Ontwerp besluit, houdende regels over de commissie die adviseert over het doen van een nader onderzoek als bedoeld in artikel 462, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering (Besluit adviescommissie afgesloten strafzaken) [ONTWERPTEKST ZOALS AANGEBODEN AAN DE AFDELING ADVISERING VAN DE RAAD VAN STATE]

Ontwerpbesluit

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 3 juli 2012, Directie Wetgeving en Juridische Zaken nr. 279334;

Gelet op artikel 462, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van ... nr. ...);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van ..., Directie Wetgeving en Juridische Zaken nr. ...;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Artikel 1

In dit besluit wordt verstaan onder:

a. de commissie:

de commissie, bedoeld in artikel 2;

b. de procureur-generaal:

de procureur-generaal bij de Hoge Raad, bedoeld in artikel 111 van de Wet op de rechterlijke organisatie;

c. de wet:

het Wetboek van Strafvordering;

d. Onze Minister:

Onze Minister van Veiligheid en Justitie.

Artikel 2

Er is een commissie die tot taak heeft de procureur-generaal te adviseren over de wenselijkheid van een nader onderzoek als bedoeld in artikel 461, eerste lid, van de wet.

Artikel 3

  • 1. De leden van de commissie worden benoemd op grond van de deskundigheid die nodig is voor een goede vervulling van de in artikel 2 bedoelde taak alsmede op grond van hun brede maatschappelijke kennis en ervaring.

  • 2. De commissie bestaat uit vijf leden:

    • a. twee wetenschappers, waarvan er een tevens voorzitter is;

    • b. een deskundige op het terrein van de politiepraktijk;

    • c. een advocaat;

    • d. een lid van het openbaar ministerie.

  • 3. Voor benoeming als lid van de commissie komen ambtenaren die werken onder de verantwoordelijkheid van Onze Minister niet in aanmerking, met uitzondering van ambtenaren van het openbaar ministerie.

Artikel 4

  • 1. De commissie verricht haar taak op onpartijdige en onafhankelijke wijze.

  • 2. Elk van de leden van de commissie kan zich verschonen indien zich naar zijn oordeel feiten of omstandigheden voordoen waardoor de onpartijdigheid of onafhankelijkheid schade zou kunnen lijden.

  • 3. Indien het bepaalde in het tweede lid toepassing heeft gevonden, vervult de commissie haar taak in een samenstelling waarvan het lid dat zich heeft verschoond geen deel meer uitmaakt. Het lid dat zich verschoont wordt vervangen door een plaatsvervangend lid.

Artikel 5

  • 1. De leden van de commissie worden door Onze Minister op voordracht van de procureur-generaal benoemd, geschorst en ontslagen. Onze Minister benoemt op voordracht van de procureur-generaal tevens zoveel plaatsvervangende leden van de in artikel 3, tweede lid, onderscheiden leden als voor een goede vervulling van de taak van de commissie nodig is. Het bepaalde in de eerste volzin is van overeenkomstige toepassing op plaatsvervangende leden.

  • 2. De benoeming van de leden en de plaatsvervangende leden van de commissie geschiedt voor een periode van ten minste vier en ten hoogste zes jaar, behoudens de mogelijkheid van eerder ontslag. Zij kunnen eenmaal voor een gelijke periode worden herbenoemd. Het lidmaatschap eindigt bij het bereiken van de leeftijd van zeventig jaar.

  • 3. Schorsing en ontslag vinden slechts plaats wegens ongeschiktheid of onbekwaamheid of wegens andere zwaarwegende in de persoon van het betrokken lid gelegen redenen. Ontslag vindt voorts plaats op eigen verzoek.

  • 4. De leden en plaatsvervangende leden van de commissie die niet in dienst zijn van het Rijk ontvangen een vergoeding op grond van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies.

Artikel 6

  • 1. De commissie wordt bijgestaan door een secretaris. De secretaris is geen lid van de commissie.

  • 2. De voorzitter geeft leiding aan de werkzaamheden van de secretaris.

  • 3. De secretaris staat onder het gezag van de commissie en legt voor zijn werkzaamheden uitsluitend aan de commissie verantwoording af.

  • 4. De procureur-generaal draagt, na overleg met de commissie, zorg voor de nodige voorzieningen ten behoeve van de werkzaamheden van de secretaris en van de commissie.

  • 5. De secretaris wordt op voordracht van de procureur-generaal door de voorzitter benoemd. Hij wordt door de voorzitter geschorst en ontslagen.

Artikel 7

  • 1. De commissie bepaalt haar eigen werkwijze. Zij stelt een huishoudelijk reglement vast waarin in ieder geval regels zijn opgenomen over werkwijzen en procedures met het oog op een goede en zorgvuldige uitoefening van de in artikel 2 bedoelde taak.

  • 2. De commissie kan zich door deskundigen die niet tot de commissie behoren tijdens het onderzoek doen bijstaan voor zover dat voor de vervulling van de taak van de commissie noodzakelijk is.

Artikel 8

  • 1. De commissie is bevoegd kennis te nemen van alle in de afgesloten strafzaak gevoegde processtukken voor zover zij dit voor de uitoefening van haar taak relevant acht. Tevens is zij bevoegd om, na overleg met de procureur-generaal, kennis te nemen van niet in die strafzaak gevoegde stukken voor zover die met de strafzaak in verband staan en de commissie kennisneming daarvan voor de uitoefening van haar taak relevant acht.

  • 2. De commissie is bevoegd tot het horen van:

    • a. opsporingsambtenaren;

    • b. medewerkers van politie, van andere opsporingsdiensten, en van het openbaar ministerie;

    • c. de rechter-commissaris of de raadsheer-commissaris die in de afgesloten strafzaak enig onderzoek heeft verricht;

    • d. deskundigen.

  • 3. De commissie is bevoegd een deskundige een opdracht te verstrekken. De deskundige brengt zijn rapport uit aan de commissie.

Artikel 9

Deskundigen, bedoeld in de artikelen 7 en 8, ontvangen uit ‘s rijks kas een vergoeding op de wijze bij de wet bepaald.

Artikel 10

De leden en de plaatsvervangende leden van de commissie, de secretaris, de personen die op grond van artikel 7, tweede lid, bijstand verlenen aan de commissie en de deskundige die op grond van artikel 8, derde lid, een opdracht is verstrekt, zijn verplicht tot geheimhouding van de gegevens waarover zij bij de uitoefening van hun taak de beschikking krijgen en waarvan zij het vertrouwelijke karakter kennen of redelijkerwijs moeten vermoeden, behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hen tot mededeling verplicht of uit hun taak de noodzaak van mededeling voortvloeit.

Artikel 11

Dit besluit treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet hervorming herziening ten voordele in werking treedt.

Artikel 12

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit adviescommissie afgesloten strafzaken.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

De Minister van Veiligheid en Justitie,

NOTA VAN TOELICHTING

I. Algemeen

1. Inleiding

De Wet hervorming herziening ten voordele moderniseert de regeling uit het Wetboek van Strafvordering (Sv) volgens welke onherroepelijke uitspraken van de strafrechter ten voordele van de gewezen verdachte kunnen worden herzien. Een van de elementen van de gemoderniseerde regeling is dat de procureur-generaal bij de Hoge Raad ambtshalve of op verzoek van de gewezen verdachte nader onderzoek naar een novum kan doen verrichten, en voorafgaand aan de beslissing over het instellen van een dergelijk onderzoek advies kan inwinnen van een commissie die is belast met advisering over de wenselijkheid van een nader onderzoek (artikel 462, eerste lid, Sv). Het advies van de commissie wordt schriftelijk uitgebracht en is openbaar (artikel 462, derde lid, Sv). De benoeming van de leden van de commissie geschiedt door de Minister van Veiligheid en Justitie op voordracht van de procureur-generaal (artikel 462, vierde lid, Sv).

Dit besluit regelt de samenstelling, inrichting, bevoegdheden en werkwijze van de adviserende commissie. De adviserende commissie is voor een belangrijk deel vergelijkbaar met de toegangscommissie van de Commissie evaluatie afgesloten strafzaken (CEAS). Om deze reden zijn het Instellingbesluit van de CEAS en de evaluatie van de CEAS (zoals weergegeven in het rapport ‘De CEAS aan het werk’), voor zover relevant, betrokken bij de totstandkoming van dit besluit.

In paragraaf 2 worden de hoofdlijnen van het besluit toegelicht. Daarna volgt de financiële paragraaf (paragraaf 3). Ten slotte wordt het besluit artikelsgewijs toegelicht.

Over het ontwerp van dit besluit zijn adviezen ontvangen van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak (NVvR), de Raad voor de rechtspraak (Rvdr) en de Nederlandse Orde van Advocaten (NOvA). Het besluit wordt in deze adviezen onderschreven. De in de adviezen gemaakte opmerkingen zijn, waar mogelijk, verwerkt in het besluit of in de daarop gegeven toelichting. Waar aangewezen wordt hieronder op specifieke onderdelen van de adviezen ingegaan.

2. Hoofdlijnen van het besluit
2.1. Taak en bevoegdheden adviserende commissie

De procureur-generaal kan een nader onderzoek doen verrichten naar een mogelijk novum. Voor de beantwoording van de vraag of een dergelijk, onder zijn leiding te verrichten, onderzoek wenselijk is, waaronder begrepen de vraag naar de vraagstelling en inrichting van dat onderzoek, kan hij advies inwinnen van een commissie. Dit besluit handelt over de vormgeving van deze commissie. Het bevat geen regels over de wijze waarop het nader onderzoek, indien tot het verrichten daarvan wordt besloten, wordt uitgevoerd. In dit opzicht is de adviserende commissie uit dit besluit te vergelijken met de toegangscommissie van de CEAS. Het besluit kent aan de commissie bevoegdheden toe die nodig zijn om over de wenselijkheid van een onderzoek te adviseren. Zo kan de commissie informatie inwinnen van onder andere deskundigen. Het is, gelet op de taakopdracht van de commissie, niet de bedoeling dat de commissie het nader onderzoek zelf verricht. Daarom is het nodig noch wenselijk om aan de commissie bevoegdheden toe te kennen die bij de uitvoering van het (wenselijk geoordeelde) onderzoek nodig kunnen zijn. Als de procureur-generaal (op basis van het advies van de commissie) besluit een nader onderzoek te doen verrichten, vindt dat onderzoek onder zijn leiding plaats in een strafvorderlijk kader op de wijze als aangegeven in de artikelen 463 en 464 Sv. Onder de bevoegdheden die bij de uitvoering van het onderzoek kunnen worden ingezet, bevinden zich ook afdwingbare bevoegdheden.

2.2. Samenstelling adviserende commissie

In artikel 462, vierde lid, Sv is bepaald dat de samenstelling van de adviserende commissie bij algemene maatregel van bestuur zal plaatsvinden. In de memorie van toelichting bij het aan de Wet hervorming herziening ten voordele ten grondslag liggende wetsvoorstel is over deze samenstelling aangegeven dat de commissie, anders dan de toegangscommissie van de CEAS, niet louter uit juristen zal bestaan, maar ook uit deskundigen (Kamerstukken II 2008/09, 32 045, nr. 3, blz. 35). In lijn daarmee is in artikel 3, tweede lid, van dit besluit bepaald dat de commissie uit vijf leden bestaat: twee wetenschappers, waarvan er een tevens voorzitter van de commissie is, een deskundige op het terrein van de politiepraktijk, een advocaat en een lid van het openbaar ministerie.

De in de commissie te benoemen wetenschappers dienen gezaghebbend te zijn. Zij hoeven, zoals de NVvR in haar advies aangeeft, niet van een bepaald wetenschapsterrein afkomstig te zijn. Wel ligt het voor de hand dat ten minste een van de wetenschappers algemene kennis heeft van of ervaring heeft met methoden en technieken van empirisch onderzoek. De Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen kan hierbij wellicht behulpzaam zijn.

De deskundige op het terrein van de politiepraktijk kan afkomstig zijn uit de wetenschap, maar dit is geen vereiste.

Het van de commissie deel uitmakende lid van het openbaar ministerie en de advocaat kunnen hun ervaring in strafzaken, bijvoorbeeld over de opbouw en inrichting van het procesdossier dat aan de commissie ter beschikking staat, inbrengen. Zij kennen de wegen waarlangs in de strafrechtsketen inlichtingen zouden kunnen worden ingewonnen, die voor de commissie van belang zijn.

Het zal veelal zo zijn dat de leden van de commissie niet zelf beschikken over de deskundigheid die voor beoordeling van de wenselijkheid van een nader onderzoek in een specifieke afgesloten strafzaak nodig is. In dergelijke gevallen kunnen de leden van de commissie deskundigen horen (artikel 8, tweede lid), deskundigen een opdracht verstrekken (artikel 8, derde lid) of deskundigen aanwijzen die aan de commissie bijstand verlenen (artikel 7, tweede lid). Het is met andere woorden niet nodig – en trouwens ook niet mogelijk – dat de commissieleden zelf op de voor de taakuitoefening van de commissie relevante gebieden, deskundig zijn. Indien bijvoorbeeld behoefte bestaat aan deskundigheid op het terrein van het DNA-onderzoek of ballistisch onderzoek, en deze deskundigheid niet bij de leden van de commissie voorhanden is, kan een deskundige op dat terrein worden gehoord of worden gevraagd bijstand te verlenen aan de commissie.

In het concept van dit besluit was bepaald dat de commissie zou bestaan uit een wetenschapper, tevens voorzitter, een deskundige op het gebied van de politiepraktijk, een advocaat, een lid van het openbaar ministerie en een rechter. De NVvR heeft in haar advies voorgesteld om de commissie uit te breiden met meer wetenschappers. Voorop gesteld moet worden dat voor uitbreiding van de commissie met meer leden geen aanleiding bestaat. Het aantal van vijf leden is ruim voldoende voor een adequate taakuitoefening door de commissie. Daarbij voegt zich dat het, zoals hierboven aangegeven, onmogelijk is dat de leden van de commissie zelf op alle gebieden die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de wenselijkheid van een nader onderzoek in afgesloten strafzaken, deskundig zijn. Wel dient de commissie voldoende te zijn toegerust voor het beoordelen welke (soort) deskundige door de commissie wordt gehoord of gevraagd een rapportage op te maken. Met het oog daarop is het aantal wetenschappers binnen de voorziene samenstelling van de commissie van vijf leden, vergroot.

3. Financiële paragraaf

Er wordt voorzien in financiële middelen om de commissie en haar ondersteuning te bekostigen. Deze kosten worden binnen de begroting van het Ministerie van Veiligheid en Justitie opgevangen.

II. Artikelsgewijs

Artikel 3

Het eerste en tweede lid zijn toegelicht in paragraaf 2. In het eerste lid worden onder wetenschappers personen verstaan die in een wetenschappelijke functie aan een universiteit verbonden zijn of verbonden zijn geweest. Onder ambtenaren die werken onder de verantwoordelijkheid van de Minister van Veiligheid en Justitie, bedoeld in het derde lid, en die behoudens uitzonderingen niet in aanmerking komen om als lid van de commissie te worden benoemd, vallen ook de medewerkers van het Nederlands Forensisch Instituut. Ambtenaren van het openbaar ministerie zijn uitgezonderd. Voor een uitzondering voor politieambtenaren is geen aanleiding. De verwachting is niet dat geen deskundige op het terrein van de politiepraktijk zou kunnen worden gevonden die niet tevens fungerend politieambtenaar is.

Artikel 4

Het tweede en derde lid betreffen de mogelijkheid van de leden van de commissie zich te verschonen. In het geval waarin een lid van de commissie betrokken is geweest bij de afgesloten strafzaak waarin de commissie om advies is gevraagd, spreekt het voor zich dat het desbetreffende lid zich verschoont. Te denken valt aan het geval waarin een wetenschappelijk lid eerder als deskundige een rapport heeft uitgebracht in de afgesloten strafzaak. Een ander voorbeeld betreft de gevallen waarin commissieleden die advocaat of lid van het openbaar ministerie zijn, eerder als raadsman of officier van justitie onderscheidenlijk advocaat-generaal in de afgesloten strafzaak hebben opgetreden. Het enkele feit dat een of meer directe collega’s van een lid van de commissie bij de afgesloten strafzaak betrokken zijn geweest is, zoals de Rvdr in zijn advies opmerkt, niet zonder meer een reden voor het desbetreffende lid van de commissie om zich te verschonen. Ook de schijn van partijdigheid moet evenwel worden vermeden. Om dit tot uitdrukking te brengen is naar aanleiding van het advies van de Rvdr in het tweede lid – in aansluiting bij de in het Wetboek van Strafvordering opgenomen regeling van verschoning van rechters – bepaald dat een lid zich verschoont als er zich feiten en omstandigheden voordoen waardoor de onpartijdigheid of onafhankelijkheid schade zou ‘kunnen’ lijden. Dat de situatie waarin een lid zich moet verschonen zich gemakkelijk kan voordoen, blijkt uit ervaringen met de – met de commissie uit dit besluit vergelijkbare – toegangscommissie van de CEAS. De leden van de toegangscommissie hebben zich een aantal malen moeten verschonen wegens eerdere betrokkenheid bij de aan de toegangscommissie voorgelegde strafzaak.

Het is niet mogelijk gemaakt een lid van de commissie te wraken. Een daartoe strekkende regeling zou nodig noch wenselijk zijn. De commissie neemt immers geen beslissingen over de afgesloten strafzaak.

Naar aanleiding van door de NVvR en Rvdr gemaakte opmerkingen is in het derde lid bepaald dat het lid dat zich verschoont wordt vervangen door een plaatsvervangend lid. Daardoor is in de tekst van het besluit verduidelijkt dat de commissie ook in deze situatie in haar in artikel 3 voorgeschreven samenstelling (van vijf leden) over de inhoud van het uit te brengen advies beslist.

Artikel 5

In de wet is bepaald dat de Minister van Veiligheid en Justitie de leden van de commissie op voordracht van de procureur-generaal benoemt (artikel 462, vierde lid, Sv). Op grond van het eerste lid geschieden ook herbenoeming, schorsing en ontslag van de leden langs die weg. Er kunnen op grond van het eerste lid ook plaatsvervangende leden worden benoemd. Inzet van een plaatsvervangend lid kan aan de orde zijn wanneer een lid is verhinderd, of wanneer een lid zich op grond van artikel 4 heeft verschoond. De reden voor het kunnen inzetten van plaatsvervangende leden is – zie ook de artikelsgewijze toelichting op artikel 4 – dat het wenselijk is dat de commissie in haar in artikel 3 voorgeschreven samenstelling (van vijf leden) over de inhoud van het uit te brengen advies beslist. Daartoe dienen de onderscheiden leden te kunnen worden vervangen.

Op grond van het tweede lid eindigt het lidmaatschap van de commissie met het bereiken van de leeftijd van zeventig jaar. Het lid van het openbaar ministerie kan ook na defungeren, na ommekomst van de leeftijd van vijfenzestig jaar, lid van de commissie blijven. Wetenschappers die met emeritaat zijn, kunnen evenzeer lid van de commissie blijven.

Schorsing en ontslag van de leden van de commissie vinden plaats op de in het derde lid aangegeven gronden. Een van die gronden betreft ‘andere zwaarwegende, in de persoon van het betrokken lid gelegen redenen’ (dan ongeschiktheid of onbekwaamheid). Onder die andere redenen valt niet het enkele feit dat het betrokken lid van de commissie na de start van zijn lidmaatschap ophoudt werkzaam te zijn in zijn hoofdfunctie, zo kan in antwoord op een in het advies van de NVvR gestelde vraag worden verduidelijkt. Wel kan ophouden werkzaam te zijn in de hoofdfunctie een rol spelen bij een eventuele herbenoeming.

Het vierde lid regelt – daarbij voortbouwend op de voor de CEAS geldende regeling van artikel 11 van het Instellingsbesluit van de CEAS – dat de leden en de plaatsvervangende leden van de commissie die niet in dienst zijn van het rijk een vergoeding ontvangen.

Artikel 6

De commissie wordt ondersteund door een secretaris die op voordracht van de procureur-generaal door de voorzitter van de commissie wordt benoemd (eerste en vijfde lid). De voordracht door de procureur-generaal tot benoeming doet uiteraard niet af aan het feit dat het besluit tot benoeming wordt genomen door de voorzitter van de commissie. Deze is dus niet verplicht de voorgedragen kandidaat te benoemen. De secretaris kan door de voorzitter van de commissie worden geschorst en ontslagen zonder dat daarvoor – vanwege de onafhankelijke positie van de commissie – een voordracht van de procureur-generaal noodzakelijk is. De secretaris zou bijvoorbeeld een medewerker van het wetenschappelijk bureau van de Hoge Raad kunnen zijn. Als hij dat niet is, wordt de secretaris bij dat bureau gedetacheerd. De secretaris legt – ongeacht of hij medewerker van het wetenschappelijk bureau is of vanuit elders bij dat bureau is gedetacheerd – voor zijn werkzaamheden uitsluitend verantwoording af aan de commissie (derde lid). Hij kan dus uitsluitend van de (voorzitter van de) commissie aanwijzingen krijgen met betrekking tot zijn werkzaamheden als secretaris. De procureur-generaal draagt na overleg met de commissie zorg voor de nodige voorzieningen ter ondersteuning van de commissie en de secretaris (vierde lid).

Artikel 7

Op advies van de NVvR is in het eerste lid bepaald dat de commissie een huishoudelijk reglement vaststelt. Daarin kunnen regels over de werkwijze van de commissie worden opgenomen, zoals de regel dat het vast te stellen advies in de aanwezigheid van alle leden van de commissie wordt besproken.

Het tweede lid bevat de mogelijkheid van bijstand aan de commissie door deskundigen die geen lid van de commissie zijn. Dat kan aan de orde zijn, zo kan in reactie op het advies van de NVvR worden opgemerkt, wanneer naar het oordeel van de commissie niet kan worden volstaan met het enkel horen van een deskundige of hem vragen een rapportage te laten opmaken, zoals voorzien in artikel 8. Te denken valt aan gevallen waarin de commissie behoefte heeft aan bijstand van een bepaalde deskundige tijdens het door haar verrichte onderzoek. Deze deskundige neemt geen deel aan de beraadslagingen van de commissie.

De Rvdr adviseert in het tweede lid tot uitdrukking te brengen dat de deskundige waardoor de commissie zich laat bijstaan moet voldoen aan de kwaliteitseisen die krachtens artikel 51i, vierde lid, Sv zijn gesteld. De NOvA wijst erop dat niet is geregeld hoe de benoeming van de deskundige in het werk gaat en welke bevoegdheden en verplichtingen de deskundige toekomen. In reactie op deze adviezen kan voorop worden gesteld dat het niet de bedoeling is om de regels die in het strafvorderlijk kader met betrekking tot deskundigen zijn voorzien, in hun geheel van toepassing te verklaren op de deskundigeninbreng bij de commissie. De taak van de commissie is te adviseren over de wenselijkheid van een nader onderzoek in een afgesloten strafzaak, niet om dat nader onderzoek uit te voeren. De in het besluit voorziene deskundigeninbreng is derhalve bedoeld om bij te dragen aan de beoordeling door de commissie of een nader onderzoek wenselijk is, en niet om dat nader onderzoek uit te voeren. Wel ligt voor de hand dat bij de benoeming van degene wiens bijstand wordt verlangd wordt nagegaan over welke specifieke kwalificaties betrokkene beschikt om zijn benoeming te rechtvaardigen. Ook hier kunnen wellicht de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen of het Nederlands Register Gerechtelijk Deskundigen worden geraadpleegd. De gevallen waarin een deskundige tot geheimhouding verplicht is worden benoemd in artikel 10.

Artikel 8

Dit artikel betreft de bevoegdheden van de commissie. Deze kwamen in paragraaf 2.1 aan de orde. In aanvulling daarop het volgende. Zoals in de memorie van toelichting bij het aan de Wet hervorming herziening ten voordele ten grondslag liggende wetsvoorstel is aangekondigd, kan de commissie van het gehele dossier kennisnemen, en kan de commissie inlichtingen inwinnen bij deskundigen (Kamerstukken II 2008/09, 32 045, nr. 3, blz. 21). Dit is uitgewerkt in het eerste en tweede lid. De bevoegdheden uit het eerste en tweede lid bouwen voort op de bevoegdheden die de toegangscommissie van de CEAS toekwam op basis van het desbetreffende instellingsbesluit.

Het eerste lid bevat in de eerste volzin een bevoegdheid om kennis te nemen van de processtukken. Het betreft alle, in de afgesloten strafzaak waarin de commissie adviseert, gevoegde processtukken. De NVvR wijst er in haar advies op dat het heel goed zou kunnen zijn dat de commissie in voorkomende gevallen ook behoefte kan hebben aan informatie die zich niet bij de gevoegde processtukken bevindt. In lijn met dit advies is het eerste lid aangevuld met een mogelijkheid om kennis te nemen van met de strafzaak in verband staande stukken die niet zijn gevoegd. Bepaald is dat daarvan kennis kan worden genomen na overleg met de procureur-generaal. De procureur-generaal kan bij niet gevoegde stukken op verzoek van de commissie laten bezien of daaraan door de commissie relevant geachte gegevens kunnen worden ontleend. Ook kan op deze wijze worden verzekerd dat, in lijn met het advies van de NVvR, aan de commissie geen gegevens worden overgedragen waarvan het onwenselijk zou zijn als de commissie daarvan kennis zou kunnen nemen, zoals gegevens over beschermde getuigen of politie-informanten.

Het tweede lid betreft de bevoegdheid van de commissie om in dat artikellid genoemde personen te horen. Op advies van de Rvdr zijn aan de opsomming ook de rechter-commissaris en de raadsheer-commissaris die in de afgesloten strafzaak enig onderzoek hebben verricht, toegevoegd, omdat ook zij over relevante informatie kunnen beschikken.

Onder deskundigen zijn begrepen de forensisch deskundigen van het Nederlands Forensisch Instituut.

Het derde lid voorziet in de mogelijkheid om deskundigen te vragen werkzaamheden van beperkte omvang te verrichten, zoals het opmaken van een rapportage over een bepaalde kwestie. Dat kan van belang zijn naast het (mondeling of schriftelijk) horen van de deskundige, zoals voorzien is in het tweede lid.

De Rvdr vraagt zich in zijn advies af of de aan de commissie in dit artikel toegekende bevoegdheden toereikend zijn en wijst erop dat het wenselijk kan zijn dat getuigen of de veroordeelde zelf worden gehoord, dan wel dat een schouw plaatsvindt. In lijn met het gestelde in paragraaf 2.1 kunnen de door de Rvdr genoemde onderzoekshandelingen plaatsvinden in het kader van de uitvoering van het nader onderzoek, indien door de procureur-generaal ingesteld. Dat betekent dat als de commissie het verrichten van dergelijke onderzoekshandelingen wenselijk oordeelt, zij de procureur-generaal kan adviseren om nader onderzoek te doen verrichten en om in het kader van dat onderzoek de door haar wenselijk geoordeelde onderzoekshandelingen te doen uitvoeren. Zoals in paragraaf 2.1 is aangegeven adviseert de commissie namelijk ook over de inrichting van het onderzoek.

Als de procureur-generaal op advies van de commissie een nader onderzoek instelt, en tijdens of na de uitvoering van dat onderzoek de behoefte ontstaat het oordeel van de commissie te vernemen over de verdere inrichting van dat onderzoek of over vervolgonderzoek, dan maakt de wet mogelijk dat de procureur-generaal aan de commissie een nader advies vraagt. Zo is dus mogelijk dat de commissie op verzoek van de procureur-generaal nader adviseert nadat de procureur-generaal op het eerdere advies van de commissie afdwingbare bevoegdheden heeft doen inzetten, zoals het horen van getuigen of de veroordeelde.

Voor de volledigheid kan er in dit verband op worden gewezen dat de commissie ook om advies kan worden gevraagd wanneer de procureur-generaal, zoals de wet mogelijk maakt, een verzoek tot nader onderzoek zonder raadpleging van de commissie heeft gehonoreerd en hij gedurende of na afloop van dat onderzoek advisering door de commissie wenselijk oordeelt.

Artikel 9

Naar aanleiding van de adviezen van Rvdr en NOvA is dit artikel in het besluit opgenomen. De deskundige die de commissie bijstand verleent op grond van artikel 7, tweede lid, dan wel door de commissie wordt gehoord (artikel 8, tweede lid) of een opdracht wordt verstrekt (artikel 8, derde lid), wordt betaald overeenkomstig de Wet en het besluit tarieven in strafzaken.

Artikel 10

Dit artikel bevat een verplichting voor de commissie en degenen die haar bijstand verlenen om de gegevens waarover zij door hun taakuitoefening de beschikking krijgen geheim te houden. Deze plicht betreft ook de inhoud van de beraadslagingen van de commissie over het uit te brengen advies. Zoals in de memorie van toelichting bij het aan de Wet hervorming herziening ten voordele ten grondslag liggende wetsvoorstel is aangegeven (Kamerstukken II 2008/09, 32 045, nr. 3, blz. 21), is het niet de bedoeling dat leden van de commissie buiten de commissie om hun, mogelijk van de meerderheid van de commissie afwijkende, standpunten tegenover de media ventileren; hierdoor zou het gezag van de commissie worden aangetast. De geheimhoudingsplicht strekt zich uit tot de leden en plaatsvervangende leden van de commissie, de secretaris en de personen die de commissie bijstand verlenen (artikel 7, tweede lid). Op advies van de NVvR is de geheimhoudingsplicht ook van toepassing verklaard op de deskundige die door de commissie is gevraagd een rapportage op te maken (artikel 8, derde lid). De reden daarvan is dat ook deze deskundige met het oog op het opmaken van de rapportage de beschikking kan krijgen over vertrouwelijke gegevens, bijvoorbeeld een afschrift van bepaalde processtukken. Personen die door de commissie worden gehoord (artikel 8, tweede lid) zijn niet aan een geheimhoudingsplicht onderworpen. Dat is, om een vergelijking met een gewone strafzaak te maken, ook niet aan de orde wanneer personen door de zittingsrechter (achter gesloten deuren) wordt gehoord.

De Minister van Veiligheid en Justitie,

Advies Raad van State

’s-Gravenhage, 18 juli 2012

No. W03.12.0238/II

Aan de Koningin

Bij Kabinetsmissive van 9 juli 2012, no.12.001559, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Veiligheid en Justitie, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende regels over de commissie die adviseert over het doen van een nader onderzoek als bedoeld in artikel 462, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering (Besluit adviescommissie afgesloten strafzaken), met nota van toelichting.

De Wet hervorming herziening ten voordele1 moderniseert de regeling uit het Wetboek van Strafvordering (Sv) volgens welke onherroepelijke uitspraken van de strafrechter ten voordele van de gewezen verdachte kunnen worden herzien. Een van de elementen van de gemoderniseerde regeling is dat de procureur-generaal bij de Hoge Raad ambtshalve of op verzoek van de gewezen verdachte nader onderzoek naar een novum kan doen verrichten, en voorafgaand aan de beslissing over het instellen van een dergelijk onderzoek advies kan inwinnen van een commissie.

Het ontwerpbesluit regelt de samenstelling, inrichting, bevoegdheden en werkwijze van de commissie die is belast met advisering over de wenselijkheid van een nader onderzoek2 inzake de wenselijkheid van herziening van onherroepelijke uitspraken van de strafrechter ten voordele van de gewezen verdachte.

De Afdeling advisering van de Raad van State onderschrijft de strekking van het ontwerpbesluit, maar maakt een aantal opmerkingen met betrekking tot plaatsvervangende leden van de commissie, de vergoeding van onkosten, de medewerking van ambtenaren die werken onder verantwoordelijkheid van de Minister en het ter beschikking stellen van stukken die niet in het strafdossier zijn opgenomen. Zij is van oordeel dat in verband daarmee (enige) aanpassing van het ontwerpbesluit wenselijk is.

1. Plaatsvervangende leden

Artikel 4, derde lid, van het ontwerpbesluit regelt dat een lid van de commissie dat zich verschoont, wordt vervangen door een plaatsvervangend lid. Artikel 5, eerste lid, van het ontwerpbesluit regelt dat de Minister zoveel plaatsvervangende leden benoemt als voor een goede vervulling van de taak van de commissie nodig is.

De Afdeling advisering neemt aan dat voor de plaatsvervangende leden dezelfde benoemingsvereisten gelden als voor de leden. De Afdeling adviseert dit in artikel 3, eerste lid, van het ontwerpbesluit tot uitdrukking te brengen door, naast de leden, ook de plaatsvervangende leden te vermelden. De Afdeling adviseert voorts artikel 3, derde lid, van het ontwerpbesluit ook van toepassing te verklaren voor plaatsvervangende leden.

2. Vergoeding van onkosten

Voor de leden en de plaatsvervangende leden voorziet artikel 5, vierde lid, voor hen die niet ‘in dienst zijn van het Rijk’ in een vergoeding op grond van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies. Naar het oordeel van de Afdeling is niet duidelijk wat met deze aanduiding is bedoeld: vallen hieronder personen die niet werkzaam zijn bij de sector Rijk als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies? De Afdeling adviseert de term ‘in dienst van het Rijk’ te verduidelijken.

Voorts constateert de Afdeling dat het ontwerpbesluit geen regeling bevat voor vergoeding van onkosten (zoals reiskosten) van personen die door de commissie worden gehoord als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van het ontwerpbesluit. De Afdeling adviseert het ontwerpbesluit aan te vullen met een grondslag voor de vergoeding van onkosten aan deze personen.

3. Verantwoordelijkheid van de Minister

Artikel 3, derde lid, van het ontwerpbesluit bepaalt dat ambtenaren die vallen onder de verantwoordelijkheid van de Minister van Veiligheid en Justitie, met uitzondering van ambtenaren van het Openbaar Ministerie, niet in aanmerking komen voor benoeming tot lid van de commissie. De Afdeling merkt in dit verband op dat niet duidelijk is wat de positie is van personen die – bijvoorbeeld – werkzaam zijn bij een zelfstandig bestuursorgaan. De Afdeling adviseert in het ontwerpbesluit te verduidelijken wat wordt verstaan onder de ambtenaren die (al dan niet rechtstreeks) onder de verantwoordelijkheid vallen van de Minister van Veiligheid en Justitie.

4. Niet in de strafzaak gevoegde stukken

Artikel 8 van het ontwerpbesluit bepaalt dat de Commissie bevoegd is kennis te nemen van niet in de strafzaak gevoegde stukken ‘na overleg met de procureur- generaal’. In de toelichting wordt vermeld3 dat verzekerd moet worden dat aan de commissie geen gegevens worden overgedragen waarvan kennisname door de commissie niet wenselijk is, zoals gegevens over beschermde getuigen of politie-informanten. De Afdeling adviseert dit aspect in het ontwerpbesluit tot uitdrukking te brengen door de term ‘na overleg’ te vervangen door ‘in overeenstemming met’.

5. Voor redactionele kanttekeningen verwijst de Afdeling naar de bij het advies behorende bijlage.

De Afdeling advisering van de Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.

De Vice-President van de Raad van State, J.P.H. Donner.

BIJLAGE BIJ HET ADVIES VAN DE AFDELING ADVISERING VAN DE RAAD VAN STATE BETREFFENDE NO. W03.12.0238/II MET REDACTIONELE KANTTEKENINGEN DIE DE AFDELING IN OVERWEGING GEEFT

  • In artikel 3, tweede lid, onder a, ‘wetenschappers’ vervangen door: deskundigen op een voor het werk van de commissie relevant terrein van wetenschapsbeoefening. Voorts ‘waarvan’ vervangen door: van wie.

  • In artikel 4, derde lid, en artikel 5, eerste lid, laatste volzin, van het ontwerpbesluit ‘het bepaalde in’ schrappen (zie ook de toelichting op Aanwijzing 52 van de Aanwijzingen voor de regelgeving, Ar).

  • In artikel 9 van het ontwerpbesluit ‘Deskundigen, bedoeld’ vervangen door: Deskundigen als bedoeld. (Aanwijzing 82, onder 3. Ar)

Nader rapport

6 september 2012,

Nr. 298923

Directie Wetgeving en Juridische Zaken

Aan de Koningin

Nader rapport inzake het ontwerpbesluit adviescommissie afgesloten strafzaken

Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw kabinet van 9 juli 2012, nr. 12.001559, machtigde Uwe Majesteit de Afdeling advisering van de Raad van State haar advies inzake het bovenvermelde ontwerp van een algemene maatregel van bestuur rechtstreeks aan mij te doen toekomen. Dit advies, gedateerd 18 juli 2012, nr. W03.12.0238/II, bied ik U hierbij aan.

De Afdeling onderschrijft de strekking van het ontwerpbesluit. Zij maakt een aantal juridisch-technische opmerkingen bij het ontwerpbesluit en is van mening dat enige aanpassing van het ontwerpbesluit in verband daarmee wenselijk is.

  • 1. De Afdeling merkt terecht op dat de bepaling uit het ontwerpbesluit over de benoemingsvereisten voor de leden van de commissie (artikel 3, eerste lid) en de bepaling uit het ontwerpbesluit waarin is aangegeven welke ambtenaren geen lid kunnen zijn van de commissie (artikel 3, derde lid) ook moeten gelden voor de plaatsvervangende leden van de commissie.

    Aan haar advies om dit in het ontwerpbesluit tot uitdrukking te brengen, is gevolg gegeven door deze bepalingen in artikel 5, eerste lid, van het ontwerpbesluit van overeenkomstige toepassing te verklaren op de plaatsvervangende leden van de commissie.

  • 2. De Afdeling adviseert te verduidelijken wat in artikel 5, vierde lid, van het ontwerpbesluit, dat handelt over de vergoeding die de leden en de plaatsvervangende leden van de commissie ontvangen, wordt verstaan onder leden ‘die niet in dienst zijn van het Rijk’.

    Het doel van dat artikellid is te verduidelijken dat de leden en de plaatsvervangende leden van de commissie een vergoeding ontvangen overeenkomstig het bepaalde in de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies. Niet beoogd is om in het artikellid in enig opzicht van die wet af te wijken. Naar aanleiding van het advies van de Afdeling is de formulering van het artikellid aangepast ten einde dit doel beter tot uitdrukking te laten komen.

    De Afdeling constateert dat het ontwerpbesluit geen regeling bevat voor vergoeding van de onkosten van personen die op grond van artikel 8, tweede lid, van het ontwerpbesluit door de commissie worden gehoord.

    Anders dan de Afdeling kennelijk veronderstelt, is een dergelijke regeling in artikel 9 van het ontwerpbesluit voorzien voor de door de commissie gehoorde deskundigen. Voor de andere personen die op grond van artikel 8, tweede lid, van het ontwerpbesluit door de commissie kunnen worden gehoord – opsporingsambtenaren, medewerkers van politie, van andere opsporingsdiensten en van het openbaar ministerie, alsmede de rechter-commissaris of raadsheer-commissaris die in de afgesloten strafzaak enig onderzoek heeft verricht – is een dergelijke regeling niet voorzien. De reden daarvan is dat deze personen uit hoofde van hun functie deelnemen aan de werkzaamheden van de commissie, en uit dien hoofde al voor hun werkzaamheden worden betaald uit publieke middelen. In zoverre is geen gevolg gegeven aan het advies van de Afdeling op dit punt.

  • 3. De Afdeling adviseert te verduidelijken wat in artikel 3, derde lid, van het ontwerpbesluit wordt verstaan onder ambtenaren die werken onder de verantwoordelijkheid van de Minister van Veiligheid en Justitie. Zij vraagt of daaronder ook personen kunnen worden verstaan die werkzaam zijn bij een zelfstandig bestuursorgaan.

    Aan het advies van de Afdeling is gevolg gegeven door de nota van toelichting aan te vullen. Verduidelijkt is dat onder ‘ambtenaren die werken onder de verantwoordelijkheid van de Minister van Veiligheid en Justitie’ in de zin van artikel 3, derde lid, van het ontwerpbesluit ambtenaren worden verstaan die werken bij diensten of organisaties die onder de organisatieregeling van het Ministerie van Veiligheid en Justitie vallen. Voorbeelden daarvan zijn departementsambtenaren en de medewerkers van het Nederlands Forensisch Instituut. Ambtenaren van het openbaar ministerie werken eveneens onder de verantwoordelijkheid van de Minister van Veiligheid en Justitie, omdat die minister op grond van artikel 127 van de Wet op de rechterlijke organisatie aan het openbaar ministerie bijzondere aanwijzingen kan geven betreffende de uitoefening van de taken en bevoegdheden van het openbaar ministerie. Ambtenaren van het openbaar ministerie zijn in het derde lid vervolgens uitgezonderd, omdat het de bedoeling is dat een lid van het openbaar ministerie deel uitmaakt van de commissie.

    Naar aanleiding van het advies van de Afdeling zijn, gezien de bijzondere relatie tussen de Minister van Veiligheid en Justitie en de korpschef nationale politie, politieambtenaren in artikel 3, derde lid, van het ontwerpbesluit voor de duidelijkheid afzonderlijk genoemd.

    Op de daartoe strekkende vraag van de Afdeling kan worden geantwoord dat ambtenaren die werken bij een zelfstandig bestuursorgaan op het terrein van het Ministerie van Veiligheid en Justitie niet onder het artikellid vallen. Artikel 16 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen bepaalt dat het personeel dat werkzaam is ten behoeve van een zelfstandig bestuursorgaan onder het gezag staat van het zelfstandig bestuursorgaan en over werkzaamheden uitsluitend daaraan verantwoording aflegt. Personen die werkzaam zijn bij een zelfstandig bestuursorgaan kunnen niet door de minister ter verantwoording worden geroepen.

  • 4. In verband met het kunnen verzekeren dat aan de adviescommissie geen gegevens worden overgedragen waarvan het onwenselijk zou zijn als de commissie daarvan kennis zou kunnen nemen, zoals gegevens over beschermde getuigen of politie-informanten, adviseert de Afdeling in artikel 8, eerste lid, van het ontwerpbesluit tot uitdrukking te brengen dat de bevoegdheid van de commissie om kennis te nemen van niet in de strafzaak gevoegde stukken slechts kan worden uitgeoefend ‘in overeenstemming met’ de procureur-generaal bij de Hoge Raad. Aan het advies van de Afdeling is gevolg gegeven.

  • 5. De redactionele wijzigingen die de Afdeling in de bijlage bij haar advies in overweging heeft gegeven, zijn overgenomen.

  • 6. Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om in het ontwerpbesluit nog enkele wijzigingen door te voeren.

    In artikel 5, eerste lid, van het ontwerpbesluit is verduidelijkt dat de Minister van Veiligheid en Justitie op voordracht van de procureur-generaal een van de leden van de commissie die deskundig zijn op een voor het werk van de commissie relevant terrein van wetenschapsbeoefening (als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onder a, van het ontwerpbesluit) tevens tot voorzitter van de commissie benoemt.

    In artikel 6, vierde lid, van het ontwerpbesluit is bepaald dat de Minister van Veiligheid en Justitie zorg draagt voor de aan de commissie en de secretaris ter beschikking te stellen middelen. De Minister van Veiligheid en Justitie is namelijk belast met het beheer van de Hoge Raad. In de praktijk zal aan de zorgverplichting van het vierde lid door de directeur bedrijfsvoering van de Hoge Raad in mandaat namens de minister uitvoering worden gegeven.

    In artikel 6, vijfde lid, van het ontwerpbesluit is, conform hetgeen gebruikelijk is bij adviescommissies die bij of krachtens de wet worden ingesteld, bepaald dat de Minister van Veiligheid en Justitie de secretaris van de commissie benoemt, schorst en ontslaat. De minister neemt deze beslissingen op de voordracht van de procureur-generaal. Alvorens de voordracht te doen hoort de procureur-generaal de voorzitter van de commissie. Op deze wijze is behouden dat de voorzitter van de commissie invloed heeft op wie als secretaris van de commissie wordt benoemd.

Ik moge U hierbij het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.

De Minister van Veiligheid en Justitie, I.W. Opstelten.


X Noot
1

Kamerstukken 32 045, recente tekst van het gewijzigd voorstel van wet in Kamerstukken I 2011/12, 32 045, A.

X Noot
2

Artikel 462, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering.

X Noot
3

Toelichting, paragraaf II (artikel 8).

Naar boven