Wijziging verplichtstelling deelneming in beroepspensioenregeling

Medische specialisten

Bij besluit van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 6 juni 2006, nr. 05/86259, is, krachtens artikel 2, eerste lid, 3 en 5, eerste lid van de Wet betreffende verplichte deelneming in een beroepspensioenregeling, de deelneming in de beroepspensioenregeling , welke is neergelegd in de statuten en het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds Medische Specialisten, zodanig gewijzigd dat de deelneming in de Stichting Pensioenfonds Medische Specialisten, zoals in dat besluit is bepaald onder I, is verplicht gesteld voor:

De medische specialisten, die zijn ingeschreven in het register van erkende medische specialisten, bedoeld in het huishoudelijke reglement van de Koninklijke Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst, in Nederland het beroep van medische specialist uitoefenen, in Nederland wonen en de 65-jarige leeftijd nog niet hebben bereikt. Waar een medische specialist woont wordt naar de omstandigheden beoordeeld.

De verplichtstelling geldt niet voor medische specialisten

a. die hun beroep uitsluitend uitoefenen in dienstverband terzake waarvan voor de medische specialist:

1. een pensioenvoorziening geldt, waarvoor bij een andere wet dan de Pensioen- en spaarfondswet, de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 of de Wet betreffende verplichte deelneming in een beroepspensioenregeling, dan wel bij algemene maatregel van bestuur regelingen zijn vastgesteld;

2. een pensioenvoorziening geldt, waarin de deelneming krachtens de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 is verplicht gesteld;

3. een andere pensioenvoorziening, waarin de deelneming krachtens de Wet betreffende verplichte deelneming in een beroepspensioenregeling is verplicht gesteld dan voormelde beroepspensioenregeling, of

4. een vóór 6 mei 1972 door de werkgever getroffen pensioenvoorziening geldt, welke ten minste gelijkwaardig is aan de voormelde beroepspensioenregeling;

b. wier inkomen uit hoofde van hun beroepsuitoefening, anders dan in dienstverband, als hiervoor onder a. bedoeld, naar verwachting minder bedragen dan Euro 22.144,47 bruto per jaar.

Het onder b. genoemde bedrag wordt telkenjare per 1 januari gewijzigd door vermenigvuldiging met de per die datum overeenkomstig het bepaalde in artikel 12 van voormeld pensioenreglement - zoals dit artikel luidde op 1 januari 1973 - vast te stellen aanpassingscoëfficiënt.

Eerstgenoemd besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na die van publicatie in de Staatscourant.

’s-Gravenhage, 6 juni 2006 .
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,namens deze,
de directeur Uitvoeringstaken Arbeidsvoorwaardenwetgeving,
M.H.M. van der Goes.

Naar boven