Wijziging van enkele fiscale uitvoeringsregelingen

10 maart 2010

Nr. DV 2010/76

Directoraat-Generaal voor Fiscale Zaken, Directie Directe Belastingen, Directie Douane en Verbruiksbelastingen

De Minister van Financiën,

Handelende wat artikel 3.13, eerste lid, onderdeel i, van de Wet inkomstenbelasting 2001 betreft, in overeenstemming met de Minister van Verkeer en Waterstaat;

Handelende wat artikel 3.34 van de Wet inkomstenbelasting 2001 betreft, in overeenstemming met de Minister van Economische Zaken;

Gelet op de artikelen 3.13, eerste lid, onderdeel i, 3.34, 3.38, 3.55, tweede en vijfde lid, 3.56, tweede lid, 3.57, tweede lid, 3.87, 4.17a, 4.41, tweede en derde lid, en 6.27, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001, de artikelen 14, derde lid, en 14a, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001, artikel 15a, derde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964, de artikelen 5 en 14, eerste lid, onderdeel h, en negende lid, van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen, artikel 10 van de Wet op de dividendbelasting 1965, de artikelen 2, derde lid, onderdeel b, 3, tweede lid, en 47b, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de artikelen 2, eerste lid, onderdeel i, en 5, tweede lid, van de Invorderingswet 1990, de artikelen 31, zevende lid, en 37d Wet op de omzetbelasting 1968, artikel 10, tweede lid, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992, de artikelen 63, zevende lid, en 71, tweede lid, van de Wet belastingen op milieugrondslag en de artikelen 2:1 en 6:3 van de Algemene douanewet;

Besluit:

ARTIKEL I

De Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 6a wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel e wordt ‘, en’ vervangen door een puntkomma.

2. Na onderdeel f wordt onder vervanging van de punt aan het slot door een puntkomma een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • g. Mobiliteitsproject Beloningsmaatregel A2 Utrecht Bereikbaar als bedoeld in het Uitvoeringsconvenant Mobiliteitsproject Beloningsmaatregel A2 Utrecht Bereikbaar (Stcrt. 2010, 1447).

B

Artikel 26b wordt als volgt gewijzigd:

1. In het derde lid wordt in de laatste volzin ‘artikel 14a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969’ vervangen door: artikel 14 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.

2. In het vierde lid wordt ‘artikel 4.17a, derde de lid of vijfde lid’ vervangen door: artikel 4.17a, derde of vijfde lid.

C

Artikel 40a komt te luiden:

Artikel 40a Scholingsuitgaven; afgifte EVC-verklaringen

De verklaring, bedoeld in artikel 6.27, tweede lid, van de wet, wordt afgegeven door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

ARTIKEL II

Het ingevolge de regeling van de Staatssecretaris van Financiën van 17 december 2009, nr. DB 2009-735M, tot wijziging van enige fiscale uitvoeringsregelingen (Stcrt. 20549) met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2009 ingevoerde artikel 11 van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 vervalt voor het kalenderjaar 2009.

ARTIKEL III

In de van 1 januari 2009 tot en met 31 december 2009 geldende tekst van artikel 16, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 wordt ‘elfde lid’ vervangen door: negende lid.

ARTIKEL IV

In de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 komt artikel 28 te luiden:

Artikel 28 Afgifte EVC-verklaringen

De verklaring, bedoeld in artikel 15a, derde lid, van de wet, wordt afgegeven door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

ARTIKEL V

De Uitvoeringsregeling afdrachtvermindering wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 3 wordt ‘artikel 5, zesde lid’ vervangen door: artikel 5, zevende lid.

B

Artikel 12bb komt te luiden:

Artikel 12bb

De verklaring, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdeel h, van de wet, wordt afgegeven door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

C.

In artikel 12cc, eerste lid, wordt ‘artikel 7.52’ vervangen door: artikel 6.13.

ARTIKEL VI

Met ingang van 1 januari 2011 wordt de Uitvoeringsregeling afdrachtvermindering als volgt gewijzigd:

A

In artikel 3 wordt ‘artikel 5, zevende lid’ vervangen door: artikel 5, zesde lid.

B

Artikel 12cc vervalt.

ARTIKEL VII

In de Uitvoeringsregeling willekeurige afschrijving 2001 wordt na artikel 12 een paragraaf ingevoegd, luidende:

Paragraaf 3 Investeringen in het belang van de bevordering van de economische ontwikkeling

Artikel 13
  • 1. Als andere aangewezen bedrijfsmiddelen als bedoeld in artikel 3.34, tweede lid, van de wet, worden voorts aangewezen: bedrijfsmiddelen die niet eerder in gebruik zijn genomen, voor zover de belastingplichtige ter zake van de aanschaffing verplichtingen is aangegaan of ter zake van de voortbrenging voortbrengingskosten heeft gemaakt in het kalenderjaar 2009 of 2010, en het bedrijfsmiddel vóór 1 januari 2012, onderscheidenlijk vóór 1 januari 2013, door hem in gebruik wordt genomen. Met betrekking tot een schip waarvoor verplichtingen zijn aangegaan of voortbrengingskosten zijn gemaakt in het kalenderjaar 2010, is de eerste volzin slechts van toepassing indien de winst met betrekking tot dit schip ten minste tot 1 januari 2020 niet wordt bepaald met toepassing van artikel 3.22 van de wet. De inspecteur kan voor situaties van een zakelijke vervreemding ontheffing van de toepassing van de tweede volzin verlenen.

  • 2. Tot de bedrijfsmiddelen, bedoeld in het eerste lid, behoren niet:

    • a. gebouwen;

    • b. woonschepen;

    • c. bromfietsen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, van de Wegenverkeerswet 1994;

    • d. motorrijwielen als bedoeld in artikel 4, eerste en tweede lid, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992;

    • e. personenauto’s als bedoeld in artikel 3 van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992, die niet zijn bestemd voor het beroepsvervoer over de weg, en met uitzondering van zeer zuinige personenauto’s als bedoeld in het vierde lid;

    • f. immateriële activa;

    • g. dieren;

    • h. voor het openbaar rij- of ander verkeer openstaande wegen en paden, daaronder begrepen de in die wegen en paden liggende bruggen, viaducten, duikers en tunnels;

    • i. bedrijfsmiddelen die zijn bestemd om – direct of indirect – hoofdzakelijk ter beschikking te worden gesteld aan derden, uitgezonderd bedrijfsmiddelen die zijn bestemd om voor korte duur te worden verhuurd aan opeenvolgende huurders;

    • j. bedrijfsmiddelen waarop uit anderen hoofde willekeurig wordt afgeschreven.

  • 3. De in het eerste lid genoemde datum van 1 januari 2012, onderscheidenlijk 1 januari 2013, waarvoor de ingebruikneming van het bedrijfsmiddel dient plaats te vinden, wordt verschoven, indien de belastingplichtige aannemelijk maakt dat de ingebruikneming door bijzondere omstandigheden is vertraagd. De verschuiving bedraagt zoveel dagen als door die omstandigheden wordt gerechtvaardigd.

  • 4. Voor de toepassing van het tweede lid, onderdeel e, wordt onder een zeer zuinige personenauto verstaan een personenauto met een CO2-uitstoot als bedoeld in artikel 3.20, zesde lid, van de wet van niet meer dan:

    • a. 95 gram per kilometer bij een auto die wordt aangedreven door een motor met een compressieontsteking, en

    • b. 110 gram per kilometer bij een auto die niet wordt aangedreven door een motor met compressieontsteking.

Artikel 14

De willekeurige afschrijving op bedrijfsmiddelen, bedoeld in artikel 13, kan alleen plaatsvinden bij de bepaling van de winst over het jaar waarin de verplichting is aangegaan of de voortbrengingskosten zijn gemaakt en bij de bepaling van de winst over het onmiddellijk daaropvolgende jaar, en bedraagt per jaar ten hoogste 50% van de af te schrijven aanschaffings- of voortbrengingskosten.

Artikel 15
  • 1. Voor de toepassing van artikel 3.38 van de wet, eindigt de periode waarbinnen het bedrijfsmiddel in gebruik genomen moet zijn op 31 december 2011, onderscheidenlijk op 31 december 2012. Ingeval met betrekking tot het bedrijfsmiddel artikel 13, derde lid, toepassing vindt, wordt die periode verlengd met het aantal dagen van de aldaar bedoelde verschuiving.

  • 2. Ingeval met betrekking tot een in artikel 13, eerste lid, tweede volzin, bedoeld schip vanaf enig moment vóór 1 januari 2020 de winst wordt bepaald met toepassing van artikel 3.22 van de wet, vindt artikel 3.38 van de wet toepassing voordat artikel 3.23, tweede lid, van de wet toepassing vindt.

ARTIKEL VIII

In artikel 1a van de Uitvoeringsbeschikking dividendbelasting 1965 wordt ‘10, derde lid’ vervangen door: 10, tweede lid.

ARTIKEL IX

De Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1 komt te luiden:

Artikel 1

Deze regeling geeft uitvoering aan de artikelen 6, 8, 13, 14, 19, 21d, 21k, 30f, vierde lid, 38, tweede lid, 39, 47b, tweede lid, 52, vierde lid, 52a, 53, tweede lid, 62 en 67, tweede lid, onderdeel b, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, artikel 67, tweede lid, onderdeel b, van de Invorderingswet 1990, artikel 10, tweede lid, onderdeel b, van de Registratiewet 1970, de artikelen 18 en 54 van de Wet op belastingen van rechtsverkeer en artikel 10 van de Wet op de dividendbelasting 1965.

B

In artikel 2, derde lid, wordt ‘het recht van schenking’ vervangen door: de schenkbelasting.

ARTIKEL X

De Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 14 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt ‘de schenk- en de erfbelasting’ vervangen door: de erf- en de schenkbelasting.

2. Het tweede lid komt te luiden:

  • 2. Met betrekking tot de heffing en invordering van de erfbelasting ressorteert de natuurlijk persoon of het lichaam, indien de erflater ten tijde van zijn overlijden geen woonplaats binnen Nederland had, onder de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst/Limburg.

B

In artikel 20 komt de aanhef te luiden: De volgende instellingen of personen die op grond van internationaal recht geheel of gedeeltelijk zijn vrijgesteld van belasting, ressorteren onder de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst/Haaglanden:.

ARTIKEL XI

De Uitvoeringbeschikking omzetbelasting 1968 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 8, eerste lid, wordt ‘31’ vervangen door: 37d.

B

Artikel 30a komt te luiden:

Artikel 30a

Een ondernemer die buiten de Gemeenschap woont of is gevestigd en geen vaste inrichting in Nederland heeft, dient indien de inspecteur zulks vraagt, bij een verzoek om teruggaaf als bedoeld in artikel 31, tweede lid, van de wet aan te tonen dat hij ondernemer is in de zin van artikel 7 van de wet.

C

Bijlage E vervalt.

ARTIKEL XII

De Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1, eerste lid, wordt ‘10, zesde en achtste lid’ vervangen door: 10, tweede, zesde en achtste lid.

B

Artikel 8 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste tot en met zevende lid worden vernummerd tot tweede tot en met achtste lid.

2. Voor het tweede lid (nieuw) wordt een lid ingevoegd, luidende:

  • 1. De inkoopwaarde in Nederland, bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de wet, kan worden vastgesteld door de som van de catalogusprijs, bedoeld in artikel 9, vierde lid, van de wet, en de belasting op het tijdstip waarop het motorrijtuig voor het eerst in gebruik is genomen te verminderen met € 500 en vervolgens te vermenigvuldigen met 0,88.

3. In het achtste lid (nieuw) wordt ‘het eerste lid en het tweede lid’ vervangen door ‘het tweede lid en het derde lid’. Voorts wordt ‘het vijfde lid’ vervangen door: het zesde lid.

ARTIKEL XIII

De Uitvoeringsregeling belastingen op milieugrondslag wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1 komt te luiden:

Artikel 1

  • 1. Deze regeling geeft uitvoering aan de artikelen 6, vierde lid, 11, vierde lid, 14, vierde lid, 20, vierde lid, 21, tweede lid, 25, tweede lid, 28, tweede lid, onderdeel d, 38, tweede lid, onderdeel b, 39, tweede lid, 44, vijfde lid, 45, vierde lid, 47, tweede en vierde lid, 50, zesde lid, 54, zesde lid, 59, zevende lid, 60, vierde lid, 63, zevende lid, 64, zesde lid, 67, vierde lid, 68, vierde lid, 69, achtste lid, 70, vijfde lid, 71, tweede en derde lid, 80, onderdeel a, onder 4°, 86, tweede lid, en 92, tweede lid, van de Wet belastingen op milieugrondslag en de artikelen 18, vijfde lid, 19, tweede lid, onderdeel c, 27, derde lid, en 28i, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit belastingen op milieugrondslag.

  • 2. Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder:

    a. de wet:

    de Wet belastingen op milieugrondslag;

    b. het besluit:

    het Uitvoeringsbesluit belastingen op milieugrondslag;

    c. een afvalverwerkingsinrichting:

    een inrichting als bedoeld in artikel 22, eerste lid, onderdeel c, van de wet;

    d. een krat:

    een verpakking met zes vlakken waarvan minimaal een vlak open is, zodat er zonder aanpassing van de verpakking een product kan worden in- of uitgepakt;

    e. een doos:

    een gesloten verpakking met zes vlakken, waaruit alleen met aanpassing van de verpakking een product kan worden in- of uitgepakt.

B

In artikel 21, eerste lid, wordt ‘artikel 63, derde lid’ vervangen door: artikel 63, vierde lid.

C

In artikel 28, eerste lid, aanhef, wordt ‘artikel 53, derde lid’ vervangen door: artikel 53, eerste lid.

ARTIKEL XIV

De Algemene douaneregeling wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 7:4, vierde lid, komt te luiden:

  • 4. Als instellingen als bedoeld in artikel 53, tweede lid, onderdeel b, van Verordening 1186/2009 worden aangewezen de instellingen, genoemd in bijlage XIII.

B

Artikel 7:25 komt te luiden:

Artikel 7:25

Op de omzetbelasting is artikel 104 van Verordening 1186/2009 van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat geen vrijstelling wordt verleend voor belastingzegels als bedoeld in artikel 104, onderdeel q, van Verordening 1186/2009.

ARTIKEL XV

Artikel 15 van de Uitvoeringsregeling accijns komt te luiden:

Artikel 15

  • 1. Het alcoholgehalte van wijn, tussenproducten en overige alcoholhoudende producten wordt bepaald volgens de in bijlage A.1 bij deze regeling omschreven methode.

  • 2. Indien wijn, tussenproducten en overige alcoholhoudende producten zijn verpakt in kleinhandelsverpakking, wordt het alcoholgehalte in aanmerking genomen dat op de verpakking is vermeld, mits de wijze waarop dat is vastgesteld en de aanduiding ervan voldoen aan de voorwaarden gesteld bij het Warenwetbesluit Etikettering van levensmiddelen.

ARTIKEL XVI

De regeling van de Staatssecretaris van Financiën van 17 december 2009, nr. DB 2009-735M, tot wijziging van enige fiscale uitvoeringsregelingen (Stcrt. 20549) wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel II vervalt.

B

In artikel VII, onderdeel A, wordt ‘30f, vierde lid, 39, 47, tweede lid’ vervangen door: 30f, vierde lid, 39, 47b, tweede lid.

C

Artikel VIII wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel N, onder 2, wordt ‘het recht van schenking’ vervangen door: het recht van successie.

2. In onderdeel Q, onder 1, wordt ‘wordt ‘instelling’ vervangen’ vervangen door: wordt ‘instellingen’ vervangen.

D

Artikel XVI wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel L, onder 4, wordt ‘tweede gedachtestreepje van Verordening 918/83’ vervangen door: tweede gedachtestreepje, van Verordening 918/83.

2. Onderdeel W komt te luiden:

  • W. In artikel 7:25 wordt ‘artikel 109 van Verordening 918/83’ vervangen door ‘artikel 104 van Verordening 1186/2009’. Voorts wordt ‘artikel 109, onderdeel q, van de Verordening 918/83’ vervangen door: artikel 104, onderdeel q, van Verordening 1186/2009.

E

Artikel XVII wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel D, onder 1, vervallen ‘en tweede lid’ en ‘ telkens’.

2. Onderdeel D, onder 2, komt te luiden:

  • 2. In het tweede lid vervalt ‘alsmede bij de Verordening Akk Etikettering wijn 1986’.

ARTIKEL XVII

  • 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst, met dien verstande dat:

    • a. de artikelen II en III terugwerken tot en met 1 januari 2009;

    • b. de artikelen I, onderdelen B en C, IV, V, VII, VIII, IX, X, XIII, XIV, XV en XVI terugwerken tot en met 1 januari 2010;

    • c. artikel I, onderdeel A, terugwerkt tot en met 1 maart 2010.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Financiën,

J.C. de Jager.

TOELICHTING

Algemeen

In de onderhavige regeling is het herstel van een aantal omissies opgenomen die samenhangen met de regeling van de Staatssecretaris van Financiën van 17 december 2009, nr. DB 2009-735M, tot wijziging van enige fiscale uitvoeringsregelingen (Stcrt. 20549). De wijzigingen zijn van louter redactionele aard en beogen – naast de correctie van de wijzigingsopdrachten – de bij de regeling van 17 december 2009 bedoelde gevolgen alsnog door te voeren. Terugwerkende kracht is wenselijk teneinde ieder mogelijk misverstand omtrent de situatie met ingang van 1 januari 2010 weg te nemen.

Daarnaast wordt in de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 een methode aangereikt om de inkoopwaarde in Nederland op het moment van eerste ingebruikname te berekenen. Voorheen was de afschrijving het procentuele verschil tussen de consumentenprijs (de catalogusprijs vermeerderd met de BPM zelf) en de verkoopwaarde op het moment van betrekken in de heffing. Ingevolge twee arresten van de Hoge Raad1 is echter de inkoopwaarde het uitgangspunt bij de berekening van de afschrijving op een nieuw in de heffing betrokken gebruikt voertuig.

Voorts is een mobiliteitsproject aangewezen dat in aanmerking komt voor een vrijstelling in de inkomstenbelasting.

Verder is van de gelegenheid gebruik gemaakt enkele technische verbeteringen aan te brengen.

Er zijn geen administratieve lasten of uitvoeringskosten aan deze wijzigingsregeling verbonden.

De voorziene termijn van twee maanden tussen publicatiedatum en inwerkingtreding ingevolge het systeem van vaste verandermomenten wordt niet in acht genomen nu het hier reparatieregelgeving betreft.

Artikelsgewijs

Artikel I, onderdeel A (artikel 6a van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001)

In artikel 6a van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 zijn de mobiliteitsprojecten opgenomen die in aanmerking komen voor de vrijstelling van artikel 3.13, eerste lid, onderdeel i, van de Wet inkomstenbelasting 2001. Ter zake van de genoemde projecten zijn er uitvoeringsconvenanten gesloten tussen het ministerie van Verkeer en Waterstaat en de betreffende regio’s. De in artikel 6a van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 opgesomde projecten zijn aangewezen door de Minister van Financiën in overeenstemming met de Minister van Verkeer en Waterstaat. Onderhavige regeling strekt ertoe om ook het Mobiliteitproject Beloningsmaatregel A2 Utrecht Bereikbaar aan te wijzen. Omdat de eerste betalingen vanaf 1 maart 2010 plaatsvinden, werkt deze regeling terug tot en met 1 maart 2010.

Artikel I, onderdeel B (artikel 26b Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001)

Bij de regeling van de Staatssecretaris van Financiën van 17 december 2009, nr. DB 2009-735M, tot wijziging van enige fiscale uitvoeringsregelingen (Stcrt. 20549), is per 1 januari 2010 artikel 26b in de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 opgenomen. In het derde lid van dit artikel is per abuis verwezen naar artikel 14a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Zoals ook in de toelichting is opgemerkt is evenwel beoogd te verwijzen naar artikel 14 van die wet; het artikel waarin de bedrijfsfusie is geregeld. In het vierde lid van dit artikel is een typefout geslopen. Beide omissies worden hierbij hersteld.

Artikel I, onderdeel C (artikel 40a van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001)

In artikel 40a van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 zijn de instanties opgenomen waarvan de afgegeven verklaring tot erkenning van een procedure erkenning verworven competenties als een erkende EVC-procedure tot gevolg heeft dat de kosten van het volgen van die procedure in aanmerking kunnen worden genomen als scholingsuitgaven als bedoeld in artikel 6.27 van de Wet inkomstenbelasting 2001. Voorheen kon ter verkrijging van de fiscale faciliteit de verklaring door een aantal verschillende instanties zijn afgegeven. Echter, met ingang van 1 januari 2010 dient de genoemde verklaring te zijn afgegeven door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Genoemd artikel wordt dienovereenkomstig per die datum aangepast. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de brief van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aan de Tweede Kamer van 15 december 2009 (Kamerstukken II 2009/10, 30 012, nr. 30).

Artikelen II en III (artikelen 11 en 16 van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001)

In de inwerkingtredingbepaling (artikel XXII) van de regeling van de Staatssecretaris van Financiën van 17 december 2009, nr. DB 2009-735M, tot wijziging van enige fiscale uitvoeringsregelingen (Stcrt. 20549) is in onderdeel b abusievelijk verwezen naar artikel I, onderdeel D, van die regeling in plaats van naar artikel I, onderdeel E, van die regeling. Aan de invoering van het in genoemd artikel I, onderdeel D, opgenomen artikel 11 van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 is aldus onbedoeld terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2009 verleend. Tegelijkertijd is ten onrechte geen terugwerkende kracht verleend aan de in genoemd artikel I, onderdeel E, opgenomen wijziging van artikel 16 van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001. Met de in de artikelen II en IIIopgenomen wijzigingen wordt dit hersteld.

Artikel IV (artikel 28 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001)

In artikel 28 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 zijn de instanties opgenomen waarvan de afgegeven verklaring tot erkenning van een procedure erkenning verworven competenties als een erkende EVC-procedure, tot gevolg heeft dat een werkgever een EVC-procedure belastingvrij kan vergoeden of verstrekken. Voorheen kon ter verkrijging van de fiscale faciliteit de verklaring door een aantal verschillende instanties zijn afgegeven. Echter, met ingang van 1 januari 2010 dient de genoemde verklaring te zijn afgegeven door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Genoemd artikel wordt dienovereenkomstig per die datum aangepast. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de brief van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aan de Tweede Kamer van 15 december 2009 (Kamerstukken II 2009/10, 30 012, nr. 30).

Artikel V, onderdeel A (artikel 3 van de Uitvoeringsregeling afdrachtvermindering)

Door een wijziging van artikel 5 van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen per 1 januari 2010 ingevolge het Belastingplan 2010 dient de verwijzing in artikel 3 van de Uitvoeringsregeling afdrachtvermindering naar artikel 5, zesde lid, van genoemde wet te worden gewijzigd in een verwijzing naar artikel 5, zevende lid, van genoemde wet. De verwijzing wordt daarom per genoemde datum aangepast.

Artikel V, onderdeel B (artikel 12bb van de Uitvoeringsregeling afdrachtvermindering)

In artikel 12bb van de Uitvoeringsregeling afdrachtvermindering zijn de instanties opgenomen waarvan de afgegeven verklaring tot erkenning van een procedure erkenning verworven competenties als een erkende EVC-procedure, tot gevolg heeft dat de afdrachtvermindering onderwijs van toepassing is (mits de inhoudingsplichtige de kosten voor zijn rekening neemt). Voorheen kon ter verkrijging van de fiscale faciliteit de verklaring door een aantal verschillende instanties zijn afgegeven. Echter, met ingang van 1 januari 2010 dient de genoemde verklaring te zijn afgegeven door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Genoemd artikel wordt dienovereenkomstig per die datum aangepast. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de brief van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aan de Tweede Kamer van 15 december 2009 (Kamerstukken II 2009/10, 30 012, nr. 30).

Artikel V, onderdeel C (artikel 12cc van de Uitvoeringsregeling afdrachtvermindering)

In artikel 12cc van de Uitvoeringsregeling afdrachtvermindering zijn bepalingen opgenomen ter nadere invulling van de in artikel 14, eerste lid, onderdeel i, van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen opgenomen afdrachtvermindering onderwijs voor verhoging opleidingsniveau. In artikel 12cc, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling afdrachtvermindering is geregeld dat de opleiding moet zijn opgenomen in het centraal register beroepsopleidingen (Crebo-register), dan wel in het centraal register opleidingen hoger onderwijs (Croho-register). Bij de verwijzing naar het Croho-register is abusievelijk verwezen naar artikel 7.52 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. Dit moet echter artikel 6.13 van genoemde wet zijn. Met de wijziging in deze regeling wordt deze foutieve verwijzing hersteld.

Artikel VI, onderdeel A (artikel 3 van de Uitvoeringsregeling afdrachtvermindering)

De in artikel VI, onderdeel A, opgenomen wijziging strekt ertoe om de in artikel V, onderdeel A, van deze regeling opgenomen wijziging van artikel 3 van de Uitvoeringsregeling afdrachtvermindering met ingang van 1 januari 2011 te doen vervallen. Aangezien de wetswijziging die ten grondslag ligt aan de wijziging van genoemd artikel slechts een jaar van kracht is, kan per 1 januari 2011 de huidige verwijzing weer worden toegepast.

Artikel VI, onderdeel B (artikel 12cc van de Uitvoeringsregeling afdrachtvermindering)

De in dit onderdeel opgenomen wijziging strekt ertoe om artikel 12cc van de Uitvoeringsregeling afdrachtvermindering met ingang van 1 januari 2011 te doen vervallen. De delegatiebevoegdheid die ten grondslag ligt aan genoemd artikel vervalt namelijk eveneens per 1 januari 2011.

Artikelen VII en XVI, onderdeel A (paragraaf 3 Uitvoeringsregeling willekeurige afschrijving 2001 en artikel II van de regeling van de Staatssecretaris van Financiën van 17 december 2009, nr. DB 2009-735M, tot wijziging van enige fiscale uitvoeringsregelingen (Stcrt. 20549))

Bij het Belastingplan 2010 heeft het kabinet besloten de zogenoemde tijdelijke willekeurige afschrijving voor investeringen in het belang van de bevordering van de economische ontwikkeling ook te laten gelden voor investeringen die in 2010 worden verricht. Om dit te bewerkstelligen zou artikel II van de regeling van de Staatssecretaris van Financiën van 17 december 2009, nr. DB 2009-735M, tot wijziging van enige fiscale uitvoeringsregelingen (Stcrt. 20549) regelen dat de artikelen 13 en 15 van de Uitvoeringsregeling willekeurige afschrijving 2001 (hierna: UR willekeurige afschrijving 2001) per 1 januari 2010 worden aangepast, zodat de tijdelijke willekeurige afschrijving met een jaar wordt verlengd en ook geldt voor investeringen gedaan in 2010.

Per abuis is echter artikel II van de regeling van de Staatssecretaris van Financiën van 10 december 2008, nr. DB 2008/697M, tot wijziging van de Uitvoeringsregeling willekeurige afschrijving 2001 (Stcrt. 246) niet aangepast, waardoor de paragraaf waarin de bepalingen inzake de tijdelijke willekeurige afschrijving zijn opgenomen (artikelen 13, 14 en 15 van de UR willekeurige afschrijving 2001) per 1 januari 2010 is vervallen. De in de hiervoor bedoelde wijzigingsregeling van 17 december 2009 opgenomen wijzigingen van deze artikelen per 1 januari 2010 sorteren daardoor geen effect.

Om deze technische omissie te herstellen en ervoor te zorgen dat de tijdelijke willekeurige afschrijving voor investeringen in het belang van de bevordering van de economische ontwikkeling ook daadwerkelijk geldt voor investeringen gedaan in 2010 wordt in de onderhavige regeling de genoemde paragraaf van de UR willekeurige afschrijving 2001 met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2010 wederom opgenomen in de UR willekeurige afschrijving 2001. De in artikel II van de wijzigingsregeling van 17 december 2009 opgenomen aanpassingen zijn in de desbetreffende artikelen verwerkt. Artikel II van de wijzigingsregeling van 17 december 2009 kan hiermee komen te vervallen.

Artikel VIII (artikel 1a van de Uitvoeringsbeschikking dividendbelasting 1965)

Ingevolge artikel VIA van de Fiscale vereenvoudigingswet 2010 is het tweede lid van artikel 10 van de Wet op de dividendbelasting 1965 met ingang van 1 januari 2010 vervallen onder vernummering van het derde lid tot tweede lid. In het bij artikel VI, onderdeel B, van de regeling van de Staatssecretaris van Financiën van 17 december 2009, nr. DB 2009-735M, tot wijziging van enige fiscale uitvoeringsregelingen (Stcrt. 20549) ingevoegde artikel 1a wordt echter abusievelijk verwezen naar artikel 10, derde lid, van de Wet op de dividendbelasting 1965 in plaats van naar het tweede lid. Met de onderhavige wijziging wordt deze onjuiste verwijzing met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2010 hersteld.

Artikel IX, onderdeel A (artikel 1 van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994)

Het betreft hier een correctie van een onjuiste verwijzing die is ontstaan als gevolg van een onjuiste wijzigingsopdracht in de in het algemeen deel van de toelichting genoemde regeling van 17 december 2009.

Artikel IX, onderdeel B (artikel 2 van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994)

De wijziging van artikel 2, derde lid, van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994 betreft een technische aanpassing in verband met de wet van 23 december 2009 tot wijziging van de Successiewet 1956 en enige andere belastingwetten (vereenvoudiging bedrijfsopvolgingsregeling en herziening tariefstructuur in de Successiewet 1956, alsmede introductie van een regeling voor afgezonderd particulier vermogen in de Wet inkomstenbelasting 2001 en de Successiewet 1956) (Stb. 564).

Artikel X, onderdeel A (artikel 14 van de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003)

Het betreft hier een correctie van een tweetal onjuiste verwijzingen naar de schenk- en erfbelasting die zijn ontstaan als gevolg van een onjuiste wijzigingsopdracht in de onder Algemeen genoemde regeling van 17 december 2009. De wijziging in het eerste lid van artikel 14 van de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003 houdt verband met het feit dat in het vervolg van dat eerste lid de erflater voor de schenker wordt genoemd.

Artikel X, onderdeel B (artikel 20 van de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003)

Het betreft hiereen correctie van een per 1 januari 2010 bij de onder Algemeen genoemde regeling van 17 december 2009 aangebrachte wijziging.

Artikel XI, onderdeel A (artikel 8 van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968)

Met de wet van 3 december 2009 tot wijziging van de Wet op de omzetbelasting 1968 in verband met de invoering van een nieuwe regeling voor de teruggaaf van omzetbelasting aan in een andere lidstaat gevestigde ondernemers (implementatie richtlijnen BTW-pakket) (Stb. 2009, 546) is op basis van richtlijn nr. 2008/9/EG per 1 januari 2010 een nieuwe regeling ingevoerd voor de teruggaaf van omzetbelasting aan buitenlandse ondernemers. In dat kader is artikel 31 van de Wet op de omzetbelasting 1968 vernummerd tot 37d, en dient ook de verwijzing in artikel 8 vande Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 aan deze vernummering te worden aangepast.

Artikel XI, onderdelen B en C (artikel 30a van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968)

In het kader van de bij het vorige onderdeel toegelichte nieuwe regeling voor de teruggaaf van omzetbelasting aan buitenlandse ondernemers is artikel 33 van de Wet op de omzetbelasting 1968 per 1 januari 2010 vervangen.

Dat heeft tot gevolg dat aan het bepaalde in artikel 30a, eerste lid, van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 de grond is ontvallen. In dat verband vervalt voornoemd artikel 30a, eerste lid, alsmede de daarin genoemde Bijlage E en resteert de tekst van het oude tweede lid met een aangepaste verwijzing naar het vernummerde artikel 31, zevende lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968.

Artikel XII (artikelen 1 en 8 Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992)

In het eerste lid van artikel 8 van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 wordt een methode aangereikt om de inkoopwaarde in Nederland op het moment van eerste ingebruikname te berekenen. Voorheen was de afschrijving het procentuele verschil tussen de consumentenprijs (de catalogusprijs vermeerderd met de BPM zelf) en de verkoopwaarde op het moment van betrekken in de heffing. Ingevolge twee arresten van de Hoge Raad2 is echter de inkoopwaarde het uitgangspunt bij de berekening van de afschrijving op een nieuw in de heffing betrokken gebruikt voertuig. Daarom zijn beide waarden aangepast. Per 1 januari 2010 is in artikel 10, tweede lid, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 de som van de catalogusprijs en de belasting vervangen door de inkoopwaarde in Nederland op het moment van eerste ingebruikname van het voertuig.

Het wetsartikel voorziet erin dat bij ministeriële regeling nadere regels kunnen worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop deze inkoopwaarde in Nederland kan worden vastgesteld. Dit is van belang omdat deze inkoopwaarde veelal niet bekend is. De aangereikte methode houdt in dat de som van de catalogusprijs en de belasting – op basis waarvan de afschrijving werd vastgesteld ingevolge artikel 10, tweede lid, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 zoals dat luidde vóór 1 januari 2010 – door middel van een berekening wordt verminderd. Deze berekening kent een deel dat onafhankelijk is van de catalogusprijs (vermindering van de som van de catalogusprijs en de belasting met € 500) en een procentueel deel (vermenigvuldiging van het resultaat met 0,88). Deze methode doet recht aan het waardeverschil in de praktijk, waar het verschil tussen verkoop- en inkoopwaarde feitelijk ook een vast en een variabel deel kent. Een vergelijking tussen modellen in diverse prijsklassen, van verschillende fabrikanten, in verschillende koerslijsten laat zien dat een vaste vermindering van € 500, in combinatie met een verlaging met 12% van de aldus verminderde catalogusprijs inclusief de belasting, over het algemeen leidt tot een realistische inkoopwaarde. In de praktijk wordt deze berekeningsmethode dan ook al vanaf 1 januari 2010 door de Belastingdienst geaccepteerd.

Ter illustratie kan het volgende voorbeeld van een uitwerking worden gegeven:

Een auto wordt geïmporteerd in Nederland. De som van de catalogusprijs en de belasting bedraagt € 15000. De inkoopwaarde in Nederland op het tijdstip van eerste ingebruikname kan als volgt worden berekend:

(€ 15 000 – € 500) × 0,88 = € 12 760.

Deze waarde wordt nu als volgt gebruikt om de afschrijving te berekenen.

De inkoopwaarde in Nederland op het tijdstip van de import bedraagt op basis van de gehanteerde koerslijst € 6000. De afschrijving is € 12 760 – € 6000 = € 6760. Uitgedrukt in procenten van de inkoopwaarde in Nederland op het tijdstip van eerste ingebruikname is dit 52,98%. De berekende BPM wordt met dit percentage verminderd.

Artikel XIII (artikelen 1, 21, eerste lid, en 28, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling belastingen op milieugrondslag)

In de regeling van de Staatssecretaris van Financiën van 17 december 2009, nr. DB 2009-735M, tot wijziging van enige fiscale uitvoeringsregelingen (Stcrt. 20549) is artikel 1 van de Uitvoeringsregeling belastingen op milieugrondslag gewijzigd. Beoogd werd het eerste lid van dit artikel in overeenstemming te brengen met de wijzigingen in de delegatiebepalingen van de Wet belastingen op milieugrondslag en het Uitvoeringsbesluit belastingen op milieugrondslag. Per abuis is hierbij de onderverdeling in leden en daardoor ook het tweede lid komen te vervallen. Met deze wijziging wordt dit hersteld. Voorts is van de gelegenheid gebruik gemaakt om artikel 1, eerste lid, verder in overeenstemming te brengen met de wijzigingen in de genoemde delegatiebepalingen en de juiste verwijzingen op te nemen in de artikelen 21, eerste lid, en 28, eerste lid.

Artikel XIV (artikelen 7:4 en 7:25 Algemene douaneregeling)

Dit onderdeel hangt samen met het herstel van een omissie in de onder Algemeen genoemde regeling van 17 december 2009. Om buiten twijfel te stellen wat de geldige tekst van de artikelen 7:4, vierde lid, en 7:25 van de Algemene douaneregeling is wordt de tekst van die bepalingen opnieuw geplaatst met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2010.

Artikel XV (artikel 15 Uitvoeringsregeling accijns)

Dit onderdeel hangt samen met het herstel van een omissie in de onder Algemeen genoemde regeling van 17 december 2009. Om buiten twijfel te stellen wat de geldige tekst van artikel 15 van de Uitvoeringsregeling accijns het betreffende artikel is wordt het opnieuw geplaatst met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2010.

Artikel XVI, onderdeel A (artikel II van de regeling van de Staatssecretaris van Financiën van 17 december 2009, nr. DB 2009-735M, tot wijziging van enige fiscale uitvoeringsregelingen (Stcrt. 20549))

Dit onderdeel is reeds toegelicht bij de artikelsgewijze toelichting op artikel VII.

Artikel XVI, onderdelen B, C, D en E (regeling van de Staatssecretaris van Financiën van 17 december 2009, nr. DB 2009-735M, tot wijziging van enige fiscale uitvoeringsregelingen (Stcrt. 20549))

Met deze wijzigingen worden enkele omissies in de onder Algemeen genoemde regeling van 17 december 2009 opgenomen wijzigingsopdrachten ongedaan gemaakt.

Artikel XVII (inwerkingtreding)

Dit artikel regelt de inwerkingtreding van deze regeling. De regeling treedt in werking op de dag na publicatie in de Staatscourant, met dien verstande dat de meeste artikelen terugwerken tot een eerdere datum. Voor een toelichting hierop wordt verwezen naar het algemeen deel van de toelichting en de toelichting op de desbetreffende artikelen.

De Minister van Financiën,

J.C. de Jager.


XNoot
1

HR 10 juli 2009, LJN-nr. BJ2012, en HR 10 juli 2009, LJN-nr. BJ1971.

XNoot
2

HR 10 juli 2009, LJN-nr. BJ2012, en HR 10 juli 2009, LJN-nr. BJ1971.

Naar boven