Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en MilieubeheerStaatscourant 2010, 5162Besluiten van algemene strekking

Regeling van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 30 maart 2010, nr. BJZ2010008979, houdende nadere regels ter uitvoering van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en van het Besluit omgevingsrecht (Regeling omgevingsrecht)

De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

Handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;

Gelet op de artikelen 5.3, vierde lid, en 5.11, derde lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de artikelen 4.3, derde lid, 4.4, eerste lid, 4.7 en 5.4, tweede lid, van het Besluit omgevingsrecht;

Gelet op richtlijn nr. 2008/1/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2008 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (Gecodificeerde versie) (PbEG L 24);

Besluit:

HOOFDSTUK 1. ALGEMENE INDIENINGSVEREISTEN

Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

besluit:

Besluit omgevingsrecht;

bouwactiviteit:

activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de wet;

bruto-inhoud:

bruto-inhoud als bedoeld in NEN 2580;

bruto-vloeroppervlakte:

bruto-vloeroppervlakte als bedoeld in NEN 2580;

detailtekening:

getekende uitwerking die een ondubbelzinnige aanduiding geeft van een groep van gelijksoortige constructieonderdelen in hun vorm, afmetingen, materiaalgebruik en overige gestelde eisen en waarvan de plaats eenduidig vastligt;

EPC:

energieprestatiecoëfficiënt als bedoeld in artikel 1.1, tweede lid, van het Bouwbesluit 2003;

gebruiksoppervlakte:

gebruiksoppervlakte als bedoeld in artikel 1.1, tweede lid, van het Bouwbesluit 2003;

groepsrisico:

cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is;

invloedsgebied:

gebied waarin volgens door Onze Minister bij ministeriële regeling op grond van artikel 15, eerste lid, van het Besluit externe veiligheid inrichtingen te stellen regels personen worden meegeteld voor de berekening van het groepsrisico;

ISO:

een door de International Organization for Standardization opgestelde norm;

NEN:

een door de Stichting Nederlands Normalisatie-instituut uitgegeven Nederlandse norm;

oprichten of in werking hebben van een inrichting of mijnbouwwerk:

activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, onder 1° of 3°, van de wet;

plaatsgebonden risico:

risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is;

straatpeil:

de hoogteligging van het bouwwerk ten opzichte van:

  • 1°. de hoogte van de weg ter plaatse van de hoofdtoegang, voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst voor een bouwwerk, of

  • 2°. de hoogte van het terrein ter plaatse van de hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst;

veranderen van een inrichting of mijnbouwwerk of veranderen van de werking daarvan:

activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, onder 2°, van de wet;

vergunning:

omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 1.1 van de wet.

Artikel 1.2 Elektronisch aanvraagformulier en landelijke voorziening

  • 1. Een aanvraag langs elektronische weg wordt gedaan met gebruikmaking van het elektronische formulier dat op de datum van indiening van de aanvraag beschikbaar is via de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 7.6 van de wet.

  • 2. De minister stelt een systeembeschrijving vast voor de landelijke voorziening.

  • 3. Het bevoegd gezag is verantwoordelijk voor het beheer van de gegevens die zijn opgenomen in het deel van de landelijke voorziening dat hem ter beschikking staat. Dit beheer omvat in elk geval de verlening en beperking van toegang tot de gegevens omtrent een aanvraag en de zorg voor de archiefbescheiden.

  • 4. Ten aanzien van de verwerking van persoonsgegevens in de landelijke voorziening zijn de minister respectievelijk het bevoegd gezag, ieder voor zover die verwerking onder zijn verantwoordelijkheid plaatsvindt, verantwoordelijke in de zin van artikel 1, onderdeel d, van de Wet bescherming persoonsgegevens.

Artikel 1.3 Indieningsvereisten bij iedere aanvraag

  • 1. In de aanvraag vermeldt de aanvrager:

    • a. de naam, het adres en de woonplaats van de aanvrager, alsmede het elektronisch adres van de aanvrager, indien de aanvraag met een elektronisch formulier wordt ingediend;

    • b. het adres, de kadastrale aanduiding dan wel de ligging van het project;

    • c. een omschrijving van de aard en omvang van het project;

    • d. indien de aanvraag wordt ingediend door een gemachtigde: zijn naam, adres en woonplaats, alsmede het elektronisch adres van de gemachtigde, indien de aanvraag met een elektronisch formulier wordt ingediend;

    • e. indien het project wordt uitgevoerd door een ander dan de aanvrager: zijn naam, adres en woonplaats.

  • 2. De aanvrager voorziet de aanvraag van een aanduiding van de locatie van de aangevraagde activiteit of activiteiten. Deze aanduiding geschiedt met behulp van een situatietekening, kaart, foto’s of andere geschikte middelen.

  • 3. De aanvrager doet bij de aanvraag een opgave van de kosten van de te verrichten werkzaamheden.

Artikel 1.4 Vereisten aan digitale indiening van gegevens en bescheiden

  • 1. Gegevens en bescheiden die langs elektronische weg bij de aanvraag worden verstrekt, worden aangeleverd in een van de volgende archiefwaardige bestandsformaten:

    • a. foto’s: PNG en JPG

    • b. scans: TIFF, JPG, PDF/A-1a en PDF/A-1b

    • c. officedocumenten: PDF/A-1a

    • d. tekeningen: PDF/X

  • 2. Indien de bestanden langs elektronische weg worden aangeleverd, worden deze uitsluitend als ‘read-only’ (alleen lezen) gekenmerkt.

Artikel 1.5 Vermelding van tijdelijkheid van een activiteit

Indien de activiteit waarvoor de vergunning wordt aangevraagd naar haar aard tijdelijk is, vermeldt de aanvrager dit in de aanvraag. Hij vermeldt daarbij tevens zo mogelijk het tijdstip waarop de activiteit of activiteiten uiterlijk zal of zullen worden beëindigd.

HOOFDSTUK 2. INDIENINGSVEREISTEN VANWEGE BOUWACTIVITEITEN

§ 2.1. Gegevens en bescheiden over bouwactiviteiten

Artikel 2.1 Algemene vereisten
  • 1. Ten aanzien van de gegevens en bescheiden bij de aanvraag om een vergunning voor een bouwactiviteit maakt de aanvrager de samenhang kenbaar tussen deze gegevens en bescheiden onderling en met de overige gegevens en bescheiden die bij de aanvraag zijn gevoegd.

  • 2. De normen waarnaar in dit hoofdstuk wordt verwezen, hebben betrekking op de uitgave van die normen als bedoeld in bijlage I van de Regeling Bouwbesluit 2003.

Artikel 2.2 Bouwbesluit 2003
  • 1. In of bij de aanvraag om een vergunning voor een bouwactiviteit verstrekt de aanvrager de volgende gegevens en bescheiden ten behoeve van toetsing aan de voorschriften van het Bouwbesluit 2003 met betrekking tot constructieve veiligheid:

    • a. gegevens en bescheiden waaruit blijkt dat het te bouwen of te wijzigen bouwwerk voldoet aan de gestelde eisen in relatie tot:

      • 1°. belastingen en belastingcombinaties (sterkte en stabiliteit) van alle (te wijzigen) constructieve delen van het bouwwerk, alsmede van het bouwwerk als geheel;

      • 2°. de uiterste grenstoestand van de bouwconstructie en onderdelen van de bouwconstructie.

      Indien de aanvraag betrekking heeft op de wijziging of uitbreiding van een bestaand bouwwerk blijkt uit de aangeleverde gegevens tevens wat de opbouw van de bestaande constructie is (tekeningen en berekeningen) en wat de toegepaste materialen zijn;

    • b. een schriftelijke toelichting op het ontwerp van de constructies, waaruit met name blijkt:

      • 1°. de aangehouden belastingen en belastingcombinaties;

      • 2°. de constructieve samenhang;

      • 3°. het stabiliteitsprincipe;

      • 4°. de omschrijving van de hoofddraagconstructie en de weerstand tegen bezwijken bij brand hiervan;

    • c. kwaliteitsverklaringen en CE-markeringen als bedoeld in paragraaf 1.4 van het Bouwbesluit 2003, en gegevens en bescheiden ten behoeve van een beroep op de gelijkwaardigheid als bedoeld in artikel 1.5 van het Bouwbesluit 2003.

  • 2. In of bij de aanvraag om een vergunning voor een bouwactiviteit verstrekt de aanvrager de volgende gegevens en bescheiden ten behoeve van toetsing aan de overige voorschriften van het Bouwbesluit 2003:

    • a. gegevens en bescheiden waaruit blijkt dat het bouwwerk voldoet aan de gestelde eisen in relatie tot:

      • 1°. de EPC, de thermische eigenschappen van de toegepaste uitwendige scheidingsconstructie en de beperking van de luchtdoorlatendheid, bedoeld in hoofdstuk 5 van het Bouwbesluit 2003. Bij de berekening van de EPC wordt uitgegaan van:

        • NEN 5128 voor woningen en logiesverblijven;

        • NEN 2916 voor niet tot bewoning bestemde gebouwen.

        Bij de berekening kan gebruik gemaakt worden van NPR 5129 respectievelijk 2917, beide uitgave 2002, en de bijbehorende rekenprogramma's en standaardoplossingen;

      • 2°. de karakteristieke geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie, de geluidsabsorptie van gemeenschappelijke verkeersruimten, gangen en trappenhuizen ingeval het bouwwerk een woonfunctie heeft en de geluidwering tussen niet-gemeenschappelijke verblijfsruimten van dezelfde gebruiksfunctie;

      • 3°. de daglichttoetreding;

      • 4°. de ventilatievoorzieningen van ruimten, voorzieningen betreffende de afvoer van verbrandingsgassen en aanvoer van verbrandingslucht;

      • 5°. de brandveiligheid en rookproductie van toegepaste materialen;

      • 6°. de brand- en rookcompartimentering. De opgave bevat tevens gegevens betreffende deuren en daglichtopeningen in uitwendige scheidingsconstructies. Voor zover van belang voor het vluchten bij brand, worden tevens de deuren en daglichtopeningen in inwendige scheidingsconstructies opgegeven. Bij een niet besloten brandcompartiment als bedoeld in artikel 2.104, vierde lid, van het Bouwbesluit 2003, wordt tevens opgegeven in welk deel van dat compartiment de opslag zal plaatsvinden;

      • 7°. de vluchtroutes alsmede de aard en plaats van brandveiligheidsvoorzieningen;

      • 8°. de noodstroomvoorziening en -verlichting;

      • 9°. de wateropname van toegepaste materialen van vloer, wand en plafond in sanitaire ruimten;

      • 10°. de lucht- en waterdichtheid en vochtwerende voorzieningen van inwendige en uitwendige scheidingsconstructies;

      • 11°. het leidingplan en aansluitpunten van riolering en hemelwaterafvoeren;

      • 12°. het leidingplan en aansluitpunten van gas-, elektra- en waterleiding;

      • 13°. de aansluitpunten van de drinkwater- en warmwatervoorziening;

      • 14°. de inbraakwerendheid, bedoeld in afdeling 2.25 van het Bouwbesluit 2003, van bereikbare gevelelementen;

      • 15°. het weren van ratten en muizen;

      • 16°. de aanduiding van de gebruiksfunctie, de afmetingen en de bezettingsgraad van alle ruimten inclusief totaal oppervlakten per gebruiksfunctie;

      • 17°. indien het bouwwerk een woongebouw betreft: de ruimte waar de huishoudelijke afvalstoffen, bedoeld in afdeling 4.10 van het Bouwbesluit 2003, worden opgeslagen;

      • 18°. indien het bouwwerk een utiliteitsgebouw betreft: de ruimte waar gewerkt wordt met brandbare, brandbevorderende, bij brand gevaar opleverende of voor de gezondheid gevaarlijke stoffen als bedoeld in de Regeling Bouwbesluit 2003, of waar deze stoffen worden opgeslagen;

      • 19°. indien het bouwwerk een utiliteitsgebouw betreft: de stallingruimte voor fietsen;

      • 20°. de integrale toegankelijkheid van het bouwwerk en in het bouwwerk gelegen ruimten;

      • 21°. de detaillering van trappen, hellingbanen en vloerafscheidingen (inclusief hekwerken);

      • 22°. de aanduiding van de opstelplaats van het aanrecht en van kook-, stook- en warmwatertoestellen;

      • 23°. de aanduiding van een bad- of toiletruimte, meterruimte en liften en liftschachten;

      • 24°. de aanduiding van de vloerpeilen ten opzichte van het aansluitende terrein. Uit de verstrekte gegevens blijken de hoogteligging van de vloeren ten opzichte van het straatpeil en de hoogte van het maaiveld ter plaatse van de entree van het bouwwerk;

      • 25°. de draairichting van beweegbare constructieonderdelen;

    • b. kwaliteitsverklaringen en CE-markeringen als bedoeld in paragraaf 1.4 van het Bouwbesluit 2003 en gegevens en bescheiden ten behoeve van een beroep op de gelijkwaardigheid, bedoeld in artikel 1.5 van het Bouwbesluit 2003.

  • 3. Indien de aanvraag om vergunning voor een bouwactiviteit betrekking heeft op een woonwagen kan aan de eisen met betrekking tot het aanleveren van de gegevens en bescheiden, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden voldaan door het indienen van documentatie van de leverancier, mits de bedoelde gegevens duidelijk kenbaar zijn.

  • 4. In of bij de aanvraag om een vergunning voor een bouwactiviteit verstrekt de aanvrager eventuele extra gegevens en bescheiden ten behoeve van het verlenen van een ontheffing van de voorschriften van het Bouwbesluit 2003 als bedoeld in artikel 7 van de Woningwet, waaronder gegevens en bescheiden waaruit blijkt dat toestemming als bedoeld in artikel 14 van de richtlijn nr. 2004/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 inzake minimumveiligheidseisen voor tunnels in het transeuropese wegennet (PbEU L 167, gerectificeerd in PbEU L 201) is verkregen om van eisen van die richtlijn af te wijken.

Artikel 2.3 Planologische voorschriften en stedenbouwkundige voorschriften bouwverordening

In of bij de aanvraag om een vergunning voor een bouwactiviteit verstrekt de aanvrager de volgende gegevens en bescheiden ten behoeve van de toetsing aan het bestemmingsplan of de beheersverordening, en, voor zover van toepassing, de stedenbouwkundige voorschriften van de bouwverordening:

  • a. de plattegronden van alle verdiepingen en een doorsnedetekening voor de nieuwe situatie en, voor zover daarvan sprake is, de bestaande situatie;

  • b. het beoogde en het huidige gebruik van het bouwwerk en de bijbehorende gronden waarop de aanvraag betrekking heeft;

  • c. een opgave van de bruto inhoud in m3 en de bruto vloeroppervlakte in m2 van het (deel van het) bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft;

  • d. een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop de afmetingen van het perceel en bebouwd oppervlak, alsmede de situering van het bouwwerk ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde, de wijze waarop het terrein ontsloten wordt, de aangrenzende terreinen en de daarop voorkomende bebouwing en het beoogd gebruik van de gronden behorende bij het voorgenomen bouwwerk;

  • e. de hoogte van het bouwwerk ten opzichte van het straatpeil en het aantal bouwlagen;

  • f. de inrichting van parkeervoorzieningen op het eigen terrein;

  • g. gegevens en bescheiden welke samenhangen met een uit te brengen advies van de Agrarische Adviescommissie in geval van een aanvraag voor een bouwactiviteit in een gebied met een agrarische bestemming;

  • h. overige gegevens en bescheiden welke samenhangen met een eventueel benodigde toetsing aan een bestemmingsplan, beheersverordening dan wel een besluit als bedoeld in artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening;

  • i. indien dat is voorgeschreven in het bestemmingsplan: een rapport waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord in voldoende mate is vastgesteld;

  • j. gegevens en bescheiden welke samenhangen met een eventueel benodigde toetsing aan een exploitatieplan.

Artikel 2.4 Overige voorschriften bouwverordening

In of bij de aanvraag om een vergunning voor een bouwactiviteit verstrekt de aanvrager de volgende gegevens en bescheiden ten behoeve van toetsing aan de overige voorschriften van de bouwverordening:

  • a. bouwveiligheidsplan en toegankelijkheid van de bouwplaats met de volgende onderdelen:

    • 1°. één of meerdere tekeningen waaruit de bouwplaatsinrichting blijkt:

      • de ligging van het te bebouwen perceel en de omliggende wegen, bouwwerken e.d.;

      • de situering van het bouwwerk;

      • de aan- en afvoerwegen;

      • de laad-, los- en hijszones;

      • de plaats van de bouwketen;

      • de grenzen van het bouwterrein waarbinnen alle bouwactiviteiten, inclusief het laden en lossen, plaatsvinden;

      • de in of op de bodem van het perceel aanwezige leidingen;

      • de plaats van ander hulpmaterieel en opslag van materialen;

    • 2°. gegevens en bescheiden over de toe te passen bouwmethodiek en de toe te passen materialen, materieel, hulp- en beveiligingsmiddelen bij de bouwwerkzaamheden;

    • 3°. indien een bouwput moet worden gemaakt voor een ondergronds gelegen bouwdeel:

      • de hoofdopzet van de verticale bouwputafscheiding en de bouwputbodem;

      • de uitgangspunten voor een bemalingsplan;

    • 4°. de uitgangspunten voor een monitoringsplan ter voorkoming van schade aan naburige bouwwerken;

  • b. gegevens betreffende de aard en plaats van brandveiligheidinstallaties alsmede van de vluchtrouteaanduiding;

  • c. een tekening van de inrichting van het bij het bouwwerk behorende terrein met daarop aangegeven de voorzieningen voor de bereikbaarheid en de plaats van bluswatervoorzieningen en opstelplaatsen van brandweervoertuigen;

  • d. een onderzoeksrapport betreffende verontreiniging van de bodem, gebaseerd op onderzoek dat is uitgevoerd door een persoon of een instelling die daartoe is erkend op grond van het Besluit bodemkwaliteit.

Artikel 2.5 Redelijke eisen van welstand

In of bij de aanvraag om een vergunning voor een bouwactiviteit verstrekt de aanvrager de volgende gegevens en bescheiden ten behoeve van de toetsing aan de criteria uit de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet:

  • a. tekeningen van alle gevels van het bouwwerk, inclusief de gevels van belendende bebouwing, waaruit blijkt hoe het geplande bouwwerk in de directe omgeving past;

  • b. principedetails van gezichtsbepalende delen van het bouwwerk;

  • c. kleurenfoto's van de bestaande situatie en de omliggende bebouwing;

  • d. opgave van de toe te passen bouwmaterialen en de kleur daarvan (uitwendige scheidingsconstructie). In ieder geval worden opgegeven het materiaal en de kleur van de gevels, het voegwerk, kozijnen, ramen en deuren, balkonhekken, dakgoten en boeidelen en de dakbedekking.

Artikel 2.6 Advies Commissie voor de tunnelveiligheid

Bij de aanvraag om een vergunning voor een bouwactiviteit verstrekt de aanvrager het advies van de Commissie voor de tunnelveiligheid, bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, onder e, van de wet.

§ 2.2. Op een later tijdstip aan te leveren gegevens en bescheiden

Artikel 2.7 Uitgestelde indieningsvereisten omtrent het bouwen
  • 1. In de vergunning voor een bouwactiviteit wordt, indien de aanvrager een verzoek tot latere aanlevering heeft ingediend, bepaald dat de volgende gegevens en bescheiden uiterlijk binnen een termijn van drie weken voor de start van de uitvoering van de desbetreffende handeling worden overgelegd:

    • a. gegevens en bescheiden met betrekking tot belastingen en belastingcombinaties (sterkte en stabiliteit) en de uiterste grenstoestand van alle (te wijzigen) constructieve delen van het bouwwerk alsmede van het bouwwerk als geheel, voor zover het niet de hoofdlijn van de constructie dan wel het constructieprincipe betreft;

    • b. gegevens en bescheiden met betrekking tot de details van de in of ten behoeve van het bouwwerk toegepaste installaties, voor zover het niet de gegevens met betrekking tot de hoofdlijn dan wel het principe van de toegepaste installaties betreft; de hoofdlijn betreft onder meer de wijze van verwarming, koeling en luchtbehandeling, de plaats en wijze van verticaal transport en de locatie en het type brandveiligheidinstallatie.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing voor zover de gegevens en bescheiden betrekking hebben op tekeningen of berekeningen waaruit het constructieprincipe blijkt voor de nieuwe situatie en, voor zover daarvan sprake is, voor de bestaande situatie. Dit betreft:

    • a. tekeningen van de definitieve hoofdopzet van de constructie van alle verdiepingen inclusief globale maatvoering;

    • b. schematisch funderingsoverzicht of palenplan met globale plaatsing, aantallen en paalpuntniveaus, inclusief globaal grondonderzoek waaruit de draagkracht van de ondergrond blijkt;

    • c. plattegronden van vloeren en daken, inclusief globale maatvoering;

    • d. overzichtstekeningen van constructies in staal, hout en geprefabriceerd beton, inclusief stabiliteitsvoorzieningen en dilataties; principedetails van karakteristieke constructieonderdelen (1:20/1:10/1:5), inclusief maatvoering;

    • e. een schriftelijke toelichting op het ontwerp van de constructies als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onderdeel b.

  • 3. Indien de aard van het bouwplan naar het oordeel van het bevoegd gezag daartoe aanleiding geeft, kan in de vergunning worden bepaald dat gegevens en bescheiden, genoemd in de artikelen 2.2, tweede lid, 2.3, onderdeel i, 2.4 en 2.5, binnen een termijn van drie weken voor de start van de uitvoering van de desbetreffende handeling worden overgelegd.

§ 2.3. Vereisten aan tekeningen en berekeningen

Artikel 2.8 Algemene vereisten aan tekeningen
  • 1. De aanvrager voorziet de tekeningen bij de aanvraag om een vergunning voor een bouwactiviteit van een duidelijke maatvoering en schaalaanduiding.

  • 2. Tenzij artikel 5.8 van toepassing is, geldt voor de volgende tekeningen de daarbij genoemde maximaal toe te passen schaal:

    • a. situatietekeningen: 1:1000;

    • b. geveltekeningen, plattegronden en doorsneden:

      • 1°. bouwwerken kleiner dan 10.000 m2 bruto vloeroppervlakte: 1:100;

      • 2°. bouwwerken 10.000 m2 of groter bruto vloeroppervlakte: 1:200;

    • c. detailtekeningen: 1:5 of 1:10 of 1:20.

  • 3. Uit de situatietekening blijkt de oriëntatie van het bouwwerk op het perceel en ten opzichte van omliggende bebouwing en wegen (noordpijl).

Artikel 2.9 Vereisten aan plattegronden en doorsneden
  • 1. De aanvrager voorziet de aanvraag om een vergunning voor een bouwactiviteit van een plattegrond van elke bouwlaag met een horizontale doorsnede 1200 mm boven vloerniveau, waarop is aangegeven:

    • a. uitwendige en inwendige scheidingsconstructies (inclusief materiaalaanduiding);

    • b. peilmaten van de vloer;

    • c. trappen, hellingbanen en (brandweer)liften;

    • d. binnen- en buitenkozijnen;

    • e. kokers, schachten, kanalen en schoorstenen;

    • f. opstelplaats van het kooktoestel, de verwarming en de warmwatervoorziening;

    • g. alle, bijvoorbeeld door middel van arcering aangegeven, oppervlakken die een directe relatie hebben met de berekening van en behoren tot:

      • 1°. gebruiksfunctie van het gebouw(deel);

      • 2°. gebruiksoppervlakte;

      • 3°. verwarmde en onverwarmde zones volgens NEN 5128/2916;

      • 4°. verblijfsgebied en -ruimte;

      • 5°. verkeersruimte;

      • 6°. toilet, meterruimte, stallingruimte en opslagruimte;

      • 7°. (integrale) toegankelijkheidssector.

  • 2. Ten behoeve van de beoordeling van de bruikbaarheid, de gebruiksoppervlakte en het verblijfsgebied zijn de relevante doorsneden, inclusief 1500 – 2400 – 2600 mm hoogtelijn en voorzien van maatvoering, getekend.

  • 3. Alle aanzichten (geveltekeningen) worden in loodrechte verticale projectie weergegeven. Alle dichte delen en kozijnen die een directe koppeling met de berekeningen hebben, zijn als zodanig traceerbaar in berekening, rapportage of renvooi.

Artikel 2.10 Algemene vereisten in verband met berekeningen
  • 1. Berekeningen die worden uitgevoerd vanwege de aanvraag van de vergunning voor een bouwactiviteit voldoen aan de volgende eisen:

    • a. naam en versie van de gebruikte rekenprogramma's;

    • b. invoergegevens en handberekeningen op doorlopend genummerde bladen;

    • c. de herkomst van basis- of invoergegevens;

    • d. symbolen en afkortingen weergegeven conform de voor de verschillende berekeningen geldende NEN-normen. Indien de toegepaste rekenprogramma’s afwijkende symbolen of afkortingen gebruiken, zijn deze separaat toegelicht;

    • e. numerieke gegevens weergegeven in SI-eenheden (internationale standaard van het Système International).

  • 2. De volgende informatie betreffende de toegepaste rekensoftware blijkt uit de gegevens en bescheiden bij de aanvraag om een vergunning voor een bouwactiviteit:

    • a. beschrijving toegepaste rekensoftware;

    • b. beschrijving rekenmethode;

    • c. beschrijving toepassingsgebied;

    • d. aanduiding betekenis gepresenteerde waarden;

    • e. aanduiding nauwkeurigheid resultaten;

    • f. beschrijving gekozen assenstelsel;

    • g. verklaring gebruikte symbolen en grootheden.

Artikel 2.11 Vereisten aan constructieve berekeningen

Constructieve berekeningen die worden uitgevoerd vanwege de aanvraag van de vergunning voor een bouwactiviteit, voldoen aan de volgende eisen:

  • a. schematisering onder toepassing van de van toepassing zijnde NEN-norm(en), inclusief te hanteren belastingschema's;

  • b. toerekening materiaaleigenschappen conform van toepassing zijnde NEN-norm(en);

  • c. doorsnedegrootheden die per constructie-onderdeel zijn gemotiveerd, in de vorm van een berekening;

  • d. verantwoording eigenschappen ondersteuningen;

  • e. berekeningsresultaten per belastingschema uitgewerkt volgens de van toepassing zijnde NEN-norm(en);

  • f. voorzien van maatgevende waarden.

Artikel 2.12 Vereisten aan overige berekeningen
  • 1. Berekeningen van de mechanische ventilatie die worden uitgevoerd vanwege de aanvraag van de vergunning voor een bouwactiviteit, bevatten minimaal de volgende informatie:

    • a. strangenschema's met diameters en lengten;

    • b. gegevens over drukverlies;

    • c. merk en type toe te passen installatie.

  • 2. Berekeningen van de thermische isolatie en energieprestatie die worden uitgevoerd vanwege de aanvraag van de vergunning voor een bouwactiviteit, bevatten minimaal de volgende informatie:

    • a. totale oppervlakte kozijnen, ramen, deuren, dichte delen en daarmee gelijk te stellen constructiedelen;

    • b. oppervlakte van iedere toegepaste glassoort en de thermische eigenschappen hiervan;

    • c. tekening waarop gehanteerde woningen voor de EPC berekening zijn aangegeven;

    • d. EPC begrenzing woningen of woongebouw (door middel van arcering op plattegrondtekening);

    • e. gebouwfunctie en energiesectoren (op tekening voor niet tot bewoning bestemde gebouwen, gearceerd);

    • f. invoergegevens EPC berekening (bouwfysische eigenschappen bouwwerk, installaties en gehanteerd rekenprogramma).

HOOFDSTUK 3. INDIENINGSVEREISTEN VANWEGE AANLEG- OF GEBRUIKSACTIVITEITEN

Artikel 3.1 Uitvoeren van werk of werkzaamheden

  • 1. In of bij de aanvraag om een vergunning voor een aanlegactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder b, van de wet verstrekt de aanvrager bij de omschrijving van de aard, omvang en effecten van de activiteit gegevens en bescheiden over:

    • a. de specifieke locatie waar het werk of de werkzaamheid zal worden uitgevoerd;

    • b. de afmetingen van het werk of de omvang van de werkzaamheid;

    • c. de te gebruiken materialen;

    • d. in hoeverre sprake is van afvoer van grond naar een andere locatie;

    • e. de aanwezigheid van obstakels die in de weg staan voor het uitvoeren van het werk of de werkzaamheid.

  • 2. Indien dat is voorgeschreven in het bestemmingsplan verstrekt de aanvrager een rapport waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, in voldoende mate is vastgesteld.

Artikel 3.2 Gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met planologische voorschriften

In of bij de aanvraag om een vergunning voor het gebruiken van gronden of bouwwerken, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet, verstrekt de aanvrager gegevens en bescheiden over:

  • a. het beoogde en het huidige gebruik van de gronden en de bouwwerken waarop de aanvraag betrekking heeft;

  • b. de gevolgen van het beoogde gebruik voor de ruimtelijke ordening;

  • c. indien dat met toepassing van artikel 41 van de Monumentenwet 1988 is verplicht door het bevoegd gezag, een rapport waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord in voldoende mate is vastgesteld;

  • d. een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop de afmetingen van het perceel en bebouwd oppervlak, alsmede situering van bouwwerken ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde, de wijze waarop het terrein ontsloten wordt, de aangrenzende terreinen en de daarop voorkomende bebouwing en het beoogd gebruik van het terrein behorende bij het voorgenomen bouwwerk;

  • e. de reden waarom en de mate waarin wordt afgeweken van het exploitatieplan.

Artikel 3.3 Brandveilig gebruiken van een bouwwerk

  • 1. In of bij de aanvraag om een vergunning voor het brandveilig gebruiken van een bouwwerk, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder d, van de wet, verstrekt de aanvrager:

    • a. een situatieschets met noordpijl met een schaal die niet kleiner is dan 1:1000;

    • b. per bouwlaag een plattegrond die voldoet aan de volgende eisen:

      • schaal maximaal 1:100 bij een bouwlaag kleiner dan 10.000 m2 bruto vloeroppervlakte;

      • schaal maximaal 1:200 bij een bouwlaag van 10.000 m2 bruto vloeroppervlakte of meer.

  • 2. De plattegrond met betrekking tot het brandveilig gebruik bevat de volgende gegevens:

    • a. aanduiding van de schaal van de plattegrond;

    • b. per bouwlaag:

      • hoogte van de vloer boven het meetniveau;

      • gebruiksoppervlakte;

      • maximaal aantal personen;

    • c. per ruimte:

      • vloeroppervlakte;

      • gebruiksbestemming;

      • bij ruimten voor meer dan 25 personen, de hoogste bezetting van die ruimte, en opstelling van inventaris en van inrichtingselementen als bedoeld in de artikelen 2.3.1 en 2.3.2 van het Besluit brandveilig gebruik bouwwerken;

    • d. met aanduidingen van de plaats van, voor zover deze aanwezig zijn:

      • brand- en rookwerende scheidingsconstructies;

      • vluchtroutes;

      • draairichting van deuren;

      • zelfsluitende deuren als bedoeld in de artikelen 2.1.5 en 2.3.3 van het Besluit brandveilig gebruik bouwwerken;

      • sluitwerk van deuren als bedoeld in artikel 2.3.5, tweede lid, van het Besluit brandveilig gebruik bouwwerken;

      • vluchtrouteaanduidingen;

      • noodverlichting;

      • oriëntatieverlichting als bedoeld in artikel 2.3.10 van het Besluit brandveilig gebruik bouwwerken;

      • brandmeldcentrale en brandmeldpaneel;

      • brandslanghaspels;

      • mobiele brandblusapparaten;

      • droge blusleidingen;

      • brandweeringang;

      • sleutelkluis of -buis;

      • brandweerlift.

    De aanduidingen zijn conform NEN 1414: 2007, voor zover deze norm daarin voorziet.

  • 3. Bij de toepassing van een gelijkwaardige oplossing als bedoeld in artikel 1.4, eerste lid, van het Besluit brandveilig gebruik bouwwerken verstrekt de aanvrager tevens gegevens en bescheiden waarmee de gelijkwaardigheid voldoende aannemelijk wordt gemaakt.

HOOFDSTUK 4. INDIENINGSVEREISTEN VANWEGE HET OPRICHTEN, VERANDEREN OF IN WERKING HEBBEN VAN EEN INRICHTING OF MIJNBOUWWERK

§ 4.1. Oprichten en in werking hebben van een inrichting

§ 4.1.1. Regels voor alle categorieën van gevallen
Artikel 4.1 Algemene vereisten omtrent een inrichting
  • 1. In of bij de aanvraag om een vergunning met betrekking tot het oprichten of in werking hebben van een inrichting, verstrekt de aanvrager de volgende gegevens en bescheiden:

    • a. de indeling, de uitvoering, de activiteiten en de processen in de inrichting en de ten behoeve daarvan toe te passen technieken of installaties, waaronder begrepen de wijze van energievoorziening, voor zover die redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor de beoordeling van de nadelige gevolgen voor het milieu, die de inrichting kan veroorzaken;

    • b. de voor de activiteiten en de processen, bedoeld onder a, kenmerkende gegevens met betrekking tot grondstoffen, tussen-, neven- en eindproducten;

    • c. de maximale capaciteit van de inrichting en het maximale motorische of thermische vermogen van de tot de inrichting behorende installaties;

    • d. de tijden en dagen, dan wel perioden waarop de inrichting of de te onderscheiden onderdelen daarvan, in bedrijf zullen zijn;

    • e. de aard en omvang van de belasting van het milieu die de inrichting tijdens normaal bedrijf kan veroorzaken, daaronder begrepen een overzicht van de belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu die daardoor kunnen worden veroorzaakt;

    • f. de maatregelen of voorzieningen ten behoeve van:

      • 1°. het voorkomen of beperken van het ontstaan van afvalstoffen in de inrichting;

      • 2°. het nuttig toepassen dan wel het geschikt maken voor nuttig toepassing van de afvalstoffen die in de inrichting ontstaan;

      • 3°. het opslaan van de afvalstoffen in de inrichting;

      • 4°. het zich ontdoen van de afvalstoffen die in de inrichting ontstaan;

    • g. de andere maatregelen of voorzieningen die zijn of worden getroffen om de nadelige gevolgen voor het milieu die de inrichting kan veroorzaken, te voorkomen of te beperken;

    • h. de wijze waarop gedurende het in werking zijn van de inrichting de belasting van het milieu, die de inrichting veroorzaakt, wordt vastgesteld en geregistreerd;

    • i. de voor de aanvrager redelijkerwijs te verwachten ontwikkelingen met betrekking tot de inrichting die voor de beslissing op de aanvraag van belang kunnen zijn;

    • j. voor zover het betreft inrichtingen waartoe gpbv-installaties behoren: een beknopte beschrijving van de belangrijkste door de aanvrager bestudeerde alternatieven, voor zover deze bestaan.

  • 2. De aanvraag gaat vergezeld van een niet-technische samenvatting van de in het eerste lid bedoelde gegevens.

Artikel 4.2 Ongewone voorvallen

De aanvrager verstrekt in of bij de aanvraag gegevens over:

  • a. ongewone voorvallen als bedoeld in artikel 17.1 van de Wet milieubeheer, die redelijkerwijs mogelijk zijn te achten;

  • b. de belasting van het milieu, die die voorvallen kunnen veroorzaken;

  • c. de aard en de omvang van de bij die voorvallen te onderscheiden vormen van belasting van het milieu;

  • d. de maatregelen die worden getroffen om de belasting van het milieu, die de inrichting ten gevolge van die voorvallen kan veroorzaken, te voorkomen of te beperken.

Artikel 4.3 Bodemkwaliteit

De aanvrager verstrekt in of bij de aanvraag de resultaten van een onderzoek naar de kwaliteit van de bodem op de plaats waar de inrichting zal zijn of is gelegen.

§ 4.1.2. Aanvullende regels voor bepaalde categorieën gevallen
Artikel 4.4 Indien een ander bestuursorgaan dan burgemeester en wethouders het bevoegd gezag is

Indien de aanvraag betrekking heeft op een inrichting, die behoort tot een categorie waarvoor gedeputeerde staten, Onze Minister, Onze Minister van Economische Zaken of Onze Minister van Verkeer en Waterstaat bevoegd zijn te beslissen op de aanvraag, vermeldt de aanvrager in of bij de aanvraag tevens de maatregelen die worden getroffen om de belasting van het milieu, die de inrichting of het mijnbouwwerk kan veroorzaken, te voorkomen of te beperken tijdens het in werking zijn van de inrichting dan wel mijnbouwwerk of de te onderscheiden onderdelen daarvan, waarbij, voor zover van toepassing, onderscheid wordt gemaakt tussen proefdraaien, normaal bedrijf, schoonmaak-, onderhouds- en herstelwerkzaamheden.

Artikel 4.5 Geluid

Indien de aanvraag betrekking heeft op een inrichting die behoort tot een categorie, die is genoemd in bijlage I, onder 11.1, 12.1, 13.1, onder a, 1° tot en met 3°, 17.1, 18 of 19 van het besluit, of die behoort tot een categorie, waarvoor gedeputeerde staten, Onze Minister, Onze Minister van Economische Zaken of Onze Minister van Verkeer en Waterstaat bevoegd zijn te beslissen op de aanvraag, verstrekt de aanvrager in of bij de aanvraag tevens gegevens over:

  • a. de aard van de geluiden en hoogte van de te verwachten geluidsbelasting welke de inrichting binnen een door het bevoegd gezag aangegeven gebied buiten de inrichting kan veroorzaken;

  • b. de tijden waarop die geluidsbelasting zich zal voordoen;

  • c. de methode waarmee de aard van de geluiden en hoogte van de geluidsbelasting zijn vastgesteld.

Artikel 4.6 Bijzondere deskundigheden bij bepaalde inrichtingen

Indien de aanvraag betrekking heeft op een inrichting die behoort tot een categorie, die is genoemd in bijlage I, onder 21, 28.4, onder g, of 29.1, onder k, van het besluit, verstrekt de aanvrager in of bij de aanvraag tevens gegevens en bescheiden met betrekking tot:

  • a. de namen van degenen die verantwoordelijk zijn voor de handelingen met de genetisch gemodificeerde organismen en voor het toezicht op en de controle van de veiligheid daarvan;

  • b. de vakbekwaamheid van de in de inrichting werkzame personen die bij die handelingen zijn betrokken;

  • c. het eventuele bestaan van biologische veiligheidscomités of subcomités;

  • d. het hoogste inperkingsniveau waaraan de ruimte bestemd voor ingeperkt gebruik voldoet.

Artikel 4.7 Beheer van afvalstoffen

Indien de aanvraag betrekking heeft op een inrichting, die behoort tot een categorie, die is genoemd in bijlage I, onder 28.4 of 28.5 van het besluit, verstrekt de aanvrager in of bij de aanvraag tevens gegevens en bescheiden met betrekking tot:

  • a. de aard, de samenstelling, de hoeveelheid en de herkomst van de inkomende afvalstoffen;

  • b. de procedures van acceptatie en controle van de inkomende afvalstoffen;

  • c. de wijze van financiering van de activiteiten, alsmede een schatting van de omvang van de investeringen die worden gedaan;

  • d. de tarieven die de aanvrager voor het nuttig toepassen of verwijderen wil vaststellen alsmede de wijze waarop de tarieven zijn samengesteld;

  • e. de beschikbaarheid en vakbekwaamheid van de in de inrichting werkzame personen;

  • f. de wijze waarop de inkomende afvalstoffen worden geregistreerd;

  • g. de wijze waarop de bij het proces van nuttig toepassen of verwijderen ontstane stoffen, preparaten of andere producten of afvalstoffen worden afgezet, afgevoerd, nuttig toegepast of verwijderd, alsmede de wijze van registratie daarvan;

  • h. de ondernemings- en organisatiestructuur, alsmede de regeling van de feitelijke leiding van de activiteiten in de inrichting;

  • i. de naam en het adres van degene die de feitelijke leiding van de activiteiten heeft in de inrichting.

Artikel 4.8 Afvalstoffen op of in de bodem

Indien de aanvraag betrekking heeft op een inrichting die behoort tot een categorie, die is genoemd in bijlage I, onder 28.6, van het besluit, vermeldt de aanvrager in of bij de aanvraag tevens de aard, de samenstelling, de hoeveelheid en de herkomst van de betrokken afvalstoffen.

Artikel 4.9 Storten van afvalstoffen
  • 1. Indien de aanvraag betrekking heeft op een inrichting die behoort tot een categorie, die is genoemd in bijlage I, onder 28.1, onder c, onder 28.4, onder f, of 28.4, onder g, van het besluit, in gevallen waarin sprake is van het storten van afvalstoffen, verstrekt de aanvrager in of bij de aanvraag tevens gegevens en bescheiden met betrekking tot:

    • a. de kwaliteit van de bodem op de plaats waar de inrichting zal zijn of is gelegen;

    • b. de bodemkundige gesteldheid en geohydrologische omstandigheden op de plaats waar de inrichting zal zijn of is gelegen, waaronder ten minste gegevens met betrekking tot:

      • 1°. voor zover van toepassing de gemiddelde grondwaterstand, vastgesteld door metingen volgens de door het Nederlands Normalisatie Instituut uitgeven norm NEN 5766, uitgave 1990, welke metingen tenminste tweemaal per maand op de 14e en 28e van die maand, gedurende een periode van tenminste een jaar voorafgaand aan de indiening van de aanvraag zijn verricht;

      • 2°. de grondwaterstroming;

      • 3°. de doorlatendheid, dikte, samenstelling en zetting van de bodemlagen;

    • c. de vormen van belasting van het milieu alsmede de aard, de omvang en de duur daarvan die de inrichting naar verwachting kan veroorzaken na de beëindiging van de werking van de inrichting of de sluiting daarvan;

    • d. de wijze waarop na beëindiging van het op of in de bodem brengen van de afvalstoffen het milieuhygiënische beheer van die stoffen en van de milieubeschermende voorzieningen is geregeld;

    • e. een exploitatie-, toezicht- en controleplan dat ten minste de gegevens, bedoeld in de onderdelen a, b, c, d en h van artikel 4.1, alsmede de gegevens, bedoeld in de onderdelen a tot en met h van artikel 4.7, bevat.

  • 2. In of bij een aanvraag die betrekking heeft op een inrichting als bedoeld in het eerste lid, toont de aanvrager aan dat financiële zekerheid is of wordt gesteld, voor het nakomen van de voorschriften met betrekking tot:

    • a. de bovenafdichting van een stortplaats, niet zijnde een stortplaats waar uitsluitend baggerspecie wordt gestort;

    • b. het zo nodig aanbrengen van een geohydrologisch isolatiesysteem, of het zo nodig aanbrengen van een afdeklaag op een stortplaats, zijnde een stortplaats waar uitsluitend baggerspecie wordt gestort.

  • 3. Indien een gemeente-, een provincie- of een waterschapsbestuur, dan wel het Rijk, vergunninghouder zal zijn, kan in afwijking van het tweede lid in plaats van het stellen van financiële zekerheid een daaraan gelijkwaardige voorziening zijn of worden getroffen.

  • 4. Indien de aanvraag betrekking heeft op een inrichting als bedoeld in het eerste lid in gevallen waarin sprake is van het storten van afvalstoffen in de diepe ondergrond, gaat zij tevens vergezeld van een rapport, inhoudende een veiligheidsbeoordeling die voldoet aan onderdeel 2.5 van de bijlage bij de beschikking nr. 2003/33/EG van de Raad van de Europese Unie van 19 december 2002 tot vaststelling van criteria en procedures voor het aanvaarden van afvalstoffen op stortplaatsen overeenkomstig artikel 16 en bijlage II van richtlijn 1999/31/EG betreffende het storten van afvalstoffen (PbEG L11).

  • 5. Indien de aanvraag betrekking heeft op een inrichting als bedoeld in het eerste lid en er sprake is van het opslaan of storten van metallisch kwik, voldoet deze tevens aan artikel 4, eerste lid, van verordening (EG) nr. 1102/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2008 inzake het verbod op de uitvoer van metallisch kwik en andere kwikverbindingen en -mengsels en de veilige opslag van metallisch kwik (PbEU L 304/75).

  • 6. Een wijziging van de bijlage, bedoeld in het vierde lid, gaat voor de toepassing van dat lid gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijziging uitvoering moet zijn gegeven, tenzij bij ministerieel besluit, dat in de Staatscourant wordt bekendgemaakt, een ander tijdstip wordt vastgesteld.

Artikel 4.10 Afvalvoorziening
  • 1. Indien de aanvraag betrekking heeft op een afvalvoorziening, gaat de aanvraag vergezeld van een door degene die de afvalvoorziening drijft, opgesteld winningsafvalbeheersplan als bedoeld in artikel 3 van het Besluit beheer winingsafvalstoffen.

  • 2. In of bij een aanvraag die betrekking heeft op een afvalvoorziening, toont de aanvrager aan dat:

    • a. de afvalvoorziening geschikt gelegen is, in het bijzonder gelet op verplichtingen ten aanzien van beschermde gebieden en geologische, hydrologische en hydrogeologische, seismische en geotechnische factoren;

    • b. de afvalvoorziening zo is ontworpen dat voldaan wordt aan de noodzakelijke voorwaarden om:

      • 1°. verontreiniging van de bodem, de lucht, het grondwater of een oppervlaktewaterlichaam, rekening houdende met in het bijzonder richtlijn 2006/11/EG, het Lozingenbesluit bodembescherming en de kaderrichtlijn water, te voorkomen,

      • 2°. te verzekeren dat verontreinigd water en percolaat op doelmatige wijze kunnen worden verzameld, en

      • 3°. erosie door water of wind wordt tegengegaan voor zover dat technisch mogelijk en economisch haalbaar is;

    • c. de afvalvoorziening passend is gebouwd, wordt beheerd en onderhouden teneinde:

      • 1°. haar fysische stabiliteit te verzekeren,

      • 2°. verontreiniging of besmetting van de bodem, de lucht, een oppervlaktewaterlichaam of het grondwater te voorkomen, en

      • 3°. schade aan het landschap zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.

    • d. passende plannen en regelingen zijn getroffen voor:

      • 1°. een periodieke monitoring en inspectie van de afvalvoorziening door binnen de inrichting werkzame personen, die beschikken over de voor die werkzaamheden benodigde vakbekwaamheid;

      • 2°. het treffen van maatregelen indien de resultaten van die monitoring en de inspectie wijzen op instabiliteit of verontreiniging van het water of de bodem;

    • e. passende regelingen zijn getroffen voor:

      • 1°. de rehabilitatie en de sluiting van de afvalvoorziening;

      • 2°. de fase na de sluiting van de afvalvoorziening;

    • f. in het ontwerp en bij de bouw van die afvalvoorziening rekening is gehouden met de noodzakelijke voorwaarden om een zwaar ongeval als bedoeld in artikel 1, onderdeel f, van het Besluit risico’s zware ongevallen 1999 te voorkomen en de nadelige gevolgen van een dergelijk ongeval voor de gezondheid van de mens of het milieu zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken, met inbegrip van de grensoverschrijdende gevolgen;

    • g. financiële zekerheid is of wordt gesteld, voor het nakomen van de voorschriften die ingevolge het Besluit beheer winningsafvalstoffen aan de vergunning worden verbonden, alsmede voor het nakomen van paragraaf 8.2 van de Wet milieubeheer.

Artikel 4.11 Verbranden van afvalstoffen
  • 1. Indien de aanvraag betrekking heeft op een inrichting waarop het Besluit verbranden afvalstoffen van toepassing is, vermeldt of verstrekt de aanvrager in of bij de aanvraag tevens:

    • a. de maatregelen of voorzieningen ten behoeve van terugwinning van de als gevolg van thermische behandeling van afvalstoffen opgewekte warmte;

    • b. de gegevens, bedoeld in artikel 4.1, eerste lid, onder a, per categorie van stoffen, preparaten of andere producten, genoemd in de bijlage bij beschikking nr. 2000/532/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 3 mei 2000 houdende vaststelling van een lijst van afvalstoffen overeenkomstig artikel 1, onder a), van richtlijn 75/442/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen betreffende afvalstoffen en beschikking 94/904/EG van de Raad van de Europese Unie tot vaststelling van een lijst van gevaarlijke afvalstoffen overeenkomstig artikel 1, lid 4, van richtlijn 91/689/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen betreffende gevaarlijke afvalstoffen (PbEG L 226/3);

    • c. een nadere omschrijving van de slechtst denkbare bedrijfsomstandigheden als bedoeld in artikel 11, derde lid, van richtlijn nr. 2000/76/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 4 december 2000 betreffende de verbranding van afval (PbEG L 332).

  • 2. Voor de toepassing van het eerste lid gaat een wijziging van:

    • a. de bijlage, bedoeld in het eerste lid, onder b, gelden met ingang van de dag waarop aan die wijziging uitvoering moet zijn gegeven, tenzij bij ministerieel besluit, dat in de Staatscourant wordt bekendgemaakt, een ander tijdstip wordt vastgesteld;

    • b. de richtlijn, bedoeld in het eerste lid, onder c, gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven.

Artikel 4.12 Vuurwerk
  • 1. Indien de aanvraag betrekking heeft op een inrichting waar ten hoogste 10.000 kilogram consumentenvuurwerk als bedoeld in het Vuurwerkbesluit wordt opgeslagen, vermeldt de aanvrager in of bij de aanvraag tevens de maximale hoeveelheid consumentenvuurwerk in de zin van het Vuurwerkbesluit die in de inrichting wordt opgeslagen.

  • 2. Indien de aanvraag betrekking heeft op een inrichting die behoort tot een categorie die is genoemd in bijlage I, onder 3.5, van het Besluit omgevingsrecht, verstrekt de aanvrager in of bij de aanvraag:

    • a. de maximale hoeveelheden stoffen en voorwerpen behorend tot transport-gevarenklasse 1 als bedoeld in bijlage 1 van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen, onderscheiden naar gevarensubklasse en compatibiliteitsgroep, die in de inrichting worden opgeslagen;

    • b. de maximale hoeveelheid consumenten- en professioneel vuurwerk dan wel pyrotechnische artikelen voor theatergebruik in de zin van het Vuurwerkbesluit die in de inrichting wordt opgeslagen;

    • c. de namen van degenen door wie of onder voortdurend toezicht van wie handelingen met professioneel vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik worden verricht, voor zover de aanvraag betrekking heeft op het bewerken van professioneel vuurwerk onderscheidenlijk pyrotechnische artikelen voor theatergebruik;

    • d. gegevens over de vakbekwaamheid van de in de inrichting werkzame personen, voor zover de aanvraag betrekking heeft op het bewerken van professioneel vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik.

Artikel 4.13 BRZO
  • 1. Indien de aanvraag betrekking heeft op een inrichting waarop paragraaf 3 van het Besluit risico's zware ongevallen 1999 van toepassing is, gaat zij vergezeld van die onderdelen van het veiligheidsrapport, bedoeld in artikel 10 van dat besluit, die betrekking hebben op de risico's voor personen buiten de inrichting en voor het milieu.

  • 2. In een geval als bedoeld in het eerste lid vermeldt de aanvrager in of bij de aanvraag, per stof, genoemd in bijlage I, deel 1, bij dat besluit en per categorie van stoffen en preparaten, genoemd in bijlage I, deel 2, bij dat besluit, de maximale hoeveelheid waarvoor vergunning wordt gevraagd.

  • 3. Indien de aanvraag betrekking heeft op een inrichting waarop paragraaf 2 en niet tevens paragraaf 3 van het Besluit risico's zware ongevallen 1999 van toepassing is, verstrekt de aanvrager in of bij de aanvraag, de volgende gegevens:

    • a. de naam en de functie van de met de feitelijke leiding van de inrichting belaste persoon, indien deze een ander is dan degene die de inrichting drijft;

    • b. de aard van de in de inrichting aanwezige gevaarlijke stoffen;

    • c. per stof, genoemd in bijlage I, deel 1, bij dat besluit, en per categorie van stoffen en preparaten, genoemd in bijlage I, deel 2, bij dat besluit:

      • 1°. de maximale hoeveelheid waarvoor vergunning wordt gevraagd;

      • 2°. de hoeveelheid die bij een normale bedrijfsvoering in de inrichting aanwezig is;

      • 3°. de fysische vorm van de betrokken gevaarlijke stof of stoffen;

    • d. met het oog op de vaststelling van domino-effecten, voor gevaarlijke stoffen behorend tot de categorie ontplofbaar, ontvlambaar, licht ontvlambaar of zeer licht ontvlambaar, bedoeld in bijlage I, deel 2, bij dat besluit:

      • 1°. een aanduiding van het grootste insluitsysteem;

      • 2°. de maximale hoeveelheid van de betrokken gevaarlijke stof die daarin aanwezig kan zijn;

      • 3°. een aanduiding van de betrokken gevaarlijke stof alsmede een aanduiding van de categorie waartoe die stof behoort;

      • 4°. de plaats van het insluitsysteem in de inrichting;

      • 5°. de druk en de temperatuur van de betrokken stoffen en preparaten in het insluitsysteem;

    • e. de activiteiten die in de inrichting worden uitgeoefend;

    • f. de met de onmiddellijke omgeving van de inrichting samenhangende omstandigheden die een zwaar ongeval kunnen veroorzaken of de gevolgen daarvan ernstiger kunnen maken.

Artikel 4.14 Stookinstallaties

Indien de aanvraag betrekking heeft op een inrichting waarop artikel 10c van het Besluit emissie-eisen stookinstallaties milieubeheer A van toepassing is, verstrekt de aanvrager in of bij de aanvraag tevens de volgende gegevens en bescheiden:

  • a. de resultaten van het onderzoek naar de technische en economische haalbaarheid van warmtekrachtkoppeling;

  • b. indien van toepassing, de maatregelen of voorzieningen ten behoeve van warmtekrachtkoppeling.

Artikel 4.15 Indirecte lozingen

In of bij een aanvraag om een vergunning met betrekking tot het oprichten of het in werking hebben van een inrichting, van waaruit afvalwater of andere afvalstoffen in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater worden gebracht, verstrekt de aanvrager de volgende gegevens en bescheiden:

  • a. een karakterisering naar aard, samenstelling, eigenschappen, hoeveelheid en herkomst van de afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen, die in de voorziening wordt gebracht, waarbij in ieder geval wordt vermeld of het afvalwater continu dan wel discontinu in de voorziening wordt gebracht, met welke regelmaat dit plaatsvindt, de wijze waarop dit plaatsvindt en de activiteiten waaruit het afvalwater afkomstig is;

  • b. een beschrijving van de technische gegevens van het rioolstelsel en een aanduiding van de plaats waar het afvalwater of andere afvalstoffen in de voorziening worden gebracht, met toelichtende tekeningen, die in ieder geval bestaan uit een rioleringstekening;

  • c. een processchema van de opzet en een beschrijving van de capaciteit van elke installatie waardoor of waarin processen plaatsvinden die leiden of kunnen leiden tot het in een oppervlaktewaterlichaam brengen van afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen, waarbij wordt aangegeven welke afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen waar en in welke mate vrijkomen;

  • d. een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die zijn of worden getroffen om te voorkomen of te beperken dat afvalwater of andere afvalstoffen in de voorziening worden gebracht, met toelichtende tekening;

  • e. de voorzieningen en de maatregelen die zijn voorzien om extra lozingen ten gevolge van storingen, ongewone voorvallen, proefdraaien, in gebruik stellen, buiten bedrijf nemen, schoonmaak- of herstelwerkzaamheden te voorkomen of te beperken;

  • f. een beschrijving van de maatregelen die worden getroffen bij definitieve stopzetting van de activiteiten, om te voorkomen of te beperken dat afvalwater of andere afvalstoffen in de voorziening worden gebracht;

  • g. een beschrijving van de aard en omvang van de gevolgen voor de doelmatige werking van het zuiveringstechnisch werk dat het afvalwater of de andere afvalstoffen ontvangt. Indien de inrichting of het mijnbouwwerk over een eigen afvalwaterzuivering beschikt, wordt in of bij de aanvraag tevens het gehalte BZV/N-totaal in het effluent van deze afvalwaterzuivering aangegeven;

  • h. een beschrijving van de aard en omvang van de belasting van de kwaliteit van het oppervlaktewaterlichaam ten gevolge van het lozen van het afvalwater of andere afvalstoffen, daaronder begrepen een overzicht van de belangrijke nadelige effecten op het watermilieu;

  • i. een beschrijving van de wijze waarop de lozing wordt vastgesteld en geregistreerd en de wijze waarop over de lozing wordt gerapporteerd;

  • j. een opgave van de voor de aanvrager redelijkerwijs te verwachten ontwikkelingen met betrekking tot de lozing die voor de beslissing op de aanvraag van belang kunnen zijn;

  • k. een niet-technische samenvatting van de in dit artikel bedoelde gegevens.

Artikel 4.16 Registratie externe veiligheid
  • 1. Indien de aanvraag betrekking heeft op het oprichten of het in werking hebben van een inrichting als bedoeld in artikel 3, onderdelen b, e, f, g en h, of artikel 4, onder b, e en f, van het Registratiebesluit externe veiligheid vermeldt de aanvrager in of bij de aanvraag de volgende gegevens:

    • a. de ligging van zowel de 10-5 per jaar contour als de 10-6 per jaar contour van het plaatsgebonden risico en, indien beschikbaar, de 10-8 per jaar contour van het plaatsgebonden risico, dan wel de afstanden die overeenkomen met deze waarden voor het plaatsgebonden risico indien deze afstanden door Onze Minister zijn voorgeschreven;

    • b. de grootte van het groepsrisico, uitgedrukt in een grafiek met op de horizontale as het aantal dodelijke slachtoffers en op de verticale as de cumulatieve kansen per jaar op ten minste dat aantal slachtoffers, dan wel voor inrichtingen waarvoor geen veiligheidsrapport verplicht is gesteld op grond van het Besluit risico’s zware ongevallen 1999, indien bekend de op grond van de oriënterende waarde voor het groepsrisico gemiddeld toelaatbare dichtheid van personen binnen het invloedsgebied rond de inrichting.

  • 2. Voor inrichtingen waarop het Besluit LPG-tankstations milieubeheer of het Vuurwerkbesluit van toepassing zijn, blijft het eerste lid buiten toepassing.

  • 3. Bij de berekening van de in de onderdelen a en b van het eerste lid bedoelde gegevens wordt uitgegaan van de in de aanvraag genoemde maximale hoeveelheid gevaarlijke stof.

§ 4.2. Veranderen van een inrichting of de werking daarvan en de revisievergunning

Artikel 4.17 Algemene vereisten
  • 1. In of bij de aanvraag om een vergunning voor het veranderen van een inrichting of van de werking daarvan, vermeldt de aanvrager:

    • a. de beoogde verandering van de inrichting of van de werking daarvan;

    • b. op welke gegevens en bescheiden die eerder zijn verstrekt in het kader van de aanvraag van de vergunning of vergunningen krachtens welke de inrichting is opgericht dan wel in werking is, de verandering van invloed is, met een aanduiding van de door de verandering veroorzaakte wijzigingen daarvan.

  • 2. De artikelen 4.1 tot en met 4.15 zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 4.18 Veranderingen in combinatie met BRZO 1999
  • 1. Indien de aanvraag betrekking heeft op het veranderen van een inrichting of van de werking daarvan en indien sprake is van een inrichting waarop paragraaf 3 van het Besluit risico's zware ongevallen 1999 van toepassing is, verstrekt de aanvrager in of bij de aanvraag tevens de volgende gegevens en bescheiden:

    • a. een rapport als bedoeld in artikel 4.13, eerste lid, indien het Besluit risico's zware ongevallen 1999 voor de eerste maal van toepassing wordt ten gevolge van het veranderen van de inrichting of het veranderen van de werking ervan, of

    • b. een herzien rapport als bedoeld in artikel 4.13, eerste lid.

  • 2. Op een aanvraag als bedoeld in het eerste lid is artikel 4.13, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.

  • 3. Indien de aanvraag betrekking heeft op het veranderen van een inrichting of van de werking daarvan en indien sprake is van een inrichting waarop paragraaf 2 en niet tevens paragraaf 3 van het Besluit risico's zware ongevallen 1999 van toepassing is, verstrekt de aanvrager in of bij de aanvraag tevens de volgende gegevens en bescheiden:

    • a. de gegevens, bedoeld in artikel 4.13, derde lid, indien het Besluit risico's zware ongevallen 1999 voor de eerste maal van toepassing wordt ten gevolge van het veranderen van de inrichting of van de werking daarvan, of

    • b. herziene gegevens als bedoeld in artikel 4.13, derde lid

Artikel 4.19 Registratie externe veiligheid
  • 1. Indien de aanvraag betrekking heeft op het veranderen van een inrichting of van de werking daarvan, vermeldt de aanvrager in of bij de aanvraag, onverminderd hetgeen is bepaald in enig ander artikel van dit hoofdstuk, de gegevens, bedoeld in artikel 4.16, indien de aanvraag ten gevolge van het veranderen van de inrichting of het veranderen van de werking ervan, voor de eerste maal betrekking heeft op een inrichting als bedoeld in artikel 3, onderdelen b, e, f, g en h, of artikel 4, onderdelen b, e en f, van het Registratiebesluit externe veiligheid.

  • 2. Indien de aanvraag betrekking heeft op het veranderen van een inrichting of van de werking daarvan, vermeldt de aanvrager in of bij de aanvraag de herziene gegevens, bedoeld in artikel 4.16.

Artikel 4.20 Revisievergunning

Met betrekking tot een aanvraag als bedoeld in artikel 2.6, eerste lid, van de wet, zijn de artikelen 4.1 tot en met 4.17 van overeenkomstige toepassing.

§ 4.3. Verandering van de inrichting of de werking daarvan, die niet tot andere of grotere nadelige gevolgen leidt en die niet tot een andere inrichting leidt

Artikel 4.21 Beperkte verandering inrichting

Bij een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 3.10, derde lid, van de wet, vermeldt de vergunninghouder:

  • a. de vergunning of vergunningen krachtens welke de inrichting is opgericht dan wel in werking is;

  • b. de beoogde verandering van de inrichting of van de werking daarvan;

  • c. gegevens waaruit blijkt van welke onderdelen en in welke mate van de onder a bedoelde vergunning of vergunningen en de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften wordt afgeweken;

  • d. het tijdstip waarop beoogd wordt de voorgenomen verandering te verwezenlijken;

  • e. gegevens waaruit blijkt dat:

    • 1°. de beoogde verandering van de inrichting of van de werking daarvan niet leidt tot andere of grotere nadelige gevolgen voor het milieu dan volgens de geldende vergunning is toegestaan;

    • 2°. geen verplichting bestaat tot het maken van een milieueffectrapport als bedoeld in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer;

    • 3°. het veranderen niet leidt tot een andere inrichting dan waarvoor eerder een vergunning is verleend.

§ 4.4. Indieningsvereisten met betrekking tot een mijnbouwwerk

Artikel 4.22 Mijnbouwwerken
  • 1. De artikelen 4.1 tot en met 4.20 van deze regeling zijn van overeenkomstige toepassing op de aanvraag om een vergunning met betrekking tot het oprichten of in werking hebben van een mijnbouwwerk of tot het veranderen van een mijnbouwwerk of van de werking daarvan.

  • 2. Indien bij een aanvraag om een vergunning als bedoeld in het eerste lid, een plaats, traject of gebied moet worden vermeld, wordt dit uitgedrukt in:

    • a. het coördinatenstelsel van de Rijksdriehoeksmeting, indien de plaats, het traject of het gebied zich aan de landzijde van de in de bijlage bij de Mijnbouwwet vastgelegde lijn bevindt, en

    • b. geografische coördinaten, berekend volgens het stelsel van de Europese vereffening, indien de plaats, het traject of het gebied zich aan de zeezijde van de in de bijlage bij de Mijnbouwwet vastgelegde lijn bevindt.

  • 3. Van een gebied wordt het oppervlak vermeld, uitgedrukt in km2.

  • 4. Een plaats of een traject wordt, onder vermelding van de coördinaten daarvan, aangegeven op een kaart.

  • 5. De ligging van een gebied wordt, onder vermelding van de coördinaten van de hoekpunten daarvan, aangegeven op een kaart.

  • 6. De kaarten, bedoeld in het derde en vierde lid, zijn getekend op een schaal van 1:50.000.

HOOFDSTUK 5. INDIENINGSVEREISTEN VANWEGE ACTIVITEITEN MET BETREKKING TOT EEN BESCHERMD MONUMENT

§ 5.1. Gegevens en bescheiden over activiteiten met betrekking tot een beschermd monument

Artikel 5.1 Slopen beschermd monument

In of bij de aanvraag om een vergunning voor het slopen van een beschermd monument verstrekt de aanvrager naast de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.2, onder a, b, c en e:

  • a. het monumentnummer en, voor zover daarvan sprake is, de naam van het monument;

  • b. cultuurhistorische rapporten, daaronder begrepen rapporten inzake architectuurhistorie, bouwhistorie, interieurhistorie of tuinhistorie;

  • c. overzichts- en detailfoto’s die een duidelijke indruk geven van het monument in relatie tot de voorgenomen sloop;

  • d. opnametekeningen van de bestaande toestand en slooptekeningen.

Artikel 5.2 Verstoren beschermd monument

In of bij de aanvraag om een vergunning voor het verstoren van een beschermd monument verstrekt de aanvrager de volgende gegevens en bescheiden:

  • a. het monumentnummer en, voor zover daarvan sprake is, de toponiem of plaatselijke aanduiding van het monument;

  • b. het huidige gebruik van het monument en het gebruik van het monument na voltooiing van de voorgenomen verstoring;

  • c. een omschrijving van de activiteit, met per afzonderlijke ingreep een vermelding van:

    • 1°. de plaats en de omvang;

    • 2°. de diepte, uitgedrukt in centimeters ten opzichte van het maaiveld;

  • d. een gemotiveerde opgave of de verstoring is afgestemd op kwaliteitseisen of uitvoeringsvoorschriften die op het monument van toepassing zijn;

  • e. ingeval de verstoring gepaard gaat met het uitvoeren van een werk of werkzaamheid of de aanleg van een weg, niet zijnde een aanlegactiviteit als bedoeld in de artikelen 3.1 of 7.1, definitief bestek en bestektekeningen;

  • f. een topografische kaart of GBKN-kaart met per ingreep de exacte plaats en omvang, onder vermelding van de schaal, met een maximum van 1:5000, en voorzien van noordpijl en minimaal twee RD-coördinatenparen.

Artikel 5.3 Verplaatsen beschermd monument

In of bij de aanvraag om een vergunning voor het verplaatsen van een beschermd monument verstrekt de aanvrager de volgende gegevens en bescheiden:

  • a. het monumentnummer en, voor zover daarvan sprake is, de naam van het monument;

  • b. het huidige gebruik van het monument en het gebruik van het monument na voltooiing van de voorgenomen verplaatsing;

  • c. een gemotiveerde opgave of de verplaatsing is afgestemd op kwaliteitseisen of uitvoeringsvoorschriften die op het monument van toepassing zijn;

  • d. cultuurhistorische rapporten, daaronder begrepen rapporten inzake architectuurhistorie, bouwhistorie, interieurhistorie, kleurhistorie en tuinhistorie;

  • e. technische rapporten, daaronder begrepen rapporten inzake constructieve en preventieve aspecten;

  • f. een bestek of werkomschrijving van de wijze van verplaatsen en indien van toepassing van de toe te passen constructies, materialen, afwerkingen en kleuren alsmede van de wijze van verwerking daarvan;

  • g. de volgende foto’s die een duidelijke indruk geven van het monument in relatie tot de voorgenomen verplaatsing:

    • 1°. overzichtsfoto’s van de bestaande situatie;

    • 2°. overzichtsfoto’s van de nieuwe locatie;

    • 3°. detailfoto’s van de bestaande toestand;

  • h. de volgende tekeningen:

    • 1°. opnametekeningen van de bestaande toestand;

    • 2°. plantekeningen van de nieuwe toestand;

    • 3°. aanvullende tekeningen van de bestaande en de nieuwe toestand, waaronder begrepen detailtekeningen en doorsnedetekeningen;

  • i. ingeval van een molen een rapport inzake de molenbiotoop van de bestaande en van de nieuwe situatie;

  • j. voor zover daarvan sprake is, een opgave bij welke instantie voor de voorgenomen verplaatsing een aanvraag om subsidie of een financiële bijdrage is of zal worden gedaan.

Artikel 5.4 Wijzigen beschermd monument door bouwactiviteit

In of bij de aanvraag om een vergunning voor een wijziging van een beschermd monument, zijnde tevens een bouwactiviteit, verstrekt de aanvrager, naast de in hoofdstuk 2 genoemde gegevens en bescheiden:

  • a. het monumentnummer en, voor zover daarvan sprake is, de naam van het monument;

  • b. het huidige gebruik van het monument en het gebruik van het monument na voltooiing van de voorgenomen wijziging;

  • c. een gemotiveerde opgave of de wijziging is afgestemd op kwaliteitseisen of uitvoeringsvoorschriften die op het monument van toepassing zijn;

  • d. cultuurhistorische rapporten, daaronder begrepen rapporten inzake architectuurhistorie, bouwhistorie, interieurhistorie, kleurhistorie of tuinhistorie;

  • e. bouwtechnische rapporten, daaronder begrepen rapporten inzake bouwfysische, constructieve, materiaaltechnische of preventieve aspecten;

  • f. een beschrijving van de technische staat van het monument;

  • g. een bestek of werkomschrijving per onderdeel van de toe te passen constructies, materialen, afwerkingen en kleuren alsmede van de wijze van verwerking daarvan;

  • h. overzichts- en detailfoto’s die een duidelijke indruk geven van het onderdeel van het monument waar de voorgenomen wijziging zal plaatsvinden;

  • i. de volgende tekeningen:

    • 1°. opnametekeningen van de bestaande toestand en gebrekentekeningen;

    • 2°. plantekeningen van de nieuwe toestand en van de voorgenomen werkzaamheden, voor zover van toepassing daaronder begrepen de te vervangen of te veranderen onderdelen en de te verhelpen gebreken;

    • 3°. aanvullende tekeningen van bestaande en nieuwe toestand, waaronder begrepen detailtekeningen en doorsnedetekeningen;

  • j. voor zover daarvan sprake is, een opgave bij welke instantie voor de voorgenomen wijziging een aanvraag om subsidie of een financiële bijdrage is of zal worden gedaan.

Artikel 5.5 Wijzigen beschermd monument door aanlegactiviteit

In of bij de aanvraag om een vergunning voor een wijziging van een beschermd monument, zijnde tevens een aanlegactiviteit als bedoeld in de artikelen 3.1 of 7.1, verstrekt de aanvrager, naast de in die artikelen genoemde gegevens en bescheiden:

  • a. het monumentnummer en, voor zover daarvan sprake is, de naam van het monument;

  • b. een tuinhistorisch rapport of een beheerplan;

  • c. overzichts- en detailfoto’s die een duidelijke indruk geven van het monument in relatie tot de voorgenomen wijziging;

  • d. de volgende tekeningen:

    • 1°. opnametekeningen van de bestaande situatie;

    • 2°. plantekeningen van de nieuwe situatie;

  • e. voor zover daarvan sprake is, een opgave bij welke instantie voor de voorgenomen wijziging een aanvraag om subsidie of een financiële bijdrage is of zal worden gedaan.

Artikel 5.6 Overige wijzigingen beschermd monument of herstellen beschermd monument waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht

In of bij de aanvraag om een vergunning voor het wijzigen van een beschermd monument, anders dan door een activiteit als bedoeld in de artikelen 5.1 tot en met 5.5, of voor het herstellen van een beschermd monument op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht, verstrekt de aanvrager de volgende gegevens en bescheiden:

  • a. het monumentnummer en, voor zover daarvan sprake is, de naam van het monument;

  • b. het huidige gebruik van het monument en het gebruik van het monument na voltooiing van de voorgenomen wijziging of het voorgenomen herstel;

  • c. een gemotiveerde opgave of de wijziging of het herstel is afgestemd op kwaliteitseisen of uitvoeringsvoorschriften die op het monument van toepassing zijn;

  • d. cultuurhistorische rapporten, daaronder begrepen rapporten inzake architectuurhistorie, bouwhistorie, interieurhistorie, kleurhistorie en tuinhistorie;

  • e. technische rapporten, daaronder begrepen rapporten inzake bouwfysische, materiaaltechnische en preventieve aspecten;

  • f. in geval van een tuin- of parkaanleg, een beheerplan;

  • g. een beschrijving van de technische staat van het monument;

  • h. een bestek of werkomschrijving;

  • i. overzichts- en detailfoto’s die een duidelijke indruk geven van het onderdeel van het monument waar de voorgenomen wijziging of het voorgenomen herstel zal plaatsvinden;

  • j. de volgende tekeningen:

    • 1°. opnametekeningen van de bestaande situatie en gebrekentekeningen;

    • 2°. plantekeningen van de nieuwe situatie en van de voorgenomen werkzaamheden;

    • 3°. aanvullende tekeningen van de bestaande en nieuwe situatie, waaronder begrepen detailtekeningen en doorsnedetekeningen;

  • k. voor zover daarvan sprake is, een opgave bij welke instantie voor de voorgenomen wijziging of het voorgenomen herstel een aanvraag om subsidie of een financiële bijdrage is of zal worden gedaan.

Artikel 5.7 Gebruiken of laten gebruiken beschermd monument waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht

In of bij de aanvraag om een vergunning voor het gebruiken of laten gebruiken van een beschermd monument op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht, verstrekt de aanvrager de volgende gegevens en bescheiden:

  • a. het monumentnummer en, voor zover daarvan sprake is, de naam van het monument;

  • b. het huidige gebruik en indien daarvan afwijkend het voorgenomen gebruik van het monument;

  • c. een motivering van het gebruik of indien daarvan afwijkend het voorgenomen gebruik;

  • d. een opgave van de effecten van het gebruik of indien daarvan afwijkend het voorgenomen gebruik voor het monument.

§ 5.2. Vereisten aan tekeningen

Artikel 5.8
  • 1. Voor de tekeningen, bedoeld in de artikelen 5.1 tot en met 5.6, is de maximaal toe te passen schaal:

    • a. situatietekeningen: 1:1000;

    • b. geveltekeningen:

      • 1°. algemeen: 1:100;

      • 2°. bij ingrijpende wijzigingen: 1:20 of 1:50;

    • c. plattegronden, doorsneden en dakaanzichten: 1:100;

    • d. detailtekeningen 1:2 of 1:5.

  • 2. Uit de situatietekening blijkt de oriëntatie van het monument op het perceel en ten opzichte van omliggende bebouwing en wegen (noordpijl).

  • 3. Plattegronden en doorsneden bevatten de volgende historische gegevens:

    • a. balklagen:

      • 1°. gestippeld aangegeven in plattegronden van ruimten onder de balklagen;

      • 2°. getekend aangegeven in doorsneden met aanduiding van de afmetingen;

    • b. geornamenteerde (stuc)plafonds, gestippeld aangegeven in plattegronden van de desbetreffende ruimten;

    • c. houtafmeting, balklagen en kapconstructie, aangegeven in doorsnedetekeningen van de bestaande toestand;

    • d. bijzondere ruimten of bouwdelen, direct of indirect betrokken bij de activiteit, aangegeven in plattegronden.

HOOFDSTUK 6. INDIENINGSVEREISTEN VANWEGE SLOOPACTIVITEITEN

Artikel 6.1 Slopen in geval van een planologisch verbod

In of bij de aanvraag om een vergunning voor het slopen van een bouwwerk als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder g, van de wet, maakt de aanvrager aannemelijk dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd.

Artikel 6.2 Slopen in een beschermd stads- of dorpsgezicht

  • 1. In of bij de aanvraag om een vergunning voor het slopen van een bouwwerk als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder h, van de wet maakt de aanvrager aannemelijk dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd.

  • 2. Indien dat met toepassing van artikel 41 van de Monumentenwet 1988 is verplicht door het bevoegd gezag verstrekt de aanvrager in of bij de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, een rapport waarin de archeologische waarde van de bodem onder het te slopen bouwwerk in voldoende mate is vastgesteld.

HOOFDSTUK 7. INDIENINGSVEREISTEN VANWEGE ACTIVITEITEN KRACHTENS EEN PROVINCIALE OF GEMEENTELIJKE VERORDENING

§ 7.1. Gegevens en bescheiden over activiteiten als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, van de wet

Artikel 7.1 Activiteit met betrekking tot een monument, slopen in een aangewezen stads- of dorpsgezicht en aanlegactiviteit

Met betrekking tot de aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder b, c of d, van de wet zijn respectievelijk hoofdstuk 5, artikel 6.2 en artikel 3.1 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 7.2 Slopen bouwwerk

In of bij de aanvraag om een vergunning voor het slopen van een bouwwerk, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder a, van de wet, verstrekt de aanvrager de volgende gegevens en bescheiden:

  • a. de omvang waarin het bouwwerk wordt gesloopt;

  • b. de uitvoerder van de sloopactiviteiten;

  • c. de sloopmethode;

  • d. het sloopveiligheidsplan;

  • e. de aard en hoeveelheid vrijkomend materiaal;

  • f. het asbestinventarisatierapport, indien er sprake is van een verwachting dat er asbest aanwezig is;

  • g. het onderzoeksrapport naar aard, omvang en samenstelling van het gevaarlijk afval, indien dat door het te slopen bouwwerk of een onderdeel daarvan vrijkomt.

Artikel 7.3 Uitweg

In of bij de aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder e, van de wet, verstrekt de aanvrager gegevens met betrekking tot;

  • a. de locatie van de uitweg aan het voor-, zij- dan wel achtererf;

  • b. de afmeting van de nieuwe uitweg, dan wel van de te veranderen bestaande uitweg en de beoogde verandering daarvan;

  • c. de te gebruiken materialen;

  • d. de aanwezigheid van obstakels die in de weg staan voor het aanleggen of voor het gebruik van de uitweg, zoals bomen, lantaarnpalen en nutsvoorzieningen.

Artikel 7.4 Alarminstallatie

In of bij de aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder f, van de wet, verstrekt de aanvrager gegevens over:

  • a. de aard en de werking van de signalering;

  • b. twee waarschuwingsadressen, inclusief telefoonnummers en namen van contactpersonen.

Artikel 7.5 Vellen van houtopstand
  • 1. In of bij de aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder g, van de wet, identificeert de aanvrager op de aanduiding, bedoeld in artikel 1.3, tweede lid, iedere houtopstand waarop de aanvraag betrekking heeft met een nummer.

  • 2. In of bij de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, vermeldt de aanvrager per genummerde houtopstand:

    • a. de soort houtopstand;

    • b. de locatie van de houtopstand op het voor-, zij- dan wel achtererf;

    • c. de diameter in centimeters, gemeten op 1,30 meter vanaf het maaiveld;

    • d. de mogelijkheid tot herbeplanten, alsmede het eventuele voornemen om op een daarbij te vermelden locatie tot herbeplanten van een daarbij te vermelden aantal soorten over te gaan.

Artikel 7.6 Handelsreclame
  • 1. In of bij de aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder h en i, van de wet, verstrekt de aanvrager gegevens over:

    • a. het aantal en de afmetingen van de reclame;

    • b. de hoogte van de reclame, gemeten vanaf maaiveld tot de onderkant;

    • c. de te gebruiken materialen, kleuren en verlichting;

    • d. de tekst van de reclame.

  • 2. Indien een ander dan de eigenaar, beperkt zakelijk gerechtigde of gebruiker van de onroerende zaak met diens toestemming handelsreclame maakt of voert, vermeldt de aanvrager in de aanvraag de naam, het adres en de woonplaats van die ander.

Artikel 7.7 Opslaan roerende zaken
  • 1. In of bij de aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j en k, van de wet, verstrekt de aanvrager gegevens over:

    • a. de aard van de roerende zaken;

    • b. de omvang van de opslag van de roerende zaken.

  • 2. Indien een ander dan de eigenaar, beperkt zakelijk gerechtigde of gebruiker van de onroerende zaak met diens toestemming roerende zaken opslaat, vermeldt de aanvrager in de aanvraag de naam, het adres en de woonplaats van die ander.

§ 7.2. Gegevens en bescheiden over overige activiteiten

Artikel 7.8 Gebieden ter bescherming van grondwater

Indien de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 1.3a, eerste lid, onder a, van de Wet milieubeheer, verstrekt de aanvrager de volgende gegevens:

  • a. een beschrijving van de activiteit, daaronder begrepen gegevens omtrent constructie, afmetingen en het gebruik van installaties of andere werken alsmede de reden van de activiteit;

  • b. een of meer kaarten op een zodanige schaal dat een duidelijk beeld wordt verkregen van de plaats waar de gedraging zal plaatsvinden;

  • c. een opgave van de hoeveelheid, de aard en de samenstelling van stoffen ten aanzien waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat deze van belang zijn voor de nadelige gevolgen voor het milieu die de gedraging kan veroorzaken, alsmede van de te verwachten emissies;

  • d. een beschrijving van de maatregelen die worden getroffen om de nadelige gevolgen voor bodem en grondwater tegen te gaan.

Artikel 7.9 Gesloten stortplaats

Indien de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 3.4 van het besluit, verstrekt de aanvrager de volgende gegevens:

  • a. het voorgenomen gebruik van de gesloten stortplaats en van het gebied waarin de nazorgvoorzieningen zijn gelegen;

  • b. een kadastrale kaart, waarop het grondgebied van het voorgenomen gebruik als bedoeld onder a is aangegeven;

  • c. de naam en het adres van een ieder die een zakelijk of een persoonlijk recht heeft op het grondgebied, bedoeld onder b;

  • d. een overzicht van de benodigde vergunningen, meldingen en toestemmingen om het voorgenomen gebruik te kunnen realiseren;

  • e. de maatregelen die worden getroffen om:

    • 1°. de bereikbaarheid van de nazorgvoorzieningen te garanderen;

    • 2°. aantasting van de nazorgvoorzieningen te voorkomen;

    • 3°. anderszins de uitvoering van de nazorg niet te belemmeren;

  • f. de wijze van evaluatie van en rapportage over de uitvoering van de onder e bedoelde maatregelen.

HOOFDSTUK 8. INDIENINGSVEREISTEN MET BETREKKING TOT DE GEBIEDS- EN SOORTENBESCHERMING

Artikel 8.1 Gebiedsbescherming

  • 1. In of bij de aanvraag om een vergunning als bedoeld in hoofdstuk IX van de Natuurbeschermingswet 1998, vermeldt de aanvrager voor welk beschermd natuurmonument de handeling of voor welk Natura 2000-gebied het project of de handeling gevolgen heeft. Als het meerdere natuurmonumenten of gebieden betreft, worden alle vermeld. Daarbij vermeldt de aanvrager wat de precieze afstand van het project of handeling tot het natuurmonument of het gebied is en voegt op kaartbeeld de locatie van het project of handeling in relatie tot het betreffende natuurmonument of gebied bij.

  • 2. In of bij de aanvraag om een vergunning als bedoeld in het eerste lid vermeldt de aanvrager naast de omschrijving van de aard en de omvang van het project of handeling tevens:

    • a. het belang van de aanvrager bij het verlenen van de vergunning;

    • b. de periode(s) waarbinnen de ecologisch relevante handelingen binnen het project plaatsvinden.

  • 3. Bij een aanvraag betreffende een Natura 2000-gebied als bedoeld in het eerste lid, dient de aanvrager naast de gegevens, bedoeld in artikel 1.3 van deze regeling, een toets in indien er een mogelijke verslechtering is, maar zeker geen significante verslechtering. In deze toets worden de gevolgen gekwantificeerd en wordt onderzocht of er een reële kans bestaat dat een project of handeling een negatief gevolg heeft voor de instandhoudingsdoelstellingen.

  • 4. Bij een aanvraag betreffende een Natura 2000-gebied als bedoeld in het eerste lid, dient de aanvrager naast de gegevens, bedoeld in artikel 1.3 van deze regeling, een passende beoordeling in indien er kans is op een significant gevolg. De passende beoordeling bevat de volgende gegevens:

    • a. een gebiedsbeschrijving waarbij is aangegeven voor welke instandhoudingsdoelstellingen de betreffende gebieden zijn aangewezen;

    • b. voor welke specifieke instandhoudingsdoelstellingen het project een mogelijk negatief of positief gevolg heeft en voor welke specifieke instandhoudingsdoelstellingen het project geen gevolg heeft;

    • c. een zo nauwkeurig mogelijke beschrijving van de gevolgen per individuele instandhoudingsdoelstelling met daarbij per kwalificerende soort of habitat een effectenbeschrijving;

    • d. een beschrijving van de concrete maatregelen die genomen kunnen worden om de negatieve gevolgen te verzachten of te voorkomen (mitigerende maatregelen);

    • e. of, en zo ja in welke mate de gevolgen van het project op de instandhoudingsdoelstellingen de gevolgen van andere projecten of plannen op diezelfde instandhoudingsdoelstellingen versterken;

    • f. in voorkomend geval, een weergave van de gevolgen voor het natuurschoon of de natuurwetenschappelijke betekenis.

  • 5. Indien uit het vierde lid, onderdeel f, blijkt dat het project, ondanks mitigerende maatregelen als bedoeld in dat lid, onderdeel d, een mogelijk significante aantasting van een of meerdere instandhoudingsdoelstellingen, dan wel in voorkomend geval een significante aantasting van het natuurschoon of de natuurwetenschappelijke betekenis oplevert, worden de volgende onderdelen aan de passende beoordeling toegevoegd:

    • a. een omschrijving van alternatieve oplossingen voor hetgeen beoogd wordt met het project, waarbij voldoende aannemelijk wordt gemaakt waarom het toch beter is dat de door de aanvrager voorgestelde uitvoering wordt gekozen;

    • b. een omschrijving van een eventuele dwingende reden van groot openbaar belang die met het project gediend wordt;

    • c. een omschrijving van de compenserende maatregelen die genomen kunnen worden voor de aangetaste natuurlijke kenmerken.

  • 6. Ingeval reeds eerder voor hetzelfde project door de aanvrager een passende beoordeling is gemaakt, kunnen de gegevens, bedoeld in het vierde en vijfde lid, achterwege worden gelaten voor zover de passende beoordeling redelijkerwijs geen nieuwe gegevens en inzichten kan opleveren omtrent de significante gevolgen van de activiteit.

Artikel 8.2 Soortenbescherming

  • 1. In of bij de aanvraag om een vergunning als bedoeld in hoofdstuk V, titel III, afdeling 2a, van de Flora- en faunawet vermeldt de aanvrager:

    • a. een beschrijving van de handelingen die uitgevoerd zullen worden;

    • b. het doel en belang van de handelingen die zullen plaatsvinden;

    • c. voor welke beschermde soorten een omgevingsvergunning wordt aangevraagd, zowel met de Nederlandse naam als de wetenschappelijke naam van de beschermde soorten;

    • d. voor welke verbodsbepalingen uit de Flora- en faunawet de vergunning wordt aangevraagd.

  • 2. In of bij de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, dient de aanvrager een activiteitenplan in, dat bestaat uit de volgende onderdelen en gegevens:

    • a. een ingetekende topografische kaart met de locatie van de handelingen;

    • b. een beschrijving van de manier waarop de aanvrager de handelingen wil uitvoeren;

    • c. de periode waarin de handelingen uitgevoerd zullen worden;

    • d. de planning van de handelingen en de onderbouwing daarvan;

    • e. een beschrijving van een andere bevredigende oplossing en de reden waarom de aanvrager die oplossing niet gebruikt;

    • f. de effecten van de voorgenomen handelingen op de functionaliteit van de voortplantings- of vaste rust- en verblijfplaats van de beschermde soorten;

    • g. de effecten van de voorgenomen handelingen op de gunstige staat van instandhouding van de beschermde soorten;

    • h. een verantwoording van het onderzoek dat naar de effecten van de handelingen is gedaan;

    • i. een verantwoording van het onderzoek, dat naar de verspreiding van de beschermde soorten is gedaan;

    • j. een beschrijving van de eventuele maatregelen om schade aan de beschermde soort te voorkomen (mitigerende maatregelen);

    • k. een beschrijving van de eventuele maatregelen om onvermijdelijke schade aan de beschermde soort te herstellen (compenserende maatregelen);

    • l. een ingetekende topografische kaart met de locatie van de handelingen, de verspreiding van de beschermde soorten, de locatie van de mitigerende of compenserende maatregelen;

    • m. een beschrijving van een andere bevredigende oplossing en de reden waarom de aanvrager die oplossing niet gebruikt.

  • 3. Indien de handeling gevolgen heeft voor vogels, geeft de aanvrager bij de vermelding van artikel 8.2, eerste lid, onderdeel b, een onderbouwing van een door de Vogelrichtlijn erkend belang.

  • 4. Indien de handeling gevolgen heeft voor soorten genoemd in bijlage IV van de Habitatrichtlijn geeft de aanvrager bij de vermelding van artikel 8.2, eerste lid, onderdeel b, een onderbouwing van een door de Habitatrichtlijn erkend belang.

  • 5. Indien de handeling gevolgen heeft voor beschermde soorten als bedoeld in bijlage I van het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten geeft de aanvrager bij de vermelding vanartikel 8.2, eerste lid, onderdeel b, een onderbouwing van eenin het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten genoemd belang.

  • 6. Indien de aanvraag gevolgen heeft voor beschermde soorten als bedoeld in bijlage I van het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten, en is aangevraagd voor de belangen, bedoeld in artikel 2, derde lid, onderdelen h, i of j, van het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten, onderbouwt de aanvrager in of bij de aanvraag tevens:

    • a. dat er geen economisch gewin plaatsvindt;

    • b. dat er sprake is van zorgvuldig handelen.

HOOFDSTUK 9. BIJZONDERE GEVALLEN VAN BESTUURLIJKE VERPLICHTINGEN

§ 9.1. Gegevensverstrekking aan de inspecteur-generaal VROM

Artikel 9.1 Gegevensverstrekking aan inspectoraat-generaal VROM
  • 1. Het bevoegd gezag verstrekt de gegevens, bedoeld in het tweede lid, zo spoedig mogelijk na het tijdstip waarop het de beschikking daarover heeft gekregen, aan de inspecteur ten aanzien van inrichtingen of inrichtingen behorende tot een categorie waarvan de inspecteur schriftelijk heeft aangegeven gegevens te willen ontvangen. De inspecteur geeft het tijdstip aan tot wanneer hij de gegevens wil ontvangen.

  • 2. Onder gegevens worden verstaan:

    • a. een afschrift van het milieueffectrapport, bedoeld in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer, en de gegevens die daarop betrekking hebben;

    • b. een afschrift van een vergunning en de gegevens die betrekking hebben op het verlenen, wijzigen en intrekken van een vergunning;

    • c. afschriften van vergunningen als bedoeld in artikel 3.10, derde lid, van de wet;

    • d. afschriften van meldingen als bedoeld in artikel 8.41, eerste lid, van de Wet milieubeheer, met betrekking tot het oprichten of het veranderen van een inrichting of van de werking daarvan;

    • e. afschriften van besluiten met betrekking tot voorschriftenals bedoeld in artikel 8.42 van de Wet milieubeheer;

    • f. afschriften van toezichtrapporten;

    • g. afschriften van correspondentie met de houder van een inrichting over de naleving van het bij of krachtens de wet gestelde;

    • h. afschriften van gedoogbeschikkingen en ontwerpen daarvan;

    • i. afschriften van handhavingsbeschikkingen en ontwerpen daarvan.

  • 3. In afwijking van het eerste lid kan de inspecteur schriftelijk aangeven dat hij met betrekking tot de daarbij aangegeven inrichtingen of een categorie van inrichtingen slechts een daarbij aangegeven deel van de gegevens, genoemd in het tweede lid, wil ontvangen.

  • 4. Eenmaal per kwartaal zendt het bevoegd gezag een overzicht van de bij hem binnengekomen klachten over de inrichtingen, bedoeld in het eerste lid, aan de inspecteur.

§ 9.2. Bepaling beste beschikbare technieken

Artikel 9.2
  • 1. Het bevoegd gezag, dan wel, in gevallen waarin een vergunning krachtens artikel 6.2 van de Waterwet is aangevraagd, het bestuursorgaan dat bevoegd is die vergunning te verlenen, houdt bij de bepaling van de voor de inrichting of met betrekking tot een lozing in aanmerking komende beste beschikbare technieken rekening met de documenten, vermeld in de tabellen 1 en 2, die zijn opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 1.

  • 2. Met de in tabel 1 van de bijlage vermelde documenten wordt in ieder geval rekening gehouden, voor zover het de daarbij vermelde gpbv-installaties betreft.

  • 3. Met de in tabel 2 van de bijlage vermelde documenten wordt rekening gehouden, voor zover deze documenten betrekking hebben op onderdelen van of activiteiten binnen de inrichting.

HOOFDSTUK 10. KWALITEITSEISEN

§ 10.1. Kwaliteitseisen handhaving

Artikel 10.1 Begripsomschrijvingen
  • 1. In deze paragraaf wordt verstaan onder:

    bestuursorgaan:

    bestuursorgaan als bedoeld in artikel 5.3, tweede lid, van de wet;

    bepaalde bij of krachtens de wet:

    bepaalde bij of krachtens de wet met betrekking tot activiteiten met betrekking tot een inrichting.

  • 2. In deze paragraaf wordt, behoudens voor zover wordt gesproken van strafrechtelijke handhaving, onder ‘handhaving’ verstaan: bestuursrechtelijke handhaving van het bepaalde bij of krachtens de wet of het bij of krachtens de betrokken wetten bepaalde.

Artikel 10.2 Reikwijdte

Deze afdeling is van toepassing op de handhaving van het bepaalde bij of krachtens de wet of de betrokken wetten.

Artikel 10.3 Handhavingsbeleid
  • 1. De analyse van de problemen, bedoeld in artikel 7.2, tweede lid, van het besluit, geeft in ieder geval inzicht in:

    • a. de gevolgen voor de fysieke leefomgeving van overtredingen van het bepaalde bij of krachtens de wet of het bij of krachtens de betrokken wetten bepaalde;

    • b. de kansen dat overtredingen als bedoeld onder a zullen plaatsvinden.

  • 2. Tot de onderwerpen met betrekking waartoe de strategie, bedoeld in artikel 7.2, vierde lid, van het besluit, inzicht geeft, behoren voorts:

    • a. de wijze waarop de naleving van het bepaalde bij of krachtens de wet of het bij of krachtens de betrokken wetten bepaalde wordt bevorderd;

    • b. de voorlichting aan personen die een inrichting drijven, inzake de voor hen krachtens het bepaalde bij of krachtens de wet of de betrokken wetten geldende voorschriften.

  • 3. Tot de in artikel 7.2, vierde lid, onder a, van het besluit bedoelde wijze waarop het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de wet of het bij of krachtens de betrokken wetten bepaalde, wordt uitgeoefend, behoort in ieder geval:

    • a. de wijze waarop de controle ter plaatse wordt voorbereid en uitgeoefend;

    • b. de frequentie waarmee routinematige controlebezoeken worden afgelegd;

    • c. de wijze waarop zakelijke gegevens en bescheiden worden gecontroleerd;

    • d. de wijze waarop het toezicht wordt uitgeoefend op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de wet of het bij of krachtens de betrokken wetten bepaalde ten aanzien van stoffen, trillingen, en warmte die of geluid dat, direct of indirect vanuit een bron in de lucht, het water of de bodem, worden onderscheidenlijk wordt gebracht;

    • e. de wijze waarop de controle en verificatie plaatsvinden van de resultaten van de controles die zijn uitgevoerd door personen die een inrichting drijven.

  • 4. Tot de afspraken, bedoeld in artikel 7.2, vijfde lid, van het besluit, behoren in ieder geval de afspraken die zijn gemaakt over:

    • a. de uitvoering van artikelen 18.2a, eerste lid, en 18.2b, eerste lid, van de Wet milieubeheer en artikel 95, derde lid, van de Wet bodembescherming;

    • b. de handhaving van het bij of krachtens de betrokken wetten bepaalde omtrent handelingen met betrekking tot stoffen, preparaten of andere producten;

    • c. de uitwisseling van gegevens betreffende de bestuursrechtelijke en strafrechtelijke handhaving.

Artikel 10.4 Uitvoeringsprogramma

Het bestuursorgaan werkt het uitvoeringsprogramma, bedoeld in artikel 7.3, eerste lid, van het besluit, uit in werkplannen voor de betrokken onderdelen van zijn organisatie.

Artikel 10.5 Uitvoeringsorganisatie

Ter waarborging van een adequate en objectieve uitvoering van het handhavingsbeleid, bedoeld in artikel 7.4, eerste lid, van het besluit, draagt het bestuursorgaan er zorg voor dat:

  • a. de personen die zijn belast met werkzaamheden in het kader van de handhaving adequaat zijn opgeleid of zo nodig worden opgeleid op basis van een opleidingsplan;

  • b. voor zover van toepassing, met de personen die het rechtstreeks aangaat of in het voorkomende geval met degene onder wiens verantwoordelijkheid zij werken schriftelijke afspraken worden gemaakt met betrekking tot het ten behoeve van de handhaving gebruik maken van personen die niet onder de organisatie van het bestuursorgaan ressorteren;

  • c. adequate technische, juridische en administratieve voorzieningen beschikbaar zijn;

  • d. instrumenten en apparaten die bij de handhaving worden gebruikt in een goede staat van onderhoud verkeren en deze zonodig worden gekalibreerd.

Artikel 10.6 Monitoring

Tot de in artikel 7.6, tweede lid, van het besluit bedoelde gegevens behoren in ieder geval gegevens betreffende het aantal:

  • a. uitgevoerde controles;

  • b. geconstateerde overtredingen;

  • c. opgelegde bestuurlijke sancties;

  • d. processen-verbaal;

  • e. over mogelijke overtredingen ontvangen klachten.

HOOFDSTUK 11. SLOTBEPALINGEN

Artikel 11.1 Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop het besluit in werking treedt.

Artikel 11.2 Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling omgevingsrecht.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 30 maart 2010

De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

J.C. Huizinga-Heringa.

BIJLAGE 1 AANWIJZING BBT-DOCUMENTEN

Tabel 1. Vastgestelde Europese informatiedocumenten over BBT (vindplaats InfoMil.nl en Europees IPPC Bureau, eippcb.jrc.es)

Installatie in bijlage 1 Richtlijn 2008/1

Primair relevante BREF-documenten

Aanvullende BREF-documenten (voor zover relevant in individuele gevallen)

REF-documenten (voor zover relevant in individuele gevallen)

1. Energie industrie

1.1 Stookinstallaties met een hoeveelheid vrijkomende warmte van meer dan 50 MW.

BREF Grote stookinstallaties

BREF Koelsystemen

BREF Op- en overslag bulkgoederen

BREF Afvalbehandeling

REF Cross media & economics

REF Monitoring

1.2 Aardolie- en gasraffinaderijen.

BREF Aardolie- en aardgasraffinaderijen

BREF Koelsystemen

BREF Organische bulkchemie

BREF Afgas- en afvalwaterbehandeling

REF Cross media & economics

REF Monitoring

  

BREF Grote stookinstallaties (vanaf 50 MW)

 
  

BREF Op- en overslag bulkgoederen

 

1.3 Cokesfabrieken.

BREF Primair ijzer en staal

BREF Koelsystemen

BREF Op- en overslag bulkgoederen

REF Cross media & economics

REF Monitoring

1.4 Installaties voor het vergassen en vloeibaar maken van steenkool.

BREF Grote stookinstallaties

BREF Koelsystemen

BREF Op- en overslag bulkgoederen

BREF Energie-efficiëntie

REF Cross media & economics

REF Monitoring

2. Productie en verwerking van metalen

2.1 Installaties voor het roosten of sinteren van ertsen, met inbegrip van zwavelhoudend erts.

BREF Non-ferro metalen

BREF Primair ijzer en staal

BREF Koelsystemen

BREF Op- en overslag bulkgoederen

REF Cross media & economics

REF Monitoring

2.2 Installaties voor de productie van ijzer of staal (primaire of secundaire smelting), met inbegrip van uitrusting voor continugieten met een capaciteit van meer dan 2,5 ton per uur.

BREF Primair ijzer en staal

BREF Koelsystemen

BREF Op- en overslag bulkgoederen

REF Cross media & economics

REF Monitoring

2.3a Installaties voor verwerking van ferrometalen door warmwalsen met een capaciteit van meer dan 20 ton ruwstaal per uur.

BREF Ferrometaalbewerking (warmwalsen)

BREF Koelsystemen

BREF Op- en overslag bulkgoederen

BREF Energie-efficiëntie

REF Cross media & economics

REF Monitoring

2.3b Installaties voor verwerking van ferrometalen door smeden met hamers met een slagarbeid van meer dan 50 kilojoule per hamer, wanneer een thermisch vermogen van meer dan 20 MW wordt gebruikt.

BREF Smederijen en gieterijen

BREF Ferrometaalbewerking

BREF Koelsystemen

BREF Op- en overslag bulkgoederen

BREF Energie-efficiëntie

REF Cross media & economics

REF Monitoring

2.3c Installaties voor verwerking van ferrometalen door het aanbrengen van deklagen van gesmolten metaal, met een verwerkingscapaciteit van meer dan 2 ton ruwstaal per uur.

BREF Ferrometaalbewerking (aanbrengen van deklagen)

BREF Koelsystemen

BREF Op- en overslag bulkgoederen

BREF Energie-efficiëntie

REF Cross media & economics

REF Monitoring

2.4 Smelterijen van ferrometalen met een produktiecapaciteit van meer dan 20 ton per dag.

BREF Smederijen en gieterijen (gieterijen)

BREF Koelsystemen

BREF Op- en overslag bulkgoederen

BREF Energie-efficiëntie

REF Cross media & economics

REF Monitoring

2.5 a/b Installaties:

a. voor de winning van ruwe non-ferrometalen uit erts, concentraat of secundaire grondstoffen met metallurgische, chemische of elektrolytische procédés;

b. voor het smelten van non-ferrometalen, met inbegrip van legeringen, inclusief terugwinningsprodukten (affineren, vormgieten) met een smeltcapaciteit van meer dan 4 ton per dag voor lood en cadmium of 20 ton per dag voor alle andere metalen per dag.

BREF Non ferrometalen

BREF Smederijen en gieterijen

BREF Koelsystemen

BREF Op- en overslag bulkgoederen

BREF Energie-efficiëntie

REF Cross media & economics

REF Monitoring

2.6 Installaties voor oppervlaktebehandeling van metalen en kunststoffen door middel van een elektrolytisch of chemisch procédé, wanneer de inhoud van de gebruikte behandelingsbaden meer dan 30 m3 bedraagt.

BREF oppervlaktebehandeling van metalen en kunststoffen

BREF Op- en overslag bulkgoederen

BREF Energie-efficiëntie

REF Cross media & economics

REF Monitoring

3. Minerale industrie

3.1 Installaties voor de produktie van cementklinkers in draaiovens met een produktiecapaciteit van meer dan 500 ton per dag, of van ongebluste kalk in draaiovens met een produktiecapaciteit van meer dan 50 ton per dag, of in andere ovens met een produktiecapaciteit van meer dan 50 ton per dag.

BREF Cement en kalk

BREF Koelsystemen

BREF Op- en overslag bulkgoederen

REF Cross media & economics

REF Monitoring

3.2 Installaties voor de winning van asbest en de fabricage van asbestprodukten.

Geen BREF beschikbaar. Fabricage van asbest en asbestproducten verboden binnen Nederland en de rest van de EU.

3.3 Installaties voor de fabricage van glas, met inbegrip van installaties voor de fabricage van glasvezels, met een smeltcapaciteit van meer dan 20 ton per dag.

BREF Glas en minerale wol

BREF Koelsystemen

BREF Op- en overslag bulkgoederen

REF Cross media & economics

REF Monitoring

3.4 Installaties voor het smelten van minerale stoffen, met inbegrip van installaties voor de fabricage van mineraalvezels, met een smeltcapaciteit van meer dan 20 ton per dag.

BREF Glas en minerale wol

BREF Koelsystemen

BREF Op- en overslag bulkgoederen

BREF Energie-efficiëntie

REF Cross media & economics

REF Monitoring

3.5 Installaties voor het fabriceren van keramische produkten door middel van verhitting, met name dakpannen, bakstenen, vuurvaste stenen, tegels, aardewerk of porselein, met een produktiecapaciteit per kilo van meer dan 75 ton per dag, en/of een ovencapaciteit van meer dan 4 m3 en met een plaatsingsdichtheid per oven van meer dan 300 kg/m3.

BREF Keramische industrie

BREF Koelsystemen

BREF Op- en overslag bulkgoederen

REF Cross media & economics

REF Monitoring

4 Chemische industrie

4.1 a t/m f Chemische installaties voor de fabricage van organisch-chemische basisprodukten, zoals:

a. eenvoudige koolwaterstoffen (lineaire of cyclische, verzadigde of onverzadigde, alifatische of aromatische),

b. zuurstofhoudende koolwaterstoffen, zoals alcoholen, aldehyden, ketonen, carbonzuren, esters, acetaten, ethers, peroxyden, epoxyharsen,

c. zwavelhoudende koolwaterstoffen,

BREF Organische bulkchemie

BREF Organische fijnchemie

BREF Koelsystemen

BREF Afgas- en afvalwaterbehandeling

BREF Grote stookinstallaties (vanaf 50 MW)

BREF Op- en overslag bulkgoederen

BREF Energie-efficiëntie

REF Cross media & economics

REF Monitoring

d. stikstofhoudende koolwaterstoffen, zoals aminen, amiden, nitroso-, nitro- en nitraatverbindingen, nitrillen, cyanaten, isocyanaten,

   

e. fosforhoudende koolwaterstoffen,

   

f. halogeenhoudende koolwaterstoffen.

   

4.1 g Chemische installaties voor de fabricage van organisch-chemische basisprodukten, zoals organometaalverbindingen.

Geen BREF beschikbaar

BREF Koelsystemen

BREF Afgas- en afvalwaterbehandeling

BREF Op- en overslag bulkgoederen

BREF Energie-efficiëntie

REF Cross media & economics

REF Monitoring

4.1 h Chemische installaties voor de fabricage van organisch-chemische basisprodukten, zoals kunststof-basisprodukten (polymeren, kunstvezels, cellulosevezels).

BREF Polymeren

BREF Koelsystemen

BREF Afgas- en afvalwaterbehandeling

BREF Op- en overslag bulkgoederen

BREF Energie-efficiëntie

REF Cross media & economics

REF Monitoring

4.1 i Chemische installaties voor de fabricage van organisch-chemische basisprodukten, zoals synthetische rubber.

BREF Polymeren

BREF Koelsystemen

BREF Afgas- en afvalwaterbehandeling

BREF Op- en overslag bulkgoederen

BREF Energie-efficiëntie

REF Cross media & economics

REF Monitoring

4.1 j Chemische installaties voor de fabricage van organisch-chemische basisprodukten, zoals kleurstoffen en pigmenten.

BREF Organische fijnchemie

BREF Koelsystemen

BREF Afgas- en afvalwaterbehandeling

BREF Op- en overslag bulkgoederen

BREF Energie-efficiëntie

REF Cross media & economics

REF Monitoring

4.1 k Chemische installaties voor de fabricage van organisch-chemische basisprodukten, zoals tensioactieve stoffen en tensiden.

Geen BREF beschikbaar

BREF Koelsystemen

BREF Afgas- en afvalwaterbehandeling

BREF Op- en overslag bulkgoederen

BREF Energie-efficiëntie

REF Cross media & economics

REF Monitoring

4.2 a Chemische installaties voor de fabricage van anorganisch-chemische basisprodukten, zoals van gassen, zoals ammoniak, chloor of chloorwaterstof, fluor of fluorwaterstof, kooloxiden, zwavelverbindingen, stikstofoxiden, waterstof, zwaveldioxide en carbonyldichloride.

BREF Chloor Alkali

BREF Anorganische bulkchemicaliën - ammoniak, zuren en kunstmest

BREF Anorganische fijnchemicaliën

BREF Anorganische Bulkchemie – vast en overig

BREF Koelsystemen

BREF Afgas- en afvalwaterbehandeling

BREF Op- en overslag bulkgoederen

BREF Energie-efficiëntie

REF Cross media & economics

REF Monitoring

4.2 b Chemische installaties voor de fabricage van anorganisch-chemische basisprodukten, zoals van zuren, zoals chroomzuur, fluorwaterstofzuur, fosforzuur, salpeterzuur, zoutzuur, zwavelzuur, oleum en zwaveligzuur.

BREF Non-ferrometalen

BREF Anorganische bulkchemicaliën – ammoniak, zuren en kunstmest

BREF Anorganische fijnchemicaliën

BREF Koelsystemen

BREF Afgas- en afvalwaterbehandeling

BREF Op- en overslag bulkgoederen

BREF Energie-efficiëntie

REF Cross media & economics

REF Monitoring

4.2 c Chemische installaties voor de fabricage van anorganisch-chemische basisprodukten, zoals van basen, zoals ammoniumhydroxide, kaliumhydroxide en natriumhydroxide.

BREF Chloor Alkali

BREF Anorganische bulkchemicaliën – ammoniak, zuren en kunstmest

BREF Anorganische fijnchemicaliën

BREF Anorganische Bulkchemie -vast en overig

BREF Koelsystemen

BREF Afgas- en afvalwaterbehandeling

BREF Op- en overslag bulkgoederen

BREF Energie-efficiëntie

REF Cross media & economics

REF Monitoring

4.2 d/e Chemische installaties voor de fabricage van anorganisch-chemische basisprodukten, zoals

d. van zouten, zoals ammoniumchloride, kaliumchloraat, kaliumcabonaat, natriumcarbonaat, perboraat, zilvernitraat;

e. van niet-metalen, metaaloxiden of andere anorganische verbindingen, zoals calciumcarbide, silicium en siliciumcarbide.

BREF Anorganische bulkchemicaliën – vast en overig

BREF Anorganische fijnchemicaliën

BREF Koelsystemen

BREF Afgas- en afvalwaterbehandeling

BREF Op- en overslag bulkgoederen

BREF Energie-efficiëntie

REF Cross media & economics

REF Monitoring

4.3 Chemische installaties voor de fabricage van fosfaat-, stikstof- of kaliumhoudende meststoffen (enkelvoudige of samengestelde meststoffen).

BREF Anorganische bulkchemicaliën – ammoniak, zuren en kunstmest

BREF Anorganische fijnchemicaliën

BREF Koelsystemen

BREF Afgas- en afvalwaterbehandeling

BREF Op- en overslag bulkgoederen

BREF Energie-efficiëntie

REF Cross media & economics

REF Monitoring

4.4 Chemische installaties voor de fabricage van basisprodukten voor gewasbescherming en van biociden.

BREF Organische fijnchemie

BREF Anorganische fijnchemicaliën

BREF Koelsystemen

BREF Afgas- en afvalwaterbehandeling

BREF Op- en overslag bulkgoederen

BREF Energie-efficiëntie

REF Cross media & economics

REF Monitoring

4.5 Installaties voor de fabricage van farmaceutische basisprodukten die een chemisch of biologisch procédé gebruiken.

BREF Organische fijnchemie

BREF Anorganische fijnchemicaliën

BREF Koelsystemen

BREF Afgas- en afvalwaterbehandeling

BREF Op- en overslag bulkgoederen

BREF Energie-efficiëntie

REF Cross media & economics

REF Monitoring

4.6 Chemische installaties voor de fabricage van explosieven.

BREF Organische fijnchemie

BREF Anorganische fijnchemicaliën

BREF Koelsystemen

BREF Afgas- en afvalwaterbehandeling

BREF Op- en overslag bulkgoederen

BREF Energie-efficiëntie

REF Cross media & economics

REF Monitoring

5 Afvalbeheer

5.1 Installaties voor de verwijdering of nuttige toepassing van gevaarlijke afvalstoffen als bedoeld in de lijst van artikel 1, lid 4, van Richtlijn 91/689/EEG, in de zin van de bijlagen II A en II B (handelingen R1, R5, R6, R8 en R9) van Richtlijn 2006/12/EG en van Richtlijn 75/439/EEG van de Raad van 16 juni 1975 inzake de verwijdering van afgewerkte olie met een capaciteit van meer dan 10 ton per dag.

BREF Afvalbehandeling

BREF Afvalverbranding

Voor storten zie onder 5.4

BREF Koelsystemen

BREF Op- en overslag bulkgoederen

BREF Energie-efficiëntie

REF Cross media & economics

REF Monitoring

5.2 Installaties voor de verbranding van stedelijk afval in de zin van Richtlijn 89/369/EEG van de Raad van 8 juni 1989 ter voorkoming van door nieuwe installaties voor de verbranding van stedelijk afval veroorzaakte luchtverontreiniging en Richtlijn 89/429/EEG van de Raad van 21 juni 1989 ter vermindering van door bestaande installaties voor de verbranding van stedelijk afval veroorzaakte luchtverontreiniging, met een capaciteit van meer dan 3 ton per uur.

BREF Afvalverbranding

BREF Afvalbehandeling

BREF Koelsystemen

BREF Op- en overslag bulkgoederen

BREF Energie-efficiëntie

REF Cross media & economics

REF Monitoring

5.3 Installaties voor de verwijdering van ongevaarlijke afvalstoffen in de zin van bijlage II A van Richtlijn 2006/12/EG, rubrieken D8, D9, met een capaciteit van meer dan 50 ton per dag.

BREF Afvalbehandeling

BREF Koelsystemen

BREF Op- en overslag bulkgoederen

BREF Energie-efficiëntie

REF Cross media & economics

REF Monitoring

5.4 Stortplaatsen die meer dan 10 ton per dag ontvangen of een totale capaciteit van meer dan 25 000 ton hebben, met uitzondering van stortplaatsen voor inerte afvalstoffen.

Geen BREF

De eisen aan stortplaatsen op grond van Richtlijn 1999/31/EG betreffende het storten van afvalstoffen kunnen als BBT beschouwd worden

  

6. Overige activiteiten

6.1 Industriële installaties voor:

a. de fabricage van papierpulp uit hout of uit andere vezelstoffen

b. de fabricage van papier en karton met een produktiecapaciteit van meer dan 20 ton per dag.

BREF Papier en pulp

BREF Koelsystemen

BREF Grote stookinstallaties (vanaf 50 MW)

BREF Op- en overslag bulkgoederen

REF Cross media & economics

REF Monitoring

6.2 Installaties voor de voorbehandeling (wassen, bleken, merceriseren) of het verven van vezels of textiel met een verwerkingscapaciteit van meer dan 10 ton per dag.

BREF Textielindustrie

BREF Koelsystemen

BREF Op- en overslag bulkgoederen

BREF Energie-efficiëntie

REF Cross media & economics

REF Monitoring

6.3 Installaties voor het looien van huiden met een verwerkingscapaciteit van meer dan 12 ton eindprodukten per dag.

BREF Leerlooierijen

BREF Koelsystemen

BREF Op- en overslag bulkgoederen

BREF Energie-efficiëntie

REF Cross media & economics

REF Monitoring

6.4 a Abattoirs met een produktiecapaciteit van meer dan 50 ton per dag geslachte dieren.

BREF Slacht- en destructiehuizen

BREF Koelsystemen

BREF Op- en overslag bulkgoederen

BREF Energie-efficiëntie

REF Cross media & economics

REF Monitoring

6.4 b Bewerking en verwerking voor de fabricage van levensmiddelen op basis van:

– dierlijke grondstoffen (andere dan melk) met een produktiecapaciteit van meer dan 75 ton per dag eindprodukten;

BREF Voedingsmiddelen, dranken en zuivel

BREF Koelsystemen

BREF Op- en overslag bulkgoederen

BREF Energie-efficiëntie

REF Cross media & economics

REF Monitoring

– plantaardige grondstoffen met een produktiecapaciteit van meer dan 300 ton per dag eindprodukten (gemiddelde waarde op driemaandelijkse basis).

   

6.4 c Bewerking en verwerking van melk, met een hoeveelheid ontvangen melk van meer dan 200 ton per dag (gemiddelde waarde op jaarbasis).

BREF Voedingsmiddelen, dranken en zuivel

BREF Koelsystemen

BREF Op- en overslag bulkgoederen

BREF Energie-efficiëntie

REF Cross media & economics

REF Monitoring

6.5 Installaties voor de destructie of verwerking van kadavers en dierlijk afval met een verwerkingscapaciteit van meer dan 10 ton per dag.

BREF Slacht- en destructiehuizen

BREF Koelsystemen

BREF Op- en overslag bulkgoederen

BREF Energie-efficiëntie

REF Cross media & economics

REF Monitoring

6.6 a Installaties voor intensieve pluimvee- of varkenshouderij met meer dan 40 000 plaatsen voor pluimvee.

BREF Intensieve pluimvee- en varkenshouderij

BREF Op- en overslag bulkgoederen

BREF Energie-efficiëntie

REF Cross media & economics

REF Monitoring

6.6 b Installaties voor intensieve pluimvee- of varkenshouderij met meer dan 2 000 plaatsen voor mestvarkens (van meer dan 30 kg).

BREF Intensieve pluimvee- en varkenshouderij

BREF Op- en overslag bulkgoederen

BREF Energie-efficiëntie

REF Cross media & economics

REF Monitoring

6.6 c Installaties voor intensieve pluimvee- of varkenshouderij met meer dan 750 plaatsen voor zeugen.

BREF Intensieve pluimvee- en varkenshouderij

BREF Op- en overslag bulkgoederen

BREF Energie-efficiëntie

REF Cross media & economics

REF Monitoring

6.7 Installaties voor de oppervlaktebehandeling van stoffen, voorwerpen of produkten, waarin organische oplosmiddelen worden gebruikt, in het bijzonder voor het appreteren, bedrukken, het aanbrengen van een laag, het ontvetten, het vochtdicht maken, lijmen, verven, reinigen of impregneren, met een verbruikscapaciteit van meer dan 150 kg oplosmiddel per uur, of meer dan 200 ton per jaar.

BREF Oppervlaktebehandeling met organische oplosmiddelen

BREF Op- en overslag bulkgoederen

BREF Energie-efficiëntie

REF Cross media & economics

REF Monitoring

6.8 Installaties voor de fabricage van koolstof (harde gebrande steenkool) of elektrografiet door verbranding of grafitisering.

BREF Non-ferrometalen

BREF Koelsystemen

BREF Op- en overslag bulkgoederen

BREF Energie-efficiëntie

REF Cross media & economics

REF Monitoring

Tabel 2. Nederlandse informatiedocumenten over BBT

Naam document

Jaartal

Vindplaats

Circulaire energie in de milieuvergunning

oktober 1999

InfoMil.nl

Handreiking wegen naar preventie bij bedrijven

februari 2006

InfoMil.nl

Werkboek wegen naar preventie bij bedrijven

april 2006

InfoMil.nl

Handreiking (co-)vergisting van mest

april 2005

InfoMil.nl

NeR Nederlandse emissierichtlijn lucht

september 2008

InfoMil.nl

Nederlandse richtlijn bodembescherming (NRB)

juni 2003

InfoMil.nl

Handreiking methaanreductie stortplaatsen

april 2007

Senternovem.nl

/ROBstortplaatsen

Beleidslijn IPPC-omgevingstoetsing ammoniak en veehouderij

juni 2007

InfoMil.nl

Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen (PGS):

  

PGS 7: Opslag van vaste minerale anorganische meststoffen

oktober 2007

publicatiereeksgevaarlijkestoffen.nl

PGS 9: Vloeibare zuurstof opslag van 0,45–100 m3 en erratum

oktober 2007

publicatiereeksgevaarlijkestoffen.nl

PGS 12: Ammoniak: opslag en verlading

juli 2005

publicatiereeksgevaarlijkestoffen.nl

PGS 13: Ammoniak: toepassing als koudemiddel voor koelinstallaties en warmtepompen

februari 2009

publicatiereeksgevaarlijkestoffen.nl

PGS 15: Opslag van verpakte gevaarlijke stoffen en errata

december 2008

publicatiereeksgevaarlijkestoffen.nl

PGS 16: Autogas LPG

juli 2005

publicatiereeksgevaarlijkestoffen.nl

PGS 18: Distributiedepots voor LPG

juli 2005

publicatiereeksgevaarlijkestoffen.nl

PGS 19: Opslag van propaan, Richtlijn voor brandveilige, arbeidsveilige en milieuveilige stationaire opslag van propaan

juni 2008

publicatiereeksgevaarlijkestoffen.nl

PGS 22: Toepassing van propaan

september 2008

publicatiereeksgevaarlijkestoffen.nl

PGS 23: Propaan, vulstations van propaan- en butaanflessen

juli 2005

publicatiereeksgevaarlijkestoffen.nl

PGS 24: Propaan, vulstations voor spuitbussen met propaan, butaan en dimetylether als drijfgas

juli 2005

publicatiereeksgevaarlijkestoffen.nl

PGS 28: Vloeibare aardolieproducten – Afleverinstallaties en ondergrondse opslag

maart 2005

publicatiereeksgevaarlijkestoffen.nl

PGS 29: Richtlijn voor bovengrondse opslag in

verticale cilindrische tanks

oktober 2008

publicatiereeksgevaarlijkestoffen.nl

PGS 30: Vloeibare aardolieproducten: buitenopslag in kleine installaties

juni 2005

publicatiereeksgevaarlijkestoffen.nl

BBT-documenten water

  

Landbouw

  

Afvalwaterproblematiek van champignonteeltbedrijven, aanvullende nota

februari 1989

CIW.nl

Afvalwaterproblematiek glastuinbouw

maart 1993

CIW.nl

Afvalwaterproblematiek van landbouwloonbedrijven

december 1994

CIW.nl

Recirculatie drainagewater van grondgebonden glastuinbouwbedrijven

januari 1996

CIW.nl

Afvalwaterproblematiek van witloftrekkerijen

maart 1996

CIW.nl

Afvalwaterproblematiek boomteelt en vaste plantenteelt

oktober 1996

CIW.nl

Aansluiten glastuinbouw op de riolering

december 1998

CIW.nl

Beoordelingsmethode emissiereducerende maatregelen. Lozingsbesluit open teelt en veehouderij

maart 2003

CIW.nl

Recirculeren van spoelwater. Gevolgen voor de microbiologische kwaliteit van spoelwater

september 2003

CIW.nl

Goed gietwater. Beoordelingskader voor verplichte aanleg van een gietwatervoorziening bij grondgebonden glastuinbouwbedrijven

januari 2004

CIW.nl

Achtergronddocument glastuinbouw t.b.v. KRW-decembernota 2005, eindversie

augustus 2005

CIW.nl

Bodemsanering + bagger

  

Lozingen uit tijdelijke baggerspeciedepots

april 1998

CIW.nl

Riooloverstorten

  

Riooloverstorten deel 1: Knelpuntcriteria riooloverstorten

juni 2001

CIW.nl

Riooloverstorten deel 2: Eenduidige basisinspanning

juni 2001

CIW.nl

Riooloverstorten deel 3: Model voor vergunningverlening riooloverstorten

december 2001

CIW.nl

Riooloverstorten deel 4a: Nadere uitwerking monitoring riooloverstorten, spoor 1

september 2002

CIW.nl

Riooloverstorten deel 4b: Nadere uitwerking monitoring riooloverstorten, fase B

januari 2003

CIW.nl

Scheepvaart

  

Waterverontreinigingsproblematiek bij het stralen en conserveren bij scheepswerven voor beroepsvaart en grote jachten

april 1991

CIW.nl

Industriële activiteiten

  

Afvalwaterproblematiek bij vatenwasserijen

april 1993

CIW.nl

Integrale aanpak van risico's van onvoorziene lozingen

februari 2000

CIW.nl

Verwerking waterfractie gevaarlijke en niet-gevaarlijke afvalstoffen

april 2001

CIW.nl

Offshore

februari 2002

CIW.nl

Integrale bedrijfstakstudie tankautoreiniging

april 2002

CIW.nl

Instrumentarium

  

Meten en bemonsteren van afvalwater

maart 1998

CIW.nl

Handboek Wvo-vergunningverlening

mei 1999

CIW.nl

Het beoordelen van stoffen en preparaten voor de uitvoering van het emissiebeleid water

mei 2000

CIW.nl

Normen voor het Waterbeheer

mei 2000

CIW.nl

Emissie – immissie

juni 2000

CIW.nl

Milieunormen in perspectief

september 2002

CIW.nl

Standaardisatie Wvo-vergunningen

mei 2003

CIW.nl

Lozingseisen Wvo-vergunningen

november 2005

CIW.nl

Warmtelozing

  

CIW beoordelingssystematiek warmtelozingen

november 2004

CIW.nl

Oplegnotitie BREF

  

Oplegnotitie BREF Chlooralkaliproducerende industrie

november 2002

CIW.nl / InfoMil.nl

Oplegnotitie BREF IJzer- en staalproducerende industrie

april 2004

CIW.nl / InfoMil.nl

Oplegnotitie BREF Pulp- en papierindustrie

april 2004

CIW.nl / InfoMil.nl

Oplegnotitie BREF Ferrometaalbewerkende industrie

april 2004

CIW.nl / InfoMil.nl

Oplegnotitie BREF Cement en kalk

augustus 2005

InfoMil.nl

Oplegnotitie BREF Glasproducerende industrie

augustus 2005

InfoMil.nl

Oplegnotitie BREF Afgas- en afvalwaterbehandeling

augustus 2005

InfoMil.nl

Oplegnotitie BREF Non-ferro metaal

augustus 2005

InfoMil.nl

Oplegnotitie BREF Raffinaderijen

februari 2006

InfoMil.nl

Oplegnotitie BREF Afvalbehandeling

augustus 2006

Infomil.nl

Oplegnotitie BREF Intensieve pluimvee- en varkenshouderij

juli 2007

InfoMil.nl

Oplegnotitie BREF Afvalverbranding

maart 2007

InfoMil.nl

Oplegnotitie BREF Grote stookinstallaties

oktober 2007

InfoMil.nl

Oplegnotitie BREF Smederijen en gieterijen

juni 2008

InfoMil.nl

Oplegnotitie BREF Keramische industrie

juni 2008

InfoMil.nl

TOELICHTING

I. Algemeen deel

§ 1. Inleiding

De ministeriële regeling omgevingsrecht (Mor) voorziet in nadere regels met betrekking tot bepaalde onderdelen van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en het Besluit omgevingsrecht (Bor). De Mor bestaat uit drie delen, waarin de volgende onderwerpen worden geregeld:

  • Indieningsvereisten in verband met een aanvraag om een omgevingsvergunning;

  • Bijzondere gevallen van bestuurlijke verplichtingen: het verstrekken van gegevens aan de VROM-inspectie en de aanwijzing van BBT-documenten;

  • Kwaliteitscriteria voor de rechtshandhaving van de milieuregelgeving voor inrichtingen.

In de eerste paragrafen van deze toelichting wordt in algemene zin ingegaan op deze onderwerpen. Ook wordt ingegaan op de administratieve en bestuurlijke lasten van de uitvoering van deze regeling en worden de handhaafbaarheid en uitvoerbaarheid toegelicht. Daarna wordt inzicht gegeven in de wijze waarop is omgegaan met de binnengekomen reacties op een voorontwerp van deze regeling.

Ten slotte bevat deze toelichting een artikelsgewijs deel. In dit deel wordt in beginsel volstaan met een verwijzing naar de toelichting op eerdere regelingen, indien sprake is van een artikel dat zijn basis vindt in een bestaande regeling. Wanneer sprake is van een nieuw artikel of van een belangrijke wijziging ten opzichte van de bestaande regeling, wordt een meer omvattende toelichting gegeven.

Het grootste deel van de regeling heeft betrekking op een uniforme en geharmoniseerde set van indieningsvereisten voor een vergunningaanvraag en de daarbij te verstrekken gegevens en bescheiden over de aangevraagde activiteit of activiteiten. De regeling is nodig omdat het bevoegd gezag bij de beslissing op een aanvraag om een omgevingsvergunning onder andere afhankelijk is van de informatie die daarbij door de aanvrager wordt verstrekt. De aanvrager moet dan wel op voorhand kunnen weten welke informatie van hem kan worden verlangd. Bovendien wordt met de vaststelling van landelijk uniforme vereisten voorkomen dat ieder bevoegd gezag voor zichzelf moet uitvinden welke gegevens en bescheiden nodig zijn voor de beoordeling van een aanvraag.

De indieningsvereisten zien op het geheel van gegevens en bescheiden die een aanvrager bij de aanvraag om een omgevingsvergunning moet verstrekken in verband met de beslissing op de aanvraag door het bevoegd gezag. De aanvrager is er in beginsel zelf voor verantwoordelijk dat de juiste gegevens en bescheiden worden aangeleverd en dat dit in een zodanige vorm gebeurt dat een goede en efficiënte behandeling van de aanvraag mogelijk is. De uiterste consequentie van deze verantwoordelijkheid is dat een gebrekkige aanvraag buiten behandeling kan worden gelaten met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Artikel 4:2, tweede lid, van de Awb omvat een algemene verplichting voor de aanvrager om de gegevens en bescheiden aan het bevoegd gezag te verschaffen die nodig zijn voor de beslissing op de aanvraag en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. De specifieke indieningsvereisten die in de Mor worden geregeld met betrekking tot de aanvraag om een omgevingsvergunning, concretiseren deze algemene verplichting. Zij vinden hun grondslag in artikel 2.8, eerste lid, van de Wabo en in artikel 4.4 van het Bor.

In beginsel moet een aanvrager bij het indienen van zijn aanvraag voldoen aan alle indieningsvereisten die betrekking hebben op de aangevraagde activiteiten. Er is echter tegelijkertijd sprake van enkele belangrijke uitzonderingen op dit uitgangspunt. De eerste uitzondering heeft betrekking op het feit dat het regelmatig voorkomt dat bepaalde gegevens en bescheiden in een concreet geval niet nodig blijken te zijn voor de beoordeling van de aanvraag. In een dergelijk geval kan het bevoegd gezag er vanaf zien om de betreffende gegevens en bescheiden van de aanvrager te verlangen. Een andere uitzondering heeft betrekking op relevante informatie die bevoegd gezag reeds in het bezit heeft. Dergelijke informatie behoeft de aanvrager niet nogmaals in of bij de aanvraag te verstrekken. Beide uitzonderingen zijn geregeld in artikel 4.4 van het Bor.

Voor sommige activiteiten kan in de omgevingsvergunning worden voorgeschreven dat bepaalde gegevens en bescheiden, die nodig zijn voor de beoordeling van de activiteit, op een later tijdstip mogen worden ingediend. Dit is geregeld in artikel 4.7 van het Bor en voor bouwactiviteiten nader uitgewerkt in artikel 2.7 van de Mor.

Ten aanzien van de bijzondere gevallen van bestuurlijke verplichtingen worden in deze regeling twee thans aparte regelingen overgenomen. Het gaat om de Regeling gegevensverstrekking Wet milieubeheer aan het Inspectoraat-Generaal VROM en de Regeling aanwijzing BBT-documenten.

Voor de handhaving van de milieuregelgeving voor inrichtingen bevat de Mor een nadere regeling met betrekking tot de kwaliteit van de rechtshandhaving ten opzichte van de kwaliteitseisen uit hoofdstuk 7 van het Bor. Deze nadere regeling is gebaseerd op artikel 5.3, vierde lid, van de Wabo en omvat enkele specifieke kwaliteitseisen betreffende de handhaving van het milieudeel van de omgevingsvergunning en enkele milieuwetten en Europese verordeningen. De eisen vinden hun herkomst in het voorheen geldende Besluit kwaliteitseisen handhaving milieubeheer. De aanleiding voor de opname in de Mor van specifieke kwaliteitseisen voor de milieuhandhaving, is uiteengezet in § 7 van de toelichting op het Bor.

§ 2. Het aanvraagformulier

2.1. Algemeen

Een aanvraag om een omgevingsvergunning kan langs elektronische weg of op papier worden ingediend. Artikel 4.2, eerste lid, van het Bor regelt dat een aanvraag op papier dient plaats te vinden met gebruikmaking van een door de Minister van VROM vastgesteld formulier. Dit formulier wordt afzonderlijk van deze regeling vastgesteld en bekendgemaakt.

Artikel 1.2 van de Mor regelt hoe een aanvraag langs elektronische weg dient te worden gedaan. Hiervoor dient te worden gebruikgemaakt van het elektronische formulier dat op de datum van indiening van de aanvraag beschikbaar is via de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 7.6 van de Wabo.

Particuliere aanvragers hebben de keuze tussen het doen van een aanvraag op papier of langs elektronische weg. Voor bedrijfsmatige aanvragers geldt dat zij de eerstkomende tijd ook deze keuze hebben, maar twee jaar na inwerkingtreding van de wet zullen zij worden verplicht hun aanvraag uitsluitend langs elektronische weg in te dienen (zie artikel 4.1 van het Bor).

Het bevoegd gezag stelt het schriftelijke formulier op verzoek beschikbaar aan de aanvrager. Om het bevoegd gezag hierbij te ondersteunen is in de landelijke voorziening (verder te noemen: Omgevingsloket online) voorzien in de mogelijkheid om het elektronische aanvraagformulier voor de betreffende activiteiten op papier te printen. Het bevoegd gezag kan hierdoor op eenvoudige wijze een actuele voorraad van schriftelijke aanvraagformulieren ter beschikking hebben.

2.2. Het elektronische aanvraagformulier en de landelijke voorziening

De elektronische aanvraag om een omgevingsvergunning is een digitale dienst die wordt aangeboden via de website van het bevoegd gezag. De digitale dienst bestaat uit een aanvraagmodule die aan de aanvrager en een behandelmodule die aan het bevoegd gezag ter beschikking worden gesteld via het Omgevingsloket online. Hierdoor is verzekerd dat in heel Nederland gewerkt wordt met hetzelfde elektronische aanvraagformulier.

Het Omgevingsloket online is een centrale geautomatiseerde voorziening ten behoeve van de indiening en behandeling van aanvragen van een omgevingsvergunning. De voorziening wordt ontsloten via portals, zoals de websites van de bevoegde bestuursorganen. Voor de elektronische indiening van een aanvraag en de ontvangst daarvan door het bevoegd gezag, is het gebruik van de aanvraagmodule van het Omgevingsloket online verplicht. Na de indiening van de aanvraag start de fase van de behandeling van de aanvraag. In die fase kan het bevoegde gezag gebruik maken van de behandelmodule van het Omgevingsloket online of kiezen voor het overzetten van de digitale aanvraag naar een eigen systeem.

Het centrale technische beheer van het Omgevingsloket online berust bij de Minister van VROM. Deze verplichting is neergelegd in artikel 7.6, derde lid, van de Wabo. De zorg voor de technische voorziening heeft betrekking op het opstellen van een systeembeschrijving. Deze systeembeschrijving heeft vooral tot doel om ten behoeve van de bevoegde bestuursorganen eenduidig vast te leggen welke technische voorzieningen de landelijke voorziening biedt ten behoeve van hun werkprocessen. Het beheer door de minister omvat tevens de zorg voor het beschikbaar stellen van het elektronische aanvraagformulier. De beheertaak van de minister blijft beperkt tot de technische facilitering van de landelijke voorziening en tot het formulierbeheer.

Elk bevoegd gezag heeft de beschikking over een eigen domein binnen het Omgevingsloket online, waarbinnen het bevoegd gezag zelf autorisaties voor toegang tot dossiers bepaalt. Deze verantwoordelijkheid ziet bijvoorbeeld op het opnemen van gegevens en het verstrekken van gegevens aan adviseurs. Binnen het lokale domein kan het bevoegd gezag ook aanpassingen aan het aanvraagformulier aanbrengen, voor zover er eigen beleidsruimte (met eventueel specifiek toetsingskader) bestaat. Het dossier is ‘eigendom’ van het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag bepaalt de inhoud en procesgang van het dossier. Het Omgevingsloket online vervult dus hoofdzakelijk een faciliterende rol, naast de functie van het centrale beheer van het landelijk uniforme elektronische aanvraagformulier. Vooralsnog wordt afgezien van het stellen van regels hieromtrent op grond van artikel 7.6, tweede lid, van de Wabo, omdat ervan wordt uitgegaan dat de bestuursorganen zorgvuldig zullen omgaan met het verwerken van de gegevens.

Voorts zijn ook de zorgplichten die uit de Archiefwet 1995 voortvloeien, een verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag. Dit omvat de zorg om de archiefbescheiden in goede, geordende en toegankelijke staat te brengen en te bewaren en de zorg voor de vernietiging van de daarvoor in aanmerking komende archiefbescheiden (artikel 3 Archiefwet 1995). Deze zorg verschilt niet wezenlijk van het gebruikelijke beheer van papieren dossiers. Het Omgevingsloket online is niet bedoeld voor de archivering van de behandeling van de aanvraag met de daarbij behorende gegevens en bescheiden. Na verlening van de vergunning moeten deze stukken door het bevoegd gezag ofwel worden geconverteerd naar een eigen omgeving ofwel moet het bevoegd gezag een verzoek richten aan de centrale beheerorganisatie om het dossier van de landelijke voorziening te verwijderen. Die vernietiging zal in de praktijk nodig zijn voor eigen doeleinden of om aan wettelijke verplichtingen, zoals die betreffende de Archiefwet 1995, te kunnen voldoen.

Voor aansluiting van het bevoegd gezag op het Omgevingsloket online geldt een beperkt aantal laagdrempelige technische en organisatorische aansluitvoorwaarden. Omwille van deze laagdrempeligheid en het voorkomen van extra investeringen door de betrokkenen is het Omgevingsloket online zodanig opgezet dat daarvan al gebruik gemaakt kan worden, indien de aanvrager en het bevoegd gezag beschikken over een normale internetaansluiting. In de praktijk vindt voorafgaand aan de indiening van een aanvraag vaak al vooroverleg plaats. Het Omgevingsloket online biedt de aanvrager de mogelijkheid om, vooruitlopend op het indienen van een aanvraag, op basis van een conceptaanvraag overleg te hebben met derden of een contactpersoon bij het bevoegd gezag.

De aanvraagmodule is voorzien van een vergunningcheck of vragenboom. Met behulp van deze vergunningcheck kan de aanvrager zien welke van zijn voorgenomen activiteiten vergunningplichtig zijn. Binnen het aanvraagformulier zijn verschillende paden gedefinieerd, die ervoor zorgen dat de aanvrager alleen die vragen te zien krijgt die voor hem van toepassing zijn. De inhoud van de vergunningcheck en van het aanvraagformulier is in beginsel voor alle locaties binnen Nederland hetzelfde. Toch kan het geval zich voordoen dat een bevoegd gezag een afwijkende vraag wil stellen of een afwijkend indieningsvereiste wil hanteren. Dit kan met name het geval zijn bij activiteiten die vergunningplichtig zijn op grond van een provinciale of gemeentelijke verordening. Voor dit soort situaties kent het aanvraagformulier de optie voor het bevoegd gezag om nieuwe vragen of indieningsvereisten aan het formulier toe te voegen.

De systeembeschrijving en het aanvraagformulier zijn voorts zodanig opgezet dat gegevens die niet of niet zonder meer openbaar moeten worden gemaakt, zoals persoonsgegevens, gescheiden kunnen worden gehouden van andere onderdelen van de aanvraag. Ook de elektronische processen van het Omgevingsloket online zijn op dit onderscheid ingericht. Hierbij is aangesloten bij de systematiek zoals die is gevolgd bij het publiceren van bouwvergunningen.

2.3. Bescherming persoonsgegevens

Met name bij de behandeling van elektronische aanvragen dient de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) in acht te worden genomen. In een aanvraag staan onder meer gegevens over personen. Het gaat hierbij niet alleen om gegevens over de aanvrager zelf, maar ook om gegevens die herleidbaar zijn tot andere identificeerbare personen, zoals gemachtigden. In het kader van de wet is de verzameling van deze gegevens bedoeld om de aanvrager te identificeren en om de aanvraag te kunnen beoordelen binnen de daarvoor geldende toetsingskaders. De grondslag voor de verwerking van deze gegevens staat in artikel 8 van de Wbp. Naast de uitdrukkelijke toestemming van de betrokkene als mogelijke grondslag voor verwerking, is tevens sprake van een grondslag voor verwerking van persoonsgegevens, indien de gegevensverwerking noodzakelijk is om een wettelijke verplichting na te komen waaraan de verantwoordelijke onderworpen is of indien de gegevensverwerking noodzakelijk is voor de goede vervulling van een publiekrechtelijke taak door het betreffende bestuursorgaan dan wel het bestuursorgaan waaraan de gegevens worden verstrekt. Een dergelijke verwerking kan in de eerste plaats noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een eigen publiekrechtelijke taak van de verantwoordelijke overheid. Daarnaast mogen gegevens echter ook gebruikt worden ten behoeve van een publiekrechtelijke taak die door een ander bestuursorgaan wordt verricht. De beschikbare gegevens mogen aan dat andere bestuursorgaan worden verstrekt, mits dat met het oog op die taak noodzakelijk is.

De Wbp vereist tevens dat een verwerking van persoonsgegevens werkelijk noodzakelijk moet zijn voor een goede taakuitoefening. Dit brengt mee dat het bevoegd gezag uitsluitend persoonsgegevens aan anderen mag verstrekken, indien dit bijvoorbeeld nodig is om adviseurs of belanghebbenden voldoende inzicht in de aard van de aanvraag om vergunning te verschaffen. Voor zover deze noodzaak ontbreekt – doordat bijvoorbeeld gegevens over de persoon van de aanvrager niet relevant zijn voor beoordeling van de aanvraag – is er geen grondslag voor de verstrekking. Persoonsgegevens moeten in dat geval voor derden worden afgeschermd.

Voor wat betreft persoonsgegevens die in een aanvraag kunnen zijn opgenomen, wordt bij het ontwerp van het elektronische aanvraagformulier uiteraard rekening gehouden met de vereisten uit de Wbp. De inrichting van het formulier is zodanig dat privacygevoelige gegevens die niet op grond van artikel 8 van de Wbp mogen worden verspreid, eenvoudig door het bevoegd gezag kunnen worden afgeschermd, bijvoorbeeld indien de aanvraag langs elektronische weg ter inzage wordt gelegd. Het bevoegd gezag dient daarbij rekening te houden met af te schermen persoonsgegevens in andere documenten in het dossier, zoals in rapporten die onderdeel uitmaken van de aanvraag en in ingebrachte zienswijzen.

In zijn algemeenheid geldt dat bij verspreiding van gegevens via internet de grootst mogelijke zorgvuldigheid moet worden betracht, vanwege het onbeheersbare karakter die de verspreiding langs deze weg kan hebben. Voor een zorgvuldig beheer van gegevens door het bevoegd gezag bieden de door het College Bescherming Persoonsgegevens opgestelde Richtsnoeren voor actieve openbaarmaking van persoonsgegevens een kader.

De authentificatie van de aanvrager geschiedt door middel van het burgerservicenummer (hierna: BSN). Uit de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer (Wabb) volgt dat bij de vergunningaanvraag door een aanvrager die een natuurlijk persoon is, gebruik kan worden gemaakt van dit nummer en – indien de aanvraag elektronisch wordt gedaan – van DigiD.

Overheidsorganen die daartoe bevoegd zijn, kunnen bij het verwerken van persoonsgegevens in het kader van de uitvoering van hun taak gebruik maken van het BSN (artikel 10 Wabb). Daarbij geldt onder meer als voorwaarde dat deze overheden zich ervan vergewissen dat het BSN betrekking heeft op degene wiens persoonsgegevens worden verwerkt (artikel 12 Wabb). Daartoe worden aan het overheidsorgaan bepaalde gegevens uit registraties verstrekt (artikel 15 Wabb; artikel 14 Besluit BSN). Blijkens bijlage 3 bij artikel 14 van het Besluit BSN zijn dit – voor zover hier relevant – het BSN, de naam van de persoon, geboorteplaats en -datum, gemeente van inschrijving en adresgegevens.

§ 3. Bedrijfseffecten, administratieve en bestuurlijke lasten

In het kader van de totstandkoming van het wetsvoorstel Wabo is onderzoek verricht naar de effecten van het wetsvoorstel op de administratieve en bestuurlijke lasten. In de memorie van toelichting (hoofdstuk 9) bij het wetsvoorstel is hierop uitgebreid ingegaan. Ten behoeve van de administratieve en bestuurlijke lasten van de indieningsvereisten, is een vervolgonderzoek naar aanleiding van Bor, Mor en de LVO uitgevoerd. In de toelichting bij het Bor is uitgebreid op dit onderzoek ingegaan. Kortheidshalve wordt hiernaar verwezen.

§ 4. Uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid

De uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van de uitvoeringsregelingen van de Wabo zijn getoetst door de VROM-inspectie. Voor een beschrijving van de resultaten van de toets wordt verwezen naar paragraaf 9 van de toelichting op het Bor.

§ 5. Reacties op de inspraak

In december 2006 is een voorontwerp van deze ministeriële regeling omgevingsrecht gepubliceerd en toegezonden aan een aantal instanties en brancheorganisaties, met verzoek om commentaar. Hierop zijn meer dan 25 commentaren ontvangen. Deze commentaren hadden met name betrekking op de wijze waarop bestaande regelingen zijn omgezet in de ministeriële regeling. In september 2007 is een uitgebreide reactienota op de binnengekomen commentaren aan de betrokkenen toegezonden. Deze reactienota is eind oktober 2007 voor een aantal belangstellenden mondeling toegelicht. De commentaren hebben op een groot aantal punten geleid tot aanpassing van het ontwerp van de ministeriële regeling en de toelichting daarop. In juni 2009 is het ontwerp van de deze ministeriële regeling, tegelijk met het ontwerp van Bor, toegezonden aan de Tweede en Eerste Kamer en gepubliceerd op het Kennisplein Omgevingsvergunning. Hierop zijn ca. 25 commentaren ontvangen die deels betrekking hadden op de Mor. De gemaakte opmerkingen zijn grotendeels verwerkt in dit ontwerp. Een reactieoverzicht is op het kennisplein gepubliceerd.

§ 6. Monumenten

De regeling voorziet in specifieke indieningsvereisten voor activiteiten met betrekking tot monumenten. De indieningsvereisten voor activiteiten met betrekking tot een beschermd monument als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wabo zijn opgenomen in hoofdstuk 5 van de Mor. Een beschermd monument als hier bedoeld betreft een rijksmonument dat op grond van de Mw als zodanig is aangewezen. Daarnaast gaat het ook om een monument dat op grond van die wet is ‘voorbeschermd’. Voorbescherming houdt in dat het vergunningstelsel van de Wabo van overeenkomstige toepassing is gedurende een procedure tot aanwijzing als beschermd monument. Voor rijksmonumenten is de voorbescherming geregeld in artikel 5 van de Mw.

In hoofdstuk 5 van de Mor zijn de indieningsvereisten afzonderlijk geregeld voor elke activiteit met betrekking tot een beschermd monument die in artikel 2.1, eerste lid, onder f, van de Wabo als vergunningplichtig is aangemerkt (slopen, verstoren, verplaatsen of in enig opzicht wijzigen van een beschermd monument dan wel herstellen, gebruiken of laten gebruiken van een beschermd monument op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht). Ten aanzien van het wijzigen van een beschermd monument is rekening gehouden met het feit dat deze activiteit veelal tevens zal moeten worden aangemerkt als het bouwen van een bouwwerk of het uitvoeren van een werk of van werkzaamheden, welke activiteiten omgevingsvergunningplichtig zijn op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder a en b, van de Wabo. Met het oog op de samenloop tussen deze activiteiten en de activiteit ‘wijzigen van een beschermd monument’ is voor die situatie in een aparte regeling voorzien.

De indieningsvereisten voor activiteiten met betrekking tot provinciale en gemeentelijke monumenten zijn geregeld in artikel 7.1 van de Mor. In dat artikel worden de indieningsvereisten uit hoofdstuk 5 van de Mor van overeenkomstige toepassing verklaard. Ook ten aanzien van provinciale en gemeentelijke monumenten kan sprake zijn van ‘voorbescherming’, maar dit dient uitdrukkelijk in de desbetreffende monumentenverordening te zijn bepaald.

Indieningsvereisten voor monumentenvergunningen waren tot op heden niet in een wettelijke regeling vastgelegd. Daarom is voor de formulering van de in de regeling opgenomen indieningsvereisten geput uit bestaande (gemeentelijke) aanvraagformulieren en uit subsidieregelingen voor rijksmonumenten. Het betreft gegevens en bescheiden die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de voorgenomen activiteit in relatie tot het monument en zijn monumentale waarde.

De aard en de omvang van de werkzaamheden bepalen welke indieningsvereisten gelden. Zo zijn voor de beoordeling van een vergunningaanvraag voor uitvoering van een restauratie- of (ver)bouwplan meer gegevens en bescheiden noodzakelijk dan voor het beoordelen van een vergunningaanvraag voor het aanbrengen van gevelreclame. Voorafgaand aan ingrijpende restauraties is het uitvoeren van een bouwhistorisch onderzoek vaak wenselijk, terwijl dit voor kleinere herstelwerkzaamheden meestal niet aan de orde zal zijn. Ook de locatie van de werkzaamheden is voor de indieningsvereisten van belang. Indien er werkzaamheden in het interieur worden uitgevoerd, zijn interieurfoto’s nodig, maar deze zijn doorgaans niet relevant indien het alleen de buitenkant van het monument betreft.

Bij sommige activiteiten is het voor het bevoegd gezag goed om te weten of er een subsidie of andere financiële bijdrage is aangevraagd. Dit is van belang in die gevallen waarin de vergunningaanvraag en de aanvraag om subsidie of andere financiële bijdrage met elkaar verband houden. Dan kan er desgewenst afstemming plaatsvinden wat betreft de behandelingstermijn of inhoudelijke aspecten.

Door de grote verscheidenheid aan werkzaamheden die van invloed kunnen zijn op de monumentale waarde van een monument is vooraf feitelijk geen dekkend beeld te geven van alle noodzakelijke indieningsvereisten. Het bevoegd gezag kan in specifieke gevallen, naast de genoemde indieningsvereisten, op basis van artikel 4:2, tweede lid, in samenhang met artikel 4:5 van de Awb ook nog andere indieningsvereisten formuleren. De gevraagde informatie dient uiteraard wel noodzakelijk te zijn voor, en in directe relatie te staan tot, de beoordeling van de aanvraag.

Het is dan ook in het algemeen bij voorgenomen activiteiten met betrekking tot een monument raadzaam voor een aanvrager, om alvorens over te gaan tot het maken van definitieve plannen, in vooroverleg te treden met het bevoegd gezag. Zo kan inzicht worden verkregen in de toepasselijke indieningsvereisten en rekening worden gehouden met eventuele voor monumenten geldende kwaliteitseisen of uitvoeringsvoorschriften.

II. Artikelsgewijze deel

Artikel 1.1

In dit artikel is een aantal omschrijvingen opgenomen van begrippen die een aantal keer in de regeling voorkomen en die beogen de leesbaarheid van de regeling te vergroten.

Artikel 1.2

Eerste lid

Het elektronische aanvraagformulier wordt door de minister in de landelijke voorziening beheerd en van daaruit beschikbaar gesteld. In dit artikellid wordt geregeld dat de aanvrager gebruik moet maken van het elektronische formulier dat op de datum van indiening van de aanvraag beschikbaar is. Op deze wijze wordt ervoor gezorgd dat de juiste versie van het formulier wordt gebruikt.

Artikel 1.3

Eerste lid

Dit artikellid bevat de indieningsvereisten die voor iedere aanvraag gelden. Een aanvraag is, overeenkomstig artikel 1:3, derde lid, van de Awb, een verzoek van een belanghebbende een besluit te nemen. In de aanvraag zal allereerst duidelijk moeten zijn wie de aanvraag doet. De aanvrager kan de eigenaar of huurder zijn of een gemachtigde die namens hen optreedt. Hierbij kan gedacht worden aan een architect of een aannemer van een bouwactiviteit die een vergunningaanvraag indient namens een opdrachtgever. Dit staat in het eerste lid, onder d. In de tweede plaats gaat het om informatie over een uitvoerder van de activiteit, als dat niet dezelfde persoon is als de aanvrager. Dit staat onder e van het eerste lid. Daarnaast hebben de indieningsvereisten betrekking op de vermelding van de locatie waar de voorgenomen activiteiten zullen plaatsvinden alsmede op de aard en omvang van de activiteiten.

Tweede lid

Het tweede lid bevat het algemene vereiste dat de aanvrager duidelijk maakt op welke locatie de aangevraagde activiteit zal plaatsvinden. Deze plaatsaanduiding kan bijvoorbeeld geschieden door middel van een plattegrond van het terrein, waarop wordt ingetekend op welke plaats een bouwwerk zal worden gebouwd of een uitweg is beoogd of een boom wordt geveld. Ook een foto van de locatie kan in voorkomende gevallen volstaan. De gekozen vorm en de maatvoering van de plaatsaanduiding zijn in beginsel vormvrij. Dit geldt ook voor de maatvoering van de activiteit op de tekening of situatieschets. Als enige vereiste geldt dat de plaatsaanduiding voldoende duidelijk moet zijn voor het bevoegd gezag om te kunnen vaststellen welke activiteit op welke locatie wordt aangevraagd.

In sommige gevallen zijn voor een goede beoordeling van de aanvraag alsnog gedetailleerde tekeningen of plattegronden vereist. Bijvoorbeeld in het kader van de bouw van een bouwwerk of vanwege de indeling van een inrichting en de daarin opgestelde installaties. In deze gevallen worden in het hoofdstuk van de Mor voor de desbetreffende activiteit nadere vereisten gesteld aan de in te dienen tekeningen en plattegronden. Daarbij kunnen tevens specifieke eisen worden gesteld aan de schaal en maatvoering.

Derde lid

Het derde lid bevat een verplichting voor de aanvrager om een opgave van de kosten van de te verrichten werkzaamheden te doen. Deze opgave kan nodig zijn voor de berekening van leges of voor het bepalen of de Wet Bibob moet worden toegepast.

Indien sprake is van een aanvraag om een vergunning voor het bouwen van een bouwwerk, vermeldt de aanvrager bij deze opgave van de kosten in ieder geval ook de aannemingssom – als bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, van de Uniforme Administratieve Voorwaarden voor de uitvoering van werken (UAV 1989) – van het uit te voeren werk. Voor zover deze ontbreekt, verschaft de aanvrager een raming van de bouwkosten als bedoeld in het normblad NEN 2631.

De wijze waarop het bevoegd gezag de leges berekent, valt onder de gemeentelijke of provinciale autonomie. Wel wordt gestreefd naar meer uniformiteit in de grondslagen voor de legesheffing. Daartoe heeft VROM een Model voor het bepalen van de hoogte van leges omgevingsvergunning laten opstellen, te vinden op het Kennisplein. Een keuzemogelijkheid in het Model is een legestarief gebaseerd op de kosten van het door de aanvrager te realiseren bouwwerk. In het Model wordt daarbij een maximering van het tarief voorgesteld, omdat de kosten van het in behandeling nemen boven een bepaalde bouwsom doorgaans niet meer toenemen. Ook het hanteren van tariefklassen is een mogelijkheid. Overigens is in vervolg op het project Vereenvoudiging Vergunningen een Richtlijn Kostendragers ontwikkeld, die handreikingen bevat voor alle vormen van doorberekening van kosten door overheidsinstanties, waaronder de kosten van vergunningverlening.1

De Wet Bibob geldt voor o.a. bouw- en milieuvergunningen. Dit betekent dat het bevoegd gezag bij het verlenen van deze vergunningen eisen kan stellen aan de integriteit van de aanvrager. Het bevoegd gezag is autonoom in het bepalen van beleidslijnen voor de toepassing van deze wet. De procedure van de Wet Bibob wordt niet in alle gevallen gevolgd. De hoogte van de aannemingssom kan een factor zijn om te bepalen of nader onderzoek in het kader van de Wet Bibob noodzakelijk is.

Artikel 1.4

Eerste lid

Een vergunningaanvraag bevat naast de formuliergegevens meestal ook een aantal bijlagen. In het geval van een elektronische aanvraag zijn dit digitale tekeningen en rapporten. Deze moeten digitaal kunnen worden ingezien door het bevoegd gezag en digitaal kunnen worden gearchiveerd. Uitgangspunt is dat een ingediend digitaal document tijdens de behandeling niet kan worden gewijzigd en ongewijzigd, dus zonder conversie, kan worden gearchiveerd.

Binnen het Omgevingsloket online wordt een beperkt aantal open standaarden gebruikt. Beperking van het aantal formaten is in de eerste plaats nodig omdat de bijlagen moeten worden ingediend in een duurzaam digitaal bestandsformaat, zodat er op dit punt geen problemen met digitale archivering ontstaan. Uitgangspunt is dat ingediende digitale bijlagen na de behandeling ongewijzigd, dus zonder conversie of substitutie, kunnen worden gearchiveerd. In de tweede plaats moet worden voorkomen dat het bevoegd gezag wordt geconfronteerd met een eindeloze variatie aan digitale bestandsformaten, waarvoor het mogelijk niet de geschikte programmatuur heeft om deze te kunnen lezen en gebruiken.

De aanvrager wordt geacht om het bestand zélf te controleren op vorm en inhoud, voorafgaand aan de indiening.

De keuze van de digitale bestandsformaten is met diverse partijen afgestemd, zoals het Nationaal Archief en het ICTU programma ‘Nederland open in Verbinding’. Daarbij heeft het Nationaal Archief aangegeven dat open standaarden odt en ods naar zijn mening niet archiefwaardig zijn.

Bestanden in .xls format (Excel bestanden) en .ods format (Open Office spreadsheet) dienen door de aanvrager op zijn eigen computer naar PDF te worden geconverteerd. Dit PDF bestand is wel te gebruiken en archiefwaardig, maar het nadeel van dit format is dat bij conversie de formules verdwijnen en alleen nog de uitkomsten te zien zijn. Daarom zal ook het originele spreadsheet bestand informatief (maakt geen deel uit van het aanvraagdossier) aangeleverd kunnen worden en raadpleegbaar zijn in Omgevingsloket online, maar niet gearchiveerd worden.

Ook Bouw Informatie Modellen (zogenaamde BIM bestanden) kunnen informatief worden toegevoegd indien aanvrager dat met het bevoegd gezag heeft afgesproken. Het bevoegd gezag moet voor raadpleging van deze bestanden zelf programmatuur hebben.

Tweede lid

Het tweede lid regelt dat digitale bestanden alleen als ‘read only’ bestand worden ingediend. Dit vereiste waarborgt dat de gegevens en bescheiden die langs elektronische weg worden ingediend, afkomstig zijn van de aanvrager en geen andere vorm of inhoud hebben gekregen dan door hem werd beoogd. Mede als gevolg van de Archiefwet 1995 is het niet toegestaan om de bestanden te voorzien van ‘extra layers’, dat wil zeggen van additionele informatie over het bestand. Alle relevante informatie moet in het bestand zijn opgenomen en daarin als ‘read only’ zijn aangemerkt. Aantekeningen van het bevoegd gezag en zijn adviseurs worden gemaakt in separate ‘markup’-bestanden die gekoppeld worden aan de originele ‘read only’-bestanden.

Artikel 1.5

Dit artikel verplicht de aanvrager om, indien van toepassing, in de aanvraag te vermelden dat sprake is van een vergunningaanvraag voor een periode van beperkte tijdsduur. Van de aanvrager wordt in dat geval verlangd om zo concreet mogelijk aan te geven wanneer de tijdelijke periode verstrijkt en de activiteit zal zijn beëindigd, voor zover het voor hem mogelijk is dit op het moment van de aanvraag reeds te vermelden. Met het ‘beëindigen’ van de activiteit wordt in dit artikel tevens bedoeld het ‘buiten werking stellen’ van een inrichting of mijnbouwwerk.

Artikelen 2.1–2.12

De indieningsvereisten vanwege bouwen zijn ontleend aan het Besluit indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning (Biab), dat met de inwerkingtreding van deze regeling zal komen te vervallen. In principe is sprake van een beleidsneutrale conversie. In een aantal gevallen is een inhoudelijke aanpassing doorgevoerd. Dit is in het onderstaande toegelicht.

In onderstaande tabel is een overzicht gegeven van de in dit besluit opgenomen voorschriften en de vindplaats van de voorschriften in het (vervallen) Biab. Bij de paragrafen uit het Biab is tevens aangegeven wat de oorspronkelijke paragraafnummers van de toelichting op de voorschriften waren. De betreffende toelichtingen zijn deels geïntegreerd in de voorschriften in deze regeling. Een deel van de voorschriften, zoals de voorschriften inzake digitale indiening, zijn vervangen door nieuwe voorschriften in deze regeling.

Artikel Mor

Onderwerp

Paragraaf bijlage Biab

Artikel

Toelichting

1.1

Begripsomschrijvingen

0.1

1.3

Indieningsvereisten bij iedere aanvraag

1.1

3.2.1

1.4

Vereisten aan digitale indiening van gegevens en bescheiden

1.1/2.4

3.2.1

2.1

Algemene vereisten

2.1/0.2

3.3.1

2.2

Bouwbesluit 2003

1.2.3/1.2.4/1.2.6

3.2.4/3.2.5/3.2.7

2.3

Planologische voorschriften en stedenbouwkundige voorschriften bouwverordening

1.2.1a / 1.2.1b

3.2.2a / 3.2.2b

2.4

Overige voorschriften bouwverordening

1.2.5

3.2.6

2.5

Redelijke eisen van welstand

1.2.2

3.2.3

2.6

Advies Commissie voor de tunnelveiligheid

1.2.6

3.2.7

2.7

Uitgestelde indieningsvereisten omtrent het bouwen

1.5

3.2.8

2.8

Algemene vereisten aan tekeningen

2.2

3.3.2

2.9

Vereisten aan plattegronden en doorsneden

2.2

3.3.2

2.10

Algemene vereisten in verband met berekeningen

2.3

2.11

Vereisten aan constructieve berekeningen

2.3

2.12

Vereisten aan overige berekeningen

2.3

Artikel 2.1

Artikel 2.1 houdt in dat de aanvrager niet kan volstaan met het aanleveren van bijvoorbeeld op zichzelf staande (detail)berekeningen van de constructie van het bouwwerk en de overige gegevens en bescheiden. Het artikel verplicht ertoe dat uit de aangeleverde gegevens en bescheiden tevens de onderlinge samenhang en de samenhang met de overige gegevens en bescheiden blijkt. Met name bij de later aan te leveren gegevens en bescheiden (zie artikel 2.7) geldt dat duidelijk moet zijn hoe die gegevens passen binnen de eerdere informatie over het bouwwerk. Zie verder ook de toelichting op artikel 2.2, eerste lid, onderdeel b, waarin een nadere specificatie is opgenomen voor de wijze waarop de samenhang voor het onderdeel constructies moet worden aangetoond.

Ten opzichte van de formulering in het Biab is de redactie van artikel 2.1 zodanig aangepast dat duidelijk wordt dat de plicht tot het aantonen van de samenhang niet alleen van toepassing is op de constructieve gegevens. De samenhang van alle gegevens en bescheiden moet uit de informatie van de aanvrager blijken.

Artikel 2.2

Dit artikel bevat de indieningsvereisten met het oog op de toetsing aan de voorschriften van het Bouwbesluit 2003 (hierna: het Bb). Het gaat hier zowel om de voorschriften met betrekking tot de constructieve veiligheid (artikel 2.2, eerste lid) als de overige voorschriften van het Bb (artikel 2.2, tweede lid). In de bijlage bij het Biab waren de indieningsvereisten met betrekking tot voornoemde categorieën voorschriften nog in afzonderlijke paragrafen opgenomen. Hieraan lag ten grondslag dat aanvragen om een lichte bouwvergunning uitsluitend aan de voorschriften met betrekking tot constructieve veiligheid uit het Bb, en dus niet aan de ‘overige’ voorschriften uit het Bb, werden getoetst. Nu de figuur van de lichte bouwvergunning onder de Wabo is komen te vervallen, is dit onderscheid voor de beoordeling van vergunningaanvragen voor een bouwactiviteit niet meer relevant en kunnen alle indieningsvereisten met het oog op de toetsing van een aanvraag aan het Bb in eenzelfde artikel worden geregeld.

Ten opzichte van het Biab is het eerste lid, onderdeel b, toegevoegd ten aanzien van de aan te leveren gegevens en bescheiden. Achtergrond van de in dit artikelonderdeel gestelde eisen is dat moet worden voorkomen dat bij de aanvraag de constructie slechts met enkele tekeningen en een verwijzing naar algemeen geldende normen wordt ingediend.

Bij het stellen van deze eisen is aansluiting gezocht bij De Nieuwe Regeling (DNR2): eenzelfde schriftelijke toelichting op het ontwerp van de constructies wordt vereist op basis van de (meest gangbare) privaatrechtelijke overeenkomst tussen opdrachtgever en adviseur. Uit de toelichting op het ontwerp van de constructies moet duidelijk blijken wat de samenhang is tussen de verschillende constructieonderdelen van het bouwwerk. Dit geldt zowel voor de direct aan te leveren gegevens en bescheiden als voor de later aan te leveren gegevens en bescheiden. Indien het met de verstrekte informatie niet voldoende aannemelijk wordt gemaakt dat het bouwwerk voldoet aan het Bb kan het bevoegd gezag om aanvullende gegevens vragen.

Artikel 2.2, vierde lid, bevat indieningsvereisten met het oog op de toepassing van bepalingen die afwijkingen van het Bb mogelijk maken. In het Biab waren deze indieningsvereisten nog geregeld in een afzonderlijke paragraaf, tezamen met een aantal andere onderwerpen, maar op grond van wetsystematische overwegingen is het wenselijk om deze indieningsvereisten in één artikel samen te voegen met de overige indieningsvereisten die van belang zijn voor de toetsing aan het Bb.

Artikel 2.3

Dit artikel bevat indieningsvereisten met betrekking tot een aantal onderwerpen ten aanzien waarvan ofwel voorschriften voortvloeien uit het op de desbetreffende bouwactiviteit van toepassing zijnde planologische kader ofwel uit de stedenbouwkundige voorschriften van de bouwverordening.

Het planologische kader wordt gevormd door een bestemmingsplan of beheersverordening, Daarnaast kunnen van toepassing zijn regels die in een provinciale verordening of algemene maatregel van bestuur zijn opgenomen met betrekking tot de inhoud van het bestemmingsplan of de beheersverordening. Ook kan een exploitatieplan als bedoeld in artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening deel uitmaken van het relevante planologische kader.

De indieningsvereisten in dit artikel zijn gericht op het toetsen van het bouwplan aan het geldende planologische kader, zoals hiervoor geschetst. Indien sprake is van strijdigheid met dat kader, dan is tevens een vergunning vereist voor de gebruiksactiviteit, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo (gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met planologische voorschriften). In dat geval moeten bij de aanvraag om vergunning tevens de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 3.2, worden aangeleverd. Indien dit door de aanvrager niet is onderkend, is het bevoegd gezag ingevolge artikel 2.10, tweede lid, van de Wabo gehouden de aanvraag om vergunning voor de bouwactiviteit tevens aan te merken als een aanvraag om vergunning voor het planologisch strijdig gebruik. In een dergelijke situatie kan het bevoegd gezag het overleggen door de aanvrager van de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 3.2, bewerkstelligen door de aanvrager overeenkomstig artikel 4:5 van de Awb in de gelegenheid te stellen de aanvraag aan te vullen.

Onderdeel g

In gebieden waar sprake is van een agrarische bestemming kan het bevoegd gezag een advies vragen aan de Agrarische Adviescommissie. Dit betreft de Agrarische Adviescommissie bouw- en aanlegvergunningen of Adviescommissie agrarische bouwaanvragen, die advies uitbrengt aan het bevoegd gezag bij aanvragen om een vergunning voor het bouwen van een bouwwerk in gebieden met een agrarische bestemming. Het advies van de commissie heeft betrekking op de noodzaak van het bouwen en de volwaardigheid en continuïteit van het aanwezige agrarische bedrijf.

De Agrarische Adviescommissie toetst in dat geval of de aangevraagde activiteit met het bouwwerk betrekking heeft op een agrarische bestemming. Van de aanvrager wordt verlangd dat hij de relevante gegevens en bescheiden bij de aanvraag voegt ten behoeve van deze toetsing door de adviescommissie.

Onderdeel i

Dit onderdeel van artikel 2.3 geeft uitvoering aan artikel 40, eerste lid, van de Monumentenwet 1988. Op grond van dat artikellid kan het bestemmingsplan een verplichting bevatten tot het aanleveren van een rapport inzake de archeologische waarde van de gronden die worden verstoord door de activiteit waarvoor een omgevingsvergunning wordt aangevraagd.

Onderdeel j

Op grond van artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo moet de vergunning voor een bouwactiviteit worden geweigerd bij strijd met een exploitatieplan als bedoeld in artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening. Toetsing is met name aan de orde bij bouwplannen die nader zijn aangewezen bij artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Voor de toetsing aan de regels voor de woningbouwcategorieën sociale huurwoning, sociale koopwoning of particulier opdrachtgeverschap kan overlegging van nadere gegevens nodig zijn. De definitie van deze categorieën is opgenomen in artikel 1.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Het betreft gegevens waaruit blijkt dat een sociale koopwoning in de betreffende categorie wordt verkocht en bewoond zal worden door iemand die tot de doelgroep behoort. De gegevens kunnen mede betrekking hebben op de inschrijving voor de woning en de toewijzing ervan. Bij een sociale huurwoning betreft het gegevens waaruit aannemelijk wordt dat de woning in de betreffende categorie wordt geëxploiteerd. Deze gegevens betreffen de toekomstige exploitant. Ook deze gegevens kunnen mede betrekking hebben op de inschrijving voor de woning en de toewijzing ervan. Bij particulier opdrachtgeverschap betreft het gegevens waaruit blijkt dat de aanvrager voldoet aan de regels voor particulier opdrachtgeverschap in het Besluit ruimtelijke ordening en het exploitatieplan. Voorts kunnen bij alle soorten bouwplannen gegevens nodig zijn met betrekking tot de toetsing aan de locatie-eisen in het exploitatieplan. Een voorbeeld betreft de eisen voor bouwrijp maken.

Artikel 2.4

Dit artikel bevat een opsomming van gegevens en bescheiden die noodzakelijk zijn voor het toetsen van een aanvraag om vergunning voor het bouwen van een bouwwerk aan de voorschriften van de gemeentelijke bouwverordening, niet zijnde de stedenbouwkundige voorschriften. De indieningsvereisten voor de toetsing aan laatstgenoemde voorschriften zijn, zoals reeds is gebleken, geregeld in artikel 2.3.

Onderdeel a

Het bouwveiligheidsplan heeft alleen betrekking op de veiligheid van de weg rondom het te bouwen bouwwerk, de in die weg gelegen werken, de weggebruikers, alsmede de naburige bouwwerken, open erven en terreinen en hun gebruikers. Overige veiligheidsaspecten, zoals de veiligheid op de bouwplaats zelf, vallen onder andere regelingen (Arbeidsomstandighedenwet).

Onderdeel c

In de bouwverordening zijn eisen opgenomen inzake de bereikbaarheid van bouwwerken voor voertuigen van de brandweer en de bluswatervoertuigen. Om te kunnen toetsen of aan deze eisen wordt voldaan dienen de desbetreffende voorzieningen te blijken uit de bij de aanvraag aangeleverde gegevens en bescheiden.

Onderdeel d

Artikel 8, tweede lid, onderdeel c, van de Woningwet verplicht gemeenten in hun bouwverordening voorschriften omtrent het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem op te nemen. Die voorschriften dienen op grond van artikel 8, vierde lid, van de Woningwet in elk geval betrekking te hebben op het verrichten van onderzoek naar aard en mate van verontreiniging van de bodem, op de aard en omvang van dat onderzoek en op inrichting van het op te stellen onderzoeksrapport. Deze verplichting is door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten uitgewerkt in de artikelen 2.1.5 en 2.4.1 van de Modelbouwverordening (Mbv).

De aanvrager hoeft niet altijd een bodemonderzoeksrapport aan te leveren. De gevallen waarin het overleggen van een bodemonderzoeksrapport verplicht is, zijn nader omschreven in artikel 8, derde lid, van de Woningwet. Een belangrijke eis die in dat verband wordt gesteld, is dat het moet gaan om een bouwwerk voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning nodig is, met uitzondering van bouwwerken die naar aard en omvang gelijk zijn aan een bouwwerk voor het bouwen waarvan op grond van artikel 2.1, derde lid, van de Wabo geen vergunning is vereist.

Wanneer een bodemonderzoeksrapport is vereist, dient dat rapport te zijn gebaseerd op onderzoek dat is uitgevoerd door een persoon of een instelling die daartoe is erkend op grond van het Besluit bodemkwaliteit.

Voor het geval een bodemonderzoeksrapport dient te worden aangeleverd, maar het bouwen pas kan plaatsvinden nadat de aanwezige bouwwerken zijn gesloopt, bevat artikel 2.1.5 van de Mbv het voorschrift dat het bodemonderzoek dient plaats te vinden, nadat is gesloopt en voordat met de bouw wordt begonnen. Dit brengt met zich dat het resultaat van een bodemonderzoek niet altijd kan worden overgelegd bij de aanvraag om vergunning voor het bouwen van een bouwwerk. Daarom behoort dit onderzoeksrapport tot de bescheiden die op grond van artikel 2.7, derde lid, eerst na indiening van de aanvraag om vergunning voor bouwactiviteiten, doch uiterlijk drie weken voor de aanvang van die activiteiten, mogen worden aangeleverd. Voorwaarde voor latere indiening van het onderzoeksrapport is dat het bevoegd gezag daarmee instemt.

Artikel 2.5

Om een bouwplan te kunnen toetsen aan de welstandscriteria moeten gegevens en bescheiden worden aangeleverd waaruit het uiterlijk van het bouwplan blijkt. Bij grotere bouwwerken kan, ter ondersteuning van de beoordeling van het bouwwerk, een schetsmaquette worden aangeleverd. De aanvrager dient tevens duidelijk te maken wat de toegepaste kleuren in het ontwerp zijn. Ter ondersteuning van de toetsing kan een dakpan, steen of (kleur)monsterbord worden aangeleverd.

Artikel 2.6

Voor die gevallen waarin sprake is van het bouwen van een wegtunnel, bevat artikel 2.6 de eis dat bij de aanvraag om vergunning het advies van de Commissie voor de tunnelveiligheid, bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, onder e, van de Wabo wordt overgelegd. Een omgevingsvergunning voor het bouwen moet krachtens dat artikelonderdeel worden geweigerd, indien het advies van voornoemde commissie daartoe aanleiding geeft.

Artikel 2.7

Evenals in het Biab is een regeling opgenomen voor het later aanleveren van bepaalde gegevens en bescheiden. Gegevens en bescheiden betreffende de details met betrekking tot de constructie en installaties mogen tot uiterlijk drie weken voor aanvang van het betreffende bouwen worden aangeleverd. Nieuw is wel dat de aanvrager hiertoe (via het aanvraagformulier) een verzoek moet richten aan het bevoegd gezag. De toestemming is louter gekoppeld aan het indienen van een verzoek hiertoe. Als dat wordt gedaan, dan mogen de onder het eerste lid genoemde gegevens en bescheiden later worden aangeleverd.

Het tweede lid zondert een aantal nader omschreven gegevens en bescheiden met betrekking tot de constructie uit van de toepassing van het eerste lid. De lijst met deze gegevens en bescheiden, die dus te allen tijde direct bij de aanvraag moeten worden aangeleverd, is gebaseerd op het ‘Compendium constructieve veiligheid’, dat door de bouwpraktijk, gemeenten en de VROM-inspectie is opgesteld. Hierbij is aansluiting gezocht bij de standaard taakomschrijving van de constructeur, zoals deze op grond van de reeds in de toelichting op artikel 2.2 genoemde DNR wordt toegepast. De direct bij een aanvraag aan te leveren gegevens en bescheiden komen overeen met de stukken die ten behoeve van het constructieve ontwerp op dat moment ook beschikbaar zijn.

Het derde lid maakt het (nog steeds) mogelijk voor het bevoegd gezag om, indien de aard van het bouwplan daartoe aanleiding geeft, ook gegevens en bescheiden met betrekking tot de overige voorschriften van het Bouwbesluit 2003 (artikel 2.2, tweede lid), archeologische rapporten (artikel 2.3, onderdeel i), de voorschriften van de bouwverordening niet zijnde stedenbouwkundige voorschriften (artikel 2.4) en de welstand (artikel 2.5) later aan te leveren. De ruimte om later aanleveren toe te staan maakt het bijvoorbeeld mogelijk een gebouw ‘casco’ te bouwen en pas later de gegevens en bescheiden voor de afbouw ter goedkeuring in te dienen. Het betreft hier, in tegenstelling tot het eerste lid van artikel 2.7, een bevoegdheid van het bevoegd gezag en geen ‘recht’ van de aanvrager.

Artikelen 2.8 en 2.9

Tekeningen die onderdeel uitmaken van de aanvraag om vergunning voor een bouwactiviteit moeten voldoen aan de voorschriften die in artikel 2.8 zijn gegeven. Het betreft voorschriften over de toe te passen schaal en de aanwezigheid van een noordpijl op kaartmateriaal

Artikel 2.8, tweede lid, waarin de toe te passen schaal is voorgeschreven, mist toepassing indien artikel 5.8 van toepassing is. In het eerste lid van dat artikel zijn eisen gesteld aan de maximaal toe te passen schaal op tekeningen die moeten worden overgelegd indien vergunning wordt gevraagd voor een activiteit met betrekking tot een beschermd monument. In dat geval is de toegestane maximumschaal kleiner dan bij een tekening voor een bouwactiviteit, ten einde de kenmerkende details van het desbetreffende monument voldoende groot op tekening te laten weergeven. Indien er sprake is van het wijzigen van een beschermd monument dat tevens moet worden aangemerkt als een bouwactiviteit, kan voor beide activiteiten worden volstaan met het indienen van dezelfde tekeningen, maar dan moeten deze wel voldoen aan de strengere eisen die in artikel 5.8 aan de toe te passen schaal worden gesteld.

Artikel 2.9 bevat een specificatie van de gegevens die op de verschillende soorten tekeningen moeten worden weergegeven. Tevens wordt de te hanteren projectie voorgeschreven.

Artikelen 2.10 tot en met 2.12

In deze artikelen zijn algemene voorschriften opgenomen waaraan berekeningen moeten voldoen (artikel 2.10) en zijn enkele specifieke voorschriften gegeven voor constructieve berekeningen (artikel 2.11) en overige berekeningen (artikel 2.12). Doel van de voorschriften is het meeleveren van informatie aan het bevoegd gezag zodat de resultaten van de berekeningen te controleren zijn.

Artikel 3.1

Dit artikel verlangt van de aanvrager van een vergunning voor een aanlegactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder b, van de Wabo dat deze een aantal specifieke aspecten van de aard, omvang en effecten van het uit te voeren werk of van de uit te voeren werkzaamheid omschrijft. Met het vereiste om aan te geven welke obstakels aanwezig zijn, wordt bijvoorbeeld bedoeld een boom, lantaarnpaal of nutsvoorziening die in de weg staat aan het werk of de werkzaamheid.

In het tweede lid is een vergelijkbare bepaling als artikel 2.3, onderdeel i, opgenomen voor aanlegactiviteiten.

Artikel 3.2

Dit artikel bevat de indieningsvereisten voor een aanvraag om een vergunning voor het gebruiken van gronden of bouwwerken, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo (planologisch strijdig gebruik).

Voor de beantwoording van de vraag of de vergunning al dan niet kan worden verleend, is het indieningsvereiste in onderdeel b van wezenlijk belang. Op grond van dit onderdeel dient de aanvrager de gevolgen van het beoogde gebruik voor de ruimtelijke ordening weer te geven. In artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wabo, dat betrekking heeft op de omgevingsvergunning die in de plaats is gekomen van het projectbesluit krachtens de Wet ruimtelijke ordening, is uitdrukkelijk als een van de eisen voor vergunningverlening gesteld dat de activiteit niet in strijd mag zijn met ‘een goede ruimtelijke ordening’. Bij de andere vergunningen die in artikel 2.12, eerste lid, onder a, van de Wabo worden onderscheiden (de omgevingsvergunningen die in de plaats zijn gekomen van de binnenplanse ontheffing en de ontheffing krachtens de Wro), wordt deze eis niet als uitdrukkelijk criterium gesteld. Echter ook in deze gevallen zal aan dit criterium moeten zijn voldaan, in aanmerking genomen de aard van de vergunning die het hier betreft (vergunning voor planologisch strijdig gebruik).

De gevolgen van het beoogde gebruik voor de ruimtelijke ordening kunnen, afhankelijk van de concrete situatie, een breed scala betreffen. In dat verband kan onder meer worden gedacht aan de gevolgen voor bezonning, de verkeersaantrekkende werking en ter plaatse aanwezige natuurwaarden.

Indien sprake is van een vergunning als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wabo, kan de vergunning slechts worden verleend indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat. De in de aanvraag beschreven gevolgen van het beoogde gebruik voor de ruimtelijke ordening zullen hiervoor de ingrediënten moeten vormen.

Artikel 3.3

De aanvraag om een omgevingsvergunning voor het brandveilig gebruiken van een bouwwerk, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder d, van de Wabo, moet vergezeld gaan van één of meer plattegronden per etage, waarop onder meer de aanwezige brandveiligheidsvoorzieningen zijn aangegeven. De locatie van de voorzieningen moet eenduidig worden aangeduid met de van toepassing zijnde symbolen volgens NEN 1414.

Artikel 4.1 tot en met 4.22

Deze artikelen bevatten de indieningsvereisten met betrekking tot het oprichten, het veranderen of het in werking hebben van een vergunningplichtige inrichting of een mijnbouwinrichting. Oorspronkelijk stonden deze vereisten in het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer (Ivb) en in de Mijnbouwregeling. Voor een toelichting op deze vereisten wordt kortheidshalve naar de toelichting bij voornoemd besluit en voornoemde regeling verwezen. Om de oorspronkelijke bron van de artikelen te achterhalen, kan gebruik worden gemaakt van de transponeringstabel. Uit de tabel blijkt dat enkele bepalingen uit het Ivb in de Mor zijn samengevoegd tot één artikel, zonder dat daarbij de inhoud van de indieningsvereisten van de desbetreffende bepalingen is veranderd.

Transponeringstabel

Mor

Onderwerp

Ivb

4.1

Algemene vereisten omtrent een inrichting

5.1 lid 1 sub d – m en lid 2

4.2

Ongewone voorvallen

5.4

4.3

Bodemkwaliteit

5.5

4.4

Indien een ander dan B&W bevoegd gezag is

5.9

4.5

Geluid

5.10

4.6

Bijzondere deskundigheden bij inrichtingen

5.14

4.7

Beheer van afvalstoffen

5.11

4.8

Afvalstoffen op of in de bodem

5.12

4.9

Storten van afvalstoffen

5.13

4.10

Afvalvoorziening

5.13a

4.11

Verbranden van afvalstoffen

5.14b

4.12

Vuurwerk

5.14a

4.13

BRZO

5.15 en 5.15a

4.14

Stookinstallaties

5.15b

4.15

Indirecte lozingen

1

4.16

Externe veiligheid

5.15c

4.17

Algemene vereisten veranderen inrichting

5.16

4.18

Veranderingen in combinatie met BRZO

5.17 en 5.17a

4.19

Externe veiligheid

5.15c en 5.17b

4.20

Revisievergunning

5.18

4.21

Beperkte verandering inrichting

5.19

4.22

Mijnbouwwerken

1.2.2 Mijnbouwregeling

XNoot
1

Artikel 4.15 heeft betrekking op indirecte lozingen vanuit inrichtingen en mijnbouwwerken. De vermelde indieningsvereisten zijn gebaseerd op artikel 7 van het Uitvoeringsbesluit verontreiniging rijkswateren en op enkele aanvraagformulieren van waterschappen.

Met de inwerkingtreding van het Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer (Activiteitenbesluit) is de vergunningplicht voor een groot aantal categorieën inrichtingen vervangen door algemene regels. Op grond van artikel 8.41 van de Wet milieubeheer moeten deze bedrijven veelal een melding doen aan het bevoegd gezag. In veel gevallen is daarbij sprake van samenloop tussen deze melding en de aanvraag om een omgevingsvergunning. Daarom is via de Invoeringswet Wabo een bepaling opgenomen in de Wet milieubeheer (artikel 8.41a), waarin is bepaald dat, wanneer de melding tevens is aan te merken als een activiteit waarvoor een omgevingsvergunning is vereist, deze melding gelijktijdig met de indiening van een aanvraag om een omgevingsvergunning dient te geschieden. Indien dit niet gebeurt, laat het bevoegd gezag de aanvraag om een omgevingsvergunning buiten behandeling, vanzelfsprekend na de aanvrager de gelegenheid te hebben gegeven dit verzuim goed te maken. Tevens is via de Invoeringswet Wabo een bepaling in de Wet milieubeheer opgenomen over de procedure met betrekking tot het stellen van maatwerkvoorschriften e.d. Kortheidshalve moge naar de toelichting van de Invoeringswet verwezen worden.

Artikelen 5.1 tot en met 5.7

Deze artikelen bevatten indieningsvereisten voor aanvragen om vergunning voor activiteiten met betrekking tot een beschermd monument als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder f, van de Wabo. De voorgeschreven indieningsvereisten zijn erop gericht om de invloed van de voorgenomen activiteit op de monumentale waarde van het monument inzichtelijk te maken.

De indieningsvereisten zijn afzonderlijk geregeld voor elke activiteit die in artikel 2.1, eerste lid, onder f, van de Wabo wordt genoemd. Zoals reeds toegelicht in paragraaf 6 van het algemeen deel van de toelichting, is ten aanzien van de activiteit ‘het wijzigen van een beschermd monument’ rekening gehouden met het feit dat deze veelal tevens zal moeten worden aangemerkt als het bouwen van een bouwwerk of het uitvoeren van een werk of van werkzaamheden (dit laatste bijvoorbeeld als het monument een historische tuin, een park, kasteelterrein, vestingwerk, fabrieksterrein of boerenerf betreft), welke activiteiten omgevingsvergunningplichtig zijn op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder a en b, van de Wabo. Met het oog op de samenloop tussen deze activiteiten en de activiteit ‘wijzigen van een beschermd monument’ is voor die situatie in de artikelen 5.4 en 5.5 in een aparte regeling voorzien.

In genoemde paragraaf van het algemeen deel van de toelichting is ook reeds gewezen op het belang van vooroverleg bij een aanvraag om vergunning voor een activiteit met betrekking tot een beschermd monument vanwege de grote verscheidenheid aan werkzaamheden die van invloed kunnen zijn op de monumentale waarde van een monument. Tijdens het vooroverleg kan duidelijkheid worden verkregen over de in dat geval van toepassing zijnde indieningsvereisten. In de artikelen 5.1 tot en met 5.7 zijn de indieningsvereisten aldus geformuleerd, dat direct met elkaar samenhangende indieningsvereisten bij elkaar worden genoemd. Afhankelijk van het beschermde monument en de activiteit waarvoor vergunning wordt gevraagd, wordt door het bevoegd gezag bekeken of bepaalde documenten niet noodzakelijk zijn. Een goed voorbeeld hiervan is de eis dat cultuurhistorische dan wel (bouw)technische rapporten dienen te worden overgelegd. Het bevoegd gezag kan hierover tijdens het vooroverleg duidelijkheid bieden. De indieningsvereisten in de artikelen 5.1 tot en met 5.7 vermelden steeds de eisen ten aanzien van in te dienen foto’s en tekeningen. De mate waarin detailfoto’s en detailtekeningen dienen te worden overgelegd is ook een aspect waarover het bevoegd gezag zich bij het vooroverleg kan uitspreken.

Bij het verstoren van een monument (artikel 5.2) moet, gelet op de totstandkomingsgeschiedenis van de Mw (Kamerstukken II 1986/87, 19 881, nr. 3, p. 18) vooral worden gedacht aan archeologische monumenten (terreinen). Ook andere beschermde monumenten kunnen echter worden verstoord, zoals bij de aanleg van vloerverwarming onder kerkvloeren, waarbij de onderliggende graven verstoord kunnen worden. Hoewel archeologische rijksmonumenten buiten het stelsel van de omgevingsvergunning zijn gelaten, zullen deze indieningsvereisten bij sommige rijksmonumenten dus aan de orde kunnen zijn.

De indieningsvereisten zijn door artikel 7.1 tevens relevant voor de gemeentelijke en provinciale archeologische monumenten en andere dan archeologische monumenten.

Onderdeel e van artikel 5.2 is opgenomen voor het geval dat voor het uitvoeren van een werk of werkzaamheid of de aanleg van een weg geen omgevingsvergunning vereist is op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder b, of artikel 2.2, eerste lid, onder d, van de Wabo, maar de werkzaamheden wel tot verstoring van het monument kunnen leiden.

Bij het verplaatsen van een monument (artikel 5.3) kan worden gedacht aan de verplaatsing van een molen of een standbeeld. Hierbij hoeft niet steeds sprake te zijn van bouwen of slopen, zodat voor deze ingreep een apart artikel in de regeling is opgenomen.

Artikel 5.6 is een verzamelartikel dat betrekking heeft op ‘overige’ wijzigingen van een beschermd monument, alsmede op het herstellen van een beschermd monument op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht. Onder deze restcategorie vallen activiteiten met gevolgen voor een beschermd monument die niet onder een van de in de artikelen 5.1 tot en met 5.5 genoemde activiteiten kunnen worden gevat. In dit verband kan bijvoorbeeld worden gedacht aan onderhoudswerkzaamheden, zoals het in een afwijkende kleur schilderen van een gevel of het hanteren van een ander verfsysteem. Ook gevelreiniging valt hieronder, gelet op de in potentie grote gevolgen van een ondeskundige wijze van reinigen voor de technische staat of het patina van de gevel van het monument.

Bij het gebruiken of laten gebruiken van een beschermd monument op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht (artikel 5.7), kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het aanbrengen van ontsierende gevelreclames, of het gebruiken van een monument op een wijze die in potentie slecht verenigbaar is met een kwetsbaar interieur.

Artikel 5.8

Dit artikel bevat algemene voorschriften met betrekking tot de tekeningen die op grond van de artikelen 5.1 tot en met 5.6 moeten worden overgelegd in het kader van een aanvraag om vergunning voor een activiteit met betrekking tot een beschermd monument als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder f, van de Wabo.

Het eerste en tweede lid bevatten voorschriften over de toe te passen schaal en de aanwezigheid van een noordpijl op kaartmateriaal. Daarbij wordt in het eerste lid, onderdeel b, onder 2°, met ‘ingrijpende wijzigingen’ bijvoorbeeld gedoeld op reconstructie en herbouw.

In het derde lid zijn enkele specifieke eisen gegeven met betrekking tot het aanduiden van monumentale delen van een als bouwwerk aan te merken beschermd monument.

Artikel 5.8 is vergelijkbaar met artikel 2.8, dat algemene voorschriften bevat met betrekking tot de tekeningen die moeten worden overgelegd in het kader van een aanvraag om vergunning voor een bouwactiviteit. Op de verhouding tussen deze twee artikelen ingeval sprake is van een activiteit die zowel een bouwactiviteit als het wijzigen van een beschermd monument betreft, is reeds ingegaan bij de toelichting op artikel 2.8. In dit verband wordt volstaan met een verwijzing hiernaar.

Artikelen 6.1 en 6.2

Artikel 6.1 bevat de indieningsvereisten voor een aanvraag om vergunning voor het slopen van een bouwwerk, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder g, van de Wabo. Het betreft hier de situatie waarin in een bestemmingsplan, beheersverordening of voorbereidingsbesluit is bepaald dat voor het slopen van het desbetreffende bouwwerk een omgevingsvergunning is vereist.

Artikel 6.2 bevat de indieningsvereisten voor een aanvraag om vergunning voor het slopen van een bouwwerk, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder h, van de Wabo. Het betreft hier het slopen van een bouwwerk in een beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 1, onder g, van de Monumentenwet 1988.

De indieningsvereisten in de artikelen 6.1 en 6.2, eerste lid, houden rechtstreeks verband met het beoordelingskader voor de desbetreffende activiteiten in artikel 2.16 van de Wabo. Hierin is bepaald dat de vergunning voor deze activiteiten kan worden geweigerd, indien naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk is dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd. Met ‘kan’ worden gebouwd wordt gedoeld op de situatie waarin het bouwen van een vervangend bouwwerk juridisch mogelijk is. Om dit aannemelijk te maken is in beginsel een omgevingsvergunning die is verleend voor het bouwen van het vervangende bouwwerk voldoende. Om aannemelijk te maken dat er, indien de hiervoor bedoelde omgevingsvergunning (nog) niet is verleend, ‘zal’ worden gebouwd, dient de intentie om het vervangende bouwwerk te bouwen op andere wijze te worden gestaafd, bijvoorbeeld door inzicht te verlenen in vergevorderde bouwplannen. De ratio achter dit beoordelingskader is het voorkomen van braakliggende terreinen in de bebouwing dan wel beschermde historische structuur, alsmede het bewerkstelligen van de indiening van plannen voor de vervangende bebouwing, waarin voldoende rekening wordt gehouden met de ruimtelijke kwaliteit van het beschermde stads- of dorpsgezicht, en welke dan kunnen worden getoetst aan het bestemmingsplan en bijvoorbeeld de welstandsnota. Het bevoegd gezag kan voor de wijze waarop het toepassing geeft aan artikel 2.16 van de Wabo beleid ontwikkelen.

Artikelen 7.1 tot en met 7.7

De artikelen 7.1 tot en met 7.7 bevatten de indieningsvereisten met betrekking tot aanvragen om een omgevingsvergunning voor de activiteiten, die zijn opgesomd in artikel 2.2, eerste lid, van de Wabo. Het gaat over activiteiten die krachtens een provinciale of gemeentelijke verordening als vergunningplichtig zijn aangemerkt. Deze vergunningstelsels integreren in de omgevingsvergunning. De indieningsvereisten zijn overgenomen van bestaande formulieren bij provincies en gemeenten.

Artikel 7.1 heeft betrekking op activiteiten met betrekking tot een provinciaal of gemeentelijk monument, het slopen van een bouwwerk in een beschermd stads- of dorpsgezicht dat krachtens een provinciale of gemeentelijke verordening is aangewezen en op het aanleggen van een weg (artikel 2.2, eerste lid, onder b, c en d, van de Wabo).

Artikel 7.1 verklaart met betrekking tot deze activiteiten de bepalingen inzake de indieningsvereisten voor daarmee vergelijkbare activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, van de Wabo van overeenkomstige toepassing.

Artikel 7.2 heeft betrekking op de indieningsvereisten voor een aanvraag om vergunning voor het slopen van een bouwwerk, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder a, van de Wabo. In dat verband wordt gedoeld op het verbod om zonder vergunning een bouwwerk te slopen dat veelal is opgenomen in de gemeentelijke bouwverordening.

Indien sprake is van een vergunningplicht voor het hebben van een alarminstallatie die voor de omgeving een opvallend licht of geluid kan produceren (artikel 7.4), kan van de aanvrager informatie worden gevraagd over de mate waarin de installatie een akoestisch of optisch signaal afgeeft, en of dit signaal binnen of buiten de onroerende zaak waaraan het alarm is bevestigd waarneembaar is. Daarnaast is het gebruikelijk om de gegevens van maximaal twee personen te vermelden, waarmee contact gezocht kan worden in geval van een actief alarmsignaal.

Het gaat bij het vellen van een houtopstand (artikel 7.5) om de activiteit waarvoor op dit moment een kapvergunning op grond van de (autonome) gemeentelijke verordening is vereist. Deze bepaling heeft geen betrekking op het kennisgevingstelsel op grond van de Boswet. Dit stelsel is van toepassing op het vellen van een houtopstand buiten de bebouwde kom, zoals die op grond van artikel 1, vijfde lid, van de Boswet is vastgesteld. Het kennisgevingstelsel van de Boswet valt niet onder de reikwijdte van de Wabo. Het kan derhalve voorkomen dat iemand die een houtopstand wil vellen, een omgevingsvergunning moet aanvragen alsmede een kennisgeving aan de minister van LNV moet doen.

Artikelen 7.8 en 7.9

In deze artikelen zijn de indieningsvereisten opgenomen voor activiteiten met betrekking tot gesloten stortplaatsen en in gebieden waarin het grondwater wordt beschermd met het oog op de waterwinning. Het gaat hierbij om het (verplicht) aanhaken van ontheffingen van bij provinciale milieuverordening gestelde regels bij de omgevingsvergunning. Indien een aanvraag voor een omgevingsvergunning betrekking heeft op een activiteit waarvoor tevens op grond van de provinciale milieuverordening een ontheffing is vereist, moet de aanvraag om toestemming voor die activiteit onderdeel uitmaken van de aanvraag om een omgevingsvergunning. Dit is verder uitgewerkt in enkele artikelen die via de Invoeringswet Wabo in de Wet milieubeheer zijn aangebracht.

Artikel 8.1

Dit artikel bevat een opsomming van de gegevens die een aanvrager moet aanleveren indien zijn vergunningaanvraag betrekking heeft op projecten die schadelijke gevolgen kunnen hebben voor een beschermd natuurmonument of een Natura 2000-gebied. Voor meer informatie wordt verwezen naar de Algemene handreiking Natuurbeschermingswet 1998 en de gewijzigde Checklist Natuurbeschermingswet 1998, te vinden via www.minlnv.nl/natura2000 en www.natura2000.nl.

Artikel 8.2

Dit artikel bevat een opsomming van de gegevens die een aanvrager moet aanleveren indien zijn vergunningaanvraag betrekking heeft op activiteiten die schadelijke gevolgen kunnen hebben voor beschermde soorten.

De aanvrager moet onder andere het doel en belang van de activiteiten omschrijven. Deze belangen staan beschreven in het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten. Om een aanvraag voor een omgevingsvergunning waarbij soortenbeschermingsaspecten spelen goed te kunnen beoordelen, moet de aanvrager een activiteitenplan indienen. Daarin wordt onder andere aangegeven hoe de activiteiten uitgevoerd zullen worden, bijvoorbeeld door de omschrijving van het type materieel en het instrumentarium dat de aanvrager gaat gebruiken. Ook moet de aanvrager een planning van de activiteiten aangeven. De periode waarin werkzaamheden uitgevoerd zullen worden, kan namelijk bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of bepaalde verboden uit de Flora- en faunawet zouden kunnen worden overtreden. De verantwoording van de effecten van de activiteiten op beschermde soorten moet ook beschreven worden. Zo moet het onderzoek actueel zijn en wetenschappelijk verantwoord.

Er gelden aanvullende eisen als de activiteiten gevolgen hebben voor vogels, soorten van bijlage IV van de Habitatrichtlijn of soorten genoemd in bijlage I bij het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten. Deze aanvullende eisen staan beschreven in het vierde lid.

Voor meer informatie wordt verwezen naar informatie over de Flora- en faunawet, te vinden via www.minlnv.nl/soortenbescherming en www.hetlnvloket.nl (onderwerp vergunningen en ontheffingen, Flora- en faunawet).

Artikel 9.1

In dit artikel wordt geregeld dat het bevoegd gezag bepaalde gegevens moet toezenden aan het inspectoraat-generaal VROM. Dit artikel is gebaseerd op artikel 5.11, derde lid, van de wet en is inhoudelijk overgenomen uit de Regeling gegevensverstrekking Wet milieubeheer aan het Inspectoraat-Generaal VROM van 3 oktober 2005 (Stcrt. 2005, nr. 196). Op basis van dit artikel moet de inspecteur het bevoegd gezag schriftelijk op de hoogte stellen ten aanzien van welke inrichtingen of categorieën inrichtingen hij gegevens wil ontvangen. Daarbij geeft hij aan tot wanneer de gegevens verstrekt moeten worden. Vanaf dat moment verstrekt het bevoegd gezag de gegevens die in het tweede lid zijn opgesomd, zodra het zelf over deze gegevens beschikt.

Artikel 9.2

De in bijlage 1 van deze regeling opgenomen tabellen 1 en 2 zijn overgenomen van de Regeling aanwijzing BBT-documenten (Stcrt. 2005, nr.  231). De tabellen zijn een aantal maal gewijzigd. Tabel 1 is voor het laatst op 13 mei 2009 aangepast (Stcrt. 2009, nr. 95), tabel 2 op 10 december 2008 (Stcrt. 2008, nr. 247). In het onderstaande zijn stukken van de toelichting bij de oorspronkelijke regeling en de wijziging van 14 maart 2007 (Stcrt. 2007, nr. 70) overgenomen.

De tabellen 1 en 2 bevatten een overzicht van documenten waarmee het bevoegd gezag rekening dient te houden bij de vergunningverlening. In tabel 1 van de bijlage is aangegeven voor welke gpbv/IPPC-installaties welke referentiedocumenten voor beste beschikbare technieken (ofwel BREF’s) moeten worden geraadpleegd. In deze tabel zijn alleen de BREF’s opgenomen die zijn vastgesteld door de Europese Commissie. Tabel 1 zal worden aangepast naar aanleiding van BREF’s die nieuw zijn vastgesteld of herzien.

Nadat een BREF is gepubliceerd, wordt deze in Nederland vergeleken met het vigerende Nederlandse beleid en worden mogelijke onduidelijkheden geïdentificeerd. Het resultaat van deze screening wordt besproken met het bedrijfsleven en vergunningverlenende overheden. Bij elke BREF wordt vervolgens een oplegnotitie gemaakt waarin de conclusies van een dergelijk overleg worden vastgelegd. Deze oplegnotitie is met name bedoeld om de vergunningverlener ondersteuning te bieden bij de toepassing van de BREF. De oplegnotities zijn opgenomen in tabel 2 en worden ook als apart hoofdstuk opgenomen in de Nederlandse Emissierichtlijn (NeR) die eveneens is opgenomen in tabel 2.

Op grond van de onderhavige regeling dienen vergunningverleners de BREF’s alleen te gebruiken bij inrichtingen met één of meerdere IPPC-installaties. De verplichting om bij inrichtingen met IPPC-installaties de BREF’s te raadplegen vloeit voort uit de IPPC-richtlijn.

Voor andere vergunningplichtige inrichtingen zal steeds per BREF worden bepaald of en in hoeverre bij het bepalen van BBT met deze documenten rekening moet worden gehouden. De volgende criteria zullen worden gehanteerd om BREF’s van toepassing te verklaren op inrichtingen met niet-IPPC-installaties3:

  • om een level playing field te waarborgen binnen een sector worden in die sector bedrijven van vergelijkbare omvang of milieuproblematiek gelijk behandeld, ongeacht of deze wel of niet onder de desbetreffende categorie uit bijlage I van de IPPC-richtlijn vallen;

  • de BREF geeft een bruikbare en acceptabele invulling van BBT, dan wel een bruikbare en acceptabele verdere uitwerking van een reeds in Nederland gangbare invulling van BBT, zoals bijvoorbeeld verwoord in de algemene eisen van de NeR;

  • toetsing aan de BREF levert in vergelijking tot de huidige situatie, waarin eveneens (nationale) richtlijnen en circulaires gehanteerd moeten worden, geen extra administratieve en bestuurlijke lasten op.

De hierboven beschreven afweging per BREF wordt samen met vertegenwoordigers van het bedrijfsleven gemaakt en de uitkomsten daarvan worden in voornoemde oplegnotities opgenomen. Zolang dit nog niet is gebeurd, is het gebruik van BREF’s bij niet-IPPC-installaties niet verplicht, maar wel toegestaan. Hierbij kan echter niet volstaan worden met een verwijzing naar de BREF, maar moet een motivering gegeven worden waarom de betreffende emissiegrenswaarde voor die inrichting overeenkomt met de best beschikbare technieken.

Tabel 2 van de bijlage bevat een lijst van thans algemeen in Nederland toegepaste richtlijnen die kunnen worden aangemerkt als een adequate en actuele invulling van BBT en die ingevolge de onderhavige regeling door vergunningverleners bij het bepalen van BBT zullen moeten worden toegepast. Sommige documenten, zoals de NeR, gelden voor alle inrichtingen. Andere, zoals de PGS-richtlijnen, gelden slechts voor een bepaalde categorie inrichtingen en activiteiten. Dit volgt dan uit het betreffende document. Voor inrichtingen met IPPC-installaties zullen deze documenten moeten worden toegepast in aanvulling op of als nadere uitwerking van de voor die inrichtingen van toepassing zijnde BREF’s.

Artikel 10.1

Eerste lid

Dit artikel bevat specifieke begripsomschrijvingen met betrekking tot de kwaliteitseisen voor het toezicht en de handhaving. ‘Bestuursorgaan’ in de zin van de onderhavige paragraaf van hoofdstuk 10 van de regeling, zijn de bestuursorganen die bevoegd zijn tot de bestuursrechtelijke handhaving van het bij of krachtens de betrokken wetten bepaalde. Wie dat zijn, is bepaald in de betrokken wetten. Voor de handhaving van het stelsel van de omgevingsvergunning is dat het gezag dat bevoegd is een omgevingsvergunning te verlenen.

De definitie van ‘betrokken wetten’ is bepalend voor het toepassingbereik van hoofdstuk 7 van het Besluit omgevingsrecht en hoofdstuk 10 van deze regeling. In deze definitie is reeds rekening gehouden met de in voorbereiding zijnde invoeringswet waarin wordt bepaald dat onder meer de artikelen 5.3 tot en met 5.9 van de Wabo van overeenkomstige toepassing worden verklaard met betrekking tot de handhaving van het bepaalde bij of krachtens de EG-verordening overbrenging van afvalstoffen en de EG-verordening registratie, evaluatie en autorisatie van chemische stoffen (REACH) en de EG-verordening PRTR.

Tweede lid

Onder ‘handhaving’ wordt in deze paragraaf, behoudens voor zover uitdrukkelijk over strafrechtelijke handhaving wordt gesproken, de bestuursrechtelijke handhaving verstaan. Dat wil zeggen de uitoefening van het toezicht op de naleving van het bij of krachtens de betrokken wetten bepaalde en het opleggen en uitvoeren van bestuurlijke sancties, zoals het opleggen van een last onder dwangsom, het toepassen van bestuursdwang, het bij wijze van sanctie geheel of gedeeltelijk intrekken van een vergunning of ontheffing en het opleggen van een bestuurlijke boete. De voorgeschreven kwaliteitscriteria zijn niet van toepassing op de privaatrechtelijke en strafrechtelijke handhaving.

Artikel 10.2

Dit artikel regelt de reikwijdte van de onderhavige kwaliteitseisen. Deze hebben betrekking op het proces van handhaving van de Wabo bij inrichtingen en van de milieuregelgeving (bij inrichtingen maar ook in andere situaties). In onderzoek is vastgesteld dat het niet nodig is om deze kwaliteitseisen op het handhavingsproces op de andere beleidsterrein van toepassing te laten zijn.4 Deze regels zijn, ondanks de vergaande uitwerking, in de milieuhandhavingspraktijk echter effectief en kunnen niet gemist worden blijkens de evaluatie van het Besluit kwaliteitseisen handhaving milieubeheer.5

Artikel 10.3

Eerste, tweede en derde lid

In artikel 7.2 van het Bor zijn de kwaliteitseisen opgenomen waaraan een professioneel handhavingsproces op beleids- of strategisch niveau moet voldoen: er moet sprake zijn van door het bestuursorgaan schriftelijk vastgelegde handhavingsdoelstellingen. Deze moeten gebaseerd zijn op een probleemanalyse. Voor het proces van de milieuhandhaving betekent dit dat het bestuursorgaan in kaart moet brengen voor de bestuursrechtelijke handhaving van welke milieuregelgeving het zorg draagt, welke milieuproblemen met die regelgeving worden aangepakt, wat de kans op overtreding van die regelgeving is en wat de milieueffecten van die overtredingen zijn. Het gaat hierbij niet alleen om de (niet-)naleving van de Wabo en de milieuregelgeving door degenen die inrichtingen drijven, maar ook om de kans op en effecten van milieuovertredingen buiten inrichtingen. Het bestuursorgaan geeft ingevolge het tweede lid van artikel 10.3 in een nalevingsstrategie per beleidsveld aan met welke instrumenten het naleving wil bereiken en wat het doel is van het inzetten van handhaving hierbij.

Het bestuursorgaan dient voorts te beschikken over een strategie met betrekking tot de wijze waarop namens dat orgaan het toezicht op de naleving wordt uitgeoefend (artikel 7.2, vierde lid, onder a, van het Bor). In het derde lid van artikel 10.3 wordt dit verder uitgewerkt. Het gaat om zaken zoals de voorbereiding en het afleggen van periodieke of incidentele controlebezoeken ter plaatse, de controlefrequenties voor het uitvoeren van routinematige bezoeken, het afleggen van incidentele bezoeken naar aanleiding van klachten, meldingen, ongevallen of incidenten, de controle van administratieve bescheiden, de controle en verificatie van de controlemaatregelen die door of in opdracht van inrichtinghouders zelf worden uitgevoerd en het toezicht op het bereiken van emissienormen. Bovendien moet ingevolge artikel 10.3, tweede lid, onder b, inzicht worden verschaft over de voorlichting aan bedrijven en instellingen over de voor deze geldende milieuvoorschriften.

Vierde lid

Het bestuursrechtelijke optreden moet ingevolge artikel 7.2, vijfde lid, van het Bor worden afgestemd met de andere betrokken bestuursorganen. Ingevolge het vierde lid van artikel 10.3 geldt dit in ieder geval met betrekking tot situaties waarin er sprake is van meer dan één tot bestuursrechtelijke handhaving bevoegd gezag of van meerdere bestuursorganen die na elkaar – in een keten – bevoegd zijn, bijvoorbeeld met betrekking tot handelingen met afvalstoffen. In het vierde lid is aangegeven welke situaties dat zijn. Maar ook voor andere situaties kan afstemming wenselijk zijn, zoals met betrekking tot de werkzaamheden van de bij het bestuursorgaan werkzame bijzondere opsporingsambtenaren. De bedoelde afspraken over de samenwerking en afstemming kunnen onder meer worden gevonden in de over de milieuwethandhaving gesloten bestuursovereenkomsten.

Artikel 10.4

Dit artikel schrijft voor dat het uitvoeringsprogramma moet worden uitgewerkt in een werkplan voor de (bij de handhaving bij inrichtingen en de handhaving van de milieuregelgeving) betrokken handhavingsorganisatie. Daarnaast vindt bij voorkeur ook een uitwerking plaats in werkplannen voor de individuele medewerkers van die organisatie, maar dit is niet wettelijk voorgeschreven.

Artikel 10.5

In artikel 10.5 gaat het er om dat de met handhaving belaste medewerkers voldoende deskundig zijn en dat eventueel ontbrekende capaciteit of deskundigheid wordt ingehuurd of wordt gecompenseerd door uitbesteding van handhavingstaken aan een ander bestuursorgaan of een particuliere organisatie. Opleidingsplannen moeten er voor zorgen dat tekortschietende deskundigheid bij het personeel adequaat wordt aangevuld.

Artikel 10.6

Onder ‘bestuurlijke sancties’ in onderdeel c worden bijvoorbeeld verstaan: beschikkingen houdende het opleggen van een last onder dwangsom, het toepassen van bestuursdwang, het bij wijze van sanctie geheel of gedeeltelijk intrekken van een vergunning of ontheffing en het opleggen van een bestuurlijke boete.

Artikel 11.1

De onderhavige regeling treedt op hetzelfde tijdstip in werking als het Bor.

De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

J.C. Huizinga-Heringa.


XNoot
1

Zie de brief aan de Kamer d.d. 20 november 2009 (Kamerstukken II 2009/10, 31 953, nr. 27).

XNoot
2

De Nieuwe Regeling, Rechtsverhouding opdrachtgever–architect, ingenieur en adviseur, wordt algemeen toegepast tussen opdrachtgever en adviseurs bij bouwprojecten.

XNoot
3

Zie ook toelichting bij het besluit van 8 oktober 2005, houdende wijziging van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit (implementatie IPPC-richtlijn en EG-inspraakrichtlijn) (Stb. 2005, 527, p. 8).

XNoot
4

Nut en noodzaak van kwaliteitseisen voor handhaving in het rode spoor, STEM publicatie 2007/3.

XNoot
5

Evaluatie Wet handhavingsstructuur en Besluit kwaliteitseisen handhaving milieubeheer, STEM publicatie 2007/2.