Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en MilieubeheerStaatscourant 2009, 17979Besluiten van algemene strekking

Regeling van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke ordening en Milieubeheer van 23 november 2009, nr. BJZ2009062863, houdende wijziging van de Regeling algemene regels voor inrichtingen milieubeheer van 9 november 2007, nr. DJZ 2007104180.

De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke ordening en Milieubeheer,

Handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat;

Gelet op de artikelen 1.7, 1.14a, eerste lid, onder b, 2.9, tweede en derde lid, 3.16b, 3.24, 3.30, 4.1, eerste lid, 4.5a, vierde lid, 4.74d, 4.74g, 4.74h, 4.94a, eerste lid, 4.94d, 4.94e, eerste lid, 4.94f, 4.103b, 4.103c, 4.103e, eerste lid, 4.103f, 4.104b, 4.111a, 4.116, 4.118, 4.120, 4.123, 4.126 en 4.127 van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer;

Besluit:

ARTIKEL I

De Regeling algemene regels voor inrichtingen milieubeheer wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1.1 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het begrip en de daarbij behorende begripsomschrijving van ‘bodembedreigende stof’ vervallen.

2. ‘ETBE: Ethyl-tertiar-Butyl-Ether’ wordt vervangen door: ETBE: ethyl-tertiair-butylether;.

3. ‘MTBE: methyl-tertial-butylether’ wordt vervangen door: MTBE: methyl-tertiair-butylether;.

B

Artikel 1.2, eerste lid, komt te luiden:

  • 1. In deze regeling wordt verstaan onder:

    BRL K537:

    BRL K537/04, Beoordelingsrichtlijn voor het verwerken van kunststoffolie, Kiwa N.V. Certificatie en Keuringen, versie van 14 juni 2002;

    BRL K548:

    BRL K548/01, Beoordelingsrichtlijn voor cilindrische tanks van glasvezelversterkte thermoharde kunststoffen met een inhoud tot 100 m3 voor de ondergrondse drukloze opslag van brandbare vloeistoffen klasse K1, K2 en K3, Kiwa N.V. Certificatie en Keuringen, versie 15 november 1996;

    BRL K779:

    BRL K779/03, Beoordelingsrichtlijn voor inwendige bekleding op stalen tanks voor brandbare vloeistoffen, Kiwa N.V. Certificatie en Keuringen, versie van 16 juli 1992;

    BRL K790:

    BRL K790/02, Beoordelingsrichtlijn voor het appliceren van verfsystemen op stalen opslagtanks voor vloeistoffen, Kiwa N.V. Certificatie en Keuringen, versie van 15 mei 1996;

    BRL K903:

    BRL K903/07, Regeling erkenning installateurs tanks en leidingen voor drukloze opslag van vloeibare aardolieproducten, Kiwa N.V. Certificatie en Keuringen, versie van 8 december 2006;

    BRL K910:

    BRL K910/01, Lekdetectiesystemen voor opslag- en transportinstallaties voor vloeibare en gasvormige producten, Kiwa N.V. Certificatie en Keuringen, versie van 26 september 2002;

    CUR/PBV-aanbeveling 44:

    CUR/PBV-aanbeveling 44 ‘Beoordeling vloeistofdichtheid van vloeistofdichte voorzieningen’, Stichting CUR, Gouda, vierde herziene uitgave, 2005;

    Gasturbines:

    regels voor veilig gebruik van aardgas in gasturbines van NV Nederlandse Gasunie, januari 2006;

    ISO 5815-1:

    ISO 5815-1:2003: Internationale standaardnorm voor Water – Bepaling van het biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BZVn) – Deel 1: Verdunning en enting onder toevoeging van allylthioureum, augustus 2003;

    ISO 5815-2:

    ISO 5815-2:2003: Internationale standaardnorm voor Water – Bepaling van het biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BZVn) – Deel 2: Methode voor onverdunde monsters, april 2003;

    KC 111:

    KC 111/01: Keuringscriteria voor de (her)classificatie van bovengrondse tankinstallaties (kunststof en staal), Kiwa N.V. Certificatie en Keuringen (december 2007);

    NEN 1059:

    NEN 1059:2003: Nederlandse norm op basis van NEN-EN 12186 en NEN-EN 12279 – voor Gasvoorzieningsystemen – Gasdrukregelstations voor transport en distributie, mei 2003;

    NEN 2819:

    NEN 2819:1994: Nederlandse norm voor Luchtkwaliteit – Uitworp door stationaire bronnen – Monsterneming en bepaling van het gehalte aan fluoride, mei 1994;

    NEN 2826:

    NEN 2826:1999: Nederlandse norm voor Luchtkwaliteit – Uitworp door stationaire puntbronnen – Monsterneming en bepaling van het gehalte aan gasvormig ammoniak, april 1999;

    NEN 5740:

    NEN 5740:2009: Nederlandse norm voor Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek – Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond, januari 2009;

    NEN 5744:

    NEN 5744:1991: Nederlandse norm voor Bodem – Monsterneming van grondwater ten behoeve van de bepaling van metalen, anorganische verbindingen, matig-vluchtige organische verbindingen en fysisch-chemische eigenschappen, juni 1991;

    NEN 6068:

    NEN 6068:2008: Nederlandse norm voor Milieu en veiligheid – Bepaling van de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag tussen ruimten, december 2008;

    NEN 6401:

    NEN 6401:1991: Nederlandse norm voor Water – Bepaling van het halogeengehalte van vluchtige organohalogeenverbindingen (VOX), maart 1991;

    NEN 6414:

    NEN 6414:1988: Nederlandse norm voor Water en slib – Bepaling van de temperatuur, januari 1988;

    NEN 6600-1:

    NEN 6600-1:2002: Nederlandse norm voor Water – Monsterneming – Deel 1: Afvalwater, maart 2002;

    NEN 6604:

    NEN 6604:2007: Nederlandse norm voor Water – Bepaling van het gehalte aan ammonium, nitraat, nitriet, chloride, ortho-fosfaat, sulfaat en silicaat met een discreet analysesysteem en spectrofotometrische detectie, augustus 2007;

    NEN 6633:

    NEN 6633:2006: Nederlandse norm voor Water en (zuiverings)slib – Bepaling van het chemisch zuurstofverbruik (CZV), december 2006 – met aanvullingsblad NEN 6633:2006/A1:2007: Nederlandse norm voor Water en (zuiverings)slib – Bepaling van het chemisch zuurstofverbruik (CZV), december 2007;

    NEN 6646:

    NEN 6646:2006: Nederlandse norm voor Water – Fotometrische bepaling van het gehalte aan ammoniumstikstof en van de som van de gehalten aan ammoniumstikstof en aan organisch gebonden stikstof volgens Kjeldahl met behulp van een doorstroomanalysesysteem, oktober 2006;

    NEN 6676:

    NEN 6676:1994: Nederlandse norm voor Afvalwater – Bepaling van met petroleumether extraheerbare organische gebonden halogenen (EOX-AW), oktober 1994;

    NEN 6961:

    NEN 6961:2005: Nederlandse norm voor Milieu – Ontsluiting met salpeterzuur en zoutzuur (koningswater) voor de bepaling van geselecteerde elementen in water, waterbodem, slib, slibhoudend water, luchtstof, grond en bouwstoffen, december 2005;

    NEN 6966:

    NEN 6966:2005: Nederlandse norm voor Milieu – Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten – Atomaire emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma, december 2005;

    NEN-EN 858-1:

    NEN-EN 858-1:2002: Europese norm voor Afscheiders en slibvangputten voor lichte vloeistoffen (bijv. olie en benzine) – Deel 1: Ontwerp, eisen en beproeving, merken en kwaliteitscontrole, juni 2002;

    NEN-EN 858-2:

    NEN-EN 858-2:2003: Europese norm voor Afscheiders en slibvangputten voor lichte vloeistoffen (bijv. olie en benzine) – Deel 2: Bepaling van nominale afmeting, installatie, functionering en onderhoud, februari 2003;

    NEN-EN 872:

    NEN-EN 872:2005: Europese norm voor Water – Bepaling van het gehalte aan onopgeloste stoffen – Methode door filtratie over glasvezelfilters, maart 2005;

    NEN-EN 1483:

    NEN-EN 1483:2007: Europese norm voor Water – Bepaling van kwik – Methode met atomaire-absorptiespectrometrie, april 2007;

    NEN-EN 1825-1:

    NEN-EN 1825-1:2004: Europese norm voor Vetafscheiders en slibvangputten – Deel 1: Ontwerp, eisen en beproeving, merken en kwaliteitscontrole, september 2004;

    NEN-EN 1825-2:

    NEN-EN 1825-2:2002: Europese norm voor Vetafscheiders en slibvangputten – Deel 2: Bepaling van nominale afmeting, installatie, functionering en onderhoud, maart 2002;

    NEN-EN 1899-1:

    NEN-EN 1899-1:1998: Europese norm voor Water – Bepaling van het biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BODn) – Deel 1: Verdunnings- en entmethode met toevoeging van allylthioreum, september 1998;

    NEN-EN 1899-2:

    NEN-EN 1899-2:1998: Europese norm voor Waterkwaliteit – Bepaling van het biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BODn) – Deel 2: Methode voor onverdunde monsters, september 1998;

    NEN-EN 1911-1:

    NEN-EN 1911-1:1998: Europese norm voor Uitworp door stationaire bronnen – Handmatige methode voor de bepaling van HCL – Deel 1: Monsterneming van gassen, mei 1998;

    NEN-EN 1911-2:

    NEN-EN 1911-2:1998: Europese norm voor Uitworp door stationaire bronnen – Handmatige methode voor de bepaling van HCI – Deel 2: Absorptie van gasvormige componenten, mei 1998;

    NEN-EN 1911-3:

    NEN-EN 1911-3:1998: Europese norm voor Uitworp door stationaire bronnen – Handmatige methode voor de bepaling van HCI – Deel 3: Analyse van absorptievloeistoffen en berekening van resultaten, mei 1998;

    NEN-EN 12566-1:

    NEN-EN 12566-1/A1 2004: Europese norm voor Kleine afvalwaterzuiveringsinstallaties tot en met 50 IE – Deel 1: Geprefabriceerde septictanks, maart 2004;

    NEN-EN 12817:

    NEN-EN 12817:2002: Europese norm voor Keuring en herkeuring van bovengrondse opslagtanks voor LPG met een capaciteit tot en met 13 m3, juni 2002;

    NEN-EN 13284-1:

    NEN-EN 13284-1:2001: Europese norm voor Emissies van stationaire bronnen – Bepaling van massaconcentratie van stof in lage concentraties – Deel 1: Manuele gravimetrische methode, december 2001;

    NEN-EN 13284-2:

    NEN-EN 13284-2:2004: Europese norm voor Emissies van stationaire bronnen – Bepaling van massaconcentratie van stof in lage concentraties – Deel 2: Geautomatiseerde meetsystemen, september 2004;

    NEN-EN 14214:

    NEN-EN 14214:2003: Europese norm voor Brandstoffen voor wegvoertuigen – Methylesters van vetzuren (FAME) voor dieselmotoren – Eisen en beproevingsmethoden, oktober 2003;

    NEN-EN 14385:

    NEN-EN 14385:2004: Europese norm voor Emissies van stationaire bronnen – Bepaling van de totale emissie van As,Cd,Cr,Co,Cu,Mn,Ni,Pb,Sb,Tl en V, maart 2004;

    NEN-EN 14792:

    NEN-EN 14792:2005: Europese norm voor Emissies van stationaire bronnen – Bepaling van massaconcentratie aan stikstofoxiden (NOx) – Referentiemethode – Chemiluminescentie, december 2005;

    NEN-EN-IEC 61400-2:

    NEN-EN-IEC 61400-2:2006: Europese norm voor Windturbines – Deel 2: Ontwerp eisen van kleine windturbines, september 2006;

    NEN-EN-IEC 61400-11:

    NEN-EN-IEC 61400-11:2003: Europese norm voor Generatorsystemen voor windturbines – Deel 11: Meettechnieken voor akoestische geluidshinder, juli 2003;

    NEN-EN-ISO 2813:

    NEN-EN-ISO 2813:1999: Europese norm voor Verven en vernissen – Metingen van de glans (spiegelende reflectie) van niet-metallieke verflagen onder 20°, 60° en 85°, mei 1999;

    NEN-EN-ISO 5667-3:

    NEN-EN-ISO 5667-3:2004: Europese norm voor Water – Monsterneming – Deel 3: Richtlijn voor de conservering en behandeling van watermonsters, april 2004;

    NEN-EN-ISO 6468:

    NEN-EN-ISO 6468:1997: Europese norm voor Water – Bepaling van het gehalte aan organochloor-bestrijdingsmiddelen, polychloorbifenylen en chloorbenzenen – Gaschromatografische methode na vloeistof/vloeistofextractie, februari 1997;

    NEN-EN-ISO 9377-2:

    NEN-EN-ISO 9377-2:2000: Europese norm voor Water – Bepaling van de minerale-olie-index – Deel 2: Methode met vloeistofextractie en gas-chromatografie, december 2000;

    NEN-EN-ISO 9377-4:

    NEN-EN-ISO 9377-4:1999 Ontw. en: Europese norm voor Waterkwaliteit – Bepaling van de minerale olie index – Deel 4: Methode met vloeistofextractie en gaschromatografie, mei 1999;

    NEN-EN-ISO 10301:

    NEN-EN-ISO 10301:1997: Europese norm voor Water – Bepaling van zeer vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen – Gaschromatografische methoden, mei 1997;

    NEN-EN-ISO 10304-2:

    NEN-EN-ISO 10304-2:1996: Europese norm voor Water – Bepaling van opgeloste anionen met vloeistofionchromatografie – Deel 2: Bepaling van bromide, chloride, nitraat, nitriet, ortofosfaat en sulfaat in afvalwater, oktober 1996;

    NEN-EN-ISO 11143:

    NEN-EN-ISO 11143:2000: Europese norm voor Tandheelkunde – Amalgaamscheiders, januari 2000;

    NEN-EN-ISO 11732:

    NEN-EN-ISO 11732:2005: Europese norm voor Water – Bepaling van ammonium stikstof – Methode voor doorstroomanalyse (CFA en FIA) en spectrometrische detectie, februari 2005;

    NEN-EN-ISO 13395:

    NEN-EN-ISO 13395:1997: Europese norm voor Water – Bepaling van het stikstofgehalte in de vorm van nitriet en in de vorm van nitraat en de som van beide met doorstroomanalyse (CFA en FIA) en spectrometrische detectie, mei 1997;

    NEN-EN-ISO 14403:

    NEN-EN-ISO 14403:2002: Europese norm voor Water – Bepaling van het totale gehalte aan cyanide en het gehalte aan vrij cyanide met behulp van continue doorstroomanalyse, maart 2002;

    NEN-EN-ISO 15587-1:

    NEN-EN-ISO 15587-1:2002: Europese norm voor Water – Ontsluiting voor de bepaling van geselecteerde elementen in water – Deel 1: Koningswater ontsluiting, maart 2002;

    NEN-EN-ISO 15680:

    NEN-EN-ISO 15680:2003: Europese norm voor Water – Gaschromatografische bepaling van een aantal monocyclische aromatische koolwaterstoffen, naftaleen en verscheidene gechloreerde verbindingen met ‘purge-and-trap’ en thermische desorptie, december 2003;

    NEN-EN-ISO 15681-1:

    NEN-EN-ISO 15681-1:2005: Europese norm Water – Bepaling van het gehalte aan orthofosfaat en het totale gehalte aan fosfor met behulp van doorstroomanalyse (FIA and CFA) – Deel 1: Methode met een doorstroominjectiesysteem (FIA), januari 2005;

    NEN-EN-ISO 15681-2:

    NEN-EN-ISO 15681-2:2005: Europese norm Water – Bepaling van het gehalte aan orthofosfaat en het totale gehalte aan fosfor met behulp van doorstroomanalyse (FIA and CFA) – Deel 2: Methode met een continu doorstroomanalysesysteem (CFA), januari 2005;

    NEN-EN-ISO 15682:

    NEN-EN-ISO 15682:2001: Europese norm voor Water – Bepaling van het gehalte aan chloride met doorstroomanalyse (CFA en FIA) en fotometrische of potentiometrische detectie, september 2001;

    NEN-EN-ISO 17294-2:

    NEN-EN-ISO 17294-2:2004: Europese norm voor Water – Toepassing van massaspectrometrie met inductief gekoppelde plasma (ICP-MS) – Deel 2: Bepaling van 62 elementen, november 2004;

    NEN-EN-ISO 17993:

    NEN-EN-ISO 17993:2004: Europese norm voor Water – Bepaling van 15 polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) in water met HPLC met fluorescentiedetectie na vloeistof-vloeistof extractie, juni 2004;

    NEN-EN-ISO/IEC 17020:

    NEN-EN-ISO/IEC 17020:2004: Algemene criteria voor het functioneren van verschillende soorten instellingen die keuringen uitvoeren, september 2004;

    NEN-ISO 5663:

    NEN-ISO 5663:1993: Nederlandse norm voor Water – Bepaling van het gehalte aan Kjeldahl-stikstof – Methode na mineralisatie met seleen, december 1993;

    NEN-ISO 5813:

    NEN-ISO 5813:1993: Internationale standaardnorm voor Water – Bepaling van het gehalte aan opgeloste zuurstof – Iodometrische methode, februari 1993;

    NEN-ISO 5814:

    NEN-ISO 5814:1993: Internationale standaardnorm voor Water – Bepaling van het gehalte aan opgeloste zuurstof – Elektrochemische methode, mei 1993;

    NEN-ISO 10849:

    NEN-ISO 10849:1998: Internationale standaardnorm voor Emissies van stationaire bronnen – Bepaling van de concentratie aan stikstofoxiden – Prestatiekenmerken van geautomatiseerde meetsystemen, september 1998;

    NEN-ISO 11083:

    NEN-ISO 11083:2006: Internationale standaardnorm voor Water – Bepaling van chroom (VI) – Spectrometrische methode met 1,5-difenylcarbazide, december 2006;

    NEN-ISO 16740:

    NEN-ISO 16740:2005: Internationale norm voor Werkplekatmosfeer – Bepaling van het gehalte aan zeswaardig chroom in deeltjes in lucht – Methode door ion chromatografie en spectrofotometrische metingen met gebruik van difenyl carbazide, maart 2005;

    NPR 2578:

    NPR 2578:2007: Nederlandse praktijkrichtlijn voor Beheer en onderhoud van LPG-, propaan- en butaaninstallaties, augustus 2007;

    NVN 11400-0:

    NVN 11400-0:1999/A1 2005: Nederlandse voornorm voor Windturbines – Deel 0: Voorschriften voor typecertificatie – Technische eisen, februari 2005;

    PGS 7:

    Richtlijn PGS 7, getiteld ‘Opslag van vaste minerale anorganische meststoffen’, zoals gepubliceerd op www.publicatiereeksgevaarlijkestoffen.nl, PGS 7: 2007 versie 0.1 (2-2009);

    PGS 9:

    Richtlijn PGS 9, getiteld ‘Vloeibare zuurstof; Opslag van 0,45-100 m3’, zoals gepubliceerd op www.publicatiereeksgevaarlijkestoffen.nl, PGS 9: 1983 (2-2009) en het erratum van 1 oktober 2007;

    PGS 13:

    Richtlijn PGS 13, getiteld ‘Ammoniak als koudemiddel in koelinstallaties en warmtepompen’, zoals gepubliceerd op www.publicatiereeksgevaarlijkestoffen.nl, PGS 13: 2009 versie 1.0 (2-2009);

    PGS 15:

    Richtlijn PGS 15, getiteld ‘Opslag van verpakte gevaarlijke stoffen’, zoals gepubliceerd op www.publicatiereeksgevaarlijkestoffen.nl, PGS 15: 2005 (6-2005) en de errata van 28 juni 2005, 4 oktober 2007, 7 januari 2008, 3 april 2008, 15 mei 2008, 25 juni 2008, 22 september 2008, 21 november 2008, 11 december 2008 en 12 december 2008;

    PGS 19:

    Richtlijn PGS 19, getiteld ‘Opslag van propaan’, zoals gepubliceerd op www.publicatiereeksgevaarlijkestoffen.nl, PGS 19: 2008 versie 0.1 (2-2009);

    PGS 23:

    Richtlijn PGS 23, getiteld ‘Propaan,Vulstations van butaan- en propaanflessen’, zoals gepubliceerd op www.publicatiereeksgevaarlijkestoffen.nl, PGS 23: 1994 versie 0.1 (2-2009);

    PGS 25:

    Richtlijn PGS 25, getiteld ‘Gecomprimeerd aardgas, Afleverstations voor motorvoertuigen’, zoals gepubliceerd op www.publicatiereeksgevaarlijkestoffen.nl, PGS 25: 1998 (6-2005);

    PGS 28:

    Richtlijn PGS 28, getiteld ‘Vloeibare aardolieproducten, Afleverinstallaties en ondergrondse opslag’, zoals gepubliceerd op www.publicatiereeksgevaarlijkestoffen.nl, PGS 28: 2000 (3-2005);

    PGS 30:

    Richtlijn PGS 30, getiteld ‘Vloeibare aardolieproducten, Buitenopslag in kleine installaties’, zoals gepubliceerd op www.publicatiereeksgevaarlijkestoffen.nl, PGS 30: 1999 versie 0.1 (2-2009);

    Praktijkrichtlijn Lasrook:

    beschrijving doeltreffende maatregelen bij blootstelling aan rook en/of gassen en/of verwante processen: opgesteld door de sociale partners in de metaal: CNV Bedrijvenbond, FNV Bondgenoten, Vereniging FME-CWM, Koninklijke Metaalunie, De Unie en VHP Metalektro, augustus 2006.

C

Na artikel 1.3 wordt een afdeling ingevoegd, luidende:

AFDELING 1.2. MELDING

Artikel 1.4

Als soorten biologische agentia als bedoeld in artikel 1.14a, eerste lid, onder b, van het besluit, worden aangewezen de soorten die in bijlage 3 zijn opgenomen.

D

Artikel 2.2 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het derde lid wordt ‘Het systeem voor lekdetectie is aangelegd overeenkomstig BRL K910 en wordt ten minste eens per jaar beoordeeld en goedgekeurd overeenkomstig BRL K903’ vervangen door: Het systeem voor lekdetectie voldoet aan BRL K910 en wordt ten minste eenmaal per jaar beoordeeld en goedgekeurd overeenkomstig BRL K903.

2. In het vierde lid wordt ‘methyl-tertial-butylether (MTBE) en Ethyl-tertiar-Butyl-Ether (ETBE)’ vervangen door: MTBE en ETBE.

3. Onder vernummering van het zesde lid tot het zevende lid wordt na het vijfde lid een lid ingevoegd, luidende:

  • 6. Degene die de inrichting drijft, zendt de gegevens van de bemonstering en analyse van de grondwaterpeilbuizen ten aanzien van de stoffen MTBE en ETBE, bedoeld in het vierde lid, terstond door aan het bestuursorgaan, bedoeld in artikel 27, eerste lid, van de Wet bodembescherming, indien:

    • a. de geanalyseerde waarde van de MTBE- of ETBE-verontreiniging hoger is dan 1 microgram per liter, voor zover de inrichting is gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied;

    • b. de geanalyseerde waarde van de MTBE- of ETBE-verontreiniging hoger is dan 15 microgram per liter, voor zover de inrichting is gelegen buiten een grondwaterbeschermingsgebied.

4. Het zevende lid (nieuw) komt te luiden:

  • 7. Het eerste tot en met het zesde lid, zijn niet van toepassing ten aanzien van inrichtingen waar de gemiddeld laagste grondwaterstand zich meer dan vijf meter beneden het maaiveld bevindt. Indien deze inrichting echter is gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied is er een systeem voor lekdetectie aanwezig dat voldoet aan BRL K910 en dat ten minste eenmaal per jaar wordt beoordeeld en goedgekeurd overeenkomstig BRL K903.

E

Artikel 2.4, derde lid, vervalt en het vierde lid wordt vernummerd tot het derde lid.

F

Het opschrift van paragraaf 3.1.1 komt te luiden:

§ 3.1.1. Behandelen van huishoudelijk afvalwater op locatie

G

In artikel 3.10, tweede lid, wordt ‘BRL-K903’ vervangen door: BRL K903.

H

Na artikel 3.16 wordt een paragraaf ingevoegd, luidende:

§ 3.2.5. In werking hebben van een natte koeltoren

Artikel 3.16a
  • 1. Ten behoeve van het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan beschikt degene die een inrichting met een natte koeltoren drijft over een risicoanalyse waarin is beschreven welke risico’s de natte koeltoren met zich meebrengt voor de omgeving alsmede over een legionella-beheersplan waarin de maatregelen zijn beschreven waarmee deze risico’s worden voorkomen, dan wel zoveel mogelijk worden beperkt. De drijver van de inrichting draagt er zorg voor dat het legionella-beheersplan wordt uitgevoerd.

  • 2. Bij de risicoanalyse, bedoeld in het eerste lid, worden in ieder geval de volgende risicofactoren betrokken:

    • a. het risico op vermeerdering van legionellabacteriën in de koeltoren door:

      • 1°. de aard en kwaliteit van het water dat wordt gebruikt;

      • 2°. de temperatuur van het water;

      • 3°. de verblijfstijd van het water;

      • 4°. de stilstand van het water;

      • 5°. de aanwezigheid van biofilm en sediment;

    • b. de bedrijfsvoering van de natte koeltoren;

    • c. de effectiviteit van het waterbehandelingsprogramma met betrekking tot legionellabacteriën en biofilmvorming;

    • d. de risico’s voor de omgeving, te bepalen volgens de risicocategorie-indeling in tabel 3.16a.

      Tabel 3.16a. Risicocategorie-indeling voor natte koeltorens

      Risico categorie

      Locatie natte koeltoren

      1 (hoogste risico)

      Natte koeltoren in de nabijheid (< 200 m) van een ziekenhuis, verpleeghuis of andere (medisch georiënteerde) zorginstelling waar mensen verblijven met een verminderd immuunsysteem

      2

      Natte koeltoren in de nabijheid (< 200 m) van verzorgingstehuizen, hotels of andere gebouwen waarin zich veel mensen bevinden

      3

      Natte koeltoren in de nabijheid (< 600 m) van een woonomgeving

      4 (laagste risico)

      Natte koeltoren die op afstand (> 600 m) staat van een woonomgeving

  • 3. Het legionella-beheersplan, bedoeld in het eerste lid, bevat naast een beschrijving van de maatregelen, bedoeld in dat lid, in ieder geval:

    • a. een tekening of schema met de actuele indeling van de natte koeltoren;

    • b. een beschrijving van de juiste en veilige werking van de natte koeltoren;

    • c. een beschrijving van alle uit te voeren controles aan de natte koeltoren, inclusief de controle op de aanwezigheid van Legionella;

    • d. een aanduiding van de waarden van de fysische, chemische en microbiologische parameters inclusief de concentratie aan legionellabacteriën in de natte koeltoren bij het bereiken waarvan maatregelen ter verbetering worden getroffen, alsmede een beschrijving van die maatregelen;

    • e. een beschrijving van de maatregelen die worden genomen bij calamiteiten.

  • 4. De maatregelen, bedoeld in het eerste lid, zijn ten aanzien van het voorkomen of beperken van de risico’s voor de omgeving door legionellabacteriën bij het in bedrijf nemen en hebben van een natte koeltoren doeltreffend indien:

    • a. het ontstaan en de verspreiding van waternevel zoveel mogelijk worden beperkt;

    • b. de stilstand van water in leidingen, reservoirs en appendages zoveel mogelijk wordt vermeden;

    • c. de natte koeltoren en het water dat zich daarin bevindt schoon zijn;

    • d. de vermeerdering van legionellabacteriën zo veel mogelijk wordt beperkt door toepassing van waterbehandelingstechnieken;

    • e. een juiste en veilige werking van de natte koeltoren conform de processpecificaties is gewaarborgd.

  • 5. De risicoanalyse wordt aangepast indien de omstandigheden binnen de inrichting of in de onmiddellijke nabijheid daarvan daartoe aanleiding geven.

  • 6. In het legionella-beheersplan, bedoeld in het eerste lid, wordt aantekening gemaakt van de onderhoudswerkzaamheden die worden verricht, de wijzigingen in de natte koeltoren of het onderhoud, de uitkomsten van controles die worden uitgevoerd, alsmede bijzonderheden over de werking van de natte koeltoren. Deze aantekeningen worden ten minste gedurende drie jaren bewaard.

  • 7. Het bevoegd gezag, kan ten behoeve van het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan, maatwerkvoorschriften stellen ten aanzien van de invulling van het legionella-beheersplan, bedoeld in het eerste lid.

I

Het opschrift van paragraaf 3.3.2 komt te luiden:

§ 3.3.2. Het wassen van motorvoertuigen of carrosserie-onderdelen daarvan

J

Artikel 3.27 komt te luiden:

Artikel 3.27

  • 1. Dit artikel is van toepassing op een inrichting voor zover sprake is van het wassen van motorvoertuigen of carrosserie-onderdelen daarvan als bedoeld in artikel 3.23a van het besluit.

  • 2. Ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico vindt het wassen van motorvoertuigen of carrosserie-onderdelen daarvan plaats boven een vloeistofdichte vloer of verharding. Bij het wassen vrijkomende vloeistoffen lopen niet over de rand van de vloeistofdichte vloer of verharding.

  • 3. Het tweede lid is niet van toepassing indien binnen de inrichting ten hoogste één motorvoertuig, niet zijnde een autobus of een vrachtauto als bedoeld in het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, per week pleegt te worden gewassen.

  • 4. In afwijking van het tweede lid is het toegestaan motorvoertuigen of carrosserie-onderdelen daarvan te wassen in of op een mobiele wasinstallatie die zodanig is uitgevoerd dat vloeistoffen niet in de bodem kunnen geraken.

K

Artikel 3.29 komt te luiden:

Artikel 3.29

  • 1. Ten behoeve van het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan is een opslagtank met propaan die op een bouwplaats is opgesteld en in gebruik is ten behoeve van bouwactiviteiten, voorzover van toepassing, in overstemming met het Warenwetbesluit drukapparatuur en voldoet de opslagtank met propaan voorts aan hoofdstuk 7 van PGS 19.

  • 2. Een opslagtank met propaan die anders dan op een bouwplaats is opgesteld of anders dan ten behoeve van bouwactiviteiten in gebruik is, is, voorzover van toepassing, in overeenstemming met het Warenwetbesluit drukapparatuur en voldoet voorts aan hoofdstuk 2 en de hoofdstukken 4 tot en met 6 van PGS 19.

L

Artikel 3.30, tweede lid, alsmede de aanduiding ‘1’ voor het eerste lid vervallen.

M

Artikel 3.35 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt na ‘een inwendige coating overeenkomstig BRL K779 en’ ingevoegd ‘aangebracht overeenkomstig’ en wordt ‘die is aangelegd overeenkomstig BRL K910’ vervangen door: dat voldoet aan BRL K910.

2. In het tweede lid wordt ‘die is aangelegd overeenkomstig BRL K910’ vervangen door: dat voldoet aan BRL K910.

3. In het vijfde lid vervalt de laatste volzin.

4. Na het negende lid wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 10. In afwijking van het eerste, tweede en vijfde lid, is een inwendige beoordeling bij de keuring van een ondergrondse opslagtank niet noodzakelijk indien deze opslagtank dubbelwandig is uitgevoerd met een systeem voor lekdetectie in de wand. Het systeem voor lekdetectie voldoet aan BRL K910 en wordt ten minste eens per jaar beoordeeld en goedgekeurd overeenkomstig BRL K903.

N

Het opschrift van paragraaf 4.1.1 komt te luiden:

§ 4.1.1. Opslaan van gevaarlijke stoffen en bodembedreigende stoffen in verpakking niet zijnde vuurwerk, vaste kunstmeststoffen en andere ontplofbare stoffen

O

In artikel 4.1, tweede lid, wordt na ‘vloeibare bodembedreigende stoffen in verpakking’, ingevoegd: , afvalstoffen waaruit vloeibare bodembedreigende stoffen kunnen lekken.

P

Artikel 4.3, eerste lid, komt te luiden:

  • 1. Gevaarlijke stoffen en gevaarlijke stoffen in verpakking en CMR stoffen in verpakking worden opgeslagen in een opslagvoorziening die is uitgevoerd overeenkomstig de voorschriften uit de paragrafen 3.1, 3.2 met uitzondering van voorschrift 3.2.1.6 en uit de paragrafen 3.4, 3.7 tot en met 3.20, voorschrift 3.21.1 en paragraaf 3.23 van PGS 15.

Q

Artikel 4.4 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid, onderdeel a, onder 3°, komt te luiden:

  • 3°. de voorschriften van de paragrafen 3.4, 3.7, 3.11 tot en met 3.13, 3.15 tot en met 3.20, voorschrift 3.21.1, 3.23 en de voorschriften van de paragrafen 7.1, 7.3 tot en met 7.6 van PGS 15;

2. Het eerste lid, onderdeel c, onder 3°, komt te luiden:

  • 3°. de voorschriften van de paragrafen 3.4, 3.7, 3.11, 3.15 tot en met 3.20, voorschrift 3.21.1 en de voorschriften van de paragrafen 3.23, 6.2.1 tot en met 6.2.16 van PGS 15.

3. Het vierde lid komt te luiden:

  • 4. Het eerste lid, onderdeel d, en artikel 4.3, eerste lid, zijn niet van toepassing op nieuwe accu’s.

R

Artikel 4.6, eerste lid, onderdeel d, vervalt.

S

Na artikel 4.6 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 4.6a

Gasflessen waarop de artikelen 4.3 en 4.4 niet van toepassing zijn, voldoen aan de voorschriften 6.2.3, 6.2.9 en 6.2.13 van PGS 15.

T

Artikel 4.7 wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding ‘1.’ geplaatst.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 2. De tijdelijke opslag van gevaarlijke stoffen in verpakking en CMR-stoffen in verpakking, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, voldoet aan voorschrift 3.18.1 van PGS 15.

U

Aan artikel 4.10 wordt na het vierde lid een lid toegevoegd, luidende:

  • 5. Het opslaan van afvalstoffen waaruit vloeibare bodembedreigende stoffen kunnen lekken, niet zijnde stukgoederen, vindt plaats in deugdelijke en gesloten verpakking of boven een lekbak.

V

Artikel 4.18, tweede lid, laatste volzin, komt te luiden:

Het systeem voor lekdetectie voldoet aan BRL K910 en wordt ten minste eens per jaar beoordeeld en goedgekeurd overeenkomstig BRL K903.

W

Artikel 4.20 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het derde lid komt te luiden:

  • 3. Met betrekking tot de opstelplaats van een bovengrondse stationaire opslagtank met koolzuur, lucht, argon, helium of stikstof worden ten opzichte van de erfscheiding de volgende afstanden in acht genomen:

    • a. bij een opslagtank tot en met 10 kubieke meter: 1 meter;

    • b. bij een opslagtank van meer dan 10 kubieke meter: 3 meter.

2. Na het achtste lid wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 9. In afwijking van het derde lid, onder b, kan het bevoegd gezag voor een bovengrondse stationaire opslagtank met koolzuur, lucht, argon, helium of stikstof van meer dan 10 kubieke meter bij maatwerkvoorschrift een kleinere afstand ten opzichte van de erfscheiding voorschrijven.

X

Na artikel 4.20 wordt een paragraaf ingevoegd, luidende:

§ 4.1.3.3. Opslaan van propeen

Artikel 4.20a
  • 1. Ten behoeve van het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan voldoet de opslag van propeen aan het tweede tot en met het vierde lid.

  • 2. Een opslagtank met propeen is, voorzover van toepassing, in overeenstemming met het Warenwetbesluit drukapparatuur en voldoet aan hoofdstuk 2 en de hoofdstukken 4 tot en met 6 van PGS 19.

  • 3. Een opslagtank met propeen met toebehoren, leidingen en andere installatieonderdelen wordt gekeurd, herkeurd en onderhouden overeenkomstig NEN-EN 12817 en NPR 2578.

  • 4. Van de bevindingen van de keuringen en herkeuringen, bedoeld in het derde lid, zijn binnen de inrichting gedagtekende verklaringen aanwezig of op een door het bevoegd gezag te stellen termijn beschikbaar gesteld, die zijn afgegeven door of namens degene die de keuringen of herkeuringen heeft uitgevoerd. Deze verklaringen zijn, evenals alle relevante informatie voor een juist gebruik van de installatie en rapportages van uitgevoerd onderhoud en uitgevoerde werkzaamheden, opgenomen of samengevat in een installatieboek.

Y

Het eerste lid van artikel 4.21 komt te luiden:

  • 1. Ten behoeve van het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan zijn bij het parkeren van vervoerseenheden met gevaarlijke stoffen ten minste de binnen de inrichting geparkeerde vervoerseenheden met gevaarlijke stoffen niet toegankelijk voor onbevoegden.

Z

Artikel 4.30 wordt als volgt gewijzigd:

1. In tabel 4.30 wordt ‘Profier’ vervangen door: Porfier.

2. Onder tabel 4.30 wordt ‘*** Maximal 200 mg/kg ds chloride’ vervangen door: *** Maximaal 200 mg/kg ds chloride.

AA

Het opschrift van paragraaf 4.1.7 komt te luiden:

§ 4.1.7. Opslaan van vaste kunstmeststoffen

BB

Artikel 4.35 vervalt.

CC

Artikel 4.37 komt te luiden:

Artikel 4.37

Ten behoeve van het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan voldoet een ammoniakkoelinstallatie ten minste aan:

  • a. de minimale veiligheidsvoorzieningen in relatie tot de hoeveelheid ammoniak van PGS 13, paragraaf 2.2 tot en met 2.5 en de hieraan gerelateerde functionele uitvoeringseisen uit PGS 13, hoofdstuk 4, en

  • b. de voorschriften 3.2.5 tot en met 3.2.9, de voorschriften uit hoofdstuk 5, de voorschriften van paragrafen 8.2 tot en met 8.5, de voorschriften van paragrafen 8.7 tot en met 8.9 en de voorschriften uit hoofdstuk 9 van PGS 13.

DD

Artikel 4.63 komt te luiden:

Artikel 4.63

In deze paragraaf wordt onder het reinigen van metalen niet verstaan het wassen van motorvoertuigen of carrosserie-onderdelen daarvan als bedoeld in paragraaf 3.3.2 en het afspuiten van pleziervaartuigen als bedoeld in paragraaf 4.6.5.

EE

Na artikel 4.84 wordt een afdeling ingevoegd, luidende:

AFDELING 4.5a. ACTIVITEITEN MET BETREKKING TOT NATUURSTEEN OF KUNSTSTEEN

§ 4.5a.1. Mechanische bewerkingen van natuursteen of kunststeen
Artikel 4.84a
  • 1. Ten behoeve van het voorkomen dan wel zoveel mogelijk beperken van diffuse emissies:

    • a. vindt het stralen van natuursteen of kunststeen plaats:

      • 1°. in een daarvoor bestemde en ingerichte gesloten kast, cabine of ruimte; of

      • 2°. met gereedschap dat is uitgerust met een geïntegreerde stofafzuiginstallatie;

    • b. vindt het trommelen van natuursteen of kunststeen plaats in een gesloten installatie;

    • c. wordt totaal stof dat vrijkomt bij de mechanische bewerking van natuursteen of kunststeen, voor zover dat redelijkerwijs mogelijk is, doelmatig aan de bron afgezogen, tenzij gebruik wordt gemaakt van natte werkmethoden die voldoen aan artikel 4.84b, onderdeel a of c;

    • d. vinden reiniging en ontstoffing van apparatuur en werkruimten plaats door gebruik te maken van natte werkmethoden of stofzuigers.

  • 2. Indien het redelijkerwijs niet mogelijk is te stralen als bedoeld in het eerste lid, onder a, vindt het stralen van natuursteen of kunststeen plaats in een gesloten ruimte met gesloten deuren en ramen, waarbij wordt voorkomen dat bij het openen van deuren en ramen stof naar de buitenlucht vrijkomt.

  • 3. Ten behoeve van het doelmatig verspreiden van emissies naar de buitenlucht, worden de afgezogen emissies die vrijkomen bij mechanische bewerking van natuursteen of kunststeen en die naar de buitenlucht worden afgevoerd, bovendaks en omhoog gericht afgevoerd, indien binnen 50 meter van een emissiepunt een gevoelig gebouw is gelegen, niet zijnde een gevoelig gebouw op een gezoneerd industrieterrein, dan wel op een bedrijventerrein met minder dan één gevoelig gebouw per hectare.

  • 4. Het bevoegd gezag kan in het belang van de luchtkwaliteit en met inachtneming van de NeR maatwerkvoorschriften stellen aan de ligging en uitvoering van het afvoerpunt van emissies naar de buitenlucht, bedoeld in het derde lid.

Artikel 4.84b

Aan artikel 4.74b van het besluit wordt in ieder geval voldaan indien:

  • a. mechanische bewerking van natuursteen of kunststeen plaatsvindt met waterkoeling en de waterstraal of het watergordijn zodanig is gedimensioneerd dat geen zichtbare stofvorming optreedt; of

  • b. de afgezogen stofemissies die vrijkomen bij mechanische bewerking van natuursteen of kunststeen worden gevoerd door een filtrerende afscheider, die geschikt is om aan artikel 4.74b van het besluit te voldoen en in goede staat van onderhoud verkeert, periodiek wordt gecontroleerd en zo vaak als voor de goede werking nodig is, wordt schoongemaakt en vervangen; of

  • c. bij mechanische ruimteafzuiging gebruik wordt gemaakt van een waterwand die geschikt is om aan artikel 4.74b van het besluit te voldoen en in goede staat van onderhoud verkeert, periodiek wordt gecontroleerd en zo vaak als voor de goede werking nodig is, wordt schoongemaakt.

§ 4.5a.2. Aanbrengen van lijmen, harsen en coatings op natuursteen of kunststeen
Artikel 4.84c
  • 1. Ten behoeve van het voorkomen dan wel het zoveel mogelijk beperken van diffuse emissies, worden gassen en dampen die vrijkomen bij:

    • a. het aanbrengen van lijmen, harsen en coatings op natuursteen of kunststeen door middel van vernevelen met een nevelspuit,

    • b. het aansluitend aan de onder a genoemde activiteiten drogen dan wel uitharden van met vluchtige organische stoffen behandelde materialen,

    voor zover dat redelijkerwijs mogelijk is, doelmatig aan de bron afgezogen.

  • 2. Ten behoeve van het voorkomen dan wel tot een aanvaardbaar niveau beperken van geurhinder, worden de overeenkomstig het eerste lid, onderdelen a en b, afgezogen gassen en dampen, indien deze op de buitenlucht worden geëmitteerd:

    • a. ten minste twee meter boven de hoogste daklijn van de binnen 25 meter van de uitmonding gelegen gebouwen afgevoerd; of

    • b. geleid door een doelmatige ontgeuringsinstallatie.

  • 3. Het tweede lid is niet van toepassing indien het mogelijke effect van de geuremissie van de uittredende lucht van een afzuiginstallatie beperkt blijft tot een gezoneerd industrieterrein of een bedrijventerrein met minder dan één gevoelig gebouw per hectare.

  • 4. Het bevoegd gezag kan indien blijkt dat de geurhinder een aanvaardbaar niveau overschrijdt vanwege het slecht functioneren van de ontgeuringsinstallatie, onvoldoende verspreiding van afgezogen gassen en dampen, geuremissies die niet via de afzuiging worden afgevoerd of incidentele geurpieken, in aanvulling op het tweede lid, met inachtneming van de NeR maatwerkvoorschriften stellen met betrekking tot:

    • a. de uitvoering en het onderhoud van een ontgeuringsinstallatie als bedoeld in het tweede lid;

    • b. de situering van de afvoerpijp;

    • c. het voorkomen of beperken van diffuse geuremissies; of

    • d. het beperken van incidentele geurpieken tot specifieke tijdstippen.

  • 5. In afwijking van het tweede lid kan het bevoegd gezag indien blijkt dat de geurhinder een aanvaardbaar niveau overschrijdt en de bevoegdheden genoemd in het vierde lid onvoldoende zijn om de overschrijding ongedaan te maken met inachtneming van de NeR maatwerkvoorschriften stellen met betrekking tot de aanwezigheid van een ontgeuringsinstallatie of een grotere afvoerhoogte van de afgezogen gassen en dampen.

Artikel 4.84d

Aan artikel 4.74f van het besluit wordt in ieder geval voldaan indien:

  • a. de afgezogen emissies die vrijkomen bij het aanbrengen van lijmen, harsen of coatings op natuursteen of kunststeen worden gevoerd door een filtrerende afscheider, die geschikt is om aan artikel 4.74f van het besluit te voldoen; en

  • b. de filtrerende afscheider in goede staat van onderhoud verkeert, periodiek gecontroleerd wordt en zo vaak als voor de goede werking nodig is, wordt schoongemaakt en vervangen.

Artikel 4.84e

Ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico vindt bij het aanbrengen van lijmen, harsen of coatings op natuursteen of kunststeen het verwerken van lijmen, harsen, coatings en verdunningsmiddelen alsmede het aanbrengen van coatings op natuursteen of kunststeen plaats boven een bodembeschermende voorziening.

§ 4.5a.3. Chemisch behandelen van natuursteen of kunststeen
Artikel 4.84f
  • 1. Ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico is een dompelbad waarin natuursteen of kunststeen chemisch wordt behandeld, opgesteld boven een lekbak of een vloeistofdichte vloer of verharding, die zich ten minste uitstrekt tot de oppervlakte van het dompelbad en het daarbij behorende uitlekgebied. Onder dit uitlekgebied wordt niet begrepen het gebied waar het natuursteen of kunststeen wordt geplaatst nadat dit is afgespoeld met water of is gespoeld in een bad met water.

  • 2. Een dompelbad dat zich automatisch vult, is voorzien van een doelmatige overvulbeveiliging of overloopbeveiliging.

FF

Het opschrift van paragraaf 4.6.3 komt te luiden:

§ 4.6.3. Afleveren van vloeibare brandstof, mengsmering en aardgas anders dan voor openbare verkoop aan derden voor motorvoertuigen voor het wegverkeer en voor vaartuigen.

GG

In de artikelen 4.88, eerste en tweede lid, 4.90 en 4.91 wordt ‘voor eigen gebruik en verkoop aan derden anders dan openbare verkoop voor motorvoertuigen voor het wegverkeer’ vervangen door:, anders dan bedoeld in de artikelen 3.17, 4.77 tot en met 4.79 van het besluit,.

HH

In artikel 4.93 wordt ‘voor eigen gebruik en verkoop aan derden anders dan openbare verkoop voor motorvoertuigen voor het wegverkeer’ vervangen door: , anders dan bedoeld in artikel 3.17 van het besluit,.

II

In het opschrift van paragraaf 4.6.4 en in artikel 4.95, eerste lid, wordt ‘proefdraaien van motoren’ vervangen door: proefdraaien van verbrandingsmotoren.

JJ

Na artikel 4.102 worden twee paragrafen ingevoegd, luidende:

§ 4.7.1a. Vellenoffset druktechniek

Artikel 4.102a
  • 1. Ten behoeve van het voorkomen dan wel het zoveel mogelijk beperken van diffuse emissies, wordt totaal stof dat vrijkomt bij het gebruik van anti-smetpoeder bij vellenoffsetdrukpersen, voor zover dat redelijkerwijs mogelijk is, doelmatig aan de bron afgezogen.

  • 2. Ten behoeve van het doelmatig verspreiden van emissies naar de buitenlucht, worden de afgezogen stofemissies die vrijkomen bij vellenoffsetdrukpersen en die naar de buitenlucht worden afgevoerd, bovendaks en omhoog gericht afgevoerd, indien binnen 50 meter van een emissiepunt een gevoelig gebouw is gelegen, niet zijnde een gevoelig gebouw op een gezoneerd industrieterrein, dan wel op een bedrijventerrein met minder dan één gevoelig gebouw per hectare.

  • 3. Het bevoegd gezag kan in het belang van de luchtkwaliteit en met inachtneming van de NeR maatwerkvoorschriften stellen aan de ligging en uitvoering van het afvoerpunt van emissies naar de buitenlucht, bedoeld in het tweede lid.

Artikel 4.102b

Aan artikel 4.94 van het besluit wordt in ieder geval voldaan indien:

  • a. het gebruik van anti-smetpoeder minder bedraagt dan 500 kg per jaar; of

  • b. de afgezogen stofemissies die vrijkomen bij vellenoffsetdrukpersen worden gevoerd door een filtrerende afscheider, die geschikt is om aan artikel 4.94 van het besluit te voldoen, in goede staat van onderhoud verkeert, periodiek gecontroleerd wordt en zo vaak als voor de goede werking nodig is, wordt schoongemaakt en vervangen.

Artikel 4.102c
  • 1. Ten behoeve van het voorkomen dan wel het zoveel mogelijk beperken van diffuse emissies, worden gassen en dampen die vrijkomen bij het offsetdrukproces, voor zover dat redelijkerwijs mogelijk is, doelmatig aan de bron afgezogen.

  • 2. Ten behoeve van het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het tot een aanvaardbaar niveau beperken van geurhinder, worden de overeenkomstig het eerste lid afgezogen dampen en gassen, indien deze op de buitenlucht worden geëmitteerd, ten minste twee meter boven de hoogste daklijn van de binnen 25 meter van de uitmonding gelegen gebouwen afgevoerd.

  • 3. Het tweede lid is niet van toepassing indien het mogelijke effect van de geuremissie van de uittredende lucht van een afzuiginstallatie beperkt blijft tot een gezoneerd industrieterrein of een bedrijventerrein met minder dan één gevoelig gebouw per hectare.

  • 4. Het bevoegd gezag kan indien blijkt dat de geurhinder een aanvaardbaar niveau overschrijdt vanwege onvoldoende verspreiding van afgezogen dampen, geuremissies die niet via de afzuiging worden afgevoerd of incidentele geurpieken in aanvulling op het tweede lid met inachtneming van de NeR maatwerkvoorschriften stellen met betrekking tot:

    • a. de situering van de afvoerpijp;

    • b. het voorkomen of beperken van diffuse geuremissies; of

    • c. het beperken van incidentele geurpieken tot specifieke tijdstippen.

Artikel 4.102d
  • 1. Ter uitvoering van artikel 4.94a, eerste lid, van het besluit, past degene die de inrichting drijft:

    • a. bij het toepassen van vluchtige organische stoffen in het vochtwater een zo laag als redelijkerwijs mogelijk gehalte aan vluchtige organische stoffen toe;

    • b. maatregelen ten aanzien van de bedrijfsvoering toe, ter voorkoming van onnodige emissie van vluchtige organische stoffen bij het offsetdrukken en het reinigen van de hierbij gebruikte apparatuur.

  • 2. Ter uitvoering van artikel 4.94a, eerste lid, van het besluit stelt degene die de inrichting drijft een plan op ter reductie van het gebruik van isopropylalcohol of andere vluchtige organische stoffen die aan het vochtwater worden toegevoegd. Dit plan:

    • a. bevat een beschrijving van de getroffen of te treffen maatregelen ter reductie van het gehalte aan isopropylalcohol of andere vluchtige organische stoffen in het vochtwater;

    • b. gaat in op de mogelijkheid tot aanschaf van nieuwe persen, die het gehalte aan vluchtige organische stoffen in het vochtwater zo laag mogelijk maken;

    • c. wordt tweejaarlijks geactualiseerd;

    • d. is voor inzage door het bevoegd gezag beschikbaar.

  • 3. Indien de emissiereducerende maatregelen, bedoeld in het eerste of tweede lid, niet of in onvoldoende mate zijn getroffen, kan het bevoegd gezag verzoeken om een motivering waarom de maatregelen niet zijn getroffen. Bij de motivering wordt betrokken de kosteneffectiviteit en de technische uitvoerbaarheid van de maatregelen.

Artikel 4.102e

Ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico vindt bij het offsetdrukken het verwerken van inkten, verdunningsmiddelen, reinigingsmiddelen en toevoegmiddelen plaats boven een bodembeschermende voorziening.

§ 4.7.1b. Lijmen, coaten en lamineren van papier en karton

Artikel 4.102f
  • 1. Ten behoeve van het voorkomen dan wel het zoveel mogelijk beperken van diffuse emissies, worden gassen en dampen die vrijkomen bij:

    • a. het lijmen, coaten en lamineren van papier of karton met producten welke vluchtige organische stoffen bevatten;

    • b. het aansluitend aan de onder a genoemde activiteiten drogen dan wel uitharden van met vluchtige organische stoffen behandelde materialen,

    voor zover dat redelijkerwijs mogelijk is, doelmatig aan de bron afgezogen.

  • 2. Ten behoeve van het voorkomen dan wel tot een aanvaardbaar niveau beperken van geurhinder, worden de overeenkomstig het eerste lid, onderdelen a en b, afgezogen dampen en gassen, indien deze op de buitenlucht worden geëmitteerd:

    • a. ten minste twee meter boven de hoogste daklijn van de binnen 25 meter van de uitmonding gelegen gebouwen afgevoerd; of

    • b. geleid door een doelmatige ontgeuringsinstallatie.

  • 3. Het tweede lid is niet van toepassing indien het mogelijke effect van de geuremissie van de uittredende lucht van een afzuiginstallatie beperkt blijft tot een gezoneerd industrieterrein of een bedrijventerrein met minder dan één gevoelig gebouw per hectare.

  • 4. Het bevoegd gezag kan indien blijkt dat de geurhinder een aanvaardbaar niveau overschrijdt vanwege het slecht functioneren van de ontgeuringsinstallatie, onvoldoende verspreiding van afgezogen dampen, geuremissies die niet via de afzuiging worden afgevoerd of incidentele geurpieken in aanvulling op het tweede lid met inachtneming van de NeR maatwerkvoorschriften stellen met betrekking tot:

    • a. de uitvoering en het onderhoud van een ontgeuringsinstallatie als bedoeld in het tweede lid;

    • b. de situering van de afvoerpijp;

    • c. het voorkomen of beperken van diffuse geuremissies; of

    • d. het beperken van incidentele geurpieken tot specifieke tijdstippen.

  • 5. In afwijking van het tweede lid kan het bevoegd gezag, indien blijkt dat de geurhinder een aanvaardbaar niveau overschrijdt en de bevoegdheden genoemd in het vierde lid onvoldoende zijn om de overschrijding ongedaan te maken, met inachtneming van de NeR maatwerkvoorschriften stellen met betrekking tot de aanwezigheid van een ontgeuringsinstallatie of een grotere afvoerhoogte van de afgezogen dampen en gassen.

Artikel 4.102g
  • 1. Ter uitvoering van artikel 4.94e, eerste lid, van het besluit past degene die de inrichting drijft bij het lijmen, coaten en lamineren van papier of karton:

    • a. maatregelen ten aanzien van de bedrijfsvoering toe ter voorkoming van onnodige emissie van vluchtige organische stoffen;

    • b. oplosmiddelarme producten toe.

  • 2. Indien de emissiereducerende maatregelen, bedoeld in het eerste lid, niet of in onvoldoende mate zijn getroffen, kan het bevoegd gezag verzoeken om een motivering waarom de maatregelen niet zijn getroffen. Bij de motivering wordt betrokken de kosteneffectiviteit en de technische uitvoerbaarheid van de maatregelen.

Artikel 4.102h

Ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico vindt bij het lijmen, coaten en lamineren van papier of karton het verwerken van lijmen en coatings plaats boven een bodembeschermende voorziening.

KK

Na artikel 4.104 worden drie paragrafen ingevoegd, luidende:

§ 4.7.3. Mechanisch verwerken van textiel

Artikel 4.104a
  • 1. Ten behoeve van het voorkomen dan wel het zoveel mogelijk beperken van diffuse emissies, wordt totaal stof dat vrijkomt bij het geautomatiseerd weven, spinnen en breien van textiel, voor zover dat redelijkerwijs mogelijk is, doelmatig aan de bron afgezogen.

  • 2. Ten behoeve van het doelmatig verspreiden van emissies naar de buitenlucht, worden de afgezogen emissies die vrijkomen bij het geautomatiseerd weven, spinnen en breien van textiel en die naar de buitenlucht worden afgevoerd, bovendaks en omhoog gericht afgevoerd, indien binnen 50 meter van een emissiepunt een gevoelig gebouw is gelegen, niet zijnde een gevoelig gebouw op een gezoneerd industrieterrein, dan wel op een bedrijventerrein met minder dan één gevoelig gebouw per hectare.

  • 3. Het bevoegd gezag kan in het belang van de luchtkwaliteit en met inachtneming van de NeR maatwerkvoorschriften stellen aan de ligging en uitvoering van het afvoerpunt van emissies naar de buitenlucht, bedoeld in het tweede lid.

Artikel 4.104b

Aan artikel 4.103a van het besluit wordt in ieder geval voldaan indien:

  • a. de afgezogen stofemissies die vrijkomen bij het geautomatiseerd weven, spinnen en breien van textiel worden gevoerd door een filtrerende afscheider, die geschikt is om aan artikel 4.103a van het besluit te voldoen; en

  • b. de filtrerende afscheider in goede staat van onderhoud verkeert, periodiek gecontroleerd wordt en zo vaak als voor de goede werking nodig is, wordt schoongemaakt en vervangen.

§ 4.7.4. Lassen van textiel

Artikel 4.104c
  • 1. Ten behoeve van het doelmatig verspreiden van emissies naar de buitenlucht worden afgezogen dampen en gassen van een ruimte waarin textiel wordt gelast, bovendaks afgevoerd, indien binnen 50 meter van een emissiepunt een gevoelig gebouw is gelegen, niet zijnde een gevoelig gebouw op een gezoneerd industrieterrein of op een bedrijventerrein met minder dan één gevoelig gebouw per hectare.

  • 2. Het bevoegd gezag kan in het belang van de luchtkwaliteit met inachtneming van de NeR maatwerkvoorschriften stellen aan de ligging en uitvoering van het afvoerpunt van de emissies naar de buitenlucht, bedoeld in het eerste lid.

§ 4.7.5. Lijmen en coaten van textiel

Artikel 4.104d
  • 1. Ten behoeve van het voorkomen dan wel zoveel mogelijk beperken van diffuse emissies worden dampen en gassen die vrijkomen bij:

    • a. het coaten en lijmen van textiel door middel van vernevelen van vluchtige organische stoffen met een nevelspuit;

    • b. het aansluitend aan de onder a genoemde activiteiten, drogen dan wel uitharden van met vluchtige organische stoffen behandelde materialen,

    voor zover dat redelijkerwijs mogelijk is, doelmatig aan de bron afgezogen.

  • 2. Ten behoeve van het voorkomen dan wel tot een aanvaardbaar niveau beperken van geurhinder worden de overeenkomstig het eerste lid, onderdelen a en b, afgezogen dampen en gassen, die op de buitenlucht worden geëmitteerd:

    • a. ten minste twee meter boven de hoogste daklijn van de binnen 25 meter van de uitmonding gelegen gebouwen afgevoerd; of

    • b. geleid door een doelmatige ontgeuringsinstallatie.

  • 3. Het tweede lid is niet van toepassing indien het mogelijke effect van de geuremissie van de uittredende lucht van een afzuiginstallatie beperkt blijft tot een gezoneerd industrieterrein of een bedrijventerrein met minder dan één gevoelig gebouw per hectare.

  • 4. Het bevoegd gezag kan indien blijkt dat de geurhinder een aanvaardbaar niveau overschrijdt vanwege het slecht functioneren van de ontgeuringsinstallatie, onvoldoende verspreiding van afgezogen dampen, geuremissies die niet via de afzuiging worden afgevoerd of incidentele geurpieken met inachtneming van de NeR in aanvulling op het tweede lid maatwerkvoorschriften stellen met betrekking tot:

    • a. de uitvoering en het onderhoud van een ontgeuringsinstallatie als bedoeld in het tweede lid;

    • b. de situering van de afvoerpijp;

    • c. het voorkomen of beperken van diffuse geuremissies; of

    • d. het beperken van incidentele geurpieken tot specifieke tijdstippen.

  • 5. In afwijking van het tweede lid kan het bevoegd gezag indien blijkt dat de geurhinder een aanvaardbaar niveau overschrijdt en de bevoegdheden genoemd in het vierde lid onvoldoende zijn om de overschrijding ongedaan te maken met inachtneming van de NeR maatwerkvoorschriften stellen met betrekking tot de aanwezigheid van een ontgeuringsinstallatie of een grotere afvoerhoogte van de afgezogen dampen en gassen.

Artikel 4.104e

Aan artikel 4.103d van het besluit wordt in ieder geval voldaan indien:

  • a. de afgezogen stofemissies die vrijkomen bij het coaten en lijmen van textiel door middel van vernevelen met een nevelspuit worden gevoerd door een filtrerende afscheider die geschikt is om aan artikel 4.103d van het besluit te voldoen; en

  • b. die filtrerende afscheider in goede staat van onderhoud verkeert, periodiek gecontroleerd wordt en zo vaak als voor de goede werking nodig is, wordt schoongemaakt en vervangen.

Artikel 4.104f
  • 1. Ter uitvoering van artikel 4.103e, eerste lid, van het besluit, past degene die de inrichting drijft bij het lijmen en coaten van textiel:

    • a. maatregelen toe ten aanzien van de bedrijfsvoering ter voorkoming van onnodige emissie van vluchtige organische stoffen;

    • b. oplosmiddelarme producten en efficiënte applicatiemethoden toe.

  • 2. Indien de emissiereducerende maatregelen, bedoeld in het eerste lid, niet of in onvoldoende mate zijn getroffen, kan het bevoegd gezag verzoeken om een motivering waarom de maatregelen niet zijn getroffen. Bij de motivering wordt betrokken de kosteneffectiviteit en de technische uitvoerbaarheid van de maatregelen.

Artikel 4.104g

Ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico vinden bij het lijmen en coaten van textiel het verwerken van lakken, verdunners en lijmen en het reinigen van spuitapparatuur plaats boven een bodembeschermende voorziening.

LL

Onder vernummering van de opschriften van de paragrafen 4.8.1 tot en met 4.8.5 tot 4.8.2 tot en met 4.8.6 wordt na het opschrift van Afdeling 4.8 een paragraaf ingevoegd, luidende:

§ 4.8.1. Inwendig reinigen van tanks, tankwagens, vrachtwagens en andere transportmiddelen

Artikel 4.104h

Ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico wordt bij het inwendig reinigen en ontsmetten van vrachtwagens en andere transportmiddelen het afvalwater van de vrachtwagen naar het afvoerpunt afgevoerd via een vloeistofdichte vloer of verharding, waarbij ervoor wordt gezorgd dat geen afvalwater buiten de vloer of voorziening terecht kan komen.

MM

In artikel 4.107, vierde lid, onder b, wordt ‘de afvoerpijp’ vervangen door: het emissiepunt.

NN

Het opschrift van paragraaf 4.8.4 (nieuw) komt te luiden:

§ 4.8.4. Slachten van dieren, uitsnijden van vlees en vis en bewerken van dierlijke bijproducten

OO

Artikel 4.108 komt te luiden:

Artikel 4.108

  • 1. Ten behoeve van het voorkomen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het tot een aanvaardbaar niveau beperken van geurhinder:

    • a. wordt bij het slachten van dieren ten minste vaste dierlijke mest die vrijkomt bij het slachten opgeslagen in afgesloten, lekvrije tonnen of bakken;

    • b. worden afgezogen dampen en gassen van het broeien of koken van dierlijke bijproducten, indien deze op de buitenlucht worden geëmitteerd:

      • 1°. ten minste twee meter boven de hoogste daklijn van de binnen 25 meter van de uitmonding gelegen gebouwen afgevoerd; of

      • 2°. geleid door een doelmatige ontgeuringsinstallatie.

  • 2. Het bevoegd gezag kan indien blijkt dat de geurhinder een aanvaardbaar niveau overschrijdt vanwege het slecht functioneren van de ontgeuringsinstallatie, onvoldoende verspreiding van afgezogen dampen, geuremissie die niet via de afzuiging wordt afgevoerd of incidentele geurpieken in aanvulling op het eerste lid, onder b, met inachtneming van de NeR maatwerkvoorschriften stellen met betrekking tot:

    • a. de uitvoering en het onderhoud van een ontgeuringsinstallatie als bedoeld in het eerste lid, onder b;

    • b. de situering van de afvoerpijp;

    • c. het voorkomen of beperken van diffuse geuremissies; of

    • d. het beperken van incidentele geurpieken tot specifieke tijdstippen.

  • 3. In afwijking van het eerste lid, onder b, kan het bevoegd gezag indien blijkt dat de geurhinder een aanvaardbaar niveau overschrijdt en de bevoegdheden genoemd in het tweede lid onvoldoende zijn om de overschrijding ongedaan te maken met inachtneming van de NeR maatwerkvoorschriften stellen met betrekking tot de aanwezigheid van een ontgeuringsinstallatie of een grotere afvoerhoogte van de afgezogen dampen en gassen.

PP

Na artikel 4.108 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 4.108a

  • 1. Ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico vindt het pekelen plaats boven een bodembeschermende voorziening.

  • 2. Ten behoeve van het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam en ter bescherming van de doelmatige werking van voorzieningen voor het beheer van afvalwater worden bij het pekelen ten minste de gemorste of gelekte stoffen zoveel mogelijk zonder verder toevoegen van water opgeruimd en afgevoerd als afvalstof en wordt zoveel mogelijk voorkomen dat deze stoffen in het afvalwater terecht kunnen komen. Deze werkwijze wordt opgenomen in de bedrijfsinterne procedures en werkinstructies, bedoeld in artikel 2.3, tweede lid.

QQ

Artikel 4.109 komt te luiden:

Artikel 4.109

Ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico vindt het met een acculader laden van een accu die vloeibare bodembedreigende stoffen bevat plaats boven een bodembeschermende voorziening.

RR

Na artikel 4.110 worden drie paragrafen ingevoegd, luidende:

§ 4.8.7. Traditioneel schieten

Artikel 4.111
  • 1. Ten behoeve van het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan, wordt bij het traditioneel schieten ten minste voldaan aan het vierde tot en met het zevende lid.

  • 2. Ten behoeve van het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de belasting van de bodem wordt bij het traditioneel schieten voldaan aan het derde, het vierde en het zevende lid.

  • 3. Indien bij het schieten hulzen van verschoten munitie vrijkomen, vindt het schieten plaats boven een bodembeschermende voorziening.

  • 4. Het schieten vindt op zodanige wijze plaats dat alle afgeschoten kogels worden opgevangen in een voorziening. De voorziening is opgesteld boven een bodembeschermende voorziening.

  • 5. Gedurende de periode dat wordt geschoten bevinden zich geen personen of veediersoorten in de onveilige zone, uitgezonderd de schutter, de baancommandant en één of meerdere door de baancommandant aangewezen personen. De onveilige zone omvat de oppervlakte van een rechthoek van 2 meter aan weerszijde van de voorziening waarin de afgeschoten kogels worden opgevangen, bedoeld in het vierde lid, bij 8 meter. De zone bevindt zich aan de zijde waar op het doel wordt geschoten.

  • 6. In afwijking van het vijfde lid omvat de onveilige zone bij het schieten op een houten blok of knoest met kogels van kalibernummer 16 of kleiner de oppervlakte van een halve cirkel met een straal van 25 meter met het doel waarop wordt geschoten als middelpunt. De zone bevindt zich aan de zijde waar op het doel wordt geschoten.

  • 7. In afwijking van het vierde tot en met het zesde lid kan het bevoegd gezag bij de viering van festiviteiten maatwerkvoorschriften stellen ten behoeve van het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de belasting van de bodem en met betrekking tot de onveilige zone.

  • 8. De dagen of dagdelen waarop festiviteiten als bedoeld in het zevende lid plaatsvinden worden door het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift aangewezen, waarbij het aantal aan te wijzen dagen of dagdelen niet meer dan twaalf per kalenderjaar bedraagt.

§ 4.8.8. In werking hebben van een crematorium en in gebruik hebben van een strooiveld

Artikel 4.112
  • 1. Ten behoeve van het zo volledig mogelijk verbranden van rookgassen en het zo veel mogelijk beperken van het ontstaan van stikstofdioxiden, wordt bij het inwerking hebben van een crematieoven voldaan aan het tweede tot en met het negende lid.

  • 2. Een crematieoven is voorzien van een naverbrandingsruimte voorzien van een naverbrander, waarin de rookgassen uit de hoofdkamer worden naverbrand.

  • 3. Bij het in werking hebben van een crematieoven wordt de vorming van stikstofoxiden beperkt door het toepassen van een low-NOX brander in de hoofdkamer van de oven en de naverbrander in de naverbrandingsruimte.

  • 4. In de naverbrandingsruimte, bedoeld in het tweede lid, vindt een zodanige menging van de rookgassen plaats dat deze zo volledig mogelijk worden verbrand.

  • 5. Op verzoek van het bevoegd gezag wordt aangetoond dat het ontwerp van de crematieoven zodanig is, dat onder normale bedrijfsomstandigheden de verblijftijd van de afgassen in de naverbrandingsruimte ten minste 1,5 seconde bedraagt bij een temperatuur van ten minste 800 graden Celsius.

  • 6. De temperatuur van de rookgassen in de naverbrandingsruimte wordt door middel van een brander boven de 800 graden Celsius gehouden. Hiertoe is de brander van een automatische regeling voorzien.

  • 7. Het zuurstofgehalte in de naverbrandingsruimte bedraagt ten minste 6%. Kortdurende onderschrijdingen van dit gehalte zijn toegestaan met dien verstande dat deze onderschrijdingen nooit langer dan één minuut duren en dat het zuurstofgehalte altijd boven de 3% blijft.

  • 8. De temperatuur en het zuurstofgehalte in de naverbrandingsruimte worden continu gemeten en geregistreerd.

  • 9. Uiterlijk zes maanden na in gebruikname van de installatie en daarna jaarlijks wordt de goede werking van de installatie gecontroleerd door een deskundige. Hierbij wordt ten minste de werking van de automatische regelingen en de continue meetapparatuur gecontroleerd.

Artikel 4.113
  • 1. Aan artikel 4.119 van het besluit wordt in ieder geval voldaan indien:

    • a. de afgezogen emissies die vrijkomen bij crematieprocessen worden gevoerd door een adsorptiemedium en filtrerende afscheider, welke combinatie geschikt is om aan artikel 4.119 van het besluit te voldoen; en

    • b. het adsorptiemedium en filtrerende afscheider in goede staat van onderhoud verkeren, periodiek worden gecontroleerd en zo vaak als voor de goede werking nodig is, worden schoongemaakt en vervangen.

  • 2. Bij het ontwerp, de uitvoering en het onderhoud van het adsorptiemedium en de filtrerende afscheider, bedoeld in het eerste lid, is rekening gehouden met het voorkomen van dioxine- en furanenvorming in het filter, en het afvangen van de eventueel in de afgassen aanwezige dioxinen en furanen.

  • 3. Het afgevangen stof uit de filtrerende afscheider mag niet als crematie-as worden behandeld, maar wordt afgegeven aan een daartoe erkende inzamelaar.

  • 4. Bij de berekening van een emissieconcentratie wordt deze betrokken op een zuurstofgehalte van 11% onder normaalcondities en voor droog rookgas.

Artikel 4.114
  • 1. Ten behoeve van het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de belasting van de bodem wordt bij het verstrooien van crematie-as op een strooiveld voldaan aan het tweede tot en met het negende lid.

  • 2. Verstrooiing van crematie-as geschiedt gelijkmatig en zodanig dat de as niet door verwaaiing buiten het terrein van de inrichting of het strooiveld terechtkomt of terecht kan komen.

  • 3. Indien er meer dan 90 maar minder dan 370 verstrooiingen per hectare per jaar plaatsvinden, worden de volgende maatregelen getroffen:

    • a. het onderzoek naar de bodemkwaliteit, bedoeld in artikel 2.11, eerste lid, van het besluit, vindt tevens plaats voordat een strooiveld in gebruik wordt genomen. Een rapport met de resultaten van het onderzoek wordt uiterlijk binnen drie maanden nadat het strooiveld in gebruik is genomen, toegestuurd aan het bevoegd gezag;

    • b. onverminderd artikel 2.11, tweede en derde lid, van het besluit, wordt ten minste eenmaal per 25 jaar de bodemkwaliteit ter plaatse van het strooiveld bepaald. Een rapport met de resultaten van het onderzoek wordt uiterlijk binnen drie maanden na uitvoering van het onderzoek toegestuurd aan het bevoegd gezag;

    • c. de immissie van fosfaat naar de bodem wordt bepaald door middel van uitloogproeven. Deze proeven worden uitgevoerd op een representatief bodemmonster van het strooiveld. Deze bepaling wordt uiterlijk binnen drie maanden na oprichting van het strooiveld en daarna telkens tenminste eenmaal per 25 jaar verricht. De immissie is niet hoger dan 1.000 milligram per vierkante meter per jaar.

  • 4. Indien er meer dan 370 verstrooiingen per hectare per jaar plaatsvinden, worden de volgende maatregelen getroffen:

    • a. het onderzoek naar de bodemkwaliteit, bedoeld in artikel 2.11, eerste lid, van het besluit, vindt tevens plaats voordat een strooiveld in gebruik wordt genomen. Een rapport met de resultaten van het onderzoek wordt uiterlijk binnen drie maanden nadat het strooiveld in gebruik is genomen, toegestuurd aan het bevoegd gezag;

    • b. onverminderd artikel 2.11, tweede en derde lid, van het besluit, wordt ten minste eenmaal per vijf jaar de bodemkwaliteit ter plaatse van het strooiveld bepaald. Een rapport met de resultaten van het onderzoek wordt uiterlijk binnen drie maanden na uitvoering van het onderzoek toegestuurd aan het bevoegd gezag;

    • c. de immissie van fosfaat naar de bodem wordt bepaald door middel van uitloogproeven. Deze proeven worden uitgevoerd op een representatief bodemmonster van het strooiveld. Deze bepaling wordt uiterlijk binnen drie maanden na oprichting van het strooiveld en daarna telkens tenminste eenmaal per vijf jaar verricht. De immissie is niet hoger dan 1.000 milligram per vierkante meter per jaar.

  • 5. Indien er meer dan 3200 verstrooiingen per hectare per jaar plaatsvinden, kan het bevoegd gezag maatwerkvoorschriften stellen ten aanzien van het voorkomen dan wel zoveel mogelijk beperken van de belasting van de bodem.

  • 6. De onderzoeken en rapporten, bedoeld in het derde en het vierde lid, worden uitgevoerd onderscheidenlijk opgesteld door een persoon of een instelling die daartoe beschikt over een erkenning op grond van het Besluit bodemkwaliteit.

  • 7. De bepaling van de onderzoeksstrategie bij de bepaling van de bodemkwaliteit, bedoeld in het derde en het vierde lid, gebeurt conform NEN 5740.

  • 8. Indien uit rapporten als bedoeld in het derde en het vierde lid blijkt dat de belasting van de bodem is toegenomen ten opzichte van de eerder vastgestelde kwaliteit van de bodem wordt overeenkomstig artikel 2.11, vijfde lid, van het besluit, de bodemkwaliteit hersteld.

  • 9. Bij het gebruik van wisselvelden kan het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift in afwijking van het derde lid, onderdelen b en c, en het vierde lid, onderdelen b en c, een afwijkende onderzoeksfrequentie voorschrijven voor het bepalen van de bodemkwaliteit en het bepalen van de immissie van fosfaat.

Artikel 4.115
  • 1. Binnen de inrichting is een logboek of systeem aanwezig waarin de volgende zaken worden vastgelegd:

    • a. de onderhouds- en controleresultaten, bedoeld in artikel 4.112, negende lid, en de meetwaarden, bedoeld in artikel 4.112, achtste lid;

    • b. de opgetreden storingen of andere onregelmatigheden die van invloed kunnen zijn op de luchtemissie, onder vermelding van de datum, het tijdstip en de aard van de storing alsmede de genomen acties om de storing ongedaan te maken en voor de toekomst te voorkomen;

    • c. de gebruiksintensiteit van de strooivelden, bedoeld in artikel 4.114, derde, vierde en vijfde lid;

    • d. de rapporten, bedoeld in artikel 4.114, derde en vierde lid.

  • 2. Het logboek is voor inzage door het bevoegd gezag beschikbaar.

§ 4.8.9. In werking hebben van een laboratorium of een praktijkruimte

Artikel 4.116
  • 1. Ten behoeve van de bescherming van het milieu wordt bij het lozen van afvalwater afkomstig van een laboratorium of een praktijkruimte op het vuilwaterriool ten minste voldaan aan het tweede tot en met het vierde lid.

  • 2. Degene die de inrichting drijft, stelt gedragsvoorschriften op en treft voorzieningen die zijn gericht op het voorkomen van nadelige gevolgen voor het milieu van het lozen van afvalwater en draagt er zorg voor dat de gedragsvoorschriften worden nageleefd.

  • 3. De gedragsvoorschriften en voorzieningen, bedoeld in het tweede lid, geven ten minste uitwerking aan:

    • a. de wijze waarop invulling wordt gegeven aan een inzamelsysteem voor bepaalde categorieën van stoffen en preparaten die niet mogen worden geloosd vanuit het oogpunt van doelmatig kunnen inzamelen en verwerken elders;

    • b. de wijze waarop invulling wordt gegeven aan voorlichting van het personeel over het inzamelsysteem, bedoeld onder a;

    • c. de wijze waarop invulling wordt gegeven aan maatregelen die voortkomen uit de preventieve aanpak;

    • d. de inhoud van een registratiesysteem met betrekking tot de aanwezige stoffen.

  • 4. Het bevoegde gezag kan indien het belang van de bescherming van het milieu daartoe noodzaakt, maatwerkvoorschriften stellen ten aanzien van de invulling van de gedragsvoorschriften en voorzieningen, bedoeld in het tweede lid.

Artikel 4.117
  • 1. Ten behoeve van het voorkomen dan wel beperken van diffuse emissies:

    • a. past degene die de inrichting drijft maatregelen ten aanzien van de bedrijfsvoering toe ter voorkoming van onnodige emissie van stoffen naar de lucht;

    • b. worden stof, rook en dampen die vrijkomen bij activiteiten in een laboratorium of praktijkruimte voor zover dat redelijkerwijs mogelijk is, doelmatig aan de bron afgezogen.

  • 2. Ten behoeve van het doelmatig verspreiden van emissies naar de buitenlucht, worden voor zover het afgezogen emissies betreft die vrijkomen bij activiteiten in een laboratorium of praktijkruimte, die naar de buitenlucht worden afgevoerd, bovendaks en omhoog gericht afgevoerd, indien binnen 50 meter van een emissiepunt een gevoelig gebouw, niet zijnde een gevoelig gebouw op een gezoneerd industrieterrein dan wel op een bedrijventerrein met minder dan één gevoelig gebouw per hectare, is gelegen.

  • 3. Het bevoegd gezag kan in het belang van de luchtkwaliteit met inachtneming van de NeR maatwerkvoorschriften stellen aan de ligging en uitvoering van het afvoerpunt van de emissies naar de buitenlucht, bedoeld in het tweede lid.

Artikel 4.118

Aan artikel 4.125, eerste lid, van het besluit wordt in ieder geval voldaan indien:

  • a. de afgezogen stofemissies die vrijkomen bij laboratoriumproeven worden gevoerd door een filtrerende afscheider of elektrostatische filterinstallatie die geschikt is om aan artikel 4.125, eerste lid van het besluit te voldoen; en

  • b. die filtrerende afscheider of elektrostatisch filter in goede staat van onderhoud verkeert, deze periodiek gecontroleerd wordt en zo vaak als voor de goede werking nodig is, wordt schoongemaakt en vervangen.

Artikel 4.119
  • 1. Aan artikel 4.125, tweede lid, van het besluit wordt in ieder geval voldaan indien het verbruik aan stoffen ingedeeld in de klassen gA1, gA2, gA3, gO1, gO2 en gO3 in kilogram per jaar lager is dan de in artikel 2.6 van het besluit voor de betreffende stofklasse genoemde vrijstellingsgrens en de som van de stoffen ingedeeld in de klassen gO1, gO2 en gO3 niet meer bedraagt dan 250 kilogram per jaar.

  • 2. Tevens wordt in ieder geval aan artikel 4.125, tweede lid, van het besluit voldaan indien:

    • a. de afgezogen emissies die vrijkomen bij laboratoriumproeven met stoffen ingedeeld in de klassen gA1, gA2 en gA3 worden gevoerd door een gaswasser, aërosolfilter of mistfilter die geschikt is om aan de emissieconcentratie-eisen genoemd in artikel 4.125, tweede lid, van het besluit te voldoen, en

    • b. de gaswasser, aërosolfilter of mistfilter, bedoeld onder a, in goede staat van onderhoud verkeert, periodiek gecontroleerd wordt en zo vaak als voor de goede werking nodig is wordt schoongemaakt, en

    • c. de afgezogen emissies die vrijkomen bij laboratoriumproeven met stoffen ingedeeld in de klassen gO1, gO2 en gO3 worden gevoerd door een adsorptiefilter die in goede staat van onderhoud verkeert, periodiek gecontroleerd wordt en zo vaak als voor de goede werking nodig is, wordt schoongemaakt.

Artikel 4.120
  • 1. Ten behoeve van het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan wordt bij het gericht werken met biologische agentia in een laboratorium of praktijkruimte ten minste voldaan aan het tweede tot en met het vierde lid.

  • 2. Degene die de inrichting drijft, stelt gedragsvoorschriften op en treft voorzieningen die zijn gericht op het voorkomen van het vrijkomen van het biologisch agens en draagt ervoor zorg dat de gedragsvoorschriften worden nageleefd.

  • 3. De gedragsvoorschriften, bedoeld in het tweede lid, zijn te allen tijde voor inzage door het bevoegd gezag beschikbaar.

  • 4. Het bevoegd gezag kan ten behoeve van het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan maatwerkvoorschriften stellen ten aanzien van:

    • a. de ruimten waar gericht gewerkt wordt met een biologisch agens die is of wordt ingedeeld in groep 2 of een biologisch agens dat behoort tot een soort die is opgenomen in bijlage 3;

    • b. de invulling van gedragsvoorschriften en voorzieningen als bedoeld in het tweede lid.

  • 5. Voor de groepsindeling, bedoeld in het vierde lid, onder a, wordt aangesloten bij de indeling in risico-groepen van richtlijn nr. 2000/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 september 2000 betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico’s van blootstelling aan biologische agentia op het werk.

Artikel 4.121

Ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico vinden activiteiten in een laboratorium waarbij vloeibare bodembedreigende stoffen worden gebruikt of kunnen vrijkomen, plaats boven een bodembeschermende voorziening.

SS

Na artikel 6.5 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 6.5a

In afwijking van artikel 3.29 is een opslagtank met propaan, die in gebruik is genomen voor de inwerkingtreding van artikel 4.20a, gelegen op een afstand van ten minste vijf meter ten opzichte van een ander tot de inrichting behorende opslagtank met propaan.

TT

Artikel 6.7 komt te luiden:

Artikel 6.7

  • 1. Ten aanzien van inrichtingen waarvoor onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van het van toepassing worden van artikel 1.4, eerste, tweede of derde lid, van het besluit, op die inrichtingen, een vergunning in werking en onherroepelijk was, dan wel voorschriften golden op basis van één van de besluiten, genoemd in artikel 6.43 van het besluit, zijn de artikelen 3.15, eerste lid, 4.31, eerste lid, 4.38, tweede lid, 4.40, derde lid, 4.44, tweede lid, 4.46, derde lid, 4.50, tweede lid, 4.55, tweede lid, 4.57, tweede lid, 4.60, tweede lid, 4.64, derde lid, 4.68, vierde lid, 4.71, tweede lid, 4.74, tweede lid, 4.77, tweede lid, 4.81, tweede lid, 4.84a, derde lid, 4.96, eerste lid, 4.102a, tweede lid, 4.104a, tweede lid, 4.104c, eerste lid, en 4.117, tweede lid, niet van toepassing voor zover er geen verandering van de inrichting plaatsvindt waarvoor een melding krachtens artikel 1.10 van het besluit nodig is en voor zover er geen verandering van de inrichting plaatsvindt die leidt tot een toename van emissies als bedoeld in de genoemde artikelen of van de wijze van afvoer van die emissies naar de buitenlucht.

  • 2. In afwijking van het eerste lid kan het bevoegd gezag maatwerkvoorschriften als bedoeld in de artikelen 3.15, tweede lid, 4.31, tweede lid, 4.38, derde lid, 4.40, vijfde lid, 4.44, derde lid, 4.46, vijfde lid, 4.50, derde lid, 4.55, derde lid, 4.57, derde lid, 4.60, derde lid, 4.64, vijfde lid, 4.68, vijfde lid, 4.71, derde lid, 4.74, derde lid, 4.77, derde lid, 4.81, derde lid, 4.84a, vierde lid, 4.96, tweede lid, 4.102a, derde lid, 4.104a, derde lid, 4.104c, tweede lid en 4.117, derde lid stellen.

UU

Artikel 6.8 komt te luiden:

Artikel 6.8

  • 1. Ten aanzien van inrichtingen waarvoor onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van het van toepassing worden van artikel 1.4, eerste of tweede lid, van het besluit, op die inrichtingen, een vergunning in werking en onherroepelijk was, dan wel voorschriften golden op basis van één van de besluiten, genoemd in artikel 6.43 van het besluit, zijn de artikelen 4.40, vierde lid, 4.46, vierde lid, 4.64, vierde lid, 4.68, zesde lid, 4.84c, tweede lid, 4.100, eerste lid, 4.102c, tweede lid, 4.102f, tweede lid, 4.104d, tweede lid, 4.107, eerste lid, en 4.108, eerste lid, niet van toepassing, voor zover er geen verandering van de inrichting plaatsvindt waarvoor een melding krachtens artikel 1.10 van het besluit nodig is en voor zover er geen verandering van de inrichting plaatsvindt die leidt tot een toename van de geurbelasting op gevoelige gebouwen.

  • 2. In afwijking van het eerste lid kan het bevoegd gezag maatwerkvoorschriften als bedoeld in de artikelen 4.40, zevende en achtste lid, 4.46, zevende en achtste lid, 4.64, zevende en achtste lid, 4.68, achtste en negende lid, 4.84c, vierde en vijfde lid, 4.100, derde lid, 4.102c, vierde lid, 4.102f, vierde en vijfde lid, 4.104d, vierde en vijfde lid, 4.107, vierde lid, en 4.108, tweede en derde lid stellen.

  • 3. In afwijking van het eerste lid, kan het bevoegd gezag indien blijkt dat de geurhinder een aanvaardbaar niveau overschrijdt met inachtneming van de NeR bij maatwerkvoorschrift bepalen dat artikel 4.107, eerste lid, wel van toepassing is.

VV

Na artikel 6.11 worden twee artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 6.11a

  • 1. In afwijking van artikel 4.114, derde lid, onder b en c, geldt voor strooivelden die voor de inwerkingtreding van dat artikel in gebruik zijn genomen, dat het onderzoek naar de bodemkwaliteit en de bepaling van de immissie van fosfaat naar de bodem in ieder geval wordt uitgevoerd binnen 25 jaar, nadat het strooiveld in gebruik is genomen, dan wel, indien het strooiveld meer dan 25 jaar voor inwerkingtreding van dat artikel in gebruik is genomen, binnen zes maanden na de datum van inwerkingtreding van dat artikel en daarna telkens tenminste eenmaal per 25 jaar.

  • 2. In afwijking van artikel 4.114, vierde lid, onder b en c, geldt voor strooivelden die voor de datum van inwerkingtreding van dat artikel in gebruik zijn genomen, dat het onderzoek naar de bodemkwaliteit en de bepaling van de immissie van fosfaat naar de bodem in ieder geval wordt uitgevoerd binnen vijf jaar nadat het strooiveld in gebruik is genomen, dan wel, indien het strooiveld meer dan vijf jaar voor inwerkingtreding van dat artikel in gebruik is genomen, binnen zes maanden na inwerkingtreding van dat artikel, en daarna telkens tenminste eenmaal per vijf jaar.

Artikel 6.11b

  • 1. Artikel 4.111, vierde tot en met zesde lid, zijn tot 1 januari 2011 niet van toepassing op een inrichting waarop onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel 4.111 een vergunning in werking en onherroepelijk was en in de vergunning geen voorziening is voorgeschreven als bedoeld in artikel 4.111, vierde lid.

  • 2. Ten aanzien van een inrichting als bedoeld in het eerste lid blijven, in afwijking van artikel 4.111, vierde tot en met zesde lid, de voorschriften van de vergunning ten behoeve van het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de belasting van de bodem en met betrekking tot de onveilige zone tot 1 januari 2011 van toepassing.

WW

In het derde lid van artikel 6.15 wordt ‘Afdeling 2.2 en bijlage 1 treden in werking met ingang van 1 juli 2010’ vervangen door: Afdeling 2.2 en bijlage 1 treden in werking met ingang van 1 juli 2011.

XX

Na bijlage 2 wordt een bijlage toegevoegd, luidende:

BIJLAGE 3

Lijst met dierpathogenen
Virussen:

Naam ziekte (Engelse benaming)

Gevoelige diersoort o.a.

Virus naam

Species

Genus

Subfamily

Familie

Inschaling 2008 dierpathogenen

2000/54/EG (humaan)

* Runderpest (Rinderpest)

Runderen

Rinderpest virus

Rinderpest virus

Morbillivirus

Paramyxovirinae

Paramyxoviridae

4

 

* Mond- en Klauwzeer (Foot and mouth disease)

Varkens, runderen, schapen

Foot-and-mouth disease virus (verschillende typen)

Foot-and-mouth disease virus (verschillende typen)

Aphthovirus

 

Picornaviridae

4

 

* Klassieke varkenspest (Hog cholera, Classical swine fever)

Varkens

Classical swine fever virus/Hog cholera virus

Classical swine fever virus

Pestivirus

 

Flaviviridae

4

 

* Afrikaanse varkenspest (African swine fever)

Varkens

African swine fever virus

African swine fever virus

Asfivirus

 

Asfarviridae

4

 

* Hondsdolheid (Rabies)

Warm bloedigen

Rabies virus

Rabies virus

Lyssavirus

 

Rhabdoviridae

3

3

* Virale paardenencefalomyelitiden (Eastern and western equine encephalitis)

Paarden, vogels

Eastern and Western equine encephalitis virus

 

Alphavirus

 

Togaviridae

3

(in vivo: 33)

3

* Virale paardenencefalomyelitiden (Venezuelan equine encephalitis)

Paarden

Venezuelan equine encephalitis virus

Venezuelan equine encephalitis virus

Alphavirus

 

Togaviridae

3

(in vivo: 33)

3

* Infectieuze anemie (Equine infectious anaemia)

Paarden

Equine infectious anemia virus

Equine infectious anemia virus

Lentivirus

Orthoretrovirinae

Retroviridae

2

 

* Afrikaanse paardepest (African horse sickness)

Paarden

African horse sickness virus 

African horse sickness virus

Orbivirus

 

Reoviridae

3

(in vivo: 33)

 

* Vesiculaire stomatitis (Vesicular stomatitis)

Paarden, runderen, varkens

Vesicular stomatitis virus

 

Vesiculovirus

 

Rhabdoviridae

3

2

* Endemische leukose bij runderen (Enzootic bovine leukosis)

Runderen

Bovine leukemia virus

Bovine leukemia virus

Deltaretrovirus

Orthoretrovirinae

Retroviridae

2

 

* Teschener-ziekte, besmettelijke varkensverlamming

Varkens

Porcine enterovirus 1

Porcine teschovirus

Teschovirus

 

Picornaviridae

3

 

* Blaasjesziekte (Swine vesicular disease)

Varkens

Swine Vesicular Disease Virus

Swine Vesicular Disease Virus

Enterovirus

 

Picornaviridae

4

 

* Ziekte van Aujeszky (Aujeszky’s disease)

Varkens, honden, katten

Pseudorabies virus

Suid herpesvirus 1

Varicellovirus

Alphaherpesvirinae

Herpesviridae

3

 

* Blauwtong (Bluetongue)

Schapen, runderen, geiten

Bluetongue virus

 

Orbivirus

 

Reoviridae

3

(in vivo: 33)

 

* Pest van de kleine herkauwer (Peste des petits ruminants)

Kleine herkauwers, schapen, geiten

Peste-des-petits-ruminants virus

Peste-des-petits-ruminants virus

Morbillivirus

Paramyxovirinae

Paramyxoviridae

4

 

* Rift Valley koorst (Rift Valley fever)

Runderen, schapen, geiten

Rift Valley fever virus

Rift Valley fever virus

Phlebovirus

 

Bunyaviridae

3

(in vivo: 33)

3

* Schape- en geitenpokken

Schapen

Sheeppox virus

Sheeppox virus

Capripoxvirus

Chordopoxvirinae

Poxviridae

3

 

* Nodulaire dermatose (Lumpy skin disease)

Runderen

Lumpy skin disease virus

Lumpy skin disease virus

Capripoxvirus

Chordopoxvirinae

Poxviridae

3

 

* Enzoötische hemorraghische ziekte bij herten

Herkauwers

Epizootic hemorrhagic disease virus

 

Orbivirus

 

Reoviridae

3

(in vivo: 33)

 

* Vogelpest (Fowl plague) subtype H1-4, H6, H8-16

Vogels

Influenza A virus

Influenza A virus

Influenzavirus A

 

Orthomyxoviridae

2

 

* Vogelpest (Fowl plague) subtype H5-H7 Laag pathogeen

Vogels

Influenza A virus

Influenza A virus

Influenzavirus A

 

Orthomyxoviridae

2**

 

* Vogelpest (Fowl plague) subtype H5-H7 Hoog pathogeen

Vogels

Influenza A virus

Influenza A virus

Influenzavirus A

 

Orthomyxoviridae

41

3

* Pseudo-vogelpest (Newcastle disease) ICPI > 0,7 of meerdere basische aminozuren aanwezig in het F protein

Kippen, pluimvee, duiven

Avian parainfluenza virus 1

Newcastle disease virus

Avulavirus

Paramyxovirinae

Paramyxoviridae

41

2

* Pseudo-vogelpest (Newcastle disease) ICPI < 0,7 or geen basische aminozuren aanwezig in het F eiwit

Kippen, pluimvee, duiven

Avian parainfluenza virus 1

Newcastle disease virus

Avulavirus

Paramyxovirinae

Paramyxoviridae

2

2

* Hemorragische koortsen (Ebola, Marburg)

Primaten

Marburgvirus/Ebolavirus

   

Filoviridae

4

4

* (Simian immunodeficiency)

Apen

Simian immunodeficiency virus

Simian immunodeficiency virus

Lentivirus

Orthoretrovirinae

Retroviridae

3

3

* Apenpokken

Primaten

Monkeypox virus

Monkeypox virus

Orthopoxvirus

Chordopoxvirinae

Poxviridae

3

3

* (Epizootic haematopoietic necrosis)

Vissen

Epizootic haematopoietic necrosis virus

Epizootic haematopoietic necrosis virus

Ranavirus

 

Iridoviridae

2

 

* Virale hemorragische septikemie (Viral Haemorrhagic Septicemia)

Vissen (forellen)

Viral hemorrhagic septicemia virus

Viral hemorrhagic septicemia virus

Novirhabdovirus

 

Rhabdoviridae

2

 

* Infectieuze hematopoïetische necrose (Infectious Hematopoietic Necrosis)

Vissen (Salmoniden)

Infectious hematopoietic necrosis virus

Infectious hematopoietic necrosis virus

Novirhabdovirus

 

Rhabdoviridae

2

 

Koi Herpesvirus infectie

Vissen (koi, karpers)

Cyprinid herpesvirus 3

Cyprinid herpesvirus 3

  

Herpesviridae

2

 

* Infectieuze zalmanemie (Infectious Salmon Anaemia)

Vissen (zalm)

Infectious salmon anemia virus

Infectious salmon anemia virus

Isavirus

 

Orthomyxoviridae

2

 
 

Vissen

Spring viremia of carp virus

Spring viremia of carp virus

Vesiculovirus

 

Rhabdoviridae

2

 

* Zwoegerziekte (Maedi Visna)

Schapen, geiten

Visna/Maedi virus

Visna/maedi virus

Lentivirus

Orthoretrovirinae

Retroviridae

2

 

* Caprine arthritis encephalitis

Geiten, andere diersoorten

Caprine arthritis-encephalitis virus

Caprine arthritis encephalitis virus

Lentivirus

Orthoretrovirinae

Retroviridae

2

 

Hepatitis E

Hepatitis splenomegalie syndroom bij kippen

Varkens (virus genotype 3) en kippen

Hepatitis E virus

Hepatitis E Virus

Hepevirus

 

Hepeviridae

2

3

Boosaardige catarraal koorts (Bovine malignant catharral fever)

Runderen

Alcelaphine herpesvirus 1

Alcelaphine herpesvirus 1

Rhadinovirus

Gammaherpesvirinae

Herpesviridae

3

 

(Aleutian disease)

Nertsen

Aleutian mink disease virus

Aleutian mink disease virus

Amdovirus

Parvovirinae

Parvoviridae

3

 

(Chicken embryo lethal orphan, Celo)

Pluimvee (kalkoenen)

Fowl adenovirus 1 (CELO)

Fowl adenovirus A

Aviadenovirus

 

Adenoviridae

2

 

Trilziekte (Avian encephalomyelitis)

Kippen

Avian encephalomyelitis-like virus

Avian encephalomyelitis-like virus

Hepatovirus

 

Picornaviridae

2

 

Aviaire infectieuze bronchitis (Avian infectious bronchitis)

Kippen

Avian infectious bronchitis virus

Infectious bronchitis virus

Coronaviridae

 

Coronaviridae

2

2

(Avian infectious laryngotracheitis, Gallid herpesvirus I)

Pluimvee (papegaaien)

Gallid herpesvirus 1

Gallid herpesvirus 1

Iltovirus

Alphaherpesvirinae

Herpesviridae

2

 

Aviaire leukose (Avian leucosis)

Kippen

Avian leukosis virus

Avian leukosis virus

Alpharetrovirus

Orthoretrovirinae

Retroviridae

2

 
 

Pluimvee, exotische vogels, kippen

Avian paramyxovirus 2-9

 

Avulavirus

Paramyxovirinae

Paramyxoviridae

2

 

Kippepokken (Fowl pox)

Pluimvee

Fowlpox virus

Fowlpox virus

Avipoxvirus

Chordopoxvirinae

Poxviridae

2

 

Ziekte van Gumboro (Infectious bursal disease)

Kippen

Infectious bursal disease virus

Infectious bursal disease virus

Avibirnavirus

 

Birnaviridae

2

 

Birnavirus infectie

Vissen

Birnavirus disease

Birnavirus (various)

Birnavirus

 

Birnaviridae

1

 
 

Runderen

Bovine adenovirus

Bovine adenovirus

Atadenovirus/  Mastadenovirus

 

Adenoviridae

2

 

Koeiengriep (Infectious bovine rhinotracheitis, IBR)

Runderen

Bovine herpesvirus 1

Bovine herpesvirus 1

Varicellovirus

Alphaherpesvirinae

Herpesviridae

2

 

(Bovine mammilitis)

Runderen

Bovine herpesvirus 2

Bovine herpesvirus 2

Simplexvirus

Alphaherpesvirinae

Herpesviridae

2

 
 

Runderen

Bovine herpesvirus 4

Bovine herpesvirus 4

Rhadinovirus

Gammaherpesvirinae

Herpesviridae

2

 
 

Runderen

Bovine herpesvirus 5

Bovine herpesvirus 5

Varicellovirus

Alphaherpesvirinae

Herpesviridae

2

 

Pinkengriep

Runderen

Bovine respiratory syncytial virus

Bovine respiratory syncytial virus

Pneumovirus

Pneumovirinae

Paramyxoviridae

2

 
 

Runderen

Bovine rhinovirus 1-3

Bovine rhinovirus 1-3

Rhinovirus

 

Picornaviridae

2

 
 

Runderen

Rotavirus

Rotavirus

Rotavirus

 

Reovirus

2

 

Hondenhepatitis (Hepatitis contagiosa canis)

Honden

Canine adenovirus 1

 

Canine adenovirus

Mastadenovirus

Adenoviridae

2

 

Infectieuze laryngotracheïtis (Infectious laryngotracheitis)

Honden

Canine adenovirus 2

 

Canine adenovirus

Mastadenovirus

Adenoviridae

2

 
 

Honden

Canine herpesvirus

Canid herpesvirus 1

Varicellovirus

Alphaherpesvirinae

Herpesviridae

2

 

(Parvovirosis (enteritis))

Honden

Canine parvovirus

Feline panleukopenia virus

Parvovirus

Parvovirinae

Parvoviridae

2

 

(Channel catfish virus disease)

Vissen

Channel catfish virus

Ictalurid herpesvirus 1

Ictalurivirus

 

Herpesviridae

2

 
 

Vissen

Channel catfish reovirus

Aquareovirus D

Aquareovirus

 

Reoviridae

2

 

Infectieuze kippenanemie (Blue wing disease)

Kippen

Chicken anemia virus

Chicken anemia virus

Gyrovirus

 

Circoviridae

2

 
 

Kippen

Chicken parvovirus

Chicken parvovirus

Parvovirus

Parvovirinae

Parvoviridae

2

 

(Contagious ecthyma)

Schapen

Contagious ecthyma virus

Orf virus

Parapoxvirus

Chordopoxvirinae

Poxviridae

2

2

(Crimian Congo Haemorrhagic Fever)

Runderen, schapen, geiten, hazen.

Crimean-Congo hemorrhagic fever virus

Crimean-Congo hemorrhagic fever virus

Nairovirus

 

Bunyaviridae

43

4

 

Vissen

Cyprinid herpesvirus 1

Cyprinid herpesvirus 1

  

Herpesviridae

1

 
 

Vissen

Cyprinid herpesvirus 2

Cyprinid herpesvirus 2

  

Herpesviridae

1

 

(Duck plague)

Pluimvee

Duck plague herpesvirus

Anatid herpesvirus 1

  

Herpesviridae

2

 
  

Eel virus European X

   

Rhabdoviridae

1

 
 

Varkens

Encephalomyocarditis virus

Encephalomyocarditis virus

Cardiovirus

 

Picornaviridae

2

 

Equine virale arteritis (Infectious arteritis of horse)

Paarden

Equine arteritis virus

Equine arteritis virus

Arterivirus

 

Arteriviridae

3

 

(Equine abortion e.q. viral rhinopneumonitis)

Paarden

Equine rhinopneumonitis virus

Equid herpesvirus 4

Varicellovirus

Alphaherpesvirinae

Herpesviridae

3

 
 

Paarden

Equid herpesvirus 2

Equid herpesvirus 2

Rhadinovirus

Gammaherpesvirinae

Herpesviridae

2

 

Equine influenza

Paarden

Influenza A virus

 

Influenzavirus A

 

Orthomyxoviridae

2

 
 

Paarden

Hendra virus

Hendra virus

Henipavirus

Paramyxovirinae

Paramyxoviridae

4

4

(Japanese B encephalitis, West Nile Fever)

 

West Nile Virus/Japanese B encephalitis Virus/Uganda S Virus

 

Flavivirus

 

Flaviviridae

33

3

(Porcine hemagglutinating encephalomyelitis)

Varkens

Porcine hemagglutinating encephalomyelitis virus

Porcine hemagglutinating encephalomyelitis virus

Coronavirus

 

Coronaviridae

3

2

(Duck hepatitis)

Eenden

Duck hepatitis B virus

Duck hepatitis B virus

Avihepadnavirus

 

Hepadnaviridae

2

 

Herpes bij paling

Vissen (paling)

Anguillid herpesvirus 1

(herpesvirus anguillae)

Anguillid herpesvirus 1

  

Alloherpesviridae

1

 

(Infectious Pancreatic Necrosis)

Vissen (forellen)

Infectious pancreatic necrosis virus – Jasper

Infectious pancreatic necrosis virus

Aquabirnavirus

 

Birnaviridae

1

 

(Swine influenza)

Varkens

Influenza A virus

Influenza A virus

Influenzavirus A

 

Orthomyxoviridae

2

 
 

Vissen

Lymphocystis disease virus

Lymphocystis disease virus

Lymphocystivirus

 

Iridoviridae

1

 

Ziekte van Marek (Marek’s disease)

Pluimvee (vnl kippen)

Marek's disease virus type 1 and 2

Gallid herpesvirus 2 en 3

Mardivirus

Alphaherpesvirinae

Herpesviridae

2

 
  

Molluscum contagiosum virus

Molluscum contagiosum virus

Molluscipoxvirus

Chordopoxvirinae

Poxviridae

2

 

Murine Leukemia

Ratten

Murine leukemia virus

Murine leukemia virus

Gammaretrovirus

Orthoretrovirinae

Retroviridae

2

 
 

Ratten, muizen

Mouse mammary tumor virus

Mouse mammary tumor virus

Betaretrovirus

Orthoretrovirinae

Retroviridae

3

 
 

Schapen, geiten

Ovine adenovirus (verschillende typen)

Ovine adenovirus (verschillende typen)

Mastadenovirus/Atadenovirus

 

Adenoviridae

2

 
 

Diverse soorten

Papillomavirus (verschillende typen)

Papillomavirus  (verschillende typen)

Deltapap.virus/ Xipapillomavirus

 

Papillomaviridae

2

2

 

Runderen, schapen, geiten

Bovine parainfluenza virus 3

Bovine parainfluenza virus 3

Respirovirus

Paramyxovirinae

Paramyxoviridae

2

2

(Nipah virus encephalitis)

 

Nipah virus

Nipah virus

Henipavirus

Paramyxovirinae

Paramyxoviridae

4

4

(Mucosal disease)

Runderen, varkens

Bovine viral diarrhea virus (verschillende typen)

Bovine viral diarrhea virus (verschillende typen)

Pestivirus

 

Flaviviridae

2

 

(Border disease)

Schapen, geiten, varkens

Border disease virus

Border disease virus

Pestivirus

 

Flaviviridae

2

 

(Nairobi sheep disease)

Schapen, geiten

Nairobi sheep disease virus

Dugbe virus

Nairovirus

 

Bunyaviridae

2

(in vivo: 33)

 
 

Vissen

Pike fry rhabdovirus

Pike fry rhabdovirus

Vesiculovirus

 

Rhabdoviridae

1

 
 

Varkens

Porcine adenovirus (verschillende typen)

Porcine adenovirus (verschillende typen)

Mastadenovirus

 

Adenoviridae

2

 

(Transmissible gastro-enteritis of Pig)

Varkens

Transmissible gastroenteritis virus

Transmissible gastroenteritis virus

Coronavirus

 

Coronaviridae

2

2

 

Varkens

Swine cytomegalovirus

Suid herpesvirus 2

  

Herpesviridae

2

 

(Porcine epidemic diarrhea, PEDV)

Varkens

Porcine epidemic diarrhea virus

Porcine epidemic diarrhea virus

Coronavirus

 

Coronaviridae

3

2

(Porcine parvovirus infection)

Varkens

Porcine parvovirus

Porcine parvovirus

Parvovirus

Parvovirinae

Parvoviridae

2

 

(Porc. Epidemic Abortion and Respiratory Syndrome, PEARS)

Varkens

Porcine reproductive and respiratory syndrome virus

Porcine reproductive and respiratory syndrome virus

Arterivirus

 

Arteriviridae

2

 
 

Varkens

Porcine rotavirus

Rotavirus

Rotavirus

 

Reoviridae

2

 

Myxomatose (Myxomatosis)

 

Myxoma virus

Myxoma virus

Leporipoxvirus

Chordopoxvirinae

Poxviridae

3

 

(Camelpox)

Kameelachtige dieren

Camelpox virus

Camelpox virus

Orthopoxvirus

Chordopoxvirinae

Poxviridae

3

 

(Haemorragic disease of rabbit)

Konijnen

Rabbit calicivirus

Rabbit hemorrhagic disease virus

Lagovirus

 

Caliciviridae

3

2

  

Semliki Forest virus

Semliki Forest virus

Alphavirus

 

Togaviridae

2

2

  

Sindbis virus

Sindbis virus

Alphavirus

 

Togaviridae

2

2

(Bovine papular stomatitis, pseudocowpox)

Runderen

Bovine papular stomatitis virus

 

Parapoxvirus

Chordopoxvirinae

Poxviridae

3

 

(Swinepox)

Varkens

Swinepox virus

Swinepox virus

Suipoxvirus

Chordopoxvirinae

Poxviridae

2

 
 

Varkens

Vesicular exanthema of swine virus

Vesicular exanthema of swine virus

Vesivirus

 

Caliciviridae

3

2

(Rhinotracheitis)

Kalkoenen

Turkey rhinotracheitis virus

Avian metapneumovirus

Metapneumovirus

Pneumovirinae

Paramyxoviridae

2

 
 

Runderen

Vaccinia virus

Vaccinia virus

Orthopoxvirus

Chordopoxvirinae

Poxviridae

2

2

1 = hoog pathogeen, velogeen of niet gekarakteriseerd

2 = pathogeen of niet gekarakteriseerd

3 = plus een ‘vectorproof’ voorziening

algemeen: voor endemisch voorkomende virustypen kan een verzoek voor lagere inschaling bij de CVO worden voorgelegd

* = uit: ‘Regeling preventie, bestrijding en monitoring van besmettelijke dierziekten en zoönosen en TSE’s’, Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Regeling van 7 juni 2005, nr. TRCJZ/2005/1411

** = met aanvullende quarantainemaatregelen en persoonsregistratie

Bacteriën/Parasieten*

Naam ziekte (Engelse benaming)

Gevoelige diersoort o.a.

Bacterie naam

Inschaling 2008 dierpathogeen

Richtlijn 2000/54/EG (humaan)

Dourine

Paarden

Trypanosoma equiperdum

2

 

Kwade droes (glanders)

Paarden

Burkholderia mallei (Pseudomonas mallei)

3

 

Miltvuur (Anthrax)

Meerdere diersoorten

Bacillus antracis

3

3

Trichinellose

Meerdere diersoorten

Trichinella

2

2

Brucellose bij runderen

Runderen

Brucella abortus

3

3

Brucellose bij honden

Honden

Brucella canis

3

3

Brucellose bij schapen

Schapen, geiten

Brucella ovis

3

 

Brucellose bij varkens

Varkens

Brucella suis

3

3

Brucellose bij schapen en geiten

Schapen, geiten

Brucella melitensis

3

3

Brucellose bij walvisachtigen

Walvisachtigen, zeehonden

Brucella ceti

3

 

Brucellose bij vinpotigen

Vinpotigen

Brucella pinnipedialis

3

 

Bovine tuberculose

Runderen

Mycobacterium bovis

3

3**

Tuberculose

Runderen, honden, katten, wilde fauna

Mycobacterium tuberculosis

3

3

Besmettelijke bovine pleuropneumonie

Herkauwers

Mycoplasma mycoïdes spp. mycoïdes SC

3

 

Q koorts (Q-fever)

Runderen, schapen

Coxiella burnetii

3

2

Amerikaans vuilbroed (American foul brood)

Bijen

Paenibacillus larvae

2

 

Kleine bijenkastkever

Bijen

Kleine bijenkastkever

2

 

Tropilaelapsmijt

Bijen

Tropilaelapsmijt

2

 

Tularaemie

Haasachtigen

Francisella tularensis type A

3

3

Tularaemie

Haasachtigen

Francisella tularensis type B

3

2

Psittacose en Ornithose

Pluimvee

Chlamydophila psittaci

3

3/2***

* = uit: ‘Regeling preventie, bestrijding en monitoring van besmettelijke dierziekten en zoönosen en TSE’s’, Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Regeling van 7 juni 2005, nr. TRCJZ/2005/1411

** = uitgezonderd BCG stam

*** = niet gevogelde stammen

ARTIKEL II

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2010.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag, 23 november 2009

De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

J.M. Cramer.

TOELICHTING

Algemeen

1. Inleiding

Op grond van de Wet milieubeheer (Wm) dienen inrichtingen die nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken, te voldoen aan algemene regels die voorschriften met betrekking tot de bescherming van het milieu bevatten, of te beschikken over een milieuvergunning. De algemene regels voor inrichtingen zijn onder meer opgenomen in het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna: het besluit) en de Regeling algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna: de Activiteitenregeling). Met deze regeling is de Activiteitenregeling gewijzigd.

2. Doel van deze regeling

Deze regeling is tot stand gekomen in het kader van de eerste tranche van het project ‘Tweede fase modernisering algemene regels’ (hierna: tweede fase). In het kader van deze tweede fase worden vergunningplichtige inrichtingen onder de werking van het besluit gebracht, waardoor de vergunningplicht voor deze inrichtingen (of voor bepaalde activiteiten binnen deze inrichtingen) komt te vervallen en de algemene regels uit het besluit en de Activiteitenregeling gaan gelden. Deze tweede fase wordt gefaseerd aangepakt en is verdeeld over drie tranches.

Met deze regeling en een wijziging van het besluit, is de eerste tranche van de tweede fase afgerond. In het kader van deze eerste tranche is de Activiteitenregeling op onderdelen gerepareerd. Daarnaast zijn voor zeven bedrijfstakken, die door een wijziging van het besluit onder de werking van het Activiteitenbesluit zijn gebracht, met deze regeling voorschriften aan de Activiteitenregeling toegevoegd. Deze zeven bedrijfstakken betreffen de recreatieve visvijvers, de humane crematoria, de vellenoffsetdrukkerijen, de mechanische textielverwerking, de laboratoria en praktijkruimten, de natuursteenbewerkende industrie en de koude vleesverwerking. Ook zijn met deze regeling voorschriften aan de Activiteitenregeling toegevoegd ten behoeve van het traditioneel schieten.

Voor een algemene toelichting over de eerste tranche van het project ‘Tweede fase modernisering algemene regels’ wordt verwezen naar de algemene toelichting bij het wijzigingsbesluit waarmee het Activiteitenbesluit in het kader van deze eerste tranche is gewijzigd (hierna: het wijzigingsbesluit).

3. Verwijzing naar de toelichting bij de Activiteitenregeling

Voor de regels die op AMvB-niveau zijn opgenomen in het besluit geldt dat ze doorslaggevend zijn voor de omvang van de verplichtingen voor de drijver van de inrichting of dat ze noodzakelijk zijn in het kader van de bescherming van het milieu. Hierbij is waar mogelijk gekozen voor doelvoorschriften.

In de Activiteitenregeling is het merendeel van de maatregelen in de vorm van middelvoorschriften opgenomen. Er is daarbij een onderscheid gemaakt tussen verplichte en erkende maatregelen.

Voor een uitgebreide toelichting over de ‘verplichte’ en ‘erkende’ maatregelen, en een algemene toelichting op de voorschriften die in de Activiteitenregeling en deze regeling zijn opgenomen voor lucht en bodem wordt verwezen naar het algemene deel van de toelichting bij de Activiteitenregeling (zie Staatscourant van 16 november 2007, nr. 223/pag. 11, p. 37–48).

4. Effecten voor bedrijfsleven en overheden

In het kader van het voorontwerp van het wijzigingsbesluit is onderzoek gedaan naar de effecten van het wijzigingsbesluit en deze regeling voor het bedrijfsleven, overheden en het milieu. In paragraaf 7 van de nota van toelichting bij het wijzigingsbesluit wordt uitvoerig ingegaan op deze punten. Voor een toelichting op de effecten voor het bedrijfsleven, overheden en het milieu wordt derhalve verwezen naar deze paragraaf uit het algemene deel van de toelichting bij het wijzigingsbesluit.

5. Notificatie

Het ontwerp van deze regeling is op 12 augustus 2009 gemeld aan de Europese Commissie van de Europese Gemeenschappen (notificatienummer 2009/454/NL) ter voldoening aan artikel 8, eerste lid, van Richtlijn 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 22 juni 1998 betreffende de informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften en regels betreffende diensten van informatiemaatschappij (PbEG L 204), zoals gewijzigd bij Richtlijn 98/48/EG van 20 juli 1998 (PbEG L 217).

Naar aanleiding van de notificatie is één opmerking ontvangen. De diensten van de Commissie hebben opgemerkt dat de lijst met dierpathogenen in bijlage 3 van deze regeling moet worden gecontroleerd op basis van wetenschappelijke kennis van de diersoorten die vatbaar zijn voor deze dierpathogenen. Daarnaast hebben de diensten van de Commissie opgemerkt dat voor hen niet duidelijk is wat de consequentie is van opname van dierpathogen in de lijst in bijlage 3.

In de tweede kolom van de lijst die is opgenomen in bijlage 3 van deze regeling zijn voor de genoemde dierpathogen de vatbare diersoorten opgenomen. Wetenschappers van het Centraal Veterinair Instituut van Wageningen UR te Lelystad hebben deze lijst, inclusief de vatbare diersoorten, gecontroleerd en goedgekeurd. De consequentie van het opnemen van dierpathogen in de lijst van bijlage 3 is, dat een inrichtinghouder die voornemens is gericht te werken met een pathogeen uit deze lijst, dat vier weken voor aanvang dient te melden bij het bevoegd gezag.

De ontwerpwijzigingsregeling is niet aan de WTO gemeld, omdat het in dat kader geen significante gevolgen heeft.

6. Reacties naar aanleiding van de inspraakprocedure

Het ontwerp van deze regeling is – samen met het ontwerp van het wijzigingsbesluit – op 2 maart 2009 voorgepubliceerd in de Staatscourant (Staatscourant 2 maart 2009, nr. 41). Gemeenten, provincies, de koepels van decentrale overheden, brancheorganisaties, milieuorganisaties en particulieren hebben inspraakreacties op de ontwerpregeling geplaatst. Alle inspraakreacties zijn verwerkt in inspraakdocumenten. Deze inspraakreacties zijn geanalyseerd en over sommige reacties heeft nader overleg plaatsgehad met het bedrijfsleven en andere overheden. Inspraakreacties die tot verbeteringen leiden, zijn zoveel mogelijk omgezet in aanpassingen van de tekst van deze regeling of de nota van toelichting.

Het gros van de inspraakreacties heeft betrekking op specifieke onderdelen van het ontwerp van de regeling. Deze toelichting biedt geen ruimte om inhoudelijk in te gaan op al deze inspraakreacties. Daarom zijn de inspraakdocumenten, waar alle inspraakreacties in zijn verwerkt, na de bekendmaking van deze regeling op de website van het Ministerie van VROM gepubliceerd. In deze inspraakdocumenten is op alle inspraak een reactie gegeven. Voor een reactie op de inspraak wordt derhalve naar deze inspraakdocumenten verwezen.

Artikelsgewijs

Artikel I

Onderdeel A
Onder 1

De definitie van bodembedreigende stof is overgeheveld naar het besluit. Dit is nodig, omdat in artikel 4.6 van het besluit deze term is opgenomen.

Onder 2 en 3

De begripsomschrijving van ETBE en MTBE was niet correct opgenomen in artikel 1.1. Met dit onderdeel is dat hersteld.

Onderdeel B

Het eerste lid van artikel 1.2 is met dit onderdeel gewijzigd. Met deze wijziging zijn de verwijzingen naar normen geactualiseerd. Daarnaast wordt voor de PGS-richtlijnen niet langer naar de website van het ministerie van VROM verwezen, maar naar de website www.publicatiereeksgevaarlijkestoffen.nl. Sinds maart 2009 zijn de PGS-richtlijnen alleen nog beschikbaar via deze website. Tot die tijd waren de PGS-richtlijnen ook beschikbaar via vrom.nl.

Ook hebben de verwijzingen naar beoordelingsrichtlijnen en normen een tekstuele wijziging ondergaan. Thans is voor iedere norm de aanduiding van de norm opgenomen, zoals die in het besluit en de Activiteitenregeling voorkomt. Zo is bijvoorbeeld de verwijzing naar norm ‘NEN 2819:1994: Nederlandse norm voor Luchtkwaliteit – Uitworp door stationaire bronnen – Monsterneming en bepaling van het gehalte aan fluoride, mei 1994;’ gewijzigd in ‘NEN 2819: NEN 2819:1994: Nederlandse norm voor Luchtkwaliteit – Uitworp door stationaire bronnen – Monsterneming en bepaling van het gehalte aan fluoride, mei 1994;’.

Onderdeel C

Met dit onderdeel wordt aan hoofdstuk 1 een afdeling toegevoegd. In artikel 1.14a van het besluit is voor inrichtingen waar gericht gewerkt wordt met een biologisch agens dat behoort tot een bij ministeriële regeling aangewezen soort, een verplichting opgenomen tot het verstrekken van informatie.

In artikel 1.4 is bepaald dat de bij ministeriële regeling aangewezen soorten als bedoeld in artikel 1.14a, eerste lid, onder b, van het Besluit zijn opgenomen in bijlage 3 van de Activiteitenregeling.

Onderdeel D
Onder 1 en 4

De formulering in de artikelen 2.2, 3.35 en 4.18 met betrekking tot lekdetectiesystemen is aangepast omdat deze niet volledig aansloot op de praktijk. Gebleken is dat er veel systemen zijn die vóór de vaststelling van BRL K910 zijn geïnstalleerd. Deze lekdetectiesystemen zouden daardoor niet voldoen aan de in deze artikelen genoemde voorwaarde. Daarin stond namelijk dat de systemen moesten zijn aangelegd conform deze BRL.

BRL K910 bevat eisen waaraan de ‘hardware’ van lekdetectiesystemen moet voldoen, zoals de aanwezigheid van een alarm, de geluidsterkte van het alarm, de pompdrukken en de schakelwaarden.

Systemen die zijn aangelegd vóór de vaststelling van deze BRL kunnen worden opgewaardeerd. Opwaardering zou kunnen plaatsvinden op basis van een introductiekeuring, waarbij de ‘hardware’ wordt gecontroleerd op de eisen uit de BRL K910. Na aanpassing en uitbreiding van het lekdetectiesysteem kan dan worden voldaan aan de BRL K910.

Of de aanwezige lekdetectiesystemen voldoen aan BRL K910 moet blijken uit een goedkeuring die is uitgevoerd overeenkomstig BRL K903. Deze keuringen moeten jaarlijks worden uitgevoerd.

Onder 2

Voor MTBE en ETBE is in artikel 1.1 een begripsomschrijving opgenomen. Volledig uitschrijven is derhalve in het vierde lid van artikel 2.2 niet noodzakelijk.

Onder 3

Het nieuwe zesde lid is het directe gevolg van hetgeen is aangekondigd in de circulaire ‘Toepassing zorgplicht Wbb bij MTBE- en ETBE verontreinigingen’ (Staatscourant 2008, 2139, onder andere paragraaf 5).

Het betreft de uitwerking van de doorzendverplichting van de resultaten van het onderzoek, bedoeld in artikel 2.9 van het besluit, voor de stoffen methyl-tertiair-butylether (MTBE) en ethyl-tertiair-butylether (ETBE).

Zie voor een nadere toelichting de toelichting bij de wijziging van artikel 2.9 van het besluit (onderdeel K van het wijzigingsbesluit).

Onderdeel E

Het derde lid is overbodig omdat evident is dat gemorste vloeibare bodembedreigende stoffen, waar brandbare vloeistoffen onder vallen, opgeruimd dienen te worden.

Onderdeel H

Met de term ‘natte koeltoren’ is aangesloten bij het gangbare spraakgebruik. Een natte koeltoren is in het besluit omschreven als ‘installatie gebruikt voor het afvoeren van overtollige warmte uit productieprocessen en gebouwen door middel van het vernevelen van water’. De voorschriften betreffen dus de hele installatie, niet alleen de plek waar het vernevelen plaatsvindt.

Natte koeltorens kunnen zowel voor werknemers als voor de omgeving een legionellarisico opleveren. Dat betekent dat de regelgeving op het gebied van arbeidsomstandigheden (Arbo-regelgeving) en de Wm van toepassing zijn op natte koeltorens. De Arbo-regelgeving richt zich daarbij op de bescherming van de gezondheid en veiligheid van werknemers, terwijl de Wm zich richt op de bescherming van het milieu, waaronder het voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, het beperken van de risico’s voor de omgeving.

Het is van belang dat de regels op basis van de Arbo-regelgeving en de Wm met elkaar in overeenstemming zijn. Bij het formuleren van artikel 3.16a is dan ook zoveel mogelijk aangesloten bij de voorschriften die gesteld zijn op basis van de Arbeidsomstandighedenwet (artikel 5), de Beleidsregels arbeidsomstandighedenwetgeving (Arbobeleidsregels) 4.87a en 4.87b en de risico-indeling volgens het BREF-document voor industriële koelsystemen.

In ISSO-publicatie 55.3 worden de Arbobeleidsregels 4.87a en 4.87b en Arbo-informatieblad nr. 32 (AI-blad 32) vertaald naar praktijkrichtlijnen voor het legionellaveilig ontwerpen, uitvoeren en beheren van natte koeltorens en luchtbevochtigingssystemen, die worden gevoed met leidingwater.

In het eerste lid van artikel 3.16a is aangegeven dat de drijver van een inrichting met een natte koeltoren moet beschikken over een risicoanalyse en over een legionella-beheersplan. Tevens dient de drijver van de inrichting zorg te dragen voor de uitvoering van dit legionella-beheersplan. De strekking van deze bepaling komt overeen met de meer algemeen geformuleerde leden 1 en 3 van artikel 5 van de Arbeidsomstandighedenwet (hierna: Arbowet). In AI-blad 32 en ISSO-publicatie 55.3 zijn voorbeelden van risicoanalyses en legionella-beheersplannen opgenomen, die in dit kader als referentie kunnen worden gebruikt.

In het tweede lid wordt ingegaan op de risicofactoren die moeten worden betrokken bij het uitvoeren van de risicoanalyse. Deze risicofactoren zijn ontleend aan AI-blad 32, hoofdstuk 4.4.3. De risicocategorie-indeling (tabel 3.16a) is afgeleid van het BREF-document voor industriële koelsystemen.

Het derde lid geeft aan welke elementen het legionella-beheersplan in ieder geval moet omvatten, naast de maatregelen die in het eerste lid genoemd zijn. Deze bepaling is ontleend aan Arbobeleidsregel 4.87a, tweede lid.

In het vierde lid, dat ontleend is aan het eerste lid van Arbobeleidsregel 4.87a, is aangegeven wanneer de maatregelen, die opgenomen dienen te worden in het legionella-beheersplan, doeltreffend zijn. Een onderdeel daarvan is het zo veel mogelijk beperken van legionellabacteriën door de toepassing van waterbehandelingstechnieken. Dit is opgenomen onder onderdeel d van het vierde lid. Daarbij dient opgemerkt te worden dat ook het signaleren van het disfunctioneren van de waterbehandelingstechniek onder de toepassing van waterbehandelingstechnieken valt.

De in het vijfde lid omschreven actualisatieplicht is ontleend aan artikel 5, vierde lid, van de Arbowet.

Op grond van het zesde lid is de drijver van de inrichting met koeltoren verplicht om onder meer van de uitvoering van de maatregelen aantekeningen te maken in het legionella-beheersplan en die aantekeningen ten minste drie jaar te bewaren. Deze bepaling is ontleend aan Arbobeleidsregel 4.87a, derde lid.

Op grond van het zevende lid kan het bevoegd gezag maatwerkvoorschriften stellen. De drijver van de inrichting neemt het initiatief om het legionella-beheersplan op te stellen en leeft dit plan na. De drijver van de inrichting geeft in het beheersplan aan voor welke maatregelen is gekozen. Het bevoegd gezag kan het beheersplan inzien om te beoordelen of de maatregelen voldoende zijn. Indien nodig kan het bevoegde gezag op grond van het zevende lid van artikel 3.16a maatwerkvoorschriften stellen met betrekking tot de invulling van het beheersplan.

Onderdelen I en J

De wijzigingen in deze onderdelen zijn opgenomen om verwarring te voorkomen met de in deze regeling opgenomen bepalingen betreffende het inwendig reinigen van tanks, tankwagens, vrachtwagens en andere transportmiddelen.

Onderdeel K

In 2008 is PGS 19 gepubliceerd. Deze richtlijn vervangt PGS 19, 20 en 21, die sterk verouderd zijn en bepalingen bevatten in strijd met vigerende wet- en regelgeving. Met dit onderdeel zijn de verwijzingen naar de oude PGS-richtlijnen 19, 20 en 21 vervangen door verwijzingen naar de PGS 19 die in 2008 is gepubliceerd.

Daarnaast is met dit onderdeel het derde lid van artikel 3.29 vervallen. Dit betekent dat in beginsel de minimale afstand die in de PGS 19 is voorgeschreven geldt als minimale interne afstand tussen twee propaantanks of tussen een propaan- en propeentank. Op grond van de PGS 19 dient de minimale interne afstand te worden afgeleid van een maximale warmtestralingsintensiteit van 10 kW/m2 op de wand van het reservoir. Uit berekeningen blijkt dat de 10 kW/m2 op circa 7,5 meter ligt voor vloeibaar propaan.

Voor opslagtanks met propaan die reeds voor de inwerkingtreding van artikel 4.20a in gebruik waren genomen, is in artikel 6.5a een overgangsbepaling opgenomen. Voor deze tanks blijft een interne veiligheidsafstand van 5 meter gelden tussen twee propaantanks. Deze afstand van 5 meter gold voor deze tanks ook voor de inwerkingtreding van deze regeling op basis van het derde lid van artikel 3.29.

Onderdeel L

Het tweede lid van artikel 3.30 is vervallen. Keuringen en herkeuringen moeten op grond van het Warenwetbesluit drukapparatuur worden uitgevoerd door een door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) aangewezen keuringsinstantie (AKI). Een overzicht van aangewezen keuringsinstanties is te vinden in de rubriek Veilig Werken – Drukapparatuur op de website van het ministerie van SZW (www.szw.nl). Erkende installateurs werken onder toezicht van een AKI en worden door de AKI gecontroleerd.

Voor opslagtanks met toebehoren, leidingen en andere installatieonderdelen, waarop het Warenwetbesluit drukapparatuur niet van toepassing is, is op grond van de in artikel 3.30 voorgeschreven NPR 2578 Goed Vakmanschap vereist.

Onderdeel M
Onder 1 en 2

Met dit onderdeel zijn de woorden ‘aangebracht overeenkomstig’ voor ‘BRL K790’ toegevoegd aan het eerste lid. De woorden ‘aangebracht overeenkomstig’ zijn toegevoegd om duidelijk te maken dat de verruimde herkeuringstermijn alleen geldt wanneer de coating is aangebracht overeenkomstig BRL K790.

Tevens zijn met deze onderdelen de woorden ‘die is aangelegd overeenkomstig’ voor ‘BRL K910’ gewijzigd in ‘dat voldoet aan’. Voor een toelichting op deze wijziging wordt verwezen naar de toelichting bij onderdeel D.

Onder 3 en 4

In artikel 3.35, vijfde lid, was bepaald dat een inwendige beoordeling van een ondergrondse opslagtank onder bepaalde voorwaarden niet noodzakelijk is. Doordat deze bepaling in het vijfde lid was opgenomen had het geen betrekking op inwendige beoordelingen die plaatsvinden in het kader van keuringen op grond van het eerste en tweede lid. Dat was onjuist en is met de wijziging in het vijfde lid en het nieuwe tiende lid hersteld.

Onderdeel N

Paragraaf 4.1.1 stelt wel voorschriften aan bodembedreigende stoffen, maar in de paragraaftitel werd alleen gesproken over gevaarlijke stoffen. Door deze wijziging is de titel van paragraaf 4.1.1 in lijn gebracht met de werkingssfeer van de voorschriften.

Onderdeel O

Deze toevoeging aan artikel 4.1, tweede lid, is noodzakelijk door de wijziging die is opgenomen in onderdeel U.

Onderdeel P

Met het erratum van 3 april 2008 is voorschrift 3.5.1 uit de PGS 15 vervallen. Voorschrift 3.5.1 is het enige voorschrift onder paragraaf 3.5 van PGS 15. Met dit onderdeel is de verwijzing naar paragraaf 3.5 van PGS 15 geschrapt.

Onderdeel Q
Onder 1 en 2

Zie toelichting bij onderdeel P.

Onder 3

In artikel 4.4 is bepaald op welke wijze accu’s worden opgeslagen. Blijkens de aanhef van het eerste lid geeft het eerste lid van artikel 4.3 de hoofdregel. In afwijking van deze hoofdregel dienen accu’s op grond van het eerste lid, onder d, te worden opgeslagen boven een vloeistofdichte vloer of verharding of een lekbak. Deze uitzondering op de hoofdregel was op grond van het vierde lid niet van toepassing op nieuwe accu’s. Dat impliceerde dat nieuwe accu’s wèl aan het eerste lid van artikel 4.3 moesten voldoen. Dat was echter niet bedoeld met het vierde lid. Bedoeld was namelijk dat voor nieuwe accu’s enkel de eis geldt dat de accu rechtop staat (vijfde lid). Met dit onderdeel is dat hersteld.

Onderdelen R en S

Met de wijziging van 2 oktober 2008 is een onderdeel d aan artikel 4.6, eerste lid, toegevoegd. In dit onderdeel werd bepaald dat ‘op buiten een opslagplaats aanwezige gasflessen de voorschriften 6.2.3, 6.2.9 en 6.2.13 van de PGS 15 van toepassing zijn’. Artikel 4.6 heeft echter tot doel te bepalen in welke gevallen de artikelen 4.3 en 4.4 niet van toepassing zijn. Dit onderdeel dient derhalve niet in artikel 4.6 te worden geregeld. Met deze twee onderdelen is dat hersteld.

Onderdeel T

Naar aanleiding van de inspraak is een lid toegevoegd aan artikel 4.7. Dit artikel vereist een registratie voor de tijdelijke opslag van gevaarlijke stoffen, bedoeld in onderdelen a en b. Een dergelijke registratie is ook verplicht voor opgeslagen gevaarlijke stoffen als bedoeld in artikel 4.3 en 4.4. Met dit nieuwe lid geldt deze registratieverplichting ook voor de tijdelijke opslag van gevaarlijke stoffen. De registratie dient te voldoen aan voorschrift 3.18.1 van PGS 15.

Het is van belang dat hulpdiensten bij de bestrijding van incidenten of calamiteiten beschikken over de relevante gegevens van de in een inrichting aanwezige gevaarlijke stoffen. Ook de tijdelijke opslag van verpakte gevaarlijke stoffen dient om deze reden geregistreerd te worden. In voorschrift 3.4.1 van de bijlage bij het Besluit opslag- en transportbedrijven milieubeheer was overigens ook de verplichting opgenomen om een registratie bij te houden voor de opslag van gevaarlijke stoffen, waaronder de tijdelijke opslag.

Onderdeel U

Artikel 4.10 betreft de opslag van vloeibare gevaarlijke stoffen in verpakking, vloeibare bodembedreigende stoffen in verpakking en CMR-stoffen in verpakking. In deze opsomming zijn abusievelijk stoffen waar vloeibare bodembedreigende stoffen uit kunnen lekken, niet opgenomen. Het gaat hier bijvoorbeeld om poetsdoeken, oliefilters en resten absorptiemateriaal. Met deze wijziging wordt deze omissie hersteld.

Overigens is het nieuwe vijfde lid niet van toepassing op stukgoederen. Op stukgoederen is het tweede lid van artikel 4.32 van toepassing.

Onderdeel V

Voor een toelichting bij dit onderdeel wordt verwezen naar de toelichting bij onderdeel D.

Onderdeel W

In de uitvoeringspraktijk is gebleken dat de afstandsbepaling voor opslagtanks met koolzuur, lucht, argon, helium of stikstof van 3 meter tot de erfscheiding in sommige gevallen tot knelpunten kan leiden. Dit geldt onder meer voor situaties waar in het verleden, in het kader van een Wm-vergunning, een kortere afstand was vergund. Deze afstandsbepaling is destijds ontleend aan de overeenkomstige afstandsbepaling voor zuurstof uit PGS 9. Zuurstof is duidelijk een andersoortig gas, met relatief grotere risico's. Bij de opslag van zogeheten inerte gassen bestaat het risico met name uit verstikkingsgevaar door verdringing van zuurstof in de lucht, bij de opslag van zuurstof uit de kans op het bevorderen van een brand. Vanwege de hierboven beschreven knelpunten is nagegaan wat een minimale afstand zou moeten zijn, gebaseerd op deze andersoortige risico’s. Uit een globale berekening blijkt dat een afstand van 1 meter tot de erfscheiding bij een tankinhoud tot 10 kubieke meter voldoende is. Voor grotere inhouden is de afstandsbepaling van 3 meter gehandhaafd. Wel kan bij maatwerkvoorschrift een kleinere afstand worden voorgeschreven. Hiertoe kan een berekening worden uitgevoerd, bijvoorbeeld op basis van de gegevens uit publicaties van de European Industrial Gases Association (EIGA). Daarbij gaat het vooral om de verspreidingsmogelijkheden van een ontstane gaswolk, waarbij een lekscenario met een 10 milimeter lek een goed uitgangspunt is.

Onderdeel X
§ 4.1.3.3. Opslaan van propeen

De voorschriften onder deze paragraaf zijn afgeleid van de voorschriften voor de opslag van propaan, die zijn opgenomen onder paragraaf 3.3.3. In de PGS 19, Opslag van propaan, is vermeld dat het mogelijk is om deze richtlijn te gebruiken als basis voor afwijkende situaties. Hierbij kan gedacht worden aan gassen die qua eigenschappen sterke overeenkomsten vertonen met propaan. Eén van de gassen die hierbij als voorbeeld is genoemd, is propeen. Voor een nadere toelichting op de voorschriften wordt verwezen naar de toelichting bij paragraaf 3.3.3 ‘Opslaan van propaan’.

Onderdeel AA

Deze paragraaf dient complementair te zijn aan paragraaf 4.1.1. Daarom is het opschrift van deze paragraaf gewijzigd in ‘Opslaan van vaste kunstmeststoffen’. Omdat de voorschriften uit deze paragraaf ook van toepassing zijn op de opslag van andere kunstmeststoffen dan nitraathoudende kunstmeststoffen, is ‘nitraathoudende’ uit het opschrift van de paragraaf geschrapt.

Onderdeel BB

Deze wijziging vloeit voort uit de wijziging van het besluit ten aanzien van vloeibare kunstmest (zie onderdelen RR en SS van het wijzigingsbesluit). Vaste kunstmeststoffen zijn geen bodembedreigende stoffen. Derhalve is het niet noodzakelijk om voor de opslag van vaste kunstmeststoffen nadere voorschriften te stellen ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico.

Onderdeel CC

In juni 2005 is de richtlijn PGS 13 ‘Ammoniak – Toepassing als koudemiddel voor installaties en warmtepompen’ ongewijzigd ten opzichte van de vroegere CPR 13-2 richtlijn gepubliceerd. Deze richtlijn PGS 13 is in februari 2009 geactualiseerd. Met dit onderdeel zijn de verwijzingen in artikel 4.37 naar richtlijn PGS 13 aangepast aan de geactualiseerde versie.

Onderdeel EE
AFDELING 4.5a ACTIVITEITEN MET BETREKKING TOT NATUURSTEEN OF KUNSTSTEEN
§ 4.5a.1. Mechanische bewerkingen van natuursteen of kunststeen

Mechanische bewerking van natuursteen of kunststeen omvat werkzaamheden als zagen, frezen, schuren, zoeten en polijsten, frijnen, boucharderen, graveren, trommelen en stralen. Veel van deze bewerkingen worden met machines uitgevoerd. Een aantal steenhouwbewerkingen zoals frijnen en boucharderen en het graveren kunnen ook handmatig worden uitgevoerd. Bij mechanische bewerking van veel soorten natuursteen en kunststeen ontstaat kristallijn respirabel kwartsstof, dat kankerverwekkend is. Om deze reden wordt bij bewerkingen waar dergelijk stof vrijkomt vaak nat gewerkt of wordt gericht afgezogen. In het besluit is een algemene emissie-eis opgenomen voor stof, dat vrijkomt bij de mechanische bewerking van natuursteen of kunststeen.

Over het beperken van emissies naar de lucht is in hoofdstuk 7 van het algemene deel van de toelichting bij de Activiteitenregeling een toelichting opgenomen.

Artikel 4.84a, eerste lid

Onder a:

Om (diffuse) emissies van stof bij het stralen van natuursteen of kunststeen zoveel mogelijk te beperken dient het stralen van natuursteen of kunststeen plaats te vinden in speciaal daarvoor bestemde en ingerichte kasten, cabines of ruimten.

Niet in alle gevallen is het redelijkerwijs mogelijk om deze maatregel te treffen. Dit kan het geval zijn indien slechts incidenteel wordt gestraald, of indien het object dat moet worden gestraald een dermate grote omvang heeft dat het niet mogelijk is om deze in de daarvoor bestemde straalruimte te behandelen. In een dergelijk geval dient het stralen ten minste plaats te vinden in een gesloten ruimte. De deuren en ramen van deze ruimte mogen niet worden geopend tijdens de straalwerkzaamheden. Na het stralen dient het stof in de ruimte zoveel mogelijk te worden opgeruimd, zodat het stof zich niet buiten de inrichting kan verplaatsen.

Stralen wordt ook gebruikt als techniek om letters of figuren in natuursteen of kunststeen aan te brengen. Dit kan volautomatisch in een speciale machine plaatsvinden, maar ook handmatig met elektrisch aangedreven handgereedschap. Dit gereedschap kan zijn voorzien van een geïntegreerde afzuiging, waardoor stofemissie wordt voorkomen. In dat geval is het voor het beperken van diffuse emissies niet noodzakelijk dat het stralen in een speciale ruimte wordt uitgevoerd.

Onder b:

Het trommelen van natuursteen of kunststeen vindt plaats om de steen een 'oud' uiterlijk te geven. Om diffuse stofemissies van deze activiteit te beperken moeten de hierbij gebruikte trommelmachines gesloten zijn uitgevoerd.

Onder c:

Het eerste lid, onder c, eist doelmatige afzuiging van stof bij droge mechanische steenbewerking. Onder doelmatige bronafzuiging wordt hier mede verstaan lokale of ruimte afzuiging bij activiteiten die in een speciaal daarvoor bestemde, afgesloten ruimte plaatsvinden.

Bronafzuiging is niet in alle situaties redelijk. Dit geldt veelal voor situaties waarbij:

  • a. natte werkmethoden worden toegepast;

  • b. de grootte van werkstukken, waardoor de plaats van emissie niet, of zeer slecht met bronafzuiging te bereiken is, of

  • c. vanwege het incidentele en/ of kleinschalige karakter van activiteiten dan wel het uitvoeren van activiteiten in een gesloten systeem waar slechts kleine restemissies vrijkomen.

Ad a) Op grond van de voorkeursvolgorde binnen de arbeidsomstandighedenwetgeving, verdient het toepassen van natte werkmethoden bij de mechanische bewerking van natuursteen of kunststeen de voorkeur boven droge bewerking en afzuiging. Op het moment dat natte werkmethoden worden toegepast, waarbij de waterstraal zodanig is gedimensioneerd (qua omvang en capaciteit) dat geen zichtbare stofvorming optreedt, is bronafzuiging ter beperking van diffuse emissies niet noodzakelijk.

Ad c) Ook kunnen emissiebronnen incidenteel en/of kleinschalig zijn. Dit komt met name voor bij activiteiten die niet tot het hoofdproces van inrichtingen behoren, bijvoorbeeld het gebruiken van specialistische apparatuur die slechts in uitzonderingsgevallen nodig is. Ook kunnen het restemissies zijn uit apparatuur die reeds is ingekapseld dan wel afkomstig van apparatuur waarin een stofemissiereducerende techniek is geïntegreerd (bijvoorbeeld een handschuurmachine waaraan een afzuigunit en een doelmatig filter is gekoppeld), dan wel wanneer natte werkmethoden worden toegepast. In dergelijke gevallen kan het aanleggen of toepassen van bronafzuiging onredelijk zijn, zeker indien geen combinatie met andere bronnen mogelijk is, of ingrijpende aanpassingen aan apparatuur nodig zijn.

Om bij diffuse emissies te kunnen bepalen of emissies van emissiebronnen kleinschalig of incidenteel zijn, kan een diffuse emissie worden beschouwd als ware het een gekanaliseerde emissie. Er zijn dan twee mogelijkheden het incidentele en/of kleinschalige karakter van een emissie te kwantificeren:

  • De zogenaamde grensmassastroom in gram per uur voor de betreffende emissie vanuit de gehele inrichting wordt niet overschreden (conform artikel 2.5 van het besluit);

  • Of de grensmassastroom wordt wel overschreden, maar de emissie vanuit de betreffende bron in kilogram per jaar is zodanig klein dat deze onder de vrijstellingsbepaling van artikel 2.6 van het besluit blijft.

De drijver van de inrichting zal het incidentele karakter of de kleinschaligheid van een bron, in gevallen waarin dit niet op voorhand duidelijk is, op basis van onderbouwde ‘worst case’-aannames moeten aantonen. Indien aan bovengenoemde voorwaarden wordt voldaan, zal bronafzuiging veelal niet redelijk zijn.

Artikel 4.84a, derde lid

Voor bestaande inrichtingen is in het overgangsrecht een uitzondering gemaakt op het derde lid. Zie hiervoor artikel 6.7.

Artikel 4.84a, vierde lid

Voor een toelichting bij het vierde lid van artikel 4.84a wordt verwezen naar de toelichting bij het derde lid van artikel 4.50.

Artikel 4.84b

Indien een inrichting de filtrerende afscheider zoals omschreven in dit artikel toepast, voldoet de inrichting hiermee aan het doelvoorschrift zoals opgenomen in artikel 4.74b van het besluit. De aantoonplicht, bedoeld in artikel 2.8 van het besluit, is dan niet meer van toepassing. In hoofdstuk 7 van het algemene deel van de toelichting bij de Activiteitenregeling wordt beschreven wat wordt verstaan onder een filtrerende afscheider en onder welke voorwaarden de afscheider doelmatig is en zijn goede werking in de loop van de tijd behoudt.

Wanneer gebruik wordt gemaakt van natte werkmethoden zoals genoemd onder a en c, waarbij de waterstraal zodanig is gedimensioneerd (qua omvang en capaciteit) dat geen zichtbare stofvorming optreedt, wordt aan de emissie-eis uit artikel 4.74b van het besluit voldaan. In de eerste plaats omdat bronafzuiging ter beperking van diffuse emissies in dat geval niet noodzakelijk wordt geacht, maar in het geval dat aanvullende afzuiging plaatsvindt, garandeert de toepassing van doelmatige natte werkmethoden dat de hoeveelheid stof in de afgezogen lucht dermate gering is, dat aan de emissie-eisen wordt voldaan.

Bij sommige bedrijven wordt als aanvullende maatregel ruimteafzuiging toegepast. Indien hierbij gebruik wordt gemaakt van een waterwand die de gereinigde lucht in de werkruimte circuleert, is de emissie-eis uit artikel 4.74b van het besluit niet van toepassing. Wordt de afgezogen lucht in de buitenlucht afgevoerd, dan wordt voldaan aan de emissie-eis uit artikel 4.74b van het besluit indien:

  • het oppervlak van de waterwand is afgestemd op de hoeveelheid afgezogen lucht, en

  • de waterwand in goede staat van onderhoud verkeert, periodiek wordt gecontroleerd, wordt schoongemaakt en het water zo vaak als voor de goede werking nodig is, wordt vervangen.

Indien geen maatregel als bedoeld in dit artikel wordt toegepast, moet de drijver van de inrichting aantonen dat aan artikel 4.74b van het besluit wordt voldaan.

§ 4.5a.2. Aanbrengen van lijmen, harsen en coatings op natuursteen of kunststeen
Algemeen

Deze paragraaf geeft eisen voor het aanbrengen van lijmen, harsen en coatings op natuursteen en kunststeen.

Om breekbare of gescheurde marmerplaten voldoende stevigheid te geven om ze verder af te werken, wordt een laag epoxy hars aangebracht op het marmer. Vooral bij gekleurde marmers wordt polymeriseren gebruikt. Plaatselijk worden polymeren gebruikt om beschadigingen te herstellen. Polymeriseren wordt ook gebruikt om het marmer beter bestand te maken tegen zuren en vuil.

Met het aanbrengen van lijmen wordt hier bedoeld het verbinden van natuursteen of kunststeen met hulp van lijm en/of kit. Daarbij kunnen uiteenlopende producten worden gebruikt, zoals dispersielijmen of -kitten, oplosmiddellijmen of -kitten, smeltlijmen of -kitten en chemisch-hardende lijmen of -kitten.

Om het oppervlak van natuursteen of kunststeen te beschermen wordt de steen in sommige gevallen behandeld. Hiervoor worden zowel sealers als impregneermiddelen gebruikt. De toepassing van sealers resulteert in een beschermende laag op de steen. Impregneermiddelen dringen de steen in en voeren zo hun beschermende werking uit. Sealers, impregneermiddelen en vergelijkbare producten zijn samengevat onder de noemer 'coatings'.

Veiligheid

Bij het aanbrengen van lijmen, harsen en coatings op natuursteen of kunststeen met behulp van een nevelspuit speelt explosieveiligheid een rol. Dit aspect wordt echter voldoende geregeld via het Arbeidsomstandighedenbesluit. Op grond van de voorschriften in dat besluit, die gericht zijn op de bescherming van de gezondheid en veiligheid van de werknemers, moet er sprake zijn van een explosieveilige atmosfeer in ruimten waar ontploffingsgevaar heerst. Op grond van het Arbeidsomstandighedenbesluit gelden voorschriften die het risico op brand en explosie tot een minimum beperken (zie onder andere beleidsregel 4.4-8: ‘Voorkomen van brand en explosie en het beperken van de gevolgen van brand bij het werken in verfspuitcabines’).

Emissies naar lucht

Over het beperken van emissies naar de lucht wordt in hoofdstuk 7 van het algemene deel van de toelichting bij de Activiteitenregeling een algemene toelichting gegeven.

Artikel 4.84c, eerste lid

In dit artikellid wordt doelmatige afzuiging van afgassen geëist bij enerzijds activiteiten met potentiële emissies van vaste lijm-, hars- of coatingdeeltjes en anderzijds activiteiten met vluchtige organische stoffen. Onder doelmatige bronafzuiging wordt hier mede verstaan lokale of ruimte-afzuiging bij activiteiten die in een speciaal daarvoor bestemde, afgesloten ruimte plaatsvinden of redelijkerwijs moeten plaatsvinden om vanwege de omvang van de producten een effectieve afzuiging van dampen te realiseren.

Bronafzuiging is echter niet in alle situaties redelijk.

Artikel 4.84c, tweede lid

Bij activiteiten waar gewerkt wordt met vluchtige organische stoffen en waar behandelde producten worden gedroogd in een oven, is geuremissie te verwachten. Het afvoeren van dampen en gassen door middel van een afvoerpijp, die voldoende hoog is in vergelijking met de omliggende bebouwing, zal in een groot aantal gevallen leiden tot een voldoende verspreiding van geuremissies.

In hoofdstuk 7 van het algemene deel van de toelichting bij de Activiteitenregeling is vastgesteld wat wordt verstaan onder een ontgeuringsinstallatie en onder welke voorwaarden de ontgeuringsinstallatie doelmatig is en zijn goede werking in de loop van de tijd behoudt.

Wanneer watergedragen producten worden toegepast, ligt de toepassing van een adsorptiefilter minder voor de hand. Deze producten hebben meestal een fors lager VOS-gehalte, waardoor geurhinder minder snel zal optreden. Ook is de goede werking van een adsorptiefilter niet gegarandeerd, vanwege de aanwezigheid van water in deze producten.

Inrichtingen die zijn opgericht na inwerkingtreding van dit artikel moeten voldoen aan het gestelde in het tweede lid. Alleen als de drijver van de inrichting kan aantonen dat van het tweede lid kan worden afgeweken en dat met de alternatieve maatregel een gelijkwaardig beschermingsniveau kan worden bereikt, kan het bevoegd gezag, op basis van artikel 1.8 van het besluit, besluiten de afwijkende maatregel toe te staan. Voor inrichtingen die zijn opgericht voor het van toepassing worden van dit artikel op de inrichting, geldt een overgangsbepaling die is opgenomen in artikel 6.8 van deze regeling.

Artikel 4.84c, vierde en vijfde lid

Om te voorkomen dat geurhinder vanwege het aanbrengen van lijmen, harsen en coatings op natuursteen of kunststeen leidt tot overlast bij nabij gelegen gevoelige gebouwen is de maatregel onder het tweede lid opgenomen. Door de uitvoering van deze maatregel zullen de afgezogen gassen en dampen in een groot aantal gevallen voldoende verspreid worden om geurhinder te voorkomen.

Omdat het besluit ook van toepassing is op inrichtingen met een relatief grote milieurelevantie en het mogelijk is dat het gestelde onder het tweede lid tot een onvoldoende reductie van de geurbelasting nabij gevoelige gebouwen leidt, is het noodzakelijk dat het bevoegd gezag de mogelijkheid heeft in die situaties via een maatwerkvoorschrift de geurbelasting verder te verlagen door middel van het opleggen van de eis dat er een doelmatige ontgeuringsinstallatie aanwezig is, het verbinden van eisen aan een ontgeuringsinstallatie dan wel het verlangen van verhoging van de afvoerhoogte van de afgezogen dampen en gassen, of het beperken van de geurbelasting tot specifieke tijdstippen.

Bij de besluitvorming moet daarbij de geurhindersystematiek van de NeR worden betrokken. Zie verder de toelichting over geurhinder onder artikel 2.1 van het besluit en paragraaf 7.4 van de toelichting bij de Activiteitenregeling.

Artikel 4.84d

Indien een inrichting de maatregel als bedoeld in dit artikel toepast, voldoet de inrichting hiermee aan het doelvoorschrift van artikel 4.74f van het besluit. De aantoonplicht uit artikel 2.8 van het besluit is dan niet meer van toepassing.

In hoofdstuk 7 van het algemene deel van de toelichting bij de Activiteitenregeling is beschreven wat wordt verstaan onder een filtrerende afscheider en onder welke voorwaarden de afscheider doelmatig is en zijn goede werking in de loop van de tijd behoudt. Een filtrerende afscheider kan in dit geval ook een paintstopfilter zijn.

Voor situaties als bedoeld in artikel 2.5, vierde lid, van het besluit (zie ook de artikelsgewijze toelichting op dat artikel) en er geen filtrerende afscheider wordt toegepast maar gebruik wordt gemaakt van een waterscherm om de stofdeeltjes uit de afgezogen lucht te verwijderen, moet ook rekening worden gehouden met het ontstaan van afvalwater. Het water dat is gebruikt bevat lijm-, coating- of harsdeeltjes.

Artikel 4.84e

Dit artikel is van toepassing op (1) het verwerken van lijmen, harsen, coatings en verdunningsmiddelen en (2) het aanbrengen van coatings op natuursteen of kunststeen.

Onder verwerken wordt onder meer begrepen het aanmaken en mengen.

Bij het verwerken en het aanbrengen van lijmen, coatings en harsen op natuursteen of kunststeen is de bodembelasting minimaal en volstaat een vloeistofkerende voorziening. Met incidentenmanagement zoals het voorhanden hebben van absorptiemiddelen of doeken kunnen morsingen worden opgeruimd. Daarnaast harden producten relatief snel uit waardoor de kans op indringing in de bodem minimaal is. Oplosmiddelen hebben de eigenschap snel te verdampen, zodat de kans dat oplosmiddelen uit de toegepaste producten in de bodem dringen minimaal is.

§ 4.5a.3. Chemisch behandelen van natuursteen of kunststeen
Artikel 4.84f

In de meeste gevallen vindt het zuren van natuursteen of kunststeen plaats in dompelbaden. Om de werking van het zuur te beëindigen wordt het product afgespoeld met water of wordt het door een spoelbad gehaald. Na spoeling met water is er enkel nog belasting met water op de vloer en zijn bodembeschermende voorzieningen niet meer nodig. Vandaar dat in het eerste lid is bepaald dat de lekbak of de vloeistofdichte vloer of verharding zich niet hoeft uit te strekken over het gebied waar de natuursteen of kunststeen wordt geplaatst nadat dit is afgespoeld met water of is gespoeld met water in een bad. Het automatisch vullen van baden gebeurt voornamelijk bij spoelbaden.

Onderdeel FF tot en met HH

In paragraaf 3.3.1 zijn voorschriften opgenomen voor het afleveren van brandstof bij een tankstation voor het wegverkeer en in paragraaf 4.6.2 voor het afleveren van vloeibare brandstof aan vaartuigen. Paragraaf 4.6.3 bevat de voorschriften die moeten gelden bij het afleveren van vloeibare brandstof in andere gevallen. Het meest voorkomende voorbeeld is het afleveren van brandstof aan het eigen wagenpark, het zogenaamde ‘eigen gebruik’. Dezelfde eisen moeten ook gelden bij andersoortige afleveringen, bijvoorbeeld aan dieselmotoren in apparaten als hijskranen of noodstroomaggregaten, die niet onder het begrip ‘motorvoertuig’ of ‘vaartuig’ vallen. Vandaar dat in de paragraaftitel is opgenomen dat het gaat om het afleveren ‘anders dan voor openbare verkoop aan derden voor motorvoertuigen voor het wegverkeer en voor vaartuigen’ en dat in de artikelen 4.88, 4.90 en 4.91 wordt gesproken over anders dan bedoeld in de artikelen 3.17 (de reikwijdtebepaling voor tankstations) en 4.77 tot en met 4.79 (voorschriften voor bunkerstations) van het besluit. In artikel 4.93 wordt gesproken over anders dan bedoeld in artikel 3.17 van het besluit.

Onderdeel JJ
§ 4.7.1a. Vellenoffset druktechniek

Het Handboek milieumaatregelen grafische industrie en verpakkingsdrukkerijen bevat in module 140 ‘Hoogdruk/offset drukken algemeen’ de maatregelen die in het kader van de milieubeleidsovereenkomst voor de bedrijfstak zijn afgesproken. Ten aanzien van de vormvervaardiging (offsetplaten) zijn de maatregelen opgenomen in module 100 ‘Vormvervaardiging offset’ van het handboek. De meeste maatregelen uit deze modules zijn in het besluit en deze regeling overgenomen. De uitzonderingen hebben betrekking op het volgende.

Per 1 oktober 2000 is voor de grafische sector een vervangingsregeling van kracht geworden. Voor de vellenoffsetbedrijven zijn eisen gesteld aan de gebruikte reinigingsmiddelen en aan het maximum gehalte van isopropylalcohol in vochtwater. Deze maatregelen zijn opgenomen in de Arbeidsomstandighedenregeling en zijn daarom niet opgenomen in het besluit en deze regeling. Het gaat om de volgende maatregelen:

  • het maximum gehalte aan isopropylalcohol of andere monoalcoholen in het vochtwater bedraagt 8 volumeprocenten bij automatische doseersystemen en 10 volumeprocenten bij handmatige doseersystemen;

  • producten die worden gebruikt bij het reinigen van machines of machineonderdelen, gereedschappen of materialen bevatten ten hoogste 0,1 volumeprocenten gehalogeneerde koolwaterstoffen of monoaromaten met een dampspanning van meer dan 0,1 millibar bij 20 °C;

  • wanneer producten bij dagelijkse reiniging worden toegepast geldt voorts dat het vlampunt ten minste 55 °C moet bedragen.

Stoffen zoals di- of trichloormethaanhoudende of monoaromaathoudende schoonmaak- en verdunningsmiddelen die vanwege hun giftigheid niet gebruikt mogen worden, mogen overigens ook niet naar de lucht worden uitgestoten of geloosd op grond van artikel 4.94b van het besluit en de algemene zorgplichtbepaling (artikel 2.1 van het besluit).

Een aantal maatregelen uit het handboek is niet opgenomen, maar kan wel een goede invulling zijn van de algemene zorgplichtbepaling. Het gaat dan bijvoorbeeld om:

  • het gebruik van biologisch afbreekbare reinigingsmiddelen (140.13) en

  • het gebruik van niet-vluchtige reinigingsmiddelen (140.4).

Maatregelen die zich alleen richten op afvalpreventie zijn niet overgenomen. Dergelijke maatregelen zijn te vinden in de Factsheet Afvalpreventie van het handboek.

Artikel 4.102a

Voor stofemissies door het gebruik van anti-smetpoeder in vellenoffsetdrukpersen is dezelfde benadering gevolgd voor stofemissies die kunnen optreden bij mechanische bewerking van metaal, hout en kunststof.

In artikel 4.102a, eerste lid, wordt doelmatige bronafzuiging verlangd bij het gebruik van anti-smetpoeder. Anti-smetpoeder wordt tijdens het drukproces verstuift tussen bedrukte vellen.

Bronafzuiging is niet in alle situaties redelijk. Dit geldt veelal voor incidentele en/ of kleinschalige activiteiten.

Voor de emissie van totaal stof geldt er op basis van de NeR geen ondergrens. Dit is toegelicht in paragraaf 7.2 van de nota van toelichting bij de Activiteitenregeling. Daarbij geldt echter, dat wanneer sprake is van een geringe emissie de vrijstellingsbepaling van toepassing kan zijn. Voor de emissie van totaal stof is dit het geval, wanneer de massastroom van een emissiebron lager is dan 100 kilogram per jaar. In dat geval kan de emissie van die bron als niet relevant worden beschouwd en zijn de emissie-eisen niet op die bron van toepassing. Om voor vellenoffsetbedrijven een concrete grens vast te stellen voor het gebruik van anti-smetpoeder, waarboven sprake is van relevante emissies, is een inventarisatie uitgevoerd bij een aantal vellenoffsetbedrijven. Het gebruik van antismetpoeder en de daarbij optredende omvang van emissies is beoordeeld en naar aanleiding van deze inventarisatie is een relatie vastgesteld tussen het verbruik aan anti-smetpoeder en de hoeveelheid stof die wordt geëmitteerd. Op grond daarvan is bepaald, dat wanneer het gebruik van anti-smetpoeder minder is dan 500 kilogram per jaar, aan de bepalingen van de NeR wordt voldaan. Dit betekent tevens, dat in dat geval bronafzuiging niet redelijk wordt geacht.

Voor bestaande inrichtingen is in het overgangsrecht een uitzondering gemaakt op het tweede lid. Zie hiervoor artikel 6.7 en de bijbehorende toelichting.

Artikel 4.102b, aanhef en onder a

Hiervoor is reeds toegelicht, dat wanneer het gebruik van anti-smetpoeder minder is dan 500 kilogram per jaar, de emissies niet als relevant worden beschouwd en de inrichting derhalve voldoet aan het doelvoorschrift zoals opgenomen in artikel 4.94 van het besluit. De aantoonplicht, bedoeld in artikel 2.8 van het besluit, is dan niet meer van toepassing. De grens van 500 kilogram is gebaseerd op een inventarisatie zoals hiervoor beschreven in de toelichting bij artikel 4.102a.

Artikel 4.102b, aanhef en onder b

Indien een inrichting de maatregel, bedoeld in dit lid, toepast, voldoet de inrichting hiermee aan het doelvoorschrift zoals opgenomen in artikel 4.94 van het besluit. De aantoonplicht, bedoeld in artikel 2.8 van het besluit, is dan niet meer van toepassing. In hoofdstuk 7 van het algemene deel van de nota van toelichting bij de Activiteitenregeling is vastgelegd wat wordt verstaan onder een filtrerende afscheider en onder welke voorwaarden de afscheider doelmatig is en zijn goede werking in de loop van de tijd behoudt.

Artikel 4.102c, eerste lid

Vanuit het oogpunt van het beperken van diffuse emissies van vluchtige stoffen verdient het de voorkeur dat gassen en dampen die vrijkomen bij het offsetdrukproces bij de bron worden afgezogen dan wel dat de ruimte waarin de drukwerkzaamheden plaatsvinden centraal wordt afgezogen. Een dergelijke afzuiging is echter niet in alle gevallen redelijk. Wanneer geen geurhinder te verwachten is, is bronafzuiging dan wel ruimteafzuiging niet redelijk. Dit laat onverlet dat er vanuit oogpunt van arbeidsomstandigheden aanleiding kan zijn om bron- dan wel ruimteafzuiging toe te passen.

Artikel 4.102c, tweede lid

Wanneer gassen en dampen die vrijkomen bij het offsetdrukproces worden afgezogen en in de buitenlucht worden afgevoerd en er kans is op het ontstaan van geurhinder, moet de uitmonding van het afvoerpunt zodanig zijn gesitueerd dat voldoende verspreiding kan plaatsvinden. Daartoe moet de uitmonding voldoende hoog zijn in vergelijking met de omliggende bebouwing. Van belang is hierbij dat de uittredende lucht zoveel mogelijk verticaal wordt uitgeblazen, zodat de verspreiding van de dampen en gassen in de buitenlucht optimaal plaatsvindt.

Voor bestaande inrichtingen is in het overgangsrecht een uitzondering gemaakt op het tweede lid. Zie hiervoor artikel 6.8 en de bijbehorende toelichting.

Artikel 4.102c, vierde lid

Om te voorkomen dat geuremissie vanwege het offsetdrukproces leidt tot overlast bij nabij gelegen gevoelige gebouwen is het tweede lid opgenomen. Door de uitvoering van deze maatregel zullen de afgezogen gassen en dampen in een groot aantal gevallen voldoende worden verspreid om geurhinder te voorkomen.

Omdat het in specifieke situaties mogelijk is dat het gestelde onder het tweede lid tot onvoldoende reductie van de geurbelasting nabij gevoelige gebouwen leidt, is het noodzakelijk dat het bevoegd gezag de mogelijkheid heeft om in die situaties via een maatwerkvoorschrift de geurbelasting verder te verlagen. Dit kan bijvoorbeeld worden bereikt door middel van het verhogen van de afvoerhoogte van de afgezogen dampen en gassen, het verhogen van de uittreesnelheid, een andere situering van de afvoerpijp, gedragsmaatregelen of bronafzuiging voor het beperken van diffuse emissies of het beperken van de geurbelasting tot specifieke tijdstippen. Bij de besluitvorming hierover moet de geurhindersystematiek van de NeR worden betrokken.

Artikel 4.102d, eerste lid

Door het uitvoeren van relatief eenvoudige maatregelen ten aanzien van de bedrijfsvoering kan bij elke pers de concentratie van isopropylalcohol (IPA) of andere vluchtige organische stoffen in het vochtwater worden verlaagd. Van belang is dat het uitvoeren van deze maatregelen niet vanzelf leidt tot het laagst mogelijk IPA-gehalte in het vochtwater. Het is eenvoudig mogelijk om met een veel hoger IPA-gehalte te drukken dan op de desbetreffende pers nodig zou zijn. Het laagst mogelijk percentage moet dan ook werkelijk ‘opgezocht’ worden. Dit gebeurt door zeer geleidelijk, in kleine stapjes, het IPA-gehalte te verlagen tot het optimum waar het drukproces nog stabiel, beheersbaar en voorspelbaar is.

Het Handboek milieumaatregelen grafische industrie en verpakkingsdrukkerijen bevat een groot aantal praktische maatregelen ten aanzien van de bedrijfsvoering, met als doel om de emissie van IPA uit het vochtwater te verminderen. Daarnaast zijn in dit handboek maatregelen opgenomen om het gebruik van vluchtige schoonmaakmiddelen zoveel mogelijk te beperken, onder meer door vluchtige schoonmaakmiddelen te vervangen door K3-schoonmaakmiddelen of niet-vluchtige schoonmaakmiddelen.

Artikel 4.102d, tweede lid

Veel vellenoffset bedrijven hebben in de beginperiode van de milieubeleidsovereenkomst Grafische Industrie en Verpakkingsdrukkerijen reeds een IPA reductieplan opgesteld. Vanwege voortschrijdende technische inzichten is het echter zinvol om een dergelijk overzicht met maatregelen regelmatig te bezien en te actualiseren. Om deze reden is een verplichting tot het hebben van een actueel plan in het tweede lid van artikel 4.102d opgenomen.

Verdere reductie van het IPA-percentage in het vochtwater is mogelijk door toepassing van IPA-reducerende vochtwateralternatieven, aanpassing of vervanging van de drukpers (speciale rubberrollen, keramische of speciale chroomvochtrollen, alcoholloze vochtwerken, koeling van inktwerken) en standaardisatie van het vochtwater (omgekeerde osmose). Ook zijn er nieuwe grafische technieken ontwikkeld, die soms een alternatief voor het drukken met IPA kunnen zijn, zoals droge offset.

Artikel 4.102d, derde lid

De in dit lid bedoelde motivering heeft ten minste betrekking op de kosteneffectiviteit dan wel de technische toepasbaarheid van de maatregel binnen de inrichting. Als geen, of, naar het oordeel van het bevoegd gezag onvoldoende maatregelen, als bedoeld in artikel 4.94a, eerste lid, van het besluit, in combinatie met het eerste en tweede lid van dit artikel getroffen zijn, kan het bevoegd gezag de drijver van de inrichting verzoeken te motiveren waarom de maatregelen niet zijn getroffen. In de motivering dient de drijver van de inrichting tenminste de kosteneffectiviteit en de technische uitvoerbaarheid in de specifieke bedrijfssituatie te betrekken. Omdat de toepasbaarheid van technieken en middelen in verloop van tijd kan veranderen, wordt van de drijver van de inrichting verwacht dat deze met enige regelmaat beoordeelt of ten aanzien van de toepasbaarheid van maatregelen veranderingen zijn opgetreden.

Het Handboek milieumaatregelen grafische industrie en verpakkingsdrukkerijen is beschikbaar via de website van FO-industrie (www.fo-industrie.nl). Daarnaast is bij FO-industrie de brochure 'Hoe u het gebruik van IPA in de offset kunt verminderen’ verkrijgbaar. InfoMil heeft een aantal praktijkbladen gepubliceerd, waarin de ervaringen van offsetbedrijven ten aanzien van het verminderen of zelfs vermijden van het gebruik van IPA zijn beschreven. Deze praktijkbladen zijn beschikbaar via de website van InfoMil (www.infomil.nl > onderwerpen > VOS > Publicaties).

§ 4.7.1b. Lijmen, coaten en lamineren van papier en karton
Artikel 4.102f

In het eerste lid van dit artikel wordt doelmatige afzuiging van afgassen verlangd bij activiteiten met vluchtige organische stoffen. Bronafzuiging is echter niet in alle situaties redelijk. Dit kan het geval zijn wanneer een emissie incidenteel plaatsvindt of kleinschalig van aard is.

Om in een bepaalde situatie vast te stellen of een emissiebron als incidenteel of kleinschalig kan worden beschouwd, kan aansluiting worden gezocht bij de ondergrenzen in de NeR. Daarbij kan een diffuse emissie worden beschouwd als ware het een gekanaliseerde emissie. Er zijn dan twee mogelijkheden om het incidentele en/of kleinschalige karakter van een emissie te kwantificeren:

  • 1. De emissie van de gehele inrichting, berekend conform artikel 2.5 van het besluit, is lager dan de grensmassastroom voor de betreffende emissie.

  • 2. De grensmassastroom wordt wel overschreden, maar de emissie vanuit de betreffende bron in kilogram per jaar is zodanig klein dat deze onder de vrijstellingsbepaling van artikel 2.6 van het besluit blijft.

Het incidentele karakter of de kleinschaligheid van een bron zal door de drijver van de inrichting, in gevallen waarin dit niet op voorhand duidelijk is, op basis van onderbouwde ‘worst case’-aannames aangetoond moeten worden. Indien aan bovengenoemde voorwaarden wordt voldaan zal bronafzuiging veelal niet redelijk zijn

Artikel 4.102f, tweede tot en met vierde lid

Bij activiteiten waar gewerkt wordt met vluchtige organische stoffen en waar behandelde producten worden gedroogd, is geuremissie te verwachten. Het afvoeren van dampen en gassen door middel van een afvoerpijp die voldoende hoog is in vergelijking met de omliggende bebouwing, zal in een groot aantal gevallen leiden tot een voldoende verspreiding van geuremissies. Van belang is hierbij dat de uittredende lucht zoveel mogelijk verticaal wordt uitgeblazen, zodat de verspreiding van de dampen en gassen in de buitenlucht zo goed mogelijk plaatsvindt, waardoor de kans op geurhinder wordt verkleind.

Artikel 4.102f, vijfde lid

Omdat het besluit ook van toepassing is op inrichtingen met een relatief grote milieurelevantie en het mogelijk is dat het gestelde onder het tweede en vierde lid tot een onvoldoende reductie van de geurbelasting nabij gevoelige gebouwen leidt, is het noodzakelijk dat het bevoegd gezag de mogelijkheid heeft in die situaties via een maatwerkvoorschrift de geurbelasting verder te verlagen door het opleggen van de eis dat er een doelmatige ontgeuringsinstallatie aanwezig is, het verbinden van eisen aan een ontgeuringsinstallatie dan wel het verlangen van verhoging van de afvoerhoogte van de afgezogen dampen en gassen.

Bij de besluitvorming moet daarbij de geurhindersystematiek van de NeR worden betrokken. Zie verder de toelichting over geurhinder in het besluit onder artikel 2.1 en paragraaf 7.4 van de toelichting bij de Activiteitenregeling. De voorschriften zijn gericht op het voorkomen van geurhinder vanwege een centraal emissiepunt. Geurhinder kan ook ontstaan door emissies die ontsnappen aan de centrale afzuiging, bijvoorbeeld door aanmaakwerkzaamheden, of door openstaande ramen of deuren. Als blijkt dat geurklachten (mede) veroorzaakt worden door diffuse geuremissies is meestal maatwerk nodig. Hierbij ligt het voor de hand eerst te kijken of de centrale afzuiging verbeterd kan worden, bijvoorbeeld door het toepassen van bronafzuiging. Als het probleem niet op deze manier opgelost kan worden ligt het voor de hand te kijken naar gedragsmaatregelen en betere planning van werkzaamheden.

Artikel 4.102g, eerste lid

De maatregelen ter beperking van de emissie van vluchtige organische stoffen bij het lijmen, coaten en lamineren van papier of karton zijn opgenomen in het Handboek milieumaatregelen grafische industrie en verpakkingsdrukkerijen. Daarbij zijn de maatregelen voor coaten en lamineren toegespitst op de combinatie met rotatieoffset en verpakkingsdruk. Om deze reden zijn deze maatregelen niet één op één van toepassing te verklaren op de bedrijven die onder de werkingssfeer van het besluit vallen.

Er is echter wel een groot aantal maatregelen mogelijk die kunnen worden getroffen ongeacht de schaalgrootte waarop de activiteiten worden uitgevoerd. Dit betreft maatregelen op het gebied van de bedrijfsvoering en het overschakelen op producten die minder of helemaal geen vluchtige organische stoffen bevatten. Veel lijmen en coatings die bijvoorbeeld bij vellenoffset worden toegepast zijn reeds van het oplosmiddelarme type.

Artikel 4.102g, tweede lid

De in dit lid bedoelde motivering heeft ten minste betrekking op de kosteneffectiviteit dan wel de technische toepasbaarheid van de maatregel binnen de inrichting. Als geen of, naar het oordeel van het bevoegd gezag, onvoldoende maatregelen, als bedoeld in artikel 4.94e, eerste lid, van het besluit, in combinatie met het eerste lid van dit artikel getroffen zijn, dan kan het bevoegd gezag de drijver van de inrichting verzoeken te motiveren waarom de maatregelen niet zijn getroffen. In de motivering dient de drijver van de inrichting tenminste de kosteneffectiviteit en de technische uitvoerbaarheid in de specifieke bedrijfssituatie te betrekken. Omdat de toepasbaarheid van technieken en middelen in verloop van tijd kan veranderen, wordt van de drijver van de inrichting verwacht dat deze met enige regelmaat beoordeelt of ten aanzien van de toepasbaarheid van maatregelen veranderingen zijn opgetreden.

Artikel 4.102h

Onder verwerken wordt onder meer begrepen het aanmaken en mengen.

Bij het verwerken van lijmen en coatings is de bodembelasting minimaal en volstaat een vloeistofkerende voorziening. Deze producten harden relatief snel uit waardoor de kans op indringing in de bodem minimaal is. Oplosmiddelen hebben de eigenschap snel te verdampen zodat de kans dat oplosmiddelen uit de toegepaste producten in de bodem dringen minimaal is.

Onderdeel KK
§ 4.7.3. Mechanisch verwerken van textiel
Artikelen 4.104a en 4.104b

Ten aanzien van het beperken van luchtemissies is in het besluit en deze regeling aangesloten bij de gangbare praktijk bij vergunningverlening. Ten opzichte van de gangbare praktijk bij vergunningverlening zullen de voorschriften ten aanzien van het beperken van luchtemissies naar verwachting geen verzwaring inhouden omdat bij textielverwerkingsbedrijven de grote weef-, spin- en breimachines in de praktijk vrijwel altijd bronafzuiging of gecontroleerde ruimteafzuiging met filtering wordt toegepast en anderzijds in deze regeling voldoende wordt uitgewerkt in welke situaties bronafzuiging niet redelijk wordt geacht. Over het beperken van emissies naar de lucht wordt in hoofdstuk 7 van het algemene deel van de toelichting bij de Activiteitenregeling een algemene toelichting gegeven.

Voor de toelichting bij de artikelen 4.104a en 4.104b wordt tevens verwezen naar de toelichting bij paragraaf 4.5.1. van de Activiteitenregeling.

§ 4.7.4. Lassen van textiel
Artikel 4.104c

Om te voorkomen dat de ventilatielucht uit werkplaatsen waar met name met hete lucht zeil wordt gelast, onvoldoende wordt verspreid en leidt tot (stof)overlast bij nabij gelegen gevoelige gebouwen is de maatregel in artikel 4.104c opgenomen. Door de uitvoering van deze maatregel zullen de afgezogen stoffen in een groot aantal gevallen voldoende verspreid worden.

Indien de drijver van de inrichting kan aantonen dat van artikel 4.104c kan worden afgeweken en dat met een alternatieve maatregel een gelijkwaardig beschermingsniveau kan worden bereikt, kan het bevoegd gezag, op basis van artikel 1.8 van het besluit, besluiten de alternatieve maatregel toe te staan. Voor bestaande inrichtingen geldt een overgangsbepaling, zie artikel 6.7 van deze regeling.

Omdat het besluit ook van toepassing is op inrichtingen met een relatief grote milieurelevantie en het mogelijk is dat het gestelde onder artikel 4.104c tot (stof)overlast leidt nabij gevoelige gebouwen, is het noodzakelijk dat het bevoegd gezag de mogelijkheid heeft om in die situaties via een maatwerkvoorschrift zorg te dragen voor een betere verspreiding en de (stof)overlast nabij gevoelige gebouwen te verlagen, bijvoorbeeld door middel van het verhogen van de afvoerhoogte van de afgezogen dampen en gassen.

§ 4.7.5. Lijmen en coaten van textiel
Artikel 4.104d en 4.104e

Zie de toelichting bij paragraaf 4.3.2. van de Activiteitenregeling betreffende het reinigen, coaten en lijmen van hout, kurk dan wel houten kurken of houtachtige voorwerpen. Onder het coaten van textiel wordt tevens het sealen van textiel verstaan.

Artikel 4.104f, eerste lid

De in artikel 4.103e, eerste lid, van het besluit bedoelde maatregelen bestaan in ieder geval uit het treffen van maatregelen ten aanzien van de bedrijfsvoering ter voorkoming van onnodige emissie, zogenaamde ‘goodhousekeeping’- maatregelen en het gebruiken van VOS-arme producten en efficiënte applicatiemethoden (met in ieder geval zo weinig mogelijk overspray). Bij good-housekeeping maatregelen kan bijvoorbeeld gedacht worden aan:

Als werkvoorbereiding:

  • 1. Op basis van de specifieke eigenschappen van te bewerken objecten, vaststellen van de beste werkmethode (te gebruiken apparatuur, instellingen apparatuur en typen, hoeveelheden en verhoudingen van grond- en hulpstoffen en dergelijke) om verspilling van VOS-houdende producten te voorkomen;

  • 2. Vastleggen van de meest relevante zaken ten aanzien van de werkmethode in een instructie en het informeren van medewerkers ten aanzien van de beste werkmethode of wijzigingen daarop;

  • 3. Overwegen van proefbewerkingen om instellingen en werkmethoden te optimaliseren.

Tijdens de uitvoering van het werk:

  • 1. Bij het aanmaken van grond- en/of hulpstoffen rekening houden met houdbaarheid en verwerkbaarheid;

  • 2. Werk uitvoeren volgens instructie en regelmatig toezicht hier op houden;

  • 3. Eventueel vastleggen van relevante parameters om verbetering van de werkmethode mogelijk te maken;

  • 4. Het zoveel mogelijk gesloten houden van emballage.

Bij de afronding van het werk:

  • 1. Zo snel mogelijk na werkzaamheden met juiste middelen en zuinig gebruik daarvan, schoonmaken van de apparatuur en dergelijke;

  • 2. Aan de hand van vastgelegde gegevens periodiek beoordelen of een werkmethode verder geoptimaliseerd kan worden ten aanzien van in ieder geval het VOS-verbruik;

  • 3. Niet onnodig VOS laten verdampen of uitharden uit gebruikte emballage met restanten VOS-houdende middelen.

Ten aanzien van alternatieve producten en applicatiemethoden wordt voor een activiteit in ieder geval aan het gestelde in artikel 4.104f, eerste lid, onder b, voldaan indien voor die betreffende activiteit producten worden toegepast waarvan het gehalte aan VOS maximaal 150 gram per liter gebruiksklaar product bedraagt.

Ten aanzien van alternatieve producten en applicatiemethoden kan tevens worden voldaan aan het gestelde in artikel 4104f, eerste lid, onder b, indien producten of methoden toegepast worden zoals genoemd in:

  • Maatregel F 4 en F5 van module B van het Werkboek milieumaatregelen textiel- en tapijtindustrie (FO-industrie);

  • Informatieblad Bouw- en houtbedrijven (publicatieblad R14 InfoMil) op pagina 32 en 33;

Het informatieblad Bouw- en houtbedrijven is beschikbaar via de website van InfoMil:

http://www.infomil.nl/onderwerpen/klimaat-lucht/vos/menu/publicaties/.

De genoemde publicaties geven in ieder geval inzicht in de technische toepasbaarheid van alternatieve verf- of applicatiesystemen in specifieke gevallen. Hiermee staat niet vast dat deze maatregelen ook daadwerkelijk binnen iedere inrichting toegepast kunnen worden. Van de drijver van de inrichting wordt verwacht dat hij die maatregelen getroffen heeft, dan wel aantoonbaar overwogen of beoordeeld heeft, die technisch uitvoerbaar zijn en in de desbetreffende situatie kosteneffectief zijn. Als ten aanzien van de kosteneffectiviteit in de betreffende factsheet of praktijksheet geen of onvoldoende inzicht gegeven wordt, dient paragraaf 4.13 van de NeR (kosteneffectiviteit) toegepast te worden.

Artikel 4.104g

Dit artikel is van toepassing op de activiteiten ‘het verwerken van lakken, verdunners en lijmen’ en ‘het reinigen van spuitapparatuur’. Op grond van dit artikel dienen deze activiteiten plaats te vinden boven een bodembeschermende voorziening.

Onder het verwerken wordt onder meer begrepen het aanmaken en mengen van lijm en verf. Bij deze activiteiten kunnen stoffen gemorst worden waardoor een vloeistofkerende voorziening met daarbij behorende beheermaatregelen een minimaal vereiste is om een verwaarloosbaar bodemrisico te bereiken.

Onderdeel LL
Artikel 4.104h

De gecombineerde reinigings- en ontsmettingsmiddelen die worden toegepast om vrachtwagens en andere transportmiddelen inwendig schoon te maken zijn bodembedreigend. Er is daarom een vloeistofdichte vloer of verharding nodig om te voorkomen dat het afvalwater dat van de vrachtwagen en andere transportmiddelen naar het afvoerpunt stroomt in de bodem terecht kan komen. Dat betekent niet noodzakelijk dat de hele wasplaats vloeistofdicht uitgevoerd moet worden, behalve als daar ook de buitenkant wordt schoongemaakt. Daarop is paragraaf 3.3.2 van toepassing. Als alleen inwendig wordt gereinigd en ontsmet, gaat het om het gedeelte van de vloer of verharding waarover het afvalwater stroomt.

Toegepaste reinigings- en ontsmettingsmiddelen

De middelen die worden toegepast zijn meestal gecombineerde reinigings- en ontsmettingsmiddelen. De toegepaste middelen moeten zijn toegelaten op grond van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden. Bij de toelating beoordeelt de Commissie toelating gewasbestrijdingsmiddelen en biociden (CTGB) het milieueffect van de middelen bij normaal gebruik.

Voor de toegelaten middelen betekent dit dat ervan mag worden uitgegaan dat het milieueffect bij lozing op het vuilwaterriool voldoende beoordeeld is, zodat er op grond van het besluit geen aanvullende informatie gevraagd hoeft te worden en geen aanvullende eisen gesteld hoeven te worden op voorwaarde dat:

  • De middelen zijn toegelaten op grond van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden, en

  • De middelen worden toegepast conform het gebruiksvoorschrift.

De toelating en het gebruiksvoorschrift zijn in te zien op www.ctgb.nl.

Als bij handhaving problemen geconstateerd worden door onzorgvuldig gebruik van de middelen, wordt geadviseerd eerst te kijken naar het officiële gebruiksvoorschrift; bij problemen kan naleving van het gebruiksvoorschrift via de zorgplicht gevraagd worden.

Bij de term ‘vloeistofdicht’ wordt vaak gedacht aan speciaal aangelegde voorzieningen zoals die bijvoorbeeld bij tankstations voorkomen. De vloeistofdichtheid van de vloer of verharding wordt beoordeeld door een inspectie-instelling die daartoe beschikt over een erkenning op grond van het Besluit bodemkwaliteit. Op grond van dat besluit vindt deze beoordeling plaats overeenkomstig CUR-PBV aanbeveling 44. In die beoordeling wordt rekening gehouden met de aard van de vloeistof die moet worden tegengehouden. In dit geval is dat water met reinigingsmiddelen. Bestaande wasplaatsen voor het inwendig reinigen van vrachtwagens die niet op vloeistofdichtheid beoordeeld zijn, zullen als dit voorschrift op hen van toepassing wordt, moeten worden gekeurd. Bij een bestaande goede vloer of verharding kan uit de keuring volgen dat de vloer of verharding vloeistofdicht is. In dat geval kan verder volstaan worden met een herkeuring na 6 jaar. Als uit de keuring blijkt dat een bestaande vloer of verharding niet vloeistofdicht is, is aanpassing nodig. Dat zal alleen bij hoge uitzondering betekenen dat de (gehele) vloer moet worden vervangen. Mogelijk is reparatie of vervanging van bepaalde onderdelen mogelijk. Daarnaast zou gedacht kunnen worden aan het aanleggen van een vloeistofdichte goot waardoor het afvalwater van vrachtwagen naar afvoerpunt kan stromen.

Onderdeel MM

Het vierde lid, onder b, is gewijzigd in: ‘b. de situering van het emissiepunt’, zodat duidelijk is dat het bevoegd gezag een maatwerkvoorschrift kan stellen aan onder andere de situering van een rookton. Een rookton wordt onder meer toegepast bij recreatieve visvijvers voor het roken van vis.

Onderdeel OO

Als er bij het broeien of koken van bijproducten afzuiging plaatsvindt, worden de dampen in principe 2 meter bovendaks afgevoerd of wordt er een ontgeuringsinstallatie toegepast. Dit voorschrift geldt alleen in nieuwe situaties of bij uitbreiding van een bestaande situatie (zie artikel 6.8). Zie verder de toelichting over geur onder paragraaf 7.4 van het algemene deel van de toelichting bij de Activiteitenregeling.

Onderdeel PP

Het pekelen vindt normaal gesproken plaats in bakken. De strekking van het voorschrift is dat de zoutresten zoveel mogelijk met het afval afgevoerd worden en dat de hoeveelheid zout die geloosd wordt zo klein mogelijk gehouden wordt. Overigens kan de hoeveelheid zout die bij normale bedrijfsvoering geloosd wordt nog steeds aanzienlijk zijn. Als daar problemen door ontstaan, kan een beroep worden gedaan op de algemene zorgplichtbepaling (artikel 2.1 van het besluit).

Onderdeel QQ

Met deze wijziging is de bedoeling van het artikel eenduidig in de tekst vastgelegd. Het artikel heeft namelijk enkel betrekking op het opladen van ‘natte’ accu’s.

Onderdeel RR
§ 4.8.7. Traditioneel schieten
Algemeen

Deze aanvulling volgt op de motie van het lid Vietsch c.s. (Kamerstukken II, 2007/2008, 29 383, nr. 90). Naar aanleiding van deze motie zijn inrichtingen voor het ‘traditioneel schieten’ onder het besluit gebracht. Daarmee zijn deze inrichtingen niet langer milieuvergunningplichtig. Hiervoor zijn categorieën bb en cc van bijlage 1 van het besluit aangepast. In artikel 1.1 van het besluit is een begripsbepaling voor ‘traditioneel schieten’ opgenomen.

In deze paragraaf zijn voorschriften opgenomen met betrekking tot het traditioneel schieten. Deze voorschriften hebben betrekking op bodem en externe veiligheidsaspecten.

Artikel 4.111, derde lid

Er dient te worden voorkomen dat de hulzen van verschoten patronen in of op de bodem terecht komen. Om deze reden wordt in het derde lid voorgeschreven dat het schieten plaats dient te vinden boven een bodembeschermende voorziening. Dit betekent dat de zone rond de standplaats van de schutter dusdanig geconditioneerd dient te zijn, dat het verzamelen van de hulzen makkelijk uitvoerbaar is.

Indien bij het schieten geen hulzen, of andere bodembedreigende stoffen in of op de bodem terecht kunnen komen, wordt het schieten niet aangemerkt als een bodembedreigende activiteit en is dit lid derhalve niet van toepassing.

Artikel 4.111, vierde lid

Bij het traditioneel schieten dient een ‘kogelvanger’ of ‘ricochetvanger’ (hierna: kogelvanger) te worden toegepast. Een kogelvanger is een voorziening, waarmee alle afgeschoten kogels dienen te worden opgevangen. Het schieten dient zodanig plaats te vinden dat alle afgeschoten kogels in de kogelvanger terecht komen. Voor bepaalde schietdisciplines kan dat betekenen dat het schieten met een oplegsteun of affuit nodig is. Om ervoor zorg te dragen dat alle afgeschoten kogels in de kogelvanger terecht komen, mogen ongeoefende schutters alleen met toepassing van een affuit schieten. De baancommandant beoordeelt of sprake is van een geoefende of een ongeoefende schutter.

Het toepassen van een kogelvanger is noodzakelijk in het kader van externe veiligheid en ten behoeve van het voorkomen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is, het zoveel mogelijk beperken van de belasting van de bodem.

Door het toepassen van een kogelvanger worden de externe veiligheidsrisico’s van het traditioneel schieten zoveel mogelijk beperkt, doordat geen kogels achter het doel – waarop geschoten wordt – terecht komen. Het gebruik van de kogelvanger beperkt derhalve de ‘onveilige zone’.

Daarnaast is het toepassen van een kogelvanger noodzakelijk ten behoeve van het voorkomen, dan wel voorzover dat niet mogelijk is, het zoveel mogelijk beperken van de belasting van de bodem. Bij het traditioneel schieten wordt onder meer gebruik gemaakt van kogels die uit lood bestaan. Lood is schadelijk voor het milieu en derhalve een zwarte lijst-stof. Door het toepassen van een kogelvanger wordt voorkomen dat kogels in de bodem terecht kunnen komen. Afgeschoten kogels worden opgevangen in een verzamelbak (of wattenbak). Deze verzamelbak maakt onderdeel uit van de kogelvanger.

De kogelvanger dient opgesteld te worden boven een bodembeschermende voorziening, om te voorkomen dat de kogels die opgevangen worden door de kogelvanger, maar onverhoopt niet in de verzamelbak terecht komen, op of in de bodem terecht kunnen komen. De drijver van de inrichting kan een keuze maken voor de toe te passen bodembeschermende voorzieningen (en daarbij horende maatregelen).

Doorgaans gaat het om een verharding, kleed of voldoende dik plastic folie met voldoende oppervlakte onder de kogelvanger. De kogels die niet worden opgevangen in de verzamelbak komen op deze voorziening terecht. Deze kogels, maar ook de kogels die worden opgevangen in de verzamelbak, dienen na afloop van een schietdag te worden verwijderd om uitloging naar de bodem te voorkomen.

Een andere optie is het treffen van voorzieningen waardoor verzekerd wordt dat alle kogels die worden opgevangen door de kogelvanger terecht komen in de verzamelbak. Dit kan gerealiseerd worden door de kogels, die worden opgevangen door de kogelvanger, door middel van een gesloten buis af te voeren naar een afgesloten verzamelbak.

Artikel 4.111, vijfde lid

Bij het traditioneel schieten dient een ‘onveilige zone’ in acht genomen te worden. Onder de onveilige zone wordt het gebied verstaan, waar projectielen – direct of indirect – terecht kunnen komen en waar derhalve gevaar bestaat voor mens en veedieren. In de onveilige zone mogen alleen de schutter, baancommandant (of schietmeester of buksmeester) en één of meerdere door de baancommandant aangewezen personen (veelal de optrekker en de schrijver) aanwezig zijn. In onderstaande figuur is de onveilige zone weergegeven.

stcrt-2009-17979-001.png
Artikel 4.111, zesde lid

In het algemeen wordt bij het Limburgs traditioneel schieten gebruik gemaakt van zware geweren of buksen met kogels van kalibernummers 12 en 16. Het kalibernummer geeft het aantal ronde loden kogels aan met een middellijn, die gelijk is aan de middellijn van de loop en die tezamen een Engelse pond (453,59 gram) wegen. Naarmate het kalibernummer groter wordt, is het ‘kaliber’ kleiner (omdat de kogel lichter is en er derhalve meer kogels in een Engelse pond gaan).

Als met kogels van kalibernummer 16 of kleiner wordt geschoten op een houten blok of knoest, bestaat de mogelijkheid dat de kogel kan afketsen en daardoor niet in de kogelvanger terecht komt. Veiligheidshalve dient in dat geval een onveilige zone met een straal van 25 meter rond het doel waarop wordt geschoten te worden aangehouden. Omdat op grond van het vierde lid een kogelvanger dient te worden toegepast, kan worden volstaan met een halve cirkel. In onderstaande figuur is de onveilige zone weergegeven.

stcrt-2009-17979-002.png
Artikel 4.111, zevende en achtste lid

Het bevoegd gezag kan in geval van festiviteiten maatwerkvoorschriften stellen ten aanzien van de onveilige zone en ten behoeve van het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de belasting van de bodem. Het gaat daarbij om incidentele activiteiten in uitzonderingssituaties. Bij deze festiviteiten wordt doorgaans gebruik gemaakt van palen (schietbomen) die ten behoeve van de festiviteit worden bijgeplaatst. Ook komt het voor dat binnen een inrichting palen aanwezig zijn, die enkel worden gebruikt voor festiviteiten. In dergelijke gevallen kan het bevoegd gezag in afwijking van het vierde, vijfde en zesde lid, maatwerkvoorschriften stellen. Bij het opstellen van deze maatwerkvoorschriften kan het bevoegd gezag onder meer gebruik maken van de ‘Handreiking Limburgs Traditioneel Schieten’ van het College van Gedeputeerde Staten van Limburg van 19 mei 2009.

Op grond van het achtste lid dient de mogelijkheid die het zevende lid biedt om voor de viering van festiviteiten maatwerkvoorschriften te stellen te worden beperkt tot de dagen of dagdelen die het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift aanwijst. Het bij maatwerkvoorschrift aan te wijzen dagen of dagdelen mag niet meer dan 12 per jaar bedragen.

§ 4.8.8. In werking hebben van een crematorium en in gebruik hebben van een strooiveld
Artikel 4.112, tweede lid

De naverbrandingsruimte is nodig om eventueel onvolledig verbrande componenten alsnog te kunnen verbanden om ongewenste emissies te voorkomen. De naverbrandingsruimte kan worden uitgevoerd als een integraal deel van de oven.

Artikel 4.112, derde lid

Om de vorming van stikstofoxiden bij de verbranding van gas tegen te gaan is een zogenaamde Low NOx brander voorgeschreven. Dit is een brander voorzien van dekwaliteitsaanduidingen: Low NOx van Gastec QA.

Artikel 4.112, vierde tot en met negende lid

Voor een goede en volledige verbranding is het nodig dat de temperatuur in de naverbrandingsruimte ten minste 800 °C blijft, en de gassen een verblijftijd hebben van tenminste 1,5 seconde. Het zuurstof (O2) gehalte en de temperatuur moeten continu worden bewaakt omdat deze parameters aangeven of de crematieoven naar behoren functioneert. Er is geen eis voor koolmonoxide opgenomen omdat er van wordt uitgegaan dat als er voldoende zuurstof beschikbaar is de vorming van koolmonoxide (CO) voldoende wordt beperkt. Door continue registratie kan achteraf de goede werking worden gecontroleerd. De jaarlijkse controle dient om na te gaan of de oven nog volgens de ontwerpvereisten functioneert en of de meet- en regelapparatuur nog voldoende nauwkeurig werkt. Deze controle wordt uitgevoerd door een deskundige, bijvoorbeeld de installateur. Een goede werking van de installatie is immers noodzakelijk om de emissies van schadelijke stoffen te voorkomen dan wel voldoende te beperken. Onder ‘installatie’ in het negende lid wordt de gehele crematieoven bedoeld, inclusief de nabehandeling.

Artikel 4.113, eerste lid

Indien een inrichting de maatregelen, bedoeld in dit artikel, toepast, voldoet de inrichting hiermee aan het doelvoorschrift zoals opgenomen in artikel 4.119 van het besluit. De aantoonplicht, als bedoeld in artikel 2.8 van het besluit, is dan niet meer van toepassing. In hoofdstuk 7 van het algemene deel van de toelichting bij de Activiteitenregeling is vastgelegd wat wordt verstaan onder een filtrerende afscheider en onder welke voorwaarden de afscheider doelmatig is en zijn goede werking in de loop van de tijd behoudt.

Om kwik uit de rookgassen te verwijderen, zijn diverse emissiebeperkende technieken beschikbaar. De belangrijkste zijn de systemen die werken door middel van adsorptie van het kwik aan actief kool of cokes. Het adsorbens kan als poeder in de rookgassen worden geïnjecteerd, waarna het wordt afgevangen door een stoffilter (meestroomfilter). Het is ook mogelijk de rookgassen door een laag van het adsorbens te leiden (vastbedfilter). In deze regeling is opgenomen dat, indien een aantoonbaar goed ontworpen en onderhouden filtrerende afscheider gecombineerd met een adsorptiemedium wordt toegepast, in principe voldaan wordt aan de emissieconcentratie-eis uit het besluit. Een meting is dan niet nodig.

Zodra een andere filter wordt toegepast, of onvoldoende documentatie beschikbaar is, geldt op basis van artikel 2.8 van het besluit de aantoonplicht.

Artikel 4.113, tweede lid

Van belang is dat de nabehandelingsinstallatie zodanig is ontworpen, gedimensioneerd, in gebruik is en onderhouden wordt dat ook dioxine en/of furanenemissies worden voorkomen of geminimaliseerd.

Door het toepassen van de reeds voorgeschreven maatregelen blijkt uit de praktijk dat daarmee emissies van dioxinen en furanen worden voorkomen en/of afgevangen. Om te waarborgen dat ook de voorgeschreven filtertechniek inderdaad zodanig is ontworpen, geïnstalleerd en onderhouden dat er geen vorming van dioxinen of furanen plaatsvindt en dat eventuele reeds aanwezige dioxinen en furanen samen met het kwik worden afgevangen, is het tweede lid toegevoegd. Het bevoegd gezag kan de drijver van de inrichting vragen om aan de hand van leveranciersgegevens aan te tonen dat hiermee rekening is gehouden.

Artikel 4.113, derde lid

De afgevangen vaste deeltjes, ook wel vliegas, mogen vanwege de opgenomen kwik niet als crematie-as worden behandeld, maar dienen te worden afgegeven aan een inzamelaar afvalstoffen, voorkomend op de landelijke lijst van inzamelaars (www.niwo.nl).

Artikel 4.113. vierde lid

Bij een bepaald type oven, de ‘warme-start oven’, ligt het gemiddeld zuurstofgehalte in de afgassen rond de 17%. Bij andere oventypen is dit aanmerkelijk lager, rond de 12%. Om de emissies van kwik op een éénduidige manier te kunnen controleren, is gekozen voor een vaste referentiewaarde van de zuurstofconcentratie van 11%. Deze waarde is gebruikelijk voor dergelijke processen en komt overeen met de waarde die onder meer ook in Duitsland wordt gehanteerd.

Het controleren van de kwikemissies moet onder representatieve omstandigheden gebeuren. Dat wil zeggen condities waarbij kwik bij het verbrandingsproces vrijkomt als gevolg van amalgaamvullingen dan wel toegevoegde hoeveelheid kwik. De directe meting kan plaatsvinden door over een aantal verbrandingscycli de hoogste halfuursgemiddelde waarde van de uitworp te bepalen (indicatief). Het rendement van de reinigingstechniek wordt gemeten door gebruik te maken van een interne standaard, in de vorm van een bekende hoeveelheid kwik. Deze wordt aan het proces toegevoegd waarna het vangstrendement van de reinigingstechniek wordt bepaald.

Artikel 4.114

Bij het opstellen van dit artikel is aansluiting gezocht bij de Inspectierichtlijn ‘Lijkbezorging’ (herziene 3e druk, 1999). Bij het verstrooien van as op een strooiveld wordt onderscheid gemaakt naar de intensiteit van verstrooiing. Hoe hoger de intensiteit hoe frequenter er onderzoek naar de kwaliteit van de bodem ter plaatse van het strooiveld dient te worden uitgevoerd.

Bij oprichting van een inrichting waar bodembedreigende activiteiten worden verricht, dient op basis van artikel 2.11, eerste lid, van het besluit een onderzoek naar de kwaliteit van de bodem te worden verricht. Dat geldt dus ook voor nieuw op te richten crematoria met strooivelden.

Voor inrichtingen die zijn opgericht voor de datum van de inwerkingtreding van artikel 4.114 geldt de verplichting uit artikel 2.11 van het besluit wat betreft het bepalen van de bodemkwaliteit niet. Indien bij inrichtingen die hiervoor zijn opgericht een nieuw strooiveld in gebruik wordt genomen, is bepaald dat eveneens binnen drie maanden na het in gebruik nemen de bodemkwaliteit wordt bepaald. Voor strooivelden die toen reeds in gebruik waren, geldt de verplichting uit artikel 2.11 van het besluit wat betreft het bepalen van de bodemkwaliteit evenmin. Immers, veelal zal dit onderzoek al zijn uitgevoerd bij oprichting op basis van eisen die zijn opgenomen in de toen geldende vergunning (zie artikel 6.11a).

Afhankelijk van de intensiteit van gebruik van de strooivelden dient periodiek onderzoek te worden gedaan naar de bodemkwaliteit.

In het derde lid, onder c, en het vierde lid, onder c, van artikel 4.114 is als norm ten aanzien van de immissie van fosfaat naar de bodem bepaald dat deze niet meer mag bedragen dan 1.000 milligram per vierkante meter per jaar. Bij een gebruiksintensiteit van meer dan 90 verstrooiingen per hectare per jaar is niet uitgesloten dat deze norm wordt overschreden. Om die reden is een verplichting opgenomen om door middel van uitloogproeven vast te stellen of aan de immissienorm wordt voldaan.

Artikel 4.114, vijfde lid

Bij zeer hoge gebruiksintensiteit van meer dan 3200 verstrooiingen per hectare per jaar op een strooiveld heeft het bevoegd gezag de mogelijkheid maatwerkvoorschriften vast te stellen.

Artikel 4.114, zesde, zevende en achtste lid

De onderzoeken naar de kwaliteit van de bodem moeten evenals onderzoeken die worden uitgevoerd conform artikel 2.11 van het besluit (onderzoek bij oprichten en beëindiging van de inrichting) worden uitgevoerd en opgesteld door een persoon of een instelling die daartoe beschikt over een erkenning op grond van het Besluit bodemkwaliteit. De bepaling van de onderzoeksstrategie bij de bepaling van de bodemkwaliteit dient te gebeuren conform NEN 5740.

Voor het geval dat blijkt dat de belasting van de bodem is toegenomen ten opzichte van de eerder vastgestelde kwaliteit van de bodem, is in het besluit bepaald dat de bodemkwaliteit dient te worden hersteld.

Artikel 4.114, negende lid

Wisselvelden zijn strooivelden die over een bepaalde periode afwisselend worden gebruikt. Indien wisselvelden worden toegepast kan het bevoegd gezag met een maatwerkvoorschrift besluiten dat de leden 3 en 4 niet van toepassing zijn en andere regels stellen aan bijvoorbeeld de frequentie van onderzoek naar de kwaliteit van de bodem.

In praktijk betekent het toepassen van wisselvelden volgens de Inspectierichtlijn Lijkbezorging dat er minstens twee strooivelden van voldoende omvang binnen de inrichting aanwezig zijn, waarvan telkens één strooiveld gedurende een periode van tenminste 10 jaar in gebruik is. Terwijl het ene strooiveld in gebruik is, kan op het andere strooiveld een rustperiode van 10 jaar in acht worden genomen, vergelijkbaar met de wettelijke periode van grafrust.

In die rustperiode zal naar verwachting natuurlijke afbraak van fosfaat optreden. Het bevoegd gezag heeft om die reden de mogelijkheid om af te wijken van de onderzoeksfrequentie zoals genoemd in de leden 3 en 4. Bij maatwerkvoorschrift kan het bevoegd gezag besluiten om, afhankelijk van de specifieke situatie een afwijkende onderzoeksfrequentie te hanteren voor de wisselvelden, rekening houdend met de beoogde rustperiode en het aantal verstrooiingen per hectare.

De leden 7 en 8 zijn bij het gebruik van wisselvelden van overeenkomstige toepassing.

Artikel 4.115

Om controle en analyse van eventuele klachten mogelijk te maken, moet er binnen de inrichting een logboek aanwezig zijn waaruit continue meetwaarden van temperatuur en zuurstofgehalte afgelezen kunnen worden, alsmede onderhoudsgegevens en gegevens rondom storingen. Tevens moet de gebruiksintensiteit van strooivelden worden vastgelegd in het kader van bodembescherming. Het logboek mag een elektronisch of papieren systeem, of een combinatie daarvan, zijn.

De gegevens in het logboek die relevant zijn voor het voldoen aan de voorschriften dienen zo lang bewaard te blijven als nodig is om te kunnen bepalen of voldaan wordt aan de voorschriften.

§ 4.8.9. In werking hebben van een laboratorium of een praktijkruimte
Artikel 4.116

Bij diverse werkzaamheden in een laboratorium of praktijkruimte worden verschillende (hulp)stoffen gebruikt, die schadelijk kunnen zijn voor het aquatisch milieu. Deze (hulp)stoffen kunnen in zekere mate ook in het te lozen afvalwater terechtkomen. Door zorgvuldig handelen conform vastgestelde gedragsvoorschriften kunnen de emissies van deze (hulp)stoffen naar het afvalwater voorkomen of zoveel mogelijk worden beperkt. Van de inrichting wordt vereist dat in de gedragsvoorschriften wordt aangegeven waarom bepaalde stoffen, ondanks hun schadelijkheid voor het milieu, toegepast worden en welke maatregelen vanuit de preventieve aanpak (derde lid onder c) vervolgens worden genomen om de emissies te voorkomen, dan wel zoveel mogelijk te beperken.

Werkzaamheden in laboratoria en praktijkruimten worden in vrijwel alle gevallen met een vooropgezet doel of plan uitgevoerd binnen het kader van een kwaliteitszorgsysteem waarbij vooraf een (risico-)evaluatie wordt gemaakt van het uit te voeren onderzoek en de daarbij te gebruiken (milieubelastende) stoffen of processen. Ook de inrichting van een laboratorium of een praktijkruimte speelt daarbij een voorname rol.

Ter voorkoming van het vrijkomen van (milieubelastende) stoffen in het milieu en het beperken van calamiteiten dient de drijver van de inrichting algemene maatregelen en voorzieningen (beste beschikbare technieken) toe te passen, dan wel te beoordelen.

Mogelijke brongerichte maatregelen en voorzieningen zijn:

  • Keuze van de stoffen: beoordelen of minder belastende alternatieven mogelijk zijn (dit kan betrekking hebben op eigenschappen als dampspanning, kookpunt, oplosbaarheid en schadelijkheid voor mens en milieu);

  • Aankoopbeleid waarbij een beoordeling van milieubelastendheid wordt uitgevoerd;

  • Inperking van gebruik of vrijkomen van de stof: schaalverkleining of een alternatieve toepassing kan het risico op vrijkomen verkleinen of voorkomen. Te denken valt aan:

    • Natte analyses zoveel mogelijk uitvoeren op basis van micro-analyse;

    • Bij aanschaf van nieuwe apparatuur milieuschadelijkheid in gebruik mee laten wegen;

    • Geen reiniging en droging van glaswerk met oplosmiddelen;

    • Reiniging van tafels/werkruimten zoveel mogelijk op droge basis;

    • Opvang of terugwinning van stoffen;

    • Gebruik van lekbakken;

    • Toepassen van een condensor in een proefopstelling bij gebruik van vluchtige stoffen;

    • Zoveel mogelijk toepassen gesloten koelwateropstellingen (koelwater van bijv. elektronenmicroscopen hergebruiken);

    • Vastgelegd en operationeel inzamelsysteem voor afvalstoffen.

Mogelijke beheersmaatregelen en -voorzieningen zijn:

  • Vastleggen van werkzaamheden in actuele procedures en werkvoorschriften (bijv. milieukaart bij praktijkruimten);

  • Voorkomen van lekken en verlies van stoffen naar water (via de riolering) bijvoorbeeld door:

    • De afvoer van zuurkasten of werktafels niet direct te lozen naar het riool, maar op te vangen in bijvoorbeeld een lekbak;

    • Gesloten circulatiekoeling toepassen in combinatie met een koude val;

    • Geen waterstraalluchtpomp gebruiken bij filmverdamping (maar condensors met gesloten circulatiekoeling);

    • Lekken via schobputjes voorkomen;

    • Opvangen en afvoeren via afvalstroom van het eerste spoelwater;

    • Slibvang bij be- of verwerking van monsters met vaste stoffen.

Artikelen 4.117, 4.118 en 4.119

Over het beperken van emissies naar de lucht is in hoofdstuk 7 van het algemene deel van de toelichting bij de Activiteitenregeling een toelichting gegeven.

Artikel 4.117 eerste, tweede en derde lid

In het eerste lid, onder a, wordt van de drijver van de inrichting verlangd dat door middel van good-housekeeping maatregelen onnodige emissies naar de lucht worden voorkomen. Dit zijn maatregelen gericht op een juist gebruik van stoffen ter voorkoming of beperking van verspilling en emissies. Gedacht kan worden aan instructie van personeel en het toepassen van gesloten systemen, verpakking en dergelijke waar mogelijk.

In artikel 4.117, eerste lid, onder b, wordt doelmatige bronafzuiging van afgassen verlangd bij activiteiten met potentiële emissies van stof, rook of dampen. Onder doelmatige bronafzuiging wordt hier mede verstaan lokale of ruimteafzuiging bij activiteiten die in een speciaal daarvoor bestemde afgesloten ruimte plaatsvinden. Het werken in gesloten systemen waarbij doelmatig hergebruik van bijvoorbeeld vluchtige organische stoffen plaatsvindt door toepassing van destillatie en dergelijke, wordt ook gezien als een vorm van doelmatige bronafzuiging indien het rendement van de terugwinning ten minste 75% is.

Artikel 4.117, tweede lid

Om te voorkomen dat de afgezogen emissies vanwege activiteiten in een laboratorium of een praktijkruimte onvoldoende worden verspreid en leiden tot (stof)overlast bij nabij gelegen gevoelige gebouwen is de maatregel onder het tweede lid opgenomen. De maatregel is niet van toepassing indien een gevoelig gebouw is gelegen op een gezoneerd industrieterrein dan wel op een bedrijventerrein waar minder dan 1 gevoelig gebouw per hectare is gelegen. Door de uitvoering van deze maatregel worden de afgezogen stoffen in een groot aantal gevallen voldoende verspreid. Indien de drijver van de inrichting kan aantonen dat met de alternatieve maatregel een gelijkwaardig beschermingsniveau kan worden bereikt, kan het bevoegd gezag, op basis van artikel 1.8 van het besluit, besluiten de afwijkende maatregel toe te staan. Voor bestaande inrichtingen geldt een overgangsbepaling, zie artikel 6.7.

Artikel 4.117, derde lid

Omdat het besluit ook van toepassing kan zijn op inrichtingen met een relatief grote milieurelevantie en het gestelde onder het tweede lid mogelijk tot (stof)overlast leidt nabij gevoelige gebouwen, is het noodzakelijk dat het bevoegd gezag de mogelijkheid heeft om in die situaties via een maatwerkvoorschrift zorg te dragen voor een betere verspreiding en de (stof)overlast nabij gevoelige gebouwen te verlagen, bijvoorbeeld door middel van het verhogen van de afvoerhoogte van de afgezogen lucht. Bij de besluitvorming moet de NeR in acht worden genomen.

Artikelen 4.118 en 4.119

Indien een inrichting de maatregel, bedoeld in artikel 4.118 en 4.119, toepast, voldoet de inrichting hiermee aan het doelvoorschrift zoals opgenomen in artikel 4.125 van het besluit. De aantoonplicht, bedoeld in artikel 2.8 van het besluit, is dan niet van toepassing.

Artikelen 4.118 en artikel 4.119, tweede lid

In hoofdstuk 7 van het algemene deel van de toelichting van de Activiteitenregeling is vastgelegd wat wordt verstaan onder een filtrerende afscheider, een elektrostatisch filter, een gaswasser of aërosol- of mistfilter, en een adsorptiefilter en onder welke voorwaarden deze afscheiders of filters doelmatig zijn en hun goede werking in de loop van de tijd behouden.

Veel laboratoria of praktijkruimten die vluchtige organische stoffen (VOS) gebruiken, die volgens de NeR ingedeeld kunnen worden in de klassen gO1, gO2 of gO3, passen deze stoffen toe in gesloten systemen (of winnen deze stoffen terug uit hun afval). Het toepassen van gesloten systemen of terugwinnen wordt gezien als het voorkomen/ beperken van diffuse emissie. De maatregel wordt dan tevens gezien als een erkende maatregel voor de betreffende bron waarmee aan de in artikel 4.125 van het besluit gestelde emissiegrenswaarden voor gO1, gO2 en gO3 stoffen wordt voldaan.

Artikel 4.119, eerste lid

Omdat bij een laboratorium of praktijkruimte de emissie van stoffen naar de lucht voor een groot deel het gevolg is van stoffen die zijn ingekocht, kan eenvoudig op basis van een inkoopregistratie of labjournaal worden aangetoond of een emissie van een stof al dan niet relevant kan zijn. Als de inkoop aan stoffen onder de in het eerste lid bedoelde hoeveelheden blijft, kan de vrijstellingsgrens voor de emissie van die stoffen zoals opgenomen in artikel 2.6, niet worden overschreden en is sprake van een niet relevante emissie.

Artikel 4.120

In het bijzonder bij het gericht werken met biologische agentia spelen voorzieningen en gedragsvoorschriften een belangrijke rol bij de beperking van risico’s voor het milieu en de omgeving. Daarbij mogen geen (ongecontroleerde) emissies van biologische agentia plaatsvinden. Op grond van het Arbeidsomstandighedenbesluit dienen voor het gericht werken met biologische agentia maatregelen en voorzieningen te worden getroffen ter bescherming van de gezondheid en veiligheid van de werknemers. Hoewel de arbeidsomstandighedenwetgeving niet gericht is op de (milieu)risico’s van de inrichting voor de omgeving, worden door de maatregelen en voorzieningen die getroffen dienen te worden op grond van de arbeidsomstandighedenregelgeving ook emissies naar de omgeving beperkt. Voor de omgevingsrisico’s die het gericht werken met biologische agentia met zich kunnen brengen, worden in dit artikel eisen gesteld om deze risico’s te voorkomen, dan wel zoveel mogelijk te beperken.

De in het vierde lid, onder a, benoemde mogelijkheid tot maatwerk kan onder meer gericht zijn op het gericht werken met biologische agentia in relatie tot de geschiktheid van de ruimten waar deze activiteit plaatsvindt. Indien in verschillende ruimten van een inrichting gericht gewerkt wordt met biologische agentia kunnen mogelijk cumulatieve effecten optreden. Met de mogelijkheid tot maatwerk in het vierde lid, onder a, kan het bevoegd gezag middels een maatwerkvoorschrift voorkomen dat dergelijke cumulatieve effecten optreden.

Artikel 4.121

Voor vaste stoffen zijn geen voorzieningen vereist. Met deze formulering gaat het bovendien niet alleen om het gebruik van bodembedreigende stoffen maar ook om activiteiten waarbij die stoffen kunnen vrijkomen.

Onderdeel SS

Voor de inwerkingtreding van deze regeling was voor propaanreservoirs die onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit vallen, in het derde lid van artikel 3.29 bepaald dat een reservoir op een afstand van ten minste vijf meter ten opzichte van een ander tot de inrichting behorend propaanreservoir diende te zijn gelegen. Met de inwerkingtreding van deze regeling (in artikel 6.5a wordt de inwerkingtreding aangeduid met het inwerkingtreden van artikel 4.20a) zijn de voorschriften voor de opslag van propaan aangepast aan de herziene PGS 19. Op grond van de PGS 19 dient de minimale interne afstand te worden afgeleid van een maximale warmtestralingsintensiteit van 10 kW/m2 op de wand van het reservoir. Uit berekeningen blijkt dat de 10 kW/m2 op circa 7,5 meter ligt voor vloeibaar propaan.

Voor opslagtanks met propaan die reeds voor de inwerkingtreding van artikel 4.20a in gebruik waren genomen, is in artikel 6.5a een overgangsbepaling opgenomen. Voor deze tanks blijft een interne veiligheidsafstand van 5 meter gelden tussen twee reservoirs.

Onderdeel TT

Het eerste lid van artikel 6.7 is gewijzigd, zodat de inwerkingtreding van de Activiteitenregeling niet langer het tijdstip is waaraan getoetst moet worden of deze overgangsbepaling van toepassing is op de inrichting. Door deze wijziging wordt het tijdstip waarop de inrichting onder de werking van het besluit komt te vallen, bepalend. Dat brengt met zich mee dat artikel 6.7, eerste lid, van toepassing is op inrichtingen die zijn opgericht voordat het besluit van toepassing werd op deze inrichtingen.

Aan het tweede lid zijn verwijzingen naar artikelleden 4.84a, vierde lid, 4.102a, derde lid, 4.104a, derde lid, 4.104c, tweede lid en 4.117, derde lid toegevoegd. Hierdoor heeft het bevoegd gezag de mogelijkheid om ook voor bestaande inrichtingen maatwerkvoorschriften te stellen op grond van deze leden.

Onderdeel UU

Het eerste lid van artikel 6.8 is gewijzigd, zodat de inwerkingtreding van de Activiteitenregeling niet langer het tijdstip is waaraan getoetst moet worden of deze overgangsbepaling van toepassing is op de inrichting. Door deze wijziging wordt het tijdstip waarop een inrichting een type A- of een type B-inrichting wordt, bepalend. Het gaat derhalve om het tijdstip waarop een vergunningplichtige inrichting (waaronder een type C-inrichting) een type A- of type B-inrichting is geworden, of het tijdstip waarop een inrichting waarop voorheen een voormalig 8.40-besluit (zie artikel 6.43 van het besluit) op van toepassing was, een type A- of type B-inrichting is geworden.

Wat betreft het in aan artikel 6.8 toegevoegde artikel 4.102f betreffende lijmen, coaten en lamineren van papier en karton kan het volgende worden vermeld:

Inrichtingen die zijn opgericht voor het van kracht worden van de voorschriften met betrekking tot het lijmen, coaten en lamineren van papier of karton en die beschikten over een vergunning, hadden op grond daarvan verplichtingen ten aanzien van het voorkomen of beperken van geurhinder. Daarnaast kan het lijmen, coaten en lamineren van papier of karton voorkomen bij inrichtingen die reeds onder de werkingsfeer van het besluit vielen. Een inrichting die reeds is opgericht voordat het besluit van toepassing werd op deze inrichting, hoeft niet te voldoen aan artikel 4.102f, tweede lid, voor zover er geen wijzigingen optreden die leiden tot een significante stijging van de geurbelasting.

Het derde lid biedt het bevoegd gezag de mogelijkheid eisen te stellen aan bestaande inrichtingen die voedsel bereiden en geen schoorsteen op 2 meter hoogte hebben en ook geen ontgeuringsinstallatie, maar die wel geurhinder veroorzaken. Bij de totstandkoming van de Activiteitenregeling, is de aanname gedaan dat bestaande inrichtingen voldeden aan de eisen die golden voor de inwerkingtreding van het besluit. Voor die inrichtingen was het daarom niet nodig om nog eens te regelen dat er een schoorsteen, dan wel een ontgeuringsinstallatie aanwezig moest zijn. Gebleken is dat deze aanname onterecht was. Het derde lid regelt dat het bevoegd gezag ook voor bestaande inrichtingen kan besluiten om, indien blijkt dat de geurhinder een aanvaardbaar niveau overschrijdt, een schoorsteen, dan wel een ontgeuringsinstallatie te eisen. De keuze tussen deze twee is in eerste instantie aan de drijver van de inrichting.

Onderdeel VV
Artikel 6.11b

In artikel 4.111, vierde lid, wordt voorgeschreven dat het (traditioneel) schieten op zodanige wijze dient plaats te vinden, dat alle afgeschoten kogels worden opgevangen in een voorziening (kogelvanger). Niet in alle vergunningen werd een dergelijke voorziening vereist. Door middel van deze overgangsbepaling wordt bepaald dat voor inrichtingen waarop artikel 4.111 van toepassing is, het vierde tot en met het zesde lid van artikel 4.111 tot 1 januari 2011 niet van toepassing zijn.

Op grond van het tweede lid blijven de vergunningvoorschriften, in afwijking van het vierde tot en met het zesde lid van artikel 4.111, tot 1 januari 2011 van toepassing. Dit betreffen de voorschriften uit de vergunning die betrekking hebben op het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de belasting van de bodem en de voorschriften met betrekking tot de onveilige zone bij het traditioneel schieten.

Onderdeel WW

Het wijzigen van de inwerkingtredingsbepaling sluit aan bij het wijzigen van de inwerkingtredingsbepaling van artikel 2.16 van het besluit dat het vervoer van de eigen werknemers van en naar de inrichting op uitputtende wijze regelt.

De wijziging houdt verband met de voorstellen die de Taskforce Mobiliteitsmanagement begin september 2008 heeft gepresenteerd. Deze voorstellen dienden geëvalueerd te worden. De eerste resultaten van het monitoring- en evaluatie-programma zouden eind 2009 bekend zijn. Thans is duidelijk geworden dat deze resultaten pas medio 2010 worden opgeleverd. Het vasthouden aan de inwerkingstredingsdatum van 1 juli 2010 is derhalve niet wenselijk en de inwerkingstredingsdatum wordt daarom verschoven naar 1 juli 2011.

De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

J.M. Cramer.