Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Infrastructuur en MilieuStaatscourant 2015, 41632Besluiten van algemene strekking

Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, van 19 november 2015, Nr. IENM/BSK-2015/227004, tot wijziging van de Regeling bodemkwaliteit (actualisering verwijzingen normdocumenten 2016.1)

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu,

Handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Economische Zaken;

Gelet op de artikelen 25, eerste lid, 40, eerste lid, en 47, onder a, van het Besluit bodemkwaliteit;

BESLUIT:

ARTIKEL I

De Regeling bodemkwaliteit wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 4.3.5. wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. Een kaart van de actuele kwaliteit van de bodem als bedoeld in artikel 47, onder a, of 48, onder a, of 57, tweede lid, van het besluit wordt opgesteld met inachtneming van de richtlijnen, genoemd in bijlage D, onderdeel II, en de eisen, gesteld in bijlage M.

2. Onder vernummering van het tweede en derde lid tot het derde en vierde lid, wordt na het eerste lid een lid ingevoegd, luidende:

  • 2. Een kaart als bedoeld in het eerste lid heeft een geldigheidsduur van maximaal vijf jaar. De geldigheidsduur kan worden verlengd.

3. In het vierde lid (nieuw) wordt ‘milieuhygienische’ vervangen door:

milieuhygiënische.

4. Onder vernummering van het vierde lid (oud) tot het zesde lid wordt na het vierde lid (nieuw) een lid ingevoegd, luidende:

  • 5. Indien het bevoegd gezag een bodemkwaliteitskaart vaststelt met een geldigheidsduur korter dan vijf jaar kan een milieuhygiënische verklaring als bedoeld in het vierde lid alleen worden afgegeven met als einddatum de vastgestelde geldigheidsduur van de kaart.

5. In het zesde lid (nieuw) wordt ‘vorige lid’ vervangen door: vierde lid.

B

Artikel 4.8.2 komt te luiden:

Artikel 4.8.2

Een kaart van de actuele kwaliteit van de bodem als bedoeld in artikel 47, onder a, van het besluit wordt opgesteld met inachtneming van de richtlijnen, bedoeld in bijlage D, onderdeel II, en de eisen, gesteld in bijlage M.

C

Na artikel 4.10.2 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 4.10.2a. Kaart van de actuele kwaliteit van de bodem

Een kaart van de actuele kwaliteit van de bodem als bedoeld in artikel 57, tweede lid, van het besluit, wordt opgesteld met inachtneming van de richtlijnen, bedoeld in bijlage D, onder II, en voldoet aan de eisen, gesteld in bijlage M.

D

Na artikel 5.1.10. wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 5.1.10a. Overgangsrecht voor bodemkwaliteitskaarten

Tot 1 juli 2016 kan een milieuhygiënische verklaring als bedoeld in artikel 4.3.5., vierde lid, zoals dat luidt met ingang van 1 januari 2016, worden afgegeven op grond van een kaart die is vastgesteld voor 1 januari 2016, waarbij toepassing is gegeven aan onderdeel 5. Vaststellen bodemkwaliteitszones, onder 3, van bijlage M, zoals dat luidde vóór 1 januari 2016.

E

In artikel 5.1.8, tweede lid, wordt ‘1 januari 2016’ vervangen door: 1 januari 2021.

F

Bijlage C wordt vervangen door bijlage C, opgenomen in bijlage I, behorende bij deze regeling.

G

Bijlage D wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel II. Richtlijnen voor het opstellen van bodemkwaliteitskaarten wordt ‘– Richtlijn voor het opstellen van bodemkwaliteitskaarten, 3 september 2007, met het wijzigingsblad van 1 januari 2014’ vervangen door: – Richtlijn voor het opstellen van bodemkwaliteitskaarten, 3 september 2007, met het wijzigingsblad van 1 januari 2016.

H

In bijlage G, onderdeel III, wordt tabel 4 vervangen door de tabel die is opgenomen in bijlage II, behorende bij deze regeling.

I

Bijlage M wordt als volgt gewijzigd:

1. Onderdeel 2, onder 1, komt te luiden:

  • 1. Een kaart van de actuele kwaliteit van de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam kan worden opgesteld voor gebieden waarvan het aannemelijk is dat de ruimtelijke indeling in bodemkwaliteitszones niet verandert binnen de geldigheidsduur van een bodemkwaliteitskaart.

2. In onderdeel 3, onder 2, aanhef, wordt ‘het eerste lid’ vervangen door: het bepaalde onder 1.

3. In onderdeel 3, onder 3, wordt ‘het eerste lid,’ vervangen door: het bepaalde onder 1.

4. Aan onderdeel 3 wordt toegevoegd:

  • 5. In afwijking van onderdeel 1, onder 1, is het voor de stoffen molybdeen en kobalt toegestaan het beheersgebied niet of slechts gedeeltelijk in te delen in deelgebieden, indien wordt aangetoond dat de desbetreffende stof niet klassebepalend is.

5. Onderdeel 5, onder 1, onder a, komt te luiden:

  • a. er zijn voor alle stoffen, met uitzondering van barium, ten minste 20 waarnemingen beschikbaar;.

6. In onderdeel 5, onder 1, wordt, onder verlettering van de subonderdelen c tot en met e tot de subonderdelen d tot en met f, een subonderdeel ingevoegd, luidende:

  • c. bij toepassing van onderdeel 3, onder 5, geldt dat voor de stoffen molybdeen en kobalt in het beheersgebied tenminste 30 waarnemingen beschikbaar zijn;.

7. Onderdeel 5, onder 3, vervalt, onder vernummering van onderdeel 5, onder 4, tot onderdeel 5, onder 3.

8. Onderdeel 5, onder 3 (nieuw), komt te luiden:

  • 3. Het bepaalde onder 1 en 2 is niet van toepassing op bodemverwachtingenkaarten.

ARTIKEL II

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2016.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, S.A.M. Dijksma

BIJLAGE I BIJ ARTIKEL I, ONDERDEEL D, VAN DE REGELING VAN DE STAATSSECRETARIS VAN INFRASTRUCTUUR EN MILIEU TOT WIJZIGING VAN DE REGELING BODEMKWALITEIT (ACTUALISERING VERWIJZINGEN NORMDOCUMENTEN 2016.1)

Bijlage C., behorende bij de artikelen 2.1 en 2.2

De aanwijzing van normdocumenten in kolom 3 van de tabel, en de onderdelen daarvan die worden genoemd in kolom 4, ziet alleen op de onderdelen van het normdocument waarmee wordt beoogd het milieu te beschermen tegen nadelige gevolgen voor het milieu die de desbetreffende werkzaamheid kan veroorzaken.

Categorie

Werkzaamheden

Normdocumenten

Certificatie- en accreditatierichtlijnen

Onderdelen

1

Aanleg van bodembeschermende voorzieningen, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a.

BRL SIKB 7700 – Aanleg of herstel van een vloeistofdichte voorziening, versie 1.3, vastgesteld op 30 oktober 2014.

Protocol 7701 – Aanleg of herstel van een vloeistofdichte voorziening met prefab betonnen elementen, versie 1.3, vastgesteld op 30 oktober 2014.

Protocol 7702 – Aanleg of herstel van een vloeistofdichte voorziening van beton, versie 1.3, vastgesteld op 30 oktober 2014.

Protocol 7703 - Aanleg of herstel van een vloeistofdichte voorziening met bitumineus materiaal, versie 1.3, vastgesteld op 30 oktober 2014.

Protocol 7704 – Aanleg of herstel van een vloeistofdichte kunstharsgebonden beschermlaag, versie 1.3, vastgesteld op 30 oktober 2014.

Protocol 7711 – Aanleg of herstel van een vloeistofdichte voegafdichting, versie 1.3, vastgesteld op 30 oktober 2014.

2

Afgeven van kwaliteitsverklaringen, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder b

BRL 1004 Kalkzandsteen, versie van 31 oktober 2011 met wijzigingsblad van 31 december 2014.

 
   

BRL 1007 Metselbaksteen, versie van 10 maart 2010 met wijzigingsblad van 27 februari 2015. Deze BRL is tot 1 maart 2016 van toepassing.

 
   

BRL 1010 Drooggeperste keramische wand- en vloertegels, versie van 3 oktober 2008 met wijzigingsblad van 16 maart 2015. Deze BRL is tot 1 maart 2016 van toepassing.

 
   

BRL 1015 Gevelsysteem met droog gestapelde bakstenen, versie van 24 oktober 2012.

 
   

BRL 1016 Keramische prefab wand- en gevelelementen, versie van 29 november 2012.

 
   

BRL 1103 Daken en gevels met geprofileerde vezelcementplaten, versie van 20 januari 2006 met wijzigingsblad van 31 december 2014.

 
   

BRL 1104 Bedrijfsvloerplaten van constructief beton, versie van 1 december 2008.

 
   

BRL 1105 Cementgebonden houtspaanplaat, versie van 1 februari 2006 met wijzigingsblad van 31 december 2014.

 
   

BRL 1328 Buitengevelisolatiesystemen met gepleisterde afwerking, versie van 14 november 2004 met wijzigingsblad van 29 november 2012 (uitsluitend NL BSB merk).

 
   

BRL 1510 Keramische dakpannen, versie van 27 november 2012 (uitsluitend NL BSB merk). Deze BRL is tot 1 maart 2016 van toepassing.

 
   

BRL 1905 Mortels voor metselwerk, versie van 17 januari 2011 met wijzigingsblad van 16 april 2015.

 
   

BRL 2307-2 AEC-bodemas voor ongebonden toepassing in grond en wegenbouwkundige werken, versie van 13 mei 2015. Tot 1 maart 2016 is het toegestaan om BRL 2307, versie 27 mei 2008 met wijzigingsblad van 31 december 2014, toe te passen.

 
   

BRL 2317 Waterdoorlatende bestratingselementen van beton, versie van 21 maart 2014.

 
   

BRL 2320 Grasbetontegels, versie van 21 maart 2014.

 
   

BRL 2353 Kelderwanden van staalvezelbeton, van 31 januari 2011 met wijzigingsblad van 2 januari 2013.

 
   

BRL 2360 Straatbaksteen, versie van 16 november 2012 met wijzigingsblad van 31 december 2014. Deze BRL is tot 1 maart 2016 van toepassing.

 
   

BRL 2368 Niet constructieve betonproducten, versie van 16 november 2012.

 
   

BRL 2506 Recyclinggranulaten voor toepassing in GWW-werken en in beton, versie van 29 november 2012 met wijzigingsblad van 31 december 2014.

 
   

BRL 2811 Ferrocement producten, versie van 1 september 2004, met wijzigingsblad van 27 september 2012.

 
   

BRL 2815 Wandconstructies opgebouwd uit betonnen stapelblokken, versie van 22 juni 2012.

 
   

BRL 2817 Cementgebonden afstandhouders, versie van 16 november 2012.

 
   

BRL 5068 Cellenbeton voor toepassing in buitenwanden (type B-wanden) in bouwwerken, versie van 5 juli 1999, met wijzigingsblad van 18 december 2008.

 
   

BRL 5070 Vooraf vervaardigde betonproducten, versie van 16 april 2015. Tot 1 maart 2016 is het toegestaan om de versie van 31 maart 2008, toe te passen.

 
   

BRL 5071 Vooraf vervaardigde vezelcement producten, versie van 16 april 2015. Tot 1 maart 2016 is het toegestaan om de versie van 24 april 2008 toe te passen.

 
   

BRL 5075 Cementbetonverhardingen geproduceerd met in mobiele installaties vervaardigde betonspecie, versie van 1 januari 2009.

 
   

BRL 5076 Vooraf vervaardigde polymeerbeton producten, versie van 16 april 2015. Tot 1 maart 2016 is het toegestaan om de versie van 15 mei 2008, toe te passen.

 
   

BRL 52230 Keramische producten, versie van 22 april 2015. Tot 1 maart 2016 is toegestaan om BRL 52230 van 22 oktober 2008, BRL 1007 van 10 maart 2010 met wijzigingsblad van 27 februari 2015, BRL 1010 van 3 oktober 2008 met wijzigingsblad van 16 maart 2015, BRL 1510 van 27 november 2012 (uitsluitend NL BSB merk), BRL 2360 van 16 november 2012 met wijzigingsblad van 31 december 2014, toe te passen.

 
   

BRL 5231 Buizen en hulpstukken van gewapend beton met plaatstalen kern voor het transport van afvalwater, versie van 1 september 2007 met wijzigingsblad van 28 november 2011.

 
   

BRL 9080 Zetsteen van beton, versie van 15 januari 2007, met wijzigingsblad van 12 maart 2013.

 
   

BRL 9203 Afdekkingen voor putten en kolken, versie van 6 december 2011.

 
   

BRL 9204 Kolken samengesteld uit beton en gietijzer, versie van 6 december 2011.

 
   

BRL 9301 Mijnsteen voor GWW-werken, versie van 2 november 2009, met wijzigingsblad van 31 december 2014.

 
   

BRL 9302-2 E-bodemas in ongebonden toepassing, versie van 8 mei 2015. Tot 1 maart 2016 is het toegestaan om BRL9302 van 10 juli 2008 met wijzigingsblad van 31 december 2014, toe te passen.

 
   

BRL 9304 Fosforslak en fosforslakmengsel voor toepassing in GWW-werken, versie 13 november 2012 met wijzigingsblad van 31 december 2014.

 
   

BRL 9305 Hoogovenslakmengsel voor toepassing in GWW-werken, versie van 13 november 2012.

 
   

BRL 9310 LD-staalslakmengsel voor toepassing in de wegenbouw en LD-staalslak voor toepassing in GWW-werken, versie van 13 november 2012 met wijzigingsblad van 31 december 2014.

 
   

BRL 9311 Gerecycled grind voor toepassing op daken, in ongebonden lagen in civiele werken en als toeslagmateriaal voor asfalt, versie van 16 april 2008, met wijzigingsblad van 31 december 2014.

 
   

BRL 9312 Waterbouwsteen voor toepassing in de GWW, versie van 30 oktober 2012 met wijzigingsblad van 31 december 2014. Deze BRL is tot 1 maart 2016 van toepassing.

 
   

BRL 9313 Zand uit dynamische wingebieden, versie van 29 november 2012 met wijzigingsblad van 13 mei 2015. Tot 1 maart 2016 is het toegestaan om de versie van 29 november 2012, toe te passen.

 
   

BRL 9315 De milieuhygiënische kwaliteit van geëxpandeerde kleikorrels voor ongebonden toepassing in werken, versie van 9 april 2008.

 
   

BRL 9316 Flugsand voor GWW-werken, versie van 15 januari 2009. Deze BRL is tot 1 maart 2016 van toepassing.

 
   

BRL 9317 Poreus gesteente van vulkanische oorsprong, versie van 13 mei 2015. Tot 1 maart 2016 is het toegestaan om BRL 9317 van 15 januari 2009 en BRL 9316 van 15 januari 2009, toe te passen.

 
   

BRL 9319 De milieuhygiënische kwaliteit van drinkwaterreststoffen voor toepassing in grondwerken, versie van 31 augustus 2009.

 
   

BRL 9320 Bitumineus gebonden mengsels, versie van 24 april 2009 met wijzigingsblad van 31 december 2014.

 
   

BRL 9321 Milieuhygiënische kwaliteit van industriezand en (gebroken) industriegrind, versie van 4 november 2014.

 
   

BRL 9322 Cementgebonden minerale reststoffen als gebonden fundering in de GWW, versie van 29 februari 2012.

 
   

BRL 9324 Groevesteen in ongebonden toepassing, versie van 13 mei 2015. Tot 1 maart 2016 is toegestaan om BRL 9324 van 4 november 2014 en BRL 9312 van 30 oktober 2012 met wijzigingsblad van 31 december 2014, toe te passen.

 
   

BRL 9326 Schelpen, versie van 15 september 2011 met wijzigingsblad van 13 mei 2015.Tot 1 maart 2016 is toegestaan om de versie van 15 september 2011, toe te passen.

 
   

BRL 9327 Milieuhygiënische kwaliteit van bitumineuze afdichtingsmaterialen voor toepassing in waterkerende en waterafdichtingssystemen, versie van 15 september 2008 met wijzigingsblad van 31 december 2014.

 
   

BRL 9328 ELO-staalslak voor toepassing in de wegenbouw en kust- en oeverwerken, versie van 24 april 2008 met wijzigingsblad van 31 december 2014. (uitsluitend NL BSB merk).

 
   

BRL 9335 Grond, versie van 12 september 2014 en de bijbehorende SIKB protocollen 9335-1, 9335-2 en 9335-4, versie van 5 september 2014.

 
   

BRL 9336 Milieuhygiënische kwaliteit van E-Vliegas in ongebonden toepassing, versie van 4 november 2014.

 
   

BRL 9337 De milieuhygiënische kwaliteit van polymeergebonden steenslag voor toepassing in GWW-werken, versie van 2 november 2009.

 
   

BRL 9338 Betonmortel en andere cementgebonden mortels, versie van 25 juni 2013.

 
   

BRL 9339 De milieuhygiënische kwaliteit van duurzaam waterglasgebonden grond voor in situ toepassing in bouwkundige en civieltechnische werken, versie van 26 mei 2015.

 
   

BRL 9341 Steenachtige substraten (boomgranulaat/daktuinsubstraat), versie van 21 maart 2013.

 
   

BRL 9342 Gebonden Steenslag met binder van plantaardige oorsprong ten behoeve van halfverharding, versie van 1 mei 2014.

 

3

Analyse van bouwstoffen, grond of baggerspecie, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c

BRL 9343 Koperslak voor GWW-werken, versie van 18 november 2013

 
   

NEN-EN-ISO/IEC 17025 Algemene eisen voor de bekwaamheid van beproevings- en kalibratielaboratoria, versie van 2005 +C1:2007.

 
   

AP 04-A, Accreditatieprogramma voor keuring van partijen grond, bouwstoffen en korrelvormige afvalstoffen, onderdeel Algemeen, versie 8, vastgesteld op 3 oktober 2013.

 
   

AP 04-V, Accreditatieprogramma voor keuring van partijen grond, bouwstoffen en korrelvormige afvalstoffen, onderdeel Monstervoorbehandeling, versie 9, vastgesteld op 3 oktober 2013.

 
   

AP 04-SG, Accreditatieprogramma voor keuring van partijen grond, bouwstoffen en korrelvormige afvalstoffen, onderdeel Samenstelling grond, versie 11, vastgesteld op 3 oktober 2013.

Pakket SG1.

Pakket SG2.

Pakket SG3.

Pakket SG4.

Pakket SG5.

Pakket SG6.

Pakket SG7.

Pakket SG8.

   

AP 04-SB, Accreditatieprogramma voor keuring van partijen grond, bouwstoffen en korrelvormige afvalstoffen, onderdeel Samenstelling bouwstoffen (niet zijnde grond en afvalstoffen), versie 8, vastgesteld op 3 oktober 2013.

Pakket SB1.

Pakket SB2.

Pakket SB3.

Pakket SB4.

Pakket SB5.

   

AP 04-U, Accreditatieprogramma voor keuring van partijen grond, bouwstoffen en korrelvormige afvalstoffen, onderdeel Uitloogonderzoek, versie 8, vastgesteld op3 oktober 2013.

Pakket U1.

Pakket U2.

Pakket U3.

   

AP 04-E, Accreditatieprogramma voor keuring van partijen grond, bouwstoffen en korrelvormige afvalstoffen, onderdeel Analyse van eluaten, versie 8, vastgesteld op 3 oktober 2013.

 

4

Analyse voor milieuhygiënisch bodemonderzoek, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder d

NEN-EN-ISO/IEC 17025 Algemene eisen voor de bekwaamheid van beproevings- en kalibratielaboratoria, versie van 2005 +C1:2007.

 
   

AS SIKB 3000, Accreditatieschema Laboratoriumanalyses voor grond-, waterbodem- en grondwateronderzoek, versie 6, vastgesteld op 3 oktober 2013, met wijzigingsblad van 2 oktober 2014.

Protocol 3001, Conserveringsmethoden en conserveringstermijnen voor milieumonsters, versie 4 van 2 oktober 2014. Tot 1 oktober 2016 is het toegestaan om versie 3, vastgesteld op 3 september 2009 toe

te passen.

     

Protocollen 3010 t/m 3090, Laboratoriumanalyses voor grond-, waterbodem- en grondwateronderzoek, versie 7, vastgesteld op 3 oktober 2013.

     

Protocollen 3110 t/m 3190, Laboratoriumanalyses voor grond-, waterbodem- en grondwateronderzoek, versie 6, vastgesteld op 3 oktober 2013.

     

Protocollen 3210 t/m Protocollen 3210 t/m 3290, Laboratoriumanalyses voor grond-, waterbodem- en grondwateronderzoek, versie 4, vastgesteld op 3 oktober 2013.

5

Bewerking van verontreinigde grond of baggerspecie, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e,

BRL SIKB 7500, Beoordelingsrichtlijn Bewerken van verontreinigde grond en baggerspecie, versie 4.0, vastgesteld op 17 april 2014.

De volgende werkgebieden worden onderscheiden in BRL SIKB 7500, Protocol 7510:

– Thermische reiniging;

– Extractieve reiniging;

– Biologische reiniging;

– Koude immobilisatie;

Fysische scheiding (nat- en droog zeven).

Protocol 7510, Procesmatige ex situ reiniging van grond en baggerspecie, versie 4.0, vastgesteld op 17 april 2014.

   

Protocol 7511, Landfarming, ontwatering, rijping en zandscheiding van baggerspecie, versie 3.0.1, vastgesteld op 12 december 2013.

 

6

Certificering van personen, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder f

NEN-EN-ISO/IEC 17065:2012, Conformiteitsbeoordeling-Eisen voor certificatie-instellingen die certificaten toekennen aan producten, processen en diensten en een of meerdere normdocumenten die zijn opgenomen in deze tabel met uitzondering van de normdocumenten die zijn opgenomen bij categorie 2.

Voor NEN-EN-ISO/IEC 17065:2012 is het toegestaan om tot 15 september 2015 NEN-EN 45011 toe te passen.

 

7

Periodieke inspectie van bodembeschermende voorzieningen, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder g

AS SIKB 6700 -Inspectie bodembeschermende voorzieningen, versie 2.0, vastgesteld op 19 februari 2015. Tot 1 januari 2017 is het toegestaan om versie 1.1, vastgesteld op 7 juni 2012, met wijzigingsblad van 30 oktober 2014, toe te passen.

Protocol 6701 – Visuele inspectie vloeistofdichtheid, versie 2.0, vastgesteld op 19 februari 2015. Tot 1 januari 2017 is het toegestaan om versie 1.1, vastgesteld op 7 juni 2012, met wijzigingsblad van 30 oktober 2014, toe te passen.

Protocol 6702 – Geo-elektrische meting vloeistofdichtheid, versie 2.0, vastgesteld op 19 februari 2015. Tot 1 januari 2017 is het toegestaan om versie 1.1, vastgesteld op 7 juni 2012, met wijzigingsblad van 30 oktober 2014, toe te passen.

Protocol 6703 – Hydrologische meting vloeistofdichtheid, versie 2.0, vastgesteld op 19 februari 2015. Tot 1 januari 2017 is het toegestaan om versie 1.1, vastgesteld op 7 juni 2012, met wijzigingsblad van 30 oktober 2014, toe te passen.

Protocol 6704 – Meten vloeistofdichtheid met luchttestsysteem, versie 2.0, vastgesteld op 19 februari 2015. Tot 1 januari 2017 is het toegestaan om versie 1.1, vastgesteld op 7 juni 2012, met wijzigingsblad van 30 oktober 2014, toe te passen.

Protocol 6711 – Visuele inspectie vloeistofdichtheid minerale lagen, versie 1.0, vastgesteld op 19 februari 2015.

8

Milieukundige begeleiding, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder h

BRL SIKB 6000, Beoordelingsrichtlijn Milieukundige begeleiding van (water)bodemsaneringen, ingrepen in de waterbodem en nazorg, versie 4.2, vastgesteld op 2 oktober 2014, met wijzigingsblad van 8 oktober 2015.

De volgende werkgebieden worden onderscheiden in BRL SIKB 6000:

– Verificatie;

– Processturing

of

BRL SIKB 7000- Uitvoering van (water)bodemsaneringen en ingrepen in de waterbodem, versie 5, vastgesteld op 19 juni 2014 met wijzigingsblad van 12 februari 2015.

De volgende werkgebieden worden onderscheiden in BRL SIKB 7000:

– Processturing.

Protocol 6001, Milieukundige begeleiding van landbodemsanering met conventionele methoden en nazorg, versie 4.0, vastgesteld op 13 december 2012 met wijzigingsblad van 8 oktober 2015.

Protocol 6002, Milieukundige begeleiding van landbodemsanering met in situ methoden en nazorg, versie 4.0, vastgesteld op 13 december 2012, met wijzigingsblad van 8 oktober 2015.

Protocol 6003, Milieukundige begeleiding van ingrepen in de waterbodem en uitvoering van waterbodemsaneringen, versie 3.2, vastgesteld op 12 december 2013, met wijzigingsblad van 8 oktober 2015.

Dezelfde documenten als bij onderdeel verificatie

of

Protocol 7002 - Uitvoering van landbodemsaneringen met in situ methoden, versie 2.3, vastgesteld op 12 december 2013, toe te passen.

9

Monsterneming bij partijkeuringen, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder i (zie noot 1 en noot 3)

BRL SIKB 1000, Beoordelingsrichtlijn Monsterneming voor partijkeuringen, versie 8.2, vastgesteld op 2 oktober 2014, met wijzigingsblad van 19 juni 2014.

of

AS SIKB 1000, Accreditatieschema Monsterneming voor partijkeuringen, versie1.1, vastgesteld op 4 maart 2010, met wijzigingsblad van 11 december 2014.

Protocol 1001, Monsterneming voor partijkeuringen grond en baggerspecie, versie 2.1, vastgesteld op 12 december 2013, bij BRL SIKB 1000 met wijzigingsblad van 12 februari 2015, of bij AS SIKB 1000 met wijzigingsblad van 11 december 2014.

Protocol 1002, Monsterneming voor partijkeuringen niet-vormgegeven bouwstoffen, versie 2.1, vastgesteld op 12 december 2013, bij BRL SIKB 1000 met wijzigingsblad van 12 februari 2015, of bij AS SIKB 1000 met wijzigingsblad van 11 december 2014.

Protocol 1003, Monsterneming voor partijkeuringen vormgegeven bouwstoffen, versie 2.1, vastgesteld op 12 december 2013, bij BRL SIKB 1000 met wijzigingsblad van 12 februari 2015, of bij AS SIKB 1000 met wijzigingsblad van 11 december 2014.

10

Produceren van bouwstoffen, grond of baggerspecie, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder j

De normdocumenten die bij categorie 2 zijn opgenomen.

 

11

Uitvoering van een sanering van de bodem, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder k

BRL SIKB 7000 – Uitvoering van (water)bodemsaneringen en ingrepen in de waterbodem, versie 5, vastgesteld op 19 juni 2014 met wijzigingsblad van 12 februari 2015.

Protocol 7001 – Uitvoering van landbodemsanering met conventionele methoden, versie 4.2, vastgesteld op 12 december 2013.

Protocol 7002 – Uitvoering van landbodemsaneringen met in situ methoden, versie 2.3, vastgesteld op 12 december 2013.

Protocol 7003 – Uitvoering van waterbodemsaneringen en ingrepen in de waterbodem, versie 3.2, vastgesteld op 12 december 2013.

Protocol 7004 – Tijdelijk uitplaatsen van grond, versie 1.1, vastgesteld op 12 december 2013.

12

Veldwerk, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder l (zie noot 2 en noot 3)

BRL SIKB 2000, Beoordelingsrichtlijn Veldwerk bij milieuhygiënisch bodem- en waterbodemonderzoek, versie 5, vastgesteld op 12 december 2013 met wijzigingsblad van 12 februari 2015.

of

AS SIKB 2000, Accreditatieschema Veldwerk bij Milieuhygiënisch Bodem- en waterbodemonderzoek, versie 2.8, vastgesteld op 7 februari 2014 met wijzigingsblad van 11 december 2014.

Protocol 2001, Plaatsen van handboringen en peilbuizen, maken van boorbeschrijvingen, nemen van grondmonsters en waterpassen, versie 3.2, vastgesteld op 12 december 2013, met wijzigingsblad van 12 februari 2015.

Protocol 2002, Het nemen van grondwatermonsters, versie 4, vastgesteld op 12 december 2013.

Protocol 2003, Veldwerk bij milieuhygiënisch waterbodemonderzoek, versie 2, vastgesteld op 16 april 2015. Tot 1 oktober 2016 is het toegestaan om versie 1.1, vastgesteld op 7 februari 2014, toe te passen.

Protocol 2018, Locatie inspectie en monsterneming van asbest in bodem, versie 3.1, vastgesteld op 12 december 2013.

13

Verwijderen, onklaar maken, reparatie en installeren ondergrondse opslagtanks, leidingen en appendages, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder m.

BRL-K903, Beoordelingsrichtlijn voor het Kiwa procescertificaat voor de Regeling Erkenning Installateurs Tankinstallaties, KIWA Nederland B.V., versie 08, vastgesteld op 1 februari 2011 met wijzigingsblad 01 van 15 december 2011, wijzigingsblad 02 van 1 januari 2013 en wijzigingsblad 03 van 1 december 2013.

 
   

BRL-K902, Beoordelingsrichtlijn voor het Kiwa procescertificaat voor Tanksanering HBO/diesel, KIWA Nederland B.V., versie 04, vastgesteld op 26 juli 2011 met wijzigingsblad van 14 september 2012.

 
   

BRL K904, Beoordelingsrichtlijn voor het Kiwa procescertificaat voor Tanksaneringen, KIWA Nederland B.V., versie 03, vastgesteld op 26 juli 2011 met wijzigingsblad van 14 september 2012.

 
   

BRL K905, Beoordelingsrichtlijn voor het Kiwa procescertificaat voor Tankreiniging, KIWA N.V. Certificatie en Keuringen, versie 02 vastgesteld op 1 juni 2000.

 

14

Beoordeling en keuring van ondergrondse opslagtanks, leidingen en appendages en daarbij behorende voorzieningen, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder n.

AS SIKB 6800, – Controle en keuring tank(opslag)installaties, versie 1.3 vastgesteld op 20 februari 2014.

Protocol 6801 – Controle bekleding enkathodische bescherming van ondergrondse tanks en ondergronds leidingwerk behorende bij onder- of bovengrondse tanks, versie 1.3, vastgesteld op 20 februari 2014

Protocol 6802 – Controle op water/bezinksel/micro-organismen in onder- en bovengrondse tanks, versie 1.3, vastgesteld 20 februari 2014.

Protocol 6803 – Controle aarding en potentiaalvereffening, van ondergrondse tanks en ondergronds leidingwerk behorende bij onder- of bovengrondse tanks, versie 1.3, vastgesteld op 20 februari 2014.

Protocol 6811 – Keuring van ondergrondse tanks of ondergronds leidingwerk behorende bij onder- of bovengrondse tanks; uitvoeren bodemweerstandsmeting, versie 1.3, vastgesteld op 20 februari 2014.

15

Inspecteren van de aanleg van een werk met isolerende voorzieningen bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder o.

AS SIKB 6900, Accreditatieschema Inspectie werk met IBC-bouwstof, versie 1.0, vastgesteld op 28 februari 2013 met wijzigingsblad van 30 oktober 2014.

Protocol 6901, Inspectie bij aanleg IBC-werk, versie 1.0,vastgesteld op 28 februari 2013, met wijzigingsblad van 30 oktober 2014.

16

Aanbrengen van isolerende voorzieningen bedoeld in artikel 2.1, onder eerste lid, onder p.

BRL 1148, Nationale Beoordelingsrichtlijn voor het KOMO procescertificaat voor aanleg van afdichtingslagen met zandbentonietpolymeergel mengsel, 7 april 2014.

 
   

BRL 1149, Nationale Beoordelingsrichtlijn voor het KOMO procescertificaat voor verwerken van kunstoffolie, 14 juni 2002, met wijzigingsblad van 21 maart 2005.

 

17

Controle van de staat van een werk, bedoeld in artikel 2.1., eerste lid, onder q.

AS SIKB 6900, Accreditatieschema Inspectie werk met IBC-bouwstof, versie 1.0, vastgesteld op 28 februari 2013, met Wijzigingsblad van 30 oktober 2014.

Protocol 6902, Controle staat van het IBC-werk, versie 1.0, vastgesteld op 28 februari 2013, met Wijzigingsblad van 30 oktober 2014.

18

Samenvoegen van verschillende partijen grond of baggerspecie, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder r.

BRL 9335 Grond, versie van 12 september 2014 en de bijbehorende SIKB protocollen 9335-1, 9335-2 en 9335-4 van 5 september 2014.

of

BRL SIKB 7500, Beoordelingsrichtlijn Bewerken van verontreinigde grond en baggerspecie, versie 4.0, vastgesteld op 17 april 2014.

SIKB protocol 9335-1, versie van 5 september 2014.

SIKB protocol 9335-2, versie van 5 september 2014.

SIKB protocol 9335-4, versie van 5 september 2014.

of

Protocol 7510, Procesmatige ex situ reiniging van grond en baggerspecie, versie 4.0, vastgesteld op 17 april 2014.

19

Mechanisch boren in de bodem, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder s.

BRL SIKB 2100, Beoordelingsrichtlijn Mechanisch boren, versie 3.3, vastgesteld op 16 april 2015, met wijzigingsblad van 8 oktober 2015.

De volgende werkgebieden, worden onderscheiden in BRL SIKB 2100:

– mechanische boringen zonder waterdruk;

– mechanische boringen met waterdruk;

– mechanische luchtliftboringen.

of

BRL SIKB 7000- Uitvoering van (water)bodemsaneringen en ingrepen in waterbodem, versie 5, vastgesteld op 19 juni 2014, met wijzigingsblad van 12 februari 2015.

Protocol 2101, Mechanisch boren, versie 3.3, vastgesteld op 16 april 2015, met wijzigingsblad van 8 oktober 2015.

of

Protocol 7002- Uitvoering van landbodemsaneringen met in situ methoden, versie 2.3, vastgesteld op 12 december 2013.

20

Keuren van mestbassins en afdekkingen, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder t.

Beoordelingsrichtlijn BRL 2344 voor het Kiwa procescertificaat voor verlengen van de referentieperiode voor mestbassins en afdekkingen voor mestbassins, KIWA Nederland B.V., versie van 15 december 2012.

 

21

Ontwerpen, installeren, beheren en onderhouden van het ondergrondse deel van bodemenergiesystemen bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel u.

BRL SIKB 11000, Beoordelingsrichtlijn Ontwerp, Realisatie, Beheer en onderhoud ondergrondse deel bodemenergiesystemen, versie 2.0, vastgesteld op 2 oktober 2014, met wijzigingsblad van 8 oktober 2015. Tot 1 april 2016 is het toegestaan om versie 1.1, vastgesteld op 12 december 2013, toe te passen. De volgende werkgebieden worden onderscheiden in BRL SIKB 11000:

1a. Ontwerpen op hoofdlijnen van open bodemenergiesystemen;

1b. Ontwerpen op hoofdlijnen van gesloten bodemenergiesystemen;

2a. Ontwerpen in detail van open bodemenergiesystemen;

2b. Ontwerpen in detail van gesloten bodemenergiesystemen;

3a. Installeren van open bodemenergiesystemen;

3b. Installeren van gesloten bodemenergiesystemen;

4a. Beheren en onderhouden van open bodemenergiesystemen;

4b. Beheren en onderhouden van gesloten bodemenergiesystemen.

Protocol 11001, Ontwerp, Realisatie, Beheer en onderhoud ondergrondse deel bodemenergiesystemen, versie 2.0, vastgesteld op 2 oktober 2014, met wijzigingsblad van 8 oktober 2015. Tot 1 april 2016 is het toegestaan om versie 1.1, vastgesteld op 12 december 2013, toe te passen.

       

22

Ontwerpen, installeren en beheren van het bovengrondse deel van bodemenergiesystemen bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel v.

BRL KBI 6000 Deel 00, Beoordelingsrichtlijn voor het KOMO INSTAL certificaat voor Ontwerpen, Installeren en Beheren van Installaties, Algemeen deel, vastgesteld op 30 april 2013, met wijzigingsblad van 30 september 2013.

en

BRL 6000 Deel 21, Beoordelingsrichtlijn voor het KOMO INSTAL certificaat voor Ontwerpen, Installeren en Beheren van energiecentrales van bodemenergiesystemen, versie van 23 januari 2014 met wijzigingsblad van 1 september 2014. Tot 1 september 2015 is het toegestaan om de versie van 23 januari 2014 toe te passen.

De volgende werkgebieden worden onderscheiden in BRL KBI 21:

1. Ontwerpen van energiecentrales van bodemenergiesystemen van individuele woningen(ontwerpen, klein);

2. Installeren van energiecentrales van bodemenergiesystemen van individuele woningen(installeren, klein);

3. Beheren van energiecentrales van bodemenergiesystemen van individuele woningen (beheren, klein);

4.Ontwerpen van energiecentrales van bodemenergiesystemen van woongebouwen en/of utiliteitsgebouwen (ontwerpen, groot);

5. Installeren van energiecentrales van bodemenergiesystemen van woongebouwen en/of utiliteitsgebouwen (installeren, groot);

6. Beheren van energiecentrales van bodemenergiesystemen van woongebouwen en/of utiliteitsgebouwen (beheren, groot).

ISSO-publicatie 39

Energiecentrale met warmte- en koudeopslag (WKO). Ontwerp, realisatie en beheer, vastgesteld op 17 maart 2014.

ISSO-publicatie 44 Het ontwerp van hydraulische schakelingen voor verwarmen, vastgesteld op 5 november 1998.

ISSO-publicatie 47 Ontwerp hydraulische schakelingen voor koelen, vastgesteld op 17 maart 2005.

ISSO-publicatie 69 Model voor de beschrijving van de werking van een klimaatinstallatie, vastgesteld op 8 november 2002.

ISSO-publicatie 72

Ontwerp van individuele en klein elektrische warmtepomp-systemen voor woningen, vastgesteld op 5 maart 2014.

ISSO-publicatie 76 Montage- en materiaalspecificaties voor warmwater-verwarmingsinstallaties, vastgesteld op 24 mei 2005.

ISSO-publicatie 80 Handboek integraal ontwerpen van collectieve installaties met warmtepompen in woningbouw, vastgesteld op 18 januari 2007.

Noot 1

Onder een werkzaamheid als bedoeld in categorie 9 wordt niet verstaan:

a. het assisteren van een medewerker van een persoon of instelling die voor die werkzaamheid is erkend, bij het verrichten van handelingen ten behoeve van een zodanige werkzaamheid waarvoor die medewerker op de erkenning is vermeld,

b voor zover de assistentie wordt verleend door een medewerker van een persoon of instelling die voor een werkzaamheid als bedoeld in categorie 8 of 12 is erkend, en die medewerker voor het verrichten van handelingen ten behoeve van een zodanige werkzaamheid op de erkenning is vermeld,

c voor zover de assistentie plaatsvindt onder toezicht en verantwoordelijkheid van de medewerker bedoeld onder a, en

d voor zover niet tegelijkertijd ook door een andere persoon assistentie wordt verleend.

Noot 2

Onder een werkzaamheid als bedoeld in categorie 12 wordt niet verstaan:

a. het assisteren van een medewerker van een persoon of instelling die voor die werkzaamheid is erkend, bij het verrichten van handelingen ten behoeve van een zodanige werkzaamheid waarvoor die medewerker op de erkenning is vermeld,

b voor zover de assistentie wordt verleend door een medewerker van een persoon of instelling die voor een werkzaamheid als bedoeld in categorie 8 of 9 is erkend, en die medewerker voor het verrichten van handelingen ten behoeve van een zodanige werkzaamheid op de erkenning is vermeld,

c voor zover de assistentie plaatsvindt onder toezicht en verantwoordelijkheid van de medewerker bedoeld onder a, en

d voor zover niet tegelijkertijd ook door een andere persoon assistentie wordt verleend.

Noot 3

Onder een werkzaamheid als bedoeld in categorie 9 of 12 wordt niet verstaan:

a. het assisteren van een medewerker van een persoon of instelling die voor die werkzaamheid is erkend, bij het verrichten van handelingen ten behoeve van een zodanige werkzaamheid waarvoor die medewerker op de erkenning is vermeld,

b. voor zover de assistentie wordt verleend door een natuurlijke persoon in het kader van een stage ten behoeve van het door die persoon genoten onderwijs in die werkzaamheid,

c. voor zover de assistentie plaatsvindt onder toezicht en verantwoordelijkheid van de medewerker bedoeld onder a, en

d. voor zover niet tegelijkertijd ook door een andere persoon assistentie wordt verleend.

BIJLAGE II BIJ ARTIKEL I, ONDERDEEL G, VAN DE REGELING VAN DE STAATSSECRETARIS VAN INFRASTRUCTUUR EN MILIEU TOT WIJZIGING VAN DE REGELING BODEMKWALITEIT (ACTUALISERING VERWIJZINGEN NORMDOCUMENTEN 2016.1)

Tabel 4 minimum en maximum waarde
 

% organische stof

% lutum

stofgroep

Minimum

Maximum

Minimum

Maximum

Anorganische parameters

2

2

Organische parameters

2

30

PAK's

10

30

TOELICHTING

Algemeen

1. Hoofdlijnen

De Regeling bodemkwaliteit geeft een technische invulling van de regels van het Besluit bodemkwaliteit. Hierin is onder andere geregeld op welke wijze de kwaliteit van bouwstoffen, grond en baggerspecie wordt bepaald en aan de daarvoor geldende normen wordt getoetst.

Voorts geeft de Regeling bodemkwaliteit invulling aan de regels met betrekking tot de kwaliteitsborging in het bodembeheer, in de praktijk Kwalibo genoemd. Bepaalde werkzaamheden mogen alleen worden uitgevoerd door erkende personen of bedrijven. In de Regeling bodemkwaliteit zijn deze werkzaamheden aangewezen. Daarbij wordt voor elke werkzaamheid aangegeven volgens welke normdocumenten de werkzaamheid moet worden verricht. De normdocumenten vormen de grondslag voor het verlenen van certificaten en erkenningen. Zij worden door het bedrijfsleven (zowel uitvoerend als betalend) en de overheid samen opgesteld. Dit systeem beperkt de administratieve lasten voor bedrijven tot een minimum. Het stelsel van beoordelingsrichtlijnen, kwaliteitsverklaringen en certificaten levert onder meer een wettelijk bewijsmiddel.

Normdocumenten zijn niet statisch. Innovaties en veranderende inzichten kunnen aanleiding geven tot aanpassing van deze documenten. Een nadrukkelijke wens van het bedrijfsleven is dat de Regeling bodemkwaliteit hierop aansluit, zodat in de uitvoeringspraktijk kan worden gewerkt volgens de laatste inzichten en technieken. In verband hiermee wordt de Regeling bodemkwaliteit periodiek geactualiseerd. Hierdoor worden de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van de regelgeving verbeterd en wordt bijgedragen aan de verwezenlijking van de doelstellingen van Kwalibo.

Met de onderhavige wijziging van de Regeling bodemkwaliteit (hierna: wijzigingsregeling) vindt een dergelijke periodieke actualisatie plaats. Deze houdt verband met recente wijzigingen van diverse normdocumenten, genoemd in bijlage C. Voor een overzicht van de wijzigingen wordt verwezen naar de toelichting bij artikel I, onderdeel E.

Daarnaast bevat de wijzigingsregeling een verduidelijking van de aanwijzing van normdocumenten in bijlage C. De aanwijzing betreft alleen de onderdelen van het normdocument waarmee wordt beoogd nadelige gevolgen voor het milieu die de werkzaamheid waarop het normdocument betrekking heeft kan veroorzaken, te voorkomen of beperken.

Het besluit omvat tevens diverse aanpassingen met betrekking tot het gebruik van de bodemkwaliteitskaart als milieuhygiënische verklaring voor de bodemkwaliteit bij grondverzet. Onder andere artikel 4.3.5. en bijlage M zijn gewijzigd.

In bijlage C zijn drie noten toegevoegd, die het mogelijk maken dat een geregistreerde medewerker van een erkend bedrijf zich bij het verrichten van bepaalde handelingen laat assisteren door niet voor die handelingen geregistreerde personen.

Tot slot is de overgangstermijn uit artikel 5.1.8. tweede lid voor benzeen, ethylbenzeen, tolueen en xylenen (som) voor polymeerbeton aangepast.

2. Administratieve lasten en nalevingskosten

Deze wijzigingen hebben geen gevolgen voor de administratieve lastendruk voor burgers en bedrijven. De structurele administratieve lasten zijn berekend in het kader van het Besluit bodemkwaliteit waarop de Regeling bodemkwaliteit is gebaseerd. Deze totale structurele administratieve lasten zijn becijferd op circa € 3,7 miljoen per jaar. Er zijn evenmin gevolgen voor de nalevingskosten.

3. Consultatie

Signalen over mogelijke uitvoeringsknelpunten, te actualiseren normdocumenten of fouten in het Besluit bodemkwaliteit of de Regeling bodemkwaliteit komen binnen bij Bodem+, de uitvoeringsorganisatie van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu die is ondergebracht bij Rijkswaterstaat. Bodem+ heeft de implementatie van het Besluit bodemkwaliteit sinds de inwerkingtreding in 2008 ondersteund.

De normdocumenten die in de wijzigingsregeling worden gewijzigd zijn vastgesteld door landelijke organen waarin alle betrokken partijen zijn vertegenwoordigd. Gelet op de nauwe betrokkenheid van decentrale overheden en bedrijfsleven bij de actualisatie van de normdocumenten en daarmee bij de totstandkoming van de wijzigingsregeling kon een aparte (internet)consultatieronde achterwege blijven. Deze procedure is afgesproken met de Raad voor Accreditatie.

4. Notificatie

De ontwerpregeling is op 14 juli 2015 voorgelegd aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen (notificatienummer 2015/0383/NL), teneinde aldus te voldoen aan artikel 8, eerste lid, van Richtlijn 98/34/EG van het Europese Parlement en de Raad van de Europese Unie van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (PbEG L 217). Verschillende onderdelen van artikel I kunnen namelijk technische voorschriften bevatten. De stand still-termijn eindigde op 15 oktober 2015. Er zijn naar aanleiding van deze notificatie geen opmerkingen ontvangen.

Artikelsgewijs

Artikel I

Onderdelen A, B, C, D, G en I

Met deze wijziging wordt verduidelijkt dat bij het opstellen van de bodemkwaliteitskaart – wat doorgaans door een adviesbureau gebeurt – zowel de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten als bijlage M bij de Regeling bodemkwaliteit moeten worden gevolgd. Aanleiding hiervoor is een discussie in de praktijk over het opstellen en moment van toetsen van de bodemkwaliteitskaart. De aanpassing van de artikelen 4.3.5. en 4.8.2. maakt duidelijk op basis van welke regels de kaart wordt opgesteld. Vervolgens stelt het bevoegd gezag de kaart vast bij besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. Dit betekent dat op het moment van vaststellen wordt getoetst of de opgestelde bodemkwaliteitskaart aan de regels voldoet. Hierdoor wordt eventuele discussie op één moment geconcentreerd. Wanneer de bodemkwaliteitskaart is vastgesteld en rechtskracht heeft gekregen, mogen gebruikers van de kaart uitgaan van de juistheid van de vastgestelde bodemkwaliteitskaart en hoeft de bodemkwaliteit niet meer per geval te worden vastgesteld. Dit is in overeenstemming met het doel dat degene die een melding indient van grondverzet de bodemkwaliteitskaart als milieuhygiënische verklaring kan gebruiken en verder geen andere gegevens meer hoeft in te dienen dan historische gegevens1.

De bodemkwaliteitskaart moet uiteraard een betrouwbaar en actueel beeld geven van de te verwachten bodemkwaliteit teneinde als milieuhygiënische verklaring te kunnen dienen. Om te voorkomen dat van verouderde kaarten gebruik wordt gemaakt, is de maximale geldigheidsduur van een bodemkwaliteitskaart in de Regeling bodemkwaliteit vastgelegd. Hierbij is aangesloten bij de in de praktijk gehanteerde termijn van vijf jaar. Voor deze termijn is gekozen omdat voor de actualiteit van bodemonderzoeken van dezelfde termijn wordt uitgegaan. Tegen het eind van de geldigheidsduur van de kaart moet het bevoegd gezag beoordelen of de kaart nog actueel is. Indien dit het geval is, kan de geldigheidsduur worden verlengd. Zo niet, dan dient een geheel nieuwe bodemkwaliteitskaart te worden opgesteld. Bij de beoordeling van de actualiteit van de kaart moeten in ieder geval de stappen 3, 4, 5 en 7 van de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten worden doorlopen. Overigens staat de beperking van de geldigheidsduur van de bodemkwaliteitskaart als milieuhygiënische verklaring bij grondverzet los van de eis in artikel 53 van het Besluit bodemkwaliteit dat het bestuursorgaan ten minste eenmaal in de tien jaar overweegt of het besluit tot het vaststellen van gebiedsspecifiek beleid herziening behoeft. In dat verband dient de bodemkwaliteitskaart ter onderbouwing van de lokale maximale waarden die in het kader gebiedsspecifiek beleid worden vastgesteld.

De gewijzigde artikelen 4.3.5. en 4.8.2. en het nieuwe artikel 4.10.2a maken duidelijk op basis van welke regels de kaart moet worden opgesteld. Het nieuwe artikel is ingevoegd omdat een pendant van artikel 4.3.5., dat betrekking heeft op het gebiedsspecifieke beleid, nog ontbrak voor het generieke beleid.

Door middel van een wijzigingsblad is tevens de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten aangepast. In bijlage D is een verwijzing naar de actuele versie van dit wijzigingsblad bij de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten opgenomen.

Het vastleggen van de maximale geldigheidsduur van de bodemkwaliteitskaart omvat tevens de mogelijkheid de bodemkwaliteitskaart voor een kortere periode vast te stellen. Er zijn verschillende situaties denkbaar waarbij een kortere geldigheidsduur wenselijk is. Dit is bijvoorbeeld het geval bij een specifiek grondverzetsproject, zoals een ophoging of vergraving, die tot gevolg heeft dat de bodemkwaliteitskaart daarna niet meer de actuele kwaliteit beschrijft. Bij landbodem kan er echter in het algemeen van worden uitgegaan dat de bodemkwaliteitskaart gedurende de geldingsduur van vijf jaar betrouwbaar blijft. Daarentegen kan de kwaliteit van de waterbodem aan snellere wijzigingen onderhevig zijn. Daarom moet bij het vaststellen van de bodemkwaliteitskaart nadrukkelijk worden nagegaan of de situatie van de (water)bodem aan het einde van de geldingsduur van vijf jaar nog wel betrouwbaar kan worden weergegeven. Daarbij kan onderscheid worden gemaakt tussen dynamische en statische gebieden. Dynamische gebieden zijn onder meer beken en het zomerbed van de rivieren. Daar is de situatie in het algemeen zo veranderlijk dat niet verzekerd kan worden dat de kwaliteit van de waterbodem gedurende de geldigheid van een bodemkwaliteitskaart gelijk blijft. Statische gebieden zijn gebieden die niet altijd onder water staan, zoals uiterwaarden (zie ook par. 2.3 van de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten). De veranderingen van de bodemkwaliteit in statische gebieden zijn zodanig gering dat de bodemkwaliteitskaart over het algemeen gedurende de geldigheid van vijf jaar de actuele kwaliteit beschrijft.

Om te beoordelen of een gebied dynamisch of statisch is, dient gebruik te worden gemaakt van NEN 5720 (Strategie voor het uitvoeren van verkennend onderzoek – Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van waterbodem en baggerspecie). Voor dynamische gebieden is de bodemkwaliteitskaart in het algemeen niet geschikt om bij grondverzet te dienen als milieuhygiënische verklaring inzake de kwaliteit van de landbodem of waterbodem. In dergelijke gebieden moet bij voorkeur gebruik worden gemaakt van een andere milieuhygiënische verklaring, zoals een onderzoek overeenkomstig NEN 5720. In de regeling wordt bewust geen definitie gegeven over de begrippen statisch en dynamisch. Het is namelijk niet zozeer de vraag of een gebied dynamisch is als wel hoe dynamisch een gebied is. Het bevoegd gezag moet een inschatting maken hoe lang de bodemkwaliteitskaart een actueel beeld van de bodemkwaliteit geeft en betrouwbaar blijft om als milieuhygiënische verklaring te dienen.

Indien gekozen wordt voor een kortere geldigheidsduur van de bodemkwaliteitskaart dan vijf jaar, moet deze expliciet worden vermeld. Hierbij dient bij voorkeur de datum van de geldigheidsduur te worden vermeld. Soms is dit echter niet wenselijk, bijvoorbeeld bij een grondverzetsproject waarvan de duur van het project niet op voorhand vaststaat. In een dergelijk geval kan de geldigheidsduur van de bodemkwaliteitskaart verbonden worden aan de uitvoering van het project, mits de duur wel objectief bepaalbaar is, zoals een oplevermoment of het einde van uitvoeringshandelingen.

In de wijziging van de Regeling bodemkwaliteit van 30 oktober 20122 is de overgangsregeling voor barium, kobalt en molybdeen tot 1 januari 2016 verlengd. In verband met het aflopen van deze overgangsregeling is het noodzakelijk een wijziging van de regeling door te voeren. De wijziging houdt in dat voor deze stoffen onder voorwaarden niet voldaan hoeft te worden aan het minimumcriterium van 20 waarnemingen. Hiervoor bestaat de volgende aanleiding.

Voor barium bestaat op dit moment geen norm. De destijds voor deze stof geldende normen zijn per 4 april 2009 (Stcrt. 2009, 67) ingetrokken omdat de interventiewaarde lager was dan het gehalte dat van nature in de bodem voorkomt. Dit blijft gehandhaafd. De onderzoeksgegevens over barium moeten voortaan wel in de bodemkwaliteitskaarten worden meegenomen, aangezien barium onderdeel uitmaakt van het stoffenpakket, met dien verstande dat geen eisen worden gesteld aan het aantal waarnemingen. Deze gegevens kunnen namelijk een indicatie zijn voor de aanwezigheid van antropogene bronnen die ook andere verontreinigingen met zich mee kunnen brengen. Indien verhoogde bariumgehalten ten opzichte van de natuurlijke achtergrond worden aangetroffen ten gevolge van een antropogene bron, blijft de bestaande regeling in bijlage B, weergegeven in voetnoot 17 bij tabel 2 ‘Normwaarden voor toepassen van grond en baggerspecie in oppervlaktewater en voor de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam waarop grond of baggerspecie wordt toegepast (waarden voor een standaardbodem, in mg/kg ds)’, van kracht.

Voor kobalt en molybdeen is eerder al uit onderzoek gebleken dat deze stoffen vrijwel niet van invloed zijn op de kwaliteitsklasse die voor een zone wordt bepaald. Om deze reden zal naast de bestaande regeling worden toegestaan dat bij meer dan 30 waarnemingen per bodemlaag in het gehele beheergebied op niveau van (een deel van het) beheergebied mag worden onderzocht of deze stoffen invloed kunnen hebben op de bodemkwaliteitsklasse. Als dat niet het geval is mag voor kobalt en molybdeen voor elke bodemkwaliteitszone (in de zin van artikel 1.1 van de Regeling bodemkwaliteit) uitgegaan worden van de statistische gegevens van het beheersgebied. Er hoeft dan niet te worden getoetst aan het minimale aantal waarnemingen per zone (20) en per deelgebied (3).

Als dat niet het geval is en kobalt en molybdeen mogelijk wel bepalend voor de klasse zijn, blijven de normale regels onverkort van kracht.

Om onnodige maatschappelijke kosten te voorkomen is in artikel 5.1.10.a een overgangsregeling opgenomen. Bodemkwaliteitskaarten die op basis van de eerdere regels zijn opgesteld kunnen nog voor de duur van een half jaar worden gebruikt als milieuhygiënische verklaring. Deze regeling geeft het bevoegd gezag gedurende een overgangstermijn de gelegenheid de bodemkwaliteitskaart te actualiseren, terwijl tegelijkertijd de bestaande bodemkwaliteitskaart nog als milieuhygiënische verklaring kan worden gebruikt. Uit een eerdere analyse van het beheergebied is immers al gebleken dat er voor deze stoffen geen kans is op overschrijding van de al op basis van andere stoffen vastgestelde kwaliteit. Er is in die gevallen geen milieuhygiënisch risico. Aanvullend onderzoek op deze stoffen heeft dan ook geen toegevoegde waarde voor de betrouwbaarheid van de bodemkwaliteitskaart.

Met deze wijziging wordt een uitzondering voor de stoffen barium, kobalt en molybdeen overbodig. Omdat de uitzondering voor PCB’s reeds was uitgewerkt vervalt onderdeel 5, onder 3 van bijlage M.

De overige wijzigingen van bijlage M zijn van redactionele aard en beogen meer consistentie te brengen in de aanduiding van en verwijzing naar de bepalingen van deze bijlage.

In bijlage C zijn in de categorieën 9 en 12 drie noten toegevoegd, die aan het eind van de tabel zijn opgenomen. Deze noten maken duidelijk dat een medewerker van een erkend bedrijf, die op de erkenning van het bedrijf is vermeld voor het verrichten van handelingen als bedoeld in categorie 9 of 12 (de zogenaamde geregistreerde medewerker), zich daarbij kan laten bijstaan door bepaalde niet geregistreerde medewerkers. De assistentie kan worden verleend door medewerkers die wel voor andere handelingen zijn geregistreerd (namelijk, in geval van categorie 9, handelingen als bedoeld in categorie 8 of 12 en, in geval van categorie 12, handelingen als bedoeld in categorie 8 of 9) of door stagiairs in het kader van het onderwijs.

De reden hiervan is dat bedrijven bij de uitvoering van het veldwerk en partijkeuringen ernstig wordt belemmerd door de beperkte mogelijkheden die het Besluit bodemkwaliteit, de Regeling bodemkwaliteit en de daaraan gekoppelde certificatieschema’s bieden. Er is sprake van regels die niet (meer) dan wel niet voldoende aansluiten op de praktijk en daarmee de efficiency van de bedrijven belemmeren. Het bedrijfsleven heeft het ministerie gevraagd om deze regels aan te passen zodat het veldwerk en partijkeuring met meer flexibiliteit kan worden uitgevoerd. Na overleg met het bedrijfsleven is besloten om meer flexibiliteit te bieden door de invoering van het zogenaamde ‘meester-gezel principe’. Door de invoering hiervan mogen veldmedewerkers die geregistreerd zijn voor een ander certificatieschema alsmede stagiairs assistentie verlenen bij het verrichten van bepaalde handelingen door een medewerker die voor de desbetreffende handeling is geregistreerd (zie artikel 15, tweede lid, van het Besluit bodemkwaliteit), onder diens toezicht en verantwoordelijkheid. Voorwaarde is dat door niet meer dan één persoon tegelijkertijd assistentie wordt verleend. Onder geregistreerde medewerker wordt niet verstaan een medewerker in opleiding als bedoeld in artikel 15, derde lid, van het Besluit bodemkwaliteit, die namelijk nog niet is geregistreerd.

Het verschil tussen een stagiair en een medewerker in opleiding is dat de stagiair een leerling is die onderwijs volgt en niet in dienst is van het bedrijf, en een medewerker in opleiding het onderwijs heeft voltooid en in dienst van het bedrijf nog een aanvullende specifieke opleiding krijgt.

Dit voorstel zal uitvoerbaarheid voor het veldwerk en partijkeuring voor het uitvoerend bedrijfsleven verbeteren en de gevraagde flexibiliteit brengen. Dit komt de lasten en baten voor het (uitvoerend en betalend) bedrijfsleven ten goede, waarbij tevens voldoende waarborgen worden geboden dat er geen kwaliteitserosie plaatsvindt.

Onderdeel E

Artikel 5.1.8 van de Regeling bodemkwaliteit voorziet in uitgestelde werking (overgangstermijn) voor de maximale samenstellingswaarden voor benzeen, ethylbenzeen, tolueen en xylenen (som) (hierna tezamen aangeduid als: BTEX) voor polymeerbeton. Deze termijn loopt af op 31 december 2015. Op verzoek van het ministerie leveren de producenten een inspanning om de milieuhygiënische kwaliteit van polymeerbeton en de samenstelling van de toegeleverde grondstoffen, waaronder de harsen, te (laten) verbeteren ten aanzien van gehalten aan BTEX. Zij rapporteren jaarlijks over hun voortgang aan het ministerie. Uit de voortgangsrapportages over de periode juli 2011 tot en met juni 2014 blijkt door de branche een aanzienlijke verbetering in de samenstelling van polymeerbeton te zijn gerealiseerd, met name voor benzeen en tolueen. Hierdoor kan polymeerbeton naar verwachting in de nabije toekomst structureel voldoen aan de samenstellingswaarden voor benzeen en tolueen. Voor de stoffen ethylbenzeen en xylenen is dit uitzicht er nog niet en is nader onderzoek noodzakelijk.

Op basis van de voortgangsrapportages is bepaald dat de samenstellingswaarden voor BTEX ook na 31 december 2015 buiten toepassing dienen te blijven.

In overleg met de branche is gekozen voor verlenging van de uitgestelde werking (overgangsperiode) tot 1 januari 2021. Uitgangspunt hierbij is dat producenten van polymeerbeton inspanningen blijven verrichten om de milieuhygiënische kwaliteit van polymeerbeton (en de toegepaste grondstoffen: hars, harder, versneller en/of vertrager) te verbeteren ten aanzien van de gehalten aan BTEX en jaarlijks over de ontwikkelingen aan het ministerie van I&M rapporteren.

Onderdeel F

In de nieuwe bijlage C is allereerst in de aanhef boven de tabel toegevoegd dat de aanwijzing van normdocumenten in kolom 3 van de tabel, en de onderdelen daarvan die worden genoemd in kolom 4, alleen betrekking heeft op de onderdelen van het normdocument waarmee wordt beoogd het milieu te beschermen tegen nadelige gevolgen voor het milieu die de desbetreffende werkzaamheid kan veroorzaken.

Hierover bestond in de praktijk onduidelijkheid, omdat de indruk kon ontstaan dat voor de toepassing van het Besluit bodemkwaliteit het hele normdocument was aangewezen indien de aanwijzing in kolom 4 niet tot bepaalde onderdelen van het normdocument was beperkt. Met de toevoeging wordt, zonder dat hiermee inhoudelijke wijzigingen zijn beoogd, verduidelijkt dat dit laatste niet de bedoeling is. Hiervoor bestaan twee redenen.

In de eerste plaats moet bij de aanwijzing rekening worden gehouden met de wettelijke grondslag. Deze is opgenomen in artikel 11a.2 van de Wet milieubeheer. Hierin is bepaald dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur ter bevordering van de kwaliteit van bij of krachtens de maatregel aangewezen werkzaamheden als bedoeld in het tweede lid, en ter bevordering van de integriteit van degenen die deze werkzaamheden uitvoeren, regels kunnen worden gesteld, die nodig zijn in verband met de bescherming van het milieu. Hieruit volgt dat artikel 11a.2 geen wettelijke grondslag biedt voor het stellen van regels met andere oogmerken, bijvoorbeeld om te waarborgen dat een werkzaamheid bepaalde civieltechnische prestaties levert.

In de tweede plaats laat de Europese Verordening bouwproducten3 (de zogenaamde CPR) met betrekking tot bouwproducten in de zin van de verordening geen ruimte meer voor nationale regels, keuringen en keurmerken4, indien op grond van de verordening voor een bouwproduct geharmoniseerde normen zijn vastgesteld, waarin is aangegeven op welke wijze de prestaties van bouwproducten met betrekking tot hun essentiële worden bepaald. Onder ‘essentiële kenmerken’ verstaat de CPR de kenmerken van het bouwproduct die verband houden met de fundamentele eisen voor bouwwerken waarin het bouwproduct wordt toegepast. De geharmoniseerde normen worden vastgesteld op grond van artikel 17, eerste lid, CPR. In artikel 17, derde lid, CPR is bepaald dat geharmoniseerde normen voorzien in de methoden en criteria om de prestaties van bouwproducten met betrekking tot hun essentiële kenmerken te beoordelen.

Er zijn in het kader van de verordening nog geen regels gesteld over de essentiële kenmerken van bouwproducten met het oog op de bescherming van het milieu (met name het voorkomen van nadelige gevolgen van de toepassing van bouwproducten in het kader van werkzaamheden die in de Regeling bodemkwaliteit zijn aangewezen). In zoverre is de verordening nog niet operationeel, ook al vallen de milieugevolgen die bouwproducten kunnen veroorzaken, formeel wel binnen de reikwijdte van de verordening. Geharmoniseerde normen zijn al wel gesteld met betrekking tot de essentiële kenmerken van bouwproducten in verband met andere fundamentele eisen voor bouwwerken die geen verband houden met de bescherming van het milieu, waaraan bouwwerken moeten voldoen, zoals aangegeven in bijlage I bij de CPR. In zoverre mogen op nationaal niveau geen aanvullende regels meer worden gesteld. Ook om deze reden is het nodig aan te geven dat de aanwijzing van nationale normdocumenten alleen betrekking heeft op de onderdelen die betrekking hebben op de bescherming van het milieu.

Samenvattend kan worden opgemerkt dat de Wet milieubeheer en de CPR alleen ruimte bieden om onderdelen van nationale normdocumenten aan te wijzen waarmee wordt beoogd het milieu te beschermen tegen nadelige gevolgen van de werkzaamheden waarop het desbetreffende normdocument betrekking heeft.

Daarnaast zijn in de nieuwe bijlage C diverse normdocumenten geactualiseerd. Zoals in het hiernavolgende zal worden toegelicht, is er één nieuwe BRL opgenomen, heeft één bestaande BRL er een nieuw protocol bij gekregen en vermeldt de gewijzigde tekst van bijlage C een aantal nieuwe versies van bestaande normdocumenten. Ook is van een aantal normdocumenten de reikwijdte verbreed, waardoor andere normdocumenten kunnen komen te vervallen. En er zijn twee normdocumenten gesplitst in een privaat- en een publiek deel, waarvoor geldt dat alleen het publieke deel nog in bijlage C blijft staan. Voor een flink aantal normdocumenten geldt een overgangstermijn vanaf het tijdstip van inwerkingtreding, 1 januari 2016, tot 1 maart 2016. Dit is eveneens in bijlage C bij het desbetreffende normdocument aangegeven. Ook zijn er een aantal wijzigingsbladen toegevoegd aan bestaande normdocumenten.

De in het voorgaande aangegeven wijzigingen worden hieronder kort toegelicht.

Ten eerste het nieuwe normdocument. Dit betreft de BRL 9339 over de milieuhygiënische kwaliteit van duurzaam waterglasgebonden grond voor in situ toepassing in bouwkundige en civieltechnische werken. Deze beoordelingsrichtlijn is van toepassing op waterglasgebonden grond, dat wil zeggen een mengsel van waterglas, harder, water en grond. Voor de waterglasgebonden grond is aangetoond dat deze in geval van een bodem met functieklasse wonen moet voldoen aan het Besluit bodemkwaliteit. Waterglasgebonden grond is bedoeld voor toepassingen in bouwkundige en civieltechnische werken. In zijn samenstelling dient het vormgegeven product te voldoen aan de eisen van het Besluit bodemkwaliteit.

Ten tweede het gewijzigde normdocument met een nieuw protocol. Het normdocument AS SIKB 6700 is uitgebreid met Protocol 6711 (Visuele inspectie vloeistofdichtheid minerale lagen). De andere bijbehorende protocollen kennen een nieuwe versie. De reden voor aanpassing van de verwijzing naar het normdocument en bijbehorende protocollen komt voort uit de implementatie van wet- en regelgeving en het inspelen op nieuwe technische inzichten.

Ten derde zijn er een aantal nieuwe versies van bestaande normdocumenten opgenomen. Van de normdocumenten BRL 1007, BRL 1010, BRL 1905, BRL 1905, BRL 5070, BRL 5071, BRL 5076, BRL 9313 en BRL 9326 staan aangepaste versies in bijlage C. De aanleiding daarvoor is de implementatie van wet- en regelgeving. De wijzigingen in de normdocumenten zijn tekstueel van aard zonder significant effect op de kosten.

Ten vierde is de reikwijdte van een aantal BRL’s verbreed. Van de BRL 52230 over Keramische producten is een nieuwe versie met verbrede reikwijdte opgenomen. De BRL vervangt per 1 januari 2016 de eerdere versie over keramische buizen voor riolering en vervangt tevens de normdocumenten BRL 1007, BRL 1010, BRL 1510, BRL 2360 per 1 maart 2016. Andere normdocumenten waarbij met het oog op de implementatie van wet- en regelgeving de reikwijdte is verbreed zijn BRL 9317 over poreus gesteente van vulkanische oorsprong, en BRL 9324 over groevesteen in ongebonden toepassing.

Ook zijn er twee normdocumenten (BRL 2307 en 9302) gesplitst in een privaat deel en een publiek deel, waarvan alleen het publieke deel in bijlage C is opgenomen. Het gaat om BRL 2307, nu BRL 2307-2, en BRL 9302, nu BRL 9302-2.

Tot slot zijn er nieuwe wijzigingsbladen toegevoegd bij de volgende normdocumenten en protocollen: BRL SIKB 6000 en protocollen 6001, 6002 en 6003; BRL SIKB 2100 met protocol 2101; BRL SIKB 11000 met protocol 11001. Daarnaast zijn er wijzigingsbladen worden toegevoegd om verschrijvingen te herstellen.

Onderdeel H

In tabel 4 van bijlage G III ontbreekt abusievelijk een kolom met titels. Met deze wijziging is de tabel gecorrigeerd.

ARTIKEL II

De wijzigingsregeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2016. Bij de vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding is uitgegaan van de vaste verandermomenten (Aanwijzing voor de regelgeving 174, tweede lid). Er is echter niet een minimuminvoeringstermijn van 2 maanden gehanteerd (Aanwijzing voor de regelgeving 174, derde lid). Deze uitzondering op de minimuminvoeringstermijn is gemaakt omdat uitstel van de inwerkingtreding tot na 1 januari 2016, gelet op de doelgroep, aanmerkelijke ongewenste private of publieke voor of nadelen voorkomt (onderdeel a). Dit is nodig omdat de gewijzigde normdocumenten in het privaatrechtelijke toezicht al worden toegepast door de certificatie-instellingen. De regeling sluit hierdoor niet meer volledig aan op de uitvoeringspraktijk. Met de inwerkingtreding van deze wijzigingsregeling is die aansluiting geborgd. Deze afwijking berust op de eerste afwijkingsgrond die betrekking heeft op voor- of nadelen van vertragingen of vervroegingen van invoering.

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, S.A.M. Dijksma


X Noot
1

Zie hiervoor de toelichting bij de wijziging van de Regeling bodemkwaliteit in Stcrt. 2007, 247, paragraaf 4.3, Algemene voorwaarden gebruik BKK als milieuhygiënische verklaring.

X Noot
3

Verordening (EU) Nr. 305/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2011 tot vaststelling van geharmoniseerde voorwaarden voor het verhandelen van bouwproducten en tot intrekking van Richtlijn 89/106/EEG van de Raad (PbEU 2011, L 88).

X Noot
4

Hieronder vallen blijkens het arrest van het Hof van Justitie van de EU van 12 juli 2012 in zaak C-171/1 ook privaatrechtelijke normdocumenten waarnaar in nationale regelgeving wordt verwezen.