Besluit tot het intrekken van besluit RWS 2014/30196 d.d. 3 juli 2014 (Staatscourant 19487, d.d. 10 juli 2014) en het opnieuw vaststellen van de maatregelen voor de borging van een vlotte en veilige doorvaart van de bruggen van Kootstertille, Oude Schouw, Uitwellingerga en Spannenburg, Rijkswaterstaat

VERKEERSBESLUIT

Datum: 22 juni 2015

Nummer: RWS-2015/24259

DE MINISTER VAN INFRASTRUCTUUR EN MILIEU HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT GENOMEN:

1. Aanhef

Het eigendom en beheer van de Hoofdvaarweg Lemmer – Delfzijl (HLD) is per 1 januari 2014 overgegaan van de provincies Groningen en Fryslân naar het Rijk. De HLD bestaat uit het Prinses Margrietkanaal, het Van Starkenborghkanaal en het Eemskanaal en is onderdeel van de belangrijke hoofdvaarroute van Rotterdam/Amsterdam naar Hamburg, ook bekend als ‘Corridor 5’.

De komende jaren wordt verder gewerkt aan de opwaardering van de HLD, zodat de vaarweg in de toekomst voldoet voor schepen van CEMT-klasse Va. Gelijktijdig zal de beroepsvaart de komende jaren intensiveren, waarbij ook schaalvergroting een rol gaat spelen, alsmede de toename van de containervaart en duwvaart. Behalve de beroepsvaart maakt ook de recreatievaart veelvuldig gebruik van de hoofdvaarweg, met name op het Prinses Margrietkanaal.

Rijkswaterstaat is als beheerder van de HLD verantwoordelijk voor de veiligheid en de vlotte (door)vaart en reguleert dit via vergunningen en handhaving. Omdat de HLD nog niet volledig is ingericht voor schepen van CEMT-klasse Va, het scheepvaartverkeer toeneemt en de beroepsvaart en de recreatievaart samenkomen op de vaarweg, is het nodig om maatregelen te treffen die het vlotte en veilige scheepvaartverkeer op de HLD bevorderen. De maatregelen worden mede ingegeven door een aantal schadevaringen aan de bruggen over het Prinses Margrietkanaal.

2. Besluit

Op grond van de in dit besluit genoemde overwegingen besluit de Minister van Infrastructuur en Milieu per 1 juli 2015 als volgt:

  • I. Het verkeersbesluit betreffende de doorvaart van de bruggen van Kootstertille, Burgum, Oude Schouw, Uitwellingerga en Spannenburg van 3 juli 2014 met kenmerk RWS- 2014/30196 (Staatscourant 19487, 10 juli 2014) in te trekken;

  • II. Op het Prinses Margrietkanaal ter hoogte van de bruggen van Kootstertille, Oude Schouw, Uitwellingerga en Spannenburg schepen met een breedte van meer dan 9,60 meter én samenstellen met een breedte van meer dan 9,60 meter te verbieden gebruik te maken van de doorvaartopening van het beweegbare deel van deze bruggen;

  • III. Schepen en samenstellen, zoals genoemd in besluitpunt II, zijn uitgezonderd van het verbod beschreven in besluitpunt II als brugbediening, vanwege een hoogteoverschrijding, nodig is om passage mogelijk te maken;

  • IV. Voor de doorvaartopening van het vaste deel van de bruggen, genoemd in besluitpunt II, een ontmoetings- en oploopverbod in te stellen voor alle schepen en alle samenstellen;

  • V. Voor alle schepen en samenstellen de vaarsnelheid te beperken tot en met 8 kilometer per uur bij de bruggen genoemd in besluitpunt II;

  • VI. Voor schepen en samenstellen, zoals genoemd in besluitpunt II, is de vaarsnelheid voor de doorvaartopening na brugbediening van het beweegbare deel van de brug, genoemd in besluitpunt II, beperkt tot en met 6 km per uur;

  • VII. Het verbod genoemd in besluitpunt IV geldt niet voor een klein schip (sport) indien het ontmoeten en oplopen plaatsvindt via verschillende doorvaartopeningen van een brug onder voorwaarde dat het schip zo veel mogelijk aan stuurboordzijde van de vaarweg blijft varen;

  • VIII. Het verbod genoemd in besluitpunt V geldt niet voor een klein schip (sport).

De verboden zoals geformuleerd in de hiervoor gegeven besluitpunten zijn opgenomen in een overzicht waarin de bij de besluitpunten behorende verkeerstekens conform het Binnenvaartpolitiereglement zijn opgenomen. Het overzicht is toegevoegd als bijlage bij dit besluit.

3. Wettelijk kader

Gelet op de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement (BPR), het Besluit administratieve bepalingen inzake het scheepvaartverkeer (BABS) en het Besluit mandaat, volmacht en machtiging Rijkswaterstaat Noord-Nederland (Staatscourant 2013, nr. 7585), ben ik bevoegd het verkeersbesluit te nemen.

4. Overwegingen

Volgens artikel 5 BABS vermeldt de motivering van een verkeersbesluit in ieder geval welke doelstelling of doelstellingen met het besluit worden beoogd. Daarbij moet worden aangegeven welke van de in artikel 3 van de Scheepvaartverkeerswet genoemde belangen aan het besluit ten grondslag liggen. De belangen die aan dit besluit ten grondslag liggen, zijn:

  • Het verzekeren van de veiligheid en het vlotte verloop van het scheepvaartverkeer;

  • Het instandhouden van scheepvaartwegen en het waarborgen van de bruikbaarheid daarvan;

  • Het voorkomen of beperken van schade door het scheepvaartverkeer aan de waterhuishouding, oevers en waterkeringen, of werken gelegen in of over scheepvaartwegen;

  • Het voorkomen of beperken van verontreiniging door schepen;

  • Het voorkomen of beperken van schade door het scheepvaartverkeer aan de landschappelijke of natuurwetenschappelijke waarden van een gebied waarin scheepvaartwegen zijn gelegen.

Op grond van artikel 2, sub a, BABS kan het bevoegd gezag slechts verkeerstekens aanbrengen die opgenomen zijn in de bijlagen 7 en 8 van het BPR.

Evaluatie verkeersbesluit 3 juli 2014

Het is voor Rijkswaterstaat belangrijk dat de HLD veilig is voor iedere vaarweggebruiker. Dit belang wordt vergroot omdat de vaarweg nog niet geheel voldoet aan de karakteristieken die horen bij een vaarweg voor schepen van CEMT-klasse Va. Omdat schepen van deze klasse wel al gebruikmaken van de vaarweg heeft dit in een aantal gevallen geleid tot schadevaringen met bruggen over, en sluizen en remmingwerken in het Prinses Margrietkanaal.

Om het doel van een veilige en vlotte scheepvaart te bereiken, is een aantal maatregelen genomen bij bruggen die nog niet voldoen voor schepen van CEMT klasse Va. Deze maatregelen hebben betrekking op het passeren van de bruggen bij Kootstertille (km 36,31), Oude Schouw (km 63,335), Uitwellingerga (km 73,628) en Spannenburg (km 84,099). De maatregelen zijn vastgelegd in het verkeersbesluit met als kenmerk RWS 2014/30196 van 3 juli 2014.

In het hiervoor genoemde verkeersbesluit is op voorhand een evaluatie aangekondigd van de genomen maatregelen. Dit vanwege het spoedeisende karakter waarmee het verkeersbesluit toentertijd is genomen. De uitgevoerde evaluatie van de destijds genomen maatregelen heeft geleid tot het bijstellen van de destijds genomen maatregelen.

Deze nieuwe maatregelen zijn verwerkt in het: ‘ontwerpbesluit tot intrekken van besluit RWS 2014/30196 d.d. 3 juli 2014 (Staatscourant 19487, d.d. 10 juli 2014) en het opnieuw vaststellen van de maatregelen voor de borging van een vlotte en veilige doorvaart van de bruggen van Kootstertille, Oude Schouw, Uitwellingerga en Spannenburg’ van 13 maart 2015 met kenmerk RWS-2015/10045.

In voornoemd ontwerpbesluit is per onderwerp onderbouwd welke wijzigingen de Minister van Infrastructuur en Milieu, in vergelijking met het oorspronkelijke verkeersbesluit met kenmerk RWS 2014/30196 d.d. 3 juli 2014 (Staatscourant 19487, d.d. 10 juli 2014) in gedachten heeft. Hieronder volgt de uiteenzetting zoals deze middels het ontwerpbesluit van 13 maart 2015 met kenmerk RWS-2015/10045 bekendgemaakt is bij belanghebbenden middels een gericht verstuurd afschrift van het ontwerpbesluit:

Vier bruggen

Rijkswaterstaat stelt alleen maatregelen voor het passeren bij de hiervoor genoemde bruggen omdat bij deze bruggen een doorvaartopening door een breed vast deel en een smal beweegbaar deel beschikbaar is. Hierdoor ontstaat de mogelijkheid om voorbij te lopen of te ontmoeten, wat de kans op schadevaringen vergroot. Bij de overige bruggen over de HLD, die niet voldoen aan de dimensionering voor schepen van klasse Va, is deze mogelijkheid niet aanwezig of is een brugopening nodig om te passeren. Door de aanleg van de Centrale As en de omlegging van het Prinses Margrietkanaal ter hoogte van de brug bij Burgum wordt deze brug niet opgenomen in dit verkeersbesluit. De werkzaamheden vereisen specifieke maatregelen rond deze brug.

Vaste overspanning brug

Schepen hebben voldoende ruimte nodig om bruggen veilig te passeren. De doorvaartopening van het beweegbare deel van de genoemde bruggen is slechts 12 meter breed. Naarmate de breedte van de schepen of samenstellen toeneemt wordt de kans op schadevaringen groter. De maximale breedte van een schip, waarbij de kans op aanvaringen acceptabel is, wordt bepaald aan de hand van het ontwerp van de brug. Omdat de bruggen en de remmingswerken op de gehele HLD in het verleden zijn ontworpen op schepen van CEMT-klasse IV wordt de maximale breedte van schepen, die gebruik mogen maken van de doorvaartopening van het beweegbare deel van de brug, bepaald op de breedte die hoort bij deze klasse. Er wordt bewust gekozen om de breedte op te nemen in het besluit, zodat ook samenstellen van bijvoorbeeld duwbakken naast elkaar onder de breedtebeperking vallen. Wel wordt deze breedte van 9,50 meter naar boven bijgesteld omdat schepen van een bepaalde CEMT-klasse +10 centimeter mogen afwijken op grond van de Richtlijn Vaarwegen van 2011. Schepen en samenstellen breder dan 9,60 meter worden daarom met dit besluit verplicht gebruik te maken van de doorvaartopening van het vaste deel van de brug. Hiervan uitgezonderd zijn schepen en samenstellen die breder zijn dan 9,60 meter die, vanwege een hoogte-overschrijding, gebruik moeten maken van een brugopening.

Ontmoeten en voorbijlopen

De doorvaartopening van het vaste deel van een brug is beperkt. Het gelijktijdig ontmoeten of voorbijlopen van schepen ter hoogte van de doorvaartopening van het vaste deel van een brug vergroot de kans op aanvaringen tussen de schepen of op schadevaringen tussen een schip en delen van de brug of de constructie. Het BPR voorziet in algemene zin in vaarregels bij het doorvaren van bruggen en sluizen of het ontmoeten of voorbijvaren hiervan in het geval van een engte. Echter, het BPR voorziet in bijzondere zin niet in regels voor het doorvaren van een brug bestaande uit een vast deel met een hoogtebeperking en een beweegbaar deel met een breedtebeperking waarvan de doorvaartbreedte van het beweegbare deel van de brug verboden is voor schepen en samenstellen breder dan 9,60 meter. Dit besluit bevat daarom, door het ontstaan van de hiervoor beschreven engte, voor schepen en samenstellen breder dan 9,60 meter, in bijzondere zin een verbod voor het ontmoeten of voorbijlopen geldend voor de doorvaartopening van het vaste deel van de genoemde bruggen. Om ‘filevorming’ of onnodig oponthoud voor de brug te voorkomen is het voor schepen met een breedte kleiner dan 9,60 meter toegestaan voorbij te lopen en te ontmoeten, daar waar het reglementair toegestaan is, waarbij het schip zoveel mogelijk aan de stuurboordzijde van de vaarweg dient te varen.

Vaarsnelheid doorvaartopening vaste deel brug

Op het Prinses Margrietkanaal geldt, afhankelijk van de tonnage, een snelheid tussen de 12 en 13,5 km/uur voor ongeladen schepen en een snelheid tussen de 9 en 12,5 km/uur voor geladen schepen (RWS 2014/17740, d.d. 3 juli 2014, Staatscourant 19486, d.d. 10 juli 2014). Om het effect van schadevaringen te verkleinen wordt ter hoogte van de vier genoemde bruggen de snelheid, voor alle schepen en samenstellen, teruggebracht naar 8 km/uur zowel geladen als ongeladen. Het effect van schadevaringen uit zich primair in fysieke schade aan de brug of het remmingwerk en stremmingen voor de scheepvaart. Een afgeleid effect is de financiële schade. Deze financiële schade is slechts tot een maximaal aansprakelijkheidsbedrag te verhalen op de scheepseigenaren alsmede hun bemanning (naar rato van laad- en motorvermogen)2. Het gevolg is dat Rijkswaterstaat een groot deel van de financiële consequenties draagt. Consequenties die Rijkswaterstaat tot een minimum wil beperken. Er is gekozen voor 8 km/uur op grond van de uitkomsten van een gezamenlijk gehouden proefvaart met de Koninklijke Schuttevaer, waarbij is aangetoond dat een aanpassing van de vaarsnelheid naar 8 km/uur de vlotte en veilige doorvaart niet nadelig beïnvloedt. Tevens wordt door het vaststellen van de vaarsnelheid op 8 km/uur de schipper bewust gemaakt van het feit dat hij een afwijkende situatie op het Prinses Margrietkanaal nadert.

Vaarsnelheid doorvaartopening beweegbare deel brug

Indien een schip of samenstel breder is dan 9,60 meter en er een brugopening nodig is om doorvaart mogelijk te maken, vanwege een hoogte-overschrijding, geldt een maximale snelheid van 6 km/uur. Met deze snelheidsbeperking wordt, indien er sprake is van een schadevaring, het effect zo veel mogelijk beperkt.

Recreatievaart

Voor de recreatievaart (‘klein schip’ conform BPR) is het verbod om voorbij te lopen en te ontmoeten niet van toepassing, onder de voorwaarde dat het schip aan stuurboordzijde van de vaarweg blijft varen. Tevens zijn de beperkingen van de maximale vaarsnelheden niet van toepassing op de recreatievaart. Door het verbod en de beperkingen niet van toepassing te verklaren op de recreatievaart heeft deze voldoende mogelijkheden om te kunnen anticiperen op de beroepsvaart.

Evaluatie

De maatregelen in dit verkeersbesluit en in het bijzonder de maatregelen met betrekking tot de recreatievaart zullen een jaar na in werking treden van dit besluit worden geëvalueerd.

5. Procedure

Het verkeersbesluit is voorbereid met toepassing van de in afdeling 3.4 van de Awb geregelde procedure. De procedure houdt in dat een ontwerpbesluit zal worden gepubliceerd en zes weken ter inzage zal liggen, gedurende welke termijn mondeling en/of schriftelijk gemotiveerde zienswijzen kunnen worden ingediend aangaande het ontwerpbesluit. Na de termijn worden de zienswijzen verwerkt in het definitieve besluit, dat voor beroep open staat.

6. Zienswijzen naar aanleiding van het ontwerpbesluit

Op grond van artikel 6 BABS voert het bevoegd gezag bij de voorbereiding van een verkeersbesluit overleg met de bij dat besluit belanghebbende openbare lichamen en instellingen. Overeenkomstig artikel 6 BABS is overleg gepleegd met belanghebbende openbare lichamen en instellingen. Naar aanleiding van het overleg, alsmede naar aanleiding van de schriftelijk ingebrachte reacties van de belanghebbende openbare lichamen en instellingen die niet bij het overleg aanwezig zijn geweest, is het besluit tot stand gekomen.

Voornoemd ontwerpbesluit is conform het gestelde in afdeling 3.4 (Uniforme openbare voorbereidingsprocedure) van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de Staatscourant geplaatst op 13 maart 2015, onder nummer: 7167. Een afschrift van het ontwerpbesluit heeft ter inzage gelegen van 13 maart 2015 tot en met 24 april 2015 op drie verschillende locaties van Rijkswaterstaat Noord-Nederland. Verder hebben belanghebbenden gebruik kunnen maken van de geboden mogelijkheid om de tekst van het ontwerpbesluit digitaal te ontvangen, dan wel per post te ontvangen.

Zowel schriftelijk als ook mondeling zijn er geen zienswijzen over het ontwerpbesluit naar voren gebracht. Ook is door niemand gebruikgemaakt van de geboden mogelijkheid om van gedachten te wisselen met het bevoegd gezag, betreffende de onderwerpen die zijn weergegeven in het ontwerpbesluit. Samenvattend concludeert de Minister dan ook dat het ontwerp definitief gemaakt kan worden.

7. Conclusie

De in dit verkeersbesluit opgenomen besluiten borgen de belangen van de gebruikers van de Hoofdvaarweg Lemmer – Delfzijl en Rijkswaterstaat. Het risico dat de vlotte en veilige scheepvaart in het geding komt, wordt met de besluiten beperkt.

8. Ondertekening

DE MINISTER VAN INFRASTRUCTUUR EN MILIEU,

namens deze,

het hoofd van de afdeling Vergunningverlening,

Rijkswaterstaat Noord-Nederland,

de heer mr. J.M. Weststeijn

9. Mededelingen

Voor meer informatie over dit besluit kunt u terecht bij de heer S.T. van der Velde, Senior Vergunningverlener, tel. 06 20 59 67 79, e-mail steven.vander.velde@ rws.nl. De heer Van der Velde kan uw vragen beantwoorden en het besluit met u doornemen.

Om te bepalen of u meer informatie wilt, kunnen de volgende vragen en aandachtspunten u helpen:

  • Is de inhoud van het besluit duidelijk en is helder wat het concreet voor u betekent?

  • Kunt u beoordelen of het besluit inhoudelijk juist is of niet? Of hebt u behoefte aan een toelichting?

  • Kloppen de gegevens over u in het besluit en heeft u alle gegevens verstrekt?

Ook wanneer u andere vragen heeft over het besluit of de procedure, of wanneer u zich op de een of andere manier heeft gestoord aan de wijze waarop bij de besluitvorming met u of uw belangen is omgegaan, kunt u contact opnemen.

Beroep

Belanghebbenden kunnen tot en met 12 augustus 2015 tegen dit besluit beroep instellen bij de rechtbank binnen het rechtsgebied waar de belanghebbende zijn woon- of vestigingsplaats heeft. Indien u een onderneming voert, kunt u uw beroepschrift verzenden naar de rechtbank binnen het rechtsgebied waar uw onderneming zetelt. De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop dit besluit ter inzage is gelegd. Geen beroep kan worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen over het ontwerp van dit besluit naar voren heeft gebracht (art. 6:13, Awb).

Het beroepschrift dient te zijn ondertekend en ten minste het volgende te bevatten:

  • a. de naam en het adres van de indiener;

  • b. de dagtekening;

  • c. een vermelding van de datum en het nummer of het kenmerk van het besluit waartegen het beroep zich richt;

  • d. een opgave van de redenen waarom men zich met het besluit niet kan verenigen.

De volgende vragen en aandachtspunten kunnen u helpen bij het instellen van beroep:

  • Wat zijn de redenen dat u het met het besluit niet eens bent?

  • Welk doel wilt u met uw beroep bereiken? Wat verwacht u van Rijkswaterstaat?

  • Is het u voldoende duidelijk wat een beroepsprocedure inhoudt en weet u of u met deze procedure uw doel kunt bereiken? Kunt u uw doel op een andere, wellicht eenvoudiger wijze bereiken?

Voorlopige voorziening

Het indienen van een beroepschrift heeft geen schorsende werking. Dat betekent dat het besluit blijft gelden in de tijd dat uw beroepschrift in behandeling is. Als u dit niet wilt, bijvoorbeeld omdat het besluit onherstelbare gevolgen heeft voor u, dan kunt u een verzoek om voorlopige voorziening indienen.

Een dergelijk verzoek dient te worden gericht aan de Voorzieningenrechter van de sector Bestuursrecht binnen het rechtsgebied waar de indiener van het beroepschrift zijn woon- of vestigingsplaats heeft. Indien u een onderneming voert, kunt u uw verzoek verzenden naar de rechtbank binnen het rechtsgebied waar uw onderneming zetelt. Het verzoek dient te zijn ondertekend en ten minste het volgende te bevatten:

  • a. de naam en het adres van de verzoeker;

  • b. de dagtekening;

  • c. een vermelding van het bestuursorgaan, dat het besluit heeft genomen en de datum en het nummer of kenmerk van het besluit;

  • d. de gronden van het verzoek (motivering).

Bij het verzoek dient voorts een afschrift van het beroepschrift te worden overgelegd. Zo mogelijk wordt tevens een afschrift van het besluit waarop het geschil betrekking heeft, overgelegd. Naar aanleiding van het verzoek kan de bevoegde rechter een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voor de behandeling van een verzoek om een voorlopige voorziening wordt een bedrag aan griffierechten geheven. Omtrent de hoogte hiervan, de wijze waarop en de termijn waarbinnen u dit dient te betalen, dient u contact op te nemen met de secretarie van de desbetreffende rechtbank.

U kunt ook digitaal beroep instellen bij de genoemde rechtbank via http://loket.rechtspraak.nl/bestuursrecht. Daarvoor dient u wel te beschikken over een elektronische handtekening (DigiD). Kijk op de genoemde site voor de precieze voorwaarden.

Inlichtingen

Voor nadere inlichtingen kan tijdens kantooruren contact worden opgenomen met de heer S.T. van der Velde, van Rijkswaterstaat, telefoon 058 – 234 43 44.

BIJLAGE


X Noot
1

De locatie van de brug aangegeven volgens de kilometrering langs de HLD.

X Noot
2

Verdrag van Straatsburg 1988, inzake de beperking van de aansprakelijkheid in de binnenvaart; Burgerlijk Wetboek Boek 8 Titel 12 ‘Beperking van aansprakelijkheid van eigenaren binnenschepen’ 8:1060-1066 BW.

Naar boven