Richtlijn bevriezing en confiscatie van criminele opbrengsten (PbEU L 127/39 en PbEU L 138/114 (rectificatie))

20 april 2015

Mededeling van de implementatie van de richtlijn 2014/42/EU van het Europees parlement en de Raad over de bevriezing en confiscatie van criminele opbrengsten (PbEU L 127/39 en PbEU L 138/114 (rectificatie)).

De Minister van Veiligheid en Justitie deelt overeenkomstig aanwijzing 339 van de Aanwijzingen voor de regelgeving mede dat richtlijn 2014/42/EU van het Europees parlement en de Raad van 3 april 2014 inzake de bevriezing en confiscatie van criminele opbrengsten (Pb EU L127/39) volledig is geïmplementeerd door middel van bestaande regelgeving. Met ingang van 4 oktober 2019, de dag waarop aan richtlijn 2014/42/EU uitvoering moet zijn gegeven, werkt de richtlijn door in de Nederlandse rechtsorde door middel van bestaande regelgeving op de wijze als aangegeven in de transponeringstabel die als bijlage bij deze mededeling is opgenomen.

De Minister van Veiligheid en Justitie A.G. van der Steur

Transponeringstabel behorende bij de implementatie van Implementatie van de richtlijn 2014/42/EU van het Europees parlement en de Raad over de bevriezing en confiscatie van criminele opbrengsten (PbEU L 127/39)

Artikel(lid) richtlijn

Artikel wetsvoorstel of bestaande wet- en regelgeving

Toelichting

Artikel 1

 

Deze bepaling behoeft uit haar aard geen implementatie.

Artikel 2, onder 1

artikel 36e Sr

artikel 33a, eerste lid, onder a Sr

De begripsbepaling van ‘opbrengst’ noopt niet tot wijziging van nationale wetgeving. De richtlijndefinitie strookt met het begrip wederrechtelijk verkregen voordeel in artikel 36e Sr. Onder voordeel kan ook niet-rechtstreeks genoten voordeel worden verstaan. Ook indien een bepaald feit op zichzelf geen rechtstreeks voordeel oplevert, doch kennelijk ertoe strekt en geëigend is voordeel te genereren en dat voordeel ook is genoten, kan zulks in de berekening van het voordeel worden betrokken (Hoge Raad 25 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:AK1546 en Hoge Raad 27 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR2086, NJ 2011, 458).

     
   

Artikel 36e, tweede lid, verduidelijkt verder dat ook voordeel dat is verkregen ‘uit de baten van een strafbaar feit’ voor confiscatie in aanmerking komt. Hiermee is zogenoemd ‘vervolgprofijt’ uitgedrukt. Dit omvat de wederbelegging of eventueel omzetting, als bedoeld in artikel 2, onder 1 van de richtlijn. Ook artikel 33a, eerste lid, onder a, maakt confiscatie van vervolgprofijt mogelijk. In die gevallen gaat het om verbeurdverklaring (objectconfiscatie).

     
   

Artikel 36e, vijfde lid, Sr verduidelijkt dat onder voordeel ook ‘een besparing van kosten mag worden begrepen’.

Artikel 36e, zesde lid, verduidelijkt tenslotte dat onder voorwerpen alle zaken en alle vermogensrechten mogen worden verstaan.

Artikel 2, onder 2

Artikel 36e, zesde lid, Sr en artikel 94a Sv.

De begripsbepaling van ‘voorwerpen’ noopt niet tot wijziging van nationale wetgeving. De richtlijndefinitie strookt met het begrip ‘voorwerpen’ in artikel 36e, zesde lid, Sr. Onder “voorwerpen” worden alle zaken en alle vermogensrechten begrepen.

Waar het bestaan van vermogensrechten blijkt uit rechtsbescheiden, als bedoeld in artikel 2, onder 2, Richtlijn, kan daarop eveneens (conservatoir) beslag worden gelegd. Het betreft hier de rechten aan toonder of order. Deze zijn vatbaar voor beslag (94a Sv).

Artikel 2, onder 3

Artikelen 33 en 33a Sr

De begripsbepaling van ‘hulpmiddelen’ noopt niet tot wijziging van nationale wetgeving. Ingevolge de Nederlandse strafwet zijn voorwerpen met behulp waarvan een strafbaar feit is begaan en voorwerpen die tot het begaan van het misdrijf zijn vervaardigd of bestemd, voor verbeurdverklaring vatbaar (artikel 33a, eerste lid, onderdelen c en e).

Artikel 2, onder 4

Artikelen 33, 33a, 36b tot en met 36d en 36e Sr

De begripsbepaling van ‘confiscatie’ noopt niet tot wijziging van nationale wetgeving. Onder confiscatie wordt verstaan het blijvend afnemen van voorwerpen naar aanleiding van een rechterlijke beslissing in relatie tot een strafbaar feit.

     
   

Onder confiscatie kan naar nationaal recht worden verstaan de ontneming van voorwerpen die het gevolg is van het onherroepelijk worden van de bijkomende straf van verbeurdverklaring (artikelen 33 en 33a Sr), de maatregel “onttrekking aan het verkeer” of de maatregel ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel (artikel 36e Sr). Deze sancties zijn ingebed in het Wetboek van Strafrecht.

     
   

Onder voorwerpen worden verstaan alle zaken en vermogensrechten (artikel 36e Sr).

Artikel 2, onder 5

Artikelen 94 e.v. Sv

De begripsbepaling van ‘bevriezing’ noopt niet tot wijziging van nationale wetgeving. Het begrip bevriezing moet worden begrepen als ‘strafvorderlijk beslag’ of als ‘conservatoir beslag’ in de zin van artikel 94 Sv respectievelijk 94a Sv. Het (conservatoir) beslag tast de beschikkingsbevoegdheid van de rechthebbende op een voorwerp tijdelijk aan en kan met zich brengen, afhankelijk van de aard van het voorwerp, dat een voorwerp door de justitiële autoriteiten ook fysiek onder zich wordt genomen.

Artikel 2, onder 6

Artikelen 33, 33a en 36e Sr en 94 en 94a Sv.

Behoeft uit haar aard geen implementatie.

Artikel 3

Artikelen 33, 33a en 36e Sr en 94 en 94a Sv.

Behoeft geen implementatie. Artikel 3 is de reikwijdtebepaling en benoemt strafbare feiten waarbij in ieder geval beslag en confiscatie mogelijk moeten zijn. De nationale voorzieningen inzake beslag en confiscatie hebben een algemene werking; de nationale regeling omvat de inbeslagname en confiscatie mede in verband met de in artikel 3 benoemde gedragingen.

Artikel 4, eerste lid

Artikelen 33, 33a, 36b-36d en 36e Sr en de artikelen 280, respectievelijk artikel 280 juncto 511d Sv.

Artikel 4, eerste lid, ziet op de strafrechtelijke confiscatie-sanctie. Het kan hierbij naar nationaal recht gaan om verbeurdverklaring (artt. 33 en 33a), de maatregel onttrekking aan het verkeer (artt. 36b-36d) of om de maatregel ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel (art. 36e Sr). Deze sancties kunnen worden opgelegd, ook nadat in de strafzaak of ontnemingsprocedure verstek is verleend tegen een niet verschenen verdachte of veroordeelde.

Artikel 4, tweede lid

Artikelen 33, 33a en 36e Sr en artikel 280 Sv.

Artikel 4, tweede lid, verwijst naar de situatie waarin confiscatie op grond van artikel 4, eerste lid, niet mogelijk zou zijn omdat de verdachte niet terecht kan staan of degene tegen wie een ontnemingsprocedure is ingesteld, niet ter terechtzitting kan verschijnen. Artikel 4, tweede lid, verwijst naar enkele specifieke situaties, zoals de vlucht of ziekte. Deze bepaling behoeft geen afzonderlijke implementatie aangezien in artikel 4, eerste lid, wordt bepaald dat ook middels een verstekprocedure in de genoemde situaties van vlucht of ziekte kan worden voorzien. Die mogelijkheid bestaat reeds naar Nederlands recht.

Artikel 5

Artikel 36e, leden 2 en 3, Sr

Artikel 5 betreft de zogenoemde ‘verruimde confiscatie’ (extended confiscation). Onder ruimere confiscatie dient mede te worden verstaan de confiscatie van vermogensbestanddelen die:

1. (mogelijk) niet zijn verkregen uit het strafbare feit of de strafbare feiten waarvoor de betrokkene werd veroordeeld, maar uit andere strafbare feiten;

2. kunnen worden aangemerkt als vervolgprofijt, of;

3. ander economisch voordeel waarvan de rechter kan aannemen dat het afkomstig is uit crimineel gedrag.

Met artikel 36e, tweede en derde lid, Sr is in deze ‘verruimde’ confiscatiemogelijkheden voorzien.

Artikel 6, eerste lid

Artikel 94a, vierde lid, Sv juncto artikel 575, eerste lid, Sv

Artikel 6 verplicht de Lidstaten om maatregelen te treffen die de confiscatie van vermogensbestanddelen onder derden mogelijk maakt. Naar Nederlands recht is confiscatie onder derden mogelijk doordat conservatoir beslag kan worden gelegd op voorwerpen die aan een ander (derde) zijn gaan toebehoren, met als kennelijk doel confiscatie te vermijden. Artikel 575, eerste lid, Sv maakt mogelijk dat op deze voorwerpen verhaal wordt genomen.

Daarmee wordt confiscatie onder derden geëffectueerd.

Artikel 6, tweede lid

Artikel 94a, vierde lid, en artikel 552a Sv

Artikel 6, tweede lid, beoogt de rechten van bona fide derden te beschermen.

In deze bescherming wordt voorzien doordat artikel 94a, vierde lid, Sv beslag bij anderen (derden) enkel mogelijk maakt in gevallen waarin sprake is van een ‘schijnconstructie’.

Artikel 94a, vierde lid, Sv vereist voor de inbeslagname onder de ander (derde) dat er voldoende aanwijzingen bestaan dat de voorwerpen geheel of ten dele aan die ander zijn gaan toebehoren met het kennelijke doel de uitwinning van voorwerpen te bemoeilijken of te verhinderen (vereiste van verhaalsfrustratie) en dat die ander dit wist of redelijkerwijze kon vermoeden (wetenschapsvereiste).

     
   

Tegen de inbeslagneming staat voor de ander (derde) een rechtsmiddel open (552a Sv).

Artikel 7, eerste lid

Artikelen 94 en 94a Sv

Beslag (of bevriezing) is mogelijk op grond van de artikelen 94 (klassiek beslag) en 94a Sv (conservatoir beslag).

     
 

Artikelen 96, tweede lid, 96c, vierde lid, 97, vijfde lid, 577bb, zevende lid, Sv

De bevriezingsmaatregelen omvatten op grond van de richtlijn hetgeen dringend moet worden ondernomen om onderwerpen veilig te stellen.

Met de artikelen 96, tweede lid, 96c, vierde lid, 97, vijfde lid, 577bb, zevende lid, Sv is in die maatregelen voorzien.

Artikel 7, tweede lid

Artikelen 94a, vierde lid, Sv

Artikel 7, tweede lid, verplicht de lidstaten beslag mogelijk te maken onder derden, dit met het oog op de confiscatie onder derden (artikel 6 Richtlijn). In een dergelijke beslagregeling is voorzien met artikel 94a, vierde lid, Sv.

Artikel 8, eerste lid

Titel IIIB Sv (Strafvordering ter zake van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel), meer i.h.b. artikel 511g Sv en de artikelen 552a en 552b Sv.

Confiscatie is mogelijk in de vorm van ‘verbeurdverklaring’ (art. 33 en 33a Sr) of in de vorm van de maatregel ‘ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel’ (artikel 36e Sr).

Aan de verbeurdverklaring gaat een strafproces vooraf, waarbij eveneens is voorzien in de mogelijkheid rechtsmiddelen in te stellen.

Aan het opleggen van de maatregel ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel gaat, naast de reguliere strafprocedure, nog een afzonderlijke procedure vooraf Titel IIIB Sv (Strafvordering ter zake van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel). Ook deze procedure, waarin de vaststelling van de hoogte van het verkregen voordeel centraal staat, is met alle noodzakelijke waarborgen omkleed. Ook hier kunnen tegen de rechterlijke beslissing rechtsmiddelen worden ingesteld (artikel 511g Sv).

     
   

De artikelen 552a en 552bSv voorzien in nadere waarborgen bij inbeslagneming. Ook voor derden die in de strafprocedure of ontnemingsprocedure geen partij zijn, maar die wel door de inbeslagneming worden geraakt, staat deze procedure open. De beslagene kan schriftelijk bezwaar maken tegen het beslag en wordt gehoord door een rechter.

Ingevolge artikel 552d Sv kan tegen de rechterlijke beslissing die op het klaagschrift volgt, cassatie worden ingesteld.

Artikel 8, tweede lid

Artt. 94, derde lid, Sv.

Artikel 103, tweede lid, Sv.

Artikel 8, tweede lid, regelt de kennisgeving van de inbeslagneming aan de beslagene.

     
 

Aanwijzing inbeslagneming (Stcrt. 2010, Nr. 19117, zoals laatstelijk gewijzigd bij aanwijzing Stcrt. 2014, 18598).

Onderdeel II.2 regelt dat de gronden voor het beslag in de kennisgeving worden opgenomen.

In de ‘Instructie Afpakken’ wordt ingegaan op de kennisgeving inbeslagneming bij conservatoir beslag ex artikel 94a Sv.

 

Artikel 8, derde lid

 

Deze bepaling vergt geen aanpassing van wetgeving.

Artikel 8, vierde lid

Artikelen 552a en 552b Sv.

Deze bepaling vergt geen aanpassing van wetgeving.

     
   

De artikelen 552a en 552b Sv voorzien in nadere waarborgen bij inbeslagneming. Ook voor derden die in de strafprocedure of ontnemingsprocedure geen partij zijn, maar die wel door de inbeslagneming worden geraakt, staat deze procedure open.

     
   

De beslagene kan schriftelijk bezwaar maken tegen het beslag en wordt gehoord door een rechter.

Artikel 8, vijfde lid,

116 Sv

Behoeft naar zijn aard geen implementatie.

Beslagen voorwerpen worden teruggegeven aan de rechthebbende wanneer het voortduren van het beslag niet langer in het belang van de strafvordering is. Dit omvat mede de situatie waarin wel beslag is gelegd, maar geen confiscatie zal plaatsvinden. Op grond van artikel 116 Sv wordt dan de teruggave gelast.

Artikel 8, zesde lid

Titel IIIB Sv (Strafvordering ter zake van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel), meer i.h.b. artikel 511e Sv juncto artt. 358, 362 en 366 Sv.

De confiscatiebeslissing vermeldt de redenen waarop zij berust (511e Sv juncto artikel 358 Sv); zij wordt in openbaarheid uitgesproken of betekend aan degene tegen wie zij is gericht 511e Sv juncto artikel 362 / 366 Sv.

     
   

Tegen de uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld (511g Sv).

     
   

Voor wat betreft de verbeurdverklaring – die als sanctie wordt opgelegd in een strafproces – wordt met de artikelen 358, 362 en 366 Sv aan de richtlijnverplichting uitvoering gegeven.

Artikel 8, zevende lid,

Titel IIIB Sv (Strafvordering ter zake van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel), meer i.h.b. artikel 511e Sv juncto artt. 331 Sv.

Deze bepaling vergt geen aanpassing van wetgeving.

Artikel 8, achtste lid

 

Deze bepaling vergt geen aanpassing van wetgeving.

Artikel 8, negende lid

Artikelen 552a en 552b Sv.

Deze bepaling vergt geen aanpassing van wetgeving.

Artikel 8, tiende lid

 

Deze bepaling vergt geen aanpassing van wetgeving.

Artikel 9

Artikelen 577ba – 577bg Sv.

Deze bepaling vergt geen aanpassing van wetgeving.

Artikel 10, eerste lid

Artikel 7, eerste lid, Besluit inbeslaggenomen voorwerpen.

De Landelijke Beslag Autoriteit van het Functioneel Parket zorgt voor het beheer van inbeslaggenomen voorwerpen.

Deze bepaling vergt geen aanpassing van wetgeving.

Artikel 10, tweede lid

Artikel 117 Sv

Deze bepaling vergt geen aanpassing van wetgeving.

Artikel 10, derde lid

 

Nederland ziet vooralsnog geen aanleiding voor een regeling voor de besteding van confiscatieopbrengsten aan nader gespecificeerde doelen.

Artikel 11 tot en met 16

 

Deze bepalingen behoeven naar hun aard geen implementatie.

Naar boven