Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Binnenlandse Zaken en KoninkrijksrelatiesStaatscourant 2015, 22304Besluiten van algemene strekking

Regeling van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 23 juli 2015, nr. 2015-00000415760, houdende wijziging van de Stimuleringsregeling energieprestatie huursector en de Regeling fonds energiebesparing huursector (extra waarborgen subsidieaanvraag)

De Minister voor Wonen en Rijksdienst,

Gelet op artikel 4, eerste lid, onderdelen d en e, van de Kaderwet overige BZK-subsidies en artikel 11, derde lid, van het Kaderbesluit BZK-subsidies;

Besluit:

ARTIKEL I

De Stimuleringsregeling energieprestatie huursector wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel g vervalt ‘, zoals vastgesteld op 31 augustus 2011, inclusief het wijzigingsblad, zoals vastgesteld op 5 juni 2014, en eventueel latere wijzigingen’.

2. De punt achter onderdeel j wordt vervangen door een puntkomma en er worden vijf onderdelen toegevoegd, luidende:

k. BRL 9500:

Beoordelingsrichtlijn 9500, zoals vastgesteld op 31 augustus 2011, inclusief het wijzigingsblad, zoals vastgesteld op 5 juni 2014, en eventueel latere wijzigingen;

l. EPA-opnemer:

een persoon die voldoet aan de eisen aan de vakbekwaamheid van de ‘EPA-opnemer’ conform bijlage 3 van BRL 9500, deel 01;

m. EPA-adviseur:

een persoon die voldoet aan de eisen aan de vakbekwaamheid van de ‘EPA-adviseur’ conform bijlage 2 van BRL 9500, deel 01;

n. representativiteit:

representativiteit conform BRL 9500, deel 01;

o. opnamedatum:

de datum waarop een woning ter bepaling van de energie-index door een EPA-opnemer of een EPA-adviseur is bezichtigd en opgenomen.

B

Artikel 5 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid wordt de punt achter onderdeel j vervangen door een puntkomma en worden vier onderdelen toegevoegd, luidende:

  • k. indien de aanvrager een natuurlijke persoon is, een verklaring dat de energie-index van elke woning ten behoeve waarvan subsidie wordt aangevraagd, is vastgesteld volgens de voorschriften, bedoeld in BRL 9500, deel 01, die betrekking hebben op de bezichtiging en opname van woningen;

  • l. indien de aanvrager een rechtspersoon is, een schriftelijke bevestiging van de directeur of het bestuur van die rechtspersoon dat de energie-index van elke woning ten behoeve waarvan subsidie wordt aangevraagd, is vastgesteld volgens de voorschriften, bedoeld in BRL 9500, deel 01, die betrekking hebben op de bezichtiging en opname van woningen;

  • m. een verklaring dat de aanvrager voor elke woning ten behoeve waarvan subsidie wordt aangevraagd, beschikt over een door een EPA-opnemer of EPA-adviseur ingevuld en ondertekend opnameformulier, waaruit blijkt dat de opnamedatum overeenkomt met de in de aanvraag vermelde opnamedatum, dan wel over andere bewijsstukken waaruit zulks blijkt;

  • n. een overzicht van de voorgenomen energiebesparende voorzieningen aan de woningen waarvoor subsidie wordt aangevraagd.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 6. Voor zover ter bepaling van de energie-index van een of meer woningen gebruik is gemaakt van representativiteit, ligt de opnamedatum van de referentiewoning niet meer dan zes maanden voor de datum van de aanvraag tot subsidieverlening en bevat de aanvraag:

    • a. in afwijking van het tweede lid, onderdeel b, de bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland geregistreerde energie-index, die is gebaseerd op de energie-index van de referentiewoning, alsmede de opnamedatum van de referentiewoning; en

    • b. in afwijking van het tweede lid, onderdeel m, een verklaring dat de aanvrager voor elke referentiewoning beschikt over een door een EPA-opnemer of EPA-adviseur ingevuld en ondertekend opnameformulier, waaruit blijkt dat de opnamedatum overeenkomt met de in de aanvraag vermelde opnamedatum, dan wel over andere bewijsstukken waaruit zulks blijkt; en

    • c. een verklaring dat de EPA-opnemer of EPA-adviseur heeft onderbouwd waarom gebruik is gemaakt van representativiteit.

C

Artikel 7, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel a vervalt na de puntkomma het woord ‘en’.

2. De punt aan het slot van onderdeel b wordt vervangen door een puntkomma.

3. Er worden drie onderdelen toegevoegd, luidende:

  • c. voor zover ter bepaling van de nieuwe energie-index geen gebruik is gemaakt van representativiteit, desverlangd voor iedere woning het door een EPA-opnemer of EPA-adviseur ondertekende opnameformulier dan wel andere bewijsstukken omtrent de bezichtiging en opname van de woning aan de minister over te leggen;

  • d. voor zover ter bepaling van de nieuwe energie-index gebruik is gemaakt van representativiteit, desverlangd voor iedere referentiewoning een afschrift van het door een EPA-opnemer of EPA-adviseur ondertekende opnameformulier of andere bewijsstukken omtrent de bezichtiging en opname van de referentiewoning alsmede de onderbouwing van de EPA-opnemer of EPA-adviseur om gebruik te maken van representativiteit aan de minister over te leggen; en

  • e. desverlangd aan de minister een overzicht over te leggen van de energiebesparende voorzieningen aan de woningen waarvoor subsidie is verleend, die binnen 24 maanden na de datum van de beschikking tot verlening van de subsidie zijn getroffen.

ARTIKEL II

De Regeling fonds energiebesparing huursector wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel h vervalt ‘, zoals vastgesteld op 31 augustus 2011, inclusief het wijzigingsblad, zoals vastgesteld op 5 juni 2014, en eventueel latere wijzigingen’.

2. De punt achter onderdeel k wordt vervangen door een puntkomma en er worden vijf onderdelen toegevoegd, luidende:

l. BRL 9500:

Beoordelingsrichtlijn 9500, zoals vastgesteld op 31 augustus 2011, inclusief latere wijzigingen;

m. EPA-opnemer:

een persoon die voldoet aan de eisen aan de vakbekwaamheid van de ‘EPA-opnemer’ conform bijlage 3 van BRL 9500, deel 01;

n. EPA-adviseur:

een persoon die voldoet aan de eisen aan de vakbekwaamheid van de ‘EPA-adviseur’ conform bijlage 2 van BRL 9500, deel 01;

o. representativiteit:

representativiteit conform BRL 9500, deel 01;

p. opnamedatum:

de datum waarop een woning ter bepaling van de energie-index door een EPA-opnemer of een EPA-adviseur is bezichtigd en opgenomen.

B

Artikel 7 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het vierde lid vervalt aan het slot van onderdeel n het woord ‘en’.

2. In het vierde lid wordt de punt achter onderdeel o vervangen door: ; en.

3. Aan het vierde lid worden drie onderdelen toegevoegd, luidende:

  • p. een schriftelijke bevestiging van de directeur of het bestuur van de rechtspersoon die de subsidie aanvraagt dat de energie-index van elke woning die deel uitmaakt van het project ten behoeve waarvan subsidie wordt aangevraagd, is vastgesteld volgens de voorschriften, bedoeld in BRL 9500, deel 01, die betrekking hebben op de bezichtiging en opname van woningen;

  • q. voor elke woning die deel uitmaakt van het project ten behoeve waarvan subsidie wordt aangevraagd, een verklaring dat de aanvrager beschikt over een door een EPA-opnemer of EPA-adviseur ingevuld en ondertekend opnameformulier, waaruit blijkt dat de opnamedatum overeenkomt met de in de aanvraag vermelde opnamedatum, dan wel over andere bewijsstukken waaruit zulks blijkt; en

  • r. een overzicht van de voorgenomen energiebesparende voorzieningen aan de woningen die onderdeel uitmaken van het project waarvoor subsidie wordt aangevraagd.

4. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 9. Voor zover ten aanzien van woningen die deel uitmaken van een project ten behoeve waarvan subsidie wordt aangevraagd door de EPA-opnemer of EPA-adviseur gebruik is gemaakt van representativiteit, ligt de opnamedatum van de referentiewoning niet meer dan zes maanden voor de datum van de aanvraag tot subsidieverlening en bevat de aanvraag in afwijking van het vierde lid, onderdeel q:

    • a. een verklaring dat de aanvrager voor elke referentiewoning beschikt over een door een EPA-opnemer of EPA-adviseur ingevuld en ondertekend opnameformulier, waaruit blijkt dat de opnamedatum overeenkomt met de in de aanvraag vermelde opnamedatum, dan wel over andere bewijsstukken waaruit zulks blijkt; en

    • b. een verklaring dat de EPA-opnemer of EPA-adviseur heeft onderbouwd waarom gebruik is gemaakt is van representativiteit.

C

Aan artikel 14 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 3. De aanvraag tot vaststelling van de subsidie bevat in ieder geval:

    • a. een schriftelijke bevestiging van het bestuur van de rechtspersoon waaraan de subsidie is verleend, dat voor elke woning die deel uitmaakt van het project waarvoor subsidie is verleend en waarvoor een nieuwe energie-index als bedoeld in artikel 11, derde lid, of artikel 11a, derde lid, is geregistreerd, die energie-index is vastgesteld volgens de voorschriften, bedoeld in BRL 9500, deel 01, die betrekking hebben op de bezichtiging en opname van woningen;

    • b. voor zover ter bepaling van de nieuwe energie-index geen gebruik is gemaakt van representativiteit, een verklaring dat de aanvrager voor elke woning die deel uitmaakt van het project ten behoeve waarvan subsidie is verleend, beschikt over een door een EPA-opnemer of EPA-adviseur ingevuld en ondertekend opnameformulier dan wel over andere bewijsstukken omtrent de bezichtiging en opname van de woning;

    • c. voor zover ter bepaling van de nieuwe energie-index gebruik is gemaakt van representativiteit, een verklaring dat de aanvrager voor elke referentiewoning beschikt over het door een EPA-opnemer of EPA-adviseur ondertekende opnameformulier of andere bewijsstukken omtrent de bezichtiging en opname van de referentiewoning en dat de EPA-opnemer of EPA-adviseur heeft onderbouwd waarom gebruik is gemaakt van representativiteit; en

    • d. een overzicht van de energiebesparende voorzieningen die binnen 24 maanden na de datum van de beschikking tot verlening van de subsidie zijn getroffen aan de woningen die deel uitmaken van het project waarvoor subsidie is verleend.

ARTIKEL III OVERGANGSRECHT STEP

  • 1. In dit artikel wordt verstaan onder STEP: de Stimuleringsregeling energieprestatie huursector.

  • 2. Op een aanvraag tot subsidieverlening op grond van de STEP die is ingediend voor 1 september 2015 zijn de bepalingen van de STEP van toepassing, zoals die tot die datum luidden.

  • 3. In afwijking van artikel 5, vierde lid, van de STEP kan voor een woning nog eenmaal subsidie op grond van de STEP worden aangevraagd indien de eerste aanvraag voor die woning voor 1 september 2015 is ingediend en:

    • a. die aanvraag uiterlijk op 2 november 2015 schriftelijk is ingetrokken;

    • b. de minister met betrekking tot die woning afwijzend op die aanvraag heeft beslist; of

    • c. voor die woning subsidie is verleend, maar de subsidieontvanger uiterlijk op 2 november 2015 schriftelijk aan de minister heeft verzocht om de beschikking tot subsidieverlening in te trekken.

  • 4. Bij toepassing van het derde lid bevat de aanvraag tot subsidieverlening in plaats van de verklaring, bedoeld in artikel 5, tweede lid, onder e, van de STEP, een verklaring waaruit blijkt dat:

    • a. voor zover ten behoeve van woningen voor de tweede maal op grond van de STEP subsidie wordt aangevraagd, dit uitsluitend gevallen betreft als bedoeld in het derde lid, en

    • b. voor geen van de overige woningen ten behoeve waarvan subsidie wordt aangevraagd reeds subsidie is aangevraagd op grond van de STEP.

ARTIKEL IV OVERGANGSRECHT FEH

  • 1. In dit artikel wordt verstaan onder:

    a. FEH:

    de Regeling fonds energiebesparing huursector;

    b. project:

    een project als bedoel in artikel 1, onder e, van de FEH.

  • 2. Op een aanvraag tot subsidieverlening op grond van de FEH die is ingediend voor 1 september 2015 zijn de bepalingen van de FEH van toepassing, zoals die tot die datum luidden.

  • 3. In afwijking van artikel 7, derde lid, van de FEH kan een woning die deel uitmaakt van een project waarvoor eerder op grond van de FEH subsidie is aangevraagd tevens deel uitmaken van een ander project waarvoor subsidie op grond van de FEH wordt aangevraagd, indien de subsidieaanvraag met betrekking tot dat andere project voor 1 september 2015 is ingediend en:

    • a. de eerdere subsidieaanvraag uiterlijk op 2 november 2015 schriftelijk is ingetrokken;

    • b. de minister op de eerdere subsidieaanvraag afwijzend heeft beslist;

    • c. de minister op de eerdere subsidieaanvraag gedeeltelijk afwijzend heeft beslist en de desbetreffende woning geen deel uitmaakt van het project waarvoor wel subsidie is verleend; of

    • d. voor dat andere project subsidie is verleend, maar de subsidieontvanger uiterlijk op 2 november 2015 schriftelijk heeft verzocht om de beschikking tot subsidieverlening in te trekken en de leningsovereenkomst, bedoeld in artikel 9 of 10 van de FEH, te ontbinden.

  • 4. Bij toepassing van het derde lid bevat de aanvraag, bedoeld in het vierde lid van de FEH, in plaats van de verklaring, bedoeld in artikel 7, vierde lid, onder j, van de FEH, een verklaring dat:

    • a. voor zover het project woningen omvat die tevens deel uitmaken van een ander project waarvoor reeds subsidie op grond van de FEH is aangevraagd, dit uitsluitend gevallen betreft als bedoeld in het derde lid, en

    • b. voor geen van de overige woningen die deel uitmaken van het project reeds deel uitmaken van een ander project waarvoor subsidie is aangevraagd op grond van de FEH.

ARTIKEL V

De uitvoering van de Stimuleringsregeling energieprestatie huursector en de Regeling fonds energiebesparing huursector wordt binnen zes maanden na de inwerkingtreding van deze regeling geëvalueerd.

ARTIKEL VI

Deze regeling treedt inwerking met ingang van 1 september 2015.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister voor Wonen en Rijksdienst, S.A. Blok

TOELICHTING

Algemeen

De Stimuleringsregeling energieprestatie huursector (STEP) is op 1 juli 2014 in werking getreden en is bedoeld als financiële ondersteuning van woningcorporaties en particuliere verhuurders die de komende jaren investeren in energiebesparing van woningen in de gereguleerde huursector. Op basis van die regeling kan subsidie worden verstrekt in de vorm van een eenmalige bijdrage per woning. Het subsidieplafond is vastgesteld op € 395.000.000.

Woningen met een huurprijs onder de liberalisatiegrens (van € 710 per maand) komen in aanmerking voor een STEP-subsidie. Daarvoor moeten energiebesparende maatregelen worden gerealiseerd die een substantiële verbetering van de energie-index opleveren. Daarbij geldt: hoe groter het verschil tussen de energieprestatie voor en na de renovatie van de woning, hoe meer subsidie. Tot 1 januari 2015 werd de vereiste verbetering van de energieprestatie uitgedrukt in labelstappen. Voor woningen van woningcorporaties gold dat ten minste drie labelstappen en energielabel B gehaald moesten worden, voor woningen van andere verhuurders was dat een minimum van drie labelstappen en energielabel C. In verband met de wijziging van de labelsystematiek per 1 januari 2015 is bij regeling van de minister voor Wonen en Rijksdienst van 12 december 2014 (Stct. 2014, 36878) een vertaalslag gemaakt naar energie-indexen.

Bij de subsidieaanvraag moet een energie-index (tot 1 januari 2015 een energielabel) afgemeld zijn met een opnamedatum die niet ouder is dan een half jaar. Hiermee wordt voorkomen dat energiebesparende maatregelen uit het verleden meetellen voor de subsidie. De verbetering wordt aangetoond met een afgemelde energie-index na renovatie.

Bij brief van 18 september 2014 (Kamerstukken II 2014/15, 17 050, nr. 487) is de Tweede Kamer op de hoogte gesteld van vermoedens van onregelmatigheden bij de uitvoering van de STEP. Uit signalen van een klokkenluider bleek dat er sprake zou zijn van onregelmatigheden bij een aantal subsidieaanvragen. Het betrof de aanvragen van vier corporaties waarbij afwijkingen zouden bestaan tussen de werkelijke energieprestatie van de woningen en de bij de aanvraag vermelde situatie. Op basis hiervan heeft de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl) als uitvoerder van de regeling direct een onderzoek gestart. Uit het onderzoek bleek dat van een aantal woningen de bij de aanvraag opgenomen gegevens niet juist zijn en geen weergave zijn van de huidige energetische staat. Conform het fraudeprotocol van RVO.nl is aangifte gedaan bij het Openbaar Ministerie.

Vervolgens is door een extern bureau een steekproef uitgevoerd onder een bredere groep aanvragers. Daaruit bleek in meer dan de helft van de gevallen een materiële afwijking tussen de werkelijke situatie van de woning en de opgegeven situatie bij de subsidieaanvraag. Uit dit onderzoek komt het beeld naar voren dat er, in strijd met de Beoordelingsrichtlijn 9500-01 (die de eisen voor het opstellen van de energie-index bevat), op aanzienlijke schaal geen inspectie van de woning heeft plaatsgevonden en dat de energie-index is bepaald op basis van historische gegevens, die niet in overeenstemming zijn met de actuele werkelijke situatie.

Ook met de Regeling fonds energiebesparing huursector (FEH) wordt een extra impuls gegeven aan de investeringen in energiebesparing in de huursector. Voor deze regeling is 75 miljoen euro beschikbaar gesteld voor een revolverend fonds. Dit fonds is vorm gegeven als een subsidieregeling, op grond waarvan subsidie wordt verstrekt in de vorm van laagrentende leningen aan verhuurders voor het uitvoeren van renovaties met een zeer hoge energiebesparingsambitie. Bij de FEH wordt, net als bij de STEP, gebruik gemaakt van de systematiek met start- en eind-energie-indexen (voorheen -energielabels). Uit controle door RVO.nl is inmiddels gebleken dat er ook bij subsidieaanvragen op grond van deze regeling sprake is van energielabels onderscheidenlijk energie-indexen die niet overeenkomen met de werkelijke energieprestatie van de betrokken woningen.

Het is van belang dat de controle op het private systeem van gecertificeerde bepaling van de energie-index door de sector zelf wordt verbeterd. Hierover vindt overleg plaats met de KVINL, de certificerende instelling, en met de Federatie van Energieconsultants. Daarnaast moet het hierna beschreven pakket maatregelen met betrekking tot zowel de STEP als de FEH de kans op onregelmatigheden sterk verminderen.

Per brief van 18 juni 2015 (Kamerstukken II, 2014/15, 17 050, nr. 506) is de Tweede Kamer geïnformeerd over de aanpak hiervan.

Ten eerste worden op grond van de onderhavige regeling extra eisen aan de subsidieaanvraag gesteld. Voortaan moeten er enkele verklaringen worden gegeven omtrent de naleving van de voorschriften van de BRL 9500, deel 1. Doel hiervan is dat slordigheden worden voorkomen en de energetische staat van de woningen ten behoeve van de subsidie zorgvuldig wordt bepaald. Het ontbreken van de vereiste verklaringen leidt tot afwijzing van de aanvraag. Indien bij controle blijkt dat de verklaringen in strijd met de waarheid zijn gedaan, treedt het fraudeprotocol in werking.

Ten tweede moet de verhuurder bij de aanvraag aangeven welke energiebesparende maatregelen zijn voorgenomen. Uit deze informatie kunnen signalen worden gehaald of de vereiste verbetering van de energie-index reëel is. Aan het eind van de renovatie moet de verhuurder een overzicht van de uitgevoerde maatregelen aan RVO.nl over (kunnen) leggen. Ook dit is in de onderhavige regeling geregeld. Een dergelijk overzicht biedt RVO.nl een handvat om te kunnen beoordelen of de vereiste verbetering van de energieprestatie waarschijnlijk is en de juistheid van de start-EI aannemelijk is.

Essentieel onderdeel van het pakket maatregelen is voorts dat verhuurders hun tot nu toe ingediende aanvragen zo veel mogelijk intrekken (of, in gevallen waarin al subsidie is verleend, afzien van die subsidie) en opnieuw subsidie aanvragen, maar nu met de hiervoor genoemde waarborgen dat de geleverde informatie juist is. Omdat het op grond van de STEP en de FEH niet mogelijk is om meer dan één keer subsidie aan te vragen, bevat de onderhavige regeling in de artikelen III en IV overgangsrecht, op grond waarvan het voor de desbetreffende verhuurders wel mogelijk is om een tweede maal subsidieaanvragen in te dienen.

Verhuurders die hun aanvraag niet intrekken onderscheidenlijk aanspraak willen blijven maken op reeds verleende subsidie, worden geconfronteerd met volledige controle door RVO.nl en lopen het risico van een negatieve beschikking, indien wordt vastgesteld dat verkeerde informatie is aangeleverd; als wordt vastgesteld dat er mogelijk sprake is van het opzettelijk aanleveren van verkeerde informatie zal bovendien aangifte worden gedaan bij het Openbaar Ministerie. Indien er naar aanleiding van geconstateerde afwijkingen reeds aangifte is gedaan, kunnen de betrokken aanvragers of subsidieontvangers hun aanvraag of subsidie wel (laten) intrekken, maar zij kunnen daarmee eventuele vervolging door het Openbaar Ministerie niet voorkomen. Het Openbaar Ministerie maakt immers een zelfstandige afweging met betrekking tot het al dan niet vervolgen.

Indien een aanvrager strafrechtelijk veroordeeld is in het kader van een eerdere subsidieaanvraag, kan een nieuwe aanvraag preventief worden geweigerd op grond van artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht.

Een half jaar na de inwerkingtreding van de onderhavige regeling zal een evaluatie worden uitgevoerd, die moet uitwijzen in hoeverre de uitvoeringspraktijk van beide regelingen als gevolg van de thans genomen maatregelen is verbeterd. De evaluatie is uitdrukkelijk in artikel V van de onderhavige regeling opgenomen.

Overleg huurders en verhuurders

Voor de hiervoor beschreven aanpak hebben Aedes en Vastgoed Belang hun volledige steun toegezegd. De onderhavige wijzigingsregeling is met hen afgestemd.

Administratieve lasten en uitvoeringskosten

De administratieve lasten als gevolg van de onderhavige bijstelling zijn voor de verhuurders berekend op 5.750.000 euro voor de resterende looptijd van de regelingen. Dit is 1,46% van het totale budget van de STEP. Extra lasten (ca. € 700.000) zijn vrijwel alleen toe te rekenen aan de wijziging van de STEP. De extra lasten voor de FEH zijn verwaarloosbaar, omdat verhuurders in de praktijk een subsidieaanvraag altijd combineren met een subsidieaanvraag op grond van de STEP.

Extra administratieve lasten zijn er, zij het in beperkte mate, ten eerste voor de subsidieaanvragen die vanaf 1 september 2015 worden ingediend en houden verband met de extra eisen aan de subsidieaanvraag. De meeste extra administratieve lasten zijn echter gemoeid met de reeds ingediende subsidieaanvragen. In de situaties waarin de verhuurder de aanvraag intrekt en een nieuwe aanvraag indient, moet er immers een nieuwe energie-index worden bepaald. In de gevallen waarin de verhuurder de aanvraag niet intrekt, wordt hij geconfronteerd met een intensieve controle, waarbij door RVO.nl de nodige bewijsstukken zullen worden opgevraagd.

De uitvoeringskosten voor de STEP moeten worden betaald uit het voor deze regeling beschikbaar gestelde bedrag van 400 miljoen euro en waren bij openstelling van de regeling berekend op 5 miljoen euro. In welke mate de uitvoeringskosten als gevolg van de onderhavige wijziging zullen stijgen, is mede afhankelijk van het aantal aanvragen dat wordt ingetrokken, van het aantal en de kwaliteit van nieuwe aanvragen en van de uitkomsten van de evaluatie die gaat plaatsvinden. Op dit moment is daarom nog niet duidelijk of de uitvoeringskosten binnen het bedrag van 5 miljoen zullen blijven. De uitvoeringkosten van de FEH moeten betaald worden uit de rente-inkomsten, maar circa 2 miljoen euro wordt in eerste instantie voorgeschoten uit het totale budget van 75 miljoen euro. Hier geldt dat de onderhavige wijziging niet tot substantieel hogere uitvoeringkosten zal leiden, met name door het geringe aantal aanvragen tot nu toe. Bij de evaluatie die een half jaar na de inwerkingtreding van deze regeling zal worden uitgevoerd, zullen de uitvoeringskosten uiteraard nader worden berekend.

Artikelsgewijs

Artikel I (Wijziging van de Stimuleringsregeling energieprestatie huursector (STEP))

Onderdeel A (wijziging van artikel 1 van de STEP)

Om de leesbaarheid van de nieuwe bepalingen te vergroten, is in de begripsbepalingen uitgeschreven dat ‘BRL 9500’ de Beoordelingsrichtlijn 9500 betreft, zoals vastgesteld op 31 augustus 2011, inclusief het wijzigingsblad, zoals vastgesteld op 5 juni 2014, en eventueel latere wijzigingen.

De begrippen ‘EPA-opnemer’ en ‘EPA-adviseur’ zijn aan de begripsomschrijvingen toegevoegd in verband met de nieuwe eisen die aan de subsidieaanvraag worden gesteld met betrekking tot de beschikbaarheid van het opnameformulier of andere bewijsstukken omtrent de fysieke inspectie (bezichtiging) van de woning. Volgens de BRL 9500, deel 01, wordt de woningopname verricht door een EPA-adviseur of een EPA-opnemer. Voor beiden (zowel de EPA-adviseur als de EPA-opnemer) zijn in de BRL 9500 vakbekwaamheidseisen opgenomen. Zowel een EPA-opnemer als een EPA-adviseur kunnen een woningopname doen, maar alleen een EPA-adviseur kan de gegevens invoeren in de database op grond waarvan de energie-index wordt afgemeld. Volledigheidshalve wordt er hier nog op gewezen dat de energie-indexen (om in aanmerking te komen voor subsidie) bij RVO.nl moeten zijn afgemeld (geregistreerd).

Voor een toelichting op ‘representativiteit’ wordt verwezen naar de toelichting op artikel I, onderdeel B, tweede lid.

Voor een subsidieaanvraag moet voor iedere woning een recente energie-index zijn vastgesteld en geregistreerd; de opname mag niet langer dan zes maanden voor de subsidieaanvraag hebben plaatsgevonden (artikel 5, vierde lid, onderdeel b). Om buiten twijfel te stellen dat dit inhoudt dat de woning niet langer dan zes maanden voor de subsidieaanvraag moet zijn bezichtigd, dus aan een fysieke inspectie onderworpen, is in de omschrijving van het begrip ‘opnamedatum’ de bezichtiging uitdrukkelijk genoemd.

Onderdeel B, eerste lid (wijziging van artikel 5, tweede lid, van de STEP)

In artikel 5, tweede lid, van de STEP wordt een aantal nieuwe eisen gesteld aan de subsidieaanvraag.

Ten eerste moeten voortaan enkele verklaringen worden afgelegd met betrekking tot de totstandkoming van de bij de subsidieaanvraag gebruikte energie-indexen.

Om voor subsidie op grond van de STEP in aanmerking te kunnen komen, moet van iedere woning een recente energie-index aanwezig zijn: ter bepaling van de energie-index moet de woning fysiek zijn bezichtigd, en wel maximaal zes maanden voor de datum van de subsidieaanvraag. In de meeste gevallen zal daarom speciaal voor de subsidieaanvraag een nieuwe energie-index moeten worden vastgesteld. Volgens de voorschriften van de BRL 9500 moet voor een energie-index in beginsel altijd een opname door middel van een volledige fysieke inspectie van de woning plaatsvinden door een gediplomeerde EPA-opnemer of -adviseur. Alleen wanneer gebruik wordt gemaakt van de zogenaamde referentiemethodiek is geen opname van de woning vereist. Hierop wordt nader ingegaan in de toelichting op artikel I, onderdeel B, tweede lid.

Het is niet toegestaan om een start-EI te bepalen uitsluitend op grond van gegevens die beschikbaar zijn op basis van een eerdere woningopname en/of onderhouds- of andere historische gegevens. Verhuurders die subsidie willen aanvragen doen er evenwel verstandig aan om voordat zij de aanvraag indienen en een opdracht tot bepaling van de energie-index geven, zelf goed te kijken naar die gegevens. Daarmee kunnen zij de kwaliteit van de aanvraag op orde brengen, krijgen ze zelf zekerheid en wordt recht gedaan aan het zwaarwegende belang van rechtmatigheid van de te verlenen subsidie. Een EPA-opnemer of EPA-adviseur verzamelt de benodigde gegevens van de woning door waarneming in de woning. Daarnaast mag hij ook gebruik maken van tekeningen, bestekken en foto’s, maar hij moet altijd ter plaatse in de betreffende woning nagaan of deze informatie correct is.

Om te voorkomen dat subsidie wordt aangevraagd op basis van energie-indexen die niet volgens deze regels van de BRL 9500 zijn bepaald, wordt de verhuurder bij de subsidieaanvraag op deze regels geattendeerd, doordat hij door middel van een vinkje op het (digitale) aanvraagformulier moet verklaren dat deze regels inderdaad zijn gevolgd (onderdeel k).

Als de subsidie wordt aangevraagd door een woningcorporatie of een andere rechtspersoon moet er bovendien een document bij de aanvraag worden gevoegd waaruit blijkt dat de directeur of het bestuur de vaststelling van de start-EI volgens de BRL 9500 bevestigt (onderdeel l). Het meesturen van deze verklaring bij de aanvraag appelleert aan de verantwoordelijkheid van de directeur of het bestuur om in te staan voor het zwaarwegende belang van de juistheid en de kwaliteit van de aanvraag. Het ontbreken van deze verklaring bij de aanvraag zal leiden tot het niet in behandeling nemen van de aanvraag.

Ten tweede moet de aanvrager (door middel van een vinkje op het aanvraagformulier) verklaren dat voor elke woning waarvoor subsidie wordt aangevraagd, bewijsstukken beschikbaar zijn, waaruit blijkt dat en op welke datum de woningen waarvoor subsidie wordt aangevraagd fysiek zijn geïnspecteerd (onderdeel m). Dit kunnen de opnameformulieren zijn die de EPA-adviseur of -opnemer bij de inspectie van de woning heeft ingevuld en ondertekend. De op het opnameformulier vermelde datum van de bezichtiging van de woning moet uiteraard overeenkomen met de datum die de aanvrager op grond van artikel 2, tweede lid, onderdeel b, van de STEP bij de aanvraag vermeldt en mag niet langer geleden zijn dan zes maanden voor de datum waarop de subsidie wordt aangevraagd.

Wanneer de EPA-adviseur of -opnemer geen gebruik maakt van een opnameformulier, maar de door hem vastgestelde gegevens van de woning uitsluitend digitaal verwerkt, moet de subsidieaanvrager er voor zorgen dat er andere bewijsstukken beschikbaar zijn, waarmee (de (datum van) de fysieke inspectie van de woning wordt aangetoond. Welke bewijsstukken hij hiervoor gebruikt wordt aan de aanvrager overgelaten. Te denken valt aan een screenprint van de door de EPA-opnemer of -adviseur digitaal ingevoerde gegevens of een door de bewoner ondertekende verklaring dat en wanneer de woning is bezichtigd. Ook foto’s waarop de datum wordt vermeld, kunnen als bewijsmateriaal dienen. Het is belangrijk dat de verhuurder die een energie-index laat bepalen met het doel om daarmee subsidie aan te vragen, van tevoren met de EPA-opnemer of -adviseur afspreekt op welke wijze de fysieke inspectie van de woning aangetoond kunnen worden.

Voor zover er sprake is van energie-indexen op basis van referentiewoningen gelden ook hier iets andere regels. Verwezen wordt naar de toelichting op artikel I, onderdeel B, tweede lid.

Voor alle duidelijkheid wordt er op gewezen dat de verhuurder als subsidieaanvrager er zelf verantwoordelijk voor is dat de bepaling van de energie-index op de juiste wijze plaatsvindt en hij dus geen subsidie aanvraagt op basis van een energie-index die niet overeenkomt met de werkelijke energetische toestand van de woning. Hij is immers degene die de opdracht aan de EPA- opnemer heeft gegeven. Als de EPA- opnemer de energie-index niet op de juiste wijze heeft bepaald (bijvoorbeeld omdat hij de woning niet daadwerkelijk fysiek heeft bezocht en geïnspecteerd), is dat uitsluitend een zaak tussen de verhuurder en de betrokken adviseur; de verhuurder is zelf volledig verantwoordelijk voor het verstrekken van de juiste informatie in het kader van de subsidieaanvraag.

Ten slotte moet een subsidieaanvraag voortaan een overzicht bevatten welke energiebesparende voorzieningen aan de woningen worden beoogd. Dit is geregeld in artikel 5, tweede lid, onderdeel n. Aan de hand van dit overzicht kan een inschatting worden gemaakt hoe reëel de beoogde verbetering van de energieprestatie van de woningen is en of aannemelijk is dat de vermelde energie-index juist is. Het is niet de bedoeling dat bij gecombineerde subsidieaanvragen (dat wil zeggen aanvragen die betrekking hebben op meerdere woningen) per woning de voorgenomen voorzieningen worden vermeld. Vermeld moet worden welke typen maatregelen (zoals dubbel glas, vloerisolatie, HR Cv-ketel) beoogd worden, zo nodig uitgesplitst per cluster woningen (bijvoorbeeld per flatgebouw).

Het overzicht dient er dus toe een gerichte controle op de subsidieaanvragen te faciliteren. Na de renovatie moet de subsidieontvanger op grond van het nieuwe onderdeel e van artikel 7, eerste lid, van de STEP een overzicht van de daadwerkelijk gerealiseerde voorzieningen aan RVO.nl kunnen overleggen. De subsidieontvanger is weliswaar niet verplicht om precies die voorzieningen te treffen, die hij bij de aanvraag vermeldt, maar hij zal er uiteraard wel voor moeten zorgen dat de energieprestatie in voldoende mate wordt verbeterd, zodat aan de subsidieverplichtingen is voldaan. De subsidie wordt echter niet verspeeld als dit uiteindelijk andere voorzieningen zijn dan die aanvankelijk werden beoogd.

Onderdeel B, tweede lid (artikel 5, zesde lid, van de STEP)

Op grond van de BRL 9500 kan een energie-index worden bepaald op basis van de energie-index van een andere woning, als die woning daar niet te veel van afwijkt. In dat geval wordt gebruik gemaakt van de referentiemethodiek oftewel ‘representativiteit’. Binnen elke deelverzameling waarvoor gebruik gemaakt wordt van representativiteit, wordt één woning aangemerkt als de referentiewoning. De andere woningen binnen deze deelverzameling worden aangemerkt als gelijkende woningen. De gelijkende woning krijgt een ‘referentie-index’, geen individueel bepaalde energie-index. Het document van de energie-index van de gelijkende woning vermeldt op welke referentiewoning de energie-index gebaseerd is.

In het geval van representativiteit is een uitgebreide fysieke inspectie van de woning niet vereist als de EPA-opnemer of -adviseur er zeker van is dat hij over de juiste informatie beschikt. Daarom kan in die gevallen in het kader van de subsidieaanvraag geen verklaring omtrent de beschikbaarheid van opnameformulieren of vergelijkbare documenten worden gevraagd. In plaats daarvan worden in het nieuwe zesde lid van artikel 5 van de STEP verklaringen gevraagd omtrent de bezichtiging van de referentiewoningen. Representativiteit moet altijd worden onderbouwd door de EPA-opnemer of EPA-adviseur. Om aan te tonen dat het gebruik maken van een representatieve woning is toegestaan, kan gebruik worden gemaakt van hoofdstuk 7 van de ISSO-publicatie 82.1. Dat er sprake is van een identieke woning of een identiek gebouwdeel moet worden onderbouwd aan de hand van tekeningen en foto’s. Het is belangrijk dat een subsidieaanvrager zich heeft vergewist van die onderbouwing. Daarom wordt in artikel 5, zesde lid, tevens een verklaring gevraagd dat de representativiteit inderdaad is onderbouwd.

Overigens kan de EPA-opnemer of -adviseur er bij de bepaling van een start-EI niet zonder meer van uitgaan dat hij over de juiste informatie beschikt zonder dat hij de woning binnen gegaan is. Het gaat immers om oudere woningen die gerenoveerd zullen worden en er is een reële kans dat aan woningen die ooit gelijkend waren in de loop der tijd verschillende voorzieningen zijn aangebracht.

Onderdeel C (wijziging van artikel 7, eerste lid, van de STEP)

Om ook de controle op de eind-EI aan te scherpen, zijn in artikel 7 van de STEP twee extra verplichtingen opgenomen, waaraan een subsidieontvanger moet voldoen.

De subsidie wordt ambtshalve vastgesteld nadat de datum is verstreken waarop de activiteiten volgens de beschikking tot subsidieverlening moeten zijn afgerond (24 maanden na de datum van de beschikking tot subsidieverlening). Dit volgt uit artikel 8, eerste of tweede lid, van de STEP in samenhang met artikel 16, tweede lid, onder b, van het Kaderbesluit BZK-subsidies. Net als bij de behandeling van een aanvraag tot subsidieverlening, controleert RVO.nl in het kader van de vaststelling van de subsidie welke EI voor iedere woning is afgemeld en berekent op basis van die (eind-)EI de hoogte van de subsidie. Uiteraard geldt dat ook de eind-EI op de voorgeschreven wijze, dat wil zeggen volgens de regels van de BRL 9500, moet zijn bepaald. Dit betekent dat elke woning in beginsel fysiek moet zijn geïnspecteerd (zie de toelichting op artikel I, onderdeel B, eerste lid, en op artikel I, onderdeel B, tweede lid). Bij wijze van steekproef, of bij een vermoeden van onregelmatigheden, kan RVO.nl nader onderzoek instellen naar de werkelijke energieprestatie van de woningen. RVO.nl zal in dit verband onderzoeken of de afgemelde EI op de voorgeschreven wijze is bepaald en de aanwezigheid van opnameformulieren of andere bewijsstukken met betrekking tot de opname van de woningen is een aanwijzing dat dit het geval is.

Op grond van de oorspronkelijke regeling was de subsidieontvanger alleen verplicht de eind-EI af te melden bij RVO.nl (artikel 7, eerste lid, onder b, en artikel 7a, eerste lid, onder d). Op grond van het thans aan artikel 7, eerste lid, toegevoegde onderdeel c, moet de subsidieontvanger bovendien voor elke woning het opnameformulier of andere bewijsstukken met betrekking tot de fysieke opname van de woning met betrekking tot de eind-EI kunnen overleggen. Voor zover gebruik is gemaakt van de referentiemethodiek, moet de subsidieontvanger op grond van het nieuwe artikel 7, eerste lid, onderdeel d, de opnameformulieren van de referentiewoningen en de onderbouwing van de toepassing van deze methodiek over kunnen leggen.

Wanneer de subsidieontvanger de vereiste stukken niet kan of wil overleggen, is er niet voldaan aan alle subsidieverplichtingen en is er zonder meer een grond om de subsidie op een lager bedrag of zelfs op nihil vast te stellen. Weliswaar zou RVO.nl ook zonder deze verplichting het opnameformulier kunnen opvragen, maar wanneer de subsidieontvanger geen gehoor zou geven aan dit verzoek, zou dit als zodanig nog geen grond opleveren om de subsidie op een lager bedrag of op nihil vast te stellen. Nader onderzoek zou dan nodig zijn om te kunnen bepalen of er voldaan is aan de subsidieverplichting om een bepaalde EI te realiseren.

Als tweede extra subsidieverplichting moet de subsidieontvanger op grond van het nieuwe onderdeel d van artikel 7, eerste lid, van de STEP een overzicht hebben van de energiebesparende voorzieningen die binnen 24 maanden vanaf de subsidieverlening aan de woningen zijn aangebracht. De subsidieontvanger hoeft dit overzicht niet uit eigen beweging aan RVO.nl te sturen, maar moet het desgevraagd aan RVO.nl overleggen. Net als bij de aanvraag tot subsidieverlening geldt ook hier dat het niet de bedoeling is dat bij gecombineerde subsidieaanvragen (dat wil zeggen aanvragen die betrekking hebben op meerdere woningen) per woning de voorgenomen voorzieningen worden vermeld. Per cluster (vergelijkbare) woningen moeten de typen maatregelen (zoals dubbel glas, vloerisolatie, HR Cv-ketel) worden vermeld.

Opgemerkt wordt nogmaals dat de subsidieontvanger niet precies die voorzieningen hoeft te hebben getroffen die hij bij de aanvraag tot subsidieverlening heeft vermeld. Aan de hand van de overzichten van voorgenomen en gerealiseerde voorzieningen kan RVO.nl gerichter en efficiënter controleren.

Sommige energiebesparende maatregelen zullen overigens na de renovatie niet meer zichtbaar zijn, zoals isolatie binnen een spouwmuur onder de woning. In dat geval moeten er op grond van de BRL 9500 foto’s worden gemaakt tijdens de renovatie.

Deze extra verplichtingen scheppen een extra, maar zeer beperkte, administratieve last voor de subsidieontvanger. Gelet op het zwaarwegende belang van het voorkomen van onregelmatigheden bij de uitvoering van de subsidieregeling en het zeer geringe nadeel die deze extra verplichtingen voor de subsidieontvanger met zich mee brengen, is er voor gekozen dat zij voor alle subsidieontvangers gelden, ongeacht of de subsidie voor of na de inwerkingtreding van de onderhavige wijzigingsregeling is verstrekt.

Artikel II (Wijziging van de Regeling fonds energiebesparing huursector (FEH))

Onderdeel A (wijziging van artikel 1 van de FEH)

Net als bij de STEP zijn enkele begrippen aan artikel 1 van de FEH toegevoegd. Verwezen wordt naar de toelichting op artikel I, onderdeel A.

Onderdeel B, eerste lid (wijziging van artikel 7, vierde lid, van de FEH)

Net als bij de STEP wordt in artikel 7, vierde en (nieuw) zesde lid, van de FEH een aantal nieuwe eisen gesteld aan de subsidieaanvraag. Verwezen wordt naar de toelichting op artikel I, onderdeel B, eerste lid, en artikel I, onderdeel B, tweede lid.

Onderdeel C

Om de controle op de energie-index van de woningen na de renovatie (hierna: eind-EI) aan te scherpen, zijn in een nieuw vierde lid van artikel 14 van de FEH extra eisen opgenomen, waaraan een aanvraag tot subsidievaststelling moet voldoen. Deze eisen zijn in lijn met de extra eisen in de aanvraag tot subsidieverlening. In het kader van de STEP worden dezelfde eisen gesteld, zij het dat die eisen in die regeling als subsidieverplichting zijn opgenomen, omdat subsidie op grond van de STEP ambtshalve wordt vastgesteld en er dus geen sprake is van een aanvraag tot subsidievaststelling.

Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de toelichting op artikel I, onderdeel C.

Artikel III

Ingevolge artikel 5, vierde lid, van de STEP kan slechts éénmaal subsidie worden aangevraagd. Dit betekent dat als een aanvraag wordt ingetrokken of afgewezen, of als een subsidie op een lager bedrag of op nihil wordt vastgesteld, voor de desbetreffende woning niet nog een keer subsidie kan worden aangevraagd. Verhuurders die gehoor geven aan de oproep om in het kader van de aanpak van de geconstateerde onregelmatigheden hun lopende aanvragen intrekken of afstand doen van reeds verleende subsidies, moeten uiteraard wel de mogelijkheid hebben om een nieuwe subsidieaanvraag in te dienen. Hiertoe strekt, voor wat betreft de STEP, artikel III.

Het overgangsrecht is beperkt tot woningen waarvoor voor de inwerkingtreding van de onderhavige regeling (op 1 september 2105) een subsidieaanvraag is ingediend. Er kunnen zich daarbij drie situaties voordoen:

  • 1. Er is nog niet op de eerdere aanvraag beslist: in dat geval kan opnieuw subsidie worden aangevraagd als de aanvrager de aanvraag uiterlijk op 2 november 2015 schriftelijk intrekt. (De datum is op 2 november gesteld, omdat 1 november in een weekend valt). Voor de intrekking kan een formulier worden gebruikt dat via de website van RVO.nl kan worden gedownload.

  • 2. De subsidieaanvraag is afgewezen: in dat geval kan er zonder meer voor de betrokken woning(en) opnieuw subsidie worden aangevraagd.

  • 3. Er is reeds subsidie verleend: in dat geval kan de betrokken verhuurder schriftelijk aan RVO.nl melden dat hij van de subsidie afziet. Ook hiervoor kan een formulier worden gebruikt, dat via de website van RVO.nl kan worden gedownload. Als dit uiterlijk op 2 november is gebeurd, kan er opnieuw subsidie worden aangevraagd.

De nieuwe aanvraag moet voldoen aan de nieuwe eisen. Bovendien moet de aanvrager verklaren dat voor zover ten behoeve van de woningen voor de tweede maal subsidie wordt aangevraagd, een van de hiervoor beschreven situaties van toepassing is. Dit is geregeld in het vierde lid.

Artikel IV

Op grond van de FEH wordt geen subsidie verleend per woning, maar per project. Een project omvat ten minste vijf woningen (artikel 2, eerste lid, van de FEH). Ingevolge artikel 7, derde lid, van de FEH mag geen van die woningen tevens onderdeel zijn van een ander project waarvoor FEH-subsidie is aangevraagd. Dit betekent dat als een aanvraag wordt ingetrokken of afgewezen, of als een subsidie op een lager bedrag of op nihil wordt vastgesteld, voor geen van de desbetreffende woningen nog een keer subsidie kan worden aangevraagd via een ander project. Verhuurders die gehoor geven aan de oproep van de minister om in het kader van de aanpak van de geconstateerde onregelmatigheden hun lopende aanvragen intrekken en afstand doen van reeds verleende subsidies, moeten uiteraard wel de mogelijkheid hebben om opnieuw een subsidieaanvraag in te dienen. Hiertoe strekt artikel IV.

Er kunnen zich vier situaties voordoen:

  • 1. Er is nog niet op de eerdere aanvraag beslist: in dat geval kan opnieuw subsidie worden aangevraagd voor een project met dezelfde woningen, mits de aanvrager de aanvraag uiterlijk op 2 november 2015 schriftelijk intrekt. Voor de intrekking kan een formulier worden gebruikt dat via de website van RVO kan worden gedownload.

  • 2. De subsidieaanvraag is afgewezen: in dat geval kan er zonder meer subsidie worden aangevraagd voor een project met dezelfde woningen.

  • 3. De subsidieaanvraag is gedeeltelijk afgewezen en gedeeltelijk gehonoreerd: De woningen die onderdeel uitmaken van het afgewezen deel van het project kunnen zonder meer worden opgenomen in een ander project, waarvoor subsidie kan worden aangevraagd. Voor zover er reeds subsidie is verleend geldt hetzelfde als onder 4.

  • 4. Er is reeds voor het gehele project (dus voor alle woningen die daarvan onderdeel uitmaken) subsidie verleend: in dat geval kan de betrokken verhuurder schriftelijk aan RVO.nl melden dat hij van de subsidie afziet. Omdat de FEH-subsidie wordt verleend in de vorm van een lening en er aan de subsidie daarom een leningsovereenkomst is gekoppeld (artikelen 9 en 10 van de FEH) moet de verhuurder tevens die overeenkomst opzeggen. Ook hiervoor kan een formulier worden gebruikt, dat via de website van RVO.nl kan worden gedownload. Als dit uiterlijk op 2 november 2015 is gebeurd, kan er opnieuw subsidie worden aangevraagd.

De nieuwe aanvraag, die aan de nieuwe eisen moet voldoen, kan betrekking hebben op een project dat uitsluitend dezelfde woningen omvat als het project waar de eerste aanvraag betrekking op had. Het is echter ook mogelijk dat subsidie wordt aangevraagd voor een project dat tevens andere woningen omvat. Daarnaast moet de aanvraag op grond van het derde lid een verklaring bevatten dat voor zover de aanvraag betrekking heeft op een project met woningen waarvoor via een ander project reeds eerder subsidie is aangevraagd, dit uitsluitend situaties betreft als bedoeld in deze overgangsregeling.

Artikel V

Zoals reeds vermeld in het algemeen deel van deze toelichting zal een half jaar na de inwerkingtreding van de onderhavige regeling (dus in maart 2016) een evaluatie worden uitgevoerd naar de uitvoeringspraktijk van de STEP en de FEH.

Artikel VI

De wijzigingsregeling treedt in werking met ingang van 1 september 2015. Hierbij wordt afgeweken van de vaste verandermomenten en minimale invoeringstermijn van twee maanden. De reden is dat gezien de urgentie van het probleem waarvoor de regeling een oplossing biedt niet kan worden gewacht tot het vast verandermoment. De afwijking is daarmee gebaseerd op de tweede uitzonderingsgrond, genoemd in de brief van 11 december 2009 van de Minister van Justitie aan de Tweede Kamer (Kamerstukken II 2009/10, 29 515, nr. 309).

De Minister voor Wonen en Rijksdienst, S.A. Blok