar is in dezelfde of een andere sector, of scholing om de employabiliteit te behouden en vergroten wanneer functies worden vervangen als gevolg van ingrijpende ontwikkelingen, zoals robotisering. De subsidieregeling is er niet op geënt om scholing te subsidiëren die reeds plaatsvindt in het kader van een bestaand scholingsplan op individueel, bedrijfs- of sectoraal niveau. Daarnaast is scholing niet subsidiabel wanneer die vereist is om iemand zijn bestaande functie naar behoren te laten uitvoeren of zich daarvoor te kwalificeren. Het voorzien in dergelijke scholing wordt beschouwd als een reguliere verantwoordelijkheid van de werkgever.

Projectactiviteiten die zijn gericht op re-integratie, werving en selectie, vrijwilligerswerk en dergelijke, vallen niet binnen de scope van duurzame inzetbaarheid.

Onderdeel T (bijlage I, artikel B22)

Wanneer het beschikbare budget wordt overvraagd, vindt een ranking van projecten plaats aan de hand van kwalitatieve criteria. Hiertoe worden tien criteria onderscheiden. De kwalitatieve criteria zijn ingekort en aangepast op basis van de ervaringen uit het eerste tijdvak. Niet alle criteria wegen even zwaar. Een projectplan waarvan de doelmatigheid en doeltreffendheid hoog worden ingeschat, ontvangt bijvoorbeeld 3 punten. Dergelijke criteria wegen zwaarder dan sommige andere criteria, zoals het plan voor de inbedding van het product en de meetbaarheid van het resultaat. Alleen wanneer de minister oordeelt dat een aanvrager nadrukkelijk goede invulling geeft aan een kwalitatief criterium en dus geen vragen meer heeft over dit aspect, worden de punten toegekend. Er kunnen maximaal 22 punten worden behaald. Uiteraard hoeft een goede score op de kwalitatieve criteria niet te betekenen dat een subsidieaanvraag aan alle vereisten in de regeling voldoet. De kwalitatieve beoordeling ingeval van overtekening betreft een aanvulling op de afwijzingsgronden van artikel 10. In artikel B17 (zie onderdeel R) is de minimumscore op de kwalitatieve criteria afgesteld op het gewijzigde aantal criteria en de weging die op de criteria van toepassing is. De minimumscore bedraagt 15 punten.

De criteria worden hieronder beknopt toegelicht.

  • a. de probleemanalyse met de aanduiding en oorzaak van het probleem

    Een aanvrager die al scherp heeft wat de duurzame inzetbaarheid in de sector(en) en/of regio(‘s) bedreigt en wat daarvan de oorzaak is, zal beter in staat zijn om maatwerk te leveren bij de aanpak van het probleem.

  • b. de doelmatigheid en doeltreffendheid van het projectplan

    Een plan dat op doelmatige en doeltreffende wijze is opgesteld, is gericht op de een efficiënte en effectieve benadering van het gesignaleerde probleem.

  • c. de toegevoegde van het project ten opzichte van bestaande activiteiten

    Niet zelden zijn er in de regio of sector al activiteiten ontplooid die raken aan de doelstellingen van de onderhavige regelingen. Het is dan van belang om in de aanvraag te verduidelijken wat de meerwaarde van het project is waarvoor subsidie wordt aangevraagd, ten opzichte van de bestaande activiteiten en activiteiten die eerder plaatsvonden.

  • d. de overweging van de bestaande kennis en interventies

    Er is al de nodige (wetenschappelijke) kennis over wat nodig is om de duurzame inzetbaarheid van werkenden te verbeteren. Ook zijn reeds allerlei instrumenten ontwikkeld. Om te voorkomen dat het wiel opnieuw wordt uitgevonden en te stimuleren dat beschikbare kennis wordt benut, zullen aanvragers deze aspecten in samenhang moeten overwegen. Dat laat overigens onverlet dat het leveren van maatwerk van belang is.

  • e. de wijze waarop de doelgroep wordt betrokken

    Om een duurzaam effect te behalen, moeten mensen intrinsiek worden gemotiveerd om aan de slag te gaan met hun duurzame inzetbaarheid. Door de doelgroep invloed op en zeggenschap over de planvorming en uitvoering te geven, worden maatwerk en betrokkenheid bevorderd.

  • f. de inrichting van een stappenplan

    De aanvraag bevat een kloppende en realistische planning met een chronologische opbouw van activiteiten gedurende de projectperiode.

  • g. meetbaarheid van het beoogde resultaat

    Met de formulering van een meetbaar beoogd resultaat, kan eenvoudiger worden herleid of de doelstellingen van een project worden behaald. Voorbeelden van resultaten die kunnen worden gemeten, zijn de mate waarin gebruik wordt gemaakt van mobiliteitsadviseurs, het aantal vitaliteitsadviezen, job rotations, door leerambassadeurs bezochte arbeidsorganisaties, de opkomst bij bijeenkomsten met werkenden over het tegengaan van ongewenst gedrag en dergelijke. Maar ook de mate van tevredenheid over de genomen maatregelen kan een beoogd resultaat zijn en bij de doelgroep gemeten worden.

  • h. de betrokkenheid van een brede groep arbeidsorganisaties en stakeholders

    Dit criterium gaat over de diversiteit en hoeveelheid betrokken arbeidsorganisaties en of binnen die organisaties ook leidinggevenden, medezeggenschapsorganen, HR en Arbo meewerken aan het project. Daarnaast kunnen er relevante opdrachtgevers, bonden, fondsen, gemeenten en dergelijke worden betrokken om daadwerkelijk een beweging op gang te brengen en blijvende aandacht te genereren.

  • i. de inbedding van het product bij betrokken partijen

    Projecten die werkelijk leiden tot veranderingen in de organisatie en het gedrag, kunnen een blijvende cultuurverandering teweeg brengen die ten goede komt aan de duurzame inzetbaarheid.

  • j. het evaluatieplan

    Om te kunnen leren van de opgedane ervaringen, is het van belang dat aanvragers de uitvoering en resultaten van het project evalueren met arbeidsorganisaties, stakeholders en de doelgroep. Dat draagt bij aan een doelmatige en doeltreffende opzet van toekomstige activiteiten.

Onderdeel U (bijlage 1, artikel B23)

Zie voor de toelichting, de toelichting gegeven bij onderdeel N.

Artikel II. Inwerkingtreding

In deze regeling zitten enkele elementen waaraan terugwerkende kracht wordt verleend. Tevens wordt afgeweken van de systematiek van de vaste verandermomenten en van de minimale invoeringstermijn van twee maanden. Het is wenselijk dat aan artikel I, de onderdelen A t/m H, N en U, terugwerkende kracht wordt verleend, omdat het vereenvoudigingen en verduidelijkingen betreft die ten goede komen aan de aanvragers in eerdere tijdvakken. Aan deze onderdelen wordt terugwerkende kracht gegeven tot en met 18 september 2014, de datum waarop door de Europese Commissie goedkeuring aan het operationeel programma is gegeven.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J. Klijnsma