Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Veiligheid en JustitieStaatscourant 2015, 46381Besluiten van algemene strekking

Regeling van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 16 december 2015, nummer 712292, houdende wijziging van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (honderdveertigste wijziging)

De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

Gelet op de artikelen 24, tweede lid, 37, tweede lid en 107a, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 en de artikelen 3.30, tweede lid, 3.42, eerste lid, onderdeel e, 4.44a, derde lid en 4.46, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000;

Besluit:

ARTIKEL I

Het Voorschrift Vreemdelingen 2000 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 3.23 komt als volgt te luiden:

Artikel 3.23

Als buitenlandse onderwijsinstelling, bedoeld in artikel 3.42, eerste lid, onderdeel e, van het Besluit, zijn aangewezen de onderwijsinstellingen opgenomen in de top-200 van de algemene ranglijsten en de beschikbare ranglijsten per faculteit en vakgebied van:

  • a. de Times Higher Education World University Rankings;

  • b. de QS World University Rankings;

  • c. de Academic Ranking of World Universities.

B

Artikel 3.20a, vierde lid, komt te luiden:

  • 4. Het puntenstelsel is niet van toepassing op vreemdelingen met de nationaliteit van de Republiek Turkije die zelfstandig een beroep of bedrijf uitoefenen. De toetsingscriteria waar de vreemdeling met de nationaliteit van de Republiek Turkije die zelfstandig een beroep of bedrijf uitoefent aan moet voldoen zijn opgenomen in bijlage 8aa bij deze regeling.

C

In de tarieftabel van artikel 3.34a, rij d tot en met g, en de artikelen 3.34g, tweede tot en met vierde lid, 3.34h, eerste en tweede lid, 3.34j, derde en vierde lid, 3.34jb, 3.43b, tweede en vierde lid, 3.43c, derde en vierde lid, 3.43e, 3.51, tweede lid, 3.52 en 3.52b wordt ‘€ 53’ telkens vervangen door: € 50.

D

Na artikel 4.12 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 4.12a

Als de landen, bedoeld in artikel 4.46, tweede lid, van het Besluit, zijn aangewezen de landen, bedoeld in artikel 3.18.

E

Artikel 4.18, eerste lid, onderdeel a, komt te luiden:

  • a. de vreemdeling niet langer in Nederland verblijft en deze wijziging niet tijdig is gemeld bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar de vreemdeling als ingezetene is ingeschreven;

F

Artikel 4.25, onderdeel b, komt te luiden:

  • b. de vreemdeling en de referent niet meer samenwonen en deze wijziging niet tijdig is gemeld bij het betreffende college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar de vreemdeling als ingezetene is ingeschreven.

G

In artikel 7.1c, eerste lid, wordt na ‘de Minister van Buitenlandse Zaken’ ingevoegd: of door de Minister van Buitenlandse Zaken voorgedragen onderzoekers of onderzoeksbureaus.

H

Bijlage 8a, behorend bij artikel 3.20a, eerste lid, komt te luiden als aangegeven in de bijlage bij deze regeling.

I

Bijlage 10 vervalt.

ARTIKEL II

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2016, met uitzondering van artikel I, onderdeel A, D en I, die in werking treden op het moment dat de Wijziging van het Vreemdelingenbesluit 2000 in verband met de uitbreiding van het zoekjaar voor vreemdelingen die zijn afgestudeerd of wetenschappelijk onderzoek hebben verricht en in verband met enkele andere wijzigingen en het herstel van enkele technische omissies en van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen in verband met voornoemd zoekjaar in werking treedt.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

‘s-Gravenhage, 16 december 2015

De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, K.H.D.M. Dijkhoff

BIJLAGE 8A BEHOREND BIJ ARTIKEL 3.20A, EERSTE LID, VOORSCHRIFT VREEMDELINGEN 2000

Criterium persoonlijke ervaring (minimum score 30 punten)

Criterium

Punten

 

Controle

Opmerking

Opleiding

(max. 35 punten)

PhD (Doctor)

35

Diploma als bewijs vereist.

Opleiding dient erkend te zijn door IDW (Nuffic/Colo).

Geen directe relatie tussen opleiding en voor de onderneming benodigde kennis = max. 5 punten aftrek.

 

Master

30

   
 

Bachelor

20

   
 

MBO-4

10

   
         

Ondernemerschapservaring

(max. 35 punten)

0–35 punten (t/m)

Geen/minder punten

– ervaring is niet relevant voor onderneming

– marginale betrokkenheid in onderneming

– ervaring < 1 jaar

meer/max. punten

– actief oprichter/eigenaar onderneming

– lid directie(team)

– > 10 werknemers

– > 5 jaar ervaring

 

Ondernemers dienen schriftelijke bewijzen te overleggen (bijv. jaarrekeningen, bewijzen van rol in onderneming etc.).

Deze score kan lagere score op andere onderdelen compenseren.

Hardheid bewijsmateriaal dient buiten twijfel te zijn voor een positieve score.

Actief: niet alleen aandeelhouder/financier.

         

Werkervaring

(max. 10 punten)

Bachelor/academisch

 

Werkgever-referenties schriftelijk aantonen.

Hardheid bewijsmateriaal en daadwerkelijk niveau van functioneren dienen buiten twijfel te zijn.

 

1–<2 jaar

1

   
 

2–<5 jaar

5

   
 

≥ 5 jaar

10

   
 

Seniorniveau

     
 

1–<2 jaar

1

   
 

2–<5 jaar

5

   
 

≥ 5 jaar

10

   
 

Specialistische functie

     
 

1–<2 jaar

1

   
 

2–<5 jaar

5

   
 

≥ 5 jaar

10

   
         

Inkomen

(max. 10 punten)

Bruto inkomen over 12 maanden voorafgaand aan aanvraag:

 

Als bewijs kunnen dienen:

– (loon)belastingaanslagen

– jaarrekening

– jaaropgave

Alleen inkomsten gerelateerd aan: activiteiten in CV

 

< € 12.000

0

   
 

€ 12.000–<€ 25.000

5

   
 

€ 25.000–< €45.000

7

   
 

≥ € 45.000

10

   
         

Ervaring met Nederland

(max. 10 punten)

Ondernemerschap

– (handels)partners of opdrachtgevers uit NL

0–4

Alleen schriftelijke bewijzen.

Hardheid bewijsmateriaal dient buiten twijfel te zijn;

NT2 niveau 4 of hoger / Europees referentiekader niveau B2 of hoger;

Bij familiebezoek, inburgeringscursus of vakantie in Nederland geen punten

 

Cultuur

– Taal NT2/4

0–2

   
 

Opleiding/ervaring

– In NL gevolgde opleiding (min. MBO 4) of proefschrift

– Werkervaring als kenniswerker (min. MBO 4)

0–4

   
         

Startende ondernemer, in het bezit van:

a. een verblijfsvergunning op grond van artikel 3.30, zesde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000;

b. een verklaring van de deskundige begeleider die de startende ondernemer minimaal drie maanden heeft begeleid, waaruit blijkt dat het begeleidingstraject positief is afgelegd.

(max. 30 punten)

 

30

Schriftelijke verklaring, volgens het model dat door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland beschikbaar is gesteld.

 
Criterium ondernemingsplan (minimum score 30 punten)

Criterium

Punten

 

Controle

Opmerking

Marktpotentie

(max. 25 punten)

Product/dienst:

– kenmerken

– toepassing

– behoefte

– unique selling points

0–10

Marktpotentie:

Voor alle aspecten geldt: Zo veel mogelijk schriftelijk bewijs (patenten referenties enz.).

Geraadpleegde bronnen dienen algemeen aanvaard en/of gerenommeerd te zijn.

Marktpotentie: Aannemelijk dient te worden gemaakt dat men een positie op de markt kan innemen en dat product/dienst tegen gewenste prijs ook verkocht kan worden met revenuen voor Nederland.

 

Marktanalyse:

– marktonderzoek

– potentiële klanten

– concurrenten

– toetredingsbarrières

– samenwerking

– risico’s

– marketing/promotie

0–10

   
 

Prijs:

Duidelijke prijsopbouw met alle kosten daarin verdisconteerd

0–5

Kostprijsberekening.

 
         

Organisatie

(max. 25 punten)

0–25 punten (t/m)

 

Zo veel mogelijk schriftelijke bewijzen

Bij schriftelijke bewijzen meer punten dan bij ontbreken daarvan.

 

– Beoordeling of voorgestelde structuur, competenties, kennis en vaardigheden passend zijn voor product of dienst

0–10

   
 

– De ondernemer kan extra punten krijgen voor sector overschrijdende en multidisciplinaire organisatie

0–15

   
         

Financiering

(max. 50 punten)

Solvabiliteit (verhouding eigen vermogen-totaal vermogen)

 

Voor alle aspecten: Zo veel mogelijk schriftelijk aantonen; documenten moeten zijn goed gekeurd door onafhankelijke deskundige (bijv. bij financiering door een Nederlandse bank).

Financiering:

– Prognoses van minstens 3 jaar aanleveren.

– Punt van aandacht is realiteit van onderliggende vooronderstellingen.

– Revenuen voor de Nederlandse economie aantonen.

– Indien al actief in Nederland: aanleveren van jaarrekeningen, BTW- en IB-aangiftes en- beschikkingen.

         
       

NB!: indien financiering door een Nederlandse bank is verleend kan zonder verdere controle 50 punten worden gegeven.

 

Balanstotaal

< € 5.000

Ook bij solvabiliteit van 100%

0

   
         
 

Balanstotaal

€ 5.000 – € 25.000

     
 

Solvabiliteit

< 20%

0

   
 

20% -< 35%

1

   
 

35% -< 50%

3

   
 

≥ 50%

5

   
         
 

Balanstotaal

€ 25.000 – € 50.000

Solvabiliteit

< 20%

0

   
 

20% -< 35%

4

   
 

35% -< 50%

9

   
 

≥ 50%

13

   
         
 

Balanstotaal

> € 50.000

Solvabiliteit

< 20%

0

   
 

20% -< 35%

9

   
 

35% -< 50%

16

   
 

≥ 50%

20

   
         
 

Omzet

< € 35.000

0

   
 

€ 35.000-< €100.000

5

   
 

€100.000 -< €250.000

10

   
 

€250.000 -< €500.000

15

   
 

≥ € 500.000

20

   
         
 

Liquiditeitsprognose (gunstige verwachting gedurende):

   

Aantonen dat de onderneming levensvatbaar is.

 

het eerste jaar

5

   
 

de eerste 2 jaren

de eerste 3 jaren

8

10

   

Startende ondernemer, in het bezit van:

a. een verblijfsvergunning op grond van artikel 3.30, zesde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000;

b. een verklaring van de deskundige begeleider die de startende ondernemer minimaal drie maanden heeft begeleid, waaruit blijkt dat het begeleidingstraject positief is afgelegd.

(max. 30 punten)

 

30

Schriftelijke verklaring, volgens het model dat door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland beschikbaar is gesteld.

 
Criterium toegevoegde waarde van de economische activiteiten voor de Nederlandse economie (minimum score 30 punten)

Criterium

Punten

 

Controle

Opmerking

Innovativiteit

(max. 20 punten)

0–20 punten (t/m)

– Is product/dienst nieuw voor Nederlandse markt?

– Is sprake van nieuwe technologie bij productie, distributie, marketing?

– Is sprake van innovatieve organisatorische opzet en werkwijze?

 

Zo veel mogelijk schriftelijke bewijzen

Bij schriftelijke bewijzen meer punten dan bij ontbreken daarvan.

         

Arbeidscreatie

(max. 40 punten)

Aantal arbeidsplaatsen (excl. aanvrager):

 

Aantal en aard van te realiseren arbeidsplaatsen moet blijken uit het ondernemingsplan, waarbij de realiteit van het plan op dit punt een rol speelt.

Binnen 1,5 jaar moeten de arbeidsplaatsen zijn gerealiseerd en de medewerkers ook daadwerkelijk in dienst zijn genomen.

 

0,5–< 2 fte

10

   
 

2–< 5 fte

20

   
 

5–< 10 fte

30

   
 

≥ 10 fte

40

   
 

Bij hoogwaardige arbeidsplaatsen

(> € 45.000):

     
 

1–< 3 fte

20

   
 

3–< 6 fte

30

   
 

≥6 fte

40

   
         

Investeringen

(max. 40 punten)

Materiële en immateriële vaste activa:

 

Hoogte van de investeringen moet blijken uit onderne- mingsplan, waarbij de realiteit van het plan op dit punt een rol speelt.

De investeringen moeten binnen 1 jaar zijn gerealiseerd.

 

€ 0–< 5.000

0

   
 

€ 5.000–< 50.000

10

   
 

€ 50.000–< 100.000

20

   
 

€ 100.000–< 500.000

30

   
 

≥ € 500.000

40

   

Hoogopgeleide met gedegen ondernemingsplan

Indien de aanvrager op de onderdelen A en B reeds het minimum aantal punten van 90 heeft gehaald (voor A. minimaal 45 en voor B. minimaal 45), maar op onderdeel C de minimaal benodigde 30 punten niet haalt wordt onderdeel C op 30 punten gesteld. Aanvrager krijgt daarmee een positief advies.

     

Startende ondernemer, in het bezit van:

a. een verblijfsvergunning op grond van artikel 3.30, zesde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000;

b. een verklaring van de deskundige begeleider die de startende ondernemer minimaal drie maanden heeft begeleid, waaruit blijkt dat het begeleidingstraject positief is afgelegd.

(max. 30 punten)

 

30

Schriftelijke verklaring, volgens het model dat door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland beschikbaar is gesteld.

 

BIJLAGE 8AA BEHOREND BIJ ARTIKEL 3.20A, VIERDE LID, VOORSCHRIFT VREEMDELINGEN 2000

Criterium

Invulling

Toelichting

De onderneming voorziet in een behoefte in Nederland

Er is sprake van een zodanige markt voor de producten / diensten van de aanvrager, dat de onderneming levensvatbaar is. Dit betekent dat de onderneming een zodanig resultaat behaalt dat de ondernemer minimaal het bruto minimumloon aan de onderneming kan onttrekken.

In het geval van een V.O.F. geldt dat iedere vennoot minimaal het bruto minimumloon kan onttrekken; bij een B.V. iedere eigenaar.

In het geval van toetreding tot een bestaande onderneming, geldt bovenstaande ook en geldt dat het marginale aandeel van de zittende vennoten / eigenaren niet verslechtert.

In het geval van een negatief eigen vermogen en geen aannemelijke vooruitzichten op een positieve kentering wordt uitgegaan van een gebrek aan continuïteitsperspectief en dit leidt tot een negatief advies.

     
   

De behoefte in Nederland en de levensvatbaarheid worden met de volgende bescheiden aangetoond:

Ondernemingsplan, waarin minimaal de volgende onderwerpen zijn opgenomen:

– persoonlijke gegevens van de ondernemer;

– het product of de dienst en wat het unieke daarvan is;

– een marktanalyse toegespitst op het eigen product of dienst;

– de organisatie;

– de (openings)balans;

– de omzet- en liquiditeitsprognose inclusief berekeningen; en

– een specificatie en begroting arbeidscreatie en investeringen (indien aanwezig).

     
   

Nadere toelichting bij de gevraagde bescheiden:

• De marktanalyse bevat minimaal informatie over de kenmerken van de specifieke markt, de doelgroep, de concurrentie (het onderscheidend vermogen), potentieel marktaandeel, marketing, risico’s, prijsbeleid. Voor onderbouwing van de marktanalyse moeten de volgende bewijsmiddelen toegevoegd worden:

– Branchegegevens van de specifieke markt, waarop de onderneming zich richt;

– Prognoses van balansen, omzetten en resultaten;

– Kopieën van concrete (omvang in tijd en geld) intentieverklaringen van toekomstige opdrachtgevers; eventuele al verkregen opdrachten;

– gegevens ter onderbouwing van de competenties van de ondernemer zoals:

○ een kopie van referenties en arbeidsovereenkomst(en) van de voormalige dienstbetrekking(en);

○ kopieën van behaalde diploma’s. Betreft het een buitenlands diploma? Dan moet deze voorzien zijn van een waardering van Nuffic/stichting Samenwerking Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB);

   

• Voor onderbouwing van eventuele al gerealiseerde omzetgegevens moeten de volgende bewijsmiddelen toegevoegd worden: BTW aangiftes en -beschikkingen, definitieve jaarrekeningen en tussentijdse balansen en exploitatieoverzichten, aangiftes Inkomstenbelasting en aanslagen, loonaangiften, verkoopfacturen en bankafschriften (alleen positie aan eind verslagperiode).

• Als sprake is van een BV moet een kopie van het aandelenregister en de oprichtingsakte toegevoegd worden; is sprake van een VOF/CV, dan wordt een kopie van het VOF/CV contract toegevoegd waarin minimaal staat: inbreng van vennoten, verantwoordelijkheden en het aandeel in het resultaat.

• Als de vreemdeling als freelancer werkt: kopieën van intentieverklaringen en/of overeenkomst(en) van (de) opdracht(en) waaruit blijkt dat deze in opdracht als freelancer werkt.

• Zowel bij een overname van als toetreding tot een bestaande onderneming zijn over meerdere jaren exploitatiecijfers van de oude situatie nodig.

Financiële stukken die de aanvraag onderbouwen moeten gecontroleerd zijn door een daartoe bevoegd extern onafhankelijk deskundige (register accountant, een accountant administratieconsulent, boekhouder, of een financieel adviseur).

Er mag geen negatieve invloed op de markteconomie zijn

De op te richten onderneming zorgt niet voor verstoring op de markt.

De actuele situatie op de specifieke markt waarop de onderneming zich begeeft, is bij de beoordeling van belang. Dit betekent dat de concurrentieverhoudingen niet verstoord worden door bijvoorbeeld prijsdumping, toetreding tot een markt met overcapaciteit, toetreding tot een markt met dalende vraag, optreden als extra schakel op al bestaand sectorkolomniveau (toelevering aan gelijksoortige ondernemingen, ook wederzijds). Bij branches die na een dip weer aantrekken, zal worden gekeken naar de mate van groeiverwachting in relatie tot eventuele bestaande overcapaciteit.

Er is ook sprake van een negatief gevolg voor de markteconomie als de (verwachte) resultaten onder de norm van het bruto minimumloon liggen en de ondernemer grote kans loopt zijn onderneming te moeten staken. De ondernemer zal dan uiteindelijk in het sociale vangnet terecht kunnen komen, wat geen bijdrage aan de markteconomie betekent. Ook wanneer de onderneming al eerder is opgestart zal de beoordeling plaatsvinden alsof het bedrijf nieuw op de markt komt.

Er mag geen negatieve invloed voor de werkgelegenheid zijn

Toetreding tot de markt door betrokkene mag geen verstoring betekenen van de arbeidsmarkt voor werknemers en zelfstandigen.

De actuele arbeidsmarktsituatie in de branche waar betrokkene toetreedt is van belang. Toetreding tot een branche met hoge werkloosheid onder werknemers en zelfstandigen is arbeidsmarkt verstorend. Hierbij wordt ook de regio, waarin de activiteiten worden uitgevoerd mee genomen. Cijfers van UWV worden in de beoordeling betrokken.

Ook toetreding tot de markt in het verleden, betekent in de toetsing nieuw op de arbeidsmarkt.

     
   

Wijziging van het werknemerschap in mede-eigendom (vennoot, aandeelhouder) kan leiden tot een negatief advies op grond van verstoring van de arbeidsmarkt indien voor en / of na omzetting geen sprake is van een geldige verblijfsvergunning.

TOELICHTING

Algemeen

Deze regeling tot wijziging van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 bevat onder andere een aanpassing van het puntenstelsel voor zelfstandigen, een wijziging naar aanleiding van de fusie van het zoekjaar afgestudeerden en de regeling hoogopgeleiden en een wijziging van de legestarieven die gerelateerd zijn aan het Besluit paspoortgelden.

De invoeringstermijn van deze regeling bedraagt minder dan twee maanden. Hiermee wordt afgeweken van het in het Kabinetsstandpunt inzake Vaste Verandermomenten neergelegde uitgangspunt. Ook de inwerkingtredingsdatum wijkt deels af van de vaste verandermomenten. Deze uitzonderingen zijn toegestaan omdat het spoedregelgeving betreft (Aanwijzing 174, vierde lid, onder b, van de Aanwijzingen voor de regelgeving).

Artikelsgewijs

Artikel I

Onderdeel A en I (artikel 3.23 en bijlage 10)

Met de inwerkingtreding van de wijziging van het Vreemdelingenbesluit 2000 in verband met de uitbreiding van het zoekjaar voor vreemdelingen die zijn afgestudeerd of wetenschappelijk onderzoek hebben verricht en in verband met enkele andere wijzigingen en het herstel van enkele technische omissies en van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen in verband met voornoemd zoekjaar zijn het zoekjaar afgestudeerden en de regeling hoogopgeleiden gefuseerd. Deze wijziging van het Vreemdelingenbesluit 2000 houdt kortgezegd in dat de doelgroepen uit de regeling hoogopgeleiden worden samengevoegd met het zoekjaar afgestudeerden. De samengevoegde regeling krijgt daarmee de naam ‘zoekjaar hoogopgeleiden’.

Onder de oude bepaling van artikel 3.42 van het Vreemdelingenbesluit 2000 werd de doelgroep van de hoogopgeleiden getoetst aan de hand van een puntensysteem. Hierbij werd getoetst op opleiding, op leeftijd en op indicatoren voor het welslagen in Nederland. Dit puntensysteem is vervallen in het nieuwe artikel 3.42 van het Vreemdelingenbesluit 2000. Daarmee zijn het tweede en derde lid van artikel 3.23 en bijlage 10 komen te vervallen. Daarvoor in de plaats wordt wel een minimaal niveau van kennis van de Engelse of Nederlandse taal gevraagd. In artikel 3.23 is nu alleen een uitwerking van artikel 3.42, eerste lid, onderdeel e, opgenomen. In artikel 3.23 wordt het mogelijk om naast de ranglijsten die zien op de onderwijsinstellingen als geheel, ook de ranglijsten die zien op de faculteiten en vakgebieden toe te passen.

Onderdelen B (artikel 3.20a, vierde lid en bijlage 8aa)

De toetsing van vreemdelingen met de nationaliteit van de Republiek Turkije die zelfstandig een beroep of bedrijf uitoefenen vindt sinds 29 september 2010 plaats conform de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 september 2010 (zaaknr. 200908205/1/V2, LJN BN 9181). Samenvattend wordt er getoetst op de volgende toetsingscriteria:

  • 1) Behoefte en levensvatbaarheid;

  • 2) Geen negatieve invloed op de markteconomie, en

  • 3) Geen negatieve invloed op de werkgelegenheidssituatie.

Dit is conform de methodiek van 1973, echter conform de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak in het licht van de actuele huidige marktsituatie en -verwachtingen.

De Immigratie- en Naturalisatiedienst vraagt in deze zaken advies aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, die de Immigratie- en Naturalisatiedienst adviseert op bovenstaande punten. Met onderhavige wijziging worden deze toetsingscriteria opgenomen in het Voorschrift Vreemdelingen 2000 en daarmee kenbaar gemaakt. Dit is in lijn met de brief van 2 februari 2015 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II 2014/15, 30 573, nr. 130). In de nieuwe bijlage 8aa, behorend bij artikel 3.20a, vierde lid, is per toetsingscriterium een toelichting opgenomen. Hiermee kunnen vreemdelingen met de nationaliteit van de Republiek Turkije die in Nederland zelfstandig een beroep of bedrijf willen uitoefenen beter de kans van slagen inschatten. Het betreft geen aanscherping van het beleid.

Onderdeel C (3.34a, rij d tot en met g, en de artikelen 3.34g, tweede tot en met derde lid, 3.34h, eerste en tweede lid, 3.34j, derde en vierde lid, 3.34jb, 3.43b, tweede en vierde lid, 3.43c, derde en vierde lid, 3.43e, 3.51, tweede lid, 3.52 en 3.52b)

In deze artikelen is een verlaging van de legestarieven doorgevoerd voor een aantal doelgroepen van € 53 naar € 50. Het betreft de legestarieven ter afdoening van aanvragen om afgifte van een EU-document, voor de verlening van een verblijfsvergunning voor personen die in aanmerking komen voor de terugkeeroptie op grond van artikel 8 van de Remigratiewet, een verblijfsvergunning voor jongeren die in het kader van Working Holiday Scheme, Working Holiday Programme en Young workers exchange programme, een verblijfsvergunning van een vreemdeling die valt onder artikel 41, eerste lid, van het op 23 november 1970 te Brussel tot stand gekomen Aanvullend Protocol bij de op 12 september 1963 te Ankara gesloten Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije (Trb. 1971,70) of artikel 6, 7 of 13 van het Besluit 1/80 van de Associatieraad EEG-Turkije betreffende de ontwikkeling van de Associatie en de vijfjaarlijkse vervanging van het document voor houders van een verblijfsvergunning regulier of asiel voor onbepaalde tijd en houders van een document duurzaam verblijf voor EU-burgers. De hoogte van dit tarief is gerelateerd aan het bedrag dat wordt vastgesteld voor de identiteitskaart conform het Besluit paspoortgelden. Met ingang van 1 januari 2016 bedraagt het legesbedrag dat gemeenten conform artikel 6, tweede lid, onderdeel c, sub 1, van het Besluit paspoortgelden (Stb. 2015, 449) maximaal mogen heffen voor een Nederlandse identiteitskaart € 50,40. Bij dit maximale bedrag is aangesloten. In artikel 6, tweede lid, onderdeel c, sub 2, van het Besluit paspoortgelden is ten behoeve van een persoon die op het moment van de aanvraag de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft het legesbedrag op € 28,48 vastgesteld. Aangezien het verlaagd legestarief voor minderjarigen thans al is vastgesteld op € 28, behoeft dit legestarief geen aanpassing.

Onderdeel D (artikel 4.12a)

Artikel 3.79 van het Vreemdelingenbesluit 2000 regelt dat een aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in beginsel kan worden afgewezen indien de vreemdeling niet bereid is mee te werken aan een TBC-onderzoek. Artikel 4.46 van het Vreemdelingenbesluit 2000 bevat de hierbij behorende verplichting om mee te werken aan een TBC-onderzoek. De vrijgestelde herkomstlanden waren voorheen verschillend geregeld. In het geval van artikel 3.79 van het Vreemdelingenbesluit 2000 is dit uitgewerkt in artikel 3.18, terwijl in het geval van artikel 4.46 van het Vreemdelingenbesluit 2000 de vrijgestelde herkomstlanden in het artikel zelf werden genoemd.

Met de wijziging van artikel 4.46, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 is het systeem van artikel 3.79 van het Vreemdelingenbesluit 2000 een op een gekopieerd, waardoor de vrijgestelde herkomstlanden synchroon lopen. In het nieuwe artikel 4.12a is daartoe het systeem van artikel 3.18 van overeenkomstige toepassing verklaard op de medewerkingsplicht. In artikel 3.18 is onder meer een dynamische vrijstelling opgenomen, waarbij wordt uitgegaan van de actuele landenlijst van het KNCV Tuberculosefonds.

Onderdelen E en F (artikelen 4.18, eerste lid, onderdeel a en 4.25, onderdeel b)

Op grond van artikel 4.18, eerste lid, onderdeel a, heeft de referent de verplichting om melding te maken van het feit dat de vreemdeling niet langer in Nederland verblijft. Op grond van artikel 4.25, onderdeel b, heeft de referent de verplichting om melding te maken van het feit dat hij en de vreemdeling niet meer samenwonen. Op grond van artikel 4.17, eerste lid, dient de melding binnen vier weken bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te worden gedaan. Met deze wijziging wordt bewerkstelligd dat de melding bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst niet is vereist indien het feit binnen vier weken na de emigratie of het niet meer samenwonen is gemeld bij de burgemeester en wethouders van de gemeente waar de vreemdeling als ingezetene is ingeschreven. Door een systeemkoppeling tussen de Basisregistratie Personen en het systeem van de Immigratie- en Naturalisatiedienst komt de melding bij de burgemeester en wethouders beschikbaar voor de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

Onderdeel G (artikel 7.1c)

In artikel 7.1c wordt aangegeven aan welke personen of instanties de verzamelde bijzondere persoonsgegevens worden doorgegeven voor de uitoefening van hun taak, voor zover deze zien op de uitvoering van het doel waarvoor de gegevens zijn verkregen. De gegevens worden schriftelijk verstrekt, waardoor altijd na te gaan is welke gegevens zijn verstrekt.

Zij dienen die gegevens alleen maar te gebruiken voor het in dit artikel genoemde doel. Het is niet toegestaan de gegevens te gebruiken voor een ander doel dan het doel waarvoor de gegevens zijn verkregen. Dit laat onverlet dat in voorkomende gevallen de genoemde personen en instanties niet onder hun gezag opererende personen moeten inschakelen. De personen en instanties, aan wie de bijzondere persoonsgegevens zijn verstrekt, zijn verantwoordelijk voor de verwerking van die gegevens op grond van de bepalingen van de Wet bescherming persoonsgegevens.

Onderdeel H (bijlage 8a)

Bij brief van 14 december 2015 is de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal geïnformeerd over de doorstroom van startende ondernemers, die op grond van artikel 3.30, zesde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 rechtmatig verblijf hebben gekregen, in de zelfstandigenregeling. In de nieuwe bijlage 8a wordt het mogelijk gemaakt dat startende ondernemers meer ruimte krijgen door te stromen in de zelfstandigenregeling. De zelfstandigenregeling is uitgewerkt in artikel 3.30 en 3.58, eerste lid, onderdeel c, van het Vreemdelingenbesluit 2000 en de artikelen 3.20, 3.20a en 3.20b van het Voorschrift Vreemdelingen 2000. Indien de startende ondernemer in het bezit is van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 3.30, zesde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 en een verklaring van de deskundige begeleider overlegt waaruit blijkt dat de startende ondernemer, in minimaal drie maanden, het begeleidingstraject positief heeft afgelegd, is het aannemelijk dat de startende ondernemer voldoende persoonlijke ervaring heeft ontwikkeld en een voldoende levensvatbare onderneming heeft. Daarmee kan de verklaring van de deskundige begeleider als equivalent worden gezien van ten minste de minimale score voor persoonlijke ervaring, ondernemersplan en toegevoegde waarde voor de Nederlandse economie.

De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, K.H.D.M. Dijkhoff