Bekendmaking wijziging van de verplichtstelling tot deelneming in de beroepspensioenregeling voor medisch specialisten

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

Gezien de op 8 maart en 12 april 2010 ontvangen aanvraag van de beroepspensioenvereniging Medisch Specialisten, daartoe strekkende, dat de verplichtstelling tot deelneming in de beroepspensioenregeling voor Medisch Specialisten ingevolge de Wet verplichte beroepspensioenregeling wordt gewijzigd voor de in de aanvraag bedoelde groep van beroepsgenoten in de beroepsgroep Medisch Specialisten;

Overwegende, dat vorengenoemde beroepspensioenvereniging is te beschouwen als de vertegenwoordigende organisatie van de beroepsgroep Medisch Specialisten, die naar het oordeel van de Minister een belangrijke meerderheid van de in de beroepsgroep werkzame personen vertegenwoordigt;

Gelet op de artikelen 5, eerste lid en 16 van de Wet verplichte beroepspensioenvereniging;

Gezien het overleg met De Nederlandsche Bank;

Besluit:

I.

Wijzigt zijn besluit van 18 juni 1973, nr. 42 760, Stcrt. 1973, nr. 121 (laatstelijk gewijzigd bij besluit van 6 juni 2006, nr. 05/86259, Stcrt. 2006, nr. 110) waarin werd overgegaan tot het verplicht stellen van de deelneming in de Stichting Pensioenfonds Medisch Specialisten. De verplichtstelling tot deelneming komt na wijziging te luiden als volgt:

‘De deelneming in de beroepspensioenregeling, welke is neergelegd in de statuten en het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds Medisch Specialisten, is verplicht gesteld voor de medisch specialisten, die zijn ingeschreven in het register van erkende medisch specialisten, bedoeld in het huishoudelijke reglement van de Koninklijke Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst, in Nederland het beroep van medisch specialist uitoefenen en de 65-jarige leeftijd nog niet hebben bereikt.

De verplichtstelling geldt niet voor de medisch specialisten, die hun beroep uitsluitend uitoefenen in dienstverband ter zake waarvan voor de medische specialist

  • 1. een pensioenvoorziening geldt waarvoor bij een andere wet dan de Pensioenwet (Wet van 7 december 2006, Stb. 705), de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 (Wet van 21 december 2000, Stb. 628) of de Wet verplichte beroepspensioenregeling (Wet van 6 oktober 2005, Stb. 526), dan wel bij algemene maatregel van bestuur regelingen zijn vastgesteld;

  • 2. een pensioenvoorziening geldt, waarin de deelneming krachtens de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 (Wet van 21 december 2000, Stb. 628) is verplicht gesteld.

  • 3. een andere pensioenvoorziening, waarin de deelneming krachtens de Wet verplichte beroepspensioenregeling (Wet van 6 oktober 2005, Stb. 526) is verplicht gesteld dan voormelde beroepspensioenregeling, of

  • 4. een voor 6 mei 1972 door de werkgever getroffen pensioenvoorziening geldt, welke tenminste gelijkwaardig is aan de voormelde beroepspensioenregeling.’

II.

Eerstgenoemd besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en heeft geen terugwerkende kracht.

’s-Gravenhage, 14 juli 2010

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

namens deze:

de Directeur Uitvoeringstaken Arbeidsvoorwaardenwetgeving,

M.H.M. van der Goes.

Naar boven