Voorpublicatie tot wijziging van het Activiteitenbesluit milieubeheer in verband met de uitvoering van Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels tot wijziging en intrekking van de Richtlijnen 67/548/EEG en 1999/45/EG en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1907/2006 (PbEU 2008, L353) en in verband met nieuw overgangsrecht voor bestaande gasturbines en gasmotoren

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu maakt ingevolge artikel 21.6, vierde lid, van de Wet milieubeheer bekend dat een ieder tot 9 januari 2016 schriftelijk zijn zienswijze naar voren kan brengen over onderstaand ontwerp van een algemene maatregel van bestuur.

Uw zienswijze kunt u op de volgende manieren indienen:

  • 1. bij voorkeur per e-mail naar: activiteitenbesluit@minienm.nl

    of

  • 2. per brief naar het volgende adres:

    Ministerie van Infrastructuur en Milieu

    DGMI/Directie KLG

    Postbus 20901

    2500 EX Den Haag

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van ..., nr. IenM/BSK-, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken;

Gelet op de artikelen 61, vierde lid, en 62, tweede alinea, van Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels tot wijziging en intrekking van de Richtlijnen 67/548/EEG en 1999/45/EG en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1907/2006 (PbEU 2008, L353) en de artikelen 8.40 en 8.42 van de Wet milieubeheer;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van, nr. );

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van ..., nr. IenM/BSK-, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Activiteitenbesluit milieubeheer wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 2.30 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid vervalt: of de risicozinnen R45, R46, R49, R60 en R61.

2. Het tweede lid wordt als volgt gewijzigd:

a. In onderdeel b vervalt: of de risicozinnen R40 of R68.

b. In tabel 2.30, kolom ‘Stoffen of mengsels’, eerste rij, vervalt: of R45, R46, R49, R60 en R61.

c. In tabel 2.30, kolom ‘Stoffen of mengsels’, tweede rij, vervalt: of R40 of R68.

B

Artikel 3.10q wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste en tweede lid komen te luiden:

  • 1. In afwijking van de artikelen 3.10, 3.10d, 3.10e of 3.10f, voldoet het rookgas van een stookinstallatie die voor 1 april 2010 is geplaatst of in gebruik is genomen, voor zover die zich binnen de Nederlandse exclusieve economische zone bevindt dan wel deel uitmaakt van een inrichting waarin kooldioxide (CO2), afkomstig van een andere inrichting, wordt ingezet ten behoeve van de bemesting van gewassen teneinde het gebruik van brandstof te verminderen, tot 1 januari 2019 aan de emissiegrenswaarden die op 31 maart 2010 voor die installatie golden ingevolge het Besluit emissie-eisen stookinstallaties milieubeheer B of het Besluit emissie-eisen stookinstallaties milieubeheer A, dan wel aan de daarvan afwijkende emissiegrenswaarden, die voor die stookinstallatie golden op grond van een daarvoor verleende omgevingsvergunning.

  • 2. Het rookgas van een stookinstallatie als bedoeld in het eerste lid voldoet met ingang van 1 januari 2019 aan de in de artikelen 3.10, 3.10d, 3.10e of 3.10f genoemde emissiegrenswaarden.

2. Het derde lid vervalt en het vierde en vijfde lid worden vernummerd tot derde en vierde lid.

3. In het derde lid (nieuw) wordt ‘tweede of derde lid’ telkens vervangen door ‘eerste lid’ en wordt ‘data’ vervangen door: datum.

C

In artikel 3.10s wordt ‘eerste of derde lid’ vervangen door ‘eerste lid’ en vervalt ‘1 januari 2017 onderscheidenlijk’.

D

In artikel 3.10t wordt ‘eerste of derde lid’ vervangen door: eerste lid.

E

Na artikel 3.10u worden aan paragraaf 3.2.1 twee artikelen toegevoegd, luidende:

Artikel 3.10v

In afwijking van artikel 3.10d, kan het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift een emissiegrenswaarde voor stikstofoxiden van ten hoogste 225 milligram per normaal kubieke meter, teruggerekend naar de ISO-luchtcondities vaststellen voor een gasturbine die voor 1 april 2010 is geplaatst of in gebruik is genomen, indien deze gasturbine is uitgerust met een stoom- of waterinjectie.

Artikel 3.10w

In afwijking van artikel 3.10f, kan het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift een hogere emissiegrenswaarde voor onverbrande koolwaterstoffen vaststellen voor een gasmotor met een thermisch vermogen van 2,5 megawatt of groter die voor 1 april 2010 is geplaatst of in gebruik is genomen en waarin brandstof anders dan vergistinggas wordt verbrand, indien met een motorzijdige aanpassing onvoldoende reductie van koolwaterstoffen kan worden bereikt. In het maatwerkvoorschrift wordt een einddatum opgenomen.

ARTIKEL II

  • 1. Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2017.

  • 2. In afwijking van het eerste lid treedt artikel I, onderdeel A, in werking met ingang van 1 juni 2017.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, S.A.M. Dijksma

NOTA VAN TOELICHTING

1. Algemeen

Dit besluit strekt tot wijziging van het Activiteitenbesluit milieubeheer (hierna: Abm). In de eerste plaats is artikel 2.30, eerste en tweede lid, van het Abm geactualiseerd in verband met het vervallen van R(isk)- en S(afety)-zinnen (artikel I, onderdeel A). In de tweede plaats zijn twee maatwerkvoorschriftbepalingen opgenomen, één met betrekking tot NOx-emissiegrenswaarde voor bestaande gasturbines en één met betrekking tot de CxHy-emissiegrenswaarde voor bestaande gasmotoren (artikel I, onderdeel E). Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om uitgewerkt overgangsrecht te laten vervallen (artikel I, onderdeel B, C en D). In paragraaf 2 wordt nader ingegaan op de wijzigingen.

2. Hoofdlijnen van het besluit

Artikel I, onderdeel A

Wijziging 2.30 van het Activiteitenbesluit milieubeheer

Het Globally Harmonised System van de Verenigde Naties (VN-GHS) is in 2002 door de VN vastgesteld. Het VN-GHS beschrijft criteria voor de indeling en etikettering van chemische stoffen en mengsels op basis van hun gevaarseigenschappen. VN-GHS levert wereldwijde criteria voor gevaarscommunicatie over chemische stoffen en mengsels.

In Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels tot wijziging en intrekking van de Richtlijnen 67/548/EEG en 1999/45/EG en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1907/2006 (PbEU 2008, L353) (hierna: GHS-verordening) is aangesloten bij het VN-GHS en is de systematiek van R(isk)- en S(afety)-zinnen vervangen door H(azard)- en P(recaution)-zinnen.1 Een verordening heeft rechtstreekse werking en behoeft dus geen implementatie. De systematiek van H(azard)- en P(recaution)-zinnen behoeft echter wel uitvoering in nationale wet- of regelgeving.

Met dit besluit is artikel 2.30, eerste en tweede lid, van het Abm geactualiseerd in verband met het vervallen van R(isk)- en S(afety)-zinnen.

Deze wijziging was reeds aangekondigd in de nota van toelichting bij het Besluit van 13 oktober 2012, houdende wijziging van het Activiteitenbesluit milieubeheer, het Besluit omgevingsrecht en enkele andere besluiten ten behoeve van de omzetting van Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 23 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) (herschikking) (PbEU L 334) (Stb. 2012, 552).

In de aankondiging is evenwel uitgegaan van inwerkingtreding van de wijziging met ingang van 1 juni 2015, in verband met artikel 62, tweede alinea, van de GHS-Verordening, houdende de inwerkingtreding van een deel van die verordening. Vanwege het in artikel 61, vierde lid, van de GHS-verordening geregelde overgangsrecht kan er echter tot 1 juni 2017 sprake zijn van mengsels die nog niet geëtiketteerd of verpakt zijn volgens het nieuwe systeem.

Ten behoeve van de duidelijkheid voor de drijvers van een inrichting waarin met oplosmiddelen wordt gewerkt, is besloten om de wijziging niet eerder dan op 1 juni 2017 in werking te laten treden (artikel II, tweede lid, van dit wijzigingsbesluit).

Artikel I, onderdeel E

1. Artikel 3.10v (nieuw) van het Activiteitenbesluit milieubeheer

Ingevolge artikel 3.10q, tweede en derde lid, (oud) van het Abm moesten sinds 1 januari 2017 of vanaf 1 januari 2019 gasturbines die geplaatst zijn of in gebruik zijn genomen voor 1 april 2010 en die onder de reikwijdte van artikel 3.10d vallen2 (hierna: bestaande gasturbines) voldoen aan de in artikel 3.10d van het Abm opgenomen emissiegrenswaarden.3 Artikel 3.10d van het Abm bepaalt onder meer dat de emissie van stikstofoxiden (NOx) maximaal 140 milligram per normaal kubieke meter mag zijn.

Om aan deze NOx-emissiegrenswaarde te kunnen voldoen, zullen voor bestaande gasturbines maatregelen genomen moeten worden. Welke maatregelen gebruikt kunnen worden, hangt af van het type gasturbine.

Het merendeel van de bestaande gasturbines is, om te voldoen aan de reeds geldende NOx-emissiegrenswaarden, reeds uitgerust met een stoom- of waterinjectie.4 Voor dit type gasturbines kan voor het toepassen van maatregelen om aan de sinds 1 januari 2017 of vanaf 1 januari 2019 geldende, strengere NOx-emissiegrenswaarde te voldoen, worden gedacht aan een hogere mate van stoom- of waterinjectie, het toepassen van een Dry-Low-NOx verbrandingstechniek (hierna: DLN) of het plaatsen van een Selective Catalytic Reduction (hierna: SCR).

Gebleken is echter dat voor ongeveer 40 bestaande gasturbines waarvoor de in artikel 3.10d opgenomen NOx-emissiegrenswaarde sinds 1 januari 2017 geldt of vanaf 1 januari 2019 gaat gelden deze maatregelen niet in alle gevallen mogelijk of kosteneffectief zijn. Zo is er voor diverse bestaande gasturbines geen DLN op de markt. Wanneer er geen DLN op de markt is en de stoom- of waterinjectie die wordt toegepast al maximaal is, dan is een SCR de enige oplossing. Door de benodigde fysieke ruimte is dit niet altijd haalbaar. Bovendien blijkt het plaatsen van een SCR op een gasturbine met stoom- of waterinjectie niet altijd kosteneffectief als bedoeld in artikel 2.7 van het Abm, omdat de emissiereductie relatief beperkt is. Ingevolge artikel 2.7, vijfde lid, van het Abm is een maatregel met betrekking tot emissies van stikstofoxiden (NOx) in ieder geval niet kosteneffectief indien de berekende waarde hoger is dan lager is dan € 20/kg. De kosten van het plaatsen van een dergelijke katalysator kan ver boven de € 20/kg uitkomen, namelijk € 58/kg.

De NOx-emissiegrenswaarde die sinds 2017 geldt of vanaf 2019 gaat gelden voor bestaande gasturbines zijn vastgesteld in een traject waarbij emissiegrenswaarden zijn opgesteld voor ongeveer 10.000 stookinstallaties. Hierbij is niet uitgebreid bezien of de genoemde NOx-emissiegrenswaarde voor deze specifieke, relatief kleine groep van circa 40 bestaande gasturbines middels (kosteneffectieve) maatregelen realiseerbaar waren.

Het gaat hierbij om de gasturbines die reeds uitgerust zijn met een stoom- of waterinjectie en waarbij ook met een hogere mate van stoom- of waterinjectie de emissie-eis niet haalbaar is. Achteraf is gebleken dat het voor deze ongeveer 40 bestaande gasturbines dus niet mogelijk of kosteneffectief is om dusdanige maatregelen te nemen die ervoor zorgen dat de bestaande gasturbines aan de in artikel 3.10d opgenomen NOx-emissiegrenswaarde voldoen. Daarom wordt met dit wijzigingsbesluit in artikel 3.10v (nieuw) van het Abm geregeld, dat het bevoegd gezag bij een maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 8.42, eerste lid, van de Wet milieubeheer, de in artikel 3.10d opgenomen NOx-emissiegrenswaarde die voor deze bestaande gasturbines sinds 1 januari 2017 is gaan gelden of vanaf 1 januari 2019 gaat gelden, kan verhogen.

De bij maatwerk afwijkende NOx-emissiegrenswaarde voor bestaande gasturbines kan evenwel niet meer zijn dan 225 milligram per normaal kubieke meter. Dit is dezelfde NOx-emissiegrenswaarde, als de NOx-emissiegrenswaarde die geldt voor grote stookinstallaties die op 30 oktober 1999 in bedrijf waren, of waarvoor een vergunning was verleend en die uiterlijk op 30 oktober 2000 in gebruik was genomen, indien het een gasturbine betreft, die met aardgas of andere gassen5 wordt gestookt (artikel 5.5 van het Abm).6

Net als bij de in de vorige alinea genoemde gasturbines die tevens grote stookinstallaties zijn7, geldt dat de afwijkende NOx-emissiegrenswaarde alleen mogelijk is als de gasturbine een hoog jaargemiddeld rendement haalt. De bestaande gasturbines waarop artikel 3.10d van toepassing wordt, halen zonder problemen het jaargemiddeld rendement, bedoeld in de artikelen 3.10l en 3.10u van het Abm.8

Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen of de NOx-emissiegrenswaarde middels een maatwerkvoorschrift verhoogd moet worden. In het maatwerkvoorschrift kan een einddatum worden opgenomen, bijvoorbeeld wanneer er in de toekomst wijzigingen in de bedrijfsvoering worden verwacht of in verband met de resterende levensduur van de installatie.

Het uitgangspunt van het Abm is dat de algemene regels afdoende moeten zijn en dat maatwerk slechts noodzakelijk is voor specifieke en bijzondere gevallen. Het bevoegd gezag dient terughoudend gebruik te maken van de mogelijkheid om maatwerkvoorschriften op te leggen.

2. Artikel 3.10w (nieuw) van het Activiteitenbesluit milieubeheer

Ingevolge artikel 3.10q, tweede en derde lid, (oud) van het Abm moeten sinds 1 januari 2017 of vanaf 1 januari 2019 gasmotoren die geplaatst zijn of in gebruik zijn genomen voor 1 april 2010 en die onder de reikwijdte van artikel 3.10f vallen9 (hierna: bestaande gasmotoren) voldoen aan de in artikel 3.10f van het Abm opgenomen emissiegrenswaarden.10 Artikel 3.10f van het Abm bepaalt onder meer dat de emissie van onverbrande koolwaterstoffen (CxHy) maximaal 1500 milligram per normaal kubieke meter mag zijn.

Om aan deze CxHy-emissiegrenswaarde te kunnen voldoen, zullen voor bestaande gasmotoren maatregelen genomen moeten worden. Gedacht kan worden aan het toepassen van een katalysator (nageschakelde techniek). Op dit moment is er evenwel geen katalysator voor leanburn gasmotoren11 op de markt waarmee bij de heersende rookgascondities12 een substantiële verlaging van de CxHy-emissies gerealiseerd kan worden. Wel kan gedacht worden aan een motorzijdige aanpassing13, waarmee een verlaging is te realiseren. In de meeste gevallen is een motorzijdige aanpassing voldoende om onder de CxHy-emissiegrenswaarde te komen, maar er zijn naar verwachting een 20-tal bestaande leanburn gasmotoren waarbij een motorzijdige aanpassing vooralsnog geen of onvoldoende oplossing biedt.14 Voor deze gasmotoren is vervanging van de gasmotor de enige mogelijkheid om aan de emissie-eis voor onverbrande koolwaterstoffen te voldoen. Vervanging is geen kosteneffectieve maatregel, omdat het type gasmotor dat vervangen zou moeten worden meer dan € 1.000.000 per stuk kost.

Bij het vaststellen van de CxHy-emissiegrenswaarde die sinds 2017 geldt of vanaf 2019 gaat gelden voor bestaande gasmotoren, was de verwachting dat rond 2017 voor leanburn gasmotoren een katalysator ontwikkeld zou zijn om koolwaterstoffen te vernietigen. Deze techniek is er ondanks forse inspanningen het Rijk tot op heden niet gekomen. De verwachting is niet, dat de komende jaren wel een dergelijke katalysator zal lukken.

Dit betekent dat het dus voor naar verwachting ongeveer 20 leanburn gasmotoren niet mogelijk is om kosteneffectieve maatregelen te nemen die ervoor zorgen dat de bestaande gasmotoren aan de in artikel 3.10f van het Abm opgenomen CxHy-emissiegrenswaarde voldoen. Daarom is met dit wijzigingsbesluit in artikel 3.10w (nieuw) van het Abm geregeld, dat het bevoegd gezag bij een maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 8.42, eerste lid, van de Wet milieubeheer, de in artikel 3.10f opgenomen CxHy-emissiegrenswaarde die voor bestaande gasmotoren sinds 1 januari 2017 is gaan gelden of vanaf 1 januari 2019 gaat gelden, kan verhogen. In het maatwerkvoorschrift moet een einddatum worden opgenomen. De einddatum kan gebaseerd worden op bijvoorbeeld ontwikkelingen in de technologie, het moment waarop een grote motorrevisie gepland staat, of op grond van de resterende levensduur van de motor.

Ook hiervoor geldt hetgeen in de laatste alinea bij de toelichting op artikel 3.10v is opgemerkt over de terughoudendheid van het toepassen van maatwerkvoorschriften.

Artikel I, onderdelen B, C en D

Vervallen uitgewerkt overgangsrecht

Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om uitgewerkt overgangsrecht te laten vervallen. Tot 1 januari 2017 golden voor bepaalde stookinstallaties die voor 1 april 2010 waren geplaatst of in gebruik waren genomen de emissiegrenswaarden die op 31 maart 2010 voor die installatie golden ingevolge het Besluit emissie-eisen stookinstallaties milieubeheer B of het Besluit emissie-eisen stookinstallaties milieubeheer A, dan wel de daarvan afwijkende emissiegrenswaarden, die voor die stookinstallatie golden op grond van een daarvoor verleende omgevingsvergunning.

Sinds 1 januari 2017 gelden voor die stookinstallaties in beginsel de emissiegrenswaarden van de artikelen 3.10, 3.10d, 3.10e en 3.10f. Aangezien het overgangsrecht is uitgewerkt, kon het vervallen. Het betreft een wettechnische wijziging die geen praktische gevolgen heeft.

3. Uitvoering en handhaving

Er zijn geen wijzigingen doorgevoerd die gevolgen hebben voor de uitvoering en handhaving van het Abm.

Het Abm richt zich primair tot de drijver van de inrichting. De drijver van de inrichting is verantwoordelijk voor de naleving van de voorschriften. De voorschriften uit dit wijzigingsbesluit en het Abm zijn zo opgesteld dat ze uitvoerbaar zijn voor de drijver van de inrichting.

De artikelen 3.10v en 3.10w (nieuw) van het Abm richten zich evenwel tot het bevoegd gezag, omdat het bevoegd gezag maatwerkvoorschriften kan opstellen. Het is aan de drijver van de inrichting om te verzoeken om het maatwerkvoorschrift en het vervolgens na te leven.

De gemeente en de provincie blijven bevoegd gezag van het Abm en zijn op grond van artikel 5.2, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht belast met de bestuursrechtelijke handhaving.

4. Gevolgen

4a. Regeldrukeffecten

Artikel I, onderdelen A, B, C en D, houdende de wijzigingen van 2.30, 3.10q, 3.10s en 3.10t van het Abm, heeft geen financiële gevolgen. Het betreffen wettechnische wijzigingen naar aanleiding van de GHS-verordening of naar aanleiding van uitgewerkt overgangsrecht. Het leidt niet tot een verandering van plichten.

Artikel I, onderdeel E, heeft wel financiële gevolgen namelijk voor bedrijven en andere overheden.

Voor bedrijven met een gasturbine heeft het nieuwe artikel 3.10v van het Abm tot gevolg dat het bevoegd gezag de emissiegrenswaarde voor NOx kan verhogen. Dit heeft tot gevolg dat niet geïnvesteerd hoeft te worden in een aanpassing of aanschaf van een gasturbine. De verwachting is dat ongeveer 40 maatwerkvoorschriften op grond van artikel 3.10v van het Abm zullen worden opgesteld. Voor het bedrijfsleven betekent dit een besparing op de nalevingslasten van ongeveer 16 miljoen euro per jaar.

Aangezien het bevoegd gezag tijd moet investeren in het opstellen van het maatwerkvoorschrift, heeft de bepaling ook voor die bestuursorganen financiële gevolgen. Er wordt van uitgegaan dat het opstellen van een maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 3.10v ongeveer 8 uur zal kosten. Uitgaande van 40 maatwerkvoorschriften en van een uurbedrag van 100 euro, zijn de lasten ongeveer 32.000 euro.

Voor bedrijven met een gasmotor heeft het nieuwe artikel 3.10w van het Abm tot gevolg dat het bevoegd gezag de emissiegrenswaarde voor CxHy kan verhogen. Dit heeft tot gevolg dat niet geïnvesteerd hoeft te worden in een aanpassing of aanschaf van een gasmotor. De verwachting is dat ongeveer 20 maatwerkvoorschriften op grond van artikel 3.10w van het Abm zullen worden opgesteld. Voor het bedrijfsleven betekent dit een besparing op de nalevingslasten van ongeveer 20 miljoen euro per jaar.

Aangezien het bevoegd gezag tijd moet investeren in het opstellen van het maatwerkvoorschrift, heeft de bepaling ook voor die bestuursorganen financiële gevolgen. Er wordt van uitgegaan dat het opstellen van een maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 3.10w ongeveer 8 uur zal kosten. Uitgaande van 20 maatwerkvoorschriften en van een uurbedrag van 100 euro, zijn de lasten ongeveer 16.000 euro.

4b. Gevolgen voor het milieu

De wijziging van 2.30 van het Abm omvat geen (wijziging van) milieunormen en heeft dan ook geen milieugevolgen.

Artikel 3.10v van het Abm biedt het bevoegd gezag de mogelijkheid om de emissiegrenswaarde voor NOx voor gasturbines die geplaatst of in gebruik zijn genomen voor 1 april 2010 te verhogen. De verwachting is dat 40 maatwerkvoorschriften op grond van artikel 3.10v van het Abm zullen worden opgesteld. Dit leidt tot een jaarlijkse extra uitstoot van maximaal 325 ton NOx. Dit is te rechtvaardigen omdat het niet altijd mogelijk is om kosteneffectieve maatregelen te nemen die ervoor zorgen dat de bestaande gasturbines aan de in artikel 3.10d van het Abm opgenomen NOx-emissiegrenswaarde kunnen voldoen.

Artikel 3.10w van het Abm biedt het bevoegd gezag de mogelijkheid om de emissiegrenswaarde voor CxHy voor gasmotoren die geplaatst of in gebruik zijn genomen voor 1 april 2010 te verhogen. De verwachting is dat 20 maatwerkvoorschriften op grond van artikel 3.10v van het Abm zullen worden opgesteld. Dit leidt tot een jaarlijkse extra uitstoot van maximaal 350 ton CxHy. Dit is te rechtvaardigen omdat het niet altijd mogelijk is om kosteneffectieve maatregelen te nemen die ervoor zorgen dat de bestaande gasmotoren aan de in artikel 3.10f van het Abm opgenomen CxHy-emissiegrenswaarde kunnen voldoen.

5. Advisering en consultatie

Het ontwerpbesluit is conform de Code Internbestuurlijke Verhoudingen voorgelegd aan de VNG, het IPO en de UvW. Van de UvW is geen reactie ontvangen. De VNG en de IPO hebben aangegeven in te kunnen stemmen met de voorgestelde wijzigingen.

Wel stellen zowel de VNG als het IPO voor om in het ontwerpbesluit de mogelijkheid om maatwerk op te stellen voor de betreffende gasturbines en gasmotoren te beperken door een einddatum op te nemen.

Voor bestaande gasmotoren is daarom geregeld dat opname van een einddatum in het maatwerkvoorschrift verplicht is. Voor gasmotoren is de grote motorrevisie het moment dat een motorzijdige aanpassing gedaan kan worden. Deze grote motorrevisie vindt plaats na 10 jaar of 40.000 bedrijfsuren. Het moment van het aanpassen van de motor is derhalve voorzienbaar en dient opgenomen te worden in het maatwerkvoorschrift.

Voor bestaande gasturbines is niet geregeld dat opname van een einddatum in het maatwerkvoorschrift verplicht is, omdat de belemmeringen van bouwkundige aard zijn en het aanpassen van de gasturbine dan ook niet altijd voorzienbaar is.

Er is geen gefixeerde einddatum opgenomen in de bepalingen. Het opnemen van een gefixeerde einddatum kan -zoals VNG en IPO ook hebben aangegeven- mogelijk ook een beperkte15 invloed op de innovatie hebben. Innovatie wordt echter in het algemeen gestimuleerd door eisen te stellen aan nieuwe installaties.

Daarnaast is door het IPO opgemerkt dat er geen sprake zou zijn van een specifieke individuele afweging. Voor elke betreffende gasturbine- of gasmotor kan de situatie echter weer anders zijn: de emissie die bereikt kan worden is afhankelijk van de situatie van het bedrijf en van het merk en type installatie.

Op grond van artikel 21.6, vierde lid, van de Wet milieubeheer is het ontwerpbesluit overgelegd aan de beide kamers der Staten-Generaal en in de Staatscourant bekendgemaakt. Naar aanleiding van de verplichte voorpublicatie van het ontwerpbesluit op ... (Stcrt. 2015, ... ) heeft de Staatssecretaris van IenM ... inspraakreacties ontvangen.

In de voortgangsnotitie regeldruk bedrijven 2011-2015 van 19 september 2011 (Kamerstukken II 2010/11, 29 515, nr. 333) is aangekondigd dat het kabinet internetconsultatie vaker wil inzetten bij de voorbereiding van wetgeving, als aanvulling op de bestaande consultatiepraktijk. In het Actieplan Open Overheid16 (Kamerstukken II 2013/14, 32 802, nr. 5) is aangegeven dat bij de voorbereiding van voorstellen voor onder meer algemene maatregelen van bestuur stelselmatig moet worden bepaald of

internetconsultatie meerwaarde heeft en een effectieve methode is om de

doelgroepen van een regeling te bereiken.

In het voorliggende geval heeft internetconsultatie geen meerwaarde. Het ontwerpbesluit moet immers, zoals hierboven reeds aangegeven, op grond van artikel 21.6, vierde lid, van de Wet milieubeheer in de Staatscourant worden bekendgemaakt. Hierdoor worden burgers, bedrijven en instellingen al geconsulteerd over het ontwerpbesluit.

Het ontwerpwijzigingsbesluit is op ... gemeld aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen (notificatienummer 2015- ... -NL) ter voldoening aan artikel 8, eerste lid, van Richtlijn 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 22 juni 1998 betreffende de informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften en regels betreffende diensten van informatiemaatschappij (PbEG L 204), zoals gewijzigd bij Richtlijn 98/48/EG van 20 juli 1998 (PbEG L 217). Artikel I, onderdeel E, van het wijzigingsbesluit bevat vermoedelijk technische voorschriften.

Het ontwerpwijzigingsbesluit is niet aan de WTO gemeld in het kader van de notificatieplicht op grond van de op 15 april 1994 te Marrakech tot stand gekomen ‘Agreement on Technical Barriers to Trade’17, omdat er geen sprake is van een significante handelsbelemmering.

6. Overgangsrecht en inwerkingtreding

Overeenkomstig het stelsel van vaste verandermomenten (Kamerstukken II 2009/10, 29 515, nr. 309), treedt deze wijzigingsregeling in werking met ingang van 1 januari 2017 en is ten minste twee maanden van tevoren gepubliceerd. Hiermee is naast de minimale invoeringstermijn tevens voldaan aan artikel 21.6, vijfde lid, van de Wet milieubeheer, waaruit volgt dat het besluit niet eerder in werking mag treden dan vier weken na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het is geplaatst.

Uitzondering hierop vormt de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel A, van dit wijzigingsbesluit (wijziging van artikel 2.30 van het Abm), dat in werking treedt met ingang van 1 juni 2017. Van het stelsel van vaste verandermomenten mag worden afgeweken indien het Europese regelgeving betreft. Daarvan is in het geval van artikel I, onderdeel A, van dit wijzigingsbesluit sprake, omdat per 1 juni 2017 op grond van de GHS-verordening er geen mengsels meer kunnen zijn waarop gebruik wordt gemaakt van R(isk)- en S(afety)-zinnen.

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, S.A.M. Dijksma


X Noot
1

In de GHS-verordening zijn enkele zinnen toegevoegd aan het VH-GHS systeem. Die worden aangeduid als European Union Hazard(EUH)-zinnen. De meeste van deze EUH-zinnen zijn ontstaan uit equivalente R- en S-zinnen.

X Noot
2

Ingevolge artikel 3.7 van het Activiteitenbesluit milieubeheer gaat het bijvoorbeeld niet om installaties voor experimenten, grote stookinstallaties of noodvoorzieningen.

X Noot
3

Ingevolge artikel 3.10q, eerste lid, (oud) van het Abm golden voor bestaande gasturbines tot 1 januari 2017 of gelden voor bestaande gasturbines tot 1 januari 2019 de emissiegrenswaarden die op 31 maart 2010 golden op grond van het Besluit emissie-eisen stookinstallaties milieubeheer B (hierna: BEES B), het Besluit emissie-eisen stookinstallaties milieubeheer A (hierna: BEES A) of de omgevingsvergunning.

X Noot
4

Deze techniek is in het Best Available Techniques Reference Document Large Combustion Plants (BREF LCP) als één van de best beschikbare technieken aangewezen.

X Noot
5

Er is in hoofdstuk 5 van het Abm geen uitzondering opgenomen voor grote stookinstallaties, voor zover het een gasturbine is, die op vloeibare brandstof draait, omdat er maar één installatie is met een dergelijke gasturbine en die voldoet aan de in artikel 5.5 van het Abm opgenomen algemene NOx-emissiegrenswaarde van 50 mg/Nm3.

X Noot
6

Op grond van artikel 5.5 van het Abm is de NOx-emissiegrenswaarde 75 mg/Nm3. Teruggerekend naar dezelfde ISO-luchtcondities is dit dezelfde norm als de voorgestelde maximale NOx-emissiegrenswaarde in artikel 3.10v (nieuw) van het Abm.

X Noot
7

Artikel 5.5 bepaalt dat het jaarrendement gemiddeld 75% moet zijn.

X Noot
8

Ingevolge artikel 3.10u van het Abm geldt voor een warmtekrachtinstallatie die in gebruik is genomen voor 1 januari 2008, een jaargemiddeld rendement van ten minste 60%. In artikel 3.10l van het Abm is bepaald dat warmtekrachtinstallaties een jaargemiddeld rendement van ten minste 65% moeten halen. De rendementen in artikelen 3.10u en 3.10l van het Abm zijn anders gedefinieerd dan het rendement in artikel 5.5 Abm. Zou het rendement van de artikelen 3.10u en 3.10l worden ‘omgerekend’ naar de methodiek in artikel 5.5 van het Abm, dan gaat het om dezelfde eis (jaarrendement van 75%).

X Noot
9

Ingevolge artikel 3.7 van het Activiteitenbesluit milieubeheer gaat het bijvoorbeeld niet om installaties voor experimenten, grote stookinstallaties of noodvoorzieningen.

X Noot
10

Ingevolge artikel 3.10q, eerste lid, (oud) van het Abm golden voor bestaande gasmotoren tot 1 januari 2017 of gelden voor bestaande gasmotoren tot 1 januari 2019 de emissiegrenswaarden die op 31 maart 2010 golden op grond van het Besluit emissie-eisen stookinstallaties milieubeheer B (hierna: BEES B), het Besluit emissie-eisen stookinstallaties milieubeheer A (hierna: BEES A) of de omgevingsvergunning.

X Noot
11

Ook wel arm mengsel gasmotoren genoemd. Bij lean burn gasmotoren wordt meer lucht toegevoegd dan nodig voor verbranding, waardoor een arm mengsel ontstaat. Tegenwoordig worden met name leanburn gasmotoren toegepast.

X Noot
12

Het rookgas van een leanburn gasmotor heeft een relatief lage temperatuur. Er zijn wel katalysatoren die bij hogere rookgastemperaturen methaan afbreken. Om deze katalysatoren toe te passen op een leanburn gasmotor zouden de rookgassen herverhit moeten worden, wat zeer veel brandstof vergt en daarom niet milieu-effectief is. Ook zijn er katalysatoren die methaan afbreken wanneer er geen zuurstof meer in het rookgas zit (driewegkatalysatoren). Het rookgas van een leanburn gasmotor heeft echter een hoge zuurstofconcentratie.

X Noot
13

Een motorzijdige aanpassing is een fysieke aanpassing in de verbrandingskamer (bijvoorbeeld de zuigers) of een aanpassing in het motormanagement, zoals het verlagen van de lambdawaarde (lucht-gas-verhouding), het aanpassen van de ontsteekhoek of het aanpassen van het toerental.

X Noot
14

Of een motorzijdige aanpassing kan worden toegepast, is afhankelijk van het ontwerp van de gasmotor. Om onverbrande koolwaterstoffen te reduceren met het motormanagementsysteem, zal meestal de verbrandingstemperatuur omhoog moeten. De toegepaste materialen en materiaaldiktes in combinatie met de drukken in de cilinders zijn bepalend voor de maximum temperatuur die toegepast kan worden. Daarom is het niet mogelijk alle gasmotoren te laten voldoen aan de emissie-eis voor onverbrande koolwaterstoffen.

X Noot
15

Gezien het kleine aantal installaties zal deze invloed beperkt zijn.

X Noot
16

Nederland heeft zich in 2011 aangesloten bij het Open Government Partnership(OGP), het samenwerkingsverband van landen uit de hele wereld gericht op het bevorderen van een open overheid. Door deelname aan het OGP verplichten landen zich tot het opstellen van een actieplan dat in consultatie met de samenleving tot stand is gekomen.

Naar boven