Onteigening in de gemeente Vianen

Dijkversterking Hagestein - Everdingen

Besluit van 27 mei 2002, nr. 02.002446 houdende aanwijzing van onroerende zaken ter onteigening ten algemenen nutte

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Beschikken bij dit besluit over het verzoek van Het Hoogheemraadschap van de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden van 20 juli 2001, kenmerk 0108086/MV/PvB, tot aanwijzing van onroerende zaken ter onteigening ingevolge de artikelen 62 en 72a van de onteigeningswet juncto artikel 27 van de Wet op de waterkering, ten behoeve van de versterking van de Zuider Lekdijk tussen dijkpaal V64, juist ten westen van de brug van de A27 en Fort Everdingen, en dijkpaal 97+325 m, ter hoogte van de Diefdijk, met bijkomende werken, in de gemeente Vianen.

Onze Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat heeft de beslissing op het verzoek voorgedragen bij brief van 23 mei 2002, nr. HKW/R 2002/4360, Hoofdkantoor van de Waterstaat, Stafdienst Bestuurlijk Juridische Zaken.

Overeenkomstig artikel 27 van de Wet op de waterkering heeft een door Onze minister van Verkeer en Waterstaat, benoemde commissie in de gemeente Vianen een hoorzitting gehouden om de zienswijze van belanghebbenden tegen de voorgenomen onteigening en het plan van het werk aan te horen.

Van de mogelijkheid tot het naar voren brengen van zienswijzen is door de volgende belanghebbenden gebruik gemaakt.

1. De heer P.J.M. ten Have en mevrouw A.H. Hilbrink, eigenaren van de onroerende zaken met de grondplannummers 344 respectievelijk 349.

2. De heer J. Kemp, eigenaar van de onroerende zaken met de grondplannummers 438 en 439.

3. De heren W.J.J. van Straaten en E.J. van Straaten, eigenaren van de onroerende zaken met de grondplannummers 30, 412, 413, 416, 417, 421.

4. De heer A. Stravers, eigenaar van de onroerende zaken met de grondplannummers 285 en 560 alsmede pachter van de onroerende zaken met de grondplannummers 557 en 558.

5. De heer G.D. van der Water, eigenaar van de onroerende zaken met de grondplannummers 562, 314, 323, 603, 604 en 635.

6. De heer E.B. de With, eigenaar van de onroerende zaak met het grondplannummmer 56.

Overwegingen

Ingevolge voornoemde artikelen 62 en 72a van de onteigeningswet juncto artikel 27 van de Wet op de waterkering kan, zonder voorafgaande verklaring bij de wet dat het algemeen nut onteigening vordert, onteigening plaatsvinden onder meer ten behoeve van de aanleg en verbetering van dijken en wegen.

Reclamanten sub 1.

Reclamanten brengen naar voren, dat de huidige onteigeningsgrenzen verschillen van de grenzen die in een eerder stadium in het minnelijk overleg met de verzoeker om onteigening aan de orde zijn gekomen. Specifiek hebben zij te horen gekregen, dat de onteigeningsgrenzen de grenzen van hun tuin zouden volgen, waardoor een oppervlakte van circa 6a 88ca in plaats van circa 7a 30ca van hen benodigd zou zijn.

In algemene zin wordt opgemerkt, dat de verzoeker om onteigening op grond van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur gehouden is om alvorens de start van de administratieve onteigeningsprocedure met de terinzagelegging van de onteigeningsstukken minnelijk overleg te voeren met de betrokken rechthebbenden over verwerving van benodigde gronden. In dit stadium vindt evenwel eveneens en ten dele op basis van voornoemd overleg het opstellen van de onteigeningsstukken plaats. Bovendien kan bestuurlijk overleg wijzigingen in het voorgestane ontwerp teweeg brengen. Derhalve zijn wijzigingen in het benodigde ruimtebeslag in de uiteindelijk ter inzage te leggen onteigeningsstukken ten opzichte van in een eerder stadium in het minnelijk overleg tussen beide partijen gehanteerde kaarten niet ondenkbaar. De onderhavige plannen van het werk en van onteigening zijn overeenkomstig de wettelijke bepalingen bekend gemaakt en ter inzage gelegd.

Voorts wordt opgemerkt, dat de verzoeker om onteigening op 14 november 2001 voor de tweede maal een schriftelijk bod op de van reclamanten benodigde gronden heeft uitgebracht. De in een eerder stadium tussen partijen overeengekomen situering van de onteigeningsgrenzen langs de siertuin van reclamanten was op de bij het bod gevoegde tekening abusievelijk niet aangegeven. Tevens was reeds het eerste schriftelijke aanbod op de door reclamanten bedoelde (juiste) onteigeningsgrenzen gebaseerd. Van een verschil in onteigeningsgrenzen is derhalve met het uitbrengen van het tweede bod geen sprake.

Vervolgens geven reclamanten sub 1 aan, dat zij beroep hebben aangetekend bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State tegen het dijkversterkingplan. Zij zijn van mening, dat de voorgestane dijkversterking ter hoogte van hun huis (tevens) buitendijks kan geschieden. Alvorens hierover door de Afdeling uitspraak is gedaan achten zij onvoldoende duidelijk welke gronden nodig zijn voor het werk en dientengevolge onteigend kunnen worden.

De administratieve onteigeningsprocedure kan gestart worden nadat het betreffende dijkversterkingplan door gedeputeerde staten is goedgekeurd. In het onderhavige geval is het dijkversterkingplan Zederik en Hagestein-Everdingen door gedeputeerde staten van Zuid-Holland op 23 april 2001 goedgekeurd. Tegen deze goedkeuring is beroep aangetekend bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State die hiertoe op 21 maart 2002 zitting heeft gehouden.

Reclamanten sub 1 ageren voorts tegen de hun inziens zeer trage werkwijze van de verzoeker om onteigening. In dit verband wijzen zij op de dijkversterking in Culemborg waartoe min of meer gelijktijdig met de onderhavige dijkversterking procedures zijn gestart, hele uiterwaarden en boerderijen zijn opgekocht en het karwei inmiddels is afgerond, zonder dat het onteigeningsinstrument behoefde te worden gebruikt.

Tot slot geven reclamanten sub 1 aan, dat hen op 29 november 1999 een aankoopvoorstel is gedaan. In nadien gevoerd minnelijk overleg is de waardering van de betrokken gronden aan de orde gekomen, waarop de verzoeker om onteigening naderhand niet meer heeft gereageerd. Reclamanten stellen zich op het standpunt, dat het starten van een onteigeningsprocedure in een dergelijke situatie niet juist is. Bovendien vinden zij, dat de betrokken gronden opnieuw moeten worden getaxeerd omdat de vigerende taxaties verouderd zijn.

Vooreerst merken Wij met betrekking tot de zienswijze van reclamanten op, dat de onteigening moet worden gezien als een ultimum remedium, waarbij de eis geldt dat ten opzichte van de burger eerst naar dit middel (het starten van de administratieve onteigeningsprocedure) kan en mag worden gegrepen, indien langs minnelijke weg niet of niet in de gewenste vorm overeenstemming kan worden bereikt. Daarbij geldt, dat in de procedure op grond van de Titels II en IIa van de onteigeningswet in het algemeen genoegzaam aan deze eis is voldaan, indien voor de terinzagelegging van de onteigeningsbescheiden een aanvang met het minnelijk overleg is gemaakt. Dit overleg dient tot een redelijk punt te worden voortgezet alvorens, na gebleken noodzaak daartoe, de administratieve procedure kan worden ingezet. Daarbij is het wenselijk doch niet noodzakelijk dat ten tijde van de terinzagelegging van de onteigeningsstukken reeds een formeel aanbod is uitgebracht. Voldoende is, dat er sprake is geweest van een redelijke, doch vruchteloos gebleken poging om hetgeen onteigend moet worden langs minnelijke weg te verwerven. In dat verband kan ook zonder dat er een formeel bod is uitgebracht genoegzaam komen vast te staan, dat de verwerving langs minnelijke weg vooralsnog tot de mogelijkheden behoort.

Met betrekking tot het tussen de verzoeker om onteigening en belanghebbenden reeds gevoerde minnelijk overleg wordt voorts het volgende opgemerkt. De verzoeker om onteigening heeft op 22 september 1999 mondeling een bod op de benodigde gronden uitgebracht en deze vervolgens op 29 november 1999 schriftelijk bevestigd. Nadien is dit bod op 13 maart 2000 bij reclamanten in herinnering gebracht. De reactie van reclamanten op dit bod heeft niet tot overeenstemming tussen partijen geleid. De verzoeker om onteigening heeft recent op 9 september 2001 mondeling een tweede bod uitgebracht en deze op 14 november 2001 schriftelijk bevestigd.

Bovenstaande in ogenschouw nemende, kon in redelijkheid met de administratieve onteigeningsprocedure een aanvang worden genomen, nu is gebleken dat de verzoeker om onteigening voldoende doch vruchteloze pogingen heeft ondernomen om met reclamanten tot overeenstemming te komen.

Het overleg met reclamanten gaat door. Dit overleg, danwel het overleg dat ingevolge artikel 17 van de onteigeningswet bij het ontbreken van minnelijke overeenstemming aan de gerechtelijke procedure vooraf zal moeten gaan, zal wellicht tot een voor beide partijen aanvaardbare oplossing kunnen leiden.

Ingevolge artikel 40 van de onteigeningswet vormt de schadeloosstelling een volledige vergoeding voor alle schade die de eigenaar rechtstreeks en noodzakelijk door het verlies van zijn onroerende zaak lijdt. De hoogte van de schadeloosstelling staat echter in het kader van onderhavige administratieve onteigeningsprocedure niet ter beoordeling, maar komt bij het ontbreken van minnelijke overeenstemming in het kader van de gerechtelijke onteigeningsprocedure aan de orde. In dit verband wordt nog opgemerkt, dat een herziene taxatie van de betrokken gronden van reclamanten heeft plaats gevonden.

Reclamant sub 2.

Reclamant geeft aan, dat hij niet tevreden is over het met hem gevoerde minnelijk overleg. Zo heeft hij in het minnelijk overleg de mogelijkheden om te komen tot een schadeloosstelling in vervangende gronden aan de orde gesteld, waarop hij naar zijn mening geen passende reactie van de verzoeker om onteigening heeft gekregen, onder meer omdat deze vrijgekomen en nabijgelegen gronden niet in dat overleg heeft willen betrekken. Voorts brengt reclamant naar voren, dat in het minnelijk overleg van begin september 2001 een voorstel is gedaan waarvan hij tot op heden niets meer heeft vernomen. Tot slot wijst reclamant nog op de voor hem nadelige effecten van de in gang zijnde ruilverkaveling te Everdingen op het verkrijgen van de door hem gewenste overeenstemming.

Met betrekking tot de door reclamant geuite wens tot een schadeloosstelling in vervangende bedrijfsgronden het volgende op.

Ingevolge artikel 40 van de onteigeningswet vormt de schadeloosstelling een volledige vergoeding voor alle schade die de eigenaar rechtstreeks en noodzakelijk door het verlies van zijn onroerende zaak lijdt. De hoogte van de schadeloosstelling staat in het kader van de onderhavige administratieve onteigeningsprocedure niet ter beoordeling, maar komt bij het ontbreken van minnelijke overeenstemming in het kader van de gerechtelijke onteigeningsprocedure aan de orde.

De onteigeningswet verplicht de verzoeker om onteigening niet tot schadeloosstelling in de vorm van compensatiegronden voor bedrijfsvoeringen of een oplossing anderszins. Zienswijzen waarin reclamanten een wens tot schadeloosstelling in een andere vorm dan geld kenbaar maken, overstijgen de mogelijkheden welke de onteigeningswet biedt om binnen redelijke termijn te komen tot minnelijke overeenstemming. Mogelijkheden tot schadeloosstelling in deze zin zullen in der minne en veelal in samenwerking met andere overheden, alsmede met particuliere eigenaren van gronden bezien moeten worden. Alhoewel dergelijke zienswijzen in het verlengde van bovenstaande in de onderhavige administratieve onteigeningsprocedure niet zelfstandig beoordeeld worden, komen zij in de onderhavige procedure wel in het kader van de toetsing van het minnelijke overleg aan de orde. De noodzaak van de onteigening is immers mede afhankelijk van de wijze waarop dat minnelijk overleg is en zal verlopen.

Naast bovenstaande is voorts de beschikbaarheid van gronden die ter compensatie aangeboden kunnen worden schaars en is de verzoeker om onteigening bovendien door meerdere rechthebbenden verzocht om vervangende bedrijfsgronden aan te bieden. Tevens is de verzoeker om onteigening gehouden aan haar eigen, op de urgentie van de aanleg van het werk toegespitste, planning. Nadrukkelijk zij vermeld, dat de verzoeker om onteigening de verzoeken tracht in te willigen.

Reclamant is eigenaar van de onroerende zaken kadastraal bekend als gemeente Vianen, sectie F, nummers 47 en 80, die bij hem in gebruik zijn als maïsland en wei. Van deze onroerende zaken met een totale oppervlakte van 2ha 59a 95ca is een oppervlakte van 74a 17ca noodzakelijk voor de aanleg van het werk.

Met betrekking tot het tussen de verzoeker om onteigening en belanghebbende reeds gevoerde minnelijk overleg wordt het volgende opgemerkt. In het onderhavige geval heeft de verzoeker om onteigening aangegeven, dat het verlies van de onderhavige gronden geen bedrijfsbeëindiging voor reclamant zal betekenen. Reclamant is in april 2000 schriftelijk een bod gedaan. Voorts zijn hem telefonisch op 12 juni 2001 vervangende bedrijfsgronden aangeboden. Hierop is tevens een herinneringsbrief verstuurd met een tweede bod en de bevestiging over vervangende bedrijfsgronden. In dit verband wordt opgemerkt, dat de verzoeker om onteigening heeft aangegeven moeizaam met reclamant in overleg te kunnen treden vanwege diverse afzeggingen zijnerzijds van geplande overlegmomenten. In het minnelijk overleg tussen partijen van 3 september 2001 heeft reclamant afwijzend gereageerd op de aangeboden vervangende bedrijfsgronden.Voorts heeft deze destijds aangegeven om beide betrokken onroerende zaken geheel te willen verkopen.

Bovenstaande in ogenschouw nemende, kon in redelijkheid met de administratieve onteigeningsprocedure een aanvang worden genomen, nu is gebleken dat de verzoeker om onteigening voldoende doch vruchteloze pogingen heeft ondernomen om met reclamant tot overeenstemming te komen.

Het overleg met reclamant gaat door. Dit overleg, danwel het overleg dat ingevolge artikel 17 van de onteigeningswet bij het ontbreken van minnelijke overeenstemming aan de gerechtelijke procedure vooraf zal moeten gaan, zal wellicht tot een voor beide partijen aanvaardbare oplossing kunnen leiden.

Reclamanten sub 3.

Reclamanten geven aan, dat de handelwijze van de verzoeker om onteigening in het minnelijk overleg onvoldoende is. In dit verband wordt opgemerkt, dat door hen tweeëneenhalf jaar geleden is gevraagd om een schadeloosstelling in vervangende gronden. Nadien kwamen hiertoe gronden beschikbaar, nota bene direct gelegen naast hun stal. Deze gronden zijn echter inmiddels weer verkocht zonder dat de verzoeker om onteigening van deze klaarblijkelijke mogelijkheid gebruik heeft gemaakt.

Vervolgens geven reclamanten sub 3 aan, dat hun bedrijf momenteel zo'n 39ha gronden omvat en daarmee een levensvatbaar bedrijf mag worden genoemd. Er is voldoende ruimte aanwezig in de ligboxenstal en voor mestopslag volgens hedendaagse normen. De onderhavige onteigening raakt evenwel het hart van dit bedrijf waarmee rekening gehouden dient te worden.

Met betrekking tot de door reclamanten geuite wens tot een schadeloosstelling in vervangende gronden wordt vooreerst verwezen naar hetgeen hieromtrent ten aanzien van reclamant sub 2 wordt overwogen.

Gebleken is, dat van de betrokken gronden van reclamanten een oppervlakte van circa 2ha noodzakelijk is voor de aanleg van het werk. Deze gronden bestaan uit talud en uiterwaard en hebben de bestemmingen `waterkering' en `agrarisch'. De verzoeker om onteigening heeft aangegeven, dat de levensvatbaarheid van het bedrijf van reclamanten als gevolg van de onderhavige onteigening niet zal worden aangetast.

Met betrekking tot het tussen de verzoeker om onteigening en belanghebbenden reeds gevoerde minnelijk overleg wordt het volgende opgemerkt. Na enige oriënterende gesprekken tussen partijen heeft de verzoeker om onteigening op 7 november 2000 mondeling een bod op de benodigde gronden uitgebracht. Een schriftelijk bod is op 12 december 2000 uitgebracht. Tevens heeft de verzoeker om onteigening enige vervangende bedrijfsgronden aangeboden, hetgeen evenwel niet tot overeenstemming tussen partijen heeft geleid. Op 23 juli 2001 is wederom een bod uitgebracht.

Bovenstaande in ogenschouw nemende, kon in redelijkheid met de administratieve onteigeningsprocedure een aanvang worden genomen, nu is gebleken dat de verzoeker om onteigening voldoende doch vruchteloze pogingen heeft ondernomen om met reclamanten tot overeenstemming te komen.

Het overleg met reclamanten gaat door. Dit overleg, danwel het overleg dat ingevolge artikel 17 van de onteigeningswet bij het ontbreken van minnelijke overeenstemming aan de gerechtelijke procedure vooraf zal moeten gaan, zal wellicht tot een voor beide partijen aanvaardbare oplossing kunnen leiden.

Reclamanten sub 3 brengen tevens naar voren, dat in de onderhavige onteigening de realisatie van natuuroevers aan de orde is. Zij zijn van mening dat dat niet nodig en bovendien niet mogelijk is.

De commissie merkt op, dat ingevolge de artikelen 28 en 7 van de Wet op de waterkering in de onderhavige plannen van het werk en van onteigening, en overigens tevens in het betrokken dijkversterkingsplan, voorzieningen ter bevordering van het belang van het landschap, natuur of cultuurhistorie, voor zover die voorzieningen rechtstreeks verband houden met de uitvoering van het werk, kunnen worden opgenomen.

Voorts wordt opgemerkt, dat voor zover de zienswijze van reclamanten ziet op de noodzaak van het werk en de keuze tussen bestaande alternatieven deze buiten het kader van de onderhavige administratieve onteigeningsprocedure valt. Dergelijke zienswijzen kunnen in het kader van de procedures voor het dijkversterkingplan aan de orde komen.

Tot slot merken reclamanten sub 3 op, dat de verzoeker om onteigening een veel te laag bedrag aan schadeloosstelling wil aanbieden. Met een dergelijke schadeloosstelling is het zelfstandig aankopen van in de nabijheid gelegen vervangende gronden naar hun mening absoluut niet mogelijk. Reclamanten stellen in dit verband de objectiviteit van taxaties die in opdracht van de verzoeker om onteigening plaats vinden ter discussie. Ondertussen wordt door de verzoeker om onteigening wel gesproken over het starten van een onteigeningsprocedure indien zij niet instemmen met deze schadeloosstelling. Hierbij merken zij nog op, dat het grote belang dat met de onteigening gediend is (bescherming van het achterland) in de schadeloosstelling tot uitdrukking mag komen.

Ingevolge artikel 40 van de onteigeningswet vormt de schadeloosstelling een volledige vergoeding voor alle schade die de eigenaar rechtstreeks en noodzakelijk door het verlies van zijn onroerende zaak lijdt. De hoogte van de schadeloosstelling staat in het kader van de onderhavige administratieve onteigeningsprocedure niet ter beoordeling, maar komt bij het ontbreken van minnelijke overeenstemming in het kader van de gerechtelijke onteigeningsprocedure aan de orde.

Reclamant sub 4.

Reclamant vraagt zich af, of een wettelijke basis bestaat voor de natuurontwikkeling zoals deze in de onderhavige onteigening is betrokken.

Met betrekking tot deze zienswijze wordt verwezen naar hetgeen hieromtrent ten aanzien van reclamanten sub 3 wordt overwogen.

Vervolgens geeft reclamant sub 4 geeft aan, dat circa tweederde deel van de door hem gepachte gronden in de onderhavige onteigening betrokken is. Ondanks veelvuldig minnelijk overleg hieromtrent is echter, overigens vanwege diverse oorzaken, nog geen overeenstemming over aankoop bereikt. De onderhavige onteigening zal door het verlies van gronden en mestrechten het einde van zijn bedrijf in de huidige vorm betekenen. Reclamant vraagt zich af hoe hiervoor een oplossing zal worden gevonden. Hierbij geeft hij te kennen, dat hij weinig vertrouwen heeft in de handelwijze van de verzoeker om onteigening.

Met betrekking tot de door reclamant geuite wens tot een schadeloosstelling in vervangende gronden wordt vooreerst verwezen naar hetgeen hieromtrent ten aanzien van reclamant sub 2 wordt overwogen.

Voorts wordt met betrekking tot het reeds tussen de verzoeker om onteigening en belanghebbende gevoerde minnelijk overleg het volgende opgemerkt. Gebleken is, dat de verzoeker om onteigening een schadeloosstelling op basis van bedrijfsverplaatsing als uitgangspunt neemt in het minnelijk overleg met reclamant. Hiertoe is door deze contact gelegd met de Dienst Landelijk Gebied van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en is reclamant reeds een voorstel gedaan.

Het overleg met reclamant gaat door. Dit overleg, danwel het overleg dat ingevolge artikel 17 van de onteigeningswet bij het ontbreken van minnelijke overeenstemming aan de gerechtelijke procedure vooraf zal moeten gaan, zal wellicht tot een voor beide partijen aanvaardbare oplossing kunnen leiden.

Tot slot vraagt reclamant sub 4 gelet op de onteigeningsprocedure naar enige termijnen waarbinnen het werk gerealiseerd zal worden.

De verzoeker om onteigening heeft aangegeven met het werk te (willen) starten in 2003.

Reclamant sub 5.

Reclamant brengt naar voren, dat hij zich niet kan vinden in de waardering van zijn gronden die de verzoeker om onteigening hanteert. Specifiek betreft het de waardering van binnendijks gelegen gronden ten opzichte van buitendijks gelegen gronden. Binnendijks gelegen gronden worden naar zijn mening onterecht (tot wel dertig procent) hoger gewaardeerd dan buitendijks gelegen gronden.

Ingevolge artikel 40 van de onteigeningswet vormt de schadeloosstelling een volledige vergoeding voor alle schade die de eigenaar rechtstreeks en noodzakelijk door het verlies van zijn onroerende zaak lijdt. De hoogte van de schadeloosstelling staat in het kader van de onderhavige administratieve onteigeningsprocedure niet ter beoordeling, maar komt bij het ontbreken van minnelijke overeenstemming in het kader van de gerechtelijke onteigeningsprocedure aan de orde.

Reclamant sub 6.

Reclamant vraagt op welke wijze de onteigeningsgrenzen tot stand komen en wie deze vervolgens vaststelt. Voorts vraagt hij met welke hoeveelheden gronden binnendijks en buitendijks wordt gerekend.

Voorafgaand aan de onderhavige administratieve onteigeningsprocedure is het verzoek om toepassing van de Titels II en IIa van de onteigeningswet van het Hoogheemraadschap van de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden (brief van 20 juli 2001, kenmerk 0108086/MV/PvB) getoetst. In dit kader is van belang dat het in het verzoek opgenomen plan van onteigening niet treedt buiten de grenzen van het dijkversterkingsplan Zederik en Hagestein-Everdingen. Voorts worden de plannen van het werk en van onteigening zelfstandig getoetst. De Minister van Verkeer en Waterstaat is hiertoe ingevolge de onteigeningswet bevoegd gezag.

Voorts brengt reclamant sub 6 naar voren, dat volgens de verzoeker om onteigening enige gronden van hem slechts tijdelijk benodigd zullen zijn. Hij is van mening, dat de onteigening in dergelijke gevallen eveneens slechts tijdelijk kan zijn waardoor de grond in een later stadium teruggegeven kan worden en hij mettertijd niet met zijn bedrijf in de problemen raakt.

Reclamant is eigenaar van de onroerende zaak kadastraal bekend als gemeente Vianen, sectie F, nummer 40. Van deze onroerende zaak met een totale oppervlakte van 36a 50ca is een oppervlakte van 5a 90ca noodzakelijk voor de aanleg van het werk. De verzoeker om onteigening heeft aangegeven, dat dit werk bestaat uit diverse werkzaamheden die een permanente eigendomsinbreuk met zich mee brengen. In dit verband wordt gewezen op onder meer het buitenwaarts versterken van de waterkering door het aanbrengen van klei, het buitendijks graven van een nieuwe sloot met natuuroever en het aanbrengen van afrit(jes) ten behoeve van onderhoudswerkzaamheden. Voorts laten het beheer en instandhouding van deze werken niet toe, dat in dit geval gesproken kan worden over tijdelijk benodigde gronden die in een later stadium aan reclamant teruggegeven kunnen worden.

Tot slot vraagt reclamant sub 6 of de betrokkenen in het bezit worden gesteld van een schriftelijke motivering van de aan de orde gekomen onderwerpen in deze onteigening.

Het reeds uitgebrachte advies van de commissie ex artikel 27 van de Wet op de waterkering alsmede het onderhavige besluit ter aanwijzing van onroerende zaken ter onteigening bevat een weergave van door belanghebbenden naar voren gebrachte zienswijzen en overwegingen te dien aanzien.

Overige overwegingen

Het Hoogheemraadschap van de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden heeft het dijkversterkingsplan Zederik en Hagestein-Everdingen op 15 november 2000 vastgesteld. Vervolgens hebben gedeputeerde staten van Zuid-Holland dit plan op 23 april 2001 goedgekeurd. Tegen deze goedkeuring is bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State beroep aangetekend, die hiertoe op 21 maart 2002 zitting heeft gehouden.

Het moet in het belang van de beveiliging van het land tegen overstromingen noodzakelijk worden geacht, dat het Hoogheemraadschap van de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden de eigendom verkrijgt van de in dit besluit genoemde onroerende zaken.

De door reclamanten naar voren gebrachte zienswijzen worden niet van zodanig gewicht geacht dat op grond daarvan het verzoek, om een koninklijk besluit ex artikelen 62 en 72a van de onteigeningswet juncto artikel 27 van de Wet op de waterkering te bevorderen, moet worden afgewezen.

Beslissing

Gelet op de onteigeningswet en de Wet op de waterkering,

Hebben Wij goedgevonden en verstaan:

Ten behoeve van de versterking van de Zuider Lekdijk tussen dijkpaal V64, juist ten westen van de brug van de A27 en Fort Everdingen, en dijkpaal 97+325 m, ter hoogte van de Diefdijk, met bijkomende werken, in de gemeente Vianen

zullen ten algemenen nutte en ten name van het Hoogheemraadschap van de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden worden onteigend de onroerende zaken, aangeduid op de grondtekeningen welke ingevolge artikel 63 van de onteigeningswet op de secretarie van de gemeente Vianen ter inzage hebben gelegen als:

stcrt-2002-106-p8-SC34880-1.gifstcrt-2002-106-p8-SC34880-2.gifstcrt-2002-106-p8-SC34880-3.gifstcrt-2002-106-p8-SC34880-4.gifstcrt-2002-106-p8-SC34880-5.gifstcrt-2002-106-p8-SC34880-6.gifstcrt-2002-106-p8-SC34880-7.gifstcrt-2002-106-p8-SC34880-8.gifstcrt-2002-106-p8-SC34880-9.gifstcrt-2002-106-p8-SC34880-10.gifstcrt-2002-106-p8-SC34880-11.gifstcrt-2002-106-p8-SC34880-12.gifstcrt-2002-106-p8-SC34880-13.gifstcrt-2002-106-p8-SC34880-14.gifstcrt-2002-106-p8-SC34880-15.gifstcrt-2002-106-p8-SC34880-16.gifstcrt-2002-106-p8-SC34880-17.gif

Onze Minister van Verkeer en Waterstaat is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Staatscourant zal worden geplaatst.

's-Gravenhage, 27 mei 2002.
Beatrix.
De Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat,J.M. de Vries.

Naar boven