Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND)Staatscourant 2015, 46072Besluiten van algemene strekking

Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 8 december 2015, nummer WBV 2015/20, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000

De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

Gelet op de Vreemdelingenwet 2000, het Vreemdelingenbesluit 2000 en het Voorschrift Vreemdelingen 2000;

Besluit:

ARTIKEL I

De Vreemdelingencirculaire 2000 wordt als volgt gewijzigd:

A

Paragraaf A1/7.3 Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden:

7.3 Weigeren van toegang

De ambtenaar belast met de grensbewaking weigert de toegang aan iedere vreemdeling die niet aan de toegangsvoorwaarden voldoet. De weigering van toegang is een met redenen omklede beslissing:

  • die geen uitstel gedoogt of, in voorkomend geval, na het verstrijken van de in de Vw genoemde termijn van uitstel ten uitvoer wordt gelegd;

  • die door de ambtenaar belast met de grensbewaking aan de vreemdeling wordt uitgereikt;

  • die inhoudt dat een vreemdeling bij het niet vervullen van de voorwaarden voor binnenkomst niet het grondgebied van Nederland of het Schengengebied mag binnenkomen en aldaar verblijven.

De ambtenaar belast met de grensbewaking:

  • stelt de toegangsweigering uit door middel van het model M18A, indien de vreemdeling vóórdat een beslissing inzake de toegang is genomen een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd indient;

  • schort de toegangsweigering op door middel van het model M18A, indien de vreemdeling ná de toegangsweigering een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd indient;

  • legt voor de duur van de grensprocedure een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid Vw of artikel 6a, eerste lid Vw op door middel van het model M19; en

  • plaatst de vreemdeling ten spoedigste voor de behandeling van de aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in AC Schiphol.

De ambtenaar belast met de grensbewaking neemt contact op met de IND over het al dan niet uitstellen of opschorten van de weigering tot toegang, als de ambtenaar belast met de grensbewaking concludeert dat het weigeren van toegang mogelijk leidt tot het schaden van een wezenlijk humanitair belang.

De ambtenaar belast met de grensbewaking kan altijd de medewerker van de IND consulteren voor advies indien hiertoe naar het oordeel van de ambtenaar belast met de grensbewaking aanleiding bestaat. Het advies van de medewerker van de IND is in deze gevallen bindend.

Indien een volwassen vreemdeling samen met een minderjarig kind te kennen geeft een aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te willen indienen, dan handelt de ambtenaar belast met de grensbewaking als volgt:

  • de ambtenaar belast met de grensbewaking verleent de toegang en legt daarmee geen vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid Vw, of artikel 6a, eerste lid Vw op; en

  • de ambtenaar belast met de grensbewaking verwijst deze vreemdelingen voor het indienen van de aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, door naar de aanmeldunit van de AVIM (Afdeling Vreemdelingpolitie, Identificatie en Mensenhandel) (zie paragraaf C1/2.1 Vc).

Indien er indicaties zijn van mogelijke risico’s voor het geestelijk of lichamelijk welzijn van het minderjarige kind of indien nader onderzoek nodig is naar de volwassen vreemdeling of zijn gestelde relatie tot het minderjarige kind, dan kan de ambtenaar belast met de grensbewaking van deze regel afwijken. De ambtenaar belast met de grensbewaking:

  • stelt de toegangsweigering uit, of schort de toegangsweigering op door middel van het model M18A;

  • legt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, Vw of artikel 6a, eerste lid Vw op door middel van het model M19 (zie paragraaf A5/3.2); en

  • plaatst de volwassen vreemdeling en het minderjarige kind, voor de behandeling van de aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de Gesloten Gezinsvoorziening in Zeist.

Indien er door de ambtenaar belast met de grensbewaking wordt vastgesteld dat er risico’s zijn voor het geestelijk of lichamelijk welzijn van het minderjarige kind en/of dat er geen nader onderzoek nodig is naar de volwassen vreemdeling of zijn gestelde relatie tot het minderjarige kind (de relatie wordt niet aangenomen), dan wordt er als volgt gehandeld. De ambtenaar belast met de grensbewaking:

  • verleent aan het minderjarige kind de toegang en legt daarmee geen vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, Vw, of artikel 6a, eerste lid, Vw op;

  • verwijst het minderjarige kind voor het indienen van de aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, door naar de aanmeldunit van de AVIM (zie paragraaf C1/2.1 Vc).

  • stelt de toegangsweigering van de volwassen vreemdeling uit, of schort deze toegangsweigering op door middel van het model M18A;

  • legt aan de volwassen vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel op op grond van artikel 6, derde lid, Vw of artikel 6a, eerste lid, Vw door middel van het model M19 (zie paragraaf A5/3.2 Vc);

  • plaatst de volwassen vreemdeling ten spoedigste voor de behandeling van de aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in AC Schiphol.

Indien een alleenstaande minderjarige vreemdeling te kennen geeft een aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te willen indienen, dan handelt de ambtenaar belast met de grensbewaking als volgt:

  • de ambtenaar belast met de grensbewaking verleent de toegang en legt daarmee geen vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid Vw, of artikel 6a, eerste lid Vw op; en

  • de ambtenaar belast met de grensbewaking verwijst deze vreemdeling voor het indienen van de aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, door naar de aanmeldunit van de AVIM (zie paragraaf C1/2.1 Vc).

De ambtenaar belast met de grensbewaking legt het een voornemen voor aan de IND als het voornemen bestaat om de toegang te weigeren aan een vreemdeling die een onderdaan van de EU, EER of Zwitserland is of dit stelt te zijn, en vraagt een bijzondere aanwijzing op grond van artikel 8.8, tweede lid, Vb.

De ambtenaar belast met de grensbewaking neemt contact op met de IND als, in andere dan de hierboven genoemde gevallen, het al dan niet verlenen van toegang nauw samenhangt met de toelatingsbeslissing. Dit gebeurt in ieder geval als de ambtenaar belast met grensbewaking het voornemen heeft de toegang te weigeren aan personen behorend tot een van onderstaande categorieën:

  • de persoon die zich erop beroept Nederlander te zijn en/of daarmee te worden gelijkgesteld;

  • de vreemdeling die zich op een bijzondere status beroept (zie A1/4 Vc);

  • de vreemdeling die zich erop beroept dat hem lang verblijf in Nederland is toegestaan;

  • de vreemdeling die in het bezit is van een geldige mvv; of

  • buitenlandse adoptiekinderen, adoptiefkinderen en pleegkinderen.

De ambtenaar belast met de grensbewaking neemt contact op met de IND als:

  • het weigeren van toegang leidt tot het schaden van een wezenlijk humanitair belang;

  • een wezenlijk Nederlands belang (bijvoorbeeld het bijzonder urgente reisdoel van de vreemdeling) zich tegen weigering van toegang verzet.

De ambtenaar belast met de grensbewaking weigert toegang aan een vreemdeling van wie blijkt dat hij lang verblijf beoogt, als de vereiste mvv ontbreekt. De ambtenaar belast met de grensbewaking mag met machtiging van de IND onder bepaalde voorwaarden in ieder geval toegang verlenen in de volgende situaties:

  • de vreemdeling wijzigt zijn verblijfsdoel;

  • er is een wezenlijk Nederlands belang gediend bij het verlenen van toegang;

  • er is sprake van klemmende reden van humanitaire aard.

De ambtenaar belast met de grensbewaking kruist in het standaardformulier zoals opgenomen in bijlage V, deel B, SGC en als model M17 overgenomen als bijlage van de Vc, de redenen aan op grond waarvan de toegang wordt geweigerd aan een vreemdeling uit een derde land die wil inreizen. De ambtenaar belast met de grensbewaking maakt op het model M17 melding van:

  • de betreffende staat (in Nederland van de Staat der Nederlanden);

  • de betreffende instantie, inclusief overheidslogo (van de KMar of ZHP);

  • de toepasselijke bepalingen van de wetgeving met betrekking tot de reden voor toegangsweigering (in dit geval artikel 13 juncto artikel 5, eerste lid SGC).

Gevaar voor de volksgezondheid

Als een vreemdeling de toegang tot het grondgebied is geweigerd omdat hij een gevaar vormt voor de volksgezondheid, treft de ambtenaar belast met de grensbewaking maatregelen die erop gericht zijn de volksgezondheid te beschermen.

De ambtenaar belast met de grensbewaking weigert de vreemdeling de toegang als de ziekte:

  • behandeling in een ziekenhuis nodig maakt; of

  • ingevolge de Infectieziektewet en Quarantainewet aanleiding geeft tot quarantaine.

De ambtenaar belast met de grensbewaking legt een maatregel als bedoeld in artikel 6, eerste lid, Vw op met als aangewezen ruimte het ziekenhuis alwaar de behandeling of de quarantaine plaats zal vinden (zie model M19 en de voorziening TISOV, Tijdelijk Informatiesysteem Overdracht Vreemdelingen).

De ambtenaar belast met de grensbewaking beoordeelt of aan de vreemdeling alsnog toegang tot het grondgebied kan worden verleend na afloop van:

  • de behandeling van de ziekte; of

  • de periode van quarantaine.

De ambtenaar belast met de grensbewaking informeert de Korpschef over de in het kader van de grensbewaking getroffen maatregelen.

Rechtsmiddelen toegangsweigering

De schriftelijke toegangsweigering is een besluit waartegen de vreemdeling administratief beroep kan instellen bij de IND. De ambtenaar belast met de grensbewaking reikt aan de vreemdeling naast het model M17 of M18 ook een folder ‘Rechtsmiddelen’ uit.

De ambtenaar belast met de grensbewaking zendt een faxbericht aan de meldcentrale rechtsbijstand als een geweigerde vreemdeling om een raadsman verzoekt. De vreemdeling moet het administratief beroepschrift binnen vier weken indienen bij de IND. De vreemdeling mag de behandeling van het administratief beroepschrift niet in Nederland afwachten. De vreemdeling moet Nederland op grond van artikel 5, eerste lid, Vw onmiddellijk verlaten, tenzij er sprake is van een eerste verzoek om een voorlopige voorziening.

Indien na de toegangsweigering (vrijwel)gelijktijdig een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, Vw wordt opgelegd en men tegen deze vrijheidsontnemende maatregel beroep instelt, dan dient het rechtsmiddel tegen de toegangsweigering eveneens beroep te zijn, in plaats van administratief beroep.

Rechtsmiddelen uitstellen/opschorten van de toegangsweigering

De ambtenaar belast met de grensbewaking reikt aan de vreemdeling naast het model M18A ook een folder ‘Rechtsmiddelen’ uit. Het schriftelijke uitstellen of opschorten van de toegangsweigering is een besluit waartegen de vreemdeling in beginsel administratief beroep kan instellen bij de IND.

Indien echter na de (uitgestelde/opgeschorte) toegangsweigering, tevens een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid Vw of artikel 6a Vw wordt opgelegd en men tegen deze vrijheidsontnemende maatregel beroep instelt, wordt dit beroep geacht mede een beroep tegen de (uitgestelde/opgeschorte) toegangsweigering te omvatten. De vreemdeling hoeft dan tegen de (uitgestelde/opgeschorte) toegangsweigering geen administratief beroep in te stellen. De IND zendt een eventueel toch ingesteld administratief beroep door aan de rechtbank die het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel behandelt. Vorenstaande geldt niet indien er tussen de toegangsweigering en het opleggen van de vrijheidsontnemende maatregel meer dan achtentwintig dagen zijn verstreken. In dat geval zal de IND het administratief beroep behandelen.

Onderdanen van de EU, de EER en Zwitserland (en familieleden)

De ambtenaar belast met de grensbewaking weigert de aanvraag om een visum uitsluitend wanneer de vreemdeling overtuigend heeft aangetoond dat de aanvrager een familie- of een gezinslid is in de zin van artikel 8.7, tweede, derde of vierde lid Vb:

  • op de gronden genoemd in artikel 8.8, eerste lid onder a en b Vb;

  • als sprake is van rechtsmisbruik of fraude, zoals schijnhuwelijk.

De ambtenaar belast met de grensbewaking verstrekt het visum gratis in het geval dat hij een familie- of gezinslid als bedoeld in artikel 8.7, tweede, derde of vierde lid, Vb aan de grens aantreft en hij de vreemdeling verzoekt om een visum aan te vragen om de onderdaan van de EU, de EER en Zwitserland te begeleiden of zich bij die onderdaan te voegen.

Alleenreizende minderjarige vreemdelingen

Als de ambtenaar belast met de grensbewaking aan een alleenreizende minderjarige vreemdeling de toegang tot Nederland weigert, draagt de ambtenaar de vreemdeling over aan de DT&V voor het terugbrengen van de vreemdeling naar een derde land waar zijn toelating is gewaarborgd.

B

De titel van paragraaf A2/2 Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden:

A2/2 Staande houden

C

Paragraaf A2/2.1 Vreemdelingencirculaire wordt toegevoegd en komt te luiden:

2.1 Staande houden ter vaststelling identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie

De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen heeft de bevoegdheid om personen staande te houden om de identiteit, nationaliteit en de verblijfsstatus van de persoon vast te stellen. Van deze bevoegdheid mag gebruik gemaakt worden als sprake is van feiten en omstandigheden die, naar objectieve maatstaven gemeten, een redelijk vermoeden van illegaal verblijf opleveren of ter bestrijding van illegaal verblijf na grensoverschrijding. De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen moet het vermoeden dat de persoon geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, toetsen aan objectieve maatstaven. Deze objectieve maatstaven zijn in ieder geval gebaseerd op tenminste één van de volgende voorwaarden:

  • feiten of omstandigheden van de situatie waarin de persoon wordt staande gehouden;

  • aanwijzingen over de persoon die wordt staande gehouden;

  • ervaring- of omgevingsgegevens van de politie, KMar of andere overheidsinstanties.

Een redelijk vermoeden van illegaal verblijf mag in ieder geval in de volgende situaties aangenomen worden:

  • informatie van overheidsinstanties, zoals de Gemeentelijke Sociale Dienst of de Inspectie SZW of de BRP;

  • aanwijzingen uit eigen onderzoek van de politie;

  • aanwijzingen die de politie verkrijgt bij de controle van persoonsgegevens in het kader van de uitoefening van de politietaken;

  • een controle in een woning of een bedrijf waarbij bij een eerdere controle illegale personen aangetroffen zijn;

  • het aantreffen van andere personen in dezelfde woning waar een met naam bekende illegale of uitgeprocedeerde vreemdeling ter uitzetting aangehouden wordt of kan worden;

  • een controle van inzittenden van een voertuig waarvan bij een verkeerscontrole is gebleken dat de bestuurder van dat voertuig illegaal in Nederland verblijft;

  • voertuigen waarmee personen vervoerd worden naar een bedrijf waar eerder illegale vreemdelingen aangetroffen zijn;

  • concrete (anonieme) tips over illegale vreemdelingen;

  • een verdachte van niet-Nederlandse nationaliteit, die zich niet kan identificeren;

  • een gelegenheid of plaats, waar zich veel vreemdelingen plegen op te houden, en waarvan vermoed wordt of bekend is dat er zich regelmatig illegale vreemdelingen bevinden;

  • een redelijk vermoeden van mensensmokkel;

  • een redelijk vermoeden van illegale tewerkstelling in het kader van de Wav;

  • een redelijk vermoeden van illegaal in Nederland verblijvende prostituees.

De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen raadpleegt de gegevens over de identiteit, nationaliteit en verblijfsstatus van de staande gehouden persoon in de BVV, als deze gegevens niet vastgesteld kunnen worden aan de hand van een document zoals omschreven onder artikel 4.21 Vb. De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen beoordeelt op basis van de gegevens in de BVV of een terugkeerbesluit moet worden genomen tegen een vreemdeling die niet rechtmatig in Nederland verblijft.

Als de gegevens van de staande gehouden persoon niet voorkomen in de BVV raadpleegt de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen de opgegeven nationaliteit van de staande gehouden persoon in de BRP.

De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen onderzoekt de verblijfsstatus van de staande gehouden persoon die niet de Nederlandse nationaliteit heeft of als een verblijfsstatus die in de BVV gevonden is om nader onderzocht vraagt.

De ambtenaar belast met grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen moet van het staande houden van personen een proces-verbaal opmaken, met gebruikmaking van het model M105 of in geval van Mobiel Toezicht Veiligheid (MTV) van het model M105-D.

D

Paragraaf A2/2.2 Vreemdelingencirculaire wordt toegevoegd en komt te luiden:

2.2 Staande houden ter uitvoering van een overdrachtsbesluit

Wanneer een vreemdeling ter uitvoering van een overdrachtsbesluit moet worden staande gehouden en overgebracht, kan er geen sprake zijn van een redelijk vermoeden van illegaal verblijf. De vreemdeling heeft immers rechtmatig verblijf tot uitvoering van de overdracht zelf. Dit wordt geregistreerd in het model M105-A.

E

Paragraaf A2/2.3 Vreemdelingencirculaire wordt toegevoegd en komt te luiden:

2.3 Staande houden in verband met uitvoering artikel 55 Vw

Alvorens een vreemdeling in het kader van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd indient en hij/zij aan lichaam, kleding en bagage wordt onderzocht, moet de vreemdeling worden staande gehouden (artikel 55, tweede lid, Vw). Dit geldt ook voor fouillering met het oog op de veiligheid in het aanmeldcentrum (artikel 55, derde lid, Vw). Als zich hierbij bijzonderheden voordoen, wordt model M105-B gebruikt.

F

Paragraaf A2/2.4 Vreemdelingencirculaire wordt toegevoegd en komt te luiden:

2.4 Overname uit strafrecht

In het geval de vreemdeling ter uitvoering van het VRIS-protocol wordt overgedragen aan de AVIM hoeft geen staandehouding als bedoeld in artikel 50, eerste lid, Vw meer plaats te vinden. Er kan gelijk worden overgegaan tot de ophouding als bedoeld in artikel 50, tweede of derde lid, Vw, mits het tijdstip van ophouding gelijk is aan – dan wel direct aansluit op – het tijdstip van einde detentie of strafrechtelijke heenzending. Dit is het tijdstip waarop de termijn van de vreemdelingenrechtelijke ophouding aanvangt. De overname en de opvolgende ophouding worden verantwoord in het model M105-C. (zie ook A5/6.12 Vc)

G

Paragraaf A2/2.5 Vreemdelingencirculaire wordt toegevoegd en komt te luiden:

2.5 Overbrengen en ophouden

De ophoudingstermijn vangt aan bij de aankomst van de opgehouden persoon op de plaats van de ophouding. Bij het overbrengen van de opgehouden persoon telt de tijd niet mee.

De ambtenaar belast met grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen moet van het ophouden van personen een proces-verbaal opmaken door gebruik te maken van het model M105, M105-A, M105-B of M105-C of in geval van Mobiel Toezicht Veiligheid (MTV) van het model M105-D.

De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen moet de opgehouden persoon op de hoogte stellen van alle volgende rechten:

  • het recht om zich bij te laten staan door een raadsman;

  • het recht op bijstand van diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in Nederland;

  • het recht op aan kennisgeving van de ophouding aan derden (verwanten, echtgeno(o)t(e) of een levenspartner);

  • het recht op beroep tegen de ophouding;

Als de opgehouden persoon minderjarig is, worden degenen die de ouderlijke macht of de voogdij over de minderjarige uitoefenen geïnformeerd over de ophouding. Als daartoe geen gelegenheid bestaat, moet de Korpschef of de Commandant der KMar de kennisgeving doen aan de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in Nederland.

H

Paragraaf A2/6 Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden:

6. Verlenging en einde ophouding

De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen, eveneens Hulpofficier van Justitie, moet bij de verlenging van de ophouding van de persoon in ieder geval de volgende handelingen verrichten:

  • voor de verlenging van de ophouding van de persoon gebruik maken van het model M105-E;

  • de beschikking tot verlenging van de ophouding van de persoon voorzien van dagtekening, ondertekening en de redenen voor de verlenging van de ophouding;

  • een afschrift van de beschikking tot verlenging aan de opgehouden persoon uitreiken;

  • de opgehouden persoon meedelen dat hij tegen deze beslissing een rechtsmiddel kan aanwenden;

  • het origineel van de beschikking tot verlenging van de ophouding van de persoon in het archief van de eigen organisatie opbergen;

  • het tijdstip waarop de verlenging van een ophouding van de persoon ingaat in de vreemdelingenadministratie registreren.

Bij de verlenging van de ophouding van de persoon hoeft de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen de opgehouden persoon niet te horen.

Bij het opheffen van de ophouding van de persoon moet de Korpschef, de Commandant der KMar, de hulpofficier van Justitie of de ambtenaar belast met de grensbewaking het model M113 opmaken.

I

Paragraaf A2/8 Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden:

8. Bevoegdheden ten aanzien van reis- en verblijfsdocumenten

De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen mag in alle volgende bewijsmiddelen geen aantekeningen maken:

  • in een geldig document voor grensoverschrijding of in een identiteitsbewijs van een vreemdeling die een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft ingediend;

  • in bewijsmiddelen die afgegeven zijn door een regering of staat die niet door Nederland is erkend;

  • in een geldig document voor grensoverschrijding en op een verblijfsdocument van vreemdelingen anders dan door wet- en regelgeving is voorgeschreven.

De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen moet in ieder geval aantekeningen in het geldig document voor grensoverschrijding van een vreemdeling doorhalen ingeval:

  • een visum is verleend maar niet langer aan de afgiftevoorwaarden voor verlening van dit visum wordt voldaan;

  • daarin is aangetekend dat zijn vertrek op grond van artikel 64 Vw is opgeschort en de grond voor die opschorting is komen te vervallen;

  • het bezwaar- of beroepschrift of een beroep door de rechtbank (kennelijk) ongegrond is verklaard en in het geldig document voor grensoverschrijding van de vreemdeling een aantekening over de indiening van dat bezwaar- of beroepschrift of instelling van dat beroep is gesteld.

Als de sticker of de aantekeningen niet in een geldig document voor grensoverschrijding zijn aangebracht maar op een afzonderlijk inlegblad zijn aangebracht, dan moet de ambtenaar belast met grensbewaking het inlegvel van de vreemdeling innemen.

De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen heeft het recht om een geldig document voor grensoverschrijding of een identiteitspapier van een persoon in ieder geval in de volgende situaties in te nemen:

  • het in bewaring nemen van het document is tijdelijk nodig voor het verkrijgen van de gegevens, bedoeld in Titel 5.2 van de Awb:

    • als een persoon niet de vereiste medewerking aan het verkrijgen van de gevraagde gegevens verleent;

    • als de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen in het document een aantekening moet maken over het vertrek of de ongewenstverklaring van de vreemdeling en de vreemdeling weigert het document voor dat doel te overhandigen aan de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen;

  • bij een controle blijkt niet onmiddellijk dat de vreemdeling in Nederland mag verblijven, maar de gelegenheid ontbreekt, of het is niet gewenst, om de vreemdeling over te brengen naar een plaats voor verhoor. De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen heeft dan het recht om het document van de vreemdeling tijdelijk in bewaring nemen. De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen moet de vreemdeling bij het innemen van het document meedelen dat de vreemdeling voor informatie over de inbewaringneming van het document en het eventueel terug verkrijgen van het document zich moet wenden tot de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen;

  • de vreemdeling is in bewaring gesteld of ondergaat een vrijheidsstraf. Als de vreemdeling uitgezet wordt, moet de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen de documenten overhandigen aan de vreemdeling of aan de KMar als vreemdeling aan de buitenlandse autoriteiten wordt overgegeven;

  • het in bewaring nemen van het document is nodig met het oog op de uitzetting of de overgave aan de buitenlandse grensautoriteiten van de vreemdeling.

Als de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen op grond van artikel 52, eerste lid Vw, het geldige document voor grensoverschrijding of een identiteitspapier van een persoon inneemt, moet de ambtenaar belast met grensbewaking alle volgende handelingen verrichten:

  • aan de persoon een ontvangstbewijs verstrekken door gebruik te maken van model M101;

  • aan de persoon een informatiefolder verstrekken over het tijdelijk in bewaring nemen van geldige bewijsmiddelen documenten voor grensoverschrijding of andere bewijsmiddelen documenten door de KMar of de politie.

Als de redenen van de tijdelijke inbewaringneming van het document komen te vervallen, moet de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen het document zo spoedig mogelijk aan de vreemdeling teruggeven.

J

Paragraaf A5/2.2 Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden:

2.2 Aanmelding vreemdeling

Bij de uitzetting van een vreemdeling wordt gebruik gemaakt van de voorziening TISOV. De voorziening TISOV wordt ingevuld door of namens de ambtenaar belast met de grensbewaking of de ambtenaar als bedoeld in artikel 5.3 VV die voor de vrijheidsontnemende maatregel verantwoordelijk is. Deze is ook verantwoordelijk voor het aanbrengen van wijzigingen en aanvullingen in de voorziening TISOV. Vanaf het moment dat de vrijheidsontneming in een justitiële inrichting plaatsvindt, rust deze verantwoordelijkheid op de ambtenaren van de DT&V en DJI die in die inrichting werkzaam zijn.

De voorziening TISOV wordt bijgewerkt met de gegevens van de betreffende vreemdeling bij iedere vrijheidsontneming op grond van artikel 6, artikel 6a, artikel 59, artikel 59a of artikel 59b Vw van het moment van aanvang van de vrijheidsontnemende maatregel tot aan het moment van uitzetting of invrijheidstelling van de vreemdeling. Bij elke wijziging en aanvulling moet de voorziening TISOV worden bijgewerkt.

K

Paragraaf B1/3.4.1.2 Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden:

3.4.1.2 Vereisten voor de indiening van de aanvraag

Plaats van indiening aanvraag

Op grond van artikel 3.101 Vb worden de volgende aanvragen ingediend bij de IND:

  • de aanvraag tot het verlenen, verlengen van de geldigheidsduur of het wijzigen van de beperking van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd;

  • de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd; en

  • de aanvraag tot het vervangen of vernieuwen van het verblijfsdocument om redenen als genoemd in artikel 4.22 Vb.

De aanvrager dient de aanvraag in bij een door de IND opgegeven postadres of IND-loket dat de IND via zijn website of het aanvraagformulier kenbaar maakt. De IND maakt op zijn website of op het aanvraagformulier eveneens kenbaar op welke wijze de aanvrager de leges moet betalen. De aanvrager dient de aanvraag in met het vereiste formulier, dat bij de IND verkrijgbaar is.

Uitzondering voor het indienen van de aanvraag bij de IND

De vreemdeling moet de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor slachtoffers en getuige-aangevers van mensenhandel indienen bij de politie van de gemeente waar de vreemdeling woon- of verblijfplaats heeft.

Beschikbaar tijdens de ééndagstoets

De IND kan de vreemdeling met het oog op zijn beschikbaarheid tijdens de ééndagstoets regulier een aanwijzing geven door middel van model M117D, op de dag dat de vreemdeling de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd aan een IND-loket indient. De IND licht de aanwijzing mondeling toe.

Schriftelijke kennisgeving

Op grond van artikel 3.99a Vb moet een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als bedoeld in hetzelfde artikel voorafgegaan worden door een schriftelijke kennisgeving.

De vreemdeling die een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 3.99a Vb wil indienen, stelt de IND daarvan eerst in kennis met de daarvoor bestemde schriftelijke kennisgeving. De vreemdeling geeft op de schriftelijke kennisgeving aan op grond van welke (nieuwe) feiten en omstandigheden de vreemdeling een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wil indienen en voegt alle relevante bewijsmiddelen, als aangegeven op het formulier, bij.

De IND stelt de schriftelijke kennisgeving beschikbaar:

  • via de website www.ind.nl; en

  • bij de IND-loketten.

In artikel 3.102b Vb is aangegeven in welke gevallen de vreemdeling bij de schriftelijke kennisgeving in ieder geval de voor de beslissing relevante medische gegevens (zie paragraaf A3/7.1 Vc) en overige bewijsmiddelen moet overleggen.

Na ontvangst van de schriftelijke kennisgeving, de verstrekte informatie en bewijsmiddelen:

  • 1. start de IND de voorbereiding van het onderzoek naar de inwilligbaarheid van de nog in te dienen aanvraag; en

  • 2. stelt de IND de vreemdeling in de gelegenheid om ongeveer twee weken later de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 3.99a Vb, in persoon in te dienen bij de IND.

Ad 1.

Gedurende dit onderzoek vraagt de IND de vreemdeling of zijn gemachtigde om aanvullende informatie of bewijsmiddelen en biedt de IND de vreemdeling de mogelijkheid om de aanvraag als bedoeld onder 2 op een later moment in dienen, als blijkt dat:

  • de schriftelijke kennisgeving niet volledig is ingevuld;

  • de door de vreemdeling verstrekte informatie niet duidelijk is;

  • de bewijsmiddelen niet volledig zijn of in het geheel ontbreken.

Leges

De IND eist dat de vreemdeling bij een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 3.99, tweede lid, aanhef en onder a, Vb de verschuldigde leges per kas of per elektronische betaling ter plekke aan het IND-loket voldoet.

Indiening door een wettelijk vertegenwoordiger

De IND merkt als wettelijke vertegenwoordiger, bedoeld in artikel 23 Vw juncto artikel 3.99 Vb aan:

  • de ouder die het gezag heeft;

  • de voogd; of

  • de curator.

Als degene die een aanvraag indient namens een minderjarig kind niet aantoont diens wettelijke vertegenwoordiger te zijn, geeft de IND een termijn van drie maanden na kennisgeving om dat gebrek te herstellen. Het herstellen van het gebrek geschiedt door:

  • een voogdijvoorziening in Nederland; of

  • door de ondertekening van de aanvraag namens het kind door de wettelijke vertegenwoordiger van het kind die zich in het land van herkomst bevindt.

De IND stelt de aanvraag buiten behandeling als:

  • het kind voor wie de aanvraag is ingediend jonger is dan 12 jaar; en

  • de wettelijke vertegenwoordiging na afloop van genoemde termijn van drie maanden niet is aangetoond.

De IND stelt de aanvraag niet buiten behandeling als de aanvraag is ondertekend door een vreemdeling van 12 jaar of ouder.

L

Paragraaf B6/2.2 Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden:

2.2 Het zoeken naar en verrichten van arbeid al dan niet in loondienst

Overgangsrecht Modern migratiebeleid

Op grond van artikel 3.42, tweede lid, Vb wijst de IND de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, onder de beperking ‘het zoeken naar en verrichten van arbeid al dan niet in loondienst’ af als:

  • de vreemdeling voor de inwerkingtreding van de Wet modern migratiebeleid in het bezit was van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf gedurende zoekperiode afgestudeerde’ of ‘verblijf gedurende zoekjaar hoogopgeleide’; en

  • deze verblijfsvergunning was verleend op grond van het afronden van dezelfde opleiding of het verrichten van hetzelfde onderzoek.

M

Paragraaf B6/2.3 Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden:

2.3 Arbeid als kennismigrant

Looncriterium

Voor de hoogte van het looncriterium wordt verwezen naar artikel 1d, eerste en derde lid, BuWav.

De IND wijst de aanvraag voor verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd onder de beperking ‘arbeid als kennismigrant’ niet af op grond van artikel 3.30a, eerste lid, Vb omdat niet aan het looncriterium als bedoeld in artikel 1d, eerste lid, BuWav wordt voldaan als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • voor de vreemdeling gold bij de eerste verlening van de verblijfsvergunning als kennismigrant het looncriterium voor afgestudeerde buitenlandse studenten, bedoeld in artikel 1d, eerste lid, onder a, sub 2, BuWav; en

  • de vreemdeling voldoet nog aan dat looncriterium.

Het vereiste met betrekking tot middelen van bestaan, zoals opgenomen in de artikelen 3.73 tot en met 3.75 Vb, is van toepassing op die aanvragen om een verblijfsvergunning als de vreemdeling conform artikel 1d, eerste lid, aanhef en onder b of c, BuWav wordt aangemerkt als:

  • wetenschappelijk onderzoeker; of

  • arts in opleiding tot specialist aan een door de Medisch Specialisten Registratie Commissie, de Sociaal-Geneeskundigen Registratie Commissie of de Huisarts en Verpleeghuisarts Registratie Commissie aangewezen opleidingsinstituut.

Loon niet marktconform

De IND wijst de aanvraag voor een verblijfsvergunning onder de beperking arbeid als kennismigrant af of trekt deze achteraf in als het loon naar het oordeel van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid niet marktconform is. De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid beoordeelt of er sprake is van een marktconform loon.

Bestanddelen bruto maandloon kennismigranten

De IND telt bij het bruto maandloon de onkostenvergoedingen en toeslagen mee, mits deze elke maand giraal worden overgemaakt op een bankrekening die op naam is gesteld van de vreemdeling en contractueel zijn vastgelegd.

De IND telt niet mee in het bruto maandloon:

  • (de waarde van) in natura uitgekeerd loon;

  • de vakantietoeslag; en

  • de waarde van onzekere, niet vaste, loonbestanddelen als overwerkvergoedingen, fooien en uitkeringen uit fondsen.

Registratie BIG

Aan de bevoegdheidsvereisten voor de uitoefening van de arbeid als zelfstandige en aan de vereisten voor het uitoefenen van het desbetreffende bedrijf als bedoeld in artikel 3.30, eerste lid, onder c, is bij een vreemdeling die een beroep wil uitoefenen in de individuele gezondheidszorg voldaan als registratie in het BIG-register heeft plaatsgevonden.

Zoekperiode

De IND verleent de vreemdeling gedurende de geldigheidsduur van zijn verblijfsvergunning een zoekperiode van drie maanden om een nieuwe functie als kennismigrant te vinden als wordt voldaan aan alle volgende voorwaarden:

  • de werkgever heeft de arbeidsovereenkomst of de aanstelling van de vreemdeling voortijdig ontbonden, dat wil zeggen tijdens de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning; en

  • de vreemdeling kan volgens het UWV WERKbedrijf van de ontbinding van de arbeidsovereenkomst geen verwijt worden gemaakt.

De zoekperiode vangt aan op de dag waarop de arbeidsovereenkomst is ontbonden.

N

Paragraaf B6/3.2.1 Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden:

3.2.1 Het zoeken naar en verrichten van arbeid al dan niet in loondienst

Op grond van artikel 3.1, derde lid, aanhef en onder a, VV luidt de arbeidsmarktaantekening op het verblijfsdocument dat wordt verleend op grond van artikel 3.42 Vb: ‘Arbeid vrij toegestaan, TWV niet vereist’.

O

Paragraaf B6/4.2 Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden:

4.2 Het zoeken naar en verrichten van arbeid, al dan niet in loondienst

De IND beschouwt als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling in Nederland een hogere beroepsopleiding, een wetenschappelijke studie, een promotie of een postdoctorale opleiding heeft afgerond:

  • een diploma of getuigschrift van een geaccrediteerde opleiding aan een Nederlandse hoger onderwijsinstelling; of

  • een verklaring met de datum waarop aan alle voorwaarden voor het verkrijgen van een diploma of getuigschrift van een geaccrediteerde opleiding aan een Nederlandse hoger onderwijsinstelling is voldaan.

De IND beschouwt een schriftelijke diplomawaardering van EP-Nuffic van een diploma van een buitenlandse onderwijsinstelling zoals genoemd in bijlage 10 van het VV met een afschrift van het gewaardeerde diploma als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling is afgestudeerd met een Master-graad, een postdoctorale opleiding heeft afgerond of is gepromoveerd aan een buitenlandse onderwijsinstelling zoals genoemd in bijlage 10 van het VV.

De IND beschouwt als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling een dergelijke opleiding heeft afgerond een diploma of getuigschrift van een onderwijsinstelling die:

  • opleidingen verzorgt in het kader van de Wet op het specifiek cultuurbeleid;

  • opleidingen verzorgt in het kader van het ontwikkelingssamenwerkingsbeleid van het Ministerie van Buitenlandse Zaken; of

  • die is aangewezen in het Voorschrift Vreemdelingen.

P

De titel van paragraaf B7/2.1.3 Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden:

2.1.3 Referent met verblijfsrecht als bedoeld in B3 of B6

Q

Paragraaf C1/2.1 Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden:

2.1 Algemeen

Aanmelding en indiening van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd

De vreemdeling geeft in persoon bij de aanmeldunit van de AVIM te kennen dat hij een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wil indienen. De AVIM registreert dit verzoek binnen de termijnen als bedoeld in artikel 3.107b Vb.

De vreemdeling dient de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in bij de AVIM in het aanmeldcentrum Ter Apel dan wel op een andere door de IND aangewezen locatie. De vreemdeling dient de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd conform artikel 3.108c Vb zo snel mogelijk in nadat de AVIM de handelingen in het kader van de vaststelling van de identiteit heeft verricht.

In afwijking van de regel over het indienen van een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd gelden aparte beleidsregels voor de vreemdeling:

  • die aan de buitengrens heeft aangegeven een aanvraag te willen indienen en aan wie het definitieve besluit omtrent de toegangsweigering is uitgesteld/opgeschort (zie paragraaf C1/2.5 Vc);

  • die een tweede of volgende aanvraag wil indienen (zie paragraaf C1/2.7 Vc);

  • die een last minute aanvraag wil indienen (zie paragraaf C1/2.7 Vc); of

  • aan wie de vrijheid is ontnomen (zie paragraaf C1/2.8 Vc).

De IND merkt de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd die op een ander dan het door de IND aangewezen moment of locatie of op een andere dan de hierboven beschreven wijze wordt ingediend, aan als een onvolledige aanvraag. Een onvolledige aanvraag doet de termijnen van de rust- en voorbereidingstermijn en de asielprocedure niet aanvangen.

Beschikbaarheid tijdens de asielprocedure

De IND verstrekt aan de vreemdeling met het oog op zijn beschikbaarheid tijdens de asielprocedure (inclusief de Dublinprocedure) een aanwijzing door middel van model M117-C. Dit gebeurt op de dag dat de IND een gehoor afneemt in de zin van artikel 5, eerste lid van Verordening (EU) 604/2013. De IND licht de aanwijzing mondeling toe.

De IND beoordeelt op verzoek van de vreemdeling of de beschikbaarheid van de vreemdeling tijdens de asielprocedure nodig is. De beschikbaarheid van de vreemdeling is niet meer nodig als geen processtappen in aanwezigheid van de vreemdeling meer plaatsvinden.

Onderzoek naar de toepasbaarheid van Verordening (EU) 604/2013 (Dublin)

Zodra de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is ingediend, verstrekt de IND aan de vreemdeling de informatiebrochure ‘Deel A: Informatie over de Dublinverordening voor personen die om internationale bescherming verzoeken’, conform artikel 4 van Verordening (EU) nr. 604/2013.

Ook start de IND conform artikel 20, eerste lid van Verordening (EU) 604/2013 met het onderzoek naar welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van die aanvraag.

Voor dit onderzoek verricht de IND, de AVIM en/of de ambtenaar belast met de grensbewaking onderzoek naar de vingerafdrukken van de vreemdeling in EU VIS en EURODAC.

In het kader van dit onderzoek neemt de IND een gehoor af in de zin van artikel 5, eerste lid van Verordening (EU) 604/2013. Tijdens dit gehoor biedt de IND de vreemdeling de mogelijkheid om de volgens artikel 4 Verordening (EU) 604/2013 aan hem verstrekte informatie juist te begrijpen; stelt de IND in ieder geval vragen in het kader van Verordening (EU) 604/2013; en informeert de IND de vreemdeling over de resultaten van het onderzoek naar de vingerafdrukken van de vreemdeling. De IND kan aan de vreemdeling vragen stellen over de resultaten van het onderzoek in Eurodac en EU VIS. Wanneer de vreemdeling de toegang is geweigerd of in bewaring is gesteld, kan ook de AVIM of de ambtenaar belast met de grensbewaking de vreemdeling horen in het kader van Verordening (EU) 604/2013.

Zodra er concrete aanwijzingen zijn dat een ander land verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, verstrekt de IND aan de vreemdeling de informatiebrochure ‘Deel B: De Dublinprocedure – informatie voor personen die om internationale bescherming verzoeken en zich in een Dublinprocedure bevinden, conform artikel 4 van Verordening (EU) Nr. 604/2013’. Als de folder tijdens het gehoor wordt uitgereikt, wordt de vreemdeling in de gelegenheid gesteld de brochure te lezen.

Als er concrete aanwijzingen zijn dat een ander land verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd of als deze tijdens het gehoor naar voren komen, vraagt de IND de vreemdeling tijdens dit gehoor, conform artikel 30, tweede lid Vw, naar zijn eventuele bezwaren tegen overdracht naar de verantwoordelijke lidstaat.

Het rapport van gehoor wordt uiterlijk tegelijkertijd met het voornemen bekend gemaakt aan de vreemdeling.

Indien de aanvraag vermoedelijk niet in behandeling zal worden genomen op grond van artikel 30 Vw, behandelt de IND de aanvraag conform artikel 3.109c Vb in de Dublinprocedure (zie paragraaf C1/2.6 Vc).

R

Paragraaf C1/2.2 Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden:

2.2 De rust- en voorbereidingstermijn

In artikel 3.109 Vb is de rust- en voorbereidingstermijn beschreven.

De IND verstrekt tijdens de rust- en voorbereidingstermijn aan de vreemdeling een W-document, als bedoeld in artikel 4.21 Vb.

Uitzonderingen op de rust- en voorbereidingstermijn

De rust- en voorbereidingstermijn van een vreemdeling stopt als de vreemdeling op grond van de artikelen 3.109, zevende lid; 3.109b, eerste lid; of 3.109c, eerste lid, Vb, niet (meer) in aanmerking komt of wenst te komen voor de rust- en voorbereidingstermijn. De IND start de algemene asielprocedure van de vreemdeling zo snel mogelijk na het beëindigen van de rust- en voorbereidingstermijn op grond van artikel 3.109, zevende lid, Vb.

De ambtenaar belast met het toezicht op vreemdelingen beslist na overleg met de IND of een vreemdeling die te kennen heeft gegeven een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in te willen dienen, een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid (zie artikel 3.77, eerste lid, aanhef en onder c, Vb en paragraaf B1/4.4 Vc).

Er is in ieder geval sprake van overlast, als bedoeld in 3.109, zevende lid, aanhef en onder b, Vb als de vreemdeling:

  • andere vreemdelingen die in de opvangvoorziening verblijven lastig valt, of ruzie met hen maakt;

  • de medewerkers in de opvangvoorziening lastig valt, of ruzie met hen maakt;

  • een niet hanteerbaar verslavingsprobleem heeft;

  • een niet hanteerbaar psychiatrisch probleem heeft;

  • personen of bedrijven lastig valt of ruzie met hen maakt in de omgeving van de opvangvoorziening.

De grensprocedure en last minute aanvragen kennen afwijkende regels, die beschreven worden in de paragrafen C1/2.5 en C1/2.7 Vc.

Onderzoek in de rust- en voorbereidingstermijn

De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen verricht tijdens de rust- en voorbereidingstermijn in ieder geval onderzoek naar:

  • de identiteit en nationaliteit van de vreemdeling;

  • de vingerafdrukken van de vreemdeling; en

  • documenten en bescheiden van de vreemdeling.

De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen neemt originele documenten voor grensoverschrijding en/of identiteitsdocumenten van de vreemdeling in voor onderzoek naar de authenticiteit van de documenten. De vreemdeling ontvangt:

  • een bewijs van ontvangst waarin de ingenomen documenten staan benoemd;

  • een kopie van de ingenomen documenten; en

  • een informatiefolder over de gevolgen voor de vreemdeling van het innemen van de documenten.

De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen geeft de documenten voor grensoverschrijding en/of identiteitsdocumenten terug aan de vreemdeling, nadat het onderzoek is afgerond met een rapportage over de authenticiteit van de documenten.

De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen geeft de documenten voor grensoverschrijding en/of identiteitsdocumenten in ieder geval niet terug aan de vreemdeling als:

  • de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen geconcludeerd heeft dat de documenten voor grensoverschrijding en/of identiteitsdocumenten vals of vervalst zijn;

  • het vertrek van de vreemdeling uit Nederland met behulp van de documenten voor grensoverschrijding en/of identiteitsdocumenten gerealiseerd kan worden.

De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen die bewijsmiddelen bij de vreemdeling heeft aangetroffen, meldt aan de vreemdeling dat de vreemdeling bewijsmiddelen, die geen documenten voor grensoverschrijding en/of identiteitsdocumenten zijn, voor onderzoek naar de authenticiteit moet aanbieden aan de IND.

De IND verstrekt de vreemdeling, van wie bewijsmiddelen worden ingenomen:

  • een bewijs van ontvangst, waarin de ingenomen bewijsmiddelen staan benoemd;

  • een kopie van de ingenomen bewijsmiddelen; en

  • een informatiefolder.

De IND neemt een kopie van deze bewijsmiddelen op in het dossier van de vreemdeling.

De IND geeft de bewijsmiddelen terug aan de vreemdeling nadat het onderzoek is afgerond met een rapportage over de authenticiteit van de onderzochte bewijsmiddelen.

De IND geeft de bewijsmiddelen niet terug aan de vreemdeling als de IND heeft geconcludeerd dat de bewijsmiddelen vals of vervalst zijn.

De IND zendt de resultaten van onderzoek zo snel mogelijk na ontvangst aan de vreemdeling of zijn gemachtigde.

Leeftijdsonderzoek

De IND biedt een alleenstaande minderjarige vreemdeling uitsluitend een leeftijdsonderzoek als bedoeld in artikel 3.109d, tweede lid Vb aan als:

  • de vreemdeling zijn gestelde minderjarigheid niet met bewijsmiddelen kan aantonen;

  • de vreemdeling zijn gestelde minderjarigheid niet anderszins aannemelijk kan maken;

  • de uitslag relevant is voor het onderzoek naar welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, of voor de vraag of een alleenstaande minderjarige vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel of regulier voor bepaalde tijd of opvangvoorzieningen van het COA.

De uitslag van het leeftijdsonderzoek levert een bewijsmiddel op waarmee de vreemdeling zijn gestelde minderjarigheid kan aantonen.

Het leeftijdsonderzoek kan tijdens de rust- en voorbereidingstermijn worden uitgevoerd. Een leeftijdsonderzoek kan ook na de rust- en voorbereidingstermijn worden aangeboden.

Een leeftijdsonderzoek wordt niet aan de vreemdeling aangeboden als de vreemdeling naar het oordeel van de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen en/of de IND evident meerderjarig of evident minderjarig is.

De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen concludeert samen met één medewerker van de IND (indien er twee ambtenaren belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen betrokken zijn) of twee medewerkers van de IND (indien er één ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen betrokken is):

  • of er sprake is van evidente meerderjarigheid op basis van uiterlijke kenmerken en/of verklaringen van de vreemdeling die stelt minderjarig te zijn.

  • of er sprake is van evidente minderjarigheid op basis van uiterlijke kenmerken en/of verklaringen van de vreemdeling die stelt meerderjarig te zijn.

De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen en/of de IND zorgt ervoor dat de conclusie dat een vreemdeling evident meerderjarig of evident minderjarig is, wordt opgenomen in het dossier van de vreemdeling.

Voorlichting

VluchtelingenWerk Nederland verzorgt:

  • de voorlichting van de vreemdeling als bedoeld in artikel 3.109, tweede lid, Vb; en

  • de verstrekking aan de vreemdeling van de informatie als bedoeld in artikel 3.108c, tweede lid, Vb, voor zover deze informatie niet al in een eerder stadium aan de vreemdeling is verstrekt.

Bijstand en voorbereiding door een rechtsbijstandverlener

De gemachtigde van de vreemdeling zorgt voor de voorbereiding op de asielprocedure als bedoeld in artikel 3.109, tweede lid, Vb. Deze voorbereiding vindt plaats in het kantoor van de gemachtigde. De gemachtigde en de vreemdeling kunnen hierover andere afspraken maken.

Het COA verstrekt aan de vreemdelingen vervoersbewijzen en een routebeschrijving naar het kantoor van de gemachtigde.

Medisch advies

De vreemdeling ontvangt tijdens de rust- en voorbereidingstermijn op grond van artikel 3.109 zesde lid, Vb een uitnodiging voor een medisch advies. Deelname aan het medisch advies is vrijwillig. De vreemdeling verleent schriftelijk toestemming voor deelname aan het medisch advies.

Het medisch advies maakt onderdeel uit van de beoordeling door de IND van de vraag of de vreemdeling bijzondere procedurele waarborgen nodig heeft als bedoeld in artikel 24 van de Procedurerichtlijn (zie artikel 3.108b Vb).

De IND bepaalt op welke wijze passende steun als bedoeld in artikel 3.108b Vb wordt geboden en op welke wijze rekening gehouden wordt met de conclusies uit het medisch advies. Op grond van de inhoud van het medisch advies zijn in ieder geval de volgende situaties mogelijk:

  • er is geen bijzondere actie noodzakelijk (de algemene asielprocedure kan starten);

  • het nader gehoor van de vreemdeling vindt niet plaats in de algemene asielprocedure (zie paragraaf C1/2.3 Vc);

  • de start van de algemene asielprocedure wordt uitgesteld;

  • de IND treft bijzondere voorzieningen tijdens het eerste gehoor en nader gehoor in de algemene asielprocedure (zie paragraaf C1/2.3 Vc);

  • een combinatie van de laatste twee situaties.

Het medisch advies kan aanleiding geven te besluiten de parallelle procedure toe te passen (zie paragraaf A3/7.3 Vc).

De behandeling van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd van de vreemdeling start zonder medisch advies als de vreemdeling geen schriftelijke toestemming heeft verleend voor het medisch advies. De IND wijst de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet af op grond van de weigering van de vreemdeling deel te nemen aan het medisch advies.

De IND mag op een later moment dan tijdens de algemene asielprocedure een medisch advies aanvragen als tijdens de behandeling van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd alsnog relevante medische problematiek bij de vreemdeling naar voren komt. De vreemdeling moet schriftelijk toestemming geven voor dit medisch advies.

Einde van de rust- en voorbereidingstermijn

Naast de situaties zoals hiervoor beschreven onder ‘Uitzonderingen op de rust- en voorbereidingstermijn’, eindigt de rust- en voorbereidingstermijn van rechtswege met de start van de algemene asielprocedure.

De IND beslist na overleg met de Raad voor Rechtsbijstand en het COA op welke datum de algemene asielprocedure van de vreemdeling start. De IND deelt de vreemdeling schriftelijk mede op welke datum de algemene asielprocedure van de vreemdeling start.

S

Paragraaf C1/2.3 Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden:

2.3 De algemene asielprocedure

De algemene asielprocedure

Het verloop van de algemene asielprocedure is geregeld in de artikelen 3.112 tot en met 3.115 Vb.

De IND behandelt een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene asielprocedure als geen tijdrovend onderzoek noodzakelijk is voor de beoordeling van de aanvraag.

Tijdrovend onderzoek is onderzoek waarbij de resultaten van het onderzoek niet tijdens de algemene asielprocedure verwacht worden.

De IND beoordeelt of de behandeling van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene asielprocedure of verlengde asielprocedure plaatsvindt, nadat in de algemene asielprocedure een nader gehoor van de vreemdeling is afgenomen en de IND de vreemdeling de dag erna in de gelegenheid heeft gesteld correcties en aanvullingen op het nader gehoor in te dienen.

Op deze regel zijn enkele uitzonderingen van toepassing, die zijn beschreven in paragraaf C1/2.4 Vc.

Het niet nakomen van de aanwijzingen

Als de vreemdeling zonder voorafgaande kennisgeving niet op zijn afspraak is verschenen en/of zich niet heeft gehouden aan de aanwijzingen uit het model M117-C, dan neemt de IND, indien mogelijk, hierover contact op met de vreemdeling of diens gemachtigde om navraag te doen naar de redenen hiervoor. Indien de vreemdeling niet bereikbaar is en/of diens verblijfsplaats niet bekend is, dan brengt de IND een voornemen tot buiten behandeling stelling uit (zie paragraaf C2/8 Vc) onder gelijktijdige verlenging van de algemene asielprocedure (zie paragraaf C1/2.3 Vc onder ‘verlenging van de asielprocedure’ en ‘verdwenen of zonder toestemming vertrokken’). De IND trekt het voornemen tot buiten behandeling stelling in indien de vreemdeling zich binnen de in het voornemen gestelde termijn opnieuw meldt bij het aanmeldcentrum en zich beschikbaar stelt voor een voortzetting van de behandeling van de aanvraag in de algemene asielprocedure.

Termijnen in de algemene asielprocedure

Het Vreemdelingenbesluit bevat diverse procedurele bepalingen waarin is vastgelegd welke handelingen de IND dan wel de vreemdeling op een dag verrichten. Onder een dag wordt verstaan een kalenderdag die loopt van 0.00 uur tot 24.00 uur.

Voor de termijnen van de algemene asielprocedure tellen op grond van artikel 3.42 VV de dagen gedurende het weekend, Goede Vrijdag en blokdagen mee.

Anders dan in de algemene asielprocedure, tellen de dagen gedurende het weekend, Goede Vrijdag en blokdagen niet mee voor de termijnen van de ééndagstoets asiel. Wanneer de behandeling van de tweede of volgende aanvraag op grond van artikel 3.118b, vierde lid Vb wordt voortgezet in de algemene asielprocedure tellen de dagen gedurende het weekend, Goede Vrijdag en blokdagen wel mee.

De termijnen als bedoeld in artikel 3.110 Vb, 3.112 tot en met 3.115 Vb en 3.118b vierde, vijfde en zesde lid, Vb, zijn bindend voor de IND en de vreemdeling.

De IND behandelt de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de verlengde asielprocedure, als de IND de termijnen van de algemene asielprocedure heeft overschreden.

De IND behandelt de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene asielprocedure, als de vreemdeling de termijnen van de algemene asielprocedure heeft overschreden.

Verlenging van de algemene asielprocedure

De IND maakt terughoudend gebruik van de mogelijkheid in artikel 3.115, eerste lid Vb, om de termijnen van de algemene asielprocedure te verlengen.

De IND houdt bij verlenging van de termijnen van de algemene asielprocedure de gebruikelijke volgorde van processtappen binnen de algemene asielprocedure aan.

De IND kan besluiten de eerdere processtappen van de algemene asielprocedure opnieuw uit te voeren, als de vreemdeling zijn verklaringen op essentiële onderdelen wijzigt of aanvult.

De IND mag de termijnen in de algemene asielprocedure meerdere keren verlengen, zolang de IND het besluit op de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd volgens artikel 3.115, zesde lid, Vb uiterlijk op de veertiende, de zestiende of de tweeëntwintigste dag van de algemene asielprocedure uitreikt aan de vreemdeling.

De IND past deze beleidsregels bij verlenging van de termijnen op grond van artikel 3.118b, vijfde lid, Vb overeenkomstig toe, met dien verstande dat de IND de beschikking uiterlijk op de twaalfde, de veertiende of de twintigste dag van de algemene asielprocedure uitreikt.

Niet toerekenbare termijnoverschrijding/verzoek met redenen omkleed

De IND kan de termijnen van de algemene asielprocedure in ieder geval verlengen op grond van artikel 3.115, eerste lid aanhef en onder a of b, Vb, als:

  • een tolk onverwacht ziek wordt en er, ondanks inspanningen van de IND en de Raad voor Rechtsbijstand, geen andere tolk beschikbaar is;

  • de vreemdeling een bezoek moet brengen aan een dokter in het kader van curatieve zorg;

  • de vreemdeling aan wie op grond van artikel 6, 6a of 59a of 59b Vw een vrijheidsontnemende maatregel is opgelegd of die in bewaring is gesteld voor de rechtbank moet verschijnen; of

  • de vreemdeling die tijdens de rust- en voorbereidingstermijn geen toestemming heeft verleend voor een medisch advies, alsnog een medisch advies als bedoeld in artikel 3.109, zesde lid,Vb krijgt.

De vreemdeling dient het verzoek om verlenging van de termijnen van de algemene asielprocedure schriftelijk bij de IND in, onder vermelding van de redenen van het verzoek.

Als de IND besluit het verzoek van de vreemdeling om verlenging van de termijnen van de algemene asielprocedure niet te honoreren, krijgt de vreemdeling mondeling bericht van de IND.

De IND motiveert in het voornemen of in het besluit op de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, waarom geen aanleiding bestaat om de verlenging van de termijnen van de algemene asielprocedure toe te staan.

Nader onderzoek naar de identiteit of nationaliteit van de vreemdeling

De IND kan de termijnen van de algemene asielprocedure in ieder geval verlengen op grond van artikel 3.115, eerste lid, aanhef en onder c, Vb, als:

  • de vreemdeling tijdens de algemene asielprocedure een andere identiteit of nationaliteit opgeeft dan tijdens de rust- en voorbereidingstermijn;

  • er op basis van het eerste of het nader gehoor van de vreemdeling twijfels rijzen over de leeftijd die de vreemdeling heeft opgegeven en er aanleiding bestaat om een leeftijdsonderzoek aan de vreemdeling aan te bieden (zie paragraaf C1/2.2 Vc);

  • er tijdens de algemene asielprocedure (alsnog) reis- of identiteitsdocumenten door de vreemdeling worden overgelegd en de IND van oordeel is dat nader onderzoek naar deze documenten moet plaatsvinden.

Essentiële wijziging of aanvulling van eerder afgelegde verklaringen

De IND kan de termijnen van de algemene asielprocedure verlengen op grond van artikel 3.115, eerste lid, aanhef en onder d, Vb, als de IND door de gewijzigde verklaringen van de vreemdeling:

  • de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd opnieuw moet beoordelen;

  • de vreemdeling opnieuw een eerste of nader gehoor moet afnemen;

  • zonder verlenging van de termijnen van de algemene asielprocedure de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet kan afwijzen op grond van de omstandigheid dat het asielrelaas van de vreemdeling ongeloofwaardig wordt geacht.

Medisch onderzoek als bedoeld in artikel 3.109e Vb

De IND kan de termijnen van de algemene asielprocedure in ieder geval verlengen op grond van artikel 3.115, eerste lid, aanhef en onder f, Vb, als het medisch onderzoek als bedoeld in artikel 3.109e Vb naar verwachting binnen die verlengde termijnen kan worden afgerond. De IND zal het medisch onderzoek als bedoeld in artikel 3.109e Vb uitvoeren binnen de (verlengde) termijnen van de algemene asielprocedure als dat mogelijk is.

Verdwenen of zonder toestemming vertrokken

De IND kan de termijnen van de algemene asielprocedure in ieder geval verlengen op grond van artikel 3.115, eerst lid, aanhef en onder g Vb, als de vreemdeling zich niet heeft gehouden aan de aanwijzingen in model M117-C en/of zonder voorafgaande kennisgeving niet op zijn afspraak in het aanmeldcentrum is verschenen (zie ook paragraaf C1/2.1 Vc onder ‘Beschikbaarheid tijdens de asielprocedure’ en paragraaf C1/2.3 ‘Het niet nakomen van de aanwijzingen’).

T

Paragraaf C1/2.6 Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden:

2.6 De Dublinprocedure

Artikel 30, tweede lid, Vw en artikel 3.109c Vb regelen het verloop van de Dublinprocedure. Deze paragraaf bevat een verdere uitwerking van deze artikelen.

Als er concrete aanwijzingen zijn (zie paragraaf C1/2.2 Vc onder Onderzoek naar de toepasbaarheid van Verordening (EU) 604/2013) dat een ander land verantwoordelijk is voor de behandeling is van de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, dan wordt de aanvraag behandeld in de Dublinprocedure.

Dit geldt eveneens als de vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel is opgelegd of als de vreemdeling in bewaring is gesteld.

Als deze concrete aanwijzingen eerst tijdens de rust- en voorbereidingstermijn of na de start van de algemene asielprocedure of op enig ander moment naar voren komen, dan zet de IND de behandeling van de aanvraag voort in de Dublinprocedure. Ook verstrekt de IND aan de vreemdeling de informatiebrochure ‘Deel B: De Dublinprocedure – informatie voor personen die om internationale bescherming verzoeken en zich in een Dublinprocedure bevinden, conform artikel 4 van Verordening (EU) Nr. 604/2013’.

Als de vreemdeling tijdens het gehoor in de zin van artikel 5, eerste lid van Verordening (EU) 604/2013 niet in de gelegenheid is gesteld om eventuele bezwaren naar voren te brengen tegen de overdracht naar het land dat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, stelt de IND de vreemdeling hiertoe alsnog in staat. De IND nodigt de vreemdeling in dat geval uit voor een aanvullend gehoor in zin van artikel 30, tweede lid, Vw.

Als de vreemdeling, zonder voorafgaande kennisgeving en zonder verschoonbare reden, niet verschijnt voor het gehoor in de zin van artikel 5, eerste lid, Verordening (EU) 604/2013 dan wel voor zijn aanvullend gehoor in zin van artikel 30, tweede lid, Vw wordt aangenomen dat hij geen bezwaren heeft tegen de overdracht naar het land dat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

Mocht de vreemdeling desondanks bezwaren hebben tegen de overdracht naar de verantwoordelijke lidstaat, kan hij deze bezwaren in de zienswijze naar voren brengen.

Als er een aanvullend gehoor in zin van artikel 30, tweede lid, Vw plaatsvindt, dan maakt de IND het rapport van aanvullend gehoor uiterlijk tegelijkertijd met het voornemen bekend aan de vreemdeling.

De vreemdeling kan eventuele correcties en aanvullingen op het rapport van gehoor in de zin van artikel 5, eerste lid van Verordening (EU) 604/2013 gelijk met zijn zienswijze op het voornemen om de aanvraag niet in behandeling te nemen indienen (zie ook 3.109c, derde lid Vb). Paragraaf C1/2.10 Vc onder Uitstel voor het indienen van de zienswijze is van toepassing.

De IND verleent geen uitstel indien aan de vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel is opgelegd, of indien de vreemdeling in bewaring is gesteld.

Als tijdens de Dublinprocedure wordt vastgesteld dat Nederland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, dan wordt de behandeling van de aanvraag voortgezet in de algemene asielprocedure. Wanneer de vreemdeling (nog) geen (volledige) rust- en voorbereidingstermijn heeft doorlopen, dan moet hij eerst de rust- en voorbereidingstermijn doorlopen. Wanneer de vreemdeling na behandeling in de algemene asielprocedure, is behandeld in de Dublin procedure waarin wordt vastgesteld dat Nederland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, dan wordt de behandeling van de aanvraag voortgezet in de verlengde asielprocedure. De IND geeft hierbij ook aan op welk moment de beslistermijn in de zin van artikel 42, zesde lid, Vw is aangevangen.

De Dublin beschikking

De IND maakt de beschikking bekend door toezending aan gemachtigde (zie artikel 3.109c, zevende lid, Vb).

Als de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen op grond van artikel 30, Vw, neemt de IND in ieder geval in de meeromvattende beschikking op:

  • het besluit dat de vreemdeling wordt overgedragen aan de verantwoordelijke lidstaat op grond van Verordening (EU) nr. 604/2013; en

  • de informatie bedoeld in artikel 26, eerste en tweede lid, Verordening (EU) nr. 604/2013. Het land waaraan de vreemdeling wordt overgedragen is verantwoordelijk voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming.

Paragraaf C1/2.11 Vc onder ‘Wijze van bekendmaken’ en ‘De beschikking in de verlengde asielprocedure’ is van overeenkomstige toepassing.

U

Paragraaf C1/4.5 Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden:

4.5 Ambtshalve toets

Bij afwijzing van de eerste aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als (kennelijk) ongegrond beoordeelt de IND volgens artikel 3.6a Vb ambtshalve of de vreemdeling in aanmerking komt voor verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op een van de gronden genoemd in het artikel 3.6a, eerste lid, Vb, tenzij artikel 3.6a, tweede lid, Vb van toepassing is.

De IND behandelt een tweede of opvolgende aanvraag voor verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als een eerste aanvraag in de zin van artikel 3.6a Vb, indien de vorige aanvraag niet in behandeling is genomen op grond van artikel 30 Vw en die afwijzingsgrond niet (meer) van toepassing is.

Bij de ambtshalve beoordeling of de vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 3.6a, eerste lid, onder a, Vb (uitzetting in strijd met artikel 8 EVRM), past de IND paragraaf B7/3.8 Vc (8 EVRM) overeenkomstig toe.

Bij de ambtshalve beoordeling of de vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 3.6a, eerste lid onder b, Vb, past de IND paragraaf B8/3.1 Vc onder het kopje Ambtshalve verlening in de asielprocedure toe.

De IND verleent een verblijfsvergunning regulier op grond van artikel 3.6a, eerste lid, onder c, Vb juncto artikel 3.48, tweede lid onder b, Vb ambtshalve wanneer de Minister hier op grond van zijn discretionaire bevoegdheid toe heeft besloten.

De IND beoordeelt bij afwijzing van de eerste aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als (kennelijk) ongegrond op grond van artikel 6.1e Vb ambtshalve of de vreemdeling in aanmerking komt voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw, tenzij de aanvraag als kennelijk ongegrond is afgewezen op grond van artikel 30b, eerste lid onder g, j of k Vw. Paragraaf A3/7 is van overeenkomstige toepassing.

De IND laat de ambtshalve toets als bedoeld in artikel 3.6a Vb en 6.1e Vb achterwege, wanneer de IND aan de vreemdeling met de afwijzing van een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd een zwaar inreisverbod (artikel 66a, lid 7, Vw) of een ongewenstverklaring oplegt.

V

Paragraaf C2/5 Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden:

5. Niet in behandeling nemen

De IND neemt, conform artikel 30, Vw, de aanvraag van de vreemdeling voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling indien een andere lidstaat verantwoordelijk is voor behandeling van het verzoek om internationale bescherming op grond van de Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening).

In deze paragraaf wordt gesproken over ‘verzoek om internationale bescherming’, omdat Verordening (EU) nr. 604/2013 deze terminologie gebruikt (zie artikel 2, onder b, Verordening (EU) nr. 604/2013).

Verordening (EU) nr. 604/2013 maakt een onderscheid tussen een verzoek om internationale bescherming en de (formele) indiening daarvan. Een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de zin van de Vw, kan alleen schriftelijk met een vastgesteld model worden ingediend.

De vaststelling van de verantwoordelijkheid bij niet-begeleide minderjarige vreemdelingen

Bij het gehoor aanmeldfase vraagt de IND aan de niet-begeleide minderjarige vreemdelingen of er gezinsleden, broers of zussen of familieleden op het grondgebied van de lidstaten aanwezig zijn (zie artikel 6, derde en vierde lid, Verordening (EU) nr. 604/2013). In dit gehoor wijst de IND de minderjarige vreemdeling op de mogelijkheid om herenigd te worden met zijn gezins- of familielid dat zich wettig ophoudt in een andere lidstaat. Onder ‘wettig ophouden’ in een andere lidstaat in de zin van artikel 8, Verordening (EU) nr.604/2013 verstaat de IND: rechtmatig verblijf op grond van een ingediende aanvraag voor een verblijfsvergunning of op grond van een verleende verblijfsvergunning in een andere lidstaat.

Aan de hand van de door de minderjarige vreemdeling verstrekte informatie neemt de IND contact op met de bevoegde instantie in de andere lidstaat met als doel de minderjarige vreemdeling met zijn gezins- of familielid te herenigen. De IND start het onderzoek naar gezins- of familieleden van de niet-begeleide minderjarige vreemdeling op het moment dat er concrete aanknopingspunten zijn waaruit het verblijf van het gezins- of familielid in een lidstaat blijkt. De IND wijst de minderjarige op de hulp die hij kan inroepen bij internationale organisaties bij het traceren van zijn gezins- of familieleden.

De IND start het onderzoek naar gezins- of familieleden van de niet-begeleide minderjarige vreemdeling op het moment dat aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • door de IND is vastgesteld dat de vreemdeling minderjarig is en in een andere lidstaat niet als meerderjarige staat geregistreerd. Het bepaalde in C1/2.2 Vc onder ‘Leeftijdsonderzoek’ is van overeenkomstige toepassing;

  • de vreemdeling heeft zijn verklaringen over gezins- of familieleden zoveel als mogelijk door middel van documenten ondersteund; en

  • de vreemdeling heeft concrete informatie aan de IND verstrekt over de gezins- of familieleden in de andere lidstaat (voor- en achternaam, geboortedatum, geboorteplaats, nationaliteit (huidige en voormalige) en de verblijfplaats in het betreffende land).

Waar mogelijk zet de IND DNA-onderzoek in om de gezins- of familieband vast te stellen. De IND stelt de gezins- of familieband vast met behulp van identificerende vragen, indien DNA-onderzoek niet kan plaatsvinden omdat er geen afstammingsrelatie is.

Het daadwerkelijk samenbrengen van de niet-begeleide minderjarige vreemdeling met zijn gezins- of familieleden zal alleen plaatsvinden indien dit in het belang van de minderjarige vreemdeling is. Uitgangspunt hierbij is dat het in het belang van de minderjarige vreemdeling is om herenigd te worden met zijn gezins- of familieleden. Bij de vaststelling wat in het belang van de minderjarige vreemdeling is, houdt de IND rekening met de in artikel 6, derde lid, Verordening (EU) nr. 604/2013 genoemde factoren. Indien het samenbrengen van de gezins- of familieleden in de andere EU lidstaat niet in het belang van de minderjarige vreemdeling is, zal de IND het verzoek om internationale bescherming behandelen.

Individueel onderzoek

De IND behandelt het verzoek om internationale bescherming indien een andere lidstaat hierom verzoekt en voldaan wordt aan de genoemde voorwaarden van artikel 8, tweede lid, Verordening (EU) nr. 604/2013. De Raad voor de Kinderbescherming voert het individueel onderzoek uit waarin wordt vastgesteld dat het gezins- of familielid voor de minderjarige vreemdeling kan zorgen, waarbij ook wordt bezien of dit in het belang van de minderjarige vreemdeling is.

Discretionaire bepalingen

De IND maakt terughoudend gebruik van de bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming te behandelen op grond van artikel 17, eerste en tweede lid, Verordening (EU) nr.604/2013, als Nederland daartoe op grond van in de verordening neergelegde criteria niet is verplicht.

De IND gebruikt de bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming te behandelen in ieder geval in de volgende situaties:

  • er zijn concrete aanwijzingen dat de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat zijn internationale verplichtingen niet nakomt; of

  • bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling aan de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt.

De IND kan op grond van artikel 17, tweede lid, Verordening (EU) nr. 604/2013, altijd een andere lidstaat vragen een vreemdeling over te nemen, zolang de IND nog geen beslissing heeft genomen op de aanvraag. Doel hiervan is om gezins- of familierelaties te herstellen op humanitaire gronden, in het bijzonder op grond van familiebanden of op culturele gronden, ook wanneer de andere lidstaat niet verantwoordelijk is. De vreemdelingen moeten hiermee schriftelijk instemmen. De IND behandelt een verzoek van een andere lidstaat om een vreemdeling over te nemen op grond van artikel 17, tweede lid, Verordening (EU) nr. 604/2013 terughoudend. De IND willigt een dergelijk verzoek alleen in, indien er sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat het niet herenigen van de vreemdeling getuigt van een onevenredige hardheid.

Afhankelijke personen

De IND stelt op grond van overgelegde medische stukken, verklaringen van medici en van de vreemdeling vast dat de vreemdeling zorg nodig heeft en daarin afhankelijk is van de hulp van zijn kind, broer of zus of ouder die wettig in Nederland verblijft. De IND beoordeelt op grond van de overgelegde informatie of een in Nederland verblijvend kind, broer, zus of ouder voor de in een andere lidstaat verblijvende vreemdeling kan zorgen. Voorwaarde is dat zij schriftelijk hebben verklaard dat zij dit wensen.

Onder ‘wettig verblijven’ in de zin van artikel 16, lid 1, Verordening (EU) nr.604/2013 verstaat de IND: de vreemdeling is in het bezit van een verblijfsvergunning van de andere lidstaat, of heeft de nationaliteit van de andere lidstaat.

In de volgende gevallen past de IND artikel 16, eerste lid, Verordening (EU) nr. 604/2013 toe:

  • er wordt voldaan aan de criteria die volgen uit artikel 16, eerste lid, van Verordening (EU) nr.604/2013; en

  • er is rekening gehouden met de voorwaarden genoemd in artikel 11, derde lid, van de Uitvoeringsverordening (EC) 1560/2003.

De IND wijkt alleen in uitzonderlijke situaties af van de verplichting om afhankelijke gezins- of familieleden samen te brengen.

W

Paragraaf C5/2 Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden:

2. Procedurele regels verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd

De vreemdeling kan niet eerder dan vier weken voordat de geldigheidsduur van zijn verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afloopt een aanvraag tot een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd indienen.

De vreemdeling moet de aanvraag tot een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd indienen voor de geldigheidsduur van zijn verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afloopt. Indien de vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd, dan geldt de dag na het verstrijken van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als ingangsdatum van de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd, enkel voor zover:

  • de vreemdeling de aanvraag heeft ingediend voor het verstrijken van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd; of

  • het de vreemdeling niet toe te rekenen is dat hij de aanvraag heeft ingediend tot uiterlijk zes maanden na het verstrijken van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd.

De verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd krijgt als ingangsdatum de datum dat de IND de aanvraag heeft ontvangen, uitsluitend als:

  • de vreemdeling de aanvraag heeft ingediend na het verstrijken van de geldigheidsduur van zijn verblijfsvergunning voor bepaalde tijd; en

  • deze vertraging aan de vreemdeling toe te rekenen is.

De IND beoordeelt of de vertraging bij het indienen van de aanvraag tot een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd aan de vreemdeling is toe te rekenen.

Als de vreemdeling meer dan zes maanden na het verstrijken van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd meent voor verblijf in aanmerking te komen, moet hij een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd indienen.

De IND past de artikelen 3.113 Vb en 3.114 Vb niet toe op de behandeling van een aanvraag tot een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd.

De IND verleent direct een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd op grond van een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd aan de vreemdeling als aan alle volgende voorwaarden is voldaan:

  • de beslissing op de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is meer dan vijf jaar na het indienen van de aanvraag genomen;

  • de vreemdeling voldoet aan de voorwaarden voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd; en

  • de vreemdeling voldoet aan de voorwaarden voor een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd.

De IND toetst hierbij of de vreemdeling aan de voorwaarden van artikel 3.107a Vb voldoet indien de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is ingediend op of na 1 januari 2005.

Als de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is ingediend voor 1 januari 2005, dan geldt het inburgeringsvereiste niet en toetst de IND niet aan de voorwaarden van artikel 3.107a Vb. Zie paragraaf C2/10 Vc met betrekking tot de verlenging van de geldigheidsduur, als de vreemdeling niet aan de voorwaarden van artikel 3.107a Vb voldoet.

Arbeidsmarktaantekening

De IND vermeldt op de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd de arbeidsmarktaantekening: “Arbeid vrij toegestaan; TWV niet vereist”.

Verblijfsdocument

De IND reikt op grond van artikel 9 Vw het verblijfsdocument waaruit het rechtmatig verblijf blijkt uit aan het IND loket dat zich het dichtst bij de woon- of verblijfplaats van de vreemdeling bevindt.

Als de IND de vreemdeling direct een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd verleent, zonder dat de vreemdeling in het bezit is geweest van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, dan is artikel 29, tweede lid, Vw van toepassing.

De vreemdeling kan een aanvraag indienen tot het vervangen of vernieuwen van het verblijfsdocument waaruit zijn rechtmatig verblijf blijkt om redenen als genoemd in artikel 4.22 Vb. De vreemdeling dient de aanvraag in bij een door de IND opgegeven postadres dat de IND via zijn website of het aanvraagformulier kenbaar maakt. De IND maakt op zijn website of op het aanvraagformulier eveneens kenbaar op welke wijze de vreemdeling de leges moet betalen. De vreemdeling dient de aanvraag in met het vereiste aanvraagformulier, dat bij de IND verkrijgbaar.

X

Het model M8 Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden als aangegeven in bijlage 1.

Y

Het model M20 Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden als aangegeven in bijlage 2.

Z

Het model M102 Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden als aangegeven in bijlage 3.

AA

Het model M109 Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden als aangegeven in bijlage 4.

AB

Het model M109A Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden als aangegeven in bijlage 5.

AC

Het model 109B Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden als aangegeven in bijlage 6.

AD

Het model M110 Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden als aangegeven in bijlage 7.

AE

Het model M111-A Vreemdelingencirculaire 2000 komt te vervallen door de introductie van de modellen M105, M105-A, M105-B en M105-C, als aangegeven in bijlage 8, 9, 10 en 11.

AF

Het model M111-C Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden M105-D, als aangegeven in bijlage 12.

AG

Het model M111-D Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden M105-E, als aangegeven in bijlage 13.

AH

Het model M114 Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden als aangegeven in bijlage 14.

AI

Het model M115 Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden als aangegeven in bijlage 15.

AJ

Het model M117-C Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden als aangegeven in bijlage 16.

ARTIKEL II

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2016, met uitzondering van artikel I, onderdeel L, M, N en O die in werking treden op het moment dat de Wijziging van het Vreemdelingenbesluit 2000 in verband met de uitbreiding van het zoekjaar voor vreemdelingen die zijn afgestudeerd of wetenschappelijk onderzoek hebben verricht en in verband met enkele andere wijzigingen en het herstel van enkele technische omissies en van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen in verband met voornoemd zoekjaar in werking treedt.

Dit besluit zal (met de toelichting) in de Staatscourant worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 8 december 2015

De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, voor deze, J.C. Goet Directeur-generaal Vreemdelingenzaken

BIJLAGE 1

Model M8 Standaardformulier voor kennisgeving en motivering van annulering of intrekking van een nationaal visum

BIJLAGE 2

Model M20 Kennisgeving toegang onder voorwaarden

BIJLAGE 3

Model M102 Maatregel ex artikel 56 van de Vreemdelingenwet 2000

BIJLAGE 4

Model M109 Maatregel van bewaring als bedoeld in artikel 59 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw)

BIJLAGE 5

Model M109A Maatregel van bewaring als bedoeld in artikel 59a van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw)

BIJLAGE 6

Model M109B Maatregel van bewaring als bedoeld in artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw)

BIJLAGE 7

Model M110 Proces-verbaal van gehoor (artikel 59, 59a of 59b, 62a of 66a Vreemdelingenwet 2000 juncto artikel 5.2 Vreemdelingenbesluit 2000)

BIJLAGE 8

M105 Proces-verbaal staandehouding/ overbrenging/ ophouding

BIJLAGE 9

M015A Proces-verbaal staandehouding ter uitvoering van een overdrachtsbesluit

BIJLAGE 10

M015B Proces-verbaal staandehouding als bedoeld in artikel 55 Vreemdelingenwet 2000

BIJLAGE 11

M105C Proces-verbaal overbrenging en ophouding

BIJLAGE 12

Model M105-D Proces-verbaal staandehouding/ overbrenging/ ophouding

BIJLAGE 13

Model M105-E Beschikking verlenging ophouding, artikel 50, vierde lid, van de Vreemdelingenwet 2000

BIJLAGE 14

Model M114 Verzoek om ontslag uit een justitiële inrichting

BIJLAGE 15

Model M115 Lichtingsverzoek

Artikel 5.5 Vreemdelingenbesluit 2000

  • Gedetineerde vreemdelingen (paragraaf A3/10 Vc 2000)

  • Inbewaringgestelde vreemdelingen (paragraaf A5/2.3 Vc 2000)

BIJLAGE 16

Model M117-C Aanwijzing ingevolge artikel 55 van de Vreemdelingenwet 2000

TOELICHTING

ALGEMEEN

Dit WBV bevat uiteenlopende onderwerpen die hierna artikelsgewijs zijn toegelicht.

ARTIKELSGEWIJS

A

Indien er door de ambtenaar belast met de grensbewaking een risico voor het geestelijk of lichamelijk welzijn van het minderjarige kind wordt aangenomen of als vastgesteld is dat er geen relatie is tussen het minderjarige kind en de volwassen vreemdeling, is het niet wenselijk om het kind en de volwassen vreemdeling gezamenlijk in een locatie te plaatsen. Om aan te sluiten bij de huidige praktijk is daarom ter verduidelijking een regel opgenomen in deze paragraaf.

B t/m H

Vanwege de aanpassing – en uitbreiding – van de modellen, is deze tekst aangepast.

I

In de Vreemdelingencirulaire is opgenomen dat in een geldig document voor grensoverschrijding of in een identiteitsbewijs van een vreemdeling die een aanvraag tot verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft ingediend geen aantekeningen gemaakt mogen worden. De Visumcode bepaalt echter dat een visum wordt ingetrokken als niet langer aan de afgiftevoorwaarden wordt voldaan. Het doorhalen beperkt zich in dit geval enkel en alleen tot het visum en bevat geen andere informatie dan het feitelijk doorhalen van het visum. Onder deze omstandigheden is het om die reden toegestaan het visum door te halen.

J

De TISOV wordt ingevuld door of namens de ambtenaar als bedoeld in artikel 5.3 VV óf namens de ambtenaar belast met de grensbewaking. Dit stond niet juist in deze paragraaf opgenomen. De ambtenaar belast met de grensbewaking is daarom toegevoegd.

K

In paragraaf B1/3.4.1.2 Vc staat dat de IND de ouder als wettelijk vertegenwoordiger aanmerkt. Hiermee wordt de ouder bedoeld die het gezag heeft. Deze toevoeging is nu expliciet in de Vc opgenomen.

L t/m O

Bij brief van 1 juli 2014 (Kamerstukken II 2013/14, 29 861, nr. 36) heeft de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie aangekondigd het Vreemdelingenbeleid te wijzigen met als doel meer hoogopgeleiden aan te trekken en te behouden. Dit gebeurt door wijziging van artikel 3.42 Vreemdelingenbesluit en artikel 2, onder f, Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen met de inwerkingtreding van de wijziging van het Vreemdelingenbesluit 2000 in verband met de uitbreiding van het zoekjaar voor vreemdelingen die zijn afgestudeerd of wetenschappelijk onderzoek hebben verricht en in verband met enkele andere wijzigingen en het herstel van enkele technische omissies en van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen. De wijziging houdt in dat de doelgroepen uit de regeling hoogopgeleiden worden samengevoegd met het zoekjaar afgestudeerden. De samengevoegde regeling krijgt daarmee de naam ‘zoekjaar hoogopgeleiden’.

De nieuwe regeling ‘zoekjaar hoogopgeleiden’ lost hiermee twee belangrijke knelpunten op die naar voren kwamen uit de evaluatie van de regeling hoogopgeleide (Gezocht: buitenlands toptalent, evaluatie van de regeling hoogopgeleide, WODC, 2014). De eis van de tewerkstellingsvergunning is voor alle deelnemers aan de nieuwe regeling verdwenen. Daarnaast is het onderscheid tussen de verschillende regelingen verdwenen, hetgeen onduidelijkheid bij aanvragers weg neemt. Ook is de regeling toegankelijk gemaakt voor meerdere categorieën vreemdelingen. Zo komen de volgende groepen in het vervolg in aanmerking voor een zoekjaar hoogopgeleiden:

  • vreemdelingen die in Nederland of aan een buitenlandse top 200-universiteit een postdoctorale opleiding hebben afgerond;

  • vreemdelingen die in Nederland wetenschappelijk onderzoek hebben verricht;

  • vreemdelingen die een mastergraad hebben behaald in het kader van een Erasmus Mundus Masters Course of die een opleiding hebben afgerond in het kader van de Wet op het specifiek cultuurbeleid of een opleiding die wordt verzorgd in het kader van het ontwikkelingssamenwerkingsbeleid van het Ministerie van Buitenlandse Zaken.

Met de huidige aanpassingen in de Vc wordt deze in lijn gebracht met de aanpassingen in het Vb en het Buwav. Voor aanvragen ingediend voor 1 januari 2016 waarop nog geen beslissing is genomen geldt dat deze afgedaan worden en dat het meest gunstige recht van toepassing is. Voor die vreemdelingen die voor 1 januari 2016 een aanvraag hebben ingediend onder de regeling hoogopgeleide geldt dat zij een verblijfsvergunning krijgen waarbij zij gedurende hun zoekjaar vrij zijn op de arbeidsmarkt.

Verder is de tekst in overeenstemming gebracht met het gewijzigde artikel 3.30a, eerste lid, Vb. Dit artikel is aangepast naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 december 2014 (201402257/1/V1), waarin werd geoordeeld dat het criterium ‘niet marktconform loon’ uit paragraaf B6/2.3 Vc in strijd is met artikel 3.30a Vb, dat uitging van ‘loon dat sterk afwijkt van wat voor de te verrichten werkzaamheden in overeenkomstige functies gebruikelijk is’. Het gaat hier om criteria om oneigenlijk gebruik van de kennismigrantenregeling te voorkomen, die niet is bedoeld voor laag- en ongeschoold werk. Beoogd is om gebruik te kunnen maken van de marktconformiteitstoets waarmee in de uitvoeringspraktijk van het UWV veel ervaring is opgedaan. De voorheen in artikel 3.30a Vb opgenomen term ‘sterk afwijkend loon’ is daarom vervangen door het marktconformiteitscriterium. Hiermee is tevens aangesloten bij de formulering uit artikel 1d, vierde lid, BuWav.

P

In deze paragraaf is een onjuiste verwijzing gecorrigeerd.

Q

In deze paragraaf zijn tekstuele wijzigingen doorgevoerd.

R

Ter verduidelijking is opgenomen dat er in bepaalde gevallen één en in bepaalde gevallen twee medewerkers van de IND betrokken worden bij het leeftijdsschouw, afhankelijk van het aantal ambtenaren belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen welke zijn betrokken.

S

Ter verduidelijking is het uitgangspunt opgenomen dat het medisch onderzoek als bedoeld in artikel 3.109e Vb uitgevoerd wordt binnen de (verlengde) termijnen van de algemene asielprocedure, waar dat mogelijk is.

T

In deze paragraaf is ter verduidelijking opgenomen dat wanneer de vreemdeling na behandeling in de algemene asielprocedure, is behandeld in de Dublin procedure, waarin wordt vastgesteld dat Nederland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, de behandeling van de aanvraag wordt voortgezet in de verlengde asielprocedure, en niet in de algemene asielprocedure. Zo wordt voorkomen dat een vreemdeling twee keer een rust- en voorbereidingstijd hoeft te doorlopen.

U

De uitleg wanneer de IND bij afwijzing van de eerste aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als (kennelijk) ongegrond, in afwijking van artikel 3.6a, eerste lid, Vb moet handelen, was onjuist opgenomen in deze paragraaf. Dit is gecorrigeerd waarbij wordt verwezen naar artikel 3.6a, tweede lid, Vb.

V

In paragraaf C2/5 Vc werd gesproken over EU-lidstaten.De ‘beperking’ naar enkel EU-lidstaten kan voor verwarring en discussie zorgen bij lidstaten die niet tot de EU behoren, maar wel tot de lidstaten die zijn aangesloten bij de Verordening (EU) Nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 (Dublinverordening). Daarom is het woord ‘EU-lidstaten’ vervangen door ‘lidstaten’, hetgeen in lijn is met de tekst van de Dublinverordening.

W

De verwijzing naar paragraaf C2/10 van de Vreemdelingencirculaire is aangepast, omdat er naar een oude paragraaf, C2/9, verwezen werd.

X

In dit model is het postadres voor bezwaarschriften gewijzigd.

Y

In dit model is het v-nummer toegevoegd, zodat het duidelijk is welk v-nummer bij de vreemdeling hoort.

Z

De zin ‘Een eventueel eerder aan betrokkene opgelegde maatregel zoals bedoeld in artikel 56, eerste lid, van de Vw 2000, is met oplegging van deze nieuwe maatregel hiermee beëindigd’ is in WBV 2015/9 abusievelijk niet volledig overgenomen in de Vreemdelingencirculaire. Derhalve wordt deze zin alsnog toegevoegd. Verder is ter volledigheid bij ‘reisdocumenten’ ook ‘identiteitsdocumenten’ opgenomen, hetgeen aansluit op de verwoording in model M110-A.

AA

De lay-out van dit model is aangepast, er zijn enkele tekstuele wijzigingen doorgevoerd en er is extra ruimte gecreëerd voor de motivering onder ‘lichter middel’.

AB

De lay-out van dit model is aangepast, er zijn enkele tekstuele wijzigingen doorgevoerd en er is extra ruimte gecreëerd voor de motivering onder ‘lichter middel’.

AC

De wijzigingen in dit model betreffen de lay-out, enkele tekstuele wijzigingen en er is extra ruimte gecreëerd voor de motivering van lichter middel en zicht op uitzetting.

AD

De wijzigingen in dit model bewerkstelligen dat de opleggende ambtenaar voor wat betreft de gehoren slechts één proces en één proces-verbaal (in plaats van drie processen en twee processen-verbaal, in de huidige situatie) hoeft op te maken, wanneer bij een inbewaringstelling een terugkeerbesluit en/of inreisverbod opgelegd wordt. Tevens wordt voorkomen dat de opleggende ambtenaar de vreemdeling onnodig een extra keer, vanwege de huidige indeling van het formulier, moet spreken.

AE

De modellen M105, M105A, M105B en M105C zijn – ten behoeve van het overzicht – volledig nieuw. Deze modellen dienen ter vervanging van de M111A die daarmee vervalt.

AF

In verband met een hernummering voor het overzicht, is dit model gewijzigd van M111-C naar M105-D.

AG

In verband met een hernummering voor het overzicht, is dit model gewijzigd van M111-D naar M105-E

AH

De artikelen 59b, 6 en 6a Vw zijn toegevoegd, vanwege de wetswijziging naar aanleiding van de implementatie van de Procedurerichtlijn.

AI

De artikelen 59b, 6 en 6a Vw zijn toegevoegd, vanwege de wetswijziging naar aanleiding van de implementatie van de Procedurerichtlijn.

AJ

Met de wijziging van dit model is geen inhoudelijke of procesmatige wijziging beoogt. Deze aanwijzing wordt ondertekend namens de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, abusievelijk stond hier nog additioneel ‘het Hoofd van de Immigratie- en Naturalisatiedienst’.

De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, voor deze, J.C. Goet Directeur-generaal Vreemdelingenzaken