Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
Ministerie van Veiligheid en JustitieStaatscourant 2016, 30876Adviezen Raad van State

Advies Raad van State inzake het voorstel van wet tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek in verband met de uniformering en de verduidelijking van enkele bepalingen omtrent het bestuur en de raad van commissarissen van rechtspersonen (Wet bestuur en toezicht rechtspersonen)

Nader Rapport

3 juni 2016

Nr. 767948

Directie Wegeving en Juridische Zaken

Aan de Koning

Nader rapport inzake het voorstel van wet tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek in verband met de uniformering en de verduidelijking van enkele bepalingen omtrent het bestuur en de raad van commissarissen van rechtspersonen (Wet bestuur en toezicht rechtspersonen)

Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw kabinet van 23 maart 2016, nr. 2016000543, machtigde Uwe Majesteit de Afdeling advisering van de Raad van State haar advies inzake het bovenvermelde voorstel van wet rechtstreeks aan mij te doen toekomen. Dit advies, gedateerd 1 april 2016, nr. W03.16.0018/II, bied ik U hierbij aan.

Naar aanleiding van het advies wordt het volgende opgemerkt.

1. Algemene regeling

a. Flexibiliteit ten behoeve van stichtingen en verenigingen

De Afdeling advisering steunt het belang van een duidelijk wettelijk kader voor bestuur en toezicht bij de verschillende soorten rechtspersonen. Dat leidt volgens de Afdeling advisering echter niet zonder meer tot de gevolgtrekking dat het noodzakelijk en wenselijk is om de betreffende regels te uniformeren door overbrenging van regels voor de NV en de BV naar de algemene bepalingen van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Het advies vraagt nader toe te lichten welke problemen in de praktijk voorkomen.

Een aantal fundamentele rechtsregels voor bestuur en toezicht is niet, of slechts ten dele, wettelijk vastgelegd. Zo kennen onder meer de vereniging en de stichting geen regeling voor een monistisch bestuursmodel, en ontbreekt voor de stichting een wettelijke grondslag voor de instelling van een raad van commissarissen. Het ontbreken van dergelijke wettelijke basisregels leidt in de praktijk tot rechtsonzekerheid. Hierop is in de literatuur en in de consultatie-reacties ook gewezen.1 De Commissie Behoorlijk Bestuur heeft ook aangedrongen op een nauwkeuriger omschrijving van de taak en de aansprakelijkheid van bestuurders en toezichthouders van instellingen in semipublieke sectoren.2 Verder bestaan er onnodige verschillen tussen de tegenstrijdig-belangregeling voor de NV en de BV en de tegenstrijdig-belangregeling voor de vereniging, de coöperatie en de onderlinge waarborgmaatschappij. De tegenstrijdig-belangregeling voor laatstgenoemde rechtspersonen blijkt in de praktijk bovendien onvoldoende duidelijk te zijn.3 Door bepaalde basisregels op te nemen in de algemene bepalingen van Boek 2 BW wordt beoogd de wettelijke normen beter kenbaar te maken en de rechtszekerheid te vergroten door onnodige verschillen tussen de regelingen voor de verschillende soorten rechtspersonen weg te nemen. Bij de consultatie bleek er voor de meeste onderdelen van de thans voorgestelde regeling aanzienlijke steun te bestaan. Naar aanleiding van het advies van de Afdeling advisering, is het voorgaande in de toelichting verduidelijkt.

De Afdeling advisering adviseert toe te lichten waarom normen die reeds gelden voor bestuur en toezicht van kapitaalvennootschappen, een dermate algemeen karakter hebben dat zij zich lenen voor een ‘rechtsvorm-neutrale toepassing’. De Afdeling advisering wijst er op dat in Boek 2 BW onderscheid is gemaakt tussen enerzijds de gewone vereniging en stichting en anderzijds de commerciële varianten daarvan, waarbij regeling van de laatsten tendeert naar het NV/BV-recht.

Slechts een beperkt deel van de regels voor bestuur en toezicht bij de NV en de BV wordt met dit wetsvoorstel opgenomen in de algemene bepalingen van Boek 2 BW. Het gaat alleen om die regels die toepassing dienen te vinden voor alle rechtspersonen als bedoeld in artikel 2:3 BW. Regels die bedoeld zijn voor een specifieke rechtsvorm, zoals bijvoorbeeld de regels voor ontslag van een stichtingsbestuurder op verzoek van een belanghebbende of het openbaar ministerie, blijven onderdeel van de afzonderlijke regeling voor die betreffende rechtsvorm.

Boek 2 BW maakt nu op een aantal plaatsen onderscheid tussen commerciële en niet-commerciële verenigingen en stichtingen. Dat doet echter niet steeds recht aan de omstandigheid dat het maatschappelijke belang van niet-commerciële activiteiten van stichtingen en verenigingen is in de afgelopen decennia aanzienlijk is gegroeid. Het gaat dan bijvoorbeeld om het gebruik van stichtingen en verenigingen in semipublieke sectoren als de zorg, het onderwijs en de volkshuisvesting, of het gebruik van de stichting door charitatieve instellingen. Dergelijke stichtingen kunnen beschikken over een vermogen dat verkregen is door giften van particulieren. Het maatschappelijke belang vereist dat dergelijke organisaties hun taak adequaat vervullen. Dit heeft ook geleid tot een professionalisering in deze sectoren. Uit de consultatie bleek dat er brede steun bestaat voor het streven naar verbetering van de kwaliteit van bestuur en toezicht. In het licht van deze ontwikkelingen vindt het kabinet dat het noodzakelijk is om niet langer onderscheid te maken tussen commerciële en niet-commerciële rechtspersonen voor de basisregels omtrent bestuur en toezicht van deze rechtspersonen. De taken en verantwoordelijkheden van bestuurders en commissarissen in de semipublieke sectoren en van non-profit instellingen worden daarom op duidelijke wijze in de wet vastgelegd. Daarbij dient bijvoorbeeld de wettelijke regeling van de vereniging dusdanig te zijn dat zij zowel een adequate basis biedt voor een vereniging met omvangrijke commerciële activiteiten, als voor een buurtvereniging of kleine sportvereniging. Het wetsvoorstel voorziet daarin door de basisregels voor deze rechtspersonen duidelijk vast te leggen, zonder daarbij af te doen aan de vrijheid die deze rechtspersonen hebben om hun activiteiten op de door hen gewenste wijze vorm te geven. Voor de meeste van die rechtsregels geldt overigens dat zij – al dan niet op grond van ongeschreven recht – ook nu reeds op die rechtspersonen van toepassing zijn. De toelichting op dit punt is verduidelijkt.

De Afdeling advisering merkt voorts op dat het huidige wettelijke kader flexibel is, en veel ruimte laat voor eigen statutaire regelingen. Deze flexibiliteit zou volgens de Afdeling advisering verminderd worden door de voorgestelde tegenstrijdig-belangregeling en de voorgestelde regeling inzake aansprakelijkheid bij faillissement. Hetzelfde geldt voor de voorgestelde bepalingen met een optioneel karakter, zoals de bepalingen omtrent de mogelijkheid om een raad van commissarissen in te stellen en omtrent de mogelijkheid tot het hanteren van een monistisch bestuurssysteem.

Ook met de voorgestelde regeling behouden rechtspersonen voldoende vrijheid om een nadere statutaire regeling te treffen voor aspecten van bestuur en toezicht. Zo zijn rechtspersonen bijvoorbeeld vrij om in de statuten op te nemen dat er een raad van advies is die het bestuur over bepaalde aangelegenheden adviseert. Verder biedt ook de voorgestelde tegenstrijdig-belangregeling op onderdelen ruimte voor een afwijkende regeling in de statuten. De flexibiliteit van het rechtspersonenrecht is echter niet onbegrensd. De flexibiliteit vindt onder meer haar grens waar regels nodig zijn ter bescherming van de belangen van de rechtspersoon of van derden. Zo dienen bestuurders die ernstig verwijtbaar handelen en zo het faillissement van de rechtspersoon veroorzaken – bijvoorbeeld door te frauderen of door welbewust evident onverantwoorde risico’s te nemen – persoonlijk aansprakelijk gesteld te kunnen worden. Ook de regeling over tegenstrijdig belang dient ter bescherming van de belangen van de rechtspersoon en van derden. Een belangrijk uitgangspunt in het rechtspersonenrecht is immers dat een bestuurder zijn persoonlijke belangen niet mag laten prevaleren boven het belang van de rechtspersoon waarbij hij bestuurder is. Dat geldt zowel voor de bestuurder van een grote, commerciële rechtspersoon, als voor de bestuurder van een kleine vereniging of stichting.

De Afdeling advisering adviseert te verduidelijken hoe het wetsvoorstel zich verhoudt tot bestaande statutaire regelingen op basis waarvan in de praktijk bijvoorbeeld een raad van commissarissen is ingesteld of een monistisch bestuurssysteem wordt gehanteerd.

Het wetsvoorstel doet niet af aan het (voort)bestaan van organen die rechtspersonen op basis van de statuten hebben ingesteld. Zo kent de huidige wettelijke regeling ook reeds een ‘raad van commissarissen’ voor de vereniging, de coöperatie en de onderlinge waarborgmaatschappij (zie onder meer artikelen 2:47, 2:48, 2:49, 2:50a, 2:53a en 2:57 BW). De voorgestelde bepalingen over de raad van commissarissen sluiten ook aan bij hetgeen nu reeds voor de genoemde rechtspersonen geldt. Voor wat betreft de stichting bestaat er thans geen wettelijke grondslag voor het instellen van een raad van commissarissen. Op dit moment is dan ook niet wettelijk vastgelegd wat de juridische status is van een raad van commissarissen bij een stichting. Evenmin is bepaald in hoeverre een dergelijke raad van commissarissen bijvoorbeeld kan ingrijpen in het handelen van het bestuur. De voorgestelde regeling voorziet op dit punt in een wettelijke basisregeling en maakt daarmee een einde aan eventuele onduidelijkheid.

Vooralsnog bestaat er ook geen wettelijke grondslag voor het instellen van een monistisch bestuurssysteem bij een vereniging, coöperatie, onderlinge waarborgmaatschappij of stichting. Met de voorgestelde regeling wordt die wettelijke grondslag alsnog geboden. Voor rechtspersonen die reeds een monistisch bestuurssysteem hanteren, draagt het voorstel daarmee bij aan de rechtszekerheid. Voor rechtspersonen met een ‘dagelijks bestuur’ en een ‘algemeen bestuur’ wordt het recht op dit punt eveneens verduidelijkt. Zo is het ‘dagelijks bestuur’ van een dergelijke rechtspersoon alleen te beschouwen als het bestuur in de zin van de wet, als dat orgaan bevoegd is tot het bepalen van het dagelijkse beleid en de strategie van de rechtspersoon en het zijn taak in beginsel autonoom vervult. In de toelichting bij artikel 2:11 van het voorstel wordt daar nader op ingegaan.

b. Verhouding tot sectorspecifieke wetgeving

De Afdeling advisering vraagt te verduidelijken wat de verhouding is tussen het wetsvoorstel en een aantal sectorspecifieke regelingen omtrent bestuur en toezicht. De Afdeling advisering merkt op dat in sectorspecifieke wetgeving een toezichthoudend orgaan meestal is voorgeschreven, de keuze voor een monistisch systeem wordt uitgesloten of vrijgelaten, en de norm voor taakvervulling van bestuurders en commissarissen dikwijls nader is omschreven.

Met de voorgestelde wijzigingen wordt de regeling van rechtspersonen in Boek 2 BW aangevuld en verduidelijkt, waardoor deze beter bruikbaar wordt als basisregeling waarop in sectorspecifieke regelgeving kan worden voortgebouwd. Een voorbeeld hiervoor biedt de regeling van de per 1 juli 2014 in werking getreden Wet versterking bestuur pensioenfondsen. Op grond van deze wet kan bijvoorbeeld een stichting die tevens een pensioenfonds is, een monistisch bestuursmodel hanteren (zie artikelen 99, 101a Pensioenwet). Een ander voorbeeld biedt het wetsvoorstel tot wijziging van een aantal onderwijswetten in verband met de versterking van de bestuurskracht van onderwijsinstellingen. Uit de memorie van toelichting bij dat wetsvoorstel blijkt dat met de voorgestelde regeling wordt aangesloten bij de in het voorliggende voorstel opgenomen basisregels voor taakvervulling en aansprakelijkheid van bestuurders en commissarissen.4 Met deze opzet wordt de consistentie en de toegankelijkheid van de wetgeving bevorderd. Bovendien wordt zo voorkomen dat onderwerpen ten onrechte ongeregeld blijven. Hetzelfde geldt voor de sectorspecifieke regelgeving voor zorginstellingen. Ook deze is geënt op de regeling van rechtspersonen uit Boek 2 BW.5

Voor zover de voorgestelde basisregeling noopt tot aanpassing van bijzondere wetten, wordt daarin met artikelen III t/m XIV van dit wetsvoorstel voorzien. Voor het overige brengt dit voorstel geen wijziging in hetgeen in bijzondere wetgeving voor specifieke sectoren is bepaald.

c. Opportuniteit

De Afdeling advisering wijst er op dat enkele onderdelen van het voorstel ontleend zijn aan de regeling die met de Wet bestuur en toezicht geïntroduceerd zijn voor de NV en de BV.6 Het betreft de voorgestelde norm voor de taakvervulling door bestuurders en commissarissen en de voorgestelde regelingen over tegenstrijdig belang en het monistisch bestuurssysteem. De Afdeling advisering wijst op de toegezegde evaluatie van die wet na drie jaar en informeert naar het risico dat de thans voorgestelde wettelijke regeling op korte termijn alweer gewijzigd zou moeten worden. De Afdeling advisering adviseert om, in elk geval voor wat betreft de genoemde punten, de evaluatie af te wachten.

De Wet bestuur en toezicht is in werking getreden op 1 januari 2013. Inmiddels hebben NV’s en BV’s dan ook ruim drie jaar ervaring opgedaan met de wijzigingen die door deze wet zijn geïntroduceerd. Voor wat betreft de voorgestelde norm voor taakvervulling door bestuurders en commissarissen geldt overigens dat dit uitsluitend een codificatie is van bestaande rechtsregels. Over de voorgestelde tegenstrijdig-belangregeling heeft de Commissie vennootschapsrecht in haar advies over het voorliggende wetsvoorstel uitdrukkelijk opgemerkt dat zij de voorgestelde regeling inzake tegenstrijdig belang bij verenigingen en stichtingen goed werkbaar acht. Ten aanzien van het monistisch bestuurssysteem is er al eerder empirisch onderzoek gedaan door mr. W.J.L. Calkoen. Hij concludeert dat de mogelijkheid van instelling van een monistisch bestuur een belangrijke en makkelijk te begrijpen schakel is in de aantrekkelijkheid van de flexibele en betrouwbare Nederlandse vennootschapsinfrastructuur.7

Ik verwacht dat de evaluatie van de Wet bestuur en toezicht op de voornoemde onderwerpen niet tot wezenlijk andere uitkomsten zal leiden; de evaluatie zal naar verwachting vooral nieuwe informatie opleveren ten aanzien van andere onderdelen van de desbetreffende wet. Dit neemt niet weg dat de Wet bestuur en toezicht in 2016 in zijn geheel, dus ook op de genoemde onderdelen, geëvalueerd zal worden. Mede omdat het voor andere rechtspersonen dan de NV en de BV van belang is om de regeling op die punten aan te vullen en te verduidelijken, is ervoor gekozen om de invoeging van deze onderdelen niet uit te stellen. In dit verband zij ook verwezen naar de door de Tweede Kamer aanvaarde motie van het lid Duisenberg c.s. waarin de regering is opgeroepen om het onderhavige wetsvoorstel zo spoedig mogelijk en in elk geval voor het zomerreces in te dienen.8

d. Systematiek Boek 2 BW

De Afdeling advisering meent dat het doel van het wetsvoorstel ook bereikt kan worden door het aanpassen van de bepalingen die gelden voor de afzonderlijke soorten rechtspersonen of door te werken met schakelbepalingen. De Afdeling advisering wijst in dat verband op de systematiek van Boek 2 BW, dat thans een klein algemeen deel kent.

De algemene bepalingen van Boek 2 BW bevatten nu reeds basisregels die gelden voor alle of vrijwel alle rechtspersonen als bedoeld in artikel 2:3 BW. Zo staat in de huidige algemene bepalingen de algemene norm voor het handelen van een bestuurder en voor bestuurdersaansprakelijkheid (zie artikel 2:9 BW). Verder bevatten de algemene bepalingen onder meer algemene regels over oprichting, bescherming van derden, doeloverschrijding, de toepasselijke billijkheidsnorm, de administratie, nietigheid en vernietigbaarheid van besluiten, omzetting, ontbinding en vereffening. Het voorstel sluit bij de bestaande systematiek aan door de basisregels over bestuur en toezicht op te nemen in de algemene bepalingen (en deels: in de algemene bepalingen te behouden). Een en ander is ook in lijn met het advies van de Commissie vennootschapsrecht, die in haar advies geopperd heeft om de regeling over aansprakelijkheid van bestuurders en commissarissen in geval van faillissement, op te nemen in de algemene bepalingen van Boek 2 BW. Hieraan is gevolg gegeven.

Van belang is voorts dat het wetsvoorstel beoogt om de basisregels voor bestuur en toezicht zowel aan te vullen als te verduidelijken. Het doel van aanvulling kan in theorie bereikt worden door uitbreiding van regelingen voor de specifieke soorten rechtspersonen. Met die aanpak zou in de optiek van het kabinet echter onvoldoende recht worden gedaan aan de doelstelling van verduidelijking van de wettelijke regeling en aan de hiervoor genoemde ontwikkeling dat het maatschappelijk belang van niet-commerciële activiteiten van stichtingen en verenigingen in de afgelopen decennia aanzienlijk gegroeid is.

e. Conclusie

Verwezen wordt naar de bovenstaande bespreking van subparagrafen 1a t/m 1d.

2. Uniformering van regels voor aansprakelijkstelling in geval van faillissement

De Afdeling advisering adviseert om nader toe te lichten waarom de regeling omtrent aansprakelijkheid van bestuurders en commissarissen bij faillissement, met het wetsvoorstel tevens komt te gelden voor bestuurders en commissarissen van niet-commerciële verenigingen, informele verenigingen en niet-commerciële stichtingen. Ook wordt gevraagd wat deze wijziging betekent voor de verzekerbaarheid van de betreffende aansprakelijkheid.

De memorie van toelichting is op de genoemde punten verduidelijkt. Toegelicht wordt dat het in de praktijk ook bij niet-commerciële verenigingen en stichtingen en bij informele verenigingen kan voorkomen dat bestuurders en commissarissen zich schuldig maken aan fraude of andere vormen van ernstig taakverzuim. Als de vereniging of stichting als gevolg van dat ernstige verzuim failliet gaat en daarbij bijvoorbeeld schuldeisers of werknemers benadeeld worden, dient de faillissementscurator adequate middelen te hebben om de geleden schade op de betreffende bestuurders en commissarissen te kunnen verhalen. Mede in het licht van de maatschappelijke ontwikkelingen waarbij de rechtsvormen van de (commerciële en niet-commerciële) vereniging en de stichting in toenemende mate gebruikt worden door professionele organisaties, meent het kabinet dat de rechtsvorm daarbij niet langer beslissend dient te zijn voor het toepasselijke aansprakelijkheidsregime. Omdat de wijziging bestaat in een uitbreiding van het toepassingsbereik van de aansprakelijkheidsregel, en de aansprakelijkheidsregel daarbij als zodanig niet gewijzigd wordt, wordt overigens niet verwacht dat de voorgestelde regeling van invloed zal zijn op de verzekerbaarheid van eventuele aansprakelijkheid van bestuurders en commissarissen. Het wetsvoorstel biedt wel een sterkere bewijspositie aan onbezoldigde bestuurders en commissarissen van niet-commerciële verenigingen en stichtingen en van informele verenigingen. Bepaald wordt namelijk dat het bewijsvermoeden van het voorgestelde artikel 2:9c lid 2 BW op hen niet van toepassing is. Deze aanvulling strekt ertoe om te voorkomen dat vrijwilligers ten onrechte worden weerhouden om zich in te zetten als bestuurder van bijvoorbeeld een buurtvereniging of een sportvereniging.

Overigens laat de voorgestelde regeling ruimte om rekening te houden met de omstandigheden van het geval. Zo is voor de beoordeling of in een bepaald geval sprake is van ‘kennelijk onbehoorlijke taakvervulling’ relevant wat de omvang, het karakter en de activiteiten van de rechtspersoon zijn. Men kan aan de bestuurders van een kleine stichting waarbij de bestuurders voor hun bestuurswerk slechts een bescheiden vergoeding ontvangen, niet dezelfde eisen stellen als aan professionele bestuurders van bijvoorbeeld een woningcorporatie of zorginstelling met een daaraan gekoppelde vergoeding.

3. Aanpassingswetgeving

Het advies van de Afdeling advisering om te voorzien in aanpassingswetgeving berust waarschijnlijk op een vergissing. Het wetsvoorstel voorziet reeds in de desbetreffende bepalingen, die in overleg met andere departementen zijn opgesteld (zie artikelen III t/m XIV).

4. Technische opmerkingen

  • a. De Afdeling advisering adviseert om in de memorie van toelichting in te gaan op de praktijk dat bij semipublieke instellingen en bij gewone stichtingen en verenigingen regelmatig toezicht wordt uitgeoefend door een andere rechtspersoon.

    Naar aanleiding van dit onderdeel van het advies is de toelichting bij het voorstel aangevuld. In de toelichting wordt ingegaan op de situatie waarin het toezicht op het bestuur van een rechtspersoon (al dan niet mede) wordt uitgeoefend door een andere rechtspersoon. Daarbij wordt aangenomen dat een rechtspersoon reeds onder de huidige wettelijke regeling geen lid kan zijn van een raad van commissarissen. Dat betekent niet dat het toezicht op bijvoorbeeld een vereniging of stichting niet mede plaats zou kunnen vinden door een andere rechtspersoon. Mogelijk is bijvoorbeeld dat in de statuten bepaald wordt dat over bepaalde voorgenomen bestuursbesluiten advies moet worden uitgebracht door een andere rechtspersoon. Van een ‘raad van commissarissen’ in de zin van de wet is dan echter geen sprake.

  • b. De Afdeling advisering merkt op de schrapping van lid 4 van artikel 2:57 BW een vergissing lijkt te zijn. Het advies is om de schrapping van dit artikellid toe te lichten of het wetsvoorstel op dit punt aan te passen.

    In de toelichting is verduidelijkt dat de regel die thans is opgenomen in artikel 2:57 lid 4 BW, eveneens geldt onder de voorgestelde regeling van artikel 2:9 lid 5 en dat het niet nodig is om de uitdrukkelijke bepaling van het huidige artikel 2:57 lid 4 BW te handhaven.

  • c. De Afdeling advisering adviseert om in de toelichting nader in te gaan op de vraag wat het doel is van de uitzonderingen van artikel 2:9b lid 3 en lid 4, en waarom het gerechtvaardigd is om deze uitzonderingen tevens toe te passen voor andere rechtspersonen dan de NV en de BV.

    Het voorgestelde artikel 2:9b lid 3 regelt dat één rechtbank bevoegd is ten aanzien van vorderingen betreffende de overeenkomst tussen de rechtspersoon en de bestuurder. Deze regel geldt nu reeds voor de NV, de BV, de commerciële vereniging, de coöperatie, de onderlinge waarborgmaatschappij en de commerciële stichting (zie artikelen 2:131 en 2:241 BW en de schakelbepalingen van artikelen 2:50a, 2:53a en 2:300a BW). De toelichting bij deze voorgestelde wijziging is aangevuld. Toegelicht wordt dat deze bepaling bedoeld is om procedures betreffende geschillen tussen de bestuurder en de rechtspersoon, die over het algemeen een belang betreffen waarbij de vennootschapsrechtelijke aspecten meer betrokken zijn dan bij geschillen tussen de rechtspersoon en een werknemer, te laten behandelen door de rechtbank en niet door de kantonrechter. Bovendien worden de procedures tussen de bestuurder en de rechtspersoon met deze bepaling geconcentreerd bij één bevoegde rechtbank, te weten de rechtbank binnen het rechtsgebied waarvan de rechtspersoon zijn woonplaats heeft. Door deze regels ook toe te passen bij niet-commerciële verenigingen en stichtingen en bij informele verenigingen, wordt een efficiënte procesvoering bevorderd.

    Het voorgestelde artikel 2:9b lid 4 bepaalt dat de rechter niet een veroordeling kan uitspreken tot herstel van de arbeidsovereenkomst tussen de rechtspersoon en de bestuurder. Deze regel geldt thans reeds voor de NV, de BV, de vereniging, de coöperatie en de onderlinge waarborgmaatschappij (zie artikelen 2:134 lid 3, 2:244 lid 3, 2:37 lid 6 en 2:53a lid 1 BW). Met deze bepaling wordt recht gedaan aan het belang van de rechtspersoon om bestuurd te worden door personen die het vertrouwen genieten van het orgaan dat voor de samenstelling van het bestuur verantwoordelijk is. Omdat dit vertrouwen in de bestuurder ook bij stichtingen van wezenlijk belang is, komt de genoemde regel ook voor stichtingen te gelden.

5. De redactionele bijlage

In de redactionele bijlage bij het advies wordt opgemerkt dat de voorgestelde wijziging van artikelen 2:166 en 2:276 BW (onderdelen FF en BBB van artikel I van het ambtelijk voorontwerp) dient te vervallen, dit in verband met Stb. 2011, 275.

De aanvankelijke artikelen 2:166 en 2:276 BW zagen op de evenwichtige verdeling van zetels van het bestuur en van de raad van commissarissen over mannen en vrouwen. De genoemde bepalingen zijn per 1 januari 2016 vervallen (Stb. 2011, 275). De aanvankelijk voorgestelde wijziging van deze bepalingen zijn dan ook uit het voorstel geschrapt. Op dit moment is een voorstel aanhangig om de genoemde bepalingen weer in te voeren (zie Kamerstukken II 2015/16, 34 435). In het voorliggende wetsvoorstel is daarom een samenloopbepaling opgenomen. Op grond hiervan worden, indien artikelen 2:166 en 2:276 BW weer worden ingevoerd, deze bepalingen alsnog aangepast.

Ik moge U verzoeken het hierbij gevoegde gewijzigde voorstel van wet en de gewijzigde memorie van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.

De Minister van Veiligheid en Justitie, G.A. van der Steur.

Advies Raad van State

No. W03.16.0018/II

’s-Gravenhage, 1 april 2016

Aan de Koning

Bij Kabinetsmissive van 23 maart 2016, no. 2016000543, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Veiligheid en Justitie, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek in verband met de uniformering en de verduidelijking van enkele bepalingen omtrent het bestuur en de raad van commissarissen van rechtspersonen (Wet bestuur en toezicht rechtspersonen), met memorie van toelichting.

Het wetsvoorstel biedt onder meer een wettelijke grondslag voor de instelling van een raad van commissarissen bij verenigingen en stichtingen en maakt de keuze voor een monistisch bestuurssysteem voor alle rechtspersonen mogelijk. Voorts wordt de regeling voor bestuur en toezicht geüniformeerd. Hiertoe worden regels die al gelden voor de NV en de BV verplaatst naar de algemene bepalingen van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek (Boek 2 BW), waardoor een voor alle soorten rechtspersonen geldende basisregeling ontstaat. Ten slotte worden de gronden voor ontslag van stichtingsbestuurders verruimd en ook van toepassing op commissarissen van een stichting.

De Afdeling advisering van de Raad van State adviseert het voorstel aan de Tweede Kamer te zenden, maar acht aanpassing van het voorstel en op onderdelen een dragende motivering aangewezen. Het wetsvoorstel zal in de praktijk vooral effect hebben op het bestuur en toezicht van de vereniging en stichting. Gelet op de verschillen tussen de vereniging en de stichting enerzijds, en de overige soorten rechtspersonen anderzijds, alsmede de variatie van stichtingen en verenigingen in de praktijk, adviseert de Afdeling de noodzaak en opportuniteit op dit moment van de voorgestelde algemene regeling dragend te motiveren en anders ervan af te zien en zo nodig per soort rechtspersoon regels voor bestuur en toezicht vast te stellen.

1. Algemene regeling

Het wetsvoorstel beoogt de kwaliteit van bestuur en toezicht bij verenigingen, coöperaties, onderlinge waarborgmaatschappijen en stichtingen te verbeteren. In dat kader wordt een aantal regels die reeds gelden voor de NV en de BV verplaatst naar het algemene gedeelte van Boek 2 BW. Daardoor worden deze regels ook van toepassing op de vereniging, coöperatie, onderlinge waarborgmaatschappij en de stichting. Volgens de regering heeft deze werkwijze onder andere als voordeel dat de uitleg die reeds aan de betreffende regel is gegeven, ook kan worden toegepast voor de andere rechtspersonen. Een ander voordeel dat de toelichting noemt is dat de algemene regeling van Boek 2 BW beter bruikbaar wordt als basisregeling. Het is uitdrukkelijk de bedoeling dat er in huidige of toekomstige sectorspecifieke wetgeving bij de regeling van dit wetsvoorstel wordt aangeknoopt.1

a. Flexibiliteit ten behoeve van stichtingen en verenigingen

Hoewel het voorstel is gericht op de verschillende soorten rechtspersonen, zijn de wijzigingen het grootst voor de vereniging en de stichting, omdat voor hen op dit moment andere of minder regels gelden dan voor de andere soorten rechtspersonen. Ter illustratie verwijst de Afdeling naar het overzicht dat als bijlage bij dit advies is gevoegd.

De Afdeling onderkent het belang van een duidelijk wettelijk kader voor bestuur en toezicht bij de verschillende rechtspersonen. Dat leidt echter niet zonder meer tot de gevolgtrekking dat uniformering van deze regels door overbrenging van de regels voor de NV en de BV naar de algemene bepalingen van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek noodzakelijk en wenselijk is. De toelichting stelt wel dat het voor de verbetering van kwaliteit van bestuur van verenigingen en stichtingen noodzakelijk is dat er nadere (uniforme) regels worden gesteld, maar legt niet uit waar het in dit opzicht in de praktijk aan schort.2 Voorts is de Afdeling er niet van overtuigd dat de normen voor bestuur en toezicht van kapitaalvennootschappen (ondernemingen) een dermate algemeen karakter hebben dat zij zich lenen voor een rechtsvorm-neutrale toepassing. Illustratief daarvoor is dat Boek 2 BW zelf reeds een onderscheid maakt tussen de gewone vereniging en stichting enerzijds, en de commerciële varianten daarvan anderzijds, waarbij regeling van de laatste tendeert naar het NV/BV-recht. Verder is van belang dat er in Nederland enkele honderdduizenden stichtingen en verenigingen zijn. Achter dit aantal gaat een bonte verscheidenheid van al dan niet professioneel geleide organisaties schuil, variërend van zeer klein tot zeer groot, en een grote differentiatie in bestuursmodellen en toezichtstructuren, gebaseerd op een flexibel wettelijk kader dat veel ruimte laat voor eigen, statutaire regelingen. Die flexibiliteit vermindert door de voorgestelde regeling inzake tegenstrijdig belang en aansprakelijkheid bij faillissement. Maar ook optionele bepalingen, zoals de mogelijkheid om een raad van commissarissen in te stellen of te kiezen voor een monistisch systeem, leiden tot een verdere inkadering en kunnen tot onduidelijkheid leiden over betekenis van deze regels voor statutair ingestelde organen. Zo zijn volgens de toelichting de taak en de bevoegdheden van het statutaire orgaan beslissend voor de vraag of het orgaan een bestuur of toezichthouder in de zin van de wet is. Omdat de vraag naar de betekenis van statutaire regelingen in het licht van de voorgestelde regeling echter niet in algemene zin te beantwoorden is, zal elke stichting of vereniging hiernaar onderzoek moeten doen, en de statuten eventueel moeten aanpassen, zonder dat er in de praktijk iets verandert.

b. Verhouding tot sectorspecifieke wetgeving

Kort geleden is voor stichtingen en verenigingen die in semipublieke sectoren (zorg, onderwijs, wonen, pensioenfondsen) opereren onder de regie van de Ministeriële Commissie Vernieuwing Publieke Belangen nieuwe sectorspecifieke wetgeving tot stand gebracht. Deze wetgeving heeft tot doel bestuur en intern toezicht te verbeteren en vormt een reactie op een aantal problemen en incidenten die hebben plaatsgevonden in de semipublieke sector. Dit betreft onder meer de Herzieningswet toegelaten instellingen volkshuisvesting, de Wet versterking bestuur en toezicht onderwijs en de Wet versterking bestuur pensioenfondsen. De toelichting maakt niet duidelijk wat een algemene regeling in Boek 2 BW voor deze instellingen toevoegt aan deze bestaande, doorgaans uitgewerkte sectorspecifieke regels. Bovendien zijn in deze sectorspecifieke wetgeving vaak keuzes gemaakt, die aansluiting bij de algemene regeling onwaarschijnlijk maken. Zo wordt in sectorspecifieke wetgeving een toezichthoudend orgaan meestal voorgeschreven, wordt de keuze voor een monistisch systeem uitgesloten of vrijgelaten, en is de norm voor de taakvervulling van bestuurders en commissarissen dikwijls nader omschreven, gerelateerd aan de doelstellingen van de sector, of uitgewerkt in governance-codes.

c. Opportuniteit

De voorgestelde normering van de taakvervulling van bestuurders en commissarissen, de tegenstrijdig-belangregeling én het monisme zijn ontleend aan de Wet versterking en bestuur en toezicht, die voor de NV en de BV per 1 juli 2013 van kracht is geworden. De minister heeft een evaluatie van deze wet toegezegd drie jaar na inwerkingtreding.3 Het wetsvoorstel loopt daarmee vooruit op de resultaten van de evaluatie, met als risico dat de wet op korte termijn opnieuw gewijzigd moet worden. Dat dit risico niet denkbeeldig is blijkt onder meer uit het gegeven dat in de consultatie is gewezen op wisselende ervaringen met de tegenstrijdig belang-regeling.4 De Afdeling acht het voorstel in dit opzicht dan ook prematuur en adviseert in elk geval op dit punt de evaluatie af te wachten.

d. Systematiek Boek 2 BW

De Afdeling wijst er op dat het doel van het wetsvoorstel ook kan worden bereikt door het aanpassen van de bepalingen die uitsluitend op de verschillende soorten rechtspersonen betrekking hebben, of door het werken met schakelbepalingen waardoor de bepalingen voor de NV/BV van toepassing worden verklaard op een of meer andere soorten rechtspersonen. Hierdoor wordt tevens voorkomen dat uitzonderingen op de uniformering nodig zijn, zoals met name bij de stichting het geval is. Dit heeft bovendien als voordeel dat de systematiek van Boek 2 BW gehandhaafd blijft. De Afdeling wijst er in dit verband op dat Boek 2 BW een klein algemeen deel kent. Het overgrote deel van de bepalingen is voor elke soort rechtspersoon uitgeschreven, zelfs wanneer dat neerkomt op een herhaling, zoals blijkt uit de regeling voor de NV en de BV die grotendeels identiek is.

e. Conclusie

Het wetsvoorstel zal in de praktijk vooral van belang zijn voor de vereniging en stichting, voor zover die niet werkzaam zijn in de semipublieke sector. Voor de andere in Boek 2 BW geregelde rechtspersonen is geheel of grotendeels al in de voorgestelde regels voorzien; datzelfde geldt voor rechtspersonen die werkzaam zijn in de semipublieke sector, maar dan zijn de regels in de sectorspecifieke regelingen zelf opgenomen. Voor deze andere rechtspersonen en semipublieke instellingen is de toegevoegde waarde van een algemene regeling onduidelijk. Wat betreft de verenigingen en stichtingen is het de vraag of uniformering noodzakelijk is en of zij niet te ver wordt doorgevoerd, gelet op de differentiatie in verenigingen en stichtingen en de flexibiliteit die in dit opzicht geboden is. Feitelijk ontbreekt thans alleen de regeling van een toezichthoudend orgaan voor de stichting. Voor drie van de voorgestelde maatregelen geldt naar het oordeel van de Afdeling dat eerst de evaluatie van de in 2013 voor de NV en de BV ingevoerde regels dient te worden afgewacht. Ten slotte past het bij de systematiek van Boek 2 BW om per rechtspersoon regels voor het bestuur en toezicht vast te stellen, zoals nu ook al is gedaan.

De Afdeling adviseert daarom de noodzaak en opportuniteit op dit moment van de voorgestelde algemene regeling dragend te motiveren en indien die motivering niet kan worden gegeven ervan af te zien en zo nodig per soort rechtspersoon regels voor bestuur en toezicht vast te stellen.

Onverminderd het voorgaande merkt de Afdeling het volgende op.

2. Uniformering van regels voor aansprakelijkstelling in geval van faillissement

In artikel 2:9c en 2:11c wordt een uniforme regeling voorgesteld voor de hoofdelijke aansprakelijkheid van bestuurders en commissarissen jegens de boedel in geval van faillissement van de rechtspersoon. Indien het bestuur niet heeft voldaan aan zijn boekhoudverplichtingen5 en de verplichting tot openbaarmaking van de jaarrekening,6 leidt dit tot het vermoeden dat onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement. Voor onbezoldigde bestuurders en commissarissen van informele verenigingen, niet-commerciële verenigingen en stichtingen geldt dit bewijsvermoeden niet,7 maar wel dat men hoofdelijk aansprakelijk is indien het bestuur zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld en aannemelijk is dat dit een belangrijke oorzaak is van het faillissement.8 Met deze uitzondering wil de regering voorkomen dat vrijwilligers zich ten onrechte laten weerhouden om zich in te zetten als bestuurder of commissaris van bijvoorbeeld een buurtvereniging of een kleine sportvereniging.

Dit laat onverlet dat het wetsvoorstel een hoofdelijke aansprakelijkheid introduceert voor bestuurders en commissarissen in geval van faillissement van de rechtspersoon. Afgezien van het streven naar uniformering, is het de Afdeling uit de toelichting niet duidelijk geworden waarom de aansprakelijkheidsregeling die al geldt voor de NV, BV, coöperatie, onderlinge waarborgmaatschappij alsmede de commerciële vereniging en -stichting, moet worden uitgebreid naar alle overige stichtingen en verenigingen. Voorts rijst de vraag naar de verzekerbaarheid van deze aansprakelijkheid.

De Afdeling adviseert daarom dit onderdeel dragend te motiveren of er anders van af te zien.

3. Aanpassingswetgeving

Het wetsvoorstel bevat geen aanpassingswetgeving. Die lijkt ook niet te worden overwogen.

De Afdeling wijst er bij wijze van voorbeeld op dat de aansprakelijkheidsgrondslag voor toezichthouders9 in de sectorspecifieke wetgeving vaak wordt geregeld door artikel 2:9 BW van overeenkomstige toepassing te verklaren. In een gelijkstelling met de voorgestelde aansprakelijkheidsregeling is niet voorzien. Nu het volgens de toelichting de bedoeling is dat er in de sectorspecifieke wetgeving wordt aangeknoopt bij dit wetsvoorstel, ligt het voor de hand dat in aanpassingswetgeving wordt voorzien.

De Afdeling adviseert alsnog te voorzien in aanpassingswetgeving.

4. Technische opmerkingen

  • a. Volgens het wetsvoorstel kan slechts een natuurlijk persoon lid zijn van de raad van commissarissen.10 Het wetsvoorstel gaat ervan uit dat niet de naam, maar de bevoegdheden bepalend zijn voor de vraag of sprake is van een toezichthoudend orgaan. Dit zou betekenen dat een toezichthoudend orgaan niet langer uit rechtspersonen kan bestaan. Dat loopt parallel met de regel dat niet-uitvoerende bestuurders natuurlijke personen zijn.11 Bij de onderlinge waarborgmaatschappij, de coöperatieve vereniging en de NV en BV geldt eveneens de regel dat natuurlijke personen lid zijn van de raad van commissarissen.12 Bij semipublieke instellingen en gewone stichtingen en verenigingen komt het echter regelmatig voor dat het toezicht op een stichting wordt uitgeoefend door een andere stichting. Het voorstel kan in dit opzicht ingrijpende consequenties hebben.

    De Afdeling adviseert hierop in de toelichting nader in te gaan.

  • b. Artikel 2:57, vierde lid, BW kent een eigen tegenstrijdig belang-regeling voor de coöperatie en de onderlinge waarborgmaatschappij indien met alle leden een contract gesloten wordt. Dit artikel vervalt. Gelet op de toelichting bij het voorgestelde artikel 2:9, lid 5 lijkt dat een vergissing te zijn.

    De Afdeling adviseert de reden voor deze schrapping toe te lichten en het wetsvoorstel zo nodig aan te passen.

  • c. Het voorgestelde art. 2:9b lid 3 en 4 BW verklaart de kantonrechter onbevoegd ter zake van vorderingen met betrekking tot de overeenkomst met een bestuurder en sluit de veroordeling tot herstel van de arbeidsovereenkomst uit. De toelichting vermeldt dat deze regeling is ontleend aan die van de NV en de BV, maar motiveert niet wat het doel van deze beide uitzonderingen is en waarom dit rechtvaardigt dat zij ook gelden voor de resterende rechtspersonen.

    De Afdeling adviseert in de toelichting op deze beide vragen nader in te gaan.

5. De Afdeling verwijst naar de bij dit advies behorende redactionele bijlage.

De Afdeling advisering van de Raad van State geeft U in overweging het voorstel van wet te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.

De vice-president van de Raad van State, J.P.H. Donner.

Redactionele bijlage bij het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State betreffende no.W03.16.0018/II

  • Artikel I, onderdelen FF en BBB, laten vervallen in verband met Stb. 2011, 275.

Bijlage

Schematisch komt het voorstel op het volgende neer (de veranderingen (nieuw) zijn cursief aangegeven):

Oud

Nieuw

RvC (11)

Monisme

(9a)

Taakvervul.

Bestuur en toezicht

(9, lid 3)

Tegenstrijdig belang

(9, lid 5, 11)

Aansprakelijkheid

(9c)

Inform. Ver.

Nee 1

Ja

Nee

Ja

Nee

Ja

Ja2

Ja (of RvC of Av)

Nee

Ja

Formele Ver.

Nee

Ja

Nee

Ja

Nee

Ja

Ja3

Ja (of RvC of Av)

Nee

Ja

Stichting

Nee

Ja

Nee

Ja

Nee

Ja

Nee

Ja(of RvC of bestuur)

Nee

Ja

Comm./Ver./

Sticht

Ja 4

 

Nee

Ja

Nee

Ja

Nee

Ja (of RvC of bestuur)

Ja

 

Onderlinge waarborg.mij

Ja

 

Nee

Ja

Nee

Ja

Ja 5

Ja (of RvC of Av)

Ja

 

Coöperatie

Ja

 

Nee

Ja

Nee

Ja

Ja 6

Ja (of RvC of Av

Ja

 

NV/BV

Ja

 

Ja

 

Ja 7

 

Ja8

Ja (of RvC of Av)

Ja

 
X Noot
1

Voor 1988 stond in artikel 2:47 dat de vereniging een raad van commissarissen kon instellen. Deze grondslag is verdwenen, maar in de artikelen 47, 48 en 49 figureert nog steeds de commissaris.

X Noot
2

Vertegenwoordigingsregel.

X Noot
3

Vertegenwoordigingsregel.

X Noot
4

Artikel 2:297a en 2:297b die uitgaan van een maximaal aantal nevenfuncties bij grote stichtingen, gaan uit van het bestaan van commissarissen.

X Noot
5

Vertegenwoordigingsregel.

X Noot
6

Vertegenwoordigingsregel.

X Noot
7

Sinds 1-1-2013.

X Noot
8

Sinds 1-1-2-13 besluitvormingsregel.

Sectorspecifieke wetgeving

  • toezichthouder

    In de Woningwet (artikel 30) is uitdrukkelijk geregeld dat er een raad van toezicht is die bestaat uit natuurlijke personen. Het besluit WZTi bepaalt dat er een orgaan is dat toezicht houdt op het beleid van de dagelijkse of algemene leiding van de instelling en deze met raad ter zijde staat. In de onderwijswetgeving is een scheiding tussen bestuur en intern toezicht voorgeschreven, alsmede de inhoud van het intern toezicht en de taken van de toezichthouder (zie bijv. 17a WPO e.v.). De WHW kent specifieke bepalingen over de instelling, samenstelling en taken van de raad van toezicht.

  • monisme

    Zowel de onderwijswetgeving, zorg en volkshuisvesting sluiten het monistische bestuursmodel uit. Zie bijvoorbeeld artikel 17a WPO en artikel 24d WVO. De Pensioenwet (artikel 101a) en de Wet op het financieel toezicht (artikel 3:8) laten de keuze vrij.

  • taakvervulling

    In het onderwijs, de zorg en de Woningwet (artikel 31) is bij of krachtens de wet vastgelegd naar welke norm de bestuurders en toezichthouders zich moeten richten. In sectorale governance-codes wordt dit verder uitgewerkt, bijvoorbeeld in de regel (voor het voortgezet onderwijs) dat het bestuur zich bij de vervulling van zijn taak ‘richt naar het belang van leerlingen en hun ouders, de belangen van de overige stakeholders, het belang van de onderwijsorganisatie en naar het belang van de samenleving.’

  • tegenstrijdig belang en aansprakelijkheid

    Artikel 22 van de Woningwet verwijst artikel 2:47 BW (tegenstrijdig belang bij de vereniging). Voorts veelal geregeld in sectorale governance-codes. Zo bepaalt de code voor het voortgezet onderwijs dat er een meldplicht is en dat het interne toezicht beslist of sprake is van een tegenstrijdig belang en hoe daarmee wordt omgegaan, en maakt hiervan melding in het jaarverslag. Volgens de zorgbrede governancecode 2010 moeten besluiten tot het aangaan van transacties waarbij tegenstrijdige belangen van leden van de Raad van Toezicht spelen die van materiele betekenis zijn voor de zorgorganisatie en/of voor de betreffende toezichthouders worden goedgekeurd door de Raad van Toezicht. In het hoger onderwijs zijn bestuurders persoonlijk aansprakelijk jegens de instelling voor schade ten gevolge van uitgaven die in strijd met de wet zijn (2.9 WHW). In artikel 31 van de Woningwet en 104 Pensioenwet is bepaald dat toezichthouders overeenkomstig artikel 2:9 BW aansprakelijk zijn. Via schakelbepalingen geldt de NV/BV-regeling voor aansprakelijkheid van het bestuur bij faillissement tevens voor de commerciële vereniging en stichting, coöperatie en de waarborgmaatschappij. Aannemelijk is dat hieronder alle zorginstellingen, toegelaten instellingen en financiële instellingen vallen. Voor scholen ligt dit waarschijnlijk anders.

  • ontslag

    Artikel 33 van de Woningwet geeft de Ondernemingskamer de bevoegdheid een commissaris te ontslaan wegens verwaarlozing van zijn taak, conform de regeling van het wetsvoorstel. Daarnaast is er de bevoegdheid om in bepaalde gevallen een bestuurlijke sanctie op te leggen. In de Onderwijswetgeving kan de Minister via de figuur van de aanwijzing materieel een bestuurder of toezichthouder tot opstappen dwingen.

Tekst zoals toegezonden aan de Raad van State: Wijziging van het Burgerlijk Wetboek in verband met de uniformering en de verduidelijking van enkele bepalingen omtrent het bestuur en de raad van commissarissen van rechtspersonen (Wet bestuur en toezicht rechtspersonen)

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de kwaliteit van bestuur en toezicht bij verenigingen, coöperaties, onderlinge waarborgmaatschappijen en stichtingen te verbeteren en daartoe enkele regels inzake bestuur en toezicht voor alle rechtspersonen te uniformeren alsmede enkele specifiek voor stichtingen geldende bepalingen te introduceren;

Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I WIJZIGING VAN BOEK 2 VAN HET BURGERLIJK WETBOEK

Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 9 komt te luiden:

Artikel 9
  • 1. Behoudens beperkingen volgens de statuten is het bestuur belast met het besturen van de rechtspersoon.

  • 2. Elke bestuurder draagt verantwoordelijkheid voor de algemene gang van zaken. Tot de taak van een bestuurder behoren alle bestuurstaken die niet bij of krachtens de statuten aan een of meer andere bestuurders zijn toebedeeld.

  • 3. Elke bestuurder is tegenover de rechtspersoon gehouden tot een behoorlijke vervulling van zijn taak. De bestuurders richten zich bij de vervulling van hun taak naar het belang van de rechtspersoon en de daaraan verbonden onderneming of organisatie.

  • 4. De statuten kunnen bepalen dat een met name of in functie aangeduide bestuurder meer dan één stem wordt toegekend. Een bestuurder kan niet meer stemmen uitbrengen dan de andere bestuurders tezamen.

  • 5. Een bestuurder neemt niet deel aan de beraadslaging en de besluitvorming indien hij daarbij een direct of indirect persoonlijk belang heeft dat tegenstrijdig is met het belang van de rechtspersoon en de daaraan verbonden onderneming of organisatie. Wanneer hierdoor geen bestuursbesluit kan worden genomen, wordt het besluit genomen door de raad van commissarissen. Bij ontbreken van een raad van commissarissen wordt het besluit genomen door de algemene vergadering, tenzij de statuten anders bepalen, dan wel, indien het een stichting betreft, door het bestuur onder schriftelijke vastlegging van de overwegingen die aan het besluit ten grondslag liggen, tenzij de statuten anders bepalen.

  • 6. De statuten bevatten voorschriften omtrent de wijze waarop in de uitoefening van de taken en bevoegdheden voorlopig wordt voorzien in geval van ontstentenis of belet van elk van de bestuurders. De statuten kunnen deze voorschriften bevatten voor het geval van ontstentenis of belet van een of meer bestuurders. In de statuten kan nader worden bepaald wanneer sprake is van belet. Degene die bij ontstentenis of belet van elk van de bestuurders ingevolge een statutaire regeling is aangewezen tot het verrichten van bestuursdaden, wordt voor wat deze bestuursdaden betreft met een bestuurder gelijkgesteld.

  • 7. De bestuurders hebben als zodanig een raadgevende stem in de algemene vergadering. Indien een besluit van de algemene vergadering buiten vergadering wordt genomen, worden de bestuurders die een raadgevende stem hebben voorafgaand aan de besluitvorming in de gelegenheid gesteld om advies uit te brengen.

B

Na artikel 9 worden drie artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 9a
  • 1. Bij de statuten kan worden bepaald dat de bestuurstaken worden verdeeld over één of meer niet uitvoerende bestuurders en één of meer uitvoerende bestuurders. De taak om toezicht te houden op de taakuitoefening door bestuurders kan niet door een taakverdeling worden ontnomen aan niet uitvoerende bestuurders. Het voorzitterschap van het bestuur, het doen van voordrachten voor benoeming van een bestuurder en het vaststellen van de bezoldiging van uitvoerende bestuurders kan niet aan de uitvoerende bestuurder worden toebedeeld. Niet uitvoerende bestuurders zijn natuurlijke personen.

  • 2. Bij of krachtens de statuten kan worden bepaald dat een of meer bestuurders rechtsgeldig kunnen besluiten omtrent zaken die tot zijn respectievelijk hun taak behoren. Bepaling krachtens de statuten geschiedt schriftelijk.

  • 3. Bij de benoeming wordt vermeld of een bestuurder wordt benoemd tot uitvoerende bestuurder of tot niet uitvoerende bestuurder.

  • 4. Het bestuur is te allen tijde bevoegd tot schorsing van een uitvoerende bestuurder.

  • 5. De uitvoerende bestuurders nemen niet deel aan de beraadslaging en besluitvorming over het vaststellen van de bezoldiging van uitvoerende bestuurders.

  • 6. Een bezoldiging van niet uitvoerende bestuurders wordt vastgesteld door de algemene vergadering. Een bezoldiging van niet uitvoerende bestuurders van een stichting wordt vastgesteld op de wijze die daartoe in de statuten is voorzien.

Artikel 9b
  • 1. Elke bestuurder is jegens de rechtspersoon voor het geheel aansprakelijk terzake van onbehoorlijk bestuur, tenzij hem mede gelet op de aan anderen toebedeelde taken geen ernstig verwijt kan worden gemaakt en hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen van onbehoorlijk bestuur af te wenden.

  • 2. De aansprakelijkheid van een rechtspersoon als bestuurder van een andere rechtspersoon rust tevens hoofdelijk op ieder die ten tijde van het ontstaan van de aansprakelijkheid van de rechtspersoon daarvan bestuurder is.

  • 3. De rechtbank binnen het rechtsgebied waarvan de rechtspersoon zijn woonplaats heeft, neemt kennis van alle rechtsvorderingen betreffende de overeenkomst tussen de rechtspersoon en de bestuurder, daaronder begrepen de vordering als bedoeld in artikel 9c, waarvan het bedrag onbepaald is of € 25.000 te boven gaat. Dezelfde rechtbank neemt kennis van verzoeken als bedoeld in artikel 671b en artikel 671c van Boek 7 betreffende de in de eerste zin genoemde overeenkomst. De zaken, bedoeld in de eerste en tweede volzin, worden niet behandeld en beslist door de kantonrechter.

  • 4. Een veroordeling tot herstel van de arbeidsovereenkomst tussen de rechtspersoon en de bestuurder kan door de rechter niet worden uitgesproken.

Artikel 9c
  • 1. In geval van faillissement van een rechtspersoon is iedere bestuurder jegens de boedel hoofdelijk aansprakelijk voor het tekort, zijnde het bedrag van de schulden voor zover deze niet door vereffening van overige baten kunnen worden voldaan, indien het bestuur zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld en aannemelijk is dat dit een belangrijke oorzaak is van het faillissement.

  • 2. Indien het bestuur niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen uit de artikelen 10 of 394, heeft het zijn taak kennelijk onbehoorlijk vervuld en wordt vermoed dat onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement. Hetzelfde geldt indien de rechtspersoon volledig aansprakelijk vennoot is van een vennootschap onder firma of commanditaire vennootschap en niet is voldaan aan de verplichtingen uit artikel 15i van Boek 3. Een onbelangrijk verzuim wordt niet in aanmerking genomen. Dit lid is niet van toepassing op een onbezoldigd bestuurder van een vereniging of stichting die niet aan de heffing van de vennootschapsbelasting is onderworpen en op een onbezoldigd bestuurder van een vereniging waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte.

  • 3. Niet aansprakelijk is de bestuurder die bewijst dat de onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur niet aan hem te wijten is en dat hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen daarvan af te wenden.

  • 4. De rechter kan het bedrag waarvoor de bestuurders aansprakelijk zijn verminderen indien hem dit bovenmatig voorkomt, gelet op de aard en de ernst van de onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur, de andere oorzaken van het faillissement, alsmede de wijze waarop dit is afgewikkeld. De rechter kan voorts het bedrag van de aansprakelijkheid van een afzonderlijke bestuurder verminderen indien hem dit bovenmatig voorkomt, gelet op de tijd dat die bestuurder als zodanig in functie is geweest in de periode waarin de onbehoorlijke taakvervulling plaatsvond.

  • 5. Is de omvang van het tekort nog niet bekend, dan kan de rechter bepalen dat van het tekort tot betaling waarvan hij de bestuurders veroordeelt, een staat wordt opgemaakt overeenkomstig de bepalingen van de zesde titel van het tweede boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Lid 4 is van overeenkomstige toepassing.

  • 6. De vordering kan slechts worden ingesteld op grond van onbehoorlijke taakvervulling in de periode van drie jaren voorafgaande aan het faillissement. Een aan de bestuurder verleende kwijting staat aan het instellen van de vordering niet in de weg. De bestuurder is niet bevoegd tot verrekening met een vordering op de rechtspersoon.

  • 7. Met een bestuurder wordt voor de toepassing van dit artikel gelijkgesteld degene die het beleid van de rechtspersoon heeft bepaald of mede heeft bepaald, als ware hij bestuurder. De vordering kan niet worden ingesteld tegen een door de rechter benoemde bewindvoerder of een door de ondernemingskamer aangestelde bestuurder als bedoeld in artikel 356, onder c.

  • 8. Dit artikel laat onverlet de bevoegdheid van de curator tot het instellen van een vordering op grond van de overeenkomst met de bestuurder of op grond van artikel 9b.

  • 9. Indien een bestuurder ingevolge dit artikel aansprakelijk is en niet in staat is tot betaling van zijn schuld terzake, kan de curator de door die bestuurder onverplicht verrichte rechtshandelingen waardoor de mogelijkheid tot verhaal op hem is verminderd, ten behoeve van de boedel door een buitengerechtelijke verklaring vernietigen, indien aannemelijk is dat deze geheel of nagenoeg geheel met het oogmerk van vermindering van dat verhaal zijn verricht. Artikel 45 leden 4 en 5 van Boek 3 is van overeenkomstige toepassing.

  • 10. Indien de boedel ontoereikend is voor het instellen van een rechtsvordering op grond van dit artikel of artikel 9b of voor het instellen van een voorafgaand onderzoek naar de mogelijkheid daartoe, kan de curator onze Minister van Veiligheid en Justitie verzoeken hem bij wijze van voorschot de benodigde middelen te verschaffen. Onze Minister kan regels stellen voor de beoordeling van de gegrondheid van het verzoek en de grenzen waarbinnen het verzoek kan worden toegewezen. Het verzoek moet de gronden bevatten waarop het berust, alsmede een beredeneerde schatting van de kosten en de omvang van het onderzoek. Het verzoek, voor zover het betreft het instellen van een voorafgaand onderzoek, behoeft de goedkeuring van de rechter-commissaris.

C

Artikel 11 komt te luiden:

Artikel 11
  • 1. Tenzij uitvoering is gegeven aan artikel 9a lid 1, kan bij de statuten worden bepaald dat er een raad van commissarissen zal zijn. De raad van commissarissen bestaat uit een of meer natuurlijke personen.

  • 2. De raad van commissarissen heeft tot taak toezicht te houden op het beleid van het bestuur en op de algemene gang van zaken in de rechtspersoon en de daaraan verbonden onderneming of organisatie. De raad van commissarissen staat het bestuur met raad terzijde. De statuten kunnen aanvullende bepalingen bevatten omtrent de taak en de bevoegdheden van de raad van commissarissen en van zijn leden.

  • 3. Tot de taak van een commissaris behoren alle taken van de raad van commissarissen die niet bij of krachtens de statuten aan een of meer andere commissarissen zijn toebedeeld. Elke commissaris draagt verantwoordelijkheid voor het algemene toezicht op het beleid van het bestuur en op de algemene gang van zaken in de rechtspersoon en de daaraan verbonden onderneming of organisatie.

  • 4. Elke commissaris is jegens de rechtspersoon gehouden tot een behoorlijke vervulling van zijn taak. De commissarissen richten zich bij de vervulling van hun taak naar het belang van de rechtspersoon en de daaraan verbonden onderneming of organisatie.

  • 5. De statuten kunnen bepalen dat een met name of in functie aangeduide commissaris meer dan één stem wordt toegekend. Een commissaris kan niet meer stemmen uitbrengen dan de andere commissarissen tezamen.

  • 6. Een commissaris neemt niet deel aan de beraadslaging en besluitvorming indien hij daarbij een direct of indirect persoonlijk belang heeft dat tegenstrijdig is met het belang van de rechtspersoon en de daaraan verbonden onderneming of organisatie. Wanneer de raad van commissarissen hierdoor geen besluit kan nemen, wordt het besluit genomen door de algemene vergadering, tenzij de statuten anders bepalen, dan wel, indien het een stichting betreft, door de raad van commissarissen onder schriftelijke vastlegging van de overwegingen die aan het besluit ten grondslag liggen, tenzij de statuten anders bepalen.

  • 7. De statuten bevatten voorschriften omtrent de wijze waarop in de uitoefening van de taken en bevoegdheden voorlopig wordt voorzien in geval van ontstentenis of belet van elk van de commissarissen. De statuten kunnen deze voorschriften bevatten voor het geval van ontstentenis of belet van een of meer commissarissen. In de statuten kan nader worden bepaald wanneer sprake is van belet.

  • 8. Tenzij de statuten anders bepalen, is de raad van commissarissen bevoegd iedere bestuurder te allen tijde te schorsen. De schorsing kan te allen tijde worden opgeheven door het orgaan dat of de persoon die bevoegd is tot benoeming.

  • 9. De commissarissen hebben als zodanig een raadgevende stem in de algemene vergadering. Indien een besluit van de algemene vergadering buiten vergadering wordt genomen, worden de commissarissen die een raadgevende stem hebben voorafgaand aan de besluitvorming in de gelegenheid gesteld om advies uit te brengen.

  • 10. Bij een aanbeveling of voordracht tot benoeming van een commissaris worden van de kandidaat meegedeeld zijn leeftijd, zijn beroep, de betrekkingen die hij bekleedt of heeft bekleed voor zover die van belang zijn in verband met de vervulling van de taak van een commissaris, en, in geval van een kapitaalvennootschap, het bedrag van de door hem gehouden aandelen in het kapitaal van de vennootschap. Tevens wordt vermeld aan welke rechtspersonen hij reeds als commissaris is verbonden; indien zich daaronder rechtspersonen bevinden die tot een zelfde groep behoren, kan met de aanduiding van de groep worden volstaan. De aanbeveling en de voordracht tot benoeming of herbenoeming worden gemotiveerd. Bij herbenoeming wordt rekening gehouden met de wijze waarop de kandidaat zijn taak als commissaris heeft vervuld.

  • 11. Een bezoldiging van commissarissen wordt vastgesteld door de algemene vergadering. Een bezoldiging van commissarissen van een stichting wordt vastgesteld op de wijze die daartoe in de statuten is voorzien.

D

Na artikel 11 worden drie artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 11a
  • 1. Het bestuur verschaft de raad van commissarissen tijdig de voor de uitoefening van diens taak noodzakelijke gegevens.

  • 2. Het bestuur stelt ten minste een keer per jaar de raad van commissarissen schriftelijk op de hoogte van de hoofdlijnen van het strategisch beleid, van de algemene en financiële risico’s en van de gebruikte beheers- en controlesystemen.

Artikel 11b
  • 1. Elke commissaris is jegens de rechtspersoon voor het geheel aansprakelijk terzake van onbehoorlijke vervulling van de taak van de raad van commissarissen, tenzij hem mede gelet op de aan anderen toebedeelde taken geen ernstig verwijt kan worden gemaakt en hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen van onbehoorlijke taakvervulling af te wenden.

  • 2. Het in artikel 9b leden 3 en 4 bepaalde ten aanzien van bestuurders is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van commissarissen.

Artikel 11c

Het in artikel 9c bepaalde is van overeenkomstige toepassing op commissarissen, met dien verstande dat in de leden 8 en 10 voor artikel 9b moet worden gelezen artikel 11b.

E

Artikel 37 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het vierde lid wordt aan het slot een zin toegevoegd, luidende: Indien de voordracht één kandidaat voor een te vervullen plaats bevat, heeft een besluit over de voordracht tot gevolg dat de kandidaat is benoemd, tenzij het bindende karakter aan de voordracht wordt ontnomen.

2. In het zesde lid komt de laatste volzin te vervallen.

F

Artikel 44 wordt als volgt gewijzigd:

Het eerste lid alsmede de aanduiding ‘2.’ voor het tweede lid komen te vervallen.

G

Artikel 47 komt te luiden:

Artikel 47

Artikel 37 is van overeenkomstige toepassing op schorsing en ontslag van commissarissen en op benoeming van commissarissen die niet reeds bij de akte van oprichting zijn aangewezen.

H

Artikel 50a komt te luiden:

Artikel 50a

De artikelen 139 en 150 zijn van overeenkomstige toepassing op de vereniging waarvan de statuten zijn opgenomen in een notariële akte en die aan de heffing van de vennootschapsbelasting is onderworpen.

I

In artikel 53a, eerste lid, wordt ‘met uitzondering van de artikelen 26 lid 3 en 44 lid 2’ vervangen door: met uitzondering van de artikelen 26 lid 3 en 44.

J

De artikelen 57 en 57a komen te vervallen.

K

Artikel 63f wordt als volgt gewijzigd:

In het vijfde lid wordt ‘artikel 57a lid 2’ vervangen door: artikel 11 lid 10.

L

Na artikel 63j wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 63k
  • 1. In afwijking van artikel 63f lid 1 kan toepassing worden gegeven aan artikel 9a. In dat geval is het bepaalde ten aanzien van de raad van commissarissen onderscheidenlijk de commissarissen in artikel 63f leden 2 tot en met 11 en artikelen 63g tot met 63i van overeenkomstige toepassing op de niet uitvoerende bestuurders.

  • 2. Indien toepassing is gegeven aan artikel 9a vereisen de besluiten in de zin van artikel 63j lid 1 de goedkeuring van de meerderheid van de niet uitvoerende bestuurders. Het ontbreken van de goedkeuring tast de vertegenwoordigingsbevoegdheid van het bestuur of de bestuurders niet aan.

M

In artikel 93, vierde lid, wordt ‘de artikelen 9 en 138’ vervangen door: de artikelen 9b en 9c.

N

Artikel 117 wordt als volgt gewijzigd:

Het vierde lid vervalt onder vernummering van het vijfde tot en met zevende lid tot vierde tot en met zesde lid.

O

Artikel 129 wordt als volgt gewijzigd:

Het eerste, tweede, vijfde en zesde lid vervallen onder vernummering van het derde en vierde lid tot eerste en tweede lid.

P

Artikel 129a komt te vervallen.

Q

Artikel 131 komt te vervallen.

R

In artikel 132, eerste lid, wordt ‘artikel 129a’ vervangen door: artikel 9a.

S

Artikel 134 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid komt de laatste volzin te vervallen.

2. Het derde en vierde lid komen te vervallen.

T

In artikel 135, achtste lid, wordt ‘artikel 129a’ vervangen door: artikel 9a.

U

Artikel 138 komt te vervallen.

V

Artikel 140 komt te vervallen.

W

Artikel 141 komt te vervallen.

X

Artikel 142, derde lid, komt te vervallen.

Y

Artikel 144, tweede lid, komt te luiden:

  • 2. Artikel 134 lid 2 is van overeenkomstige toepassing.

Z

Artikel 145 komt te vervallen.

AA

Artikel 147 komt te vervallen.

BB

Artikel 149 komt te vervallen.

CC

Artikel 151 komt te vervallen.

DD

In artikel 155, eerste lid, aanhef, en in artikel 155a, eerste lid, aanhef, wordt ‘In afwijking van artikel 154 geldt artikel 162 niet voor een vennootschap waarin’ telkens vervangen door: In afwijking van artikel 154 gelden de artikelen 162 en 164a lid 2 niet voor een vennootschap waarin.

EE

Artikel 164a wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste, tweede en vierde lid wordt ‘artikel 129a’ telkens vervangen door: artikel 9a.

2. In het derde lid wordt ‘artikel 129a lid 3’ vervangen door: artikel 9a lid 2.

FF

In artikel 166, tweede lid, onder b, wordt ‘de artikelen 142, 158 leden 3 tot en met 6 en lid 9, en artikel 159’ vervangen door: de artikelen 11 lid 10, 142, 158 leden 3 tot en met 6 en lid 9 en artikel 159.

GG

In artikel 203, vierde lid, wordt ‘de artikelen 9 en 248’ vervangen door: de artikelen 9b en 9c.

HH

In artikel 207, derde lid, wordt ‘Artikel 248 lid 5’ vervangen door: Artikel 9c lid 5.

II

In artikel 216, derde lid, wordt ‘Artikel 248 lid 5’ vervangen door: Artikel 9c lid 5.

JJ

Artikel 227 wordt als volgt gewijzigd:

Het zevende lid vervalt onder vernummering van het achtste lid tot zevende lid.

KK

In artikel 238, tweede lid, komt de laatste volzin te vervallen.

LL

Artikel 239 wordt als volgt gewijzigd:

Het eerste, tweede, vijfde en zesde lid vervallen onder vernummering van het derde en vierde lid tot eerste en tweede lid.

MM

Artikel 239a komt te vervallen.

NN

Artikel 241 komt te vervallen.

OO

In artikel 242, eerste lid, wordt ‘artikel 239a’ vervangen door: artikel 9a.

PP

Artikel 244 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid komt de laatste volzin te vervallen.

2. Het derde en vierde lid komen te vervallen.

QQ

Artikel 248 komt te vervallen.

RR

Artikel 250 komt te vervallen.

SS

Artikel 251 komt te vervallen.

TT

Artikel 252, derde en vierde lid, komen te vervallen.

UU

Artikel 254, tweede lid, komt te luiden:

  • 2. Het tweede lid van artikel 244 is van overeenkomstige toepassing.

VV

Artikel 255 komt te vervallen.

WW

Artikel 257 komt te vervallen.

XX

Artikel 259 komt te vervallen.

YY

Artikel 261 komt te vervallen.

ZZ

In artikel 265, eerste lid, aanhef, en in artikel 265a, eerste lid, aanhef, wordt ‘In afwijking van artikel 264 geldt artikel 272 niet voor een vennootschap waarin’ telkens vervangen door: In afwijking van artikel 264 gelden de artikelen 272 en 274a lid 2 niet voor een vennootschap waarin.

AAA

Artikel 274a wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste en tweede lid wordt ‘artikel 239a’ telkens vervangen door: artikel 9a.

2. In het derde lid wordt ‘artikel 239a lid 3’ vervangen door: artikel 9a lid 2.

3. In het vierde lid wordt ‘artikel 239a lid 1’ vervangen door: artikel 9a.

BBB

In artikel 276, tweede lid, onder b, wordt ‘de artikelen 252 lid 1 tot en met 3, 268 leden 3 tot en met 6 en lid 9, en artikel 269’ vervangen door: de artikelen 11 lid 10, 252, 268 leden 3 tot en met 6 en lid 9, en artikel 269.

CCC

Artikel 286, vierde lid, onderdeel c, komt te luiden:

  • c. de wijze van benoeming en ontslag van bestuurders en, indien er een raad van commissarissen wordt ingesteld, de wijze van benoeming en ontslag van commissarissen;

DDD

Artikel 291 wordt als volgt gewijzigd:

Het eerste lid alsmede de aanduiding ‘2.’ voor het tweede lid komen te vervallen.

EEE

Artikel 298 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. Een bestuurder kan op verzoek van een belanghebbende of van het openbaar ministerie door de rechtbank worden ontslagen wegens verwaarlozing van zijn taak, wegens andere gewichtige redenen, wegens ingrijpende wijziging van omstandigheden op grond waarvan het voortduren van zijn bestuurderschap in redelijkheid niet kan worden geduld of wegens het niet of niet behoorlijk voldoen aan een door de voorzieningenrechter van de rechtbank ingevolge artikel 297 gegeven bevel.

2. Het derde lid komt te luiden:

  • 3. Een door de rechtbank ontslagen bestuurder kan gedurende vijf jaar na het ontslag geen bestuurder of commissaris van een stichting worden.

3. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 4. Het in de voorgaande leden bepaalde is van overeenkomstige toepassing op commissarissen.

FFF

Artikel 300a komt te luiden:

Artikel 300a

De artikelen 139 en 150 zijn van overeenkomstige toepassing op de stichting die aan de heffing van vennootschapsbelasting is onderworpen.

GGG

In artikel 346, tweede lid, wordt ‘artikel 129a of 239a’ vervangen door: artikel 9a.

ARTIKEL II WIJZIGING VAN BOEK 10 VAN HET BURGERLIJK WETBOEK

Boek 10 van het Burgerlijk Wetboek wordt als volgt gewijzigd:

In artikel 121, eerste lid, wordt ‘de artikelen 138 en 149 van Boek 2’ vervangen door: de artikelen 9c en 11c van Boek 2.

ARTIKEL III WIJZIGING VAN DE FAILLISSEMENTSWET

De Faillissementswet wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 43, zesde lid, wordt ‘Artikel 138, tiende lid, van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek’ vervangen door: Artikel 9c, tiende lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.

B

In artikel 212m, derde lid, onder c, wordt ‘de termijnen, vermeld in de artikelen 138, zesde lid, en 248, zesde lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, aanvangen’ vervangen door: de termijn, vermeld in artikel 9c, zesde lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, aanvangt.

C

In artikel 213f, derde lid, onder c, wordt ‘de termijnen, vermeld in de artikelen 138, zesde lid, en 248, zesde lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, aanvangen’ vervangen door: de termijn, vermeld in artikel 9c, zesde lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, aanvangt.

D

In artikel 249, eerste lid, onder 1, wordt ‘de artikelen 138, zesde lid, en 248, zesde lid, van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek’ vervangen door: artikel 9c, zesde lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.

ARTIKEL IV WIJZIGING VAN DE WET OP DE FORMEEL BUITENLANDSE VENNOOTSCHAPPEN

De Wet op de formeel buitenlandse vennootschappen wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 4, eerste lid, wordt ‘de artikelen 9, 216, derde lid, en 248 van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek’ vervangen door: de artikelen 9, 9b, 9c en 216, derde lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.

B

In artikel 6 wordt ‘de artikelen 249, 260 en 261 van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek’ vervangen door: de artikelen 249 en 260 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.

ARTIKEL V WIJZIGING VAN DE WET CONTROLE OP RECHTSPERSONEN

In artikel 3, eerste lid, onder b, van de Wet controle op rechtspersonen wordt ‘de artikelen 138, tiende lid, 50a, 53a, 248, tiende lid en 300a van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek’ vervangen door: de artikelen 9c, tiende lid, en 11c van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.

ARTIKEL VI WIJZIGING VAN DE INVOERINGSWET VEREENVOUDIGING EN FLEXIBILISERING BV-RECHT

Artikel V.2, zevende lid, van de Invoeringswet vereenvoudiging en flexibilisering bv-recht komt te vervallen.

ARTIKEL VII WIJZIGING VAN DE UITVOERINGSWET VERORDENING EUROPESE VENNOOTSCHAP

In artikel 12 van de Uitvoeringswet verordening Europese vennootschap wordt ‘artikel 134, vierde lid, van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek’ vervangen door: artikel 9, zesde lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.

ARTIKEL VIII WIJZIGING VAN DE WET OP HET FINANCIEEL TOEZICHT

In artikel 3:19, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht wordt ‘de artikelen 140, onderscheidenlijk 250, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek’ vervangen door: artikel 11 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.

ARTIKEL IX WIJZIGING VAN DE PENSIOENWET

In artikel 104, tweede lid, van de Pensioenwet wordt ‘Artikel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek is van overeenkomstige toepassing’ vervangen door: Artikelen 9 en 9b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek zijn van overeenkomstige toepassing.

ARTIKEL X WIJZIGING VAN DE WET VERPLICHTE BEROEPSPENSIOENREGELING

De Wet verplichte beroepspensioenregeling wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 110, tweede lid, wordt ‘artikel 129a van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek’ vervangen door: artikel 9a, eerste, tweede en vijfde lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.

B

In artikel 110a, tweede lid, wordt ‘Artikel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek is van overeenkomstige toepassing’ vervangen door: Artikelen 9 en 9b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek zijn van overeenkomstige toepassing.

ARTIKEL XI WIJZIGING VAN DE WET OP DE LOONVORMING

In artikel 20, eerste lid, van de Wet op de loonvorming wordt ‘het in de artikelen 131 en 241 van Boek 2 (Rechtspersonen) van het Burgerlijk Wetboek bepaalde’ vervangen door: het in de artikelen 9b, derde lid, en 11b, tweede lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek bepaalde.

ARTIKEL XII WIJZIGING VAN DE WONINGWET

De Woningwet wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 24, zesde lid, komt te luiden:

  • 6. De artikelen 43 leden 2 tot en met 6, 44, 291, 293 en 294 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek zijn niet van toepassing.

B

Artikel 25, zevende lid, komt te vervallen.

C

Artikel 30 wordt als volgt gewijzigd:

In het elfde lid vervalt onderdeel a alsmede de aanduiding ‘:’ in de aanhef en de aanduiding ‘b.’ voor onderdeel b.

D

Artikel 31 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid vervallen de eerste en tweede volzin.

2. Het derde lid vervalt onder vernummering van het vierde tot derde lid.

E

Artikel 32 komt te vervallen.

F

In artikel 59, derde lid, onder d, wordt ‘artikel 31, vierde lid’ vervangen door: artikel 31, derde lid.

ARTIKEL XIII WIJZIGING VAN DE ELEKTRICITEITSWET 1998

In artikel 11, tweede lid, onder c, van de Elektriciteitswet 1998 wordt ‘artikel 129, derde lid, of artikel 239, derde lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek’ vervangen door: artikel 129, eerste lid, of artikel 239, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.

ARTIKEL XIV WIJZIGING VAN DE GASWET

In artikel 3, tweede lid, onder c, van de Gaswet wordt ‘artikel 129, derde lid, of artikel 239, derde lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek’ vervangen door: artikel 129, eerste lid, of artikel 239, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.

ARTIKEL XV OVERGANGSRECHT

  • 1. De artikelen 29, eerste lid, 74, 79 en 80 Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek zijn van overeenkomstige toepassing.

  • 2. De rechtspersoon brengt bij de eerstvolgende statutenwijziging na inwerkingtreding van deze wet de statuten in overeenstemming met artikel 9 lid 6 en artikel 11 lid 7 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.

ARTIKEL XVI INWERKINGTREDING

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

ARTIKEL XVII CITEERTITEL

Deze wet wordt aangehaald als: Wet bestuur en toezicht rechtspersonen.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

De Minister van Veiligheid en Justitie,

MEMORIE VAN TOELICHTING

I. Algemeen deel

1. Doel van het wetsvoorstel

Dit wetsvoorstel beoogt de regeling voor bestuur en toezicht bij de verschillende soorten rechtspersonen aan te vullen en te verduidelijken. Het voorstel is daarbij met name gericht op verbetering van het wettelijke kader voor de vereniging, de coöperatie, de onderlinge waarborgmaatschappij en de stichting. Hiermee wordt voorzien in een behoefte van de praktijk.

Een belangrijk element van dit wetsvoorstel is dat er voor alle rechtspersonen een wettelijke grondslag komt voor de mogelijkheid tot instelling van een raad van commissarissen. Ook wordt het voor alle rechtspersonen mogelijk om te kiezen voor een monistisch bestuurssysteem. Verder wordt voor de vereniging, de coöperatie, de onderlinge waarborgmaatschappij en de stichting, helderheid verschaft omtrent (i) de uitgangspunten die bestuurders en commissarissen bij de vervulling van hun taak in acht moeten nemen, (ii) de positie van bestuurders en commissarissen met een tegenstrijdig belang en (iii) de regels over aansprakelijkheid van bestuurders en commissarissen. Dit gebeurt door de regels die op deze punten al gelden voor de naamloze vennootschap (de NV) en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid (de BV), te verplaatsen naar het algemene gedeelte van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek (Boek 2 BW). Door de bedoelde regels op te nemen in het algemene gedeelte, komen zij ook te gelden voor de vereniging, de coöperatie, de onderlinge waarborgmaatschappij en de stichting. Daarbij wordt, waar dat nodig is, wel rekening gehouden met de verschillen tussen deze rechtspersonen. Ten slotte wordt de regeling voor ontslag van een stichtingsbestuurder door de rechter, gemoderniseerd en verduidelijkt. De ontslagregeling komt daarbij ook te gelden voor commissarissen van een stichting.

Het wetsvoorstel beoogt niet om wijziging te brengen in bestaande bestuurs- en toezichtstructuren bij de verschillende soorten rechtspersonen. Het voorstel bevat vooral een verduidelijking van het reeds geldende juridische kader. Evenmin wordt wijziging gebracht in het toepassingsbereik van de regeling omtrent het aantal bestuurs- en toezichtfuncties dat iemand kan vervullen. De laatstgenoemde regeling, die onderdeel is van de Wet bestuur en toezicht, zal in 2016 worden geëvalueerd.

2. Aanleiding voor het wetsvoorstel

In het rechtspersonenrecht is het bestuur en toezicht op een aantal punten nog niet afdoende wettelijk geregeld. Voor een aantal aspecten van bestuur en toezicht geldt namelijk dat deze wel geregeld zijn voor de NV en de BV, maar dat de regeling voor de andere rechtspersonen van Boek 2 BW ontbreekt of onvolledig is. Het gaat dan om de regeling voor de vereniging, de coöperatie, de onderlinge waarborgmaatschappij en de stichting. Omdat de vormgeving van bestuur en toezicht ook voor de laatstgenoemde rechtspersonen van wezenlijk belang is, bestaat behoefte aan aanvulling en verduidelijking van de wettelijke regeling van deze rechtspersonen.

Een van de onderwerpen die op dit moment onvoldoende geregeld is, betreft de taakstelling van bestuurders en commissarissen. Belangrijk uitgangspunt van het rechtspersonenrecht is dat bestuurders en commissarissen gehouden zijn tot een behoorlijke taakvervulling en dat zij zich bij de vervulling van hun taak dienen te richten naar het belang van de rechtspersoon en de daaraan verbonden onderneming of organisatie. Dit uitgangspunt is voor de vereniging, de coöperatie, de onderlinge waarborgmaatschappij en de stichting echter niet in de wet vastgelegd. Het met de taakstelling verband houdende aansprakelijkheidsregime van bestuurders en commissarissen is bij deze rechtspersonen eveneens onvoldoende duidelijk. Verder bestaat behoefte aan een aanvulling van de wettelijke regeling omtrent de raad van commissarissen. Voor de vereniging en de stichting is de raad van commissarissen op dit moment niet wettelijk geregeld. Daardoor bestaat er in de praktijk onzekerheid over onder meer de bevoegdheden van de raad van commissarissen bij deze rechtspersonen.

Een ander onderwerp dat voor een aantal rechtspersonen nog onvoldoende geregeld is, betreft de besluitvorming bij tegenstrijdig belang van een bestuurder of commissaris. Voor de stichting ontbreekt een wettelijke regeling op dit punt geheel. Verder bestaan er onnodige verschillen tussen de tegenstrijdig-belangregeling voor de NV en de BV en de tegenstrijdig-belangregeling voor de vereniging, coöperatie en onderlinge waarborgmaatschappij. De regeling voor de laatstgenoemde drie rechtspersonen blijkt in de praktijk bovendien onvoldoende duidelijk te zijn.

Sinds enkele jaren geeft de wet aan de NV en de BV de mogelijkheid om te kiezen voor een monistisch bestuursmodel. Voor de andere rechtsvormen kent de wet deze mogelijkheid niet. Dat laatste wordt in de praktijk als een gemis ervaren. Ook bij de andere rechtspersonen bestaat behoefte aan een wettelijke verankering van het monistisch bestuurssysteem.

Het voorliggende wetsvoorstel bewerkstelligt dat de wettelijke regeling van de rechtspersonen in Boek 2 BW wordt aangevuld en verduidelijkt. In dat kader wordt een aantal regels die reeds gelden voor de NV en de BV, verplaatst naar het algemene gedeelte van de wettelijke regeling. De betreffende regels komen daardoor te gelden voor alle rechtspersonen. Voordeel van deze werkwijze is onder andere dat de uitleg die bij de NV en de BV al aan de betreffende regel is gegeven, ook kan worden toegepast voor de andere rechtspersonen. Zodoende kan er onderlinge kruisbestuiving plaatsvinden en worden onnodige verschillen tussen de rechtsvormen weggenomen. Hiermee wordt de rechtszekerheid bevorderd. Omdat de regeling voor de Europese Vennootschap (SE) en de regeling voor de Europese Coöperatieve Vennootschap (SCE) deels aansluiten bij de regeling van de NV en de coöperatie, draagt het wetsvoorstel ook voor die rechtsvormen bij aan een verduidelijking en uniformering van het toepasselijke recht.

Het is de bedoeling dat door de aanvulling en verduidelijking van de regeling van rechtspersonen in Boek 2 BW, deze regeling ook beter bruikbaar wordt als basisregeling. In sectorspecifieke regelgeving kunnen eventueel aanvullende regels worden gesteld. Daarbij kan zo nodig ook van de algemene basisregeling worden afgeweken. Het wetsvoorstel zelf is overigens niet gekoppeld aan bepaalde huidige of toekomstige sectorspecifieke regelgeving. Bedoeling is juist dat er in sectorspecifieke regeling bij de regeling van dit wetsvoorstel wordt aangeknoopt. Illustratief in dat verband is het wetsvoorstel tot wijziging van een aantal onderwijswetten in verband met versterking van de bestuurskracht van onderwijsinstellingen. Blijkens de memorie van toelichting bij dat wetsvoorstel wordt met die regeling onder meer aangesloten bij de in het onderhavige voorstel gegeven regels voor de taakvervulling en aansprakelijkheid van bestuurders en commissarissen (Kamerstukken II 2014/15, 34 251, nr. 3, p. 5 en 24-25).

Met de in dit wetsvoorstel neergelegde regeling wordt ook invulling gegeven aan de aanbevelingen van de Commissie Behoorlijk Bestuur (de Commissie Maatschappelijk verantwoord bestuur en toezicht in de semipublieke sector, onder voorzitterschap van mevrouw F. Halsema; zie bijlage bij Kamerstukken II 2012/13, 28 479, nr. 68). Deze commissie heeft aangedrongen op een nauwkeuriger omschrijving van de taak en de aansprakelijkheid van bestuurders en toezichthouders van instellingen in semipublieke sectoren, en op de invoering van een tegenstrijdig-belangregeling voor deze instellingen. Het voorstel vormt verder de hoeksteen van de maatregelen ter verbetering van de kwaliteit van bestuur en toezicht bij verenigingen en stichtingen in semipublieke sectoren, zoals deze zijn aangekondigd in de brief aan de Tweede Kamer van 12 november 2013 (Kamerstukken II 2013/14, 33 750 VI, nr. 31).

In de navolgende paragraaf wordt kort ingegaan op de belangrijkste elementen van het wetsvoorstel.

3. Inhoud van het wetsvoorstel
3.1. Wettelijke grondslag voor raad van commissarissen bij vereniging en stichting

Voor de vereniging en de stichting voorziet de huidige wettelijke regeling niet in een uitdrukkelijke grondslag voor de instelling – uit eigen beweging – van een raad van commissarissen. Een dergelijke grondslag bestaat enkel bij de NV (artikel 2:140 lid 1 BW), de BV (artikel 2:250 lid 1 BW) en de coöperatie en onderlinge waarborgmaatschappij (artikel 2:57 lid 1 BW). Met dit wetsvoorstel wordt in het algemene gedeelte van Boek 2 BW een bepaling opgenomen over de instelling van een raad van commissarissen (artikel 2:11). Deze bepaling komt te gelden voor alle genoemde rechtspersonen en dus ook voor de vereniging en de stichting. Bij de internetconsultatie over het voorontwerp is naar voren gekomen dat hiermee voorzien wordt in een belangrijke behoefte van de praktijk.

Een deel van de verenigingen en stichtingen werkt al met een raad van commissarissen, ook al ontbreekt een uitdrukkelijke wettelijke grondslag daarvoor. Het betreffende orgaan wordt daarbij ook wel aangeduid als ‘raad van toezicht’. De benaming van het toezichthoudend orgaan is echter niet bepalend voor de juridische kwalificatie van dat orgaan. Ook een toezichthoudend orgaan dat wordt aangeduid als ‘raad van toezicht’, kan een raad van commissarissen zijn in de zin van de wet. Dit laatste komt in het artikelsgewijze gedeelte van deze toelichting nog nader aan de orde.

3.2. Wettelijke grondslag voor monistisch bestuurssysteem bij de vereniging, coöperatie, onderlinge waarborgmaatschappij en stichting

De voorgestelde regeling biedt aan alle rechtspersonen de mogelijkheid om te kiezen voor een monistisch bestuurssysteem (artikel 2:9a). Bij een monistisch bestuurssysteem bestaat er geen afzonderlijk toezichthoudend orgaan, maar wordt de toezichthoudende functie vervuld door niet-uitvoerende bestuurders. Deze niet-uitvoerende bestuurders maken evenals de uitvoerende bestuurders deel uit van het bestuur. Als voordeel van dit bestuursmodel wordt met name beschouwd dat de niet-uitvoerende bestuurders, in vergelijking met de leden van een raad van commissarissen, meer betrokken zijn bij het dagelijkse bestuur van de rechtspersoon en zij daardoor in beginsel ook een nauwer toezicht kunnen houden op de gang van zaken bij de rechtspersoon. Met de voorgestelde regeling kan de rechtspersoon zelf kiezen welk bestuursmodel het beste bij hem past. Overigens kan de mogelijkheid om te kiezen voor een monistisch bestuursmodel in sectorspecifieke regelgeving wel worden uitgesloten.

Voor de NV en de BV bestaat sinds 2013 al de mogelijkheid om te kiezen voor een monistisch bestuursmodel. Uit de consultatie is gebleken dat ook bij verenigingen en stichtingen behoefte bestaat aan de mogelijkheid om een monistisch bestuursmodel te hanteren. Om deze reden is ervoor gekozen om het monistisch bestuurssysteem ook bij deze rechtspersonen wettelijk te regelen. Eerder was al een consultatie gehouden over een voorontwerp over het monistisch bestuursmodel bij de coöperatie en de onderlinge waarborgmaatschappij. De beoogde regeling voor de coöperatie en de onderlinge waarborgmaatschappij is nu in dit wetsvoorstel geïntegreerd. De vragen en suggesties van technische aard die bij de laatstgenoemde consultatie naar voren zijn gekomen, komen in het artikelsgewijze gedeelte van deze toelichting aan de orde.

3.3. Uniformering van norm voor taakvervulling bestuurders en commissarissen

De norm waarnaar bestuurders en commissarissen zich bij de vervulling van hun taak moeten richten, is voor de NV en de BV uitdrukkelijk in de wet vastgelegd. Sinds de inwerkingtreding van de Wet bestuur en toezicht op 1 januari 2013, bepaalt de wet voor bestuurders van deze rechtspersonen dat zij zich bij de vervulling van hun taak richten naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming (artikel 2:129/239 lid 5 BW). Voor commissarissen van de NV en de BV bestaat een dergelijke bepaling al langer (artikel 2:140/250 lid 2 BW). Bij verenigingen, coöperaties, onderlinge waarborgmaatschappijen en stichtingen ontbreekt een dergelijke normstelling. Ook bij deze rechtspersonen worden bestuurders en commissarissen echter geconfronteerd met een samenloop van belangen. Het kan daarbij bijvoorbeeld gaan om de belangen van leden, van donateurs, van schuldeisers, van werknemers en van vrijwilligers. Met het wetsvoorstel wordt daarom in de algemene bepalingen van Boek 2 BW opgenomen dat bestuurders en commissarissen zich bij de vervulling van hun taak richten naar het belang van de rechtspersoon en de daaraan verbonden onderneming of organisatie (artikel 2:9 lid 3 en artikel 2:11 lid 4). Hiermee komt deze norm te gelden voor bestuurders en commissarissen van alle rechtspersonen. Voor wat betreft de NV en de BV betekent dit geen verandering. In de formulering is alleen de term ‘organisatie’ toegevoegd, dit omdat niet alle verenigingen en stichtingen een onderneming drijven. Op dit laatste wordt in het artikelsgewijze gedeelte van deze toelichting nog nader ingegaan.

3.4. Uniformering van tegenstrijdig-belangregeling

Voor de meeste rechtspersonen – de NV, de BV, de vereniging, de coöperatie en de onderlinge waarborgmaatschappij – geeft de wet een regeling voor het geval dat een bestuurder of commissaris een belang heeft dat tegenstrijdig is met dat van de rechtspersoon. Deze regeling strekt ter bescherming van de belangen van de rechtspersoon en van degenen die bij die rechtspersoon betrokken zijn. Voor de stichting ontbreekt een dergelijke tegenstrijdig-belangregeling.

Voor de vereniging, coöperatie en onderlinge waarborgmaatschappij geldt een tegenstrijdig-belangregeling met een zogenaamde ‘vertegenwoordigingsregel’. Deze regel houdt in dat in het geval dat de rechtspersoon een tegenstrijdig belang heeft met een of meer bestuurders of commissarissen, de algemene vergadering een of meer personen kan aanwijzen om de rechtspersoon te vertegenwoordigen (artikel 2:47 BW en artikel 2:53a lid 1 BW). De genoemde ‘vertegenwoordigingsregel’ blijkt in de praktijk niet naar behoren te functioneren, onder meer omdat zij leidt tot rechtsonzekerheid bij de rechtspersoon en bij de wederpartij. De nadelen van de ‘vertegenwoordigingsregel’ zijn aanleiding geweest om voor de NV en de BV per 1 januari 2013 over te stappen naar een zogeheten ‘besluitvormingsregel’. Deze laatste regel houdt in dat een bestuurder of commissaris met een tegenstrijdig belang niet deelneemt aan de beraadslaging en de besluitvorming (zie artikel 2:129/239 lid 6 BW en artikel 2:140/250 lid 5 BW).

Voor stichtingen kent de wet, zoals vermeld, op dit moment geen tegenstrijdig-belangregeling. Mede omdat er tegenwoordig ook veel professionele organisaties zijn die de rechtsvorm van een stichting hebben, bestaat aan een dergelijke regeling echter wel behoefte. Een wettelijke tegenstrijdig-belangregeling bevordert in de eerste plaats dat bestuurders en commissarissen zich bij hun taakvervulling daadwerkelijk richten naar het belang van de stichting en de daaraan verbonden onderneming of organisatie. Daarnaast draagt een dergelijke regeling bij aan de rechtszekerheid. Het ontbreken van een wettelijke regeling leidt tot onduidelijkheid ten aanzien van de vraag in hoeverre bestuurders en commissarissen met een tegenstrijdig belang, een rol kunnen spelen bij de besluitvorming en in hoeverre zij de stichting kunnen vertegenwoordigen bij de uitvoering van het betreffende besluit.

Voorgesteld wordt om de tegenstrijdig-belangregeling die nu al geldt voor bestuurders en commissarissen van de NV en de BV, te verplaatsen naar het algemene gedeelte van Boek 2 BW. Door de plaatsing in het algemene deel, komt de regeling voor bestuurders (artikel 2:9 lid 5) en de regeling voor commissarissen (artikel 2:11 lid 6) te gelden voor alle rechtspersonen. Daarmee komt voor alle rechtspersonen te gelden dat bestuurders met een tegenstrijdig belang niet mogen deelnemen aan de beraadslaging en besluitvorming over het betreffende onderwerp. Als alle bestuurders een tegenstrijdig belang hebben, kan het bestuur geen besluit nemen; in dat geval verschuift de beslissingsbevoegdheid naar de raad van commissarissen. Als er geen raad van commissarissen is, komt de bevoegdheid bij de algemene vergadering te liggen. Voor de commissarissen gelden overeenkomstige regels: commissarissen met een tegenstrijdig belang mogen niet deelnemen aan de beraadslaging en de besluitvorming. Wanneer alle commissarissen een tegenstrijdig belang hebben, komt de beslissingsbevoegdheid te liggen bij de algemene vergadering. In de statuten kan overigens anders worden bepaald. De statuten kunnen bijvoorbeeld inhouden dat het besluit alsnog genomen kan worden door het bestuur of door de raad van commissarissen. Met deze regeling wordt zeker gesteld dat de rechtspersoon ook in geval van tegenstrijdig belang van een of meer bestuurders of commissarissen, een besluit kan nemen. Bovendien wordt voorkomen dat de tegenstrijdig-belangregeling te belastend is.

De voorgestelde regeling bevat een aanvulling voor bestuurders en commissarissen van een stichting. Reden daarvoor is dat de stichting geen algemene vergadering kent. Voor stichtingen wordt daarom bepaald dat als de stichting geen raad van commissarissen heeft, de bevoegdheid ook in geval van tegenstrijdig belang van de bestuurders blijft rusten bij het bestuur. Het bestuur van de stichting moet dan wel schriftelijk vastleggen wat de overwegingen zijn die aan het besluit ten grondslag liggen. Als de stichting wél een raad van commissarissen heeft, blijft deze raad van commissarissen ook in geval van tegenstrijdig belang van de commissarissen bevoegd om te beslissen. Ook voor de raad van commissarissen geldt dan dat de overwegingen die aan het besluit ten grondslag liggen, schriftelijk moeten worden vastgelegd. Met dit vereiste van schriftelijke vastlegging wordt bewerkstelligd dat bestuurders en commissarissen zich rekenschap geven van de norm dat zij bij de vervulling van hun taak, de belangen van de rechtspersoon en de daaraan verbonden onderneming of organisatie dienen te laten prevaleren boven hun persoonlijke belangen. De schriftelijke vastlegging helpt de bestuurder overigens ook als hij achteraf verantwoording moet afleggen voor zijn besluit. Het vereiste van schriftelijke vastlegging van de overwegingen die aan het besluit ten grondslag liggen, betreft als zodanig overigens niet de totstandkoming van het besluit. Het niet-naleven van dit vereiste leidt dus niet tot nietigheid of vernietigbaarheid van het besluit (vgl. artikelen 2:14 en 2:15 BW).

3.5. Uniformering van regels voor aansprakelijkstelling in geval van faillissement

Het wetsvoorstel beoogt een duidelijke algemene regeling te geven voor aansprakelijkstelling van bestuurders en commissarissen bij faillissement. Nu zijn deze regels nog verspreid over de verschillende titels van Boek 2 BW. De regeling voor de NV is te vinden in artikel 2:138/149 BW. De laatstgenoemde bepalingen gelden op grond van schakelbepalingen ook voor de commerciële vereniging, de coöperatie, de onderlinge waarborgmaatschappij en de commerciële stichting (artikel 2:50a BW, artikel 2:53a BW en artikel 2:300a BW). De regeling voor de BV is te vinden in artikel 2:248/259 BW.

Met het wetsvoorstel wordt in artikel 2:9c een uniforme regeling gegeven voor de aansprakelijkstelling van bestuurders door de faillissementscurator. Het voorgestelde artikel 2:11c verklaart deze regeling van overeenkomstige toepassing op commissarissen. Inhoudelijk zijn de voorgestelde bepalingen grotendeels gelijk aan de regeling die nu reeds voor de meeste rechtspersonen geldt. Mede naar aanleiding van de reacties bij de consultatie, wordt de regeling wel aangevuld om meer bescherming te bieden aan onbezoldigde bestuurders en commissarissen van niet-commerciële verenigingen en stichtingen en onbezoldigde bestuurders en commissarissen van informele verenigingen (zie artikel 2:9c lid 2 en artikel 2:11c). Deze aanvulling strekt ertoe om te voorkomen dat vrijwilligers zich ten onrechte laten weerhouden om zich in te zetten als bestuurder of commissaris van bijvoorbeeld een buurtvereniging of een kleine sportvereniging.

De regeling van de voorgestelde artikelen 2:9c en 2:11c is, evenals de thans geldende regeling, uitsluitend van toepassing in geval van faillissement van de rechtspersoon. De regeling betreft de aansprakelijkheid van bestuurders en commissarissen jegens de boedel, en de vordering kan dan ook uitsluitend door de faillissementscurator worden ingesteld. Dat laatste was ook een van de redenen dat in het voorontwerp was voorgesteld om de regeling te verplaatsen naar de Faillissementswet. Mede naar aanleiding van de reacties bij de consultatie en het advies van de Commissie vennootschapsrecht is de regeling nu echter opgenomen in de algemene bepalingen van Boek 2 BW. Door deze plaatsing in het algemene gedeelte wordt de inhoudelijke samenhang met de normen voor bestuur en aansprakelijkheid benadrukt. De normstelling die ten grondslag ligt aan de regeling voor aansprakelijkstelling in geval van faillissement, wijkt immers niet af van de algemene normen voor het handelen van bestuurders en commissarissen (zie daarover eerder reeds Kamerstukken II 1983/84, 16 631, nr. 6, p. 33-34).

3.6. Modernisering van criteria voor ontslag bestuurders en commissarissen van stichting

Bij de stichting is het bestuur in veel gevallen het enige orgaan van de rechtspersoon. Om deze reden kent de wet een bijzondere regeling voor ontslag van een stichtingsbestuurder. Op grond van artikel 2:298 BW kan een stichtingsbestuurder op verzoek van het openbaar ministerie of van een belanghebbende worden ontslagen indien de bestuurder handelt in strijd met de wet of de statuten of hij zich schuldig maakt aan wanbeheer. Deze ontslaggronden zijn in de jurisprudentie beperkt uitgelegd. Ontslag door de rechter kan daardoor pas plaatsvinden als redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over de onrechtmatigheid van het handelen of wanneer sprake is van financieel wanbeheer (zie onder meer Hoge Raad 3 januari 1975, ECLI:NL:HR:1975:AD4123, NJ 1975/222). In de praktijk blijken deze ontslaggronden in bepaalde gevallen niet toereikend om het ontslag te bewerkstelligen van een bestuurder die het belang van de stichting zodanig schaadt dat het niet langer verantwoord is om hem als bestuurder te handhaven. Deze situatie is onwenselijk. Zij kan er onder omstandigheden toe leiden dat de continuïteit van de betreffende stichting in gevaar komt. In geval van stichtingen die actief zijn in semipublieke sectoren, kan daardoor mogelijk ook de uitvoering van diensten of taken van publiek belang in het gedrang komen.

Het wetsvoorstel bevat een aangepaste regeling voor ontslag van een stichtingsbestuurder door de rechter. Ingevolge de voorgestelde bepaling kan een stichtingsbestuurder door de rechter worden ontslagen wegens verwaarlozing van zijn taak, wegens andere gewichtige redenen, wegens ingrijpende wijziging van omstandigheden op grond waarvan het voortduren van het bestuurderschap in redelijkheid niet geduld kan worden, en wegens het niet of niet behoorlijk voldoen aan een bevel van de voorzieningenrechter (artikel 2:298 lid 1). Met de regeling wordt, mede naar aanleiding van het advies van de Commissie vennootschapsrecht, aangesloten bij de criteria voor ontslag van een commissaris van een structuurvennootschap door de Ondernemingskamer (zie artikel 2:161 lid 2 BW en artikel 2:271 lid 2 BW). De voorgestelde regeling past hiermee beter bij de functie die stichtingen vandaag de dag in het maatschappelijke en economische verkeer vervullen.

Wanneer er bij de stichting een raad van commissarissen is ingesteld, is dat orgaan vanwege het ontbreken van een algemene vergadering evenmin onderworpen aan een vorm van interne controle. Een wettelijke regeling voor ontslag van een commissaris door de rechter ontbreekt thans echter. Met het wetsvoorstel wordt de regeling op dit punt aangevuld, en wel doordat de regeling van ontslag van een stichtingsbestuurder van overeenkomstige toepassing wordt verklaard op de commissaris van een stichting (artikel 2:298 lid 4).

4. Gevolgen voor het bedrijfsleven

Met de voorgestelde regeling worden de regels voor bestuur en toezicht bij Nederlandse rechtspersonen aangevuld en verduidelijkt. Het Nederlandse ondernemingsrecht wordt zo merkbaar beter hanteerbaar en daarmee ook aantrekkelijker. Met dit voorstel wordt de algemene regeling van rechtspersonen in Boek 2 BW ook beter bruikbaar als basis voor regelgeving die gericht is op specifieke sectoren.

Het wetsvoorstel beoogt geen wijziging te brengen in bestaande bestuurs- en toezichtsstructuren. Het voorstel noodzaakt evenmin tot het wijzigen van de statuten. Zo geldt de verplichting van artikel 2:9 lid 6 om in de statuten een ontstentenis- of beletregeling op te nemen, vanaf de eerstvolgende statutenwijziging na de inwerkingtreding van deze wet (artikel XV). Een rechtspersoon die nog geen statutaire ontstentenis- of beletregeling heeft, kan bij de eerstvolgende statutenwijziging dus eenvoudig aan deze verplichting voldoen.

Het bedrijfsleven zal naar verwachting enige kosten moeten maken om kennis te nemen van de wijziging van de wettelijke regeling. Overigens wordt verwacht dat deze kosten zeer beperkt zullen zijn; de voorgestelde regeling bestaat namelijk voor een belangrijk deel uit een verduidelijking en herschikking van reeds geldende rechtsregels. Voor het overige leidt de voorgestelde regeling niet tot kosten of tot een toename van lasten voor het bedrijfsleven. Het voorstel introduceert geen wettelijke verplichtingen tot verstrekking van informatie aan de overheid en leidt derhalve niet tot een verzwaring van administratieve lasten. Op langere termijn zullen mogelijk juist kosten bespaard kunnen worden doordat de wettelijke regeling duidelijker en beter toegankelijk wordt. Het voorstel zal daardoor naar verwachting neutrale tot te verwaarlozen positieve kwantitatieve regeldrukeffecten hebben.

5. Consultatie

Over het voorontwerp van dit wetsvoorstel heeft een internetconsultatie plaatsgevonden. Uit de consultatie kwam naar voren dat er brede steun bestaat voor het streven naar verbetering van de kwaliteit van het bestuur en toezicht bij verenigingen, coöperaties, onderlinge waarborgmaatschappijen en stichtingen. Voor de meeste onderdelen van de thans voorgestelde regeling bleek eveneens aanzienlijke steun te bestaan. Na de consultatie is het aangepaste ontwerpvoorstel voorgelegd aan de Commissie vennootschapsrecht. De Commissie vennootschapsrecht heeft op 19 oktober 2015 advies uitgebracht. Dit advies is als bijlage bij deze memorie van toelichting gevoegd.

Naar aanleiding van de reacties in de consultatie en het advies van de Commissie vennootschapsrecht is de voorziene regeling op een aantal punten aangepast. Zo was in het voorontwerp nog opgenomen dat de regeling voor aansprakelijkstelling van bestuurders en commissarissen bij faillissement, verplaatst zou worden naar de Faillissementswet. Mede naar aanleiding van de reacties bij de consultatie en het advies van de Commissie vennootschapsrecht, wordt die regeling met dit wetsvoorstel echter gehandhaafd in Boek 2 BW. De regeling wordt nu opgenomen in het algemene gedeelte van Boek 2 BW. En andere belangrijke aanpassing betreft de aansprakelijkheidsregel voor onbezoldigde bestuurders van niet-commerciële verenigingen en stichtingen. In de consultatie en in het advies van de Commissie vennootschapsrecht is de vrees geuit dat het door toepassing van de algemene aansprakelijkheidsregeling op die bestuurders, moeilijker zou worden om vrijwilligers te vinden voor bijvoorbeeld een bestuursfunctie bij een buurtvereniging. Mede naar aanleiding van deze reacties is in het voorliggende wetsvoorstel een regeling opgenomen om de drempel voor aansprakelijkheid van de genoemde onbezoldigde bestuurders te verhogen.

Bij de consultatie is in meerdere reacties gepleit om ook voor de vereniging en de stichting een wettelijke regeling te treffen over gebruik van een monistisch bestuurssysteem. Het voorontwerp voorzag niet in een dergelijke regeling. Mede naar aanleiding van die reacties is in dit wetsvoorstel alsnog in de bedoelde regeling voorzien. Daarbij is in dit voorstel geïntegreerd het voorontwerp tot wijziging van Boek 2 BW in verband met het vastleggen van een monistisch bestuursmodel voor de coöperatie en de onderlinge waarborgmaatschappij. Bij de internetconsultatie over het laatstgenoemde voorstel was gebleken van brede steun voor dat voorstel. Het laatstgenoemde voorontwerp is ook met de Commissie vennootschapsrecht besproken.

In verschillende reacties is opgemerkt dat een raad van commissarissen zijn werk alleen goed kan doen als deze de daarvoor benodigde informatie krijgt. Er zou daarom in het algemeen gedeelte van Boek 2 BW een bepaling opgenomen moeten worden over de verstrekking van informatie aan de raad van commissarissen. Deze suggestie is overgenomen. Hetzelfde geldt voor de suggestie om in het algemeen gedeelte de verplichting op te nemen om in de statuten te voorzien in een regeling omtrent belet en ontstentenis van bestuurders en commissarissen.

In enkele reacties is opgemerkt dat de voorgestelde tegenstrijdig-belangregeling te bezwarend zou kunnen zijn voor kleine verenigingen en stichtingen. Er is echter geen aanleiding gezien om het voorziene regime op dit punt te wijzigen. Reden daarvoor is dat indien een rechtspersoon de voorgestelde hoofdregel te bezwarend vindt, hij op dat punt in de statuten een andersluidende regeling kan opnemen. Ook een aantal suggesties van de Commissie vennootschapsrecht is niet in dit wetsvoorstel overgenomen. Voor een deel van deze suggesties geldt dat zij niet zijn overgenomen omdat zij buiten het doel en de reikwijdte van het wetsvoorstel vallen. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om het voorstel om de verschillende wijze van categorisering van stichtingen en verenigingen in onder meer het enquêterecht en het jaarrekeningenrecht, opnieuw te bezien. De laatstgenoemde suggestie kan betrokken worden bij de evaluatie van de door de Wet bestuur en toezicht geïntroduceerde wettelijke beperking van het aantal commissariaten. Een ander voorstel dat niet is overgenomen betreft het advies om de regeling inzake de raadgevende stem van bestuurders in de algemene vergadering, van aanvullend recht te maken. Reden hiervoor is dat deze raadgevende stem het functioneren van het bestuur en toezicht bij rechtspersonen juist kan versterken. In de huidige regeling is deze raadgevende stem bij een aantal rechtspersonen overigens ook van dwingend recht (zie artikel 2:57 lid 7 BW, artikel 2:117 lid 4 en artikel 2:227 lid 1 BW).

II. Artikelen

Artikel I Wijziging van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek
A
Wijziging artikel 2:9 BW
Inleiding

Dit onderdeel wijzigt artikel 2:9 BW. De voorgestelde wijziging houdt verband met een van de doelstellingen van dit wetsvoorstel, namelijk de concentratie van een aantal voor alle rechtspersonen geldende kernbepalingen op één plaats, zodat voor alle rechtspersonen een uniforme regeling geldt. Met dit wetsvoorstel wordt artikel 2:9 een algemene basisbepaling over de taken en de bevoegdheden van het bestuur. De verdere algemene regels voor het bestuur krijgen plaats in de aansluitende bepalingen. Het voorgestelde artikel 2:9a regelt de mogelijkheid tot instelling van een monistisch bestuurssysteem. Het nieuwe artikel 2:9b bevat de hoofdregels voor bestuurdersaansprakelijkheid, en artikel 2:9c geeft tot slot de regels voor aansprakelijkstelling van bestuurders bij faillissement van de rechtspersoon.

Lid 1

Het voorgestelde eerste lid betreft de algemene taakomschrijving van het bestuur, namelijk het besturen van de rechtspersoon. Thans is dit per rechtspersoon geregeld; in artikel 2:44 lid 1 BW voor de vereniging, in artikel 2:129 BW voor de NV, in artikel 2:239 lid 1 BW voor de BV en in artikel 2:291 lid 1 BW voor de stichting. De bepaling voor de vereniging is ingevolge de schakelbepaling van artikel 2:53a BW eveneens van toepassing op de coöperatie en de onderlinge waarborgmaatschappij. Met het voorgestelde eerste lid worden deze bepalingen samengevoegd. De afzonderlijke bepalingen kunnen daardoor komen te vervallen. Inhoudelijk wordt de taak van het bestuur niet gewijzigd: het bestuur is belast met het besturen van de rechtspersoon. Gehandhaafd blijft ook het beginsel dat het bestuur zijn door de wet en de statuten afgebakende taak autonoom vervult en dat het bestuur bevoegd is tot het bepalen van het dagelijkse beleid en de strategie van de rechtspersoon.

Lid 2

De eerste volzin van het voorgestelde tweede lid bepaalt dat elke bestuurder verantwoordelijkheid draagt voor de algemene gang van zaken. Deze volzin is gelijk aan de eerste volzin van het huidige tweede lid. De aansprakelijkheidsregel die nu nog is opgenomen in de tweede volzin van artikel 2:9 lid 2 BW, wordt verplaatst naar het nieuwe artikel 2:9b.

In de tweede volzin van het voorgestelde tweede lid wordt bepaald dat tot de taak van een bestuurder alle bestuurstaken behoren die niet bij of krachtens de statuten aan een of meer andere bestuurders zijn toebedeeld. De laatstgenoemde regel is thans nog te vinden in de slotzin van artikel 2:9 lid 1 BW. Voor deze negatieve formulering is destijds gekozen om te voorkomen dat taken tussen wal en schip zouden vallen omdat zij niet uitdrukkelijk zijn toegedeeld (zie Kamerstukken II 2008/09, 31 763, nr. 3, p. 7). De reden voor verplaatsing van de regel is een wetssystematische: het ligt voor de hand om eerst te bepalen wat de taak van het bestuur is, en om pas daarna een regeling te geven omtrent de taakverdeling door het bestuur. Inhoudelijk wordt de regel niet gewijzigd. De regel is overigens van bijzonder belang voor rechtspersonen met een monistisch bestuurssysteem. Bij een rechtspersoon met een monistisch bestuurssysteem dient er een duidelijke taakverdeling tussen de uitvoerende en de niet-uitvoerende bestuurders te zijn (zie ook artikel 2:9a lid 1); dit om te voorkomen dat de niet-uitvoerende bestuurders op gelijke wijze als de uitvoerende bestuurders verantwoordelijk zijn voor het bestuur van de rechtspersoon.

Lid 3

Het derde lid bepaalt in de eerste volzin dat elke bestuurder tegenover de rechtspersoon gehouden is tot een behoorlijke vervulling van zijn taak. Deze regel staat thans nog in artikel 2:9 lid 1 BW. De regel wordt om wetssystematische redenen verplaatst. Het ligt immers voor de hand dat eerst bepaald wordt wat de taak van het bestuur is, en dat vervolgens bepaald wordt op welke wijze de bestuurders die taak dienen te vervullen.

In de tweede volzin wordt bepaald dat bestuurders zich bij de vervulling van hun taak dienen te richten naar het belang van de rechtspersoon en de daaraan verbonden onderneming of organisatie. Voor de bestuurder van de NV en de BV is thans reeds bepaald dat zij zich bij de vervulling van hun taak moeten richten naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming (artikel 2:129/239 lid 5 BW). Een dergelijke bepaling bestaat nog niet voor andere rechtspersonen. Om deze reden wordt de voor de NV en de BV geldende regel verplaatst naar het algemene gedeelte van Boek 2 BW. Met de voorgestelde bepaling wordt voor alle rechtspersonen tot uitdrukking gebracht dat de bestuurders bij de vervulling van hun taak de belangen van de rechtspersoon moeten laten prevaleren boven hun eigen belangen.

In de bepaling wordt overigens niet gesproken van het belang van ‘de vennootschap’, zoals dat het geval was in de regeling voor de NV en de BV, maar van het belang van ‘de rechtspersoon’. Met de aanduiding ‘de daaraan verbonden onderneming of organisatie’ wordt tot uitdrukking gebracht dat ook wanneer een rechtspersoon geen onderneming drijft, toch sprake kan zijn van een in dit kader relevant samenstel van belangen.

In de consultatie is opgemerkt dat het bij de stichting niet vanzelfsprekend is dat bestuurders het belang van de rechtspersoon voorop moeten stellen. Bestuurders van stichtingen zouden ook specifieke deelbelangen mogen behartigen. Het belang van de stichting zou bovendien in overwegende mate bepaald worden door de statutaire doelstelling. In dat kader is gesuggereerd om een afzonderlijke norm te formuleren voor de taakvervulling door bestuurders van een stichting. Deze suggestie is niet overgenomen. Reden daarvoor is dat de genoemde zienswijze niet goed te verenigen is met de geldende opvattingen over rechtspersoonlijkheid, welke opvattingen ook ten grondslag liggen aan de regeling van Boek 2 BW. Volgens deze opvattingen moet het belang van de rechtspersoon onderscheiden worden van het belang van degenen die bij de rechtspersoon betrokken zijn en van de deelbelangen die zij behartigen.1 Voor bestuurders van stichtingen geldt evenzeer als voor bestuurders van andere rechtspersonen dat zij zich moeten richten naar het belang van de rechtspersoon. Daaraan doet niet af dat dit belang in overwegende mate bepaald kan worden door de statutaire doelstelling.

Lid 4

Het vierde lid regelt de besluitvorming in een meerhoofdig bestuur. De regeling is identiek aan de regeling die nu al geldt voor de NV (artikel 2:129 lid 2 BW) en de BV (artikel 2:239 lid 2 BW). Door de regel op te nemen in de algemene bepalingen van Boek 2 BW komt deze voor alle rechtspersonen te gelden.

Lid 5

Met het voorgestelde vijfde lid komt voor alle rechtspersonen een zelfde tegenstrijdig-belangregeling te gelden. De voorgestelde regeling is gelijk aan de regeling die nu al geldt voor de NV en de BV (zie artikel 2:129 lid 6 BW en artikel 2:239 lid 6 BW). In het algemene gedeelte van deze toelichting is al ingegaan op de inhoud van de voorgestelde regeling en op de belangrijkste redenen om de regeling die nu reeds geldt voor de NV en de BV op te nemen in het algemene gedeelte van Boek 2 BW.

Indien een bestuurder handelt in strijd met de tegenstrijdig-belangregeling van het voorgestelde artikel 2:9 lid 5, zal het betreffende besluit vernietigbaar zijn op grond van artikel 2:15 lid 1 aanhef en onder a BW. Er is dan immers sprake van strijd met de bepalingen die het tot stand komen van besluiten regelen. De vernietiging van het besluit heeft geen gevolgen voor de rechtsgeldigheid van rechtshandelingen die verricht zijn ter uitvoering van het besluit. Ook de vertegenwoordigingsbevoegdheid van het bestuur en de bestuurders blijft ongewijzigd. Een en ander betekent niet dat een derde die wist dat de bestuurder handelde in strijd met de tegenstrijdig-belangregeling, in alle gevallen beschermd wordt. Zo kan het bewust profiteren van het schenden van de tegenstrijdig-belangregeling, onder omstandigheden onrechtmatig zijn.

In de consultatie is in dit verband terecht gewezen op het belang van transparantie. De bestuurder die een tegenstrijdig belang heeft bij een kwestie die voorligt ter besluitvorming, dient dat tijdig aan zijn medebestuurders kenbaar te maken. Daarbij zal hij een volledig beeld moeten schetsen van het tegenstrijdige belang. Of een bestuurder een belang heeft dat tegenstrijdig is met dat van de rechtspersoon, moet bepaald worden aan de hand van de omstandigheden van het geval. Evenals onder de huidige wettelijke regeling, behoeft de enkele omstandigheid dat de bestuurder een eigen belang heeft bij een voorgenomen besluit, nog niet te leiden tot de kwalificatie van tegenstrijdig belang. Van een tegenstrijdig belang is namelijk geen sprake zolang de belangen van de bestuurder parallel lopen met die van de rechtspersoon. Zo brengt de omstandigheid dat een bestuurder tevens lid of aandeelhouder is van de rechtspersoon, niet zonder meer mee dat die bestuurder een tegenstrijdig belang heeft.

Van een tegenstrijdig belang in de zin van deze bepaling is geen sprake als een coöperatie of onderlinge waarborgmaatschappij met een bepaalde categorie van leden overeenkomsten op gelijke wijze sluit of wijzigt, en in dat kader ook een overeenkomst gesloten of gewijzigd wordt met een lid dat tevens bestuurder is. De voorgestelde regeling brengt op dit punt dus geen verandering (vgl. artikel 2:57 lid 4 BW).

Lid 6

De verplichting om een statutaire voorziening te treffen voor gevallen van ontstentenis of belet van een bestuurder geldt nu alleen voor de NV (artikel 2:134 lid 4 BW) en de BV (artikel 2:244 lid 4 BW). Van ontstentenis is sprake als een bestuurder ophoudt bestuurder te zijn. Met belet wordt gedoeld op de situatie dat een bestuurder tijdelijk zijn functie niet kan of niet mag uitoefenen. Bij de consultatie is er in meerdere reacties op gewezen dat het ook voor andere rechtspersonen van belang is dat zij een regeling kennen voor ontstentenis en belet. Het voorgestelde zesde lid beoogt hier nu in te voorzien. De voorgestelde bepaling is ontleend aan de regelingen voor de NV en de BV. Bepaald wordt dat de statuten van de rechtspersoon een statutaire regeling dienen te bevatten het geval van belet en ontstentenis van alle bestuurders. De statuten kúnnen een dergelijke regeling bevatten voor het geval van ontstentenis of belet van een deel van de bestuurders. De verplichting tot het treffen van een statutaire regeling betreft dus alleen de situatie waarin er ten aanzien van alle bestuurders sprake is van belet of ontstentenis. Dit is thans ook het geval voor de NV en de BV, al is de thans voor de BV geldende bepaling op dit punt minder duidelijk. Met de voorgestelde algemene regeling, kunnen de afzonderlijke bepalingen over ontstentenis en belet bij de NV en de BV komen te vervallen.

De slotzin van het zesde lid geeft een regeling voor de rechtspositie van degene die in geval van ontstentenis of belet van elk van de bestuurders, de nodige bestuurshandelingen verricht. Het gaat daarbij om de persoon die op basis van de statutaire ontstentenis- of beletregeling voor het verrichten van deze handelingen is aangewezen. Bepaald wordt dat deze persoon voor wat betreft de nodige bestuurshandelingen, met een bestuurder wordt gelijkgesteld. De regel is ontleend aan de bepalingen over het verrichten van bestuursdaden door een niet-bestuurder bij de NV (artikel 2:151 BW) en de BV (artikel 2:261 BW). De laatstgenoemde bepalingen komen bijna letterlijk overeen met de voorgangers van deze bepalingen zoals die in 1928 werden opgenomen in het Wetboek van Koophandel. Strekking van de regels was destijds met name om vast te leggen dat personen die bevoegdelijk bestuursdaden verrichtten, op dezelfde voet aansprakelijk waren als bestuurders.2 De vraag in welke gevallen een niet-bestuurder bevoegd is tot het verrichten van bestuurshandelingen, wordt in de bepalingen overigens niet beantwoord. Aangenomen werd dat deze bepalingen van belang waren voor het geval van tegenstrijdig belang van de bestuurders en voor het geval van ontstentenis of belet van bestuurders. Aangezien de tegenstrijdig-belangregeling voor de NV en de BV sinds 2013 niet meer uitgaat van een ‘vertegenwoordigingsregel’ maar van een ‘besluitvormingsregel’, zijn de bepalingen nu alleen nog van belang in het kader van ontstentenis of belet. De regel wordt daarom met dit voorstel toegevoegd aan de algemene regeling voor ontstentenis of belet van bestuurders. De formulering van de regel is daarbij aangepast om tot uitdrukking te brengen dat het toepassingsbereik van de regel beperkt is tot gevallen van ontstentenis of belet van elk van de bestuurders. In de gevallen waarin er slechts ten aanzien van een deel van de bestuurders sprake is van ontstentenis of belet, kunnen de nodige bestuurshandelingen verricht worden door de overige bestuurders. Hiermee wordt voorkomen dat derden, zonder dat toepassing is gegeven aan de wettelijke en statutaire besluitvormingsregels en waarborgen voor de benoeming van een bestuurder, feitelijk voor enige tijd deel kunnen uitmaken van het bestuur. Voor de gevallen dat er slechts ten aanzien van een deel van de bestuurders sprake is van ontstentenis of belet, kan in de statuten bijvoorbeeld geregeld worden dat de resterende bestuurders bepaalde bestuurshandelingen vooraf voor advies dienen voor te leggen aan een bepaalde derde, of dat de resterende bestuurders voor bepaalde besluiten vooraf goedkeuring dienen te krijgen van de raad van commissarissen.

Lid 7

Het voorgestelde zevende lid bepaalt dat de bestuurders een raadgevende stem hebben in de algemene vergadering. Doel van de toekenning van deze raadgevende stem is dat de bestuurders in de gelegenheid worden gesteld om hun visie op de door de algemene vergadering voorgenomen besluiten te doen blijken zodat de aandeelhouders of de leden met die visie rekening kunnen houden. Op dit moment is de raadgevende stem alleen wettelijk geregeld voor de NV (artikel 2:117 lid 4 BW) en voor de BV (artikel 2:227 lid 7 BW). Mede gezien de aanbevelingen die er in de consultatie op dat punt zijn gedaan, wordt nu voorgesteld om een regeling over de raadgevende stem van bestuurders op te nemen in het algemene gedeelte van Boek 2 BW. De regeling komt daarmee te gelden voor alle rechtspersonen die een algemene vergadering hebben.

Aangezien de bestuurders in de algemene vergadering een de raadgevende stem hebben, zullen zij ook uitgenodigd moeten worden voor de algemene vergadering. Het niet in acht nemen van de raadgevende stem van bestuurders leidt op grond van artikel 2:15 lid 1 aanhef en onder a BW tot vernietigbaarheid van het besluit van de algemene vergadering wegens strijd met de wettelijke bepalingen die het tot stand komen van besluiten regelen.

De tweede volzin betreft de situatie dat de besluitvorming van de algemene vergadering plaatsvindt buiten vergadering. Een raadgevende stem van de bestuurder in de algemene vergadering kan dan strikt genomen niet aan de orde zijn. Thans is alleen in de wettelijke regeling van de BV bepaald dat de bestuurders (en de commissarissen) voorafgaand aan deze besluitvorming buiten vergadering in de gelegenheid gesteld moeten worden om advies uit te brengen (zie artikel 2:238 lid 2 BW). Aangezien de wet de bestuurders van een NV een raadgevende stem toekent in de algemene vergadering, zonder daarbij een uitzondering te maken voor het geval dat de algemene vergadering buiten vergadering beslist, moet worden aangenomen dat deze regel ook reeds geldt voor de NV (zie Hoge Raad 22 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BK2001, NJ 2010/16). Met de voorgestelde regeling wordt voor alle rechtspersonen bepaald dat bij besluitvorming van de algemene vergadering buiten vergadering, de bestuurders de gelegenheid dienen te krijgen om voorafgaand advies uit te brengen.

B
Nieuw artikel 2:9a
Inleiding

Met het voorgestelde artikel 2:9a wordt het monistisch bestuursmodel ook wettelijk geregeld voor de vereniging, de coöperatie, de onderlinge waarborgmaatschappij en de stichting. Sinds de invoering van de Wet bestuur en toezicht per 1 januari 2013, bestaat een dergelijke wettelijke regeling al voor de NV en de BV (Wet van 6 juni 2011 tot wijziging van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek in verband met de aanpassing van regels over bestuur en toezicht in naamloze en besloten vennootschappen, Stb. 2011, 275). De voor de NV en de BV bestaande regeling wordt nu verplaatst naar het algemene gedeelte van Boek 2 BW, waarmee de regeling komt te gelden voor alle rechtspersonen. Hiermee is in dit wetsvoorstel geïntegreerd de regeling van het voorontwerp tot wijziging van Boek 2 BW in verband met het vastleggen van een monistisch bestuursmodel voor de coöperatie en de onderlinge waarborgmaatschappij.

In een monistisch bestuursmodel is er geen raad van commissarissen als toezichthoudend orgaan. De taken van de commissarissen worden vervuld door personen die bestuursverantwoordelijkheid dragen, de zogeheten niet-uitvoerende bestuurders. Zij houden toezicht op de uitvoerende bestuurders. De uitvoerende bestuurders in het monistische model vervullen dezelfde taken als de bestuurders in het traditionele dualistische bestuursmodel. Als voordelen van dit monistische bestuursmodel worden onder meer genoemd dat niet-uitvoerende bestuurders eerder en meer informatie ontvangen dan commissarissen, en dat zij ook meer betrokken zijn bij de dagelijkse gang van zaken.

Ook rechtspersonen waarop de structuurregeling van toepassing is, kunnen kiezen voor een monistisch bestuursmodel. In de structuurregeling zijn bepaalde bestuursbesluiten onderworpen aan de goedkeuring van de raad van commissarissen en hebben werknemers via de ondernemingsraad invloed op de samenstelling van de raad van commissarissen. Dit verplichte toezicht kan ook worden vormgegeven binnen een monistisch bestuursmodel. Deze mogelijkheid bestaat onder het huidige recht ook al voor de NV en de BV.

Eerder is al opgemerkt dat in sectorspecifieke regelgeving zo nodig ook kan worden afgeweken van de regeling in het algemene gedeelte van Boek 2 BW. Het voorgestelde artikel 2:9a sluit dan ook niet uit dat in bijzondere wetgeving voor bepaalde instellingen de verplichting wordt opgenomen om een dualistisch bestuursmodel te hanteren. Een dergelijke verplichting is bijvoorbeeld te vinden in de Woningwet. Uit artikel 30 lid 1 van de Woningwet blijkt dat een toegelaten instelling in de zin van deze wet een dualistisch bestuurssysteem dient te hebben; de keuze voor een monistisch bestuursmodel is voor toegelaten instellingen derhalve uitgesloten.

Met name bij verenigingen wordt in de praktijk ook wel gebruik gemaakt van een algemeen bestuur en een dagelijks bestuur. De vraag of dergelijke entiteiten kwalificeren als bestuur of als raad van commissarissen in de zin der wet, komt aan de orde in de toelichting op de regel over de instelling van een raad van commissarissen (artikel 2:11 lid 1).

Lid 1

Met het eerste lid wordt voor alle rechtspersonen een grondslag geboden voor de instelling van een monistisch bestuurssysteem. Bepaald wordt dat binnen het bestuur een taakverdeling kan worden gemaakt tussen uitvoerende bestuurders en niet-uitvoerende bestuurders. Met de uitvoerende bestuurders wordt bedoeld de bestuursleden die zich bezighouden met de dagelijkse leiding. De niet-uitvoerende bestuurders zijn te vergelijken met commissarissen. De formulering van het eerste lid is ontleend aan de regeling die thans geldt voor de NV (artikel 2:129a lid 1 BW) en voor de BV (artikel 2:239a lid 1 BW).

Het eerste lid bepaalt voorts welke taken zijn voorbehouden aan de niet-uitvoerende bestuurders. De dwingendrechtelijke taakverdeling tussen uitvoerende bestuurders en niet-uitvoerende bestuurders bestaat reeds voor de NV en de BV met een monistisch bestuursmodel. Ingevolge deze taakverdeling zijn de niet-uitvoerende bestuurders in elk geval belast met de volgende taken: het houden van toezicht, het voorzitterschap van het bestuur, het voordragen van kandidaat-bestuurders en het vaststellen van de bezoldiging van de uitvoerende bestuurders. Het gaat hier om taken die in een dualistisch bestuursmodel berusten bij de raad van commissarissen en die nauw aansluiten bij de toezichthoudende en adviserende rol. Wanneer deze taken zouden berusten bij uitvoerende bestuurders, zou dit bovendien kunnen leiden tot belangenconflicten (vgl. Kamerstukken II 2008/09, 31 763, nr. 3, p. 14-17). De bestuurders kunnen nadere afspraken maken over de invulling van de taakverdeling. Taken die niet aan een of meer bepaalde bestuurders zijn toebedeeld, behoren ingevolge het voorgestelde artikel 2:9 lid 3 BW aan de uitvoerende bestuurders en de niet-uitvoerende bestuurders tezamen.

De slotzin van het eerste lid bepaalt dat de niet-uitvoerende bestuurders natuurlijke personen zijn. Dit laatste geldt reeds voor de NV en de BV met een monistisch bestuursmodel (artikel 2:129a lid 1 BW en artikel 2:239a lid 1 BW). De regel komt overeen met de regel voor het dualistisch bestuursmodel dat de commissarissen natuurlijke personen dienen te zijn.

Lid 2

Het voorgestelde tweede lid bevat de regel die nu reeds geldt voor de NV en de BV met een monistisch bestuurssysteem (zie artikel 2:129a lid 3 BW en artikel 2:239a lid 3 BW). Ingevolge deze regel kan bij of krachtens de statuten bepaald worden dat een of meer bestuurders rechtsgeldig kunnen besluiten omtrent zaken die tot het takenpakket van de betreffende bestuurders behoren. De regel is bedoeld om het mogelijk te maken om in gevallen waarin een monistisch bestuursmodel gehanteerd wordt, de besluitvorming te vereenvoudigen (zie Kamerstukken II 2008/09, 31 763, nr. 3, p. 17).

Lid 3

In het voorgestelde derde lid is opgenomen dat bij de benoeming van een bestuurder wordt vermeld of hij uitvoerend of niet-uitvoerend bestuurder zal zijn. In de gevallen dat er ingevolge de wettelijke regeling een statutaire regeling kan worden gegeven voor benoeming van een bestuurder door een ander dan de algemene vergadering, zal in die statutaire regeling ook duidelijk moeten maken of de gegeven regeling ziet op de benoeming van een uitvoerende bestuurder of op de benoeming van een niet-uitvoerende bestuurder. De uitvoerende bestuurders en de niet-uitvoerende bestuurders moeten overigens ook als zodanig worden ingeschreven in het handelsregister (zie voor de NV en de BV thans artikel 22 lid 4 Handelsregisterbesluit 2008).

Lid 4

In het voorgestelde vierde lid is geregeld dat een uitvoerende bestuurder geschorst kan worden door een besluit van het bestuur. Deze regel geldt nu ook reeds voor de NV en de BV met een monistisch bestuurssysteem (zie artikel 2:134 lid 1 BW en artikel 2:244 lid 1 BW). De bevoegdheid van het bestuur staat naast de bevoegdheid tot schorsing door degene die de bestuurder benoemd heeft.

Lid 5

Het vijfde lid geeft een regel voor de vaststelling van een bezoldiging voor uitvoerende bestuurders. Bepaald wordt dat uitvoerende bestuurders niet deelnemen aan de beraadslaging en besluitvorming over het vaststellen van een bezoldiging van uitvoerende bestuurders. Deze bepaling is gelijk aan de regel die nu al geldt voor de NV en de BV met een monistisch bestuursmodel (artikel 2:129a lid 2 BW en artikel 2:239a lid 2 BW).

Lid 6

Het zesde lid bepaalt dat uitsluitend de algemene vergadering bevoegd is tot het toekennen van een bezoldiging aan de niet-uitvoerende bestuurders. Deze regel sluit aan bij de regeling voor de NV en de BV met een raad van commissarissen. Voor deze rechtspersonen geldt reeds dat uitsluitend de algemene vergadering bevoegd is om de commissarissen een bezoldiging toe te kennen (zie artikel 2:145 BW en artikel 2:255 BW). Voor de coöperatie en de onderlinge waarborgmaatschappij geldt thans nog dat de statuten op dit punt een andere regeling kunnen geven (zie artikel 2:57 lid 6 BW). Onder de voorgestelde regeling geldt dat afwijking op grond van de statuten niet langer is toegestaan. Hiermee wordt beoogd om de waarborgen voor behoorlijk functioneren van het interne toezicht van rechtspersonen te versterken. Mogelijk is wel dat een bijzondere wet voor bijvoorbeeld rechtspersonen in een bepaalde sector een afwijkende regel geeft.

Omdat een stichting geen algemene vergadering kent, wordt in de tweede volzin van het zesde lid bepaald dat aan niet-uitvoerende bestuurders van een stichting uitsluitend een bezoldiging kan worden toegekend op de wijze die daartoe in de statuten is voorzien. Deze regel geeft bijvoorbeeld de oprichter van een stichting de mogelijkheid om te kiezen voor een regeling die hij in de gegeven omstandigheden geschikt acht om onder meer ongewenste besteding van het vermogen van de stichting tegen te gaan. Daarbij is van belang dat het voor de organen van een stichting alleen mogelijk is om de statuten van de stichting te wijzigen, als de statuten zelf daartoe de mogelijkheid openen (zie artikel 2:293 BW).

Nieuw artikel 2:9b
Lid 1

Het eerste lid bevat de algemene regel voor aansprakelijkheid van de bestuurder jegens de rechtspersoon. Deze regel is thans te vinden in de tweede volzin van artikel 2:9 lid 2 BW. Inhoudelijk wordt de regel niet gewijzigd. Wel wordt ter verduidelijking van de wetstekst toegevoegd dat het gaat om aansprakelijkheid ‘jegens de rechtspersoon’. Het toepassingsbereik van de regel verandert evenmin; de regel geldt nu reeds voor bestuurders van elke rechtspersoon. Reden voor de verplaatsing is dat hiermee een meer overzichtelijke regeling gegeven kan worden met afzonderlijke bepalingen over het bestuur (artikelen 2:9 en 2:9a) en over bestuurdersaansprakelijkheid (artikelen 2:9b en 2:9c).

Lid 2

Het tweede lid bevat de regel die thans is opgenomen in artikel 2:11 BW. Ingevolge deze regel rust de aansprakelijkheid van een rechtspersoon als bestuurder van een andere rechtspersoon, tevens hoofdelijk op ieder die ten tijde van het ontstaan van de aansprakelijkheid bestuurder van die rechtspersoon is. De bepaling strekt ertoe te voorkomen dat een natuurlijke persoon aan bestuurdersaansprakelijkheid kan ontkomen door tussenschakeling van een rechtspersoon-bestuurder. Inhoudelijk wordt de regel niet gewijzigd.

Lid 3

Het derde lid regelt dat één rechtbank bevoegd is ten aanzien van vorderingen betreffende de overeenkomst tussen de rechtspersoon en de bestuurder. De bepaling komt inhoudelijk overeen met hetgeen nu al geldt voor de NV (artikel 2:131 BW), de BV (artikel 2:241 BW) en – op grond van de schakelbepalingen van artikelen 2:50a, 253a en 2:300a BW – voor de commerciële vereniging, de coöperatie, de onderlinge waarborgmaatschappij en de commerciële stichting. Met het voorgestelde derde lid komt de regel te gelden voor alle rechtspersonen en wordt de wettelijke regeling op dit punt verduidelijkt. In de huidige artikelen 2:131 en 2:241 BW wordt overigens nog verwezen naar artikel 7:685 BW, dat met de invoering van de Wet werk en zekerheid per 1 juli 2015 is vervallen. De voorgestelde regel verwijst naar daarvoor in de plaats gekomen artikelen 7:671b en 7:671c BW.

Lid 4

Het voorgestelde vierde lid bepaalt dat de rechter niet een veroordeling kan uitspreken tot herstel van de arbeidsovereenkomst tussen de rechtspersoon en de bestuurder. Deze regel geldt thans reeds voor de NV (artikel 2:134 lid 3 BW), de BV (artikel 2:244 lid 3 BW), de vereniging (artikel 2:37 lid 6 BW) en de coöperatie en onderlinge waarborgmaatschappij (artikelen 2:37 lid 6 en 2:53a lid 1 BW). In het voorontwerp was al opgenomen dat de genoemde regel eveneens zou komen te gelden voor de stichting (artikel 2:298 lid 4 van het voorontwerp). Om de duidelijkheid van de wettelijke regeling op dit punt te verbeteren, is de regel in het voorliggende wetsvoorstel verplaatst naar het algemene gedeelte van Boek 2 BW.

Nieuw artikel 2:9c

Het voorgestelde artikel 2:9c bevat de regels voor aansprakelijkstelling van bestuurders in geval van faillissement van de rechtspersoon. Zij komt overeen met de bepalingen voor de NV en de BV in de huidige artikelen 2:138 en 2:248 BW. Op grond van schakelbepalingen geldt die regeling onder het huidige recht ook reeds voor de commerciële vereniging (artikel 2:50a BW), de coöperatie en de onderlinge waarborgmaatschappij (artikelen 2:50a en 2:53a BW) en de commerciële stichting (artikel 2:300a BW). Met dit wetsvoorstel wordt de regeling opgenomen in het algemene gedeelte van Boek 2 BW. Hierdoor wordt de wettelijke regeling verduidelijkt en wordt de regel bovendien van toepassing op alle rechtspersonen.

In de consultatie is erop gewezen dat de toepassing van de bedoelde regeling op alle rechtspersonen, het voor kleine, niet-commerciële verenigingen en stichtingen moeilijker kan maken om vrijwilligers te vinden voor de vervulling van bestuurs- of commissarisfuncties. Ook de Commissie vennootschapsrecht heeft op dit risico gewezen. Mede naar aanleiding van deze reacties is thans in het tweede lid een uitzondering opgenomen voor onbezoldigde bestuurders van niet-commerciële verenigingen of stichtingen en voor onbezoldigde bestuurders van informele verenigingen (verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte). Van een onbezoldigde functie als bedoeld in deze bepaling zal sprake zijn als de bestuurder voor zijn werkzaamheden geen vergoeding ontvangt of enkel een vergoeding voor werkelijk gemaakte onkosten. Met de voorgestelde bepaling geldt voor onbezoldigde bestuurders niet de regel dat in het geval dat niet voldaan is aan de administratieverplichtingen (artikel 2:10 BW) of de verplichting tot publicatie van de jaarrekening (artikel 2:394 BW), vaststaat dat het bestuur zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld en dat vermoed wordt dat onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement. Voor onbezoldigde commissarissen van deze verenigingen en stichtingen geldt een overeenkomstige uitzondering (zie artikel 2:11c). De drempel voor een succesvolle aansprakelijkstelling van de genoemde bestuurders en commissarissen wordt zo aanmerkelijk verhoogd. Hiermee wordt zoveel mogelijk voorkomen dat men zich ten onrechte door de regeling laat weerhouden om zich als vrijwilliger in te zetten als bijvoorbeeld bestuurder van een buurtvereniging of sportclub.

Nieuw in de voorgestelde bepaling is de vermelding in de derde volzin van het zesde lid dat de bestuurder niet bevoegd is tot verrekening van zijn schuld met een vordering op de rechtspersoon. Het gaat hier om de codificatie van een reeds geldende rechtsregel (zie Hoge Raad 18 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI5912, NJ 2009/438). Een verdere toevoeging is te vinden in de slotzin van het zevende lid, waar bepaald wordt dat de regeling niet van toepassing is op een door de Ondernemingskamer in een enquêteprocedure aangestelde tijdelijke bestuur als bedoeld in artikel 2:356 onder c BW. Het betreft daarbij zowel de bestuurder die op grond van artikel 2:349a lid 2 BW aangesteld is bij wege van voorlopige voorziening als de bestuurder die aangesteld is bij een op grond van artikel 2:355 lid 1 BW getroffen voorziening. Ingevolge het voorgestelde artikel 2:11d is de regeling evenmin van toepassing op een door de Ondernemingskamer benoemde commissaris als bedoeld in artikel 2:356 onder c BW. De regel laat overigens onverlet de mogelijkheid van de curator om een door de Ondernemingskamer benoemde bestuurder of commissaris aansprakelijk te stellen op grond van artikel 2:9b lid 1 (het huidige artikel 2:9 BW).

In het voorontwerp was nog opgenomen dat de regeling voor aansprakelijkstelling bij faillissement verplaatst zou worden naar de Faillissementswet. In het voorliggende wetsvoorstel is de regeling opgenomen in artikel 2:9c, vlak achter de algemene bepaling over de taak van de bestuurders (artikelen 2:9 en 2:9a) en de algemene regeling voor bestuurdersaansprakelijkheid (artikel 2:9b). Hiermee wordt de inhoudelijke samenhang tussen de betreffende normen benadrukt. Zo ligt de norm die artikel 2:9c aan bestuurders voorschrijft, in feite ook reeds besloten in de algemene aansprakelijkheidsregel van artikel 2:9b (het huidige artikel 2:9 lid 2 BW).3

C
Wijziging artikel 2:11
Inleiding

Met dit voorstel wordt een nieuw artikel 2:11 geïntroduceerd. De voorgestelde bepaling bevat een regeling van de taak van commissarissen en van bepaalde normen die zij bij de vervulling van hun taak in acht moeten nemen. In het algemene gedeelte van deze toelichting kwam al aan de orde dat er voor de vereniging en voor de stichting op dit moment nog geen regeling bestaat voor de raad van commissarissen. De regeling voor de overige rechtspersonen is nu nog verspreid over Boek 2 BW; zie onder meer voor de NV artikel 2:140 BW, voor de BV artikel 2:250 BW en voor de coöperatie en onderlinge waarborgmaatschappij artikel 2:57 BW.

Lid 1

Het eerste lid biedt voor alle rechtspersonen een wettelijke grondslag voor de instelling van een raad van commissarissen: bij de statuten kan worden bepaald dat er een raad van commissarissen zal zijn. De mogelijkheid tot het instellen van een raad van commissarissen bestaat niet wanneer de rechtspersoon een monistisch bestuursmodel hanteert. Dit monistische bestuursmodel wordt geregeld in het voorgestelde artikel 9a. De regel dat de raad van commissarissen bestaat uit een of meer natuurlijke personen, geldt ook nu reeds (zie artikelen 2:57 lid 1, 2:140 lid 1 en 2:250 lid 1 BW).

In het voorontwerp was nog opgenomen dat er voor de vereniging en de stichting afzonderlijke bepalingen zouden komen over de instelling van een toezichthoudend orgaan. Bij de consultatie bleek dat die opzet niet de gewenste duidelijkheid bood. Met dit wetsvoorstel wordt er daarom voor gekozen om in het algemene gedeelte van Boek 2 BW een voor alle rechtspersonen geldende regeling te geven over de instelling van een toezichthoudend orgaan (de raad van commissarissen). Deze opzet is ook in lijn met het uitgangspunt dat wanneer er onvoldoende rechtvaardiging bestaat om voor de verschillende soorten rechtspersonen onderling afwijkende regels te hanteren, een uniforme regeling in de algemene bepalingen van Boek 2 BW de voorkeur verdient.

Het voorontwerp gebruikte voor het toezichthoudende orgaan bij verenigingen en stichtingen nog de term ‘toezichthoudend orgaan’. De bedoeling daarvan was om aan te sluiten bij de benaming die in de praktijk veelal door verenigingen en stichtingen wordt gehanteerd. Zo wordt de raad van commissarissen van een onderwijsinstelling in de regel aangeduid als ‘raad van toezicht’. Ook daarbuiten blijken verenigingen en stichtingen die een toezichthoudend orgaan hebben ingesteld, dat orgaan vaak aan te duiden als ‘raad van toezicht’. Verder wordt in bepaalde bijzondere wettelijke regelingen, zoals de Woningwet, de raad van commissarissen van een vereniging of stichting aangeduid als ‘raad van toezicht’. Bij de consultatie bleek echter dat de in het voorontwerp gebruikte terminologie tot onduidelijkheden leidde. Wetssystematisch ligt het ook niet voor de hand om binnen Boek 2 BW verschillende benamingen hanteren voor organen die in feite dezelfde functie vervullen. In het voorgestelde artikel 2:11 wordt het toezichthoudende orgaan daarom voor alle rechtspersonen aangeduid als ‘raad van commissarissen’.

Overigens maakt het voor de toepassing van de wettelijke regeling strikt genomen niet uit hoe het orgaan door de rechtspersoon zelf wordt aangeduid. Wanneer in de statuten een orgaan van de rechtspersoon wordt ingesteld en daarbij aan dat orgaan de taak wordt toegekend om toezicht te houden op het beleid van het bestuur en op de algemene gang van zaken in de rechtspersoon en de daaraan verbonden onderneming of organisatie, is dat orgaan een raad van commissarissen in de zin van de wet (vgl. artikel 2:11 leden 1 en 2). Het orgaan heeft in dat geval de taken en de bevoegdheden die door de wet aan een raad van commissarissen worden toebedeeld. In de consultatie is de vraag opgeworpen of in het geval dat er bij een rechtspersoon sprake is van meerdere toezichthoudende organen die elk toezicht houden op een specifiek onderdeel van het beleid, elk van die organen (al dan niet voor een deel) als raad van commissarissen moet worden beschouwd. Het antwoord op die vraag luidt gezien het voorgaande ontkennend. Een wezenlijk element van de taak van de raad van commissarissen is immers dat toezicht wordt gehouden op de algemene gang van zaken in de rechtspersoon en de daaraan verbonden onderneming of organisatie. Een orgaan dat bijvoorbeeld enkel tot taak heeft om toezicht te houden op de financiële gang van zaken binnen de rechtspersoon, is derhalve geen raad van commissarissen in de zin van de wet. Hetzelfde geldt voor een orgaan dat enkel de taak heeft om het bestuur te adviseren.

Op overeenkomstige wijze kan vastgesteld worden wat de wettelijke kwalificatie is van bijvoorbeeld een algemeen bestuur en een dagelijks bestuur. Zo is het ‘dagelijks bestuur’ alleen te beschouwen als het bestuur in de zin van de wet, als dit het orgaan van de vennootschap is dat bevoegd is tot het bepalen van het dagelijkse beleid en de strategie van de rechtspersoon, en het zijn taak in beginsel autonoom vervult (vgl. artikel 2:9 lid 1). Mogelijk is ook dat het ‘dagelijks bestuur’ vooral uitvoerende taken heeft en dat de wettelijke algemene bestuurstaak berust bij het ‘algemeen bestuur’. Wanneer de leden van het dagelijks bestuur in dat geval ook lid zijn van het algemeen bestuur, zijn deze leden mogelijk te beschouwen als bestuurders waaraan bij de onderlinge taakverdeling bepaalde uitvoerende taken zijn toebedeeld (vgl. artikel 2:9 lid 2). De vraag of een algemeen bestuur of een dagelijks bestuur kwalificeert als het bestuur in de zin der wet, is echter niet in algemene zin te beantwoorden.

Lid 2

Het voorgestelde tweede lid bevat de taakomschrijving van de raad van commissarissen. De taak van de raad van commissarissen is het houden van toezicht op het beleid van het bestuur en op de algemene gang van zaken. Verder staat de raad van commissarissen het bestuur met raad terzijde. De voorgestelde bepaling komt daarmee overeen met de regeling die nu reeds geldt voor de NV (artikel 2:140 lid 2 BW), de BV (artikel 2:250 lid 2 BW) en de coöperatie en onderlinge waarborgmaatschappij (artikel 2:57 lid 2 BW). Deze afzonderlijke bepalingen kunnen met dit wetsvoorstel komen te vervallen.

Uit de gegeven taakomschrijving vloeit voort dat de raad van commissarissen in beginsel gekend dient te worden in het algemene bestuursbeleid en in belangrijke beslissingen van het bestuur; zie in dit verband ook het voorgestelde artikel 2:11a. De raad van commissarissen heeft daarnaast alle bevoegdheden die in redelijkheid nodig zijn om zich een juist beeld te kunnen vormen van de toestand van de rechtspersoon en van het gevoerde beleid. Zo kan hij bijvoorbeeld door een derde onderzoek laten doen naar een bepaalde activiteit van de rechtspersoon. De kosten van dat onderzoek worden dan gedragen door de rechtspersoon. De raad van commissarissen dient bij het gebruik van dergelijke bevoegdheden wel telkens de redelijkheid en billijkheid als bedoeld in artikel 2:8 BW in acht te nemen.

In de slotzin van het tweede lid wordt bepaald dat de statuten aanvullende bepalingen kunnen bevatten omtrent de taak en de bevoegdheden van de raad van commissarissen en van zijn leden. Deze regel geldt nu reeds voor de NV (artikel 2:140 lid 3 BW), de BV (artikel 2:250 lid 3 BW), en de coöperatie en onderlinge waarborgmaatschappij (artikel 2:57 lid 5 BW). Met de bepaling blijft de op dit punt reeds bestaande flexibiliteit behouden. De gewenste invulling van de bevoegdheden van de raad van commissarissen kan immers verschillen al naar gelang het karakter en het werkterrein van de rechtspersoon. Zo kan er bij bepaalde rechtspersonen vooral behoefte zijn aan een regeling waarbij voor bepaalde bestuursbesluiten voorafgaande goedkeuring van de raad van commissarissen is vereist, terwijl voor andere rechtspersonen de adviserende taak van de raad van commissarissen belangrijker is.

Lid 3

Het voorgestelde derde lid bepaalt in de eerste volzin dat tot de taak van een commissaris behoren alle taken die niet bij of krachten de statuten aan een of meer andere commissarissen zijn toebedeeld. De bepaling biedt daarmee ook een wettelijke grondslag voor een taakverdeling tussen de commissarissen. Op grond van de tweede volzin van het derde lid is elke commissaris verantwoordelijk voor het algemene toezicht op het beleid van het bestuur en op de algemene gang van zaken.

De genoemde regels gelden thans voor de meeste rechtspersonen al op basis van een van overeenkomstige toepassing verklaring, direct of indirect, van artikel 2:9 BW op de taakvervulling door de raad van commissarissen. De regel geldt reeds voor de NV (artikel 2:149 BW), de BV (artikel 2:259 BW), de commerciële vereniging (artikel 2:50a BW), de coöperatie en onderlinge waarborgmaatschappij (artikelen 2:50a en 2:53a lid 1 BW) en de commerciële stichting (artikel 2:300a BW).

Lid 4

Het vierde lid bepaalt in de eerste volzin dat elke commissaris jegens de rechtspersoon gehouden is tot een behoorlijke vervulling van zijn taak. Voor de meeste rechtspersonen geldt deze regel thans al op basis van de van overeenkomstige toepassing verklaring, direct of indirect, van artikel 2:9 BW op de taakvervulling door de raad van commissarissen. Dit betreft de NV (artikel 2:149 BW), de BV (artikel 2:259 BW), de commerciële vereniging (artikel 2:50a BW), de coöperatie en onderlinge waarborgmaatschappij (artikelen 2:50a en 2:53a lid 1 BW) en de commerciële stichting (artikel 2:300a BW). De reeds bestaande regel wordt verduidelijkt door de regel afzonderlijk te formuleren voor de taakvervulling door commissarissen. Door de regel op te nemen in het algemene gedeelte van Boek 2 BW, komt zij bovendien uitdrukkelijk te gelden voor alle rechtspersonen.

In de tweede volzin wordt bepaald dat de commissarissen zich bij de vervulling van hun taak dienen te richten naar het belang van de rechtspersoon en de daaraan verbonden onderneming of organisatie. De huidige wet geeft deze regel reeds voor de commissarissen van de NV (artikel 2:140 lid 2 BW), de BV (artikel 2:250 lid 2 BW) en de coöperatie en onderlinge waarborgmaatschappij (artikel 2:57 lid 2 BW). Met de norm wordt onder meer tot uitdrukking gebracht dat commissarissen bij de vervulling van hun taak de belangen van de rechtspersoon moeten laten prevaleren boven hun eigen belangen. Voor bestuurders geldt ingevolge het voorgestelde artikel 2:9 lid 3 een overeenkomstige norm. Omdat de norm geldt bij alle rechtspersonen, wordt hier niet gesproken van ‘vennootschap’ maar van ‘rechtspersoon’, en van ‘onderneming of organisatie’ in plaats van ‘onderneming’. De keuze voor deze formulering is hierboven bij de bespreking van het voorgestelde artikel 2:9 lid 3 al toegelicht.

Lid 5

Op grond van het voorgestelde vijfde lid kunnen de statuten bepalen dat aan een bepaalde commissaris meer dan één stem wordt toegekend. Een commissaris kan niet meer stemmen uitbrengen dan de andere commissarissen tezamen. Deze regels zijn identiek aan de regels die nu reeds gelden voor de NV (artikel 2:140 lid 4 BW) en voor de BV (artikel 2:250 lid 4 BW). Omdat de regels zich lenen voor toepassing bij alle rechtspersonen, worden zij met dit wetsvoorstel opgenomen in het algemene gedeelte. Inhoudelijk blijft de regel ongewijzigd.

Het toekennen van meer dan één stem aan een bepaalde commissaris kan bijvoorbeeld aangewezen zijn indien men extra gewicht wil toekennen aan het inzicht van een door een bepaalde aandeelhouder of subsidieverschaffer benoemde commissaris. Daarbij moet worden aangetekend dat ook een dergelijke commissaris zich bij de uitoefening van zijn taak dient te richten naar het belang van de rechtspersoon en de daaraan verbonden onderneming of organisatie.

Lid 6

Het zesde lid bevat de tegenstrijdig-belangregeling voor commissarissen. De regeling sluit aan bij de voorgestelde regeling voor tegenstrijdig belang bij bestuurders (artikel 2:9 lid 5). Voor een verdere toelichting verwijs ik dan ook naar hetgeen in het algemene gedeelte van deze toelichting en bij de toelichting op artikel 2:9 lid 5 over de tegenstrijdig-belangregeling is opgemerkt.

Ook bij niet-naleving van de tegenstrijdig-belangregeling door een commissaris geldt dat zulks leidt tot vernietigbaarheid van het besluit. Er is dan immers sprake van strijd met een wettelijke regeling die het tot stand komen van besluiten regelt (artikel 2:15 lid 1 aanhef en onder a BW). Als de rechtspersoon schade lijdt door het niet-naleven van de tegenstrijdig-belangregeling, kan hij deze schade onder omstandigheden verhalen op de betreffende commissaris.

Lid 7

Op grond van het zevende lid dienen de statuten een regeling te bevatten voor het geval dat sprake is van ontstentenis of belet van elk van de commissarissen. De statuten kúnnen een dergelijke regeling bevatten voor de situatie dat sprake is van ontstentenis of belet van een deel van de raad van commissarissen. Een dergelijk wettelijk voorschrift bestaat thans alleen voor de commissarissen van de BV (artikel 2:252 lid 4 BW). Zie verder hetgeen ik hiervoor heb opgemerkt over de voorgeschreven regeling voor ontstentenis en belet van bestuurders (artikel 2:9 lid 6).

Lid 8

Het achtste lid bepaalt dat de raad van commissarissen bevoegd is om iedere bestuurder te allen tijde te schorsen, dit tenzij de statuten anders bepalen. Deze regel bestaat nu reeds voor de NV (artikel 2:147 lid 1 BW), de BV (artikel 2:257 lid 1 BW) en de coöperatie en onderlinge waarborgmaatschappij (artikel 2:57 lid 3 BW).

Bij de wettelijke taak van de raad van commissarissen past dat dit orgaan zo nodig kan ingrijpen in het bestuur van de rechtspersoon. Met de bevoegdheid tot schorsing beschikt de raad van commissarissen over een instrument waarmee een bestuurder zo nodig op per direct op non-actief kan worden gesteld. De bevoegdheid tot schorsing betreft ook de bestuurders die benoemd zijn door een derde. Zulks ligt voor de hand omdat de raad van commissarissen toezicht houdt op de taakuitoefening van alle bestuurders. De mogelijkheid tot schorsing geldt overigens niet ten aanzien van een door de Ondernemingskamer benoemde tijdelijke bestuurder. Met een dergelijke schorsing zou immers een door de Ondernemingskamer getroffen voorziening ongedaan worden gemaakt (zie artikel 2:357 lid 3 BW).

Het ontwerpvoorstel bevatte geen regeling voor de opheffing van de schorsing van een bestuurder. Bij de consultatie kwam uit enkele reacties naar voren dat er op dat punt echter behoefte bestaat aan een basisregeling. Hieraan wordt tegemoetgekomen door in de tweede volzin van dit lid te bepalen dat de schorsing te allen tijde kan worden opgeheven door het orgaan of de persoon welke bevoegd is tot benoeming.

Lid 9

Het negende lid bepaalt dat de commissarissen in de algemene vergadering een raadgevende stem hebben. Deze raadgevende stem van de commissarissen is op dit moment voor een aantal rechtspersoon afzonderlijk geregeld; dit betreft de coöperatie en onderlinge waarborgmaatschappij (artikel 2:57 lid 7 BW), de NV (artikel 2:117 lid 4 BW) en de BV (artikel 2:227 lid 7 BW). De ratio van de raadgevende stem is dat de commissarissen in de gelegenheid worden gesteld om hun visie op de door de algemene vergadering voorgenomen besluiten te doen blijken, zodat de aandeelhouders of leden daarmee rekening kunnen houden. Mede naar aanleiding van hetgeen in de consultatie op dit punt naar voren is gebracht, wordt de regel nu opgenomen in het algemene gedeelte van Boek 2 BW. Voor een verdere toelichting zij verwezen naar hetgeen hiervoor is opgemerkt over de raadgevende stem van bestuurders in de algemene vergadering (artikel 2:9 lid 7).

Lid 10

Het voorgestelde tiende lid vermeldt welke gegevens meegedeeld moeten worden bij een aanbeveling of voordracht tot benoeming van een commissaris. Dit is thans voor een aantal rechtspersonen afzonderlijk geregeld; dit is het geval voor de coöperatie en onderlinge waarborgmaatschappij (artikel 2:57a lid 2 BW), de NV (artikel 2:142 lid 3 BW) en de BV (artikel 2:252 lid 3 BW). Naar aanleiding van de in de consultatie gedane aanbevelingen wordt deze regeling nu opgenomen in het algemene gedeelte van Boek 2 BW, waardoor de regeling voor alle rechtspersonen komt te gelden.

Lid 11

Ingevolge het elfde lid kan, tenzij de wet anders bepaalt, alleen de algemene vergadering aan commissarissen een bezoldiging toekennen. Onder bezoldiging moet worden verstaan elke vergoeding voor verrichte of te verrichten werkzaamheden. De commissarissen stellen niet hun eigen bezoldiging vast. Hun bezoldiging wordt evenmin vastgesteld door het bestuur. Dat laatste zou niet passend zijn omdat de raad van commissarissen mede tot taak heeft om toezicht te houden op het bestuur. De wet kent de genoemde regel thans reeds voor de NV (artikel 2:145 BW) en de BV (artikel 2:255 BW). Mede naar aanleiding van de reacties bij de consultatie, wordt voorgesteld om de regel voor alle rechtspersonen te hanteren. Onder de voorgestelde regeling is het overigens wel mogelijk om in bijvoorbeeld sectorspecifieke wetgeving op dit punt een afwijkende regel te geven.

De tweede volzin van het elfde lid geeft een bijzondere regel voor de stichting. Deze regel is nodig omdat de stichting geen algemene vergadering kent. Om deze reden wordt bepaald dat een bezoldiging van commissarissen van een stichting wordt vastgesteld op de wijze die daartoe in de statuten is voorzien. In dat kader is van belang dat het voor de organen van een stichting alleen mogelijk is om de statuten van de stichting te wijzigen, als de statuten zelf daartoe de mogelijkheid openen (zie artikel 2:293 BW).

D
Nieuw artikel 2:11a

Het voorgestelde artikel 2:11a regelt de informatieverstrekking door het bestuur aan de raad van commissarissen. Het bestuur dient de raad van commissarissen de informatie te verschaffen die deze nodig heeft voor een adequate uitvoering van zijn toezichthoudende en adviserende taak. De verantwoordelijkheid voor de informatieverschaffing ligt derhalve primair bij het bestuur. Dit betekent niet dat de raad van commissarissen telkens kan volstaan met het beoordelen van de informatie die door het bestuur aangeleverd wordt. De raad van commissarissen heeft ook zelf een taak in het verkrijgen van de relevante en juiste informatie.4 Een raad van commissarissen die geen initiatief neemt op het moment dat hij signalen ontvangt dat de reeds verstrekte informatie onjuist of ontoereikend is, handelt dan ook onzorgvuldig.

In het eerste lid wordt bepaald dat het bestuur de raad van commissarissen tijdig de voor de uitoefening van diens taak noodzakelijke gegevens verschaft. Deze regel is gelijk aan de regel die nu al geldt voor de coöperatie en onderlinge waarborgmaatschappij (artikel 2:57 lid 8 BW), de NV (artikel 2:141 lid 1 BW) en de BV (artikel 2:251 lid 1 BW). De laatstgenoemde bepalingen komen dan ook te vervallen.

Op grond van het tweede lid dient het bestuur de raad van commissarissen ten minste één keer per jaar schriftelijk op de hoogte te stellen van de hoofdlijnen van het strategisch beleid, van de algemene en financiële risico’s en van de gebruikte beheers- en controlesystemen. Deze regel geldt nu al voor de NV (artikel 2:141 lid 2 BW) en de BV (artikel 2:251 lid 2 BW). Van elke rechtspersoon waarbij er aanleiding is geweest voor de instelling van het toezichthoudende orgaan van de raad van commissarissen, mag verwacht worden dat aan dit minimum wordt voldaan. Zoals ook uit de tekst van het tweede lid blijkt, verplicht de hier aan de orde zijnde bepaling zélf de rechtspersoon niet tot het gebruik van een of meer beheers- of controlesystemen. Bedoeling is echter dat het gebruik van dergelijke systemen, of het ontbreken van dat gebruik, wel de aandacht heeft van het bestuur en de raad van commissarissen. Overigens zullen op grond van het eerste lid in veel gevallen aanzienlijk hogere eisen gelden voor de informatieverstrekking door het bestuur.

Nieuw artikel 2:11b

Het voorgestelde artikel 2:11b bevat in het eerste lid de hoofdregel voor persoonlijke aansprakelijkheid van de commissaris jegens de vennootschap. De regel komt overeen met de regel voor interne aansprakelijkheid van bestuurders (zie artikel 2:9b lid 1). Voor de meeste rechtspersonen geldt de regel op dit moment al op basis van een van overeenkomstige toepassing verklaring van artikel 2:9 BW; dit geldt voor de NV (artikel 2:149 BW), de BV (artikel 2:259 BW), de commerciële vereniging (artikel 2:50a BW), de coöperatie en onderlinge waarborgmaatschappij (artikelen 2:50a en 2:53a lid 1 BW) en de commerciële stichting (artikel 2:300a BW). Met de voorgestelde bepaling wordt het geldende recht op dit punt echter verduidelijkt.

Het eerste lid maakt onderscheid tussen gezamenlijke verantwoordelijkheid en individuele aansprakelijkheid. De commissarissen zijn samen verantwoordelijk voor de taakvervulling door de raad van commissarissen. Zij zijn in beginsel hoofdelijk aansprakelijk voor de uit onbehoorlijke taakvervulling voortvloeiende schade. Disculpatie van een commissaris is mogelijk indien de betreffende commissaris van de onbehoorlijke taakvervulling geen ernstig verwijt kan worden gemaakt en hij ook niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen van onbehoorlijke taakvervulling af te wenden. Wanneer een commissaris signaleert dat een andere commissaris zijn taken niet goed vervult, zal hij derhalve moeten ingrijpen wil hij zich later kunnen disculperen.

Het tweede lid verklaart hetgeen in het voorgestelde artikel 2:9b leden 3 en 4 BW is bepaald ten aanzien van bestuurders, van overeenkomstige toepassing ten aanzien van commissarissen. Dit betreft in de eerste plaats de regeling omtrent de bevoegde rechter bij geschillen tussen de rechtspersoon en de commissaris (lid 3). Deze regel geldt reeds voor de meeste rechtspersonen (zie de artikelen 2:131 en 2:149 BW, artikelen 2:241 en 2:259 BW, en voorts de artikelen 2:50a, 2:53a en 2:300a BW). Ten tweede gaat het om de regel dat geen veroordeling kan worden uitgesproken tot herstel van de arbeidsovereenkomst met de bestuurder (lid 4). De regel geldt nu reeds voor de commissarissen van de NV en de BV (zie artikelen 2:134 lid 3 en 2:144 lid 2 BW, alsmede artikelen 2:244 lid 3 en 2:254 lid 2 BW).

Nieuw artikel 2:11c

Het voorgestelde artikel 2:11c verklaart de regeling voor aansprakelijkstelling van bestuurders in geval van faillissement, van overeenkomstige toepassing op commissarissen. De bepaling biedt daarmee vooral een verduidelijking van het wettelijke regime. Voor de meeste rechtspersonen is de regeling nu op basis van schakelbepalingen namelijk reeds van toepassing. De regeling geldt nu reeds voor commissarissen van de NV (artikelen 2:138 en 2:149 BW), de BV (artikelen 2:248 en 2:259 BW), de commerciële vereniging (artikelen 2:138, 2:149 en 2:50a BW), de coöperatie en onderlinge waarborgmaatschappij (artikelen 2:138, 2:149, 2:50a en 2:53 lid 1 BW) en de commerciële stichting (artikelen 2:138, 2:149 en 2:300a BW).

E
Wijziging artikel 2:37 BW

Met de Wet bestuur en toezicht is voor de NV voorzien in een vereenvoudiging van de procedure voor benoeming van een bestuurder uit een voordracht (zie artikel 2:133 lid 3 BW) (Stb. 2011, 275). De Wet vereenvoudiging en flexibilisering bv-recht heeft deze vereenvoudiging ook doorgevoerd voor de BV (zie artikel 2:243 lid 3 BW) (Stb. 2012, 299). Met de nu voorgestelde aanvulling van artikel 2:37 BW wordt die vereenvoudiging van de benoemingsprocedure ook doorgevoerd voor de andere rechtspersonen met een algemene vergadering. Dit betreft derhalve de vereniging, de coöperatie en de onderlinge waarborgmaatschappij. Voor deze laatste twee rechtspersonen geldt de voorgestelde wijziging dan op grond van de schakelbepaling van artikel 2:53a lid 1 BW.

De voorgestelde wijziging heeft, zoals vermeld, betrekking op de benoeming van bestuurders uit een voordracht. Volgens artikel 2:37 lid 4 BW kunnen de statuten bepalen dat een bestuurder uit een bindende voordracht moet worden benoemd; de algemene vergadering kan het bindende karakter aan die voordracht ontnemen door een met ten minste twee derden van de uitgebrachte stemmen genomen besluit. De voorgestelde aanvulling van het vierde lid heeft betrekking op de situatie dat er voor een bestuursfunctie één kandidaat wordt voorgedragen. Ingevolge de voorgestelde regeling kan deze kandidaat benoemd worden met één besluit van de algemene vergadering. De algemene vergadering behoeft in dat geval niet langer eerst te stemmen over ontneming van het bindende karakter aan de voordracht en vervolgens nog een keer over de benoeming.

De laatste volzin van het huidige zesde lid van artikel 2:37 BW komt te vervallen. Met de voorgestelde regeling wordt in artikel 2:9b lid 4 immers voor alle rechtspersonen bepaald dat een veroordeling tot herstel van de arbeidsovereenkomst tussen de rechtspersoon en de bestuurder door de rechter niet kan worden uitgesproken.

F
Wijziging artikel 2:44 lid 1 BW

Het eerste lid van artikel 2:44 BW komt te vervallen in verband met de regeling van de bestuurstaak in het voorgestelde artikel 2:9 lid 1. De nummering van het huidige tweede lid vervalt dan eveneens.

G
Wijziging artikel 2:47 BW

Gezien de voorgestelde algemene tegenstrijdig-belangregeling voor bestuurders en voor commissarissen (artikel 2:9 lid 5 en artikel 2:11 lid 6), kan de afzonderlijke tegenstrijdig-belangregeling voor de vereniging komen te vervallen (het huidige artikel 2:47 BW). Hierdoor ontstaat ruimte om in artikel 2:47 voor de vereniging een regeling op te nemen omtrent benoeming, schorsing en ontslag van commissarissen.

De voorgestelde bepaling is voor een deel ontleend aan het huidige artikel 2:57a lid 1 BW, dat de regeling bevat voor benoeming van commissarissen bij de coöperatie en de onderlinge waarborgmaatschappij. De voorgestelde bepaling ziet echter niet alleen op benoeming, maar ook op schorsing en ontslag. Op grond van de schakelbepaling van artikel 2:53a lid 1 BW zal de bepaling ook gelden voor de coöperatie en de onderlinge waarborgmaatschappij voor zover er voor deze rechtspersonen geen afwijkende regeling is getroffen. Een dergelijke afwijkende regeling bestaat alleen voor coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen onder het structuurregime; voor deze rechtspersonen geven artikelen 2:63e t/m 2:63i BW een bijzondere regeling omtrent benoeming, schorsing en ontslag van commissarissen.

H
Wijziging artikel 2:50a BW

Artikel 2:50a BW dient te worden aangepast omdat een aantal van de aangeduide regelingen met dit voorstel worden ondergebracht in het algemene gedeelte van Boek 2 BW. Met de voorgestelde wijziging komt de vermelding van de artikelen 2:131, 2:138, 2:149 BW te vervallen. Verder wordt de bepaling gecorrigeerd door in de voorgestelde bepaling niet meer op te nemen dat de overeenkomstige toepassing alleen zou gelden in geval van faillissement.

I
Wijziging artikel 2:53a BW

Dit artikel wordt aangepast aan de gewijzigde nummering van de bepalingen.

J
Vervallen artikel 2:57 BW en artikel 2:57a BW

Artikelen 2:57 en 2:57a BW bevatten een regeling voor de raad van commissarissen bij de coöperatie en de onderlinge waarborgmaatschappij. Deze bepalingen kunnen geschrapt worden omdat de genoemde onderwerpen geregeld worden in de voorgestelde artikelen 2:11, 2:11a en 2:47.

K
Wijziging artikel 2:63f BW

Artikel 2:63f lid 5 BW wordt aangepast door de verwijzing naar het te schrappen artikel 2:57a lid 2 BW te vervangen door een verwijzing naar het voorgestelde artikel 2:11 lid 10.

L
Nieuw artikel 2:63k

Deze bepaling regelt de mogelijkheid tot toepassing van een monistisch bestuursmodel voor de coöperatie en de onderlinge waarborgmaatschappij die onder het structuurregime valt. De bepaling komt inhoudelijk goeddeels overeen met de regeling van het monistische bestuurssysteem voor de NV en de BV die onder de structuurregeling valt (zie artikel 2:164a BW en artikel 2:274a BW).

Het eerste lid verklaart de d bepalingen die bij een dualistische bestuurssysteem gelden ten aanzien van de samenstelling van de raad van commissarissen, de benoeming van commissarissen, onverenigbaarheid van functies, de benoemingstermijn en het ontslag van commissarissen, van overeenkomstige toepassing op de niet-uitvoerende bestuurders binnen het monistische bestuursmodel. Het tweede lid bepaalt dat bestuursbesluiten als bedoeld in artikel 2:63j BW goedkeuring behoeven van de meerderheid van de niet-uitvoerende bestuurders. Dit meerderheidsvereiste sluit aan bij hetgeen geldt voor de rechtspersoon met een dualistisch bestuursmodel die onder de structuurregeling valt: bij deze rechtspersoon behoeven de ingrijpende besluiten die vermeld zijn in artikel 2:63j BW de goedkeuring van de raad van commissarissen. Deze regeling komt overeen met de regeling bij de NV en de BV (zie artikel 2:164a lid 4 BW en artikel 2:274a lid 4 BW).

M
Wijziging artikel 2:93 BW

Dit artikel wordt aangepast aan de gewijzigde nummering van de bepalingen.

N
Wijziging artikel 2:117 BW

Met dit artikel wordt lid 4 van artikel 2:117 BW geschrapt. De raadgevende stem van bestuurders en commissarissen in de algemene vergadering wordt met dit wetsvoorstel geregeld in het algemene gedeelte van Boek 2 BW, te weten in artikel 2:9 lid 7 en artikel 2:11 lid 9.

O
Wijziging artikel 2:129 BW

Vanwege de aanvulling van artikel 2:9 BW met een regeling omtrent de taak van de bestuurder, het stemrecht en de tegenstrijdig-belangregeling, kunnen de leden 1, 2, 5 en 6 van het huidige artikel 2:129 BW geschrapt worden. De leden 3 en 4 van het huidige artikel 2:129 BW worden om deze reden vernummerd tot respectievelijk lid 1 en lid 2.

P
Vervallen artikel 2:129a BW

Met dit wetsvoorstel wordt in artikel 2:9a een algemene regeling gegeven voor toepassing van het monistische bestuursmodel. De regeling voor het monistische bestuursmodel bij de NV in het huidige artikel 2:129a BW wordt daardoor overbodig.

Q
Vervallen artikel 2:131 BW

Het huidige artikel 2:131 BW kan komen te vervallen omdat het voorgestelde artikel 2:9b lid 3 op dit punt voorziet in een algemene regeling voor alle rechtspersonen.

R
Wijziging artikel 2:132 BW

Dit artikel wordt aangepast aan de gewijzigde nummering van de bepalingen.

S
Wijziging artikel 2:134 BW

De laatste volzin van artikel 2:134 lid 1 BW kan worden geschrapt omdat het voorgestelde artikel 2:9a lid 4 voor alle rechtspersonen met een monistisch bestuurssysteem bepaalt dat het bestuur te allen tijde bevoegd is tot schorsing van een uitvoerende bestuurder. Lid 3 vervalt vanwege de uitsluiting van een veroordeling tot herstel van de arbeidsovereenkomst in het voorgestelde artikel 2:9b lid 4. Lid 4 vervalt vanwege de algemene belet- en ontstentenisregeling in artikel 2:9 lid 6.

T
Wijziging artikel 2:135 BW

Dit artikel wordt aangepast aan de gewijzigde nummering van de bepalingen.

U
Vervallen artikel 2:138 BW

Artikel 2:138 BW vervalt in verband met de introductie van de algemene regeling van bestuurdersaansprakelijkheid bij faillissement in artikel 2:9c.

V
Vervallen artikel 2:140 BW

Artikel 2:140 BW vervalt omdat het voorgestelde artikel 2:11 voorziet in een algemene regeling omtrent de instelling van een raad van commissarissen.

W
Vervallen artikel 2:141 BW

Artikel 2:141 BW kan vervallen omdat de regels van deze bepaling met het wetsvoorstel worden opgenomen in artikel 2:11a.

X
Wijziging artikel 2:142 BW

Het derde lid van artikel 2:142 BW kan komen te vervallen omdat het voorgestelde artikel 2:11 lid 10 op dit punt een algemene regeling treft.

Y
Wijziging artikel 2:144 BW

In het tweede lid van deze bepaling komt te verwijzing naar het huidige derde lid van artikel 2:134 BW te vervallen. Het bepaalde in het laatstgenoemde artikellid wordt met dit voorstel opgenomen in de algemene bepalingen van Boek 2 BW, in artikel 2:9b lid 4. De regel is om die reden reeds rechtstreeks van toepassing.

Z
Vervallen artikel 2:145 BW

Artikel 2:145 BW komt te vervallen in verband met de algemene regeling van het voorgestelde artikel 2:11 lid 11.

AA
Vervallen artikel 2:147 BW

Artikel 2:147 BW komt te vervallen in verband met de introductie van de algemene regeling van artikel 2:11 lid 8.

BB
Vervallen artikel 2:149 BW

Artikel 2:149 BW komt te vervallen in verband met de voorgestelde algemene regeling in de artikelen 2:11, 2:11b lid 2 en 2:11c.

CC
Vervallen artikel 2:151 BW

De regeling van artikel 2:151 BW wordt verplaatst naar het voorgestelde artikel 2:9 lid 6, waarbij de regeling ook verduidelijkt wordt. Het eerstgenoemde artikel kan om die reden komen te vervallen.

DD
Wijziging artikel 2:155 BW en artikel 2:155a BW

In de literatuur is gesignaleerd dat er onduidelijkheid bestaat omtrent de toepassing van het verzwakte structuurregime bij de NV met een monistisch bestuursmodel.5 Het verzwakt structuurregime geldt wanneer de NV een structuurvennootschap is en, kort gezegd, deze NV dochter is in een internationaal concern (zie artikel 2:155 BW) of sprake is van besloten verhoudingen (zie artikel 2:155a BW). In die gevallen geldt niet het voorschrift van de structuurregeling dat de raad van commissarissen bevoegd is tot benoeming en tot ontslag van de bestuurders (zie artikel 2:155 BW). Deze bevoegdheid blijft onder het verzwakt structuurregime berusten bij de algemene vergadering.

Met de voorgestelde wijziging wordt verduidelijkt dat bij de NV met een monistisch bestuurssysteem die onder het verzwakt structuurregime valt, de bevoegdheid tot benoeming van de uitvoerende bestuurders berust bij de algemene vergadering. Anders dan onder het volledige structuurregime, berust die bevoegdheid dus niet bij de niet-uitvoerende bestuurders. Hiertoe wordt in artikel 2:155 lid 1 BW en in artikel 2:155a lid 1 BW opgenomen dat artikel 2:164a lid 2 BW niet geldt onder een verzwakt structuurregime.

De regeling voor het verzwakt structuurregime bij de BV wordt op overeenkomstige wijze verduidelijkt. Zie de voorgestelde wijziging van de artikelen 2:265 en 2:265a BW. De regeling voor coöperatie en de onderlinge waarborgmaatschappij behoeft op dit punt geen aanpassing. Reden daarvoor is dat bij deze rechtspersonen – anders dan bij de NV en de BV – de toepassing van het structuurregime niet leidt tot een verschuiving van de bevoegdheid tot benoeming en ontslag van bestuurders.

EE
Wijziging artikel 2:164a BW

Dit artikel wordt aangepast aan de gewijzigde nummering van de bepalingen.

FF
Wijziging artikel 2:166 BW

Dit artikel wordt aangepast aan de gewijzigde nummering van de bepalingen.

GG
Wijziging artikel 2:203 BW

Dit artikel wordt aangepast aan de gewijzigde nummering van de bepalingen.

HH
Wijziging artikel 2:207 BW

Dit artikel wordt aangepast aan de gewijzigde nummering van de bepalingen.

II
Wijziging artikel 2:216 BW

Dit artikel wordt aangepast aan de gewijzigde nummering van de bepalingen.

JJ
Wijziging artikel 2:227 BW

Het zevende lid van artikel 2:227 BW komt te vervallen. De raadgevende stem van bestuurders en commissarissen wordt met dit voorstel geregeld in artikel 2:9 lid 7 en artikel 2:11 lid 9.

KK
Wijziging artikel 2:238 BW

De laatste volzin van artikel 2:238 lid 2 BW wordt geschrapt omdat de regel omtrent de raadgevende stem buiten vergadering met het voorliggende wetsvoorstel wordt opgenomen in artikel 2:9 lid 7 en artikel 2:11 lid 9.

LL
Wijziging artikel 2:239 BW

Gezien de voorgestelde aanvulling van artikel 2:9 BW met een regeling omtrent de taak van de bestuurder, het stemrecht en de tegenstrijdig-belangregeling, kunnen de leden 1, 2, 5 en 6 van artikel 2:239 BW komen te vervallen. De leden 3 en 4 van het huidige artikel 2:239 BW worden vernummerd tot respectievelijk lid 1 en lid 2.

MM
Vervallen artikel 2:239a BW

Het voorliggende wetsvoorstel geeft in artikel 2:9a een algemene regeling voor de toepassing van het monistisch bestuursmodel. De regeling voor het monistische bestuursmodel voor de BV in het huidige artikel 2:239a kan daardoor komen te vervallen.

NN
Vervallen artikel 2:241 BW

Artikel 2:241 BW komt te vervallen omdat het voorgestelde artikel 2:9b lid 3 BW op dit punt voorziet in een algemene regeling.

OO
Wijziging artikel 2:242 BW

Dit artikel wordt aangepast aan de gewijzigde nummering van de bepalingen.

PP
Wijziging artikel 2:244 BW

De laatste volzin van artikel 2:244 lid 1 BW kan geschrapt worden omdat het voorgestelde artikel 2:9a lid 4 voor alle rechtspersonen met een monistisch bestuurssysteem bepaalt dat het bestuur te allen tijde bevoegd is tot schorsing van een uitvoerende bestuurder. Lid 3 vervalt vanwege de uitsluiting van een veroordeling tot herstel van de arbeidsovereenkomst in het voorgestelde artikel 2:9b lid 4. Lid 4 van artikel 2:244 BW vervalt vanwege de algemene belet- en ontstentenisregeling in het voorgestelde artikel 2:9 lid 6.

QQ
Vervallen artikel 2:248 BW

Artikel 2:248 BW komt te vervallen in verband met de introductie van de algemene regeling van artikel 2:9c.

RR
Vervallen artikel 2:250 BW

Artikel 2:250 BW vervalt omdat het voorgestelde artikel 2:11 voorziet in een algemene regeling omtrent de instelling van een raad van commissarissen.

SS
Vervallen artikel 2:251 BW

Artikel 2:251 BW vervalt vanwege de introductie van de algemene regeling van artikel 2:11a.

TT
Wijziging artikel 2:252 BW

Het derde lid van artikel 2:252 BW wordt geschrapt omdat de betreffende regels over de benoemingsprocedure verplaatst worden naar artikel 2:11 lid 10. Het vierde lid vervalt omdat het voorgestelde artikel 2:11 lid 7 een algemeen voorschrift bevat omtrent belet en ontstentenis van commissarissen.

UU
Wijziging artikel 2:254 BW

In het tweede lid van deze bepaling komt te verwijzing naar het huidige derde lid van artikel 2:244 BW te vervallen. Het bepaalde in het laatstgenoemde artikellid wordt met dit voorstel opgenomen in de algemene bepalingen van Boek 2 BW, in artikel 2:9b lid 4. De regel is om die reden reeds rechtstreeks van toepassing.

VV
Vervallen artikel 2:255 BW

Artikel 2:255 BW komt te vervallen in verband met de algemene regeling van het voorgestelde artikel 2:11 lid 10.

WW
Vervallen artikel 2:257 BW

Artikel 2:257 BW komt te vervallen in verband met de introductie van de algemene regeling van artikel 2:11 lid 8.

XX
Vervallen artikel 2:259 BW

Artikel 2:259 BW komt te vervallen in verband met de voorgestelde algemene regeling van de artikelen 2:11, 2:11b lid 2 en 2:11c.

YY
Vervallen artikel 2:261 BW

De regeling van artikel 2:261 BW wordt verplaatst naar het voorgestelde artikel 2:9 lid 6, waarbij de regeling ook verduidelijkt wordt. Het eerstgenoemde artikel kan om die reden komen te vervallen.

ZZ
Wijziging artikel 2:265 BW en artikel 2:265a BW

Met de voorgestelde wijziging van artikelen 2:265 en 2:265a BW wordt verduidelijkt dat bij een BV met een monistisch bestuursmodel die onder het verzwakt structuurregime valt, de bevoegdheid tot benoeming van de uitvoerende bestuurders berust bij de algemene vergadering. Zie voor een verdere toelichting hetgeen is opgemerkt omtrent de wijziging van de artikelen 2:155 en 2:155a BW.

AAA
Wijziging artikel 2:274a BW

Dit artikel wordt aangepast aan de gewijzigde nummering van de bepalingen.

BBB
Wijziging artikel 2:276 BW

Dit artikel wordt aangepast aan de gewijzigde nummering van de bepalingen.

CCC
Wijziging artikel 2:286 BW

De wijziging van artikel 2:286 lid 4, onderdeel c, BW houdt verband met de introductie van een wettelijke grondslag voor de instelling van een raad van commissarissen bij de stichting. Deze grondslag wordt gegeven in het voorgestelde artikel 2:11. Bij andere rechtspersonen vindt benoeming en ontslag van bestuurders en commissarissen in beginsel plaats door de algemene vergadering. Omdat een stichting geen algemene vergadering heeft, dient een stichting waarbij een raad van commissarissen is ingesteld een statutaire regeling te hebben omtrent benoeming en ontslag van commissarissen.

DDD
Wijziging artikel 2:291 BW

Het eerste lid van artikel 2:291 BW komt te vervallen omdat de bestuurstaak met dit wetsvoorstel geregeld wordt in artikel 2:9 lid 1. De nummering van het huidige tweede lid vervalt dan eveneens.

EEE
Wijziging artikel 2:298 BW

De voorgestelde wijziging van artikel 2:298 BW bewerkstelligt een verruiming van de gronden op basis waarvan een stichtingsbestuurder door de rechter kan worden ontslagen. Ingevolge de voorgestelde bepaling kan een stichtingsbestuurder door de rechter worden ontslagen wegens verwaarlozing van zijn taak, wegens andere gewichtige redenen, wegens ingrijpende wijziging van omstandigheden op grond waarvan het voortduren van het bestuurderschap in redelijkheid niet geduld kan worden, en wegens het niet of niet behoorlijk voldoen aan een bevel van de voorzieningenrechter. Deze ontslaggronden zijn ontleend aan de regeling voor ontslag van een commissaris van een structuurvennootschap door de Ondernemingskamer (zie artikelen 2:161 lid 2 en 2:271 lid 2 BW). De regeling komt ook te gelden voor commissarissen. In het algemene gedeelte van deze toelichting is de voorgestelde wijziging al op hoofdlijnen toegelicht. In aanvulling daarop kan nog het volgende worden opgemerkt.

Een verzoek aan de rechter tot ontslag van een stichtingsbestuurder kan worden ingediend door het openbaar ministerie en door een belanghebbende. Wie in een concreet geval als belanghebbende in de zin van deze regeling kan worden aangemerkt, dient afgeleid te worden uit de aard van de procedure en de daarmee verband houdende wetsbepalingen. Bij de beantwoording van de vraag of iemand belanghebbende is, zal een rol spelen in hoeverre de betreffende persoon door de uitkomst van de procedure in een eigen belang kan worden getroffen en in hoeverre deze persoon anderszins zo nauw betrokken is bij het onderwerp van de procedure dat daarin een belang is gelegen om in de procedure te verschijnen (zie Hoge Raad 10 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY8290, NJ 2007/45). De voorgestelde regeling brengt hierin als zodanig geen verandering.

Naar aanleiding van misstanden bij stichtingen die actief zijn in semipublieke sectoren, is wel de vraag gesteld of de Staat in dergelijke gevallen in een ontslagprocedure als belanghebbende kan worden aangemerkt. In dat kader is van belang dat in gevallen waarin sprake is van een financieringsrelatie tussen de Staat en de stichting, de Staat in zijn belangen kan worden geraakt wanneer de stichtingsbestuurder het belang van de stichting schaadt (vgl. onder meer Rb. ’s-Hertogenbosch 30 januari 2008, ECLI:NL:RBSHE:2008:BC3002, JOR 2008/69). Mogelijk is ook dat de Staat vanwege zijn stelselverantwoordelijkheid als belanghebbende wordt aangemerkt. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen bij een stichting die actief is in de onderwijssector.

Bij de consultatie is de vraag gesteld hoe de ontslagbepaling zich verhoudt tot bepalingen over ontslag van bestuurders die zijn opgenomen in sectorspecifieke wetgeving. In dat kader is van belang dat de voorgestelde regeling van artikel 2:298 BW een basisregeling is die zal gelden voor alle stichtingen. In sectorspecifieke wetgeving kan deze basisregeling zo nodig worden aangevuld. Overigens staat de regeling van artikel 2:298 BW ook los van een ontslagregeling in de statuten van de stichting. De wettelijke regeling voor ontslag door de rechter laat de mogelijkheid tot toepassing van een statutaire ontslagregeling onverlet.

In het kader van de consultatie is ook de suggestie gedaan om te bepalen dat de rechtbank bij de stichting een tijdelijke bestuurder of commissaris kan benoemen. Een dergelijke bevoegdheid komt in enquêteprocedures toe aan de Ondernemingskamer (zie artikel 2:346 aanhef en onder c BW). Deze suggestie is niet overgenomen. De bestaande regeling is op het genoemde punt namelijk toereikend. Het tweede lid van artikel 2:298 BW – dat door het wetsvoorstel gehandhaafd wordt – biedt de rechtbank de mogelijkheid om de bestuurder hangende het onderzoek te schorsen en om voorlopige voorzieningen te treffen in het bestuur. Op basis van deze bepaling kan de rechter zo nodig een of meer tijdelijke bestuurders of commissarissen benoemen (zie Hoge Raad 19 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK5989, NJ 2010/296). Verder bepaalt artikel 2:299 BW – samengevat – dat telkens wanneer het bestuur geheel of gedeeltelijk ontbreekt en er niet overeenkomstig de statuten in het bestuur wordt voorzien, de rechtbank op verzoek van een belanghebbende of het openbaar ministerie een voorziening kan treffen waardoor de bestuurdersposities alsnog worden ingevuld.

Het derde lid van artikel 2:298 BW kent sinds 1 januari 1994 de regel dat een door de rechter ontslagen stichtingsbestuurder gedurende vijf jaren na het ontslag geen bestuurder van een stichting kan worden. Deze regel wordt met het voorstel uitgebreid zodat de ontslagen bestuurder in die periode van vijf jaren evenmin commissaris van een stichting kan worden. Ingevolge het nieuwe vierde lid komen de hiervoor besproken ontslagregels ook te gelden voor de commissaris van een stichting. Aanleiding voor deze toevoeging is dat met dit wetsvoorstel ook voor de stichting een wettelijke grondslag wordt gegeven voor de instelling van een raad van commissarissen. De overwegingen die ten grondslag liggen aan de gegeven mogelijkheid tot ontslag van een stichtingsbestuurder, gelden eveneens ten aanzien van een commissaris. De regeling wordt daarom van overeenkomstige toepassing verklaard op commissarissen van een stichting.

FFF
Wijziging artikel 2:300a BW

Artikel 2:300a BW wordt aangepast in verband met de verplaatsing van een aantal regelingen naar het algemene gedeelte van Boek 2 BW. Met de voorgestelde wijziging komt de vermelding van de artikelen 2:131, 2:138, 2:149 BW te vervallen. De bepaling wordt bovendien aangepast door in de bepaling niet meer op te nemen dat de overeenkomstige toepassing alleen zou gelden in geval van faillissement.

GGG
Wijziging artikel 2:346 BW

Dit artikel wordt aangepast aan de gewijzigde nummering van de bepalingen.

Artikel II Wijziging van Boek 10 van het Burgerlijk Wetboek

In artikel 10:121 lid 1 BW wordt de verwijzing naar de artikelen 2:138 en 2:149 BW vervangen door een verwijzing naar de voorgestelde artikelen 2:9c en 2:11c. Met dit wetsvoorstel wordt de regeling voor aansprakelijkstelling van de bestuurder en commissaris in geval van faillissement verplaatst naar de laatstgenoemde bepalingen.

Artikelen III – XIV Wijziging van andere wetten

Met deze artikelen worden een twaalftal wetten aangepast aan de gewijzigde nummering van de bepalingen van Boek 2 BW. Daarbij worden ook bepalingen geschrapt die dezelfde materie regelen als de bepalingen die met dit voorstel worden opgenomen in het algemene gedeelte van Boek 2 BW. Omdat die bepalingen in de bijzondere wetten door de aanvulling van Boek 2 BW overbodig worden, kunnen zij komen te vervallen.

Artikel XV Overgangsrecht

In het eerste lid van de voorgestelde bepaling worden de artikelen 29, eerste lid, 74, 79 en 80 Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek van overeenkomstige toepassing verklaard. Algemeen uitgangspunt is dat de nieuwe bepalingen vanaf het moment van inwerkingtreding onmiddellijk van toepassing zijn, maar enkel ten aanzien van feiten die na dat moment voorvallen (artikel 29 Overgangswet). Het van toepassing verklaarde artikel 74 van de Overgangswet regelt onder meer dat het van toepassing worden van de wettelijke regeling geen gevolgen heeft voor de bevoegdheid van de rechter in het geval dat de zaak al was aangevangen vóór het van toepassing worden van de regeling. Op grond van artikel 79 Overgangswet is, tenzij anders is bepaald, een rechtshandeling die verricht is voordat de wet daarop van toepassing wordt, niet nietig of vernietigbaar ten gevolge van een omstandigheid die de wet, in tegenstelling tot het tevoren geldende recht, aanmerkt als een grond van nietigheid of vernietigbaarheid. Verder kan ingevolge artikel 80 Overgangswet een rechtshandeling die onder het oude recht vernietigbaar was, vanaf het van toepassing worden van de nieuwe wet niet meer vernietigd worden wegens een gebrek dat onder de nieuwe wet geen grond voor vernietiging meer oplevert.

Het voorgestelde tweede lid geeft een afzonderlijke overgangsregel voor de bepaling dat er een statutaire regeling dient te zijn voor het geval van ontstentenis of belet van elk van de bestuurders of elk van de commissarissen (artikel 2:9 lid 6 en artikel 2:11 lid 7). Op basis van deze overgangsregel noodzaakt de verplichting tot het treffen van een ontstentenis- en beletregeling niet tot een zelfstandige statutenwijziging. De rechtspersoon die nog geen statutaire ontstentenis- of beletregeling heeft, kan aan de wettelijke regeling voldoen door bij de eerstvolgende statutenwijziging alsnog een dergelijke regeling op te nemen.

Artikel XVI Inwerkingtreding

Voor de inwerkingtreding van de regeling wordt aangesloten bij het kabinetsbeleid inzake de vaste verandermomenten.

Artikel XVII Citeertitel

Deze bepaling regelt dat indien dit wetsvoorstel tot wet wordt verheven, de wet wordt aangehaald als de Wet bestuur en toezicht rechtspersonen. Deze titel is gekozen om te voorkomen dat verwarring ontstaat met de op 1 januari 2013 in werking getreden Wet tot wijziging van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek in verband met de aanpassing van regels over bestuur en toezicht in naamloze en besloten vennootschappen (Wet van 6 juni 2011, Stb. 2011, 275).

De Minister van Veiligheid en Justitie,


X Noot
1

Zie bijvoorbeeld C.H.C. Overes, ‘Worstelen met governance van semi-publieke instellingen en pensioenfondsen’, WPNR 2013/6996, p. 1038 e.v., en de consultatie-reacties van het Zuidas Instituut voor Financieel recht en Ondernemingsrecht (ZIFO), p. 1-2 en van het Instituut voor Ondernemingsrecht, p. 1-2.

X Noot
2

Zie het rapport van de Commissie Maatschappelijk verantwoord bestuur en toezicht in de semipublieke sector (de Commissie Behoorlijk Bestuur), bijlage bij Kamerstukken II 2012/13, 28 479, nr. 68.

X Noot
3

Zie hierover onder meer E.R. Helder, ‘Tegenstrijdig belang’, TvOB 2016/1, p. 13 e.v., en eerder, naar aanleiding van het wetsvoorstel Bestuur en toezicht, E.E.G. Gepken-Jager, ‘Tegenstrijdig belang naar huidig en komend recht’, FIP 2012/6, p. 202 e.v.

X Noot
4

Kamerstukken II 2014/15, 34 251, nr. 3, blz. 5, 24-25.

X Noot
5

Zie hierover Kamerstukken II 2014/15, 32 012, nr. 23, blz. 7-8.

X Noot
7

Zie W.J.L. Calkoen, ‘One Tier Board: een empirisch onderzoek’, Ondernemingsrecht 2014/4.

X Noot
8

Kamerstukken II 2015/16, 34 251, nr. 92.

X Noot
1

Toelichting, algemeen deel, paragraaf 2 (aanleiding voor het wetsvoorstel).

X Noot
2

Toelichting, algemeen deel, paragraaf 5 (consultatie) en considerans van het wetsvoorstel.

X Noot
3

Handelingen I 2010/11, nr. 28-4-26.

X Noot
4

Zie bijvoorbeeld de reactie van Loyens & Loeff N.V. van 6 mei 2014, blz. 6-8.

X Noot
5

Artikel 2:10.

X Noot
6

Artikel 2:394.

X Noot
7

Zie artikel 2:9c lid 2 en artikel 2:11c.

X Noot
8

Artikel 2:9c, lid 1 en 2:11c.

X Noot
9

Het voorgestelde artikel 2:11b BW.

X Noot
10

Artikel 11, eerste lid.

X Noot
11

Artikel 2:9a, lid 1; zie ook artikel 2:129a lid 1 en artikel 2:239a lid 1.

X Noot
12

Artikel 2:57, artikel 2:140 en artikel 2:250.

X Noot
1

Vgl. onder meer Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015, nrs. 15, 16 en 27 t/m 29; en B.F. Assink/W.J. Slagter, Compendium Ondernemingsrecht (Deel 1), Deventer: Kluwer 2013, § 3.3.

X Noot
2

Zie hierover P.J. Dortmond, Van der Heijden Handboek voor de naamloze en de besloten vennootschap, 2013/263.

X Noot
3

Zie hierover ook reeds de toelichting die destijds gegeven is bij de invoering van artikelen 2:138 en 2:248 BW; Kamerstukken II 1980/81, 16 631, nr. 6, p. 18-43.

X Noot
4

Zie daarover Asser/Rensen 2-III* 2012/253 en Asser/Maeijer, Van Solinge en Nieuwe Weme 2-II* 2009/492.

X Noot
5

Zie onder meer R.G.J. Nowak, ‘Kunnen structuurvennootschappen met verzwakt regime een one-tier board hebben?’, Ondernemingsrecht 2013/8, en M. van Olffen, ‘Inrichting van de one tier vennootschap bij of krachtens de statuten’, Ondernemingsrecht 2012/89.