Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Economische ZakenStaatscourant 2017, 29951Besluiten van algemene strekking

Regeling van de Minister van Economische Zaken van 26 juni 2017, nr. WJZ/17075625, tot aanwijzing van monomestvergistingsinstallaties als subsidiabele categorie voor 2017 in het kader van de stimulering van duurzame energieproductie (Regeling monomestvergisting 2017)

De Minister van Economische Zaken,

Gelet op de artikelen 2, tweede tot en met vierde lid, 3, vierde lid, 7, 36, tweede lid, 37, eerste lid, 39, vijfde lid, 40, derde tot en met zevende lid, 51, tweede lid, 52, eerste lid, 55, derde tot en met vijfde en zevende lid, 56, tweede, derde, vijfde en zesde lid, 59, tweede en vierde lid, 60, tweede lid, onderdeel b, 61, eerste en derde lid en 62, vierde lid en vijfde lid, onderdeel b, van het Besluit stimulering duurzame energieproductie;

Besluit:

§ 1. Begripsbepalingen

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

algemene uitvoeringsregeling:

Algemene uitvoeringsregeling stimulering duurzame energieproductie;

besluit:

Besluit stimulering duurzame energieproductie;

minister:

Minister van Economische Zaken;

nominaal elektrisch rendement:

quotiënt van het nominaal elektrisch vermogen en:

  • a. de som van het nominaal elektrisch vermogen en nominaal warmtevermogen in het geval van gecombineerde opwekking met behulp van een verbrandingsmotor, en

  • b. het nominaal warmtevermogen van de ketel in het geval van gecombineerde opwekking met behulp van een stoomturbine of een organische rankinecyclus;

nominaal vermogen:

maximale vermogen van de productie-installatie dat onder nominale condities benut kan worden voor de productie van hernieuwbare elektriciteit of hernieuwbare warmte of hernieuwbaar gas en wat door de leverancier gegarandeerd wordt bij continu gebruik;

vergisting van uitsluitend dierlijke mest:

biologische afbraakreacties van verpompbare vaste en vloeibare uitwerpselen van dieren.

§ 2. Aanwijzing categorieën en openstelling

Artikel 2

  • 1. De minister verstrekt op aanvraag subsidie:

    • a. aan een producent van hernieuwbaar gas geproduceerd door een productie-installatie met een nominaal vermogen kleiner dan of gelijk aan 400 kW waarmee hernieuwbaar gas wordt geproduceerd door middel van vergisting van uitsluitend dierlijke mest;

    • b. aan een producent van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte geproduceerd door een productie-installatie met een nominaal vermogen kleiner dan of gelijk aan 400 kW voor elektrisch vermogen en thermisch vermogen samen en een nominaal elektrisch rendement ten minste 20% waarmee hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte wordt geproduceerd door middel van vergisting van uitsluitend dierlijke mest.

  • 2. Productie-installaties als bedoeld in het eerste lid worden aangewezen als productie-installaties als bedoeld in artikel 3, vierde lid, van het besluit.

Artikel 3

Het subsidieplafond bedraagt € 150 miljoen.

Artikel 4

Aanvragen om subsidie worden ontvangen in de periode van 4 juli 2017 09:00 uur tot 27 juli 2017 17:00 uur.

§ 3. Aanvraag en beslissing op de aanvraag

Artikel 5

  • 1. Productie-installaties als bedoeld in artikel 2, eerste lid, worden aangewezen als productie-installaties als bedoeld in artikel 56, tweede lid, van het besluit.

  • 2. Productie-installaties als bedoeld in artikel 2, eerste lid, worden aangewezen als productie-installaties als bedoeld in artikel 56, derde lid, van het besluit.

Artikel 6

  • 1. In afwijking van artikel 2a, eerste lid, van de algemene uitvoeringsregeling gaat een aanvraag om subsidie vergezeld van een haalbaarheidsstudie.

  • 2. Indien een aanvraag tot subsidieverlening wordt ingediend zonder de gegevens, bedoeld in artikel 56, vierde lid, onderdeel d, van het besluit, bevat de haalbaarheidsstudie een plan van aanpak en een tijdschema betreffende de werving van een locatie voor de realisatie van de productie-installatie en de verkrijging van de vergunningen die vereist zijn voor de realisatie van de productie-installatie.

  • 3. Indien een aanvraag tot subsidieverlening wordt ingediend met de gegevens, bedoeld in artikel 56, vierde lid, onderdeel d, van het besluit maar zonder de vergunningen die vereist zijn voor de realisatie van de productie-installatie, bevat de haalbaarheidsstudie een plan van aanpak en een tijdschema voor de verkrijging van de vergunningen die zijn vereist voor de realisatie van de productie-installatie.

Artikel 7

  • 1. Productie-installaties als bedoeld in artikel 2, eerste lid, worden aangewezen als productie-installaties als bedoeld in artikel 59, tweede lid, van het besluit.

  • 2. Artikel 59, vierde lid, van het besluit is van toepassing op een aanvraag om subsidie.

Artikel 8

  • 1. De minister verdeelt het bedrag, genoemd in artikel 3, op volgorde van rangschikking van de aanvragen.

  • 2. Ten behoeve van de rangschikking wordt het tenderbedrag van een subsidieaanvraag voor de productie van hernieuwbaar gas gecorrigeerd door het in de subsidieaanvraag genoemde tenderbedrag in euro per kWh te delen door een correctiefactor van 0,706.

Artikel 9

  • 1. Het maximum tenderbedrag, bedoeld in artikel 36, tweede lid, van het besluit, voor productie-installaties als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, bedraagt € 0,088 per kWh.

  • 2. Het maximum tenderbedrag bedoeld in artikel 51, tweede lid, van het besluit, voor productie-installaties als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel b, bedraagt € 0,125 per kWh.

Artikel 10

  • 1. De basisenergieprijs, bedoeld in artikel 37, eerste lid, van het besluit bedraagt voor productie-installaties als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, € 0,015 per kWh.

  • 2. De basisenergieprijs, bedoeld in artikel 52, eerste lid, van het besluit bedraagt voor productie-installaties als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel b, € 0,030 per kWh.

Artikel 11

  • 1. Voor een aanvraag als bedoeld in artikel 6, tweede en derde lid, wordt de subsidie verleend onder de opschortende voorwaarde dat binnen twee weken na de afgifte van de beschikking tot subsidieverlening een uitvoeringsovereenkomst overeenkomstig het model opgenomen in bijlage 1 tot stand is gekomen tussen de Staat en de subsidie-ontvanger, en onder de opschortende voorwaarde dat de subsidie-ontvanger binnen vier weken na de afgifte van de beschikking tot subsidieverlening heeft aangetoond dat een bankgarantie overeenkomstig het model opgenomen in bijlage 2 is afgegeven.

  • 2. Indien niet tijdig aan de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, is voldaan komt het vrijgekomen budget beschikbaar voor een volgende aanvraag op basis van de rangschikking.

§ 4. Verplichtingen van de subsidie-ontvanger

Artikel 12

  • 1. In geval van een aanvraag als bedoeld in artikel 6, tweede lid, meldt de subsidie-ontvanger aan de Minister de locatie waar de productie-installatie wordt geplaatst voor de aanvang van de bouw van de productie-installatie.

  • 2. Een subsidie-ontvanger realiseert per adres één productie-installatie als bedoeld in artikel 2, eerste lid.

  • 3. Een subsidie-ontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 2, eerste lid, in gebruik binnen twee jaar na de datum van de beschikking tot subsidieverlening.

  • 4. Artikel 3, eerste en tweede lid, van de algemene uitvoeringsregeling, is niet van toepassing op een aanvraag om subsidie.

§ 5. Algemene bepalingen

Artikel 13

Een subsidie als bedoeld in artikel 2, eerste lid, wordt over een periode van twaalf jaar verstrekt.

Artikel 14

  • 1. Het maximale aantal vollasturen, bedoeld in artikel 40, vijfde lid, van het besluit voor productie-installaties als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, bedraagt 8.000 uren.

  • 2. Het maximale aantal vollasturen, bedoeld in artikel 55, vijfde lid, van het besluit voor productie-installaties als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel b, bedraagt 7.200 uren.

Artikel 15

  • 1. Productie-installaties als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, worden aangewezen als productie-installaties als bedoeld in:

    • a. artikel 40, derde lid, van het besluit;

    • b. artikel 40, vierde lid, van het besluit, met dien verstande dat het verschil in kWh dat ingevolge dat lid, bij het aantal geproduceerde kWh van het volgende jaar mag worden opgeteld, wordt gemaximeerd op 25% van het aantal kWh dat het desbetreffende jaar voor subsidie in aanmerking komt;

    • c. artikel 40, zesde lid, van het besluit.

  • 2. Productie-installaties als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel b, worden aangewezen als productie-installaties als bedoeld in:

    • a. artikel 40, zevende lid, van het besluit;

    • b. artikel 55, derde lid, van het besluit;

    • c. artikel 55, vierde lid, van het besluit, met dien verstande dat het verschil in kWh dat ingevolge dat lid bij het aantal geproduceerde kWh van het volgende jaar mag worden opgeteld, wordt gemaximeerd op 25% van het aantal kWh dat het desbetreffende jaar voor subsidie in aanmerking komt;

    • d. artikel 55, zevende lid van het besluit.

§ 6. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 16

De correcties op het tenderbedrag voor subsidie voor een productie-installatie als bedoeld in het in de eerste kolom genoemde artikel, worden voor 2017 als volgt vastgesteld: voor wat betreft het bedrag bedoeld in artikel 39, eerste lid, onderdeel a, respectievelijk artikel 54, eerste lid, onderdeel a, van het besluit het in de derde kolom genoemde bedrag en voor wat betreft de correcties, bedoeld in artikel 39, eerste lid, onderdelen b en c, respectievelijk artikel 54, eerste lid, onderdelen b en c, van het besluit, het in de vierde kolom genoemde bedrag.

1.

2.

3.

4.

Artikel

Omschrijving categorie

Correctiebedrag (€/kWh)

Correctiebedrag

2, eerste lid, onderdeel a

Monomestvergisting/gas

0,016

0

2, eerste lid, onderdeel b

Monomestvergisting/elektriciteit en warmte

0,031

0

Artikel 17

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juli 2017.

Artikel 18

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling monomestvergisting 2017.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 26 juni 2017

De Minister van Economische Zaken, H.G.J. Kamp

BIJLAGE 1, ALS BEDOELD IN ARTIKEL 11, EERSTE LID, VAN DE REGELING MONOMESTVERGISTING 2017: MODEL UITVOERINGSOVEREENKOMST

Uitvoeringsovereenkomst tot zekerheid van het aanvangen van de activiteiten ter zake waarvan subsidie is verstrekt op basis van de Regeling monomestvergisting 2017

1. De Staat der Nederlanden, (hierna te noemen: de Staat), te dezen rechtsgeldig vertegenwoordigd door de Minister van Economische Zaken,;

en

2. ......... ......., gevestigd te......... (hierna te noemen: Ondernemer);

..................................................

(hierna te samen ook te noemen: Partijen);

overwegen:

  • a. de Minister van Economische Zaken heeft aan de Ondernemer [een subsidie / een of meer subsidies] verleend als bedoeld in artikel 2 van de Regeling monomestvergisting 2017, hierna te noemen Regeling, blijkens:

    [een beschikking met kenmerk ..., hierna te noemen Beschikking, waarvan een kopie als Bijlage bij deze overeenkomst is gevoegd aan de Ondernemer /

    • beschikking met kenmerk ......., hierna te noemen Beschikking 1, waarvan een kopie als Bijlage 1 bij deze overeenkomst is gevoegd,

    • beschikking met kenmerk ......., hierna te noemen Beschikking 2, waarvan een kopie als Bijlage 2 bij deze overeenkomst is gevoegd,

    • beschikking met kenmerk ......., hierna te noemen Beschikking 3, waarvan een kopie als Bijlage 3 bij deze overeenkomst is gevoegd,

    ...enz]

  • b. [de Beschikking/Beschikkingen ... tot en met ...] [bevat/bevatten] de opschortende voorwaarde dat binnen twee weken na afgifte van de [Beschikking/Beschikkingen ... tot en met ...] een uitvoeringsovereenkomst, hierna te noemen Uitvoeringsovereenkomst, tot stand is gekomen tussen de Staat en de subsidie-ontvanger.

  • c. de Minister van Economische Zaken beoogt door middel van deze Uitvoeringsovereenkomst te verzekeren dat de Ondernemer de [productie-installatie/productie-installaties], bedoeld in de [Beschikking/Beschikkingen ... tot en met ...], tijdig in gebruik zal nemen.

Partijen komen daartoe het volgende overeen:

Artikel 1. Tijdige ingebruikname van de productie-installatie/productie-installaties

De Ondernemer verplicht zich jegens de Staat de [productie-installatie/productie-installaties], bedoeld in de [Beschikking/Beschikkingen ... tot en met ...], tijdig in gebruik te nemen en wel binnen de in artikel 12, derde lid, van de Regeling bedoelde periode. of, [indien voor de productie-installatie / voor zover voor een of meer productie-installaties] op grond van artikel 62, derde lid, van het Besluit stimulering duurzame energieproductie een ontheffing is verleend, binnen de [in de ontheffing opgenomen periode / voor de desbetreffende productie-installatie in de bijbehorende ontheffing opgenomen periode].

Artikel 2. Inhoud en omvang van de garantie

De Ondernemer verplicht zich om tot zekerheid voor:

  • de nakoming van de in artikel 1 bedoelde [verplichting/verplichtingen], alsmede

  • de bij niet tijdige nakoming verschuldigde [boete/boetes],

binnen vier weken na de datum van de [Beschikking/Beschikkingen ... tot en met ...] ten behoeve van de Staat financiële zekerheid te stellen en gesteld te houden voor een bedrag groot:

[2% van de op grond van de Beschikking maximaal te verstrekken subsidie, € [...] (zegge: [...] euro) /

2% van de op grond van elk van de Beschikkingen ... tot en met ...maximaal te verstrekken subsidie, in totaal € [...] (zegge: [...] euro), ]

door middel van de afgifte aan de Staat van een door een binnen de Europese Unie gevestigde bank afgegeven bankgarantie welke is opgemaakt onder gebruikmaking van het model opgenomen in bijlage 2 bij de Regeling.

Artikel 3. Vrijval van de garantie

  • 1. De verplichting de in artikel 2 bedoelde bankgarantie te blijven stellen vervalt uitsluitend door het schriftelijk bericht van de Staat aan de Bank dat de verplichting geheel of gedeeltelijk is vervallen. De Ondernemer ontvangt een kopie van het bericht van verval.

  • 2. Zodra de verplichting geheel is vervallen zal de Staat de bankgarantie retourneren aan de Bank.

Artikel 4. Boetes

  • [1. Indien de Ondernemer de productie-installatie, bedoeld in de Beschikking niet binnen de in artikel 1 bedoelde periode in gebruik heeft genomen, is de Ondernemer aan de Staat bij wijze van boete een bedrag verschuldigd groot 0,2% van de op grond van de Beschikking maximaal te verstrekken subsidie, enkel door het verloop van die periode en zonder dat enige ingebrekestelling nodig is.

    /

  • 1. Indien de Ondernemer een of meer productie-installaties van de Beschikkingen ... tot en met ..., niet binnen de bij de desbetreffende beschikkingen van toepassing zijnde en in artikel 1 bedoelde periode in gebruik heeft genomen, is de Ondernemer aan de Staat bij wijze van boete per niet tijdig gerealiseerde productie-installatie een bedrag verschuldigd groot 0,2% van de op grond van de bij de desbetreffende productie-installatie behorende Beschikking maximaal te verstrekken subsidie enkel door het verloop van die periode en zonder dat enige ingebrekestelling nodig is. ]

  • [2. Indien de Ondernemer daarna nog in gebreke blijft met het tijdig in gebruik nemen van de productie-installatie is de Ondernemer maandelijks een boete van telkens 0,2% van de maximaal op grond van de Beschikking te verstrekken subsidie verschuldigd voor zover hij de productie-installatie op de eerste dag van elke volgende maand niet in gebruik heeft genomen.

    /

  • 2. Indien de Ondernemer daarna nog in gebreke blijft met het tijdig in gebruik nemen van een of meer productie-installaties is de Ondernemer per niet tijdig gerealiseerde productie-installatie maandelijks een boete verschuldigd groot 0,2% van de op grond van de bij de desbetreffende productie-installatie behorende Beschikking maximaal te verstrekken subsidie, voor zover hij de desbetreffende productie-installatie op de eerste van elke volgende maand niet in gebruik heeft genomen.]

  • [3. De boetes bedoeld in het eerste en tweede lid, waarvan de som ten hoogste 2% van de maximaal op grond van de Beschikking te verstrekken subsidie bedraagt, zijn telkens verschuldigd voor het enkele verloop van de termijn en zonder dat enige ingebrekestelling nodig is.

    /

  • 3. De boetes bedoeld in het eerste en tweede lid, waarvan de som ten hoogste het in artikel 2 bedoelde totaalbedrag bedraagt, zijn telkens verschuldigd voor het enkele verloop van de termijn en zonder dat enige ingebrekestelling nodig is.]

  • 4. De Ondernemer machtigt bij deze de Staat onherroepelijk tot het innen van de boetes door het inroepen van de bankgarantie voor het bedrag van de boete, telkens wanneer een boete verschuldigd is geworden.

Artikel 5. Aanvang en einde Uitvoeringsovereenkomst

  • 1. Deze Uitvoeringsovereenkomst treedt in werking door de ondertekening daarvan door de Partijen.

  • 2. Deze Uitvoeringsovereenkomst eindigt van rechtswege door de teruggave van de volledige bankgarantie door de Staat aan de Bank.

Artikel 6. Domiciliekeuze en berichtgevingen

  • 1. De Staat kiest voor uitvoering van deze Uitvoeringsovereenkomst domicilie ten kantore van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, onderdeel van het ministerie van Economische Zaken, Hanzelaan 310, 8017 JK Zwolle.

  • 2. Onverminderd het bepaalde in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering dienen alle mededelingen, aanzeggingen, verzoeken, toestemmingen en andere berichten uit hoofde van deze uitvoeringsovereenkomst schriftelijk te worden gedaan.

  • 3. Mededelingen, aanzeggingen, verzoeken, toestemmingen en andere berichten die niet in overeenstemming met het tweede lid zijn gedaan blijven zonder rechtsgevolg.

  • 4. De Staat is bevoegd eenzijdig van het bepaalde in het eerste lid af te wijken.

Artikel 7. Rechtskeuze

  • 1. Op deze Uitvoeringsovereenkomst is uitsluitend Nederlands recht van toepassing.

  • 2. Alle geschillen in verband met deze uitvoeringsovereenkomst of met afspraken die daarmee samenhangen zullen worden beslecht door de bevoegde rechter te Den Haag.

Artikel 8. Citeertitel

Deze Uitvoeringsovereenkomst wordt tussen partijen aangeduid als ‘Uitvoeringsovereenkomst Monomestvergisting Staat/......................, nummer ...’.

Aldus overeengekomen en in tweevoud ondertekend

te .......

Ondernemer

te .... op ....................

De Minister van Economische Zaken.

BIJLAGE 2 ALS BEDOELD IN ARTIKEL 11, EERSTE LID, VAN DE REGELING MONOMESTVERGISTING 2017: MODEL BANKGARANTIE

DE ONDERGETEKENDE,

............................., gevestigd te ......., hierna te noemen de ‘Bank’,

IN AANMERKING NEMENDE DAT:

  • A. ........................... , gevestigd te ........, (hierna te noemen de Ondernemer) en de STAAT der NEDERLANDEN, (hierna te noemen: Staat), waarvan de zetel is gevestigd te Den Haag, te dezen vertegenwoordigd door ...................., hierbij vertegenwoordigd door de Minister van Economische Zaken op ............. de ‘Uitvoeringsovereenkomst Monomestvergisting Staat/......................, nummer ... (hierna: Uitvoeringsovereenkomst) hebben getekend;

  • [B. De Ondernemer volgens artikel 2 van de uitvoeringsovereenkomst binnen vier weken na de datum van de [beschikking/beschikkingen ... tot en met ...] tot subsidieverlening ten behoeve van de Staat financiële zekerheid dient te stellen en gesteld dient te houden voor een bedrag groot € [...] (zegge: [...] euro), door de afgifte aan de Staat van een door een bank afgegeven bankgarantie welke luidt conform het model dat als Bijlage bij die overeenkomst behoort;

  • C. De Bank bereid is de desbetreffende bankgarantie ten gunste van de Staat te stellen onder de hierna te noemen voorwaarden;

VERKLAART ALS VOLGT

  • 1. De Bank stelt zich hierbij als zelfstandige verbintenis tegenover de Staat onherroepelijk en onvoorwaardelijk garant voor al hetgeen de Staat van de Ondernemer op grond van de uitvoeringsovereenkomst te vorderen heeft tot een maximumbedrag van € ... .

  • 2. Deze bankgarantie is een abstracte afroepgarantie. De Bank komt in geen geval een beroep toe op de onderliggende rechtsverhouding tussen de Staat en de Ondernemer als vervat in de Uitvoeringsovereenkomst.

  • 3. De Bank zal op eerste schriftelijk verzoek van de Staat, zonder opgaaf van redenen te verlangen of nader bewijs te vragen, overgaan tot uitbetaling van al hetgeen de Ondernemer, volgens verklaring van de Staat, verschuldigd is uit hoofde van de Uitvoeringsovereenkomst.

  • 4. Deze bankgarantie vervalt uitsluitend door het schriftelijk bericht van de Staat aan de Bank dat de verplichting geheel of gedeeltelijk is vervallen.

  • 5. De Minister van Economische Zaken zendt de bankgarantie zo spoedig mogelijk nadat deze geheel is vervallen retour aan de Bank.

  • 6. Op deze bankgarantie is uitsluitend Nederlands recht van toepassing. Alle geschillen die mochten ontstaan over of naar aanleiding van deze bankgarantie zullen worden beslecht door de bevoegde rechter te ’s-Gravenhage.

  • 7. Indien deze bankgarantie dient te worden geretourneerd geschiedt dat door toezending aan adres: ...............

Getekend te

op

De Bank.

TOELICHTING

I. Algemeen

1. Aanleiding en doel

Op 6 september 2013 is het Energieakkoord voor duurzame groei gesloten tussen werkgevers, werknemers, natuur- en milieuorganisaties, energiebedrijven, decentrale overheden, het Rijk en vele andere organisaties (zie hiervoor Kamerstukken II 2012/13, 30 196 nr. 202). Eén van de pijlers van het energieakkoord is het opschalen van de opwekking van hernieuwbare energie. De doelstelling is 14% hernieuwbare energie te realiseren in 2020 en 16% in 2023. De 14% doelstelling is tevens vastgelegd in richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en houdende wijziging en intrekking van Richtlijn 2001/77/EG en Richtlijn 2003/30/EG (PbEU 2009, L 140, hierna richtlijn hernieuwbare energie).

Het Besluit stimulering duurzame energieproductie (hierna: Besluit SDE) is een voorziening voor de stimulering van de productie van hernieuwbare energie. Dit subsidiekader biedt een exploitatiesubsidie voor productie-installaties voor de productie van hernieuwbare energie, waarbij de goedkopere technieken in de subsidieselectie voorrang hebben op duurdere. Het is de verwachting dat de komende jaren een groot aantal opties voor de opwekking van duurzame energie nodig zijn om de doelstellingen van het Energieakkoord te halen. Dit betekent dat waarschijnlijk ook de relatief duurdere technieken voor de productie van hernieuwbare energie in aanmerking zullen komen voor subsidie binnen de SDE+ en noodzakelijk zijn met het oog op de realisatie van de hierboven beschreven doelstellingen. Daarnaast is het belangrijk dat nieuwe projecten snel gerealiseerd worden zodat ze bijdragen aan het realiseren van de hernieuwbare energiedoelstellingen voor 2020.

Deze regeling behelst een separate, eenmalige openstelling voor kleinschalige monomestvergisters onder het Besluit SDE. Het doel is circa 200 monomestvergisters te realiseren zodat kostenreductie door innovatie, organisatie en schaalvoordelen kan worden gerealiseerd. Zo kan deze nu nog relatief dure techniek kosteneffectief bijdragen aan de realisatie van bovengenoemde doelstellingen. Na deze eenmalige, aparte openstellingsregeling voor monovergisting en de bijbehorende kostenreductie, kan de technologie naar verwachting voor een lager maximum basisbedrag opgenomen worden binnen de reguliere openstelling van de SDE+. Het beoogd effect op de lange termijn is de realisatie van meer hernieuwbare energie projecten voor een lagere subsidie per geproduceerde eenheid hernieuwbare energie.

2. Monomestvergisting

Monomestvergisting op boerderijschaal is een technologie waarvan tot op heden relatief weinig gebruik wordt gemaakt in Nederland. Er staan nu in Nederland slechts een beperkt aantal monomestvergisters op boerderijschaal, zowel op onderzoekslocaties als bij verschillende agrarische bedrijven.

Vergisting van uitsluitend mest op boerderijschaal kent een aantal voordelen ten opzichte van andere technieken zoals co-vergisting of centrale verwerking van mest. Het vergisten op de boerderij voorkomt transportbewegingen van mest naar een centrale vergister, het zorgt voor een maximale reductie van het sterke broeikasgas methaan aangezien verse mest gebruikt wordt en het is niet afhankelijk van de beschikbaarheid en prijs van co-producten die aan de mest worden toegevoegd.

Ondanks deze voordelen wordt monomestvergisting nu niet op grotere schaal in de agrarische sector toegepast. Monomestvergisting heeft namelijk op dit moment een hoge onrendabele top, waardoor de beschikbaarheid van budget voor deze techniek binnen de SDE+ onzeker is. Door deze onzekerheid bij marktpartijen over de beschikbaarheid van SDE+-subsidie zijn er weinig partijen die de aanloopkosten durven te maken die noodzakelijk zijn voor het aanvragen van SDE+-subsidie. Zo komt monomestvergisting niet van de grond op een schaal die efficiëntievoordelen biedt en wordt geen kostprijsreductie van monomestvergisting gerealiseerd.

Door kleinschalige monomestvergisting eenmalig buiten de concurrentie met andere technologieën te plaatsen, zullen potentiële subsidie-ontvangers eerder bereid zijn de aanloopkosten te maken en zal de kostprijsreductie naar verwachting wel plaatsvinden.

3. Inhoud regeling

3.1 Algemeen

Deze regeling is gebaseerd op het Besluit SDE. Het Besluit SDE biedt de mogelijkheid om techniek-specifiek open te stellen en te rangschikken op prijs. Van die mogelijkheid is in deze regeling gebruik gemaakt. Ten opzichte van de reguliere fasegewijze openstelling kent deze regeling enkele speciale voorzieningen die zijn gericht op de realisatiesnelheid en -zekerheid van projecten.

3.2 Budget, openstelling en indienen

Het totale budget dat voor deze regeling beschikbaar is, is € 150 miljoen. Naar schatting zal voor dit bedrag voor minimaal 200 installaties voor monomestvergisting subsidie kunnen worden verleend. De regeling wordt opengesteld vanaf 4 juli 2017 09:00 uur tot en met 27 juli 2017 17:00. Aanvragen voor subsidie kunnen worden ingediend via www.rvo.nl.

3.3 Categorie productie-installaties

De categorie productie-installaties waarvoor deze regeling geldt, betreft kleine installaties voor monomestvergisting. Dit wil zeggen dat er sprake is van installaties waar uitsluitend dierlijke mest wordt vergist. Grootschalige monomestvergisters kennen geheel andere uitdagingen wat betreft realisatie en kostprijsreductie. Daarom passen grootschalige vergisters niet binnen deze regeling maar vallen onder de reguliere SDE+. Vandaar dat in deze regeling een maximale schaalgrootte is opgenomen die – zoals gebruikelijk is binnen de SDE+ – wordt weergegeven in het opgesteld vermogen van de installatie. De bovengrens van het vermogen van 400 kW zorgt ervoor dat vrijwel alle boerderijen of een cluster van enkele kleine boerderijen in aanmerking komt voor deze regeling. Voor hernieuwbaar gas installaties wordt de 400 kW bepaald op de bovenste verbrandingswaarde van het gas. Voor de levering van elektriciteit en warmte gaat het om de som van het thermische en elektrische vermogen.

De inputstroom voor de productie van hernieuwbare energie moet bestaan uit uitsluitend dierlijke mest. Door geen stoffen aan de mest toe te voegen kan er geen onbedoelde verontreiniging van de mest plaatsvinden. Daarnaast zal een sterke stijging van het aantal vergisters niet leiden tot hogere inkoopkosten voor de co-producten. Hiermee wordt tevens aangesloten bij de voorschriften die gelden binnen het Activiteitenbesluit milieubeheer.

3.4 Rangschikking op kostprijsprijs

Om een zo groot mogelijke kostenreductie te realiseren, is in deze regeling gekozen voor een verdeling van de subsidie op basis van rangschikking van de aanvragen. Dit zogenaamde tendersysteem betekent dat de aanvrager met de laagste kostprijs per kWh het hoogst wordt gerangschikt. Op deze manier worden partijen aangemoedigd tegen een scherpe prijs hernieuwbare energie te produceren. Dit leidt ertoe dat de subsidie zo efficiënt mogelijk wordt ingezet.

3.5 Hoogte subsidie

Voor de berekening van de hoogte van de subsidie zijn de artikelen 40 en 55 van het Besluit SDE relevant. De subsidie bedraagt ten hoogste het verschil tussen het tenderbedrag en de basisenergieprijs, vermenigvuldigd met het in de beschikking tot subsidieverlening bepaalde maximum aantal kWh voor de gehele periode waarover subsidie wordt verstrekt. Het maximum aantal kWh is gebaseerd op het opgestelde vermogen van de installatie en het aantal vollasturen.

De rekenregel luidt als volgt: Ms = (Tb – Be) * P * Vlu* jaar

Hierbij geldt dat:

Ms = maximum subsidiebedrag

Tb = tenderbedrag

Be = basisenergieprijs

P = opgesteld vermogen

Vlu = maximum aantal subsidiabele vollasturen in een jaar

jaar = aantal jaren waarvoor subsidie kan worden ontvangen

De basisenergieprijs en het aantal jaren waarvoor subsidie kan worden ontvangen zijn in deze regeling vastgelegd. De overige variabelen (tenderbedrag, vollasturen en vermogen van de installatie) worden door de aanvrager zelf opgegeven bij het indienen van zijn aanvraag voor de subsidie.

Het totale aantal vollasturen waarover per jaar subsidie kan worden uitgekeerd wordt gemaximeerd binnen deze regeling. Hierbij wordt aangesloten bij het gebruikelijke maximale aantal vollasturen voor hernieuwbaar gas binnen de SDE+, zijnde 8.000 uren voor installaties waarmee hernieuwbaar gas wordt geproduceerd door middel van vergisting van dierlijke mest. Voor installaties waarmee hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte wordt geproduceerd door middel van vergisting van dierlijke mest geldt een maximum van 7.200 vollasturen. Hiermee wordt aangesloten bij de categorie monomestvergisting WKK in de SDE+ voorjaar 2017.

3.6 Gebundelde aanvragen

De regeling biedt de mogelijkheid subsidieaanvragen voor meerdere monomestvergisters te bundelen. Het gebundeld aanvragen biedt de aanvrager de mogelijkheid om aan te geven dat hij alleen een positieve beschikking wil ontvangen als alle aanvragen uit de bundel positief beschikt kunnen worden. Daarnaast kan het ook zorgen voor verminderde administratieve lasten aangezien één bankgarantie afgegeven kan worden voor de gehele bundel. Overigens heeft bundeling geen effect op het aantal aanvragen dat moet worden ingediend. Voor elke aanvraag in een bundel moet een afzonderlijke aanvraag worden ingediend.

3.7 Aanvraag en subsidieverlening

Op basis van artikel 56 van het Besluit SDE wordt in deze regeling aan de aanvrager de keus geboden om bij de aanvraag om subsidie wel of geen locatiegegevens op te geven. Indien de aanvrager vooraf een locatie opgeeft waar de productie-installatie zal worden geplaatst, kan hij indien beschikbaar, de voor deze productie-installatie benodigde vergunningen bijvoegen. Alleen in het geval dat de locatie is opgegeven en de vergunningen zijn meegestuurd met de aanvraag, hoeft hij geen uitvoeringsovereenkomst te tekenen en bankgarantie af te geven. Indien een aanvrager geen locatie opgeeft bij de indiening van de aanvraag, kunnen uiteraard geen vergunningen worden overgelegd. Er geldt dan wel de eis van een uitvoeringsovereenkomst en bankgarantie. Dit om, mede gelet op de te realiseren doelstellingen in 2020, zekerheden in te bouwen dat de productie-installatie tijdig wordt gerealiseerd. Indien een aanvraag zonder locatiegegevens wordt ingediend, moet de aanvrager in een plan van aanpak aangeven hoe en wanneer hij de benodigde locaties voor de mestmonovergisters beschikbaar denkt te hebben. De subsidie wordt dan verleend onder de voorwaarde dat binnen twee weken na de afgifte van de beschikking tot subsidieverlening een uitvoeringsovereenkomst met de Staat te worden afgesloten waarin de subsidieontvanger zich verplicht de productie-installatie binnen twee jaar in gebruik te nemen. In de overeenkomst is een boetebeding opgenomen: bij niet tijdige realisatie moet per maand dat niet wordt gerealiseerd, een boete van 0,2% van het totale subsidiebedrag worden betaald, met een maximum van 2% van het totale subsidiebedrag. Daartoe moet de subsidie-ontvanger binnen vier weken na afgifte van de beschikking tot subsidieverlening een bankgarantie stellen. Dit biedt aanvragers de mogelijkheid om een aantal beschikkingen aan te vragen zonder dat de vergunning reeds is verleend of de locatie al bekend is. Het voordeel van deze werkwijze is dat het gemakkelijker is om geschikte locaties te vinden als de subsidie beschikbaar is.

Deze regeling heeft ten doel om de kostprijs van monomestvergisting op boerderijschaal verder omlaag te brengen. Installaties op grotere schaal zijn op dit moment al concurrerend binnen de SDE+. Het is niet wenselijk dat een grote mestvergister zijn installatie opknipt in meerdere, individuele installaties die naast elkaar worden geplaatst, enkel om voor deze tender in aanmerking te komen. Het is dan immers kosteneffectiever om binnen de algemene tender van de SDE+ in te dienen. Daarnaast worden de voordelen van het gebruik van verse mest van eigen erf en het beperken van mesttransport niet bereikt. Het opknippen van een grotere vergister in kleinere vergisters wordt voorkomen door de verplichting op te nemen dat per adres slechts één productie-installatie zoals bedoeld binnen deze regeling wordt gerealiseerd. Dit geldt ook voor installaties waarvoor op het moment van aanvragen de locatie nog niet bekend is. Daarom is voor die situaties de verplichting opgenomen dat de aanvrager de adresgegevens van de locatie bekend moet maken voordat de bouw aanvangt.

De monomestvergistingsinstallaties zullen binnen twee jaar na subsidieverlening moeten zijn gerealiseerd. Hierdoor kunnen deze installaties meetellen voor de te realiseren doelstellingen in 2020. De subsidie wordt via onderhavige regeling verstrekt over een periode van twaalf jaar.

4. Europeesrechtelijke aspecten

De subsidiëring van hernieuwbare energie opgewekt in monomestvergistingsinstallaties is te kwalificeren als staatssteun waarop het Europese milieusteunkader, zoals vastgelegd in de ‘Richtsnoeren staatssteun ten behoeve van milieubescherming en energie 2014–2020’ (2014/C 200/01) van toepassing is. Deze regeling is daarom ter goedkeuring aan de Europese Commissie voorgelegd. De Europese Commissie heeft op 11 mei 2017 besloten geen bezwaar tegen de aangemelde wijziging in de SDE+ te maken omdat deze verenigbaar is met de interne markt op grond van artikel 107, lid 3, onder c, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Voorts is deze regeling op 22 mei 2017 (2017/0200/NL) gemeld aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen ter voldoening aan artikel 8, eerste lid, van Richtlijn nr. 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften en regels betreffende diensten van de informatiemaatschappij (PbEG 1998 L 204). Omdat het hier gaat om technische specificaties of andere eisen die verbonden zijn met fiscale of financiële maatregelen geldt op grond van artikel 10, vierde lid, van richtlijn nr. 98/34/EG geen standstill-termijn.

5. Regeldruk

Voor het bepalen van de regeldruk voor de producenten met monomestvergisters zijn het Besluit SDE, de Algemene uitvoeringsregeling stimulering duurzame energieproductie (hierna: Algemene uitvoeringsregeling) en de onderhavige regeling met bijbehorende uitvoeringsovereenkomst van belang.

Bij de wijziging van de Algemene uitvoeringsregeling in 2009 (Stcrt. 2009, 60) is een uitgebreide toelichting gegeven op de berekening van de regeldruk die voortvloeit uit de SDE. Voor de bepaling van de regeldruk van de onderhavige regeling is, voor zover mogelijk en van toepassing, gebruik gemaakt van de berekening van de administratieve lasten voor een gemiddelde aanvraag, zoals weergegeven in de toelichting bij die wijziging van de Algemene uitvoeringsregeling. Bij het berekenen van de administratieve lasten is uitgegaan van een intern tarief van € 60 per uur1.

De regeldruk betreft de volgende werkzaamheden van aanvragers van een subsidie:

Eenmalig:

  • De aanvrager moet per aanvraag een haalbaarheidsstudie indienen. De mogelijkheid bestaat aanvragen gebundeld in te dienen. Aangezien veel aanvragen voor hetzelfde type productie-installatie verwacht worden zal ook de haalbaarheidsstudie per aanvraag binnen de bundel (nagenoeg) hetzelfde kunnen zijn, zodat dit leidt tot reductie van de lasten voor de aanvrager. Uitgaande van 300 subsidieaanvragen worden de totale kosten voor de indiening geraamd op € 123.480.

  • Indien SDE+ subsidie wordt aangevraagd voor productie-installaties waarvan de locatie vooraf nog niet bekend is of, als de locatie wel bekend is, de benodigde vergunningen niet afgegeven zijn, wordt de SDE-subsidie verleend onder de opschortende voorwaarde van het tekenen van een uitvoeringsovereenkomst door de subsidieontvanger. Deze uitvoeringsovereenkomst bepaalt dat de subsidieontvanger aan de Staat financiële zekerheid moet stellen. Deze financiële zekerheid wordt gesteld in de vorm van een bankgarantie. Omdat in de bijlage bij deze regeling een standaard uitvoeringsovereenkomst plus standaard bankgarantie is gevoegd, levert dit geringe nalevingskosten op voor de aanvrager. De totale lasten voor de uitvoeringsovereenkomst en bankgarantie worden geraamd op € 57.600.

  • Binnen een jaar na ingebruikname van de productie-installatie dient een overzicht van de daadwerkelijke investeringskosten en de (te) ontvangen steun te worden overlegd. Uitgaande van 200 subsidieverleningen worden deze kosten geraamd op € 12.000.

Jaarlijks:

  • Kenmerkend voor de subsidieverlening op grond van de SDE is dat er voor een lange periode subsidie wordt verleend. De jaren na de realisatie van de productie-installatie wordt iedere maand, op basis van een jaarlijkse aanvraag, automatisch een voorschot uitgekeerd. Voor het vaststellen van het voorschotbedrag dient de aanvrager (voor het betreffende jaar) een subsidievoorschot aan te vragen onder opgave van de productieraming voor het betreffende kalenderjaar.

    Uitgaande van 200 subsidieverleningen worden deze kosten geraamd op € 96.000 voor de gehele subsidielooptijd.

Totale lasten:

Het voorgaande leidt tot het volgende globale beeld van de regeldruk.

De totale administratieve lasten voor alle aanvragen onder deze regeling bedragen hiermee € € 123.480 + € 12.000 + € 96.000 = € 231.480.

De totale nalevingskosten bedragen € 57.600.

De totale regeldruk is € 231.480 + € 57.600 = € 289.080.

Het percentage regeldruk, afgezet tegen het opengestelde subsidieplafond van € 150 miljoen bedraagt daarmee 0,19%.

6. Inwerkingtreding

De onderhavige openstellingsregeling treedt in werking met ingang van 1 juli 2017. De aanvraagperiode start vervolgens op 4 juli 2017.

Hiermee wordt in zoverre afgeweken van het kabinetsbeleid inzake vaste verandermomenten voor regelgeving, dat wel wordt vastgehouden aan het uitgangspunt dat ministeriële regelingen in beginsel alleen inwerkingtreden per 1 januari, 1 april, 1 juli of 1 oktober, maar wordt niet de gebruikelijke termijn van publicatie tenminste twee maanden voor inwerkingtreding gehanteerd. Vasthouden aan die termijn zou evenwel onwenselijk zijn, gelet op de voordelen die deze regeling met zich meebrengt, zowel voor de bedrijven die subsidie kunnen ontvangen op grond van deze regeling als voor het behalen van de doelstelling voor de productie van hernieuwbare energie.

II. Artikelen

Artikel 2

Op grond van het eerste lid, worden twee categorieën aangewezen: monomestvergisters die hernieuwbaar gas produceren en monomestvergisters die een combinatie van hernieuwbare warmte en elektriciteit produceren. De levering van alleen warmte is uitgesloten van deze regeling aangezien deze optie een substantieel lager basisbedrag dan 12,5 eurocent per kWh kent en dus al via de reguliere SDE+ in aanmerking kan komen voor subsidie.

Er wordt geen onderscheid gemaakt naar het soort dierlijke mest. Dit betekent dat alle typen mest zijn toegestaan. Het is niet toegestaan om co-producten toe te voegen aan de mest.

Op basis van het tweede lid, kan subsidie worden verleend voor productie-installaties die geheel of gedeeltelijk bestaan uit gebruikte materialen. De bestaande voorzieningen zoals mestsilo’s op boerderijen kunnen hiermee worden ingezet voor monomestvergistingsinstallaties. Het draagt bij aan innovatieve concepten die hergebruik mogelijk maken en daarmee kosten besparen. Door de tendersystematiek en het maximale tenderbedrag dat ruim onder het door ECN geadviseerde basisbedrag ligt is het risico op overstimulering door het gebruik van gebruikte materialen afwezig. De eis van een minimaal nominaal elektrisch vermogen van 20% is opgenomen om te garanderen dat systemen gebouwd worden die voldoende elektriciteit kunnen produceren. Op deze manier zijn ze voldoende onderscheidend van de systemen die enkel warmte kunnen leveren.

Artikel 5

Met het eerste lid wordt het gebundeld aanvragen van subsidie toegestaan. Als diverse aanvragen worden gebundeld, is ingevolge artikel 36, eerste lid, en artikel 51, eerste lid, van het Besluit SDE het opgegeven tenderbedrag van toepassing op alle aanvragen die deel uitmaken van de gebundelde aanvraag. Dit impliceert, gezien de verschillende in artikel 6 opgenomen tenderbedragen, dat in een gebundelde aanvraag enkel aanvragen van eenzelfde categorie kunnen worden gebundeld. Het gebundeld aanvragen wordt mogelijk gemaakt vanwege twee redenen. Het biedt de aanvrager de mogelijkheid om aan te geven dat hij alleen een positieve beschikking wil ontvangen als alle aanvragen uit de bundel positief beschikt kunnen worden. Daarnaast kan het ook zorgen voor verminderde administratieve lasten aangezien één bankgarantie afgegeven kan worden voor de gehele bundel. Overigens heeft bundeling geen effect op het aantal aanvragen dat moet worden ingediend. Voor elke aanvraag in een bundel moet een afzonderlijke aanvraag worden ingediend.

Het is niet wenselijk dat op één plek meerdere kleine vergisters worden geplaatst in plaats van een grotere vergister die al concurrerend is binnen de reguliere SDE+. Vandaar dat in het tweede lid de verplichting is opgenomen dat per adres slechts één productie-installatie op basis van deze regeling wordt gerealiseerd. Het gaat hier om productie-installaties als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de regeling, dus om productie-installaties die ingevolge deze regeling subsidie krijgen. Monomestvergistingsinstallaties die al op het bedrijf aanwezig zijn of die op een andere grondslag subsidie krijgen, worden niet bij de beoordeling in het kader van het tweede lid betrokken.

Artikel 6

In de Algemene uitvoeringsregeling is opgenomen dat een aanvraag voor een productie-installatie met een vermogen groter dan 0,5 MW vergezeld moet gaan van een haalbaarheidsstudie. Dit geldt ook als meer dan één aanvraag binnen dezelfde openstellingsronde van dezelfde aanvrager een gezamenlijk vermogen hebben groter dan 0,5 MW. In afwijking van deze hoofdregel is in dit artikel opgenomen dat in alle gevallen een haalbaarheidsstudie bij de aanvraag moet worden gevoegd. Op basis van deze haalbaarheidsstudie kan onder meer worden beoordeeld of een project haalbaar is met het aangevraagde tenderbedrag.

Het tweede lid maakt het mogelijk aanvragen in te dienen voor productie-installaties waarvan nog niet bekend is waar ze zullen worden geplaatst. Dit betreft een mogelijkheid, geen verplichting. Als de aanvraag wordt ingediend zonder locatie moet een uitvoeringsovereenkomst met de Staat der Nederlanden worden afgesloten en een bankgarantie worden overgelegd.

In alle gevallen dient bij de aanvraag een haalbaarheidsstudie te worden bijgevoegd met een energie-opbrengstberekening, een exploitatieberekening en een financiële onderbouwing.

In het geval dat een aanvrager meerdere aanvragen indient voor productie-installaties op nog nader te bepalen locaties is het uitdagend om binnen de verkorte realisatietermijn deze locaties te vinden en de benodigde vergunningen tijdig te realiseren. Bij de beoordeling van deze aanvragen op haalbaarheid is het dus van belang dat de aanvrager voldoende kan onderbouwen dat hij ook in staat is deze locaties vast te leggen. Dit kan bijvoorbeeld door aannemelijk te maken dat hij reeds voorbereidingen hiervoor heeft getroffen, het aannemelijk maken van toegang tot ondernemers uit de sector die overeenkomt met zijn type installatie uit de aanvraag en de voorgenomen activiteiten die moeten leiden tot het vinden van de locaties. De uitgebreidheid van dit plan moet hierbij in relatie staan tot het aantal installaties waarvoor subsidie wordt aangevraagd.

Dit geldt ook voor installaties waarvan de locatie al wel bekend is maar waarvoor nog geen vergunningen zijn verleend. Dit is geregeld in het derde lid.

Artikel 8 en 9

Ingevolge het eerste lid van artikel 8 worden aanvragen gerangschikt op prijs. Ingevolge artikel 9 zijn voor de twee categorieën productie-installaties die onder deze openstellingsregeling zijn opengesteld, de maximale tenderbedragen vastgesteld. Om de tenderbedragen toch binnen één subsidieplafond te kunnen rangschikken, is in artikel 8, tweede lid, een omrekenfactor van 0,706 opgenomen. In tegenstelling tot hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte telt hernieuwbaar gas niet volledig mee voor de Europese hernieuwbare energie doelstelling. Per land is een factor vastgesteld die het gemiddelde conversierendement en het niet energetisch finale gebruik van hernieuwbaar gas weerspiegelt. In Nederland telt een percentage van 78,5% van het in het gasnet ingevoede hernieuwbare gas mee voor de hernieuwbare energie doelstelling. Binnen de monomestvergistingsregeling concurreren de energiedragers elektriciteit, warmte en gas met elkaar. Omdat hernieuwbaar gas voor 78,5% van de onderste verbrandingswaarde meetelt in de doelen voor hernieuwbare energie, wordt er voor de vergelijking van de tenderbedragen een correctie toegepast voor hernieuwbaar gas. Aangezien hernieuwbaar gas verhandeld wordt op basis van bovenwaarde en het tenderbedrag ook op basis van deze bovenwaarde wordt toegepast, komt de uiteindelijke bijdrage lager uit, namelijk op 70,6%. Voor de vergelijking van de tenderbedragen voor de rangschikking wordt daarom het tenderbedrag van hernieuwbaar gas gedeeld door een factor 0,706.

Artikel 11

Ingevolge het tweede lid blijft het budget beschikbaar als aanvragers niet voldoen aan de opschortende voorwaarden van de subsidieverlening (uitvoeringsovereenkomst en bankgarantie). Het geld komt dan beschikbaar voor de eerstvolgende aanvraag in de rangschikking waarvoor nog geen subsidie is verleend.

Artikel 12

Voor aanvragen waarvoor nog geen locatie bekend is, wordt met het eerste lid geregeld dat de aanvrager de adresgegevens voor aanvang van de bouw bekend moet maken. Hiermee kan voorafgaand aan de bouw worden gecontroleerd of er niet meer dan één installatie op één locatie wordt gerealiseerd. Op grond van artikel 5 tweede lid is het namelijk niet toegestaan meer dan één aanvraag voor één locatie in te dienen. Het is de verantwoordelijkheid van de aanvrager dat hij dit bijtijds meldt.

Op basis van het derde lid van dit artikel is de termijn voor ingebruikname van een productie-installatie twee jaar. Dit is korter dan de binnen de reguliere SDE+ gebruikelijke vier jaar. Dit is ingegeven door het belang van realisatie van deze eerste groep vergisters zodat de structurele kostprijsreductie snel kan worden gerealiseerd en ook vervolgprojecten nog een bijdrage kunnen leveren aan de hernieuwbare energiedoelstellingen in 2020 en 2023. Gezien deze verkorte realisatietermijn bestaat niet de verplichting tot het geven van de opdracht voor de bouw binnen één jaar en de jaarlijkse rapportage over de voortgang.

Artikel 13

De subsidie wordt verstrekt over een periode van 12 jaar. Dit sluit aan bij de economische levensduur van biomassa installaties zoals in de reguliere SDE+.

Artikel 15

Dit artikel staat producenten toe de energieproductie over de jaren heen te verrekenen, zoals dat ook bij de reguliere SDE+ is toegestaan. Indien in een jaar minder wordt geproduceerd dan jaarlijks op grond van de beschikking tot subsidieverlening voor subsidie in aanmerking komt, kan het productietekort naar een volgend jaar worden meegenomen. Zo kan gemiste productie alsnog worden geproduceerd en kan gemiste subsidie alsnog worden verkregen. En andersom: als in een jaar meer is geproduceerd dan jaarlijks maximaal voor subsidie in aanmerking komt, kan het productieoverschot worden meegenomen naar een volgend jaar om een eventueel productietekort aan te vullen. Het maximale percentage daarbij is vastgesteld op 25% van de subsidiabele jaarproductie. Zo wordt gewaarborgd dat de installatie nagenoeg de gehele subsidieperiode in productie blijft en niet vroegtijdig wordt stopgezet.

Daarnaast wordt ingevolge dit artikel toegestaan dat producenten van hernieuwbaar gas gebruik maken van een biogashub.

Hernieuwbaar gas mag slechts op het gasnet worden ingevoed, als het voldoet aan de invoedeisen. Het gas dat in monomestvergisters wordt geproduceerd, voldoet niet aan deze invoedeisen, en dient daarom te worden opgewerkt. Met dit artikel wordt mogelijk gemaakt dat producenten een zogenoemde biogashub vormen, waarbij het biogas centraal wordt opgewerkt naar hernieuwbaar gas en vervolgens invoedt op een gasnet. De hoogte van de subsidie wordt op dezelfde manier berekend als de subsidie voor de producent die zelf zorgt voor invoeding van het hernieuwbare gas op een gasnet.

Voorts wordt toegestaan dat producenten van hernieuwbaar gas gebruik maken van een biogashub, die biogas omzet naar warmte en elektriciteit. De hoogte van de subsidie wordt op dezelfde manier berekend als de subsidie voor de producent die hernieuwbare elektriciteit en warmte produceert.

Tot slot wordt mogelijk gemaakt dat een producent van hernieuwbare elektriciteit en warmte ook subsidie krijgt op zijn eigen verbruik. Bij het gebruik van warmte gelden daarbij de criteria die gesteld worden voor het nuttig toepassen van warmte zoals is vastgelegd in de Regeling garanties van oorsprong. Zo is bijvoorbeeld de benutting van de warmte voor het verwarmen van de vergistingsinstallatie zelf niet subsidiabel.

Artikel 16

Ingevolge de artikelen 39, eerste lid, en 54, eerste lid, van het Besluit SDE wordt het tenderbedrag elk kalenderjaar gecorrigeerd met de elektriciteitsprijs en de waarde van de garanties van oorsprong. De correctiebedragen worden jaarlijks voor april vastgesteld voor het voorgaande kalenderjaar. Ten behoeve van de bevoorschotting worden echter jaarlijks voor 1 november voorlopige correcties voor het volgende kalenderjaar vastgesteld. In deze regeling worden de correctiebedragen ten behoeve van de bevoorschotting vastgesteld omdat deze na 1 november van het voorafgaande jaar is gepubliceerd. Daarmee wordt invulling gegeven aan artikelen 39, vijfde lid, en 54, vijfde lid, van het Besluit SDE. Dit zijn de bedragen waarmee het tenderbedrag ten behoeve van de bevoorschotting zou worden gecorrigeerd, indien er in 2017 productie plaatsvindt en voorschotten worden uitgekeerd.

De Minister van Economische Zaken, H.G.J. Kamp


X Noot
1

Intern uurtarief accountants conform bijlage 5 van Handboek meting regeldruk.