Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Rijkswaterstaat | Staatscourant 2012, 22906 | Onteigeningen |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Rijkswaterstaat | Staatscourant 2012, 22906 | Onteigeningen |
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Beschikken bij dit besluit op het verzoek van het waterschap Scheldestromen bij brief van 28 maart 2012, kenmerk 2012008278, tot aanwijzing van onroerende zaken ter onteigening ingevolge artikel 62 van de onteigeningswet ten behoeve van de versterking van het dijk- en duinvak Nolle-Westduin, beginnend bij de Galgeweg (Hotel Westduin; dp 311) en eindigend bij de President Rooseveltlaan (dp 337), met bijkomende werken, in de gemeente Vlissingen.
Onze Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu heeft de beslissing op het verzoek voorgedragen bij brief van 15 oktober 2012, nr. RWSCD BJV 2012/1767, Rijkswaterstaat Corporate Dienst, Eenheid Bestuurlijk Juridische Zaken en Vastgoed.
Overeenkomstig artikel 3:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht hebben het ontwerp van het te nemen besluit alsmede de in artikel 63 van de onteigeningswet genoemde stukken in de periode van donderdag 12 juli 2012 tot en met woensdag 22 augustus 2012 in de gemeente Vlissingen en bij Rijkswaterstaat Corporate Dienst te Utrecht ter inzage gelegen. Voorafgaand daaraan is de terinzagelegging overeenkomstig artikel 3:12 van de Algemene wet bestuursrecht aangekondigd in het huis-aan-huisblad ‘De Faam’ van woensdag 11 juli 2012 alsmede in de Staatscourant, nr. 13556 van woensdag 11 juli 2012.
Voorts is overeenkomstig artikel 3:13 van de Algemene wet bestuursrecht voorafgaand aan de terinzagelegging het ontwerp van het te nemen besluit toegezonden aan belanghebbenden en aan de verzoeker om onteigening. Belanghebbenden zijn hierbij uitgenodigd voor een hoorzitting in de gemeente Vlissingen op woensdag 22 augustus 2012. In genoemde kennisgeving zijn belanghebbenden op de hoogte gesteld van de mogelijkheid tot het naar keuze schriftelijk of mondeling naar voren brengen van zienswijzen.
De volgende belanghebbenden hebben van deze mogelijkheid gebruik gemaakt:
1. de heer mr.ir. J.L. Mieras, namens de heren S., W. en A. Kluijfhout, eigenaren van de onroerende zaken met de grondplannummers 2 tot en met 7 (hierna: reclamanten sub 1);
2. Delta Infra B.V., rechthebbende met betrekking tot de onroerende zaak met het grondplannummer 11, bij brief van 11 juli 2012 (hierna reclamante sub 2).
Overwegingen
Ingevolge artikel 62 van de onteigeningswet kan onteigening plaatsvinden onder meer ten behoeve van de aanleg en verbetering van dijken.
Krachtens artikel 2.16a, derde lid, van de Invoeringswet Waterwet (Wet van 9 november 2009, Stb. 489) juncto artikel XII van de op 28 september 2005 in werking getreden wijziging van de Wet op de waterkering (Wet van 28 april 2005, Stb. 275) is op de onteigening tevens artikel 27 van de Wet op de waterkering (oud) van toepassing.
Reclamanten sub 1.
Namens de reclamanten sub 1 is samengevat het volgende naar voren gebracht:
1. de onteigening is geheel onnodig aangezien de versterkingswerken al enkele jaren geleden zijn uitgevoerd. Dit wordt ook erkend in het ontwerpbesluit. Boze tongen beweren dat het in de onteigening alleen te doen is om de noodzakelijke rijkssubsidies en niet om de versterking zelf. Om die reden ontbreekt zowel het publiek belang als de noodzaak en urgentie om tot onteigening over te gaan. De werken zijn immers al uitgevoerd zonder dat onteigening nodig was. Buiten het waterschap om is er ook geen enkele organisatie of burger die op onteigening aanstuurt, ook de Europese Commissie hoor je niet hierover. In de hoorzitting is namens reclamanten voorts opgemerkt, dat de op hun gronden voorziene compensatie ook elders op Walcheren plaats kan vinden. Reclamanten zijn zelfs bereid om daar wel gronden voor af te staan;
2. nu de noodzaak tot onteigening ontbreekt is het des te schrijnender dat reclamanten worden beroofd van zeer goede landbouwgrond. Het ter onteigening aan te wijzen deel is onderdeel van een groter perceel dat minder rendabel wordt om te gebruiken. Bovendien hebben reclamanten al zo weinig rendabele landbouwgrond kort bij huis;
3. het kabinet heeft een streep gezet door natuurprojecten. Dat kan door dit project ook. Met onteigening is belastinggeld gemoeid, wat weggegooid geld is. Bovendien blijft het niet bij aankoop van gronden, het gebied moet ook worden onderhouden. Het zou de staatssecretaris daarom sieren om met het waterschap om tafel te gaan en een praktische oplossing voor de subsidie te zoeken zodat onteigening wordt voorkomen;
4. reclamanten is een rad voor ogen gedraaid. Aanvankelijk zou er bos moeten komen maar uit het inrichtingsplan blijkt dat er nauwelijks bos wordt teruggeplant. Het wordt een open gebied. Dit is in strijd met de verleende vrijstelling op grond van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (oud). De vrijstelling is verleend voor bos en niet voor open gebied. Bos kan ook worden teruggeplant op de plaats waar het is gekapt, daar is weer ruimte vrij;
5. de onteigening is gestoeld op artikel 62 van de onteigeningswet. Uit dit artikel blijkt dat onteigening slechts kan plaatsvinden voor de aanleg, het herstel, versterking of onderhoud van waterkeringen. De ter onteigening aan te wijzen gronden zijn echter nodig voor natuurcompensatie, maar niet voor de versterking van de waterkering, die is zelfs al gerealiseerd. Verder is de natuurcompensatie mogelijk gemaakt via een vrijstelling ex artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (oud) en die is niet genoemd in artikel 62, tweede lid, van de onteigeningswet
Naar aanleiding van deze zienswijze merken Wij het volgende op.
Ad. 1.
Zoals ook blijkt uit de ‘overige overwegingen’ van het ontwerpbesluit, heeft de algemene vergadering van het (voormalige) waterschap Zeeuwse Eilanden bij besluit van 11 december 2007 het kustversterkingsplan ‘Nolle-Westduin’ vastgesteld. Bij besluit van 22 januari 2008 hebben gedeputeerde staten van Zeeland dit plan goedgekeurd. Tegen dit laatste besluit en enkele daarmee verband houdende besluiten hebben reclamanten sub 1 beroepen ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Bij uitspraak van 24 december 2008, inzake 200802721/1, 200805555/1 en 200804688/1, heeft de Afdeling deze beroepen gedeeltelijk niet-ontvankelijk en gedeeltelijk ongegrond verklaard. Daarmee is het versterkingsplan onherroepelijk geworden.
Het genoemde kustversterkingsplan voorziet in de eerste plaats in de realisering van maatregelen ter versterking van het dijk- en duingebied ‘Nolle-Westduin’ in de gemeente Vlissingen. De maatregelen bestonden onder meer uit het aanbrengen van zand achter de bestaande duinen en het overslagbestendig maken van de dijk. Reclamanten merken terecht op dat deze maatregelen reeds zijn uitgevoerd. In zoverre behoeven hiervoor dan ook geen gronden meer ter onteigening te worden aangewezen. Het kustversterkingsplan voorziet echter in de tweede plaats ook in de realisering van een nieuw bos- en natuurterrein ter compensatie van het natuurgebied dat door de versterking van de waterkering verloren is gegaan. Deze compensatie, met een oppervlakte van in totaal 12 hectare, vormt een onlosmakelijk onderdeel van het kustversterkingsplan en vloeit voort uit het Omgevingsplan Zeeland 2006-2012. Ingevolge dit plan dient de compensatie plaats te vinden met een zogenoemde kwaliteitstoeslag, wat betekent dat het deel van het bosgebied dat door de kustversterking verloren is gegaan (binnenduinrand) volgens een ratio van 1:2 moet worden gecompenseerd en dat een ander deel dat verloren is gegaan (het Nollebos) volgens een ratio van 3:4 moet worden gecompenseerd. Dit heeft in het kustversterkingsplan geleid tot een compensatiedoelstelling van circa 12 hectare.
De verzoeker om onteigening heeft nog niet alle voor de realisatie van deze doelstelling benodigde gronden via minnelijk overleg in eigendom kunnen verkrijgen. Als gevolg daarvan is de kustversterking derhalve nog niet volledig, met inbegrip van de bijkomende compenserende werken, gerealiseerd. Dat de versterking van het dijk- en duinvak als zodanig al wel is gerealiseerd doet daaraan niet af. De bedoelde compensatie is immers onlosmakelijk verbonden met en integraal onderdeel van het plan om te komen tot de versterking van het dijk- en duinvak ‘Nolle-Westduin”. Zoals ook uit de ‘overige overwegingen’ van dit besluit blijkt, vormde dit dijk- en duinvak één van de zwakke schakels in de kustverdediging van Walcheren, om welke reden dit vak diende te worden versterkt. Voorwaarde voor deze versterking was en is dat de waarden die daardoor verloren zijn gegaan gecompenseerd dienen te worden. Op basis van deze samenhang is het publiek belang van de onteigening naar Ons oordeel dan ook gegeven.
Voor het overige moet naar aanleiding van de zienswijze van reclamanten worden opgemerkt, dat de verplichting tot compensatie als zodanig, als ook de uitwerking, omvang en locatie van deze compensatie in de onderhavige onteigeningsprocedure niet meer ter beoordeling staan. De uitwerking heeft immers met inbegrip van de omvang en locatie gestalte gekregen in het onherroepelijke kustversterkingsplan. De Afdeling heeft in zijn bovengenoemde uitspraak van 24 december 2008 reeds overwogen dat, nu als gevolg van de uitvoering van het kustversterkingsplan natuurgebied verloren gaat, uit het in het genoemde omgevingsplan vervatte compensatiebeleid volgt dat dit verlies moet worden gecompenseerd. Dit beleid heeft de Afdeling niet onredelijk geacht. De Afdeling heeft voorts geoordeeld dat reclamanten niet aannemelijk hebben kunnen maken dat gedeputeerde staten van Zeeland bij de goedkeuring van het kustversterkingsplan niet in redelijkheid hebben kunnen komen tot de bovengenoemde kwaliteitstoeslag en een compensatiegebied met een omvang van 12 hectare op de gekozen locatie.
Wij merken voorts op dat de verzoeker om onteigening onder meer met reclamanten geen overeenstemming heeft kunnen bereiken over de verwerving van de gedeelten van hun eigendommen die voor de realisering van de compensatie nodig zijn. Wij achten daarom de noodzaak tot de aanwijzing van deze gronden ter onteigening aanwezig.
Met betrekking tot de urgentie van de onteigening wijzen Wij op artikel 3, eerste lid, van de Boswet. Ingevolge deze bepaling diende de verzoeker om onteigening binnen een tijdvak van drie jaar na de velling of het tenietgaan van de houtopstand in het gebied over te gaan tot herbeplanting. De verzoeker heeft niet aan deze eis kunnen voldoen door het nog niet beschikbaar zijn van de daartoe benodigde gronden. In verband daarmee heeft de Dienst Regelingen van het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie de verzoeker bij besluit van 5 juli 2012, op advies van de provincie Zeeland, op grond van artikel 6, tweede lid, van de Boswet uitstel verleend van de verplichting tot het verrichten van herbeplanting en wel tot 1 mei 2013. De verzoeker heeft in dat verband aangegeven, dat hij over wil gaan tot de realisatie van de compensatie met inbegrip van de herbeplanting zodra de daarvoor benodigde gronden beschikbaar zijn. Gelet hierop is de urgentie van de onteigening naar Ons oordeel gegeven.
Ad 2.
Het namens reclamanten gestelde omtrent het niet meer rendabel kunnen gebruiken van de gronden na de onteigening is financieel van aard. Een dergelijke zienswijze kan de aanwijzing van gronden ter onteigening niet in de weg staan. De onteigeningswet waarborgt belanghebbenden ingevolge artikel 40 een volledige schadeloosstelling. De hoogte daarvan staat echter in het kader van de (nu aan de orde zijnde) administratieve onteigeningsprocedure niet ter discussie aangezien de hoogte van de schadeloosstelling, bij het ontbreken van minnelijke overeenstemming, wordt vastgesteld in de gerechtelijke onteigeningsprocedure.
Ad 3.
Wij merken op, dat het onderhavige project niet behoort tot de natuurprojecten waar het kabinet volgens reclamanten een streep door heeft gezet. De kustversterking ‘Nolle-Westduin’ is, met inbegrip van de bijbehorende en hier in geding zijnde compensatie, opgenomen in het nationale hoogwaterbeschermingsprogramma. Dit programma wordt door het Rijk en de betrokken waterschappeen gesubsidieerd. Gesteld noch gebleken is, dat (ook) door deze subsidie een streep is gezet.
Ad 4.
Dit onderdeel heeft betrekking op de uitwerking van het compensatiebeginsel en de wijze waarop de compensatie ter plaatse vorm krijgt. Zoals hiervoor onder ad 1 reeds is opgemerkt, staan de uitwerking, omvang en locatie van de compensatie in de onderhavige procedure echter niet meer ter beoordeling, aangezien deze aspecten zijn vastgelegd in het onherroepelijke kustversterkingsplan.
Ad 5.
Wij merken op, dat de onteigening in dit geval geschiedt ter realisering van het kustversterkingsplan ‘Nolle-Westduin”. Krachtens dit plan vormt de compensatie die onder meer op de gronden van reclamanten is voorzien een onlosmakelijk en integraal onderdeel van de dijk- en kustversterking. De compensatie moet in het verband van de onteigening dan ook als een noodzakelijk en bijkomend werk van de kustversterking worden gezien, waarmee zij, gelet ook op het bepaalde in artikel 28 van de Wet op de waterkering (oud) onder het toepassingsbereik van artikel 62 van de onteigeningswet valt. Voor het overige merken Wij op, dat de onteigening op grond van zojuist genoemd artikel plaatsvindt op de grondslag van het inmiddels onherroepelijke kustversterkingsplan. Zoals Wij eerder in Ons besluit van 27 mei 2002, no. 02.002446 (dijkversterking Vianen, Staatscourant 7 juni 2002, nr. 106) hebben overwogen, kan de administratieve onteigeningsprocedure worden gestart nadat het dijkversterkingsplan door gedeputeerde staten is goedgekeurd. In het onderhavige geval is het plan, zoals uit het gestelde onder ad 1 blijkt, door gedeputeerde staten van Zeeland goedgekeurd bij besluit van 22 januari 2008. De onderhavige procedure is, met de terinzagelegging van de onteigeningsstukken, gestart op 12 juli 2012. Hiermee is derhalve aan bedoelde voorwaarde voldaan.
Ten overvloede merken Wij nog op, dat de raad van de gemeente Vlissingen bij besluit van 31 maart 2011 het bestemmingsplan ‘Westduin’ heeft vastgesteld, dat onder meer voorziet in de planologische inpassing van het kustversterkingsplan ‘Nolle-Westduin’ met inbegrip van het compensatiegebied van 12 hectare. Reclamanten hebben tegen dit besluit beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling heeft het beroep bij uitspraak van 4 november 2011, inzake 201106744/3/R2, ongegrond verklaard, waarmee het plan onherroepelijk is geworden.
Reclamante sub 2.
Reclamante wijst mede namens Evides N.V. op de aanwezigheid van een asbestcement drinkwaterleiding met een doorsnede van 200 mm, die op basis van een zakelijk recht in het perceel kadastraal bekend gemeente Vlissingen, sectie H, nummer 1646 ligt. Daarnaast wijst zij erop, dat deze leiding zeer kwetsbaar is en gevoelig is voor zettingen. Reclamante acht het van belang dat het zakelijk recht na onteigening hersteld wordt om de leiding te beschermen.
Naar aanleiding van deze zienswijze merken Wij het volgende op.
Slaagt de verzoeker om onteigening er niet in om met de eigenaar van de onroerende zaak waarop het opstalrecht van reclamante is gevestigd tot overeenstemming te komen en komt het uiteindelijk tot een gerechtelijke onteigening, dan zal dit opstalrecht ingevolge artikel 59, derde lid, van de onteigeningswet door inschrijving van het vonnis van onteigening vervallen (titelzuiverende werking). In dat geval geldt op grond van artikel 41a juncto artikel 40 van de onteigeningswet dat reclamante hiervoor volledig schadeloos wordt gesteld. Daarbij verplicht de onteigeningswet niet tot een schadeloosstelling in een andere vorm dan geld, bijvoorbeeld door de (her)vestiging van het opstalrecht. Hierbij merken Wij op, dat uit de overgelegde stukken blijkt, dat de verzoeker met reclamante contact heeft gehad over de uitvoering van de werken op het betrokken perceel. De verzoeker heeft reclamante bij brief van 2 juli 2012 in dat kader laten weten, dat het perceel voor de realisering van de werken gebruikt zal worden voor de aan- en afvoer van grond. Vanwege het materiaal van de leiding zal deze voor de aanvang van het werk vervangen moeten worden. Hierover zal voorafgaand aan de uitvoering van het werk contact met reclamante worden opgenomen. Voor het overige heeft de verzoeker reclamante meegedeeld, dat hij bereid is om mee te werken aan de vestiging van een nieuw zakelijk recht ten behoeve van de leiding in het betrokken perceel, indien het bestaande recht door de onteigening komt te vervallen.
Overige overwegingen
Bij besluit van 11 december 2007 heeft de algemene vergadering van het toenmalige waterschap Zeeuwse Eilanden (thans het waterschap Scheldestromen) het kustversterkingsplan Nolle-Westduin vastgesteld. Gedeputeerde staten van Zeeland hebben dit plan bij besluit van 22 januari 2008 ingevolge artikel 7 van de Wet op de waterkering (oud) goedgekeurd. Bij besluit van 28 maart 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vlissingen met toepassing van artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (oud) een vrijstelling verleend ten behoeve van het kustversterkingsplan. Tegen de goedkeuring van het versterkingsplan en tegen de vrijstelling zijn beroepen ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Bij uitspraak van 25 december 2008, inzake nummers 200802721/1, 200805555/1 en 200804688/1, heeft de Afdeling de beroepen niet-ontvankelijk of ongegrond verklaard, zodat het versterkingsplan en de vrijstelling onherroepelijk zijn geworden.
Bij besluit van 31 maart 2011, nr. 411044, heeft de gemeenteraad van Vlissingen voorts het bestemmingsplan ‘Westduin’ vastgesteld. Dit plan is door de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 4 november 2011, nr. 201106744/3/R2, onherroepelijk geworden.
In 2003 bleek uit onderzoek van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat (thans Infrastructuur en Milieu) dat de golfbelasting op de Nederlandse kustverdediging tijdens maatgevende omstandigheden veel zwaarder is dan werd aangenomen. De staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat verzocht hierop de waterkeringbeheerders langs de kust om de waterkeringen op basis van de nieuwe inzichten te toetsen. Op grond van deze toetsing zijn acht zogenaamde ‘zwakke schakels’ in de kust onderkend, waar de dijken of duinen onvoldoende hoog zijn om aan de wettelijk vastgestelde veiligheidsnorm te voldoen. Om hiervoor een oplossing te vinden is het project ‘Zwakke Schakels’ in gang gezet. Vervolgens zijn onder regie van de provincies de acht prioritaire zwakke-schakelprojecten gestart.
Eén van de zwakke schakels betrof de Zuidwestkust van Walcheren van Vlissingen tot Domburg. Hier dient een groot deel van de kustverdediging te worden versterkt. De termijn waarop die uitgevoerd moet worden verschilt aanzienlijk. Bij besluit van gedeputeerde staten van Zeeland van 17 oktober 2006 tot vaststelling van het kustplan ‘Zwakke Schakels’ is besloten om de versterking van de Westkapelse Zeedijk en het Nolle-Westduingebied als eerste uit te voeren. Daartoe is het bovengenoemde kustversterkingsplan Nolle Westduin vastgesteld en goedgekeurd, waarin naast de dijk- en duinversterking ook de natuurcompensatie in het gebied direct aansluitend aan het bestaande binnenduinrandbos is begrepen. Het dijk- en duinvak Nolle Westduin is reeds versterkt, alleen de onlosmakelijk daarmee verbonden natuurcompensatie dient nog te worden gerealiseerd.
Het moet in het belang van de volledige realisering van het kustversterkingsplan Nolle-Westduin noodzakelijk worden geacht, dat het waterschap Scheldestromen de eigendom verkrijgt van de in dit besluit genoemde onroerende zaken.
De door reclamanten naar voren gebrachte zienswijzen worden niet van zodanig gewicht geacht dat op grond daarvan het verzoek om een koninklijk besluit ex artikel 62 van de onteigeningswet, moet worden afgewezen.
Beslissing
Hebben Wij goedgevonden en verstaan:
Gelet op de onteigeningswet,
Ten behoeve van de versterking van het dijk- en duinvak Nolle-Westduin, beginnend bij de Galgeweg (Hotel Westduin; dp 311) en eindigend bij de President Rooseveltlaan (dp 337), met bijkomende werken, in de gemeente Vlissingen zullen ten algemenen nutte en ten name van het waterschap Scheldestromen worden onteigend de onroerende zaken, aangeduid op de grondtekening die ingevolge artikel 63 van de onteigeningswet in de gemeente Vlissingen en bij Rijkswaterstaat Corporate Dienst ter inzage heeft gelegen als:
|
Van de onroerende zaak, kadastraal bekend, gemeente Vlissingen |
|||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
|
Grondplan nr. |
Te onteigenen grootte |
Als |
Ter grootte van |
Sectie en nr. |
Ten name van |
||||
|
ha |
a |
ca |
ha |
a |
ca |
||||
|
2 |
2 |
54 |
67 |
terrein (akkerbouw) |
6 |
05 |
20 |
L 3411 |
1/2 eigendom: Willem Kluijfhout, gehuwd met Neeltje de Graaf, Koudekerke 1/2 eigendom: Abraham Kluijfhout, gehuwd met Maria Johanna de Nooijer, Middelburg |
|
3 |
0 |
02 |
20 |
terrein (akkerbouw) |
0 |
02 |
20 |
L 3639 |
Als grondplanummer 2 |
|
4 |
3 |
02 |
61 |
terrein (akkerbouw) |
6 |
22 |
80 |
L 3403 |
1/2 eigendom: Salomon Kluijfhout, gehuwd met Catharina Geschiere, Koudekerke 1/4 eigendom: Willem Kluijfhout, gehuwd met Neeltje de Graaf, Koudekerke 1/4 eigendom: Abraham Kluijfhout, gehuwd met Maria Johanna de Nooijer, Middelburg |
|
5 |
0 |
03 |
35 |
terrein (akkerbouw) |
0 |
03 |
35 |
L 3638 |
Als grondplannummer 4 |
|
6 |
2 |
22 |
53 |
terrein (akkerbouw) |
4 |
59 |
45 |
L 3402 |
Salomon Kluijfhout, gehuwd met Catharina Geschiere, Koudekerke |
|
7 |
0 |
06 |
42 |
terrein (akkerbouw) |
0 |
12 |
10 |
L 3637 |
Als grondplannummer 6 |
|
9 |
0 |
95 |
16 |
terrein (grasland) |
1 |
09 |
25 |
L 1869 |
Dirk Vos, gehuwd met Martina Aarnoutse, Middelburg |
|
10 |
0 |
28 |
30 |
terrein (grasland) |
1 |
90 |
65 |
L 2225 |
Laurens Reijnierse, gehuwd met Maria Adriana Brasser, Koudekerke |
|
11 |
0 |
01 |
93 |
wegen |
0 |
06 |
50 |
H 1646 |
Laurens Reijnierse, gehuwd met Maria Adriana Brasaser, Koudekerke. zakelijk recht als bedoeld in art. 5 lid 3 onder B van de Belemmeringenwet Privaatrecht: Delta NV, Middelburg zakelijk recht als bedoeld in art. 5 lid 3 onder B van de Belemmeringenwet Privaatrecht op gedeelte van perceel: Delta NV, Middelburg |
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2012-22906.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.