Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Infrastructuur en MilieuStaatscourant 2016, 65496Besluiten van algemene strekking

Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, van 28 november 2016, nr. IENM/BSK-2016/190978, tot wijziging van de Activiteitenregeling milieubeheer en de Regeling omgevingsrecht met name in verband met reparaties van de vierde tranche wijziging en tot intrekking van de Regeling kleiduivenschieten milieubeheer

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu,

Gelet op artikel 9.2.2.1, derde lid, van de Wet milieubeheer, artikel 3 van het Besluit kleiduivenschieten milieubeheer en de artikelen 1.1, derde lid, 1.7, eerste en tweede lid, 2.3b, tweede lid, 3.14, vijfde lid, 3.19, onderdeel a, 3.30, 3.54b, 3.144, eerste lid, 3.158, 3.161, 3.162, 4.5 en 4.103 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 5.4, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht;

BESLUIT:

ARTIKEL I

De Activiteitenregeling milieubeheer wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1.2, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In de begripsomschrijving van ‘BRL 2307’ wordt ‘2003’ vervangen door: versie van 27 mei 2008 en het wijzigingsblad van 31 december 2014.

2. De begripsomschrijving van ‘BRL K910’ wordt vervangen door:

BRL K910: BRL K910/01, Beoordelingsrichtlijn voor het Productcertificaat voor lekdetectiesystemen bedoeld voor de opslag en/of transport van vloeibare/gasvormige producten, Kiwa N.V. Certificaten en Keuringen, versie 2002-10-01;

3. De begripsomschrijvingen van ‘NEN 6961’ en ‘NEN-EN 14214’ vervallen.

4. Er worden drie begripsomschrijvingen ingevoegd in de alfabetische rangschikking, luidende:

NEN-EN-IEC 61400-1: NEN-EN-IEC 61400-1:2005 + A1:2010: Windturbines – Deel 1: Ontwerpeisen;

NEN-EN-IEC 61400-3: NEN-EN-IEC 61400-3:2009: Windturbines – Deel 3: Ontwerpeisen voor offshore windturbines;

NPR-CEN/TS 13649: NPR-CEN/TS 13649:2014: Emissies van stationaire bronnen – Bepalingen van de massaconcentratie van individuele gasvormige organische componenten – Geactiveerde koolstof en vloeistofmethode;.

5. De begripsomschrijving van ‘NEN-EN-IEC 61400-2’ komt te luiden:

NEN-EN-IEC 61400-2: NEN-EN-IEC 61400-2:2014: Windturbines – Deel 2: Kleine windturbines;.

6. De begripsomschrijving van ‘NEN-EN-ISO 2813’ komt te luiden:

NEN-EN-ISO 2813: NEN-EN-ISO 2813:2014: Verven en vernissen – Bepaling van de glans (spiegelende reflectie) van niet-metallieke verflagen onder 20 graden, 60 graden en 85 graden (ISO 2813:2014, IDT);.

7. De begripsomschrijving van ‘NTA 7379’ komt te luiden:

NTA 7379: NTA 7379:2014: Richtlijnen ‘Predictive Emission Monitoring System’ (PEMS) – Realisatie en kwaliteitsborging;.

8. De begripsomschrijving van ‘PGS 9’ komt te luiden:

PGS 9: Richtlijn PGS 9, getiteld ‘Cryogene gassen: opslag van 0,125 m3 – 100 m3’, zoals gepubliceerd op www.publicatiereeksgevaarlijkestoffen.nl, PGS 9:2014 versie 1.0 (april 2014);.

9. De begripsomschrijving van ‘PGS 23’ komt te luiden:

PGS 23: Richtlijn PGS 23, getiteld ‘LPG: vulstations voor flessen en ballonvaarttanks’, zoals gepubliceerd op www.publicatiereeksgevaarlijkestoffen.nl, PGS 23:2013 versie 1.0 (december 2013);.

B

In artikel 1.3a wordt ‘3.14, tweede lid’ vervangen door: 3.14, derde lid.

C

In artikel 1.3b, tweede lid, wordt ‘artikel 2.5, zesde lid, van het besluit’ vervangen door: artikel 2.5, zevende lid, van het besluit.

D

In artikel 2.13 wordt tabel 2.13 vervangen door tabel 2.13 zoals opgenomen in bijlage 1 bij deze regeling.

E

Artikel 2.22 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid, onderdeel a, onder 12°, wordt ‘NEN-EN 13649’ vervangen door: NPR-CEN/TS 13649.

2. Na het vijfde lid wordt een zesde lid toegevoegd, luidende:

  • 6. Bij het uitvoeren van handelingen als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, onder 12, kan tot 1 juli 2018 NEN-EN 13649 worden toegepast.

F

Artikel 3.4e wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt ‘op een afstand van ten minste 30 meter van elkaar’ vervangen door: die zich bevinden maximaal om de 30 meter.

2. In het vijfde lid wordt ‘op een afstand van ten minste 30 meter van elkaar’ vervangen door: maximaal om de 30 meter.

G

Artikel 3.14 wordt als volgt gewijzigd:

1. De opsomming in het eerste lid komt te luiden:

  • a. NEN-EN-IEC 61400-1;

  • b. NEN-EN-IEC 61400-2;

  • c. NEN-EN-IEC 61400-3.

2. Onder vernummering van het tweede en het derde lid tot het derde en het vierde lid wordt een lid ingevoegd, luidende:

  • 2. In afwijking van het eerste lid voldoet een windturbine die is opgericht voor 1 januari 2017 of dient ter vervanging van een windturbine die is opgericht voor 1 januari 2017 aan NEN-EN-IEC 61400-2:2006: Europese norm voor Windturbines – Deel 2: Ontwerp eisen van kleine windturbines, september 2006 of aan NVN 11400-0.

3. In het vierde lid (nieuw) wordt ‘eerste en tweede lid’ vervangen door: eerste, tweede en derde lid.

H

Artikel 3.21 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt ‘en 2.3.11 tot en met 2.3.13’ vervangen door: , 2.3.11 en 2.3.13.

2. Het tweede lid komt te luiden:

  • 2. Bij het afleveren van lichte olie zonder toezicht is de vaste afleverinstallatie voorzien van een temperatuurgevoelig element dat voldoet aan voorschrift 2.3.12 van de PGS 28. Het temperatuurgevoelig element wordt eenmaal per twee jaar door een daartoe opgeleid persoon of opgeleide installateur op goede werking gecontroleerd.

I

In artikel 3.21b wordt ‘artikel 6.22b van het besluit’ vervangen door: artikel 3.20a, tweede, derde en vierde lid, van het besluit.

J

In artikel 3.24, zesde lid, wordt ‘artikel 3.23, eerste en tweede lid, zoals die leden luidden tot 1 december 2013, voor zover die leden betrekking hebben’ vervangen door: artikel 3.23, zoals dat luidde voor 1 december 2013, voor zover dat artikel betrekking heeft.

K

Artikel 3.29 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het vijfde lid vervalt.

2. Het zesde lid wordt vernummerd tot het vijfde lid.

L

Artikel 3.35 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het derde lid vervalt.

2. Het vierde tot en met twaalfde lid worden vernummerd tot het derde tot en met het elfde lid.

3. In het negende lid (nieuw) wordt ‘beoordeling’ vervangen door ‘beoordeling, controle, keuring of herkeuring’ en ‘het eerste, vijfde of zevende lid of een controle als bedoeld in het eerste, vierde, achtste, negende lid’ door: het eerste tot en met het zevende lid.

4. In het tiende lid (nieuw) wordt ‘vijfde, zevende lid’ vervangen door: vierde en zesde lid.

M

In artikel 3.36, vierde lid, vervalt: de specifieke elektrische weerstand van de bodem meer bedraagt dan 100 ohmmeter en.

N

Artikel 3.71a wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt ‘is in de vulplaats bij het vullen van gasflessen ten hoogste 300 liter aan gassen in flessen aanwezig’ vervangen door: wordt bij het vullen van gasflessen voldaan aan het tweede tot en met het zesde lid.

2. Het tweede lid komt te luiden:

  • 2. Bij het vullen van gasflessen is ten hoogste 300 liter aan gassen in flessen aanwezig.

3. Er worden vier leden toegevoegd, luidende:

  • 3. Het vullen van gasflessen met een waterinhoud van ten hoogste 5 liter waarbij wordt gevuld uit een gasfles met een maximale waterinhoud van 30 liter voldoet aan de voorschriften 4.1.3 tot en met 4.1.7, 4.1.9, 4.1.11 van de PGS 23.

  • 4. Het vullen van gasflessen als bedoeld in het derde lid vindt plaats op ten minste 5 meter van de erfgrens en op ten minste 15 meter van open vuur.

  • 5. Het vullen van gasflessen anders dan bedoeld in het derde lid voldoet aan de volgende onderdelen van de PGS 23:

    • a. voorschrift 3.3.3;

    • b. paragraaf 3.5;

    • c. paragrafen 4.1.3 tot en met 4.2.3;

    • d. paragraaf 4.3.

  • 6. In afwijking van het vijfde lid kan het bevoegd gezag voor het vullen van gasflessen anders dan bedoeld in het derde lid bij maatwerkvoorschrift andere eisen stellen ten behoeve van het voorkomen van risico's voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico's voor de omgeving, de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen van ongewone voorvallen.

O

Artikel 3.110 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het vierde lid komt te luiden:

  • 4. In afwijking van het tweede en derde lid kan het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift eisen stellen ten aanzien van de constructie en de kogelvanger.

2. De eerste, tweede en derde rij van tabel 3.110 komen te luiden:

 

Vuistvuurwapens en schoudervuurwapens met een kaliber niet groter dan .22 en randvuurmunitie niet zwaarder dan .22 Long Rifle

Vuistvuurwapens met een kaliber tot .45 en overige vuurwapens voorzien van pistoolmunitie met een kaliber tot .45 en historische vuistvuurwapens

Vuistvuurwapens met een kaliber tot .50 en overige vuurwapens voorzien van pistoolmunitie met een kaliber tot .50

Schoudervuurwapens met een kaliber tot .50 en historische schoudervuurwapens

plafond/dak

50 mm beton

of 100 mm gasbeton

of 3 mm staalplaat

100 mm beton

of 150 mm gasbeton

of 5 mm staalplaat

200 mm beton

of 150 mm gasbeton

zijwanden

100 mm metselwerk of kalkzandsteen

of 50 mm beton

of 100 mm gasbeton

of 3 mm staalplaat

100 mm metselwerk of kalkzandsteen

of 100 mm beton

of 150 mm gasbeton

of 5 mm staalplaat

200 mm metselwerk of kalkzandsteen

of 200 mm beton

of 150 mm gasbeton

P

Artikel 3.116 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt na ‘besluit is’ ingevoegd ‘, in het geval van buitenschietbanen, niet zijnde kleiduivenbanen, ‘ en wordt ‘maatregel’ vervangen door: voorziening.

2. Het tweede en derde lid komen te luiden:

  • 2. Een kleiduivenbaan waar met lood- of zinkhagelpatronen wordt geschoten of waar kleiduiven worden gebruikt of voorhanden zijn die de in tabel 3.116 aangegeven stoffen bevatten in concentraties die de daarbij aangegeven waarden te boven gaan, is voorzien van:

    • a. een bodembeschermende voorziening;

    • b. vangnetten of schermen langs het oppervlak waarop de bodembeschermende voorziening is aangebracht, indien delen van patronen of kleiduiven buiten dat oppervlak terecht kunnen komen.

  • 3. Restanten van patronen en kleiduiven die na het kleiduivenschieten achterblijven op een kleiduivenbaan worden periodiek verwijderd.

3. Na het derde lid worden een vierde en vijfde lid toegevoegd, luidende:

  • 4. De controle, het onderhoud en het beheer van de bodembeschermende voorziening, bedoeld in het tweede lid, worden in eenduidige bedrijfsinterne procedures en werkinstructies ter bescherming van de bodem vastgelegd.

  • 5. Artikel 2.4, eerste lid, onder b, is niet van toepassing op een bodembeschermende voorziening als bedoeld in het eerste en tweede lid.

    Tabel 3.116

    Stof

    mg/kg droge stof

    Arseen

    29

    Barium

    160

    Cadmium

    0,8

    Chroom

    100

    Kobalt

    9

    Koper

    36

    Kwik

    0,3

    Lood

    85

    Molybdeen

    3

    Nikkel

    35

    Zink

    140

    polycyclische aromatische koolwaterstoffen*

    10

    * Het gehalte aan polycyclische aromatische koolwaterstoffen wordt berekend als PAK 10 VROM.

Q

Artikel 3.117 wordt als volgt gewijzigd:

1. De eerste rij van Tabel 3.117a komt te luiden:

deel of kenmerk van de schietbaan

Vuistvuurwapens en schoudervuurwapens met een kaliber niet groter dan .22 en randvuurmunitie niet zwaarder dan .22 Long Rifle

vuistvuurwapens met een kaliber tot .50 en overige vuurwapens voorzien van pistoolmunitie en historische vuistvuurwapens

schoudervuurwapens met een kaliber tot .50 en historische schoudervuurwapens

2. De eerste rij van tabel 3.117b komt te luiden:

eigenschap van de onveilige sector

baan met meerdere in halve cirkel gelegen schietposten (skeetbaan)

baan met een of twee rijen naast elkaar gelegen schietposten (trapbaan)

baan met doelen die onder 1,0 m hoogte blijven (hazenbaan)

baan met overige opstellingen van schietposten en doelen.

R

Artikel 4.4a, vierde lid, onderdeel c, komt te luiden:

  • c. brandblusmiddelen voor direct gebruik.

S

In artikel 4.8 komt tabel 4.8 te luiden:

Tabel 4.8

Maximale hoeveelheid gevaarlijke stoffen en CMR-stoffen in verpakking in de verkoopruimte in liters

Nr.

Soort verpakte gevaarlijke stoffen en CMR-stoffen

Woon-, bijeenkomst-, onderwijs-, cel-, gezondheidszorg- en/of logiesfunctie(s) (van derden) boven verkoopruimte

Geen woon-, bijeenkomst-, onderwijs-, cel-, gezondheidszorg- en/of logiesfunctie(s) (van derden) boven verkoopruimte1

   

Opslag ADR klasse 3 zonder lekbak aanwezig

Overige opslag situaties, waaronder ADR klasse 3 in of boven lekbak

Opslag ADR klasse 3 zonder lekbak aanwezig

Overige opslag situaties, waaronder ADR klasse 3 in of boven lekbak

I

Gevaarlijke stoffen en CMR-stoffen in verpakking, exclusief III, maar inclusief II

500

750

1.000

1.500

II

ADR klasse 2 en 3 m.u.v. gebruiksklare ruitensproeiervloeistof met vlampunt > 40°C

Verkoopruimte is brandcompartiment met wbdbo2 tussen woon-, bijeenkomst-, onderwijs-, cel-, gezondheidszorg- en/of logiesfunctie(s) (van derden) ≥ 60 minuten?

300

8004

   

Nee

Ja

Nee

Ja

   
   

753

 

1503,4

3004

   

III

Verfproducten, die als gevaarlijke stoffen volgens het ADR, klasse 3 zijn aangewezen, in metalen verpakking

8.000

1 Indien de verkoopruimte niet onder woon-, bijeenkomst-, onderwijs-, cel-, gezondheidszorg- en/of logiesfunctie(s) (van derden) is gesitueerd gelden de maximale hoeveelheden per brandcompartiment.

2 Weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag.

3 Opslag in een verkoopruimte zonder een weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van minimaal 60 minuten is uitsluitend toegestaan als er sprake is van individuele consumentenverpakkingseenheden met een inhoud van ten hoogste 5 liter.

4 De hoeveelheid gevaarlijke stoffen in verpakking van ADR klasse 3 zoals hier genoemd, wordt in of boven een lekbak geplaatst indien meer dan 5 liter aanwezig is op een stelling. De stelling is maximaal 1.35 meter breed en kan bestaan uit meerdere schappen boven elkaar. Het aantal schappen is voor het hierboven bepaalde niet relevant.

T

Paragraaf 4.1.3.2 komt te luiden:

§ 4.1.3.2. Opslaan van zuurstof, koolzuur, argon, helium of stikstof in een bovengrondse opslagtank

Artikel 4.20.1
  • 1. Ten behoeve van het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan, wordt bij het opslaan van vloeibare koolzuur, argon, helium of stikstof in een bovengrondse stationaire opslagtank met een inhoud van meer dan 300 liter voldaan aan het tweede tot en met het vierde lid.

  • 2. Een opslagtank, bedoeld in het eerste lid, wordt gebruikt volgens de volgende onderdelen van PGS 9:

    • a. voorschriften 3.3.1, 3.3.15;

    • b. voorschrift 3.11.4;

    • c. voorschrift 7.4.5.

  • 3. De opslagtank, bedoeld in het eerste lid, is geplaatst op minimaal de volgende afstand van de erfgrens:

    • a. bij een opslagtank tot en met 10 kubieke meter: 1 meter;

    • b. bij een opslagtank van meer dan 10 kubieke meter: 3 meter.

  • 4. In afwijking van het derde lid, onder b, kan het bevoegd gezag voor een bovengrondse stationaire opslagtank met vloeibare koolzuur, argon, helium of stikstof van meer dan 10 kubieke meter bij maatwerkvoorschrift een kleinere afstand ten opzichte van de erfscheiding voorschrijven.

Artikel 4.20.2
  • 1. Ten behoeve van het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan wordt bij het opslaan van vloeibare zuurstof in een bovengrondse stationaire opslagtank met een inhoud van meer dan 300 liter voldaan aan het tweede tot en met het achtste lid.

  • 2. Een buiten gebruik gestelde stationaire opslagtank wordt druk- en gasvrij gemaakt.

  • 3. Een opslagtank als bedoeld in het eerste lid wordt geplaatst op een ondergrond die uit onbrandbaar materiaal bestaat. Op plaatsen waar kans op verzakking bestaat, is een doelmatige fundering aangebracht. Een eventueel aangebrachte fundering of draagconstructie is vervaardigd uit materiaal dat een brand niet onderhoudt.

  • 4. Een uitpandige bovengrondse stationaire opslagtank met vloeibare zuurstof wordt gebruikt volgens de volgende onderdelen van PGS 9:

    • a. paragraaf 3.2, met uitzondering van paragraaf 3.2.6;

    • b. voorschriften 3.3.1, 3.3.2, 3.3.3 en 3.3.15;

    • c. voorschriften 3.11.4;

    • d. voorschriften 4.1.2 en 4.1.5;

    • e. voorschrift 7.4.5.

  • 5. De inpandige stationaire opslagtank met vloeibare zuurstof wordt gebruikt volgens de voorschriften 3.13.3, 3.13.5 en 3.13.14 van PGS 9.

  • 6. Het bevoegd gezag kan bij maatwerkvoorschrift andere veiligheidsafstanden vaststellen dan die volgen uit het vierde lid, onderdeel a, als een veilige opstelling wordt verkregen door het treffen van bijzondere veiligheidsmaatregelen die voldoen aan paragraaf 3.2.6 van PGS 9.

  • 7. In afwijking van het vijfde lid kan het bevoegde gezag bij maatwerkvoorschrift andere eisen stellen aan de ondergrond van de opslagruimte.

  • 8. Het vierde lid, onderdeel a, is niet van toepassing op een bovengrondse stationaire opslagtank met vloeibare zuurstof die is geïnstalleerd voor [1 januari 2017] als wordt voldaan aan paragraaf 4.3, met uitzondering van voorschrift 4.3.4.2, en paragraaf 4.4 van de Richtlijn PGS 9:1983 (2-2009), getiteld ‘Vloeibare zuurstof; Opslag van 0,45-100 m3’, zoals gepubliceerd op www.publicatiereeksgevaarlijkestoffen.nl.

U

Artikel 4.91 wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de aanhef wordt de aanduiding ‘1.’ geplaatst.

2. Onder a wordt ‘en 2.3.11 tot en met 2.3.13’ vervangen door: , 2.3.11 en 2.3.13.

3. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

2. Bij het afleveren van lichte olie zonder toezicht is de vaste afleverinstallatie voorzien van een temperatuurgevoelig element dat voldoet aan voorschrift 2.3.12 van PGS 28.

V

In artikel 4.104, tweede lid, wordt na ‘verharding’ een zinsnede ingevoegd, luidende: , of een lekbak.

W

In artikel 5.17, derde lid, wordt ‘paragraaf 5.2’ vervangen door: paragraaf 5.1.2.

X

Artikel 5.20, eerste lid, komt te luiden:

  • 1. Het uitvoeren van periodieke metingen en parallelmetingen geschiedt door een rechtspersoon die voor deze verrichtingen geaccrediteerd is door een accreditatie-instantie.

Y

Na het opschrift ‘Afdeling 5.6. Op- en overslag van benzine’ wordt het opschrift ‘paragraaf 5.2.1. Opslaginstallaties’ vervangen door:

§ 5.6.1. Opslaginstallaties

Z

Na artikel 5.44 wordt het opschrift ‘5.2.2. Overslaginstallaties’ vervangen door:

§ 5.6.2. Overslaginstallaties

AA

In artikelen 5.82 en 5.84, eerste lid, wordt ‘artikel 5.67, eerste lid’ vervangen door: artikel 5.79, tweede lid.

BB

Bijlage 9 Rekenvoorschrift buitenschietbanen wordt als volgt gewijzigd:

1. In § 1.2, laatste volzin, wordt ‘als een geluidbelasting onder de 50 dB(A) moet worden vastgesteld’ vervangen door: op basis van de kans dat schietgeluid in een bepaalde juridische beoordelingsperiode gehoord wordt.

2. In § 1.3, eerste volzin, vervalt: via het RIVM.

3. § 3.1 komt te luiden:

3.1 Toepassingsbereik

De rekenmethode die in dit voorschrift is beschreven, is van toepassing voor de berekening van geluidbelastingen die hoorbaar zijn op het waarneempunt. Als er een kans is dat bepaalde bronnen wegvallen in het achtergrondgeluid, dan worden de impulstoeslag (Pimp=12 dB) en de toeslag voor extra laagfrequente componenten in het geluid (Plf(b,m)) bij de berekening van de geluidbelasting, slechts meegenomen voor zover het geluid waarneembaar is op het immissiepunt. In bijlage A is beschreven hoe de deelbijdrage aan de geluidbelasting (LEs, periode, zie formule 3.1) dan op een alternatieve wijze berekend wordt.

4. In het onderschrift van formule 3.1 wordt ‘men een geluidbelasting wil berekenen die kleiner is dan 50 dB(A)’ vervangen door: de kans op hoorbaarheid in een periode van invloed is.

5. In § 3.4, laatste volzin, wordt ‘wordt vanwege het exceptionele karakter van deze activiteiten deze beoordelingsperiode niet meegenomen bij de berekening van de geluidsbelasting’ vervangen door: dan valt dit buiten de algemeen gehanteerde definitie van hinder. Bs wordt dan berekend alsof er in totaal 12 dagen geschoten wordt.

6. Het opschrift van Bijlage A komt te luiden:

BIJLAGE A: METHODE VOOR DE BEREKENING VAN Les, periode BIJ BEPERKTE KANS OP HOORBAARHEID

7. In Bijlage A wordt ‘indien men een geluidbelasting Bs, periodekleiner dan 50 dB(A) wil bepalen’ vervangen door: bij lagere geluidsniveaus.

8. In Toelichting, §1, een na laatste volzin, vervalt: via het RIVM.

9. Toelichting, §2, laatste twee volzinnen, komen te luiden:

Indien er in een jaar op 12 of minder dagen in een bepaalde beoordelingsperiode wordt geschoten, kan de hinder hiervan niet objectief worden vastgesteld, volgens de geldende definities van hinder. Bs wordt dan berekend alsof er in totaal 12 dagen geschoten wordt.

CC

Bijlage 12a Lijst van stoffen, stofklassen en stofcategorieën wordt als volgt gewijzigd:

1. In de aanhef worden ‘emissie-eis’ en ‘emissie eis’ vervangen door: emissiegrenswaarde.

2. De rij met CAS nummer 10486-00-7 komt te luiden:

10486-00-7

perboorzuur (HBO(O2)) natriumzout tetrahydraat

ZZS

zie bijlage 12b

3. De rij met CAS nummer 11113-50-1 komt te luiden:

11113-50-1

natuurlijk ruw boorzuur met een gehalte aan H3BO3 van niet meer dan 85 gewichtspercenten berekend op de droge stof

ZZS

zie bijlage 12b

4. De rij met CAS nummer 123-73-9 komt te luiden:

123-73-9

(2E)-2-butenal

ZZS

MVP 1

5. De rij met CAS nummer 1303-96-4 komt te luiden:

1303-96-4

boraxdecahydraat; dinatriumtetraboraat decahydraat

ZZS

zie bijlage 12b

6. De rij met CAS nummer 1330-43-4 komt te luiden:

1330-43-4

boorzuur dinatriumzout; dinatriumtetraboraat watervrij; boraxdecahydraat; dinatriumtetraboraat decahydraat; boraxpentahydraat; dinatriumtetraboraat pentahydraat

ZZS

zie bijlage 12b

7. Er wordt een rij in de numerieke rangschikking van CAS nummers ingevoegd, luidende:

4170-30-3

2-butenal

ZZS

MVP 1

8. De rij met CAS nummer 630-08-0 komt te luiden:

630-08-0

koolmonoxide (CO) (deze verbinding heeft geen emissiegrenswaarde)

---

---

9. De rij met CAS nummer 7784-40-9 komt te luiden:

7784-40-9

loodarsenaat

ZZS

zie bijlage 12b

10. De rij met CAS nummer 81-15-2 komt te luiden:

81-15-2

musk xyleen; muskus-xyleen; 5-tert-butyl-2,4,6-trinitro-m-xyleen

ZZS

zie bijlage 12b

11. In de alfabetische rangschikking na de rij met CAS nummer 996-35-0 wordt ‘broom en broomverbindingen, berekend als HBr’ vervangen door: broom en broomverbindingen, berekend als HBr1.

12. Aan de tabel wordt een voetnoot toegevoegd, luidende:

1 Gebromeerde brandvertragers zijn uitgezonderd van deze stofgroep, zie aparte vermeldingen op deze lijst.

DD

Bijlage 12b wordt vervangen door Bijlage 12b zoals opgenomen in de bijlage 2 behorende bij deze regeling.

ARTIKEL II

In de Regeling omgevingsrecht wordt de Bijlage: Nederlandse informatiedocumenten over BBT als volgt gewijzigd:

1. De rij die begint met ‘PGS 9: Vloeibare zuurstof: opslag van 0,45-100 m3 en erratum’ komt te luiden:

PGS 9: Cryogene gassen: opslag van 0,125 m3 – 100 m3

april 2014

publicatiereeksgevaarlijkestoffen.nl

2. De rij die begint met ‘PGS 12: Ammoniak: opslag en verlading’ komt te luiden:

PGS 12: Ammoniak: opslag en verlading

april 2014

publicatiereeksgevaarlijkestoffen.nl

3. De rij die begint met ‘PGS 15: Opslag van verpakte gevaarlijke stoffen’ komt te luiden:

PGS 15: Opslag van verpakte gevaarlijke stoffen

december 2012

publicatiereeksgevaarlijkestoffen.nl

4. De rij die begint met ‘PGS 18: Distributiedepots voor LPG’ komt te luiden:

PGS 18: LPG: depots

december 2013

publicatiereeksgevaarlijkestoffen.nl

5. De rij die begint met ‘PGS 19: Opslag van propaan’ komt te luiden:

PGS 19: Propaan en butaan: opslag

oktober 2013

publicatiereeksgevaarlijkestoffen.nl

6. De rij die begint met ‘PGS 23: Propaan, vulstations van propaan- en butaanflessen’ komt te luiden:

PGS 23: LPG: Vulstations voor flessen en ballonvaarttanks

december 2013

publicatiereeksgevaarlijkestoffen.nl

7. De rij die begint met ‘PGS 24: Propaan, vulstations voor spuitbussen met propaan, butaan en dimetylether als drijfgas’ vervalt.

8. De rij die begint met ‘PGS 25: Aardgas-afleverinstallaties voor motorvoertuigen’ komt te luiden:

PGS 25: Aardgas-afleverinstallaties voor motorvoertuigen

december 2012

publicatiereeksgevaarlijkestoffen.nl

9. De volgende rijen vervallen:

Oplegnotitie BREF

   

Oplegnotitie BREF Grote stookinstallaties

oktober 2007

InfoMil.nl

Oplegnotitie BREF Smederijen en gieterijen

juni 2008

InfoMil.nl

Oplegnotitie BREF Keramische industrie

juni 2008

InfoMil.nl

Oplegnotitie BREF Textielindustrie

juni 2008

Helpdeskwater.nl / InfoMil.nl

Oplegnotitie BREF Industriële koelsystemen

februari 2009

Helpdeskwater.nl / InfoMil.nl

Oplegnotitie BREF’s Chemie

juni 2010

Helpdeskwater.nl / InfoMil.nl

Oplegnotitie BREF Emissies uit opslag

december 2010

InfoMil.nl

Oplegnotitie BREF Voedingsmiddelen- en zuivelindustrie

december 2010

InfoMil.nl

ARTIKEL III

De Regeling kleiduivenschieten milieubeheer wordt ingetrokken.

ARTIKEL IV

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2017, met uitzondering van artikel I, onderdeel P, en artikel III, die in werking treden op het tijdstip dat artikel VI van het Besluit tot wijziging van het Activiteitenbesluit milieubeheer en enkele andere besluiten met name in verband met reparaties van de vierde tranche wijziging en tot intrekking van het Besluit kleiduivenschieten milieubeheer in werking treedt.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, S.A.M. Dijksma

BIJLAGE 1 BEHORENDE BIJ DE REGELING TOT WIJZIGING VAN DE ACTIVITEITENREGELING MILIEUBEHEER EN DE REGELING OMGEVINGSRECHT MET NAME IN VERBAND MET REPARATIES VAN DE VIERDE TRANCHE WIJZIGING EN TOT INTREKKING VAN DE REGELING KLEIDUIVENSCHIETEN MILIEUBEHEER

Tabel 2.13

Nummer activiteit tabel 2.28a Besluit

Activiteit

Drempelwaarde (voor oplosmiddelenverbruik in ton/jaar)

Vermenig-vuldigingsfactor jaarlijkse referentie-emissie

Reductie-percentage beoogde emissie

Bijzondere bepalingen

         

In deze tabel wordt onder bestaande oplosmiddeleninstallatie verstaan: oplosmiddeleninstallatie die op 1 april 2002 in werking was.

2

Illustratiediepdruk

>25

4

15% (1)

(1) Reductiepercentage beoogde emissie bestaande oplosmiddeleninstallaties: 20%

3

Rotatiezeefdruk op textiel/karton

>30

1,5

25%

 
 

Andere rotatiezeefdruk

>15

1,5

30%

 
   

>25

1,5

25%

 
 

Andere rotatiediepdruk, flexografie, lamineer- of lakeenheden

>15

4

30%

 
   

>25

4

25%

 

6

Coating van voertuigen (< 15 ton/jaar verbruik oplosmiddelen)

<15

1,5

40%

 
 

Overspuiten van voertuigen

>0,5

3

40%

 

7

Bandlakken

>25

3

10% (2)

(2) Reductiepercentage beoogde emissie bestaande oplosmiddeleninstallaties: 15%

8

Andere coatingprocessen

>5

   

(3) Rotatiezeefdruk op textiel valt onder activiteit nr. 3.

 

coating van textiel (3), vezel, film of papier

 

4

40%

 
 

coating in contact met levensmiddelen, coating in lucht- en ruimtevaart

 

2,33

40%

 
 

metaalcoating, kunststofcoating en overige coating

 

1,5

40%

 
 

Andere coatingprocessen

>15

     
 

coating van textiel (3), vezel, film of papier

 

4

25%

 
 

coating in contact met levensmiddelen, coating in lucht- en ruimtevaart

 

2,33

25%

 
 

metaalcoating, kunststofcoating en overige coating

 

1,5

25%

 

10

Coating van hout

>15

4

40%

 
   

>25

4

25%

 

16

Het aanbrengen van een lijmlaag

>5

4

30%

 
   

>15

4

25%

 

BIJLAGE 2 BEHORENDE BIJ DE REGELING TOT WIJZIGING VAN DE ACTIVITEITENREGELING MILIEUBEHEER EN DE REGELING OMGEVINGSRECHT MET NAME IN VERBAND MET REPARATIES VAN DE VIERDE TRANCHE WIJZIGING EN TOT INTREKKING VAN DE REGELING KLEIDUIVENSCHIETEN MILIEUBEHEER

Bijlage 12b

Stoffen die in een andere stofklasse zijn ingedeeld met bijbehorende afwijkende waarden als bedoeld in artikel 1.3b, tweede lid, van deze regeling.

CAS Nummer

Naam

Stof-klasse

Grensmassa

stroom (g/uur)

Emissie

grenswaarde (mg/Nm3)

10043-35-3

boorzuur

MVP 1

51

100-44-7

chloormethylbenzeen; benzylchloride; α-chloortolueen

MVP 2

100

20

10124-43-3

kobaltsulfaat

MVP 1

0,25

0,05

10141-05-6

kobalt(II)dinitraat

MVP 1

2,5

0,5

10190-55-3

loodmolybdaat, berekend als Pb

MVP 1

2,5

0,5

10332-33-9

perboorzuur (HBO(O2)) natriumzout monohydraat

MVP 1

51

10486-00-7

perboorzuur (HBO(O2)) natriumzout tetrahydraat

MVP 1

51

106-94-5

1-broompropaan

MVP 2

500

50

109-86-4

2-methoxyethanol; methyleenglycolmonomethylether; ethyleenglycolmono-methylether; methylglycol

MVP 2

100

20

110-49-6

2-methoxyethylacetaat

MVP 2

100

20

110-80-5

2-ethoxyethanol; ethyleenglycolmono-ethylether

MVP 2

500

50

11113-50-1

natuurlijk ruw boorzuur met een gehalte aan H3BO3 van niet meer dan 85 gewichtspercenten berekend op de droge stof

MVP 1

51

111-15-9

2-ethoxyethylacetaat; ethylglycolacetaat

MVP 2

500

50

11138-47-9

perboorzuur natriumzout

MVP 1

51

117955-40-5

2-methoxypropylacetaat

MVP 2

500

50

12007-00-0

nikkelboride (NiB)

MVP 1

2,5

0,5

12007-01-1

dinikkelboride

MVP 1

2,5

0,5

12007-02-2

trinikkelboride

MVP 1

2,5

0,5

120-12-7

antraceen

MVP 2

51

12040-72-1

perboorzuur natriumzout monohydraat

MVP 1

51

12068-61-0

nikkeldiarsenide

MVP 1

0,25

0,05

12179-04-3

boraxpentahydraat; dinatriumtetraboraat pentahydraat

MVP 1

51

12267-73-1

tetraboordinatriumheptaoxide hydraat

MVP 1

51

12619-90-8

nikkelboride

MVP 1

2,5

0,5

126-99-8

chloropreen; 2-chloor-1,3-butadieen; 2-chloropreen

MVP 2

500

50

127-19-5

N,N-dimethylaceetamide

MVP 2

500

50

12737-30-3

kobaltnikkeloxide

MVP 1

2,5

0,5

1303-00-0

galliumarsenide

MVP 1

0,25

0,05

1303-28-2

arseenpentoxide; diarseenpentaoxide

MVP 1

0,25

0,05

1303-86-2

booroxide; diboortrioxide

MVP 1

51

1303-96-4

boraxdecahydraat; dinatriumtetraboraat decahydraat

MVP 1

51

1327-53-3

arseentrioxide

MVP 1

0,25

0,05

1330-43-4

boorzuur dinatriumzout; dinatriumtetraboraat watervrij; boraxdecahydraat; dinatriumtetraboraat decahydraat; boraxpentahydraat; dinatriumtetraboraat pentahydraat

MVP 1

51

13477-70-8

nikkel(II)arsenaat; trinikkelbis(arsenaat)

MVP 1

0,25

0,05

13517-20-9

perboorzuur (H3BO2(O2)) mononatriumzout trihydraat

MVP 1

51

13814-96-5

loodbis(tetrafluorboraat); loodfluorboraat

MVP 1

2,5

0,5

13840-56-7

orthoboorzuur natriumzout

MVP 1

51

14708-14-6

nikkelbis(tetrafluorboraat)

MVP 1

2,5

0,5

14977-61-8

chromylchloride

MVP 1

2,5

0,5

15120-21-5

natriumperboraat

MVP 1

51

151-56-4

aziridine; ethyleenimine

MVP 2

100

20

15606-95-8

triethylarsenaat

MVP 1

0,25

0,05

1589-47-5

2-methoxypropanol

MVP 2

500

50

18540-29-9

chroom(VI)verbindingen

MVP 1

0,5

0,1

27016-75-7

nikkelarsenide

MVP 1

0,25

0,05

3687-31-8

trilooddiarsenaat

MVP 1

0,25

0,05

37244-98-7

perboorzuur natriumzout tetrahydraat

MVP 1

51

51000-52-3

ethenyl ester van neodecaanzuur

MVP 2

100

20

513-79-1

kobaltcarbonaat

MVP 1

2,5

0,5

58591-45-0

kobaltnikkeldioxide

MVP 1

2,5

0,5

65229-23-4

nikkelboorfosfide

MVP 1

2,5

0,5

68016-03-5

kobaltdimolybdeennikkeloctaoxide

MVP 1

2,5

0,5

68-12-2

N,N-dimethylformamide

MVP 2

500

50

68186-89-0

kobaltnikkel grijze periklaas: C.I. Pigment black 25; C.I. 77332

MVP 1

2,5

0,5

70657-70-4

2-methoxypropylacetaat

MVP 2

500

50

71-48-7

kobaltacetaat

MVP 1

2,5

0,5

74646-29-0

trinikkelbis(arseniet)

MVP 1

0,25

0,05

74753-18-7

4,4'-bi-o-toluidine sulfaat; 3,3'-dimethylbenzidine sulfaat; 3,3'-dimethyl-[1,1'-bifenyl]-4,4'-diamine sulfaat

MVP 2

100

20

75113-37-0

di-µ-oxo-di-n-butylstannio-hydroxyboraan; dibutyltinhydrogeenboraat; dibutyltinwaterstofboraat

MVP 2

100

20

7632-04-4

natriumperoxometaboraat

MVP 1

51

7646-79-9

kobaltchloride; kobaltdichloride

MVP 1

0,25

0,05

7778-39-4

arseenzuur; zouten van arseenzuur

MVP 1

0,25

0,05

7778-44-1

calciumarsenaat

MVP 1

0,25

0,05

7784-40-9

loodarsenaat

MVP 1

0,25

0,05

78-79-5

isopreen

MVP 2

100

20

79-01-6

trichlooretheen; trichloorethyleen; TRI

MVP 2

500

50

79-16-3

N-methylacetamide

MVP 2

500

50

79-94-7

tetrabroombisfenol A

MVP 2

51

81-15-2

musk xyleen; muskus-xyleen; 5-tert-butyl-2,4,6-trinitro-m-xyleen

MVP 2

51

84-69-5

di(2-methylpropyl)ftalaat; diisobutylftalaat; di-iso-butylftalaat; DIBP

MVP 2

100

20

872-50-4

N-methyl-2-pyrrolidon; 1-methyl-2-pyrrolidon

MVP 2

500

50

95-53-4

o-toluidine; 2-aminotolueen; 2-methylbenzeenamine; zouten van o-toluidine; zouten van 2-aminotolueen; zouten van 2-methylbenzeenamine

MVP 2

100

20

98-07-7

benzotrichloride; trichloormethylbenzeen

MVP 2

100

20

98-95-3

nitrobenzeen

MVP 2

100

20

loodalkylen

MVP 1

100

20

cadmium en cadmiumverbindingen

MVP 1

0,25

0,05

kobaltlithiumnikkeloxide

MVP 1

2,5

0,5

lood en anorganische loodverbindingen, berekend als Pb

MVP 1

2,5

0,5

nikkel en nikkelverbindingen, berekend als Ni

MVP 1

2,5

0,5

organotinverbindingen; tinverbindingen organisch

MVP 2

100

20

1: Voor deze stof geldt:

a) Alle bronnen in de inrichting mogen afzonderlijk ten hoogste 5 mg/Nm3 emitteren, indien de massastroom van een stof of de som van de onder normale procesomstandigheden gedurende één uur optredende massastromen van stoffen binnen deze stofklasse vanuit al die puntbronnen, groter of gelijk is aan 200 gram per uur. Indien voor een bron geen filtrerende afscheider kan worden toegepast, emitteert deze bron afzonderlijk niet meer dan 20 milligram per normaal kubieke meter;

of

b) Alle bronnen in de inrichting mogen afzonderlijk ten hoogste 20 mg/Nm3emitteren, indien de massastroom van een stof of de som van de onder normale procesomstandigheden gedurende één uur optredende massastromen van stoffen binnen deze stofklasse vanuit al die puntbronnen, kleiner is dan 200 gram per uur.

TOELICHTING

Algemeen

1. Inleiding

Deze wijzigingsregeling bevat ten eerste een wijziging van de Activiteitenregeling milieubeheer (hierna: Activiteitenregeling) en de Regeling omgevingsrecht (hierna: Mor) ter correctie van omissies en onduidelijkheden van de zogenaamde ‘vierde tranche wijziging’ van deze regelingen. Deze regeling herstelt deze onjuistheden, waarbij nadrukkelijk geen inhoudelijke aanpassingen zijn beoogd ten opzichte van de bedoelingen van de wetgever van de vierde tranche en ten opzichte van wat inhoudelijk destijds met alle betrokken is afgestemd. Ten tweede wordt met deze wijzigingsregeling de actualisatie van verschillende private normen verwerkt, waar in de Activiteitenregeling en de Mor naar verwezen wordt. Ten slotte wordt het kleiduivenschieten onder de werking van de Activiteitenregeling gebracht.

De actualisatie van NEN-normen, de aanpassing van een aantal verwijzingen naar het Activiteitenbesluit milieubeheer (hierna: Activiteitenbesluit) en de wijzigingen die verband houden met de regulering van het kleiduivenschieten hangen samen met het Besluit tot wijziging van het Activiteitenbesluit milieubeheer en enkele andere besluiten met name in verband met reparaties van de vierde tranche wijziging en tot intrekking van het Besluit kleiduivenschieten milieubeheer (hierna: wijzigingsbesluit). De overige wijzigingen hebben een zelfstandig karakter.

2. Inhoud van de regeling

De reparaties in deze regeling zien met name op een juiste verwerking van de vierde tranche wijziging van de Activiteitenregeling (Stcrt. 2015, 29035). Vanuit de wens om te komen tot vereenvoudiging van regelgeving en vermindering van administratieve en bestuurslasten, wordt sinds 2008 gewerkt aan het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling. In verschillende tranches zijn steeds weer nieuwe activiteiten en bedrijfstakken onder de algemene regels van het Activiteitenbesluit gebracht. De vierde tranche wijziging was de laatste grote wijziging van het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling alvorens de Omgevingswet en de onderliggende regelgeving in werking zullen treden. De aangebrachte wijzigingen in deze wijzigingsregeling houden geen nieuw beleid in ten aanzien van het beleid dat opgenomen is in de vierde tranche wijziging. Bij een groot deel van de reparaties gaat het om tekstuele of wetstechnische verbeteringen die de inhoud van bepalingen verduidelijken.

De actualisatie van de verwijzingen naar BBT-documenten (best beschikbare technieken) komt voort uit toezeggingen aan het parlement en het bedrijfsleven om de milieuregelgeving in lijn te brengen met de praktijk (Kamerstukken II 2013/14, 29 383, nr. 214). De actualisatie vereist eveneens aanpassing van de Mor. Het merendeel van de actualisaties brengt in de praktijk geen grote aanpassingen of kosten met zich mee. In de artikelsgewijze toelichting wordt nader ingegaan op de specifieke wijzigingen.

Door de intrekking van het Besluit kleiduivenschieten milieubeheer en de Regeling kleiduivenschieten milieubeheer vallen de milieuaspecten van het kleiduivenschieten geheel onder het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling. Voorheen was het schieten op kleiduiven met lood- en zinkhagelpatronen verboden tenzij de minister een ontheffing had verleend. De ontheffing kon worden verleend aan topsporters voor het kleiduivenschieten op een specifieke kleiduivenbaan. Momenteel is voor zes topsporters op één baan (Emmer-Compascuum) tot 1 januari 2017 een ontheffing verleend. Tevens was het gebruik van kleiduiven die bepaalde concentraties van bepaalde milieugevaarlijke stoffen bevatten verboden. Aangezien het instrument van de ontheffing echter geen permanente oplossing bood voor de bescherming van de bodem – er ontstond immers geen plicht tot het treffen van bodembeschermende voorzieningen of maatregelen – en tevens geen zekerheid bood voor het op lange termijn voortbestaan in Nederland van de sport op Olympisch niveau, is aansluiting gezocht bij de wijze waarop andere buitenschietbanen gereguleerd zijn. Dit betekent dat er geen verbod meer geldt op de stoffen die in patronen en kleiduiven verwerkt zijn, mits voorgeschreven maatregelen worden getroffen. De betreffende bodembeschermende voorzieningen en de bodembeschermende maatregelen zijn door deze wijzigingsregeling opgenomen in de Activiteitenregeling.

3. Effecten voor bedrijven

Een inschatting van het effect op de inhoudelijke nalevingskosten als gevolg van de wijzigingsregeling is gemaakt aan de hand van de methodiek zoals beschreven in de Handleiding Meten inhoudelijke nalevingskosten bestaande regelgeving. In deze handleiding is sprake van directe kosten van naleving als de naleving van de wettelijke verplichting direct bijdraagt aan de realisatie van het publieke doel. Daaruit is gebleken dat de inhoudelijke nalevingskosten met € 500.000 verminderen als gevolg van het vervallen van het temperatuurgevoelig element bij het afleveren van diesel, zoals in de onderdelen H en U is opgenomen. Zoals beschreven in de nota van toelichting bij het wijzigingsbesluit ten aanzien van het intrekken van het Besluit kleiduivenschieten milieubeheer, zullen hoogstwaarschijnlijk alleen op de kleiduivenbaan in Emmer-Compascuum de gevraagde bodembeschermende voorzieningen en maatregelen worden getroffen. De eenmalige investeringskosten zijn in opdracht van de KNSA geschat op circa € 670.000, de jaarlijkse onderhoudskosten op circa € 5.000–€ 35.000. De overige wijzigingen brengen geen kosten met zich mee.

4. Uitvoering en handhaving

De regeling is voor een handhaafbaarheids-, uitvoerbaarheids- en fraudegevoeligheidstoets voorgelegd aan de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) en Rijkswaterstaat (RWS). Zowel de ILT als RWS hebben aangegeven een toets onnodig te achten vanwege het reparatoire karakter van de regeling en het feit dat de uitvoering en handhaving hiervan voornamelijk bij decentrale overheden is belegd.

5. Consultatie en inspraak

Deze wijzigingsregeling is niet volgens de voor regelingen gebruikelijke procedure op internet ter consultatie aangeboden. Gelet op de bestaande praktijk om de inspraak op een wijziging van de Activiteitenregeling via voorpublicatie in de Staatscourant vorm te geven, en om aan te sluiten bij de wijze waarop de inspraak voor het bovenliggende wijzigingsbesluit is vormgeven, is deze regeling vrijwel gelijktijdig met het wijzigingsbesluit voor inspraak op 1 april 2016 voorgepubliceerd in de Staatscourant. Dit heeft geleid tot een enkele reactie die geen inhoudelijke wijziging vereiste. Daarnaast is de regeling in overeenstemming met de Code interbestuurlijke verhoudingen aangeboden aan de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en het Interprovinciaal Overleg (IPO). Beide hebben aangeven een formele consultatie niet nodig te achten vanwege het reparatoire en beperkt inhoudelijke karakter van de regeling.

Tevens is afzonderlijk uitvoerig overleg gevoerd met de Koninklijke Nederlandse Schiet Associatie (KNSA) over de intrekking van de Regeling kleiduivenschieten milieubeheer en het bovenliggende besluit, en de gevolgen hiervan. Zowel de KNSA als de betrokken kleiduivenbaan hebben aangegeven in te stemmen met de wijzigingen.

6. Notificatie

Het ontwerp van deze wijzigingsregeling is op 7 juli 2016 gemeld aan de Commissie van de Europese Unie (nummer 2016/0336/NL) ter voldoening aan artikel 5, eerste lid, van Richtlijn (EU) 2015/1535 van het Europees Parlement en de Raad van 9 september 2015 betreffende een informatieprocedure op het gebied van technische voorschriften en regels betreffende diensten van de informatiemaatschappij (codificatie) (PbEU 2015, L 241). Er zijn geen reacties op de ontwerpregeling ontvangen.

7. Inwerkingtreding en overgangsrecht

De reparaties en de onderdelen die verbonden zijn met het bovenliggende wijzigingsbesluit zullen op 1 januari 2017 in werking treden, net als de actualisatie van de verwijzingen naar de verschillende private normen. Voor enkele van deze normen is overgangsrecht opgenomen, zodat partijen voldoende tijd hebben om zich hierop voor te bereiden. De Regeling kleiduivenschieten milieubeheer zal, net zoals het bovenliggende besluit, naar verwachting per 1 juli 2017 ingetrokken worden. De verwachting is dat dit de betrokken kleiduivenschietbaan voldoende tijd geeft de benodigde bodembeschermende maatregelen te nemen. De huidige ontheffing zal nog eenmaal verlengd worden tot het moment van inwerkingtreding van deze regeling.

Artikelsgewijs

Artikel I

Onderdeel A

In dit onderdeel worden verwijzingen naar verschillende private normen gewijzigd. De wijzigingen zijn nodig om de normen die gedateerd waren, niet langer ter zake dienend zijn of gewijzigd zijn te actualiseren. Deze wijzigingen hebben, tenzij nadrukkelijk anders vermeld, geen inhoudelijke gevolgen.

BRL 2307 en BRL K910

Met deze wijziging verwijst de Activiteitenregeling naar de meest actuele versies van BRL 2307 en BRL K910. De BRL 2307 beschrijft de kwaliteitscriteria waarmee AVI-bodemas toegepast kan worden in grond- en wegenbouwkundige werken, BRL K910 stelt normen ten aanzien van lekdetectiesystemen.

NEN 6961 en NEN-EN 14214

Met het wijzigingsbesluit zijn de verwijzingen naar NEN 6961 en NEN 14214 vervallen. De Activiteitenregeling wordt hiermee in lijn gebracht.

NEN-EN-IEC 61400-1, NEN-EN-IEC 61400-2, NEN-EN-IEC 61400-3

Deze wijziging is nader uitgewerkt in de toelichting bij onderdeel F.

NPR-CEN/TS 13649

Deze wijziging is nader uitgewerkt in de toelichting bij onderdeel D.

NEN-EN-ISO 2813

Met deze wijziging verwijst de Activiteitenregeling naar de meest actuele versie van de NEN-EN-ISO 2813. Bij de update van deze norm naar versie 2014 is de naam gewijzigd. Inhoudelijk gaat het om kleine aanpassingen en verbeteringen. Zo is bijvoorbeeld het toepassingsgebied uitgebreid waardoor het nu ook mogelijk is om de mate van glans en reflectie van metallic coatings te meten.

NTA 7379

Met deze wijziging verwijst de Activiteitenregeling naar de meest actuele versie van NTA 7379. Met de actualisatie van NTA 7379 is deze Technische Afspraak in overeenstemming gebracht met de gangbare praktijk.

PGS 9 en PGS 23

De verwijzingen naar PGS 9 en PGS 23 zijn aangepast aan actualisatie van de Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen (PGS). Deze reeks is geactualiseerd door werkgroepen van koepelorganisaties zoals de VNG, het RIVM en Brandweer Nederland, alsmede vertegenwoordigers van het bedrijfsleven zoals Land en Tuinbouw Organisatie (LTO)-Glaskracht, de Vereniging Vloeibaar Gas (VVG) en de Vereniging van Fabrikanten van Industriële Gassen (VFIG). Dit heeft geresulteerd in draagvlak bij de betrokken partijen voor de geactualiseerde verwijzingen.

De PGS 9 bevat voorschriften voor de veilige opslag van cryogene gassen, dat zijn gassen die door verkoeling vloeibaar zijn gemaakt. De oude PGS 9 ging alleen over de opslag van vloeibare zuurstof, maar de nieuwe PGS 9 bevat ook voorschriften voor onder andere vloeibaar argon, helium, argon, kooldioxide, stikstof. Deze norm is onder andere relevant voor ziekenhuizen, laboratoria en de chemische industrie.

De PGS 23 bevat voorschriften voor het vullen van gasflessen met propaan en butaan en mengsels daarvan. Professionele vulstations vullen gasflessen doorgaans vanuit opslagtanks en zijn daardoor vergunningplichtig. Het Activiteitenbesluit regelt alleen vulhandelingen vanuit een gasfles naar kleinere gasflessen van maximaal 12 liter. Dit gebeurt vooral bij bedrijven die de kleinere gasfles meenemen voor werkzaamheden, zoals aannemers, lassers, dakdekkers en onkruidbestrijders.

De inhoudelijke gevolgen zijn verder toegelicht in de artikelsgewijze toelichting van onderdeel T voor PGS 9 en van onderdeel N voor PGS 23.

Onderdelen B en C

De verwijzingen in artikel 1.3a en 1.3b, tweede lid, zijn aangepast aan een vernummeringen die plaatsgevonden hebben in het wijzigingsbesluit en deze wijzigingsregeling.

Onderdeel D

De reparaties van tabel 2.13 in artikel 2.13 over oplosmiddelen zijn gerelateerd aan de implementatie van bijlage VII van de Richtlijn industriële emissies.1 Deze richtlijn is per 1 januari 2013 geïmplementeerd in de Nederlandse wet- en regelgeving, waaronder de Activiteitenregeling (Stcrt. 2012, 21373). Het gaat om de Vermenigvuldigingsfactor voor de jaarlijkse referentie emissie en het Reductiepercentage van de beoogde emissie.

Bij de ombouw van het Oplosmiddelenbesluit naar de Activiteitenregeling zijn in tabel 2.13 per abuis twee verschillende Vermenigvuldigingsfactoren (1,5 en 4) voor rotatiezeefdruk vermeld voor het te bedrukken materiaal. Deze factoren hadden beide 1,5 moeten zijn. Door de correctie van de vermenigvuldigingsfactor voor rotatiezeefdruk zijn extra rijen toegevoegd aan de tabel, maar dit heeft geen inhoudelijke gevolgen voor de reductiepercentage voor rotatiezeefdruk.

Het Reductiepercentage beoogde emissie in tabel 2.13 was (bij activiteiten 6, 8 en 10) conform de richtlijn als volgt berekend: de diffuse-emissiegrenswaarde + 15 (voor het hoogste drempelwaarde-interval) en de diffuse-emissiegrenswaarde + 5 (voor het laagste drempelwaarde-interval). Bij activiteit 8 was voor het laagste drempelwaarde-interval ten onrechte uitgegaan van de niet gecorrigeerde Nederlandse vertaling van de EG-VOS-richtlijn. Dit is herstelt bij de integratie van die richtlijn in de richtlijn industriële emissies, maar per abuis nog niet verwerkt in de Nederlandse implementatieregelgeving. De beoogde emissie was foutief berekend doordat een foutief reductiepercentage was gebruikt. Dit dient 40% (25%+15%) te zijn in plaats van 35%. De tabel is hierop aangepast.

Onderdeel E

Met deze wijziging in artikel 2.22 verwijst de Activiteitenregeling naar NPR-CEN/TS 13649:2014, de vervanger van NEN-EN 13649. Deze norm beschrijft de bepaling van de massaconcentratie van individuele gasvormige organische componenten met de geactiveerde koolstof en vloeistofmethode. Deze methode is geactualiseerd en nu vastgelegd in een Technische Specificatie (TS). Hiermee wordt tegemoet gekomen aan de eisen aan monitoring en analyse volgens de Richtlijn Industriële Emissies. Deze wijziging heeft geen gevolgen voor de uitvoeringskosten en administratieve lasten van de bedrijven waarop artikel 2.22 van de Activiteitenregeling van toepassing is. Wel is het mogelijk dat de analyselaboratoria op het moment dat deze wijzigingsregeling van kracht wordt nog volgens de vervangen norm werken. Daarom is een overgangsbepaling opgenomen in het zesde lid. Deze bepaling geeft bedrijven die nog niet volgens de geactualiseerde norm werken 18 maanden de tijd om de werkwijze aan te passen.

Onderdeel F

In het eerste en vijfde lid van artikel 3.4e stond abusievelijk dat de peilbuizen ten minste 30 meter van elkaar moesten liggen. Naar aanleiding van een onderzoek door de Stichting Toegepast Onderzoek Waterbeheer (STOWA) is in 2010 met de RWZI’s afgesproken om de peilbuizen om de 30 meter te plaatsen. Dit is ook zo opgenomen in paragraaf 3.8 van de Handleiding bescherming van de bodem op RWZI’s van het STOWA. De afstand van maximaal 30 meter wordt in de praktijk al gehanteerd, dus overgangsrecht is niet nodig geacht.

Onderdeel G

Met deze wijziging van artikel 3.14 verwijst de Activiteitenregeling naar de meest actuele versies van de NEN-EN-IEC 61400 normen. NVN 11400 was de voorloper van NEN-EN-IEC 61400-1. NEN-EN-IEC 61400-1 is van toepassing voor alle windturbines met een horizontale as. NEN-EN-IEC 61400-2 is van toepassing op kleine windturbines, waarbij klein is gedefinieerd als een rotoroppervlak van maximaal 200 m2 (diameter van 16 meter) en een aansluitspanning van maximaal 1000V gelijkspanning of 1500V wisselspanning. NEN-EN-IEC 61400-3 tenslotte is van toepassing op off shore-windturbines. Dit is een aanvulling op IEC 61400-1, omdat deze standaard (extra) aandacht besteedt aan de condities op zee en de ondersteuningsconstructie. Ten aanzien van windturbines die reeds opgericht zijn op het moment dat deze regeling in werking treedt, of worden opgericht ter vervanging hiervan, kunnen de normen worden toegepast die golden voor de inwerkingtreding van deze wijziging. Dit overgangsrecht is opgenomen in het tweede lid.

Onderdelen H en U

Door de wijziging van artikelen 3.21 en 4.91 is een temperatuurgevoelig element alleen nog verplicht bij het grootschalig afleveren van lichte olie zonder toezicht en niet meer bij het afleveren van diesel. Het temperatuur gevoelig element is bedoeld om de installatie uit te schakelen en de beheerder te waarschuwen als de omgevingstemperatuur te zeer oploopt en er brandgevaar ontstaat. Vanwege het hogere vlampunt van diesel, is bij het afleveren daarvan geen temperatuurgevoelig element nodig.

Onderdeel I

In artikel 3.21b werd verwezen naar artikel 6.22b van het Activiteitenbesluit. Dit artikel is echter per 1 januari 2016 vervallen. Dit onderdeel heeft deze verwijzing gecorrigeerd.

Onderdeel J

In artikel 3.24, zesde lid, is een foutieve verwijzing naar artikel 3.23 gerepareerd.

Onderdeel K

In artikel 3.29 vervalt het vijfde lid. Dit lid maakte de eisen voor tanks van voor 2010 onnodig rigide. De onderlinge veiligheidsafstand tussen niet-vergunningplichtige tanks als bedoeld in het eerste en tweede lid van dit artikel is kleiner dan 5 meter. Gezien deze nieuwe inzichten is het niet meer nodig om voor bestaande tanks een minimale onderlinge veiligheidsafstand van 5 meter aan te houden. De afstand die geldt tussen twee opslagtanks met propaan volgt nu uit de PGS 19 (2013) op grond van het eerste of tweede lid of uit de vorige versie van de PGS 19 (2009) op grond van het vierde lid.

Onderdeel L

Artikel 3.35, derde lid, is vervallen, omdat dit lid leidde tot onduidelijkheid in combinatie met de overige normen en artikelleden over controles. De frequentie van de periodieke keuring is geregeld in het tweede, vijfde en zesde lid (nieuwe nummering). De onderdelen die jaarlijks gecontroleerd moeten worden zijn genoemd in andere leden van artikel 3.35 of in artikel 3.36. Het gaat om de lekdetectie, de aarding en potentiaalvereffening, de kathodische bescherming of een stoomdrukproef en de controle op water en bezinksel. Het negende en tiende lid zijn aangepast aan de hernummering van artikel 3.35.

Onderdeel M

In het vierde lid van artikel 3.36 is een onjuist zinsdeel vervallen. Daardoor wordt duidelijk dat bij ondergrondse stalen opslagtanks zonder kathodische bescherming jaarlijks een stroomopdrukproef moet plaatsvinden als zwerfstromen te verwachten zijn. Dit geldt alleen bij een bodemweerstand van meer dan 100 ohmmeter, want bij een lagere bodemweerstand vereist artikel 3.34, tweede lid, een kathodische bescherming en daarmee is de stroomopdrukproef niet nodig.

Onderdeel N

Dit onderdeel past artikel 3.71a aan. De mogelijkheid om zonder omgevingsvergunning gasflessen van maximaal 12 liter te vullen uit flessen van maximaal 150 liter was vooral bedoeld voor het vullen van zogenaamde karweiflesjes met een vulpijpje. Deze worden veel gebruikt door bedrijven die de gasfles meenemen om op een andere locatie werkzaamheden uit te voeren, zoals lassen, (onkruid)branden, dakdekken. Om te voorkomen dat met deze beperkte set voorschriften ook grotere gasflessen op een andere wijze gevuld worden, is bij de herziening van de PGS 23 gekozen voor een nieuwe indeling van vulstations. Deze nieuwe indeling is overgenomen in de Activiteitenregeling. De meeste bedrijven waarvoor deze activiteit relevant is, vullen kleine gasflesjes (maximaal 5 liter) met een vulpijpje uit flessen van maximaal 30 liter. Daarvoor verwijst het derde lid naar de voorschriften voor type I vulstations. Vergeleken met de oude voorschriften is toegevoegd dat een draagbare poederblusser aanwezig moet zijn. Het vierde lid geeft de bijbehorende veiligheidsafstanden.

Voor alle overige vulhandelingen binnen de werkingssfeer van deze paragraaf, verwijst het vijfde lid naar de strengere voorschriften voor type II vulstations. Deze vulhandelingen betreffen het vullen van doel-flesjes tussen de 5 en 12 liter, het vullen uit bron-flessen tussen 30 tot 150 liter en/of het vullen met een pomp in plaats van een vulpijpje. Omdat deze vulhandelingen buiten de vergunningplichtige vulstations zeer onwenselijk zijn en nauwelijks voor komen, is hiervoor geen overgangsrecht opgenomen. Wel kan het bevoegd gezag op grond van het zesde lid een specifieke situatie bij maatwerk regelen.

Onderdeel O

Dit onderdeel brengt wijzigingen aan in artikel 3.110. Bij het opstellen van de voorschriften voor de binnenschietbanen is het uitgangspunt geweest dat de constructie van een binnenschietbaan zodanig moet zijn dat een op de schietbaan afgevuurde kogel nooit buiten de fysieke begrenzing van de binnenschietbaan kan komen. In de Activiteitenregeling zijn daarom voorschriften opgenomen die onder andere betrekking hebben op de uitvoering van de zijwanden en het plafond dan wel het dak van de binnenschietbaan. De voorschriften vereisen een bepaalde dikte aan metselwerk, kalkzandsteen, beton of gasbeton. De voorgeschreven dikte van het materiaal is afhankelijk van het soort wapen en het kaliber waarmee wordt geschoten.

Door de KNSA is aangegeven dat bij een deel van de binnenschietbanen de zijwanden en het plafond/dak zijn uitgevoerd met staalplaten. Tijdens toezicht van het bevoegd gezag kwam een aantal van deze gevallen aan het licht. De KNSA heeft bij het ministerie een verzoek ingediend tot beoordeling van gelijkwaardigheid van deze constructie. Ter onderbouwing hiervan heeft de KNSA een schiettechnisch onderzoek uit laten voeren waarbij de beproeving van staal is getest op kogelbestendigheid. Uit het onderzoek is het gebleken dat indien met randvuurmunitie .22 Long Rifle wordt geschoten en de zijwanden en het plafond/dak worden bekleed met staalplaten van minimaal 3 mm dit een afdoende bescherming biedt tegen het doordringen van kogels. Bij het schieten met vuistvuurwapens tot een kaliber .45, alsmede vuurwapens voorzien van pistoolmunitie met een kaliber tot .45, geldt dat indien de zijwanden en het plafond/dak worden bekleed met staalplaten van minimaal 5 mm dit een afdoende bescherming biedt tegen het doordringen van kogels. Historische vuistvuurwapens kunnen een groter kaliber hebben dan .45, maar omdat bekend is dat de mondingssnelheid van deze kogels relatief laag is, is een beplating van 5 mm ook geschikt voor het schieten met historische vuistvuurwapens. Het onderzoek bevat geen gegevens over het effect van het beschieten van de verschillende diktes staalplaat met de allerzwaarste kalibers vuistvuurwapens (van kaliber .45 tot .50). Daarom is deze categorie vuistvuurwapens uitgezonderd van het schieten op banen die uitgevoerd kunnen worden met 5 mm staalplaat. Met deze zwaardere wapens kan wel worden geschoten op de baan voor schoudervuurwapens. Met betrekking tot de staalkwaliteit kan gedacht worden aan constructiestaal Fe360 (nieuwe benaming S235JR). Het genoemde schiettechnisch onderzoek en de conclusies daarvan zijn aanleiding geweest de voorschriften voor de binnenschietbanen dienovereenkomstig aan te passen.

Daarnaast leverde de duiding van het toegestane kaliber .22 onduidelijkheid op. Binnen de schietsport wordt deze duiding vaak gehanteerd, en hieronder wordt binnen schietverenigingen doorgaans verstaan dat ‘randvuurmunitie .22 Long Rifle’ wordt gebruikt. Er bestaan naast randvuurmunitie .22 Long Rifle veel andere patronen die ook onder kaliber .22 vallen, zo ook de veel zwaardere centraalvuur kalibers zoals .222, .223 en 22-250. Met het verduidelijken van hetgeen in deze kolom onder .22 moet worden verstaan, wordt voorkomen dat er met te zware munitie kan worden geschoten op deze banen.

Ten slotte is nadrukkelijk in artikel 3.110 opgenomen dat het bevoegd gezag via maatwerkvoorschriften af kan wijken van de opgenomen constructie-eisen. Het maatwerk kent, op grond van de grondslag hiervoor in het Activiteitenbesluit, de eis dat dit enkel is toegestaan indien de constructie dusdanig is dat kogels nooit buiten de fysieke omgeving van de baan kunnen komen.

Onderdeel P

Artikel 3.116 is aangepast vanwege het onderbrengen van kleiduivenschieten onder de werking van het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling. Artikel 3.116, eerste lid, stelt een eis aan de kogelvanger die wordt gebruikt bij buitenschietbanen. Een kogelvanger is een constructie die kogels opvangt die het doel niet geraakt hebben. In het geval van kleiduivenbanen is geen sprake van kogelvangers omdat de schutter met hagel schiet op bewegende doelen. Ter verduidelijking is daarom toegevoegd dat deze eis geen betrekking heeft op kleiduivenbanen. Tevens is het begrip ‘maatregel’ vervangen door ‘voorziening’. Dit is eveneens geen inhoudelijke wijziging maar een reparatie en betreft de bodembeschermende voorziening onder de kogelvanger. Omdat de term bodembeschermende voorziening gebruikt wordt voor fysieke voorzieningen en de term bodembeschermende maatregelen voor organisatorische beheersmaatregelen verdient het begrip voorziening hier de voorkeur.

In artikel 3.116, tweede, derde en vierde lid, staan de nieuwe eisen aan kleiduivenbanen waar met lood- of zinkhagelpatronen wordt geschoten of kleiduiven worden gebruikt die de in tabel 3.116 aangegeven stoffen bevatten in concentraties die de daarbij aangegeven waarden te boven gaan vermeld, namelijk:

  • een bodembeschermende voorziening;

  • vangnetten of schermen langs het terrein waarop de bodembeschermende voorziening is aangebracht indien patronen of kleiduiven buiten dat terrein terecht kunnen komen;

  • periodieke verwijdering van het materiaal dat na het schieten achterblijft op de kleiduivenbaan;

  • het vastleggen van de controle, het onderhoud en het beheer van de bodembeschermende voorziening in eenduidige bedrijfsinterne procedures en werkinstructies ter bescherming van de bodem.

Met een bodembeschermende voorziening wordt voorkomen dat gevaarlijke stoffen kunnen uitlogen naar de bodem door contact met hemelwater. Hierbij kan voor kleiduivenbanen waar met loodhagelpatronen geschoten mag worden, gedacht worden aan geotextiel onder de toplaag van de bodem, asfalt, stelcon platen, en kunstgras. De desbetreffende kleiduivenbaan wordt keuzevrijheid gegeven in het type bodembeschermende voorziening. De noodzaak van het plaatsen van netten hangt af van de omvang van het terrein waarop de bodembeschermende voorziening wordt aangebracht. Als de gehele potentiële valzone van de schietbaan wordt voorzien van een bodembeschermende voorziening, zijn vangnetten niet nodig. Om de kosten van de voorziening te beperken kan er voor worden gekozen om slechts een deel van het terrein hiervan te voorzien, en aan de rand van dat deel vangnetten te plaatsen. In hoeverre dit mogelijk is en welke exacte vormgeving moet worden gekozen, is afhankelijk van de gebruikte patronen en kleiduiven en lokale omstandigheden van de kleiduivenbaan. De frequentie van de periodieke verwijdering van materiaalresten verschilt per type bodembeschermende voorziening en is afhankelijk van de intensiteit van het gebruik. Ten slotte is opgenomen dat de controle, het onderhoud en het beheer van de bodembeschermende voorziening in eenduidige bedrijfsinterne procedures en werkinstructies ter bescherming van de bodem dienen te zijn vastgelegd. Zaken als de frequentie van periodieke verwijdering van loodhagel en de monitoring van de juiste werking en periodieke vervanging van de voorziening zijn voorbeelden van de bedrijfsinterne procedures en werkinstructies.

Artikel 3.116, vijfde lid, verklaart artikel 2.4 eerste lid, onder b, van de Activiteitenregeling niet van toepassing op een buitenschietbaan. De algemene eisen die in hoofdstuk 2 aan bodembeschermende voorzieningen en maatregelen worden gesteld, zijn voor het merendeel niet van toepassing omdat wordt uitgegaan van bodembedreigende vloeistoffen. De eis uit artikel 2.4 dat er geen hemelwater op of in de bodembeschermende voorzieningen terecht kan komen, tenzij het hemelwater regelmatig van of uit de voorziening wordt verwijderd, is voor kleiduivenbanen onuitvoerbaar aangezien kleiduivenschieten plaatsvindt in de buitenlucht. Het voorschrift is voor de overige buitenschietbanen onnodig vanwege de plicht uit artikel 3.116, eerste lid, om een overkapping te plaatsen.

Tabel 3.116 is overgenomen uit de Regeling kleiduivenschieten milieubeheer. Voor de keus van de stoffen en de bijbehorende concentraties wordt verwezen naar de toelichting bij die regeling. Er wordt niet langer een meetmethode voorgeschreven om de genoemde concentraties te meten, om aansluiting bij de best beschikbare technieken mogelijk te maken. De destijds voorgeschreven methoden die hieraan voldoen kunnen uiteraard nog steeds worden toegepast.

Onderdeel Q

Bij de buitenschietbanen werd in de tweede kolom van tabel 3.117a als toegestane kaliber .22 aangegeven. Dit heeft in de praktijk tot onduidelijkheid geleid. Binnen de schietsport wordt deze aanduiding vaak gehanteerd, maar hieronder wordt binnen schietverenigingen doorgaans verstaan ‘randvuurmunitie .22 Long Rifle’. Er bestaan naast randvuurmunitie .22 Long Rifle veel andere patronen die ook onder kaliber .22 vallen, zo ook de veel zwaardere centraalvuurmunitie zoals .222, .223 en 22-250. Met het verduidelijken van hetgeen in deze kolom onder .22 moet worden verstaan, wordt voorkomen dat er met te zware munitie kan worden geschoten op deze banen.

In tabel 3.117b die gaat over de eisen die worden gesteld aan een kleiduivenbaan wordt in de vierde kolom een duiding gegeven van een tweetal type banen die in de categorie banen met doelen die onder 1,0 meter hoogte blijven. Hier werd ook het schieten op ‘lopend varken’ genoemd. Dit is verwijderd uit de tekst, want er wordt niet met hagel of op buitenbanen geschoten op lopend varken. Dit vindt alleen plaats op binnenschietbanen en er wordt dan geschoten met een kogelgeweer.

Onderdeel R

De nieuwe formulering van artikel 4.4a, vierde lid, maakt duidelijk dat brandblusmiddelen niet aan de eisen van de PGS 15 hoeven te voldoen, als ze beschikbaar moeten zijn om een eventuele brand te blussen. Blusmiddelen van ADR-klasse 2 die niet voor direct gebruik beschikbaar hoeven te zijn, zoals bij inrichtingen voor het vullen of keuren van brandblussers, moeten wel worden opgeslagen volgens de eisen van artikel 4.4a.

Onderdeel S

In tabel 4.8 wordt een verkeerd geplaatste voetnoot verplaatst. Voetnoot 4 geeft aan dat in een verkoopruimte alleen een lekbak vereist is bij stellingen vanaf 1.35 meter breed waarop meer dan 5 liter aan ADR klasse 3 stoffen wordt opgeslagen. Voetnoot 4 hoort daarom alleen te staan in de kolommen ‘Overige opslag situaties, waaronder ADR klasse 3 in of boven lekbak’.

Onderdeel T

Dit onderdeel wijzigt paragraaf 4.1.3.2, waarin de opslag van vloeibare zuurstof, koolzuur, argon, helium, stikstof in stationaire bovengrondse opslagtanks wordt geregeld. Dit zijn meestal cryogene gassen, dat wil zeggen dat deze vloeibaar zijn gemaakt door sterke afkoeling.

De belangrijkste wijziging in deze paragraaf is dat wordt verwezen naar de herziene PGS 9 (versie april 2014). Daarbij wordt alleen verwezen naar PGS-voorschriften die primair de veiligheid van de omgeving dienen. Andere aspecten zijn elders geregeld, zoals op grond van de Arboregelgeving en het Bouwbesluit. Vanwege de veelheid aan aanpassingen is de paragraaf in het geheel opnieuw vastgesteld.

De opslag van lucht wordt niet meer geregeld in deze paragraaf, gezien de beperkte risico’s voor de omgeving. Net als voorheen is de opslag van zuurstof, koolzuur, argon, helium, stikstof in mobiele reservoirs niet geregeld in paragraaf 4.1.3.2. Zonodig kan het bevoegd gezag maatwerkvoorschriften stellen op grond van Activiteitenbesluit, artikel 2.1 (zorgplicht), voor activiteiten die wel onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit vallen, maar waaraan geen eisen zijn gesteld.

Artikel 4.20.1

Voor opslagtanks met vloeibare koolzuur, argon, helium en stikstof zijn verschillende artikelleden vervangen door een verwijzing naar PGS 9. Toegevoegd is de eis dat de drukontlasting naar een veilige plaats moet afblazen (PGS 9, voorschrift 3.3.15). Verder zijn de eisen inhoudelijk gelijk gebleven.

Artikel 4.20.2

De externe veiligheidsafstanden in het Activiteitenbesluit zijn ongewijzigd. Wel sluit de regeling nu aan bij de interne veiligheidsafstanden van de herziene PGS 9, die over het algemeen kleiner zijn dan de voorheen geldende afstanden. Omdat niet is uitgesloten dat in een individueel geval de afstand toeneemt, is hiervoor overgangsrecht opgenomen. PGS 9 geeft de mogelijkheid om kortere afstanden aan te houden voor opslagtanks die bestand zijn tegen een hogere warmtestralingsintensiteit dan 10 kW/m2. Bij maatwerkvoorschrift kan het bevoegd gezag ook een kortere afstand toestaan als er bijzondere veiligheidsmaatregelen zijn getroffen als bedoeld in paragraaf 3.2.6 van PGS 9, zoals een brandmuur.

Via PGS 9 voorschrift 4.1.2 is toegevoegd dat er een brandblusser aanwezig moet zijn nabij het vulpunt. Bij opslag binnen bouwwerken regelt het Bouwbesluit dat er blusmiddelen moeten zijn.

Inpandige opslag van vloeibare zuurstof komt bijna niet voor. Mede omdat dit zeer onwenselijk is vanuit het oogpunt van arbeidsomstandigheden en brandbestrijding. Als toch wordt gekozen voor inpandige opslag, dan geeft het vijfde lid daarvoor de veiligheidseisen. Daarbij wordt verwezen naar PGS 9 voorschrift 3.13.3, dat voorschrijft dat de ondergrond bestand moet zijn tegen extreem lage temperaturen, zodat in geval van lekkage de ondergrond niet bezwijkt. Dit betreft een nieuwe eis betreft en het beoogde doel kan ook op andere wijzen bereikt kan worden, waardoor meer toegesneden en doelmatige oplossingen in de concrete situaties denkbaar zijn. Het bevoegd gezag mag daarom bij maatwerk toestaan dat de ondergrond niet bestand is tegen extreem lage temperaturen.

Onderdeel U

De toelichting van dit onderdeel is samengevoegd met de artikelsgewijze toelichting van onderdeel H.

Onderdeel V

De formulering van artikel 4.104, tweede lid, is gelijk getrokken met het eerste lid. Daardoor mogen ook andere textielreinigingmiddelen dan PER worden opgesteld boven een lekbak in plaats van een vloeistofdichte vloer of verharding.

Onderdeel W

In artikel 5.17, derde lid, is een verwijsfout gecorrigeerd.

Onderdeel X

Artikel 5.20, eerst lid, regelt dat periodieke metingen en parallelmetingen worden uitgevoerd door geaccrediteerde meetbureaus en meetdiensten. De verwijzingen naar de artikelen over periodieke en parallelmetingen kloppen echter niet. Met deze reparatie vervallen de verwijzingen. De artikelen over periodieke en parallelmetingen zijn waarvoor deze bepaling relevant is, zijn: 5.11, tweede tot en met vierde lid, 5.12, 5.16, eerste lid, onder b, c en d, en 5.19, eerst lid.

Onderdeel Y en Z

In deze onderdelen zijn fouten in de nummering van paragraaf 5.6.1. en paragraaf 5.6.2. gecorrigeerd.

Onderdeel AA

In de artikelen 5.82 en 5.84 is een verwijsfout gecorrigeerd.

Onderdeel BB

Bijlage 9, waarin het rekenvoorschrift voor buitenschietbanen is opgenomen, is op een aantal punten aangepast. De meeste aanpassingen zijn ter verduidelijking van de uitvoering van het rekenvoorschrift. Daarnaast zijn de verwijzingen naar het RIVM uit het rekenvoorschrift verwijderd omdat het RIVM dit voorschrift niet beheert. Ten slotte is aangegeven hoe moet worden omgegaan met het voorschrift indien minder dan 12 dagen per jaar van een baan gebruik wordt gemaakt. Oorspronkelijk gaf de methode geen uitkomst bij minder dan 12 dagen omdat het uitgangspunt is dat hinder zoals het is benaderd in de beoordelingsmethode gerelateerd is aan langdurende blootstelling aan geluid. Het gevolg zou echter zijn dat in dat geval de methodiek geen enkele getalswaarde oplevert. Door de wijziging levert de methodiek wel een getalswaarde, die in de betreffende context nader beschouwd kan worden.

Onderdelen CC en DD

De bijlagen 12a en 12b bleken een aantal omissies te bevatten, deze zijn in deze wijzigingsregeling hersteld.

Artikel II

In de bijlage bij de Mor worden Nederlandse informatiedocumenten over BBT aangewezen. Het is een lijst van algemeen in Nederland toegepaste richtlijnen die kunnen worden aangemerkt als een adequate en actuele invulling van beste beschikbare technieken, zoals de PGS-richtlijnen. De lijst is geactualiseerd naar aanleiding van het vervallen of herzien van enkele PGS-richtlijnen. Door de PGS-richtlijnen aan te wijzen als BBT documenten, moet met deze PGS-richtlijnen rekening worden gehouden bij vergunningverlening. Daardoor geldt dezelfde stand der techniek voor type B- en type C – inrichtingen. Er wordt verwezen naar geactualiseerde versies van de PGS 9, 12, 15, 18, 19, 13 en 25. PGS 24 is ingetrokken en de verwijzing daarnaar komt te vervallen. Deze richtlijn was sterk verouderd en voldeed niet meer aan de laatste stand van techniek. Omdat er relatief weinig bedrijven onder het bereik van deze PGS vielen is besloten PGS 24 in te trekken.

Tevens vervallen de oplegnotities. Dit was reeds in de vierde tranche wijzigingsregeling beoogd. De oplegnotities gaven de relatie aan tussen de Nederlandse emissie richtlijn lucht (NeR) en de BBT-conclusies. De normatieve delen van de NeR zijn bij de vierde tranche opgegaan in het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling. Volgens de systematiek van het Activiteitenbesluit, afdeling 2.3, gaan BBT-conclusies voor op de emissiegrenswaarden in artikel 2.5 van het besluit. Hierdoor zijn oplegnotities niet langer ter zake dienend.

Artikel III

De Regeling kleiduivenschieten milieubeheer wordt ingetrokken omdat het schieten op kleiduivenbanen onder de werking van het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling valt. Een meer uitgebreide toelichting is te vinden in het algemeen deel van deze toelichting en de Nota van Toelichting bij het wijzigingsbesluit.

Artikel IV

De verschillende onderdelen van de wijzigingsregeling treden op verschillende momenten inwerking. Reparaties van onder meer de vierde tranche wijziging treden in werking gelijk met gerelateerde reparaties in het bovenliggende wijzigingsbesluit. Uitzonderingen op deze algemene regel zijn de aanpassing van BBT-documenten (opgenomen in het tweede lid van dit artikel) en het intrekken van de Regeling kleiduivenschieten milieubeheer (opgenomen in het derde lid van dit artikel). De actualisatie van de verwijzingen naar private documenten zijn voorzien per 1 januari 2017, de bepalingen omtrent het kleiduivenschieten medio 2017. Met een beroep op aanwijzing 174, vierde lid, onderdeel c, van de Aanwijzingen voor de regelgeving wordt voor de inwerkingtreding van de reparaties mogelijk afgeweken van de vaste verandermomenten.

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, S.A.M. Dijksma


X Noot
1

Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) (herschikking) (PbEU 2010 L334)