Besluit van 21 april 2026 tot wijziging van het Reïntegratiebesluit ten behoeve van de verlening van werkvoorzieningen voor personen met een visuele beperking door het UWV en de verlening van voorzieningen in de vorm van een hulpmiddel gerelateerd aan stoornissen in de hoorfunctie [KetenID WGK025485]

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 18 november 2025, nr. 2025-0000255009;

Gelet op de artikelen 10h, vierde lid, en 64, negende lid, van de Participatiewet, de artikelen 34a, eerste lid, en 35, vijfde lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen en de artikelen 2:22, vierde lid, en 2:23, eerste lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 17 december 2025, nr. W12.25.00343/III);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Werk en Participatie van 20 april 2026, nr. 2026-00000087589;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Reïntegratiebesluit wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1a wordt «artikel 10g van de Participatiewet» vervangen door «de artikelen 10g en 10h van de Participatiewet».

B

Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:

1. In de aanhef van het eerste lid wordt na «een voorziening als bedoeld in» ingevoegd «artikel 10h van de Participatiewet,».

2. Het derde lid komt te luiden:

  • 3. Het tweede lid is niet van toepassing op de verlening van bij ministeriële regeling aan te wijzen voorzieningen in de vorm van een hulpmiddel gerelateerd aan stoornissen in de hoorfunctie.

C

In artikel 3, derde lid, wordt na «voorzieningen als bedoeld in» ingevoegd «artikel 10h van de Participatiewet,».

D

In artikel 4 wordt na «Een voorziening als bedoeld in» ingevoegd «artikel 10h van de Participatiewet,».

E

In artikel 5, eerste lid, wordt na «Vervoersvoorzieningen als bedoeld in» ingevoegd «artikel 10h, tweede lid, onderdeel a, van de Participatiewet,».

F

In artikel 7, eerste lid, wordt na «De verlening van een intermediaire activiteit als bedoeld in» ingevoegd «artikel 10h, tweede lid, onderdeel b, van de Participatiewet,».

G

In artikel 8, eerste lid, wordt na «een voorziening als bedoeld in» ingevoegd «artikel 10h van de Participatiewet,».

H

Aan artikel 15a wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 3. Op de verlening van voorzieningen als bedoeld in artikel 10h, tweede lid, onderdelen c en d, van de Participatiewet is artikel 10 van overeenkomstige toepassing.

I

Aan artikel 15b wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 6. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op de verlening van voorzieningen als bedoeld in artikel 10h, tweede lid, van de Participatiewet.

ARTIKEL II

In artikel 5.16 van het Besluit SUWI wordt «7a, eerste lid, onderdeel, van de Participatiewet» vervangen door 7a, eerste lid, onderdeel a, van de Participatiewet»

ARTIKEL III

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt ten aanzien van artikel I, onderdeel B, onder 2, terug tot en met 1 januari 2024.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 21 april 2026

Willem-Alexander

De Minister van Werk en Participatie, A.A. Aartsen

Uitgegeven de eerste mei 2026

De Minister van Justitie en Veiligheid, D.M. van Weel

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen deel

1. Inleiding

Dit besluit bevat twee onderdelen:

  • De wijziging van het Reïntegratiebesluit ten behoeve van de verlening van werkvoorzieningen voor mensen met een visuele beperking door het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (hierna: UWV);

  • De wijziging van het Reïntegratiebesluit in verband met de verlening van voorzieningen in de vorm van een hulpmiddel gerelateerd aan stoornissen in de hoorfunctie.

De wijzigingen hebben een verschillende achtergrond. De inhoud van de wijzigingen wordt in het volgende hoofdstuk besproken waarbij eerst wordt ingegaan op de wijziging ten behoeve van de verlening van werkvoorzieningen met een visuele beperking door UWV (paragraaf 2.1) en vervolgens op de wijziging in verband met het verlenen van voorzieningen in de vorm van een hulpmiddel gerelateerd aan stoornissen in de hoorfunctie (paragraaf 2.2). Deze structuur wordt gevolgd in de daaropvolgende hoofdstukken.

Daarnaast is van de gelegenheid gebruik gemaakt om een wetstechnische fout in het Besluit SUWI te herstellen. Dit wordt toegelicht in de artikelsgewijze toelichting.

2. Inhoud van het besluit

2.1 De verlening van werkvoorzieningen voor personen met een visuele beperking door UWV
2.1.1 Inleiding

In dit besluit worden op grond van artikel 10h, vierde lid, van de Participatiewet regels gesteld over de omvang en de inhoud van de aanspraak op een werkvoorziening en de voorwaarden voor de verlening van werkvoorzieningen voor personen met een visuele beperking door UWV.

Hierna wordt eerst de aanleiding voor de wijziging besproken. Vervolgens wordt uitgelegd waarom ervoor is gekozen om, bij het bepalen van de regels over de omvang en inhoud van de aanspraak op werkvoorzieningen voor personen met een visuele beperking, aan te sluiten bij de regels in het Reïntegratiebesluit. Ten slotte volgen de verschillende artikelen waarin een verwijzing naar artikel 10h van de Participatiewet is opgenomen. Bij elk van deze artikelen wordt een uitleg gegeven over de regels die daarmee gelden voor de omvang en aanspraak op de voorzieningen voor mensen met een visuele beperking in de Participatiewet.

2.1.2 Aanleiding

Met de wet van 22 november 2023, houdende wijziging van de Participatiewet ten behoeve van de werkvoorzieningen voor visueel beperkten1 is de Participatiewet gewijzigd met als doel om de uitvoering van de werkvoorzieningen voor mensen met een visuele beperking in de Participatiewet over te hevelen van gemeenten naar het UWV.

Met de genoemde wetswijziging is een nieuw artikel 10h in de Participatiewet geïntroduceerd, op grond waarvan UWV de werkvoorzieningen voor mensen met een visuele beperking in de Participatiewet met ingang van 1 januari 2024 verleent. Een uitzondering is persoonlijke ondersteuning van de werknemer bij verrichten van de arbeid door een zogeheten jobcoach. Hiervoor blijft de gemeente verantwoordelijk. Het overdragen van het toekennen van werkvoorzieningen aan het UWV draagt bij aan het verbeteren van de dienstverlening aan mensen met een visuele beperking. UWV heeft veel expertise en ervaring met het beoordelen en verstrekken van noodzakelijke technische voorzieningen voor mensen met een visuele beperking. Bovendien is de uitvoering van deze voorzieningen bij UWV gecentraliseerd en hanteert UWV een landelijk uniforme werkwijze. Hiermee wordt beoogd de arbeidsparticipatie van mensen met een visuele beperking te vergroten.

Nadere regels over de omvang en aanspraak van werkvoorzieningen

Onder werkvoorzieningen op grond van artikel 10h Participatiewet vallen vervoersvoorzieningen die ertoe strekken de werkplek, proefplaats of opleidingslocatie te bereiken, intermediaire activiteiten zoals een voorleeshulp, voorzieningen ten behoeve van de inrichting van de arbeidsplaats, de productie- en werkmethoden, de inrichting van de opleidings- of proefplaats en de bij de arbeid of opleiding te gebruiken hulpmiddelen die in overwegende mate op het individu van de persoon zijn afgestemd zoals een brailleleesregel of noodzakelijke aanpassingen in software. Artikel 10h, vierde lid, van de Participatiewet vormt een delegatiebepaling op grond waarvan bij algemene maatregel van bestuur nadere regels gesteld kunnen worden over de omvang en de inhoud van de aanspraak in dat artikel en de voorwaarden waaronder de werkvoorziening wordt verleend.

2.1.3 Aansluiting bij de regels in het Reïntegratiebesluit

UWV heeft al veel ervaring en expertise opgebouwd met het verlenen van werkvoorzieningen aan mensen met een visuele beperking die onder de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (hierna: Wajong) en de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (hierna: Wet WIA) vallen. Hierover zijn nadere regels gesteld in het Reïntegratiebesluit. Dit besluit regelt dat de relevante bepalingen in het Reïntegratiebesluit van toepassing worden verklaard op de uitvoering van artikel 10h van de Participatiewet door UWV. Hiermee wordt gekomen tot een uniforme werkwijze door UWV voor het toekennen van voorzieningen aan alle mensen met een visuele beperking en het belang van een doeltreffende en doelmatige uitvoering van de wet. In de beleidsregels in het Protocol Voorzieningen UWV 20242 is opgenomen dat UWV bij het verstrekken van voorzieningen aan personen met een visuele beperking vanaf 1 januari 2024 overeenkomstig het bepaalde in de artikelen in het Reïntegratiebesluit handelt. Dit besluit betreft de codificatie van deze praktijk.

In de artikelen 2, 3, 4, 5, 7 en 8 van het Reïntegratiebesluit is een verwijzing opgenomen naar artikel 10h van de Participatiewet of een onderdeel daarvan. Daarmee zijn de regels in deze bepalingen van toepassing op de uitvoering van artikel 10h Participatiewet.

In artikel 15a en 15b is een nieuw lid geïntroduceerd om een deel van die bepalingen van toepassing te verklaren op de uitvoering van artikel 10h Participatiewet.

Hierna wordt in paragraaf 2.1.4 tot en met 2.1.10 de inhoud van de regels in de genoemde bepalingen toegelicht die van toepassing zijn op de uitvoering van artikel 10h Participatiewet. Vervolgens wordt in paragraaf 2.1.11 toegelicht in welke bepalingen in het Reïntegratiebesluit geen verwijzing naar artikel 10h van de Participatiewet is opgenomen.

2.1.4 Uitgangspunten verstrekking subsidie en verlening voorzieningen (artikel 2)

Op grond van artikel 10h Participatiewet worden slechts voorzieningen verleend die niet als algemeen gebruikelijk zijn aan te merken. Het is niet de bedoeling dat kosten of diensten worden vergoed die in het algemeen door mensen in verband met werk (in een bepaalde bedrijfstak) worden aangeschaft of gebruikt, ook al hangt de aanschaf of het gebruik samen met een ziekte of gebrek. Het oordeel of een bepaalde aanpassing als algemeen gebruikelijk is te beschouwen kan in de loop van de tijd veranderen. Een bepaalde aanpassing die aanvankelijk niet algemeen gebruikelijk is, kan dat na verloop van tijd wel worden. Het uitgangspunt is dat voorzieningen die vanuit andere beleidsterreinen verleend kunnen worden, ten laste behoren te komen van die andere terreinen. Ook als dit mede leidt tot behoud, herstel of bevordering van de arbeidsgeschiktheid. Alleen als een voorziening vrijwel uitsluitend noodzakelijk is voor de werksituatie kan vergoeding door het UWV aan de orde zijn.

Het UWV streeft bij de verlening van arbeidsplaatsvoorzieningen naar een efficiënte inzet van de middelen. Met het oog op een verantwoorde besteding van gelden weegt het UWV af in hoeverre de gevraagde voorziening de meest adequate oplossing voor de opheffing van de beperkingen is.

2.1.5 Geen voorzieningen bij geringe kosten (artikel 3)

De waarde van de voorziening of de gezamenlijke waarde van de voorzieningen die op grond van artikel 10h Participatiewet worden verleend, dienen boven een bepaald drempelbedrag uit te komen. Hiermee wordt voorkomen dat voor geringe bedragen een subsidie wordt verstrekt, zodat de uitvoeringslasten beperkt blijven.

2.1.6 Op het individu gerichte voorzieningen (artikel 4)

Een voorziening als bedoeld in artikel 10h Participatiewet wordt slechts verleend indien deze in overwegende mate op het individu is gericht. Dit geldt voor de voorzieningen bedoeld in artikel 10h, tweede lid, onderdelen c en d, van de Participatiewet al grond van de wettekst zelf. Met een verwijzing naar artikel 10h van de Participatiewet in artikel 4, eerste lid, van het Reïntegratiebesluit, geldt deze voorwaarde ook voor andere voorzieningen die op grond van artikel 10h worden toegekend. Bij de toekenning van voorzieningen wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met de specifieke belemmeringen die de persoon heeft.

2.1.7 Inkomenstoets vervoersvoorziening (artikel 5)

Een vervoersvoorziening als bedoeld in artikel 10h, tweede lid, onderdeel a, Participatiewet wordt niet toegekend of wordt beëindigd als het inkomen van de persoon die de voorziening aanvraagt of aan wie de voorziening is toegekend, de gestelde inkomensgrens overschrijdt.

Het stellen van een inkomensgrens met betrekking tot de verstrekking van vervoersvoorzieningen vormt een nadere invulling van het in het Reïntegratiebesluit neergelegde algemene uitgangspunt dat geen voorzieningen worden toegekend indien deze algemeen gebruikelijk zijn. De beëindiging van een vervoersvoorziening bij overschrijding van de inkomensgrens vindt plaats met ingang van de datum gelegen zes maanden nadat de betrokken persoon van de voorgenomen beëindiging in kennis is gesteld.

2.1.8 Intermediaire activiteiten voor personen met een visuele beperking (artikel 7)

De verlening van een intermediaire activiteit voor personen met een visuele beperking als bedoeld in artikel 10h, tweede lid, onderdeel b, van de Participatiewet, zoals een voorleeshulp of schrijfassistent, vindt plaats door vergoeding van de kosten voor de bemiddeling bij het vinden van en voor het gebruik van een intermediaire activiteit. De voorziening kan, ten hoogste worden verleend voor het aantal uren dat overeenkomt met 15% van het aantal door de persoon met een visuele beperking te werken uren per kalenderjaar. UWV kan een hoger percentage toekennen als de persoon met de visuele beperking daartoe een onderbouwd verzoek doet en de aangevraagde aanvullende uren naar het oordeel van UWV in redelijke verhouding staan tot de verrichte werkzaamheden.

2.1.9 Overname van voorzieningen (artikel 8)

Een persoon van wie de toekenning van een voorziening die op grond van artikel 10h is verleend wordt beëindigd, wordt door UWV in de gelegenheid gesteld om de voorziening over te nemen, al dan niet tegen een vergoeding.

2.1.10 Arbeid als zelfstandige (artikel 15a en 15b)

Mensen met een visuele beperking die onder de Participatiewet vallen, kunnen ook als zelfstandige gaan werken. Ook dan kan aanspraak worden gemaakt op werkvoorzieningen op grond van artikel 10h Participatiewet en gelden voor zelfstandigen met een visuele beperking uit de Participatiewet de voorwaarden uit de hiervoor genoemde artikelen van het Reïntegratiebesluit. Daarom is geen verwijzing naar artikel 10h Participatiewet toegevoegd aan de artikelen in het Reïntegratiebesluit die zien op de vervoersvoorziening voor zelfstandigen (artikel 13) en intermediaire voorzieningen voor zelfstandigen (artikel 14). De mogelijkheid voor het verlenen van deze voorzieningen aan zelfstandigen onder de Participatiewet en de voorwaarden daarvoor volgen al uit artikel 10h Participatiewet in combinatie met de van toepassing verklaarde artikelen 5, 7 en 8 van het Reïntegratiebesluit.

Artikel 15a, eerste lid van het Reïntegratiebesluit regelt dat UWV aan zelfstandigen die vallen onder de Wet WIA en Wajong, voorzieningen kan verlenen ten behoeve van de inrichting van de arbeidsplaats, de productie- en werkmethoden en de bij de arbeid te gebruiken hulpmiddelen, die in overwegende mate op het individu van de aanvrager zijn afgestemd. De inhoud van dit artikellid komt overeen met artikel 10h, tweede lid, onderdelen c en d van de Participatiewet. Artikel 10h Participatiewet is daarom niet toegevoegd aan artikel 15a, eerste lid van het Reïntegratiebesluit. In artikel 15a, tweede lid van het Reïntegratiebesluit wordt op de verlening van voorzieningen aan zelfstandigen, artikel 10 van het Reïntegratiebesluit van overeenkomstige toepassing verklaard.

Om artikel 10 van het Reïntegratiebesluit ook van overeenkomstige toepassing te verklaren op de uitvoering van artikel 10h Participatiewet bij een beroep door een zelfstandige, is in artikel 15a van het Reïntegratiebesluit een nieuw derde lid geïntroduceerd. In dit artikellid is artikel 10 van het Reïntegratiebesluit van overeenkomstige toepassing verklaard op de verlening van voorzieningen als bedoeld in artikel 10h, tweede lid, onderdeel c en d, van de Participatiewet.

Dit betekent dat de kosten van de aanschaf van een voorziening voor de zelfstandige, door UWV vergoed worden exclusief de daarbij te betalen omzetbelasting indien de zelfstandige deze omzetbelasting in aanmerking kan brengen bij de aangifte omzetbelasting. Dit geldt zowel bij koop door de zelfstandige zelf als bij koop door het UWV voor de zelfstandige. Daarnaast kan bij het vaststellen van de hoogte van de meerkosten rekening worden gehouden met het bedrijfseconomisch voordeel voor de zelfstandige. Van een bedrijfseconomisch voordeel is sprake indien de voorziening een positieve invloed heeft op het bedrijfsresultaat van de zelfstandige of indien daardoor de kostprijs van de geproduceerde goederen of geleverde diensten wordt verlaagd.

In artikel 15b van het Reïntegratiebesluit is een inkomensgrens vastgesteld waarboven zelfstandigen niet meer voor een vergoeding van voorzieningen in aanmerking kunnen komen. Voorzieningen worden niet verleend of worden beëindigd indien het inkomen van de persoon die de voorziening aanvraagt of aan wie de voorziening is verleend, in het vierde kalenderjaar na de aanvang van de arbeid als zelfstandige, dan wel een daarop volgend jaar, meer bedraagt dan 261 maal 157 % van het maximumpremiedagloon per dag. De voorzieningen worden beëindigd zodra in het vierde of een later kalenderjaar na de start als zelfstandige de inkomensgrens wordt gepasseerd. Dit betekent dat in de eerste drie kalenderjaren na de aanvang van de arbeid als zelfstandige geen inkomenstoets plaatsvindt. Beëindiging van de voorziening wegens overschrijding van de inkomensgrens vindt plaats met ingang van de datum gelegen zes maanden nadat de persoon aan wie de voorziening is verleend van de voorgenomen beëindiging in kennis is gesteld. Wanneer het inkomen van de zelfstandige in betekenende mate aan fluctuaties onderhevig is, wordt voor de toepassing van de inkomensgrens in het vierde kalenderjaar, uitgegaan van de som van het inkomen in het vierde kalenderjaar en het inkomen over de twee daaraan voorafgaande kalenderjaren gedeeld door drie. In de Reïntegratieregeling zijn regels gesteld over de wijze van vaststelling van het inkomen.

Om artikel 15b van het Reïntegratiebesluit ook van overeenkomstige toepassing te verklaren op de uitvoering van artikel 10h Participatiewet bij een beroep door een zelfstandige, is in artikel 15b van het Reïntegratiebesluit een nieuw zesde lid geïntroduceerd. In dit artikellid is artikel 15b van het Reïntegratiebesluit van overeenkomstige toepassing verklaard op de verlening van voorzieningen als bedoeld in artikel 10h van de Participatiewet. Daarmee geldt de inkomensgrens voor zelfstandigen ook voor voorzieningen als bedoeld in artikel 10h van de Participatiewet. Deze inkomensgrens is dus niet van toepassing op personen die geen zelfstandige zijn.

Een zelfstandige blijft vallen onder de Participatiewet (artikel 7, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, en artikel 10, eerste lid, Participatiewet) tot het moment dat het inkomen uit deze zelfstandige arbeid gedurende twee aaneengesloten jaren ten minste het minimumloon per uur, vermenigvuldigd met de arbeidsduur welke in overeenkomstige dienstbetrekkingen in de regel geacht wordt een volledige dienstbetrekking te vormen bedraagt.

Na die periode kan een zelfstandige een beroep doen op artikel 34a van de Wet WIA voor werkvoorzieningen indien diegene aan de voorwaarden van artikel 34a van de Wet WIA voldoet.

2.1.11 Bepalingen in het Reïntegratiebesluit die niet van toepassing zijn op de uitvoering van artikel 10h Participatiewet

Artikel 10h Participatiewet is in een aantal bepalingen van het besluit niet opgenomen. Het gaat om de artikelen 6, 9 tot en met 12, 15, 16, 17 en 18.

In artikel 6 van het Reïntegratiebesluit, dat betrekking heeft op de leefvervoersvoorziening is geen verwijzing opgenomen omdat artikel 10h van de Participatiewet enkel ziet op voorzieningen in het werkdomein en niet in het leefdomein. In de artikelen in het Reïntegratiebesluit die betrekking hebben op het verstrekken van een subsidie aan werkgevers (artikelen 9 tot en met 12), het starterskrediet (artikel 15), loon- en inkomenssuppletie (artikelen 16 en 17), persoonlijke ondersteuning (artikel 18) en de verlenging van de termijn no risk polis (artikel 20) is artikel 10h Participatiewet ook niet opgenomen, omdat het bepaalde in deze artikelen niet ziet op werkvoorzieningen in de zin van artikel 10h Participatiewet.

2.2 De verlening van voorzieningen in de vorm van een hulpmiddel gerelateerd aan stoornissen in de hoorfunctie
Inleiding

UWV verleent voorzieningen in de vorm van hulpmiddelen aan personen met een beperking door ziekte of handicap op grond van de Wet WIA of Wajong. Voorzieningen worden niet verleend als er een vergoeding op grond van een andere wettelijke regeling mogelijk is. Artikel 2, tweede lid, van het Reïntegratiebesluit maakt daarop een uitzondering. Een voorziening kan wel worden verleend als die voorziening vrijwel uitsluitend geïndiceerd is voor de werksituatie, ondanks dat een vergoeding op grond van een andere wettelijke regeling open staat. Een uitzondering was gemaakt voor de verlening van een voorziening in de vorm van een hulpmiddel gerelateerd aan stoornissen in de hoorfunctie. Dit was geregeld in artikel 2, derde lid, van het Reïntegratiebesluit. Het uitgangspunt was dat alle noodzakelijke hoorhulpmiddelen als voorziening werden verstrekt op grond van de Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw), ook als die noodzakelijk waren voor het verrichten van arbeid.

Met de vraag naar de verlening van een nieuw hulpmiddel dat gesproken taal omzet naar geschreven tekst op de werkplek, is gebleken dat niet alle hoorhulpmiddelen voor het verrichten van werk onder de aanspraak binnen de Zvw vallen. Er bleek sprake van een onbedoelde en onvoorziene situatie, waardoor deze hoorhulpmiddelen die specifiek noodzakelijk zijn voor werk, niet als voorziening op grond van de Zvw maar ook niet op grond van de Wet WIA of Wajong konden worden verleend. Om hoorhulpmiddelen voor het verrichten van werk die niet onder de aanspraak binnen de Zvw vallen wel op grond van de Wet WIA en Wajong als voorziening te kunnen verlenen, is artikel 2, derde lid, van het Reïntegratiebesluit aangepast.

Probleembeschrijving

Bij de verlening van werkvoorzieningen vanuit de Wet WIA of de Wajong geldt het uitgangspunt dat voorzieningen niet verleend worden indien het voorzieningen betreft die algemeen gebruikelijk zijn (bijvoorbeeld een bureau dat op de juiste hoogte kan worden afgesteld) of waarvoor vergoeding op grond van een andere wettelijke regeling mogelijk is (artikel 2, eerste lid, van het Reïntegratiebesluit). Een vergoeding of verlening van een voorziening op grond van deze wetten is echter wel mogelijk als die voorziening vrijwel uitsluitend is geïndiceerd voor de werksituatie, dan wel vrijwel uitsluitend kan worden gebruikt voor of in de werksituatie (artikel 2, tweede lid, van het Reïntegratiebesluit).

Het College voor Zorgverzekeringen (tegenwoordig Zorginstituut Nederland (hierna: ZINL)) heeft de Minister van Volksgezondheid Welzijn en Sport (Minister van VWS) in 2010 geadviseerd om te komen tot een «volledige hooroplossing»- voor zowel hoortoestellen als aanvullende hulpmiddelen- binnen het wettelijk kader van de Zvw.3 Dit advies is destijds overgenomen en uitgewerkt door een aanpassing van de Regeling zorgverzekering (hierna: Rzv). Dit betekende dat op grond van de Zvw alle noodzakelijke hoorhulpmiddelen konden worden verstrekt, ook die specifiek noodzakelijk zijn voor de werksituatie. Een aanvullende voorziening vanuit de Wet WIA en de Wajong was toen niet langer noodzakelijk. Om deze reden was bij Besluit van 12 december 2012 tot wijziging van het Reïntegratiebesluit in verband met het uitsluiten van de verstrekking van hulpmiddelen gerelateerd aan stoornissen in de hoorfunctie en het creëren van een grondslag voor het jaarlijks indexeren van het starterskrediet4 de verlening van hulpmiddelen gerelateerd aan stoornissen in de hoorfunctie uitgesloten in artikel 2, derde lid, van het Reïntegratiebesluit. Het ging hierbij om alle hulpmiddelen gerelateerd aan stoornissen in de hoorfunctie, zoals hoortoestellen en tinnitusmaskeerders en hulpmiddelen ter compensatie van beperkingen in het luisteren en beperkingen in het gebruik van communicatieapparatuur, zoals ringleidingen en soloapparatuur.

Ook voor deels implanteerbare hoorhulpmiddelen zoals middenoorimplantaten, cochleaire implantaten en beengeleiderimplantaten was een vergoeding op grond van de Wet WIA en Wajong niet meer mogelijk.

Bij zorgverzekeraars bestonden onduidelijkheden over de vergoeding van (nieuwe) initiatieven met software die gesproken taal real-time omzetten naar geschreven tekst (hierna: spraakherkenningssysteem) voor de werksituatie. ZINL heeft geconcludeerd dat deze hulpmiddelen voor werk niet onder de aanspraak van de Zvw kunnen vallen. Bij een vergoeding van hoorhulpmiddelen specifiek voor werk moet het volgens ZINL in lijn met het pakketadvies gaan om de «volledige hooroplossing» voor zowel hoortoestellen als aanvullende hulpmiddelen. Onder «volledige hooroplossing» verstaat ZINL het volgende: «Alle persoonlijke hulpmiddelen in de vorm van aanvullende apparatuur eventueel meeneembaar naar volgende werkgever of thuis, waarbij sprake is van connectiviteit of trilmechanisme.» Met »connectiviteit» wordt bedoeld: draadloze signaaloverdracht van de aanvullende apparatuur naar het hoortoestel.

De term trilmechanisme refereert volgens de uitleg van ZINL aan de in het advies van CVZ genoemde «wek- en waarschuwingsapparatuur,» waarbij geen sprake is van connectiviteit met een hoortoestel. Hulpmiddelen waarbij geen sprake is van connectiviteit met een hoortoestel of die geen wek- of waarschuwingsapparatuur zijn, maken geen deel uit van de «volledige hooroplossing». Verwezen wordt naar Artikel 2.10, eerste lid, onderdelen a en b Regeling zorgverzekering in samenhang met het genoemde pakketadvies.

Met de wijziging van artikel 2, derde lid, van het Reïntegratiebesluit in 2013 was geregeld dat de Wet WIA en Wajong met betrekking tot de verlening van alle hulpmiddelen gerelateerd aan stoornissen in de hoorfunctie geen aanvullende werking meer hadden. Bij deze wijziging was niet opgenomen dat er sprake diende te zijn van hulpmiddelen die vallen onder de «volledige hooroplossing». Ten tijde van deze wijziging was voor de werksituatie nog geen vraag naar of sprake van (technische) hoorhulpmiddelen die geen connectiviteit hebben met het hoortoestel en die ook geen wek-of waarschuwingsapparatuur zijn, om mensen met een auditieve beperking te ondersteunen. Mensen met een auditieve beperking die in aanmerking wilden komen voor deze hoorhulpmiddelen voor hun werk vielen tussen wal en schip. De hoorhulpmiddelen die specifiek noodzakelijk zijn voor werk, konden niet als voorziening worden verleend grond van de Zvw maar ook niet door UWV op grond van de Wet WIA of Wajong. Er bleek sprake van een onbedoelde en onvoorziene situatie die leidde tot de onwenselijke situatie dat personen met een auditieve beperking geen aanspraak konden maken op deze hulpmiddelen voor hun werk bij de zorgverzekeraar, maar ook niet bij UWV.

Aanpassing Reïntegratiebesluit en de Reïntegratieregeling

In lijn met de oorspronkelijke bedoeling om enkel hoorhulpmiddelen voor de werksituatie die deel uitmaken van de «volledige hooroplossing» als voorziening te verlenen op grond van de Zvw, was het wenselijk dat UWV hoorhulpmiddelen die noodzakelijk zijn voor de werksituatie en die niet vallen onder de «volledige hooroplossing» wel kan verlenen als voorziening. Om het mogelijk te maken dat UWV deze hoorhulpmiddelen kan verlenen als voorziening op grond van de Wet WIA en Wajong was, zoals reeds op 16 januari 2024 is vermeld in antwoord op Kamervragen van de leden de Kort en Bevers5, een wijziging van het Reïntegratiebesluit vereist. In aanloop naar de wijziging is geanticipeerd en kan UWV vanaf 1 januari 2024 deze voorzieningen al verlenen.

In artikel 2, derde lid, van het Reïntegratiebesluit wordt nu bepaald dat artikel 2, tweede lid, niet van toepassing is op een voorziening in de vorm van een hulpmiddel gerelateerd aan stoornissen in de hoorfunctie die wordt aangewezen bij ministeriële regeling. Dat gebeurt in de Reïntegratieregeling. Om specifiek te omschrijven welke categorieën hulpmiddelen gerelateerd aan stoornissen in de hoorfunctie niet vallen onder artikel 2, tweede lid, van het Reïntegratiebesluit, wordt verwezen naar de relevante bepalingen in de Rzv. In de Rzv zijn namelijk hoorhulpmiddelen opgenomen die onder de volledige hooroplossing vallen. In de artikelsgewijze toelichting wordt vermeld waarom dit in de Reïntegratieregeling wordt geregeld in plaats van het Reïntegratiebesluit.

Hoorhulpmiddelen voor het verrichten van werk die niet onder de Rzv vallen, zoals een spraakherkenningssyteem, kunnen daardoor wel door UWV worden verleend op grond van de Wet WIA en Wajong als onderdeel van de werkvoorzieningen.

Ongewijzigd blijft dat wanneer een hulpmiddel zoals een spraakherkenningsysteem voor de privésituatie wordt aangevraagd, een persoon hiervoor bij het loket van de zorgverzekeraar terecht kan. Voor deze hulpmiddelen die vrijwel uitsluitend zijn bedoeld voor de werksituatie, kan men bij UWV terecht. Voor personen die onder de Participatiewet vallen, verleent UWV in de werksituatie geen hoorhulpmiddelen. Zij vallen onder de verantwoordelijkheid van gemeenten.6

Er kunnen in de toekomst meer hoorhulpmiddelen ontwikkeld worden die niet door de zorgverzekeraar worden verleend. Wanneer deze vrijwel uitsluitend voor de werksituatie kunnen worden gebruikt, kan de aanvrager deze aanvragen bij UWV. Hoorhulpmiddelen die naar aard en strekking onder de Zvw vallen, kunnen echter niet als voorziening op grond van de Wet WIA of de Wajong worden verleend, wanneer bijvoorbeeld de zorgverzekeraar de aanvraag van een hoorhulpmiddel heeft afgewezen.

3. Gevolgen (m.u.v. financiële gevolgen)

3.1 Regeldruk
3.1.1 De verlening van werkvoorzieningen voor personen met een visuele beperking door UWV

In hoofdstuk 5 van de memorie van toelichting7 bij de wet «Wijziging van de Participatiewet ten behoeve van de werkvoorzieningen voor visueel beperkten» is reeds ingegaan op de gevolgen voor de regeldruk. Het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) heeft dat dossier niet geselecteerd voor een formeel advies, omdat het – behoudens de eenmalige kennisnemingskosten – geen gevolgen voor de regeldruk heeft.

De wijziging van het Reïntegratiebesluit ten behoeve van de verlening van werkvoorzieningen voor personen met een visuele beperking door UWV introduceert geen nieuwe (beleids)effecten die gevolgen voor de regeldruk met zich meebrengen.

3.1.2 De verlening van voorzieningen in de vorm van een hulpmiddel gerelateerd aan stoornissen in de hoorfunctie

De wijziging voor het verlenen van voorzieningen in de vorm van een hulpmiddel gerelateerd aan stoornissen in de hoorfunctie, brengt beperkte regeldrukgevolgen voor burgers met zich mee.

Kennisneming en aanvraagproces

Door de wijziging kunnen personen met een auditieve beperking mogelijk in aanmerking komen voor een hoorhulpmiddel voor werk bij UWV, zoals een spraakherkenningssysteem. De regeldruk voor deze groep bestaat uit eenmalige kennisnemingskosten en het indienen van een aanvraag.

Het aanvraagproces voor voorzieningen bij UWV blijft met deze wijziging van het Reïntegratiebesluit ongewijzigd. De aanvraag voor een voorziening gaat via het bestaande portaal van UWV en bestaat uit het invullen van een aanvraagformulier. Indien de aanvrager nog niet bij UWV bekend is, wordt ook gevraagd om een verklaring van arts of specialist of een audiogram aan te leveren waaruit blijkt dat de aanvrager een auditieve beperking heeft.

Regeldrukkosten

Kennisname en het indienen van een aanvraag bedragen gezamenlijk naar schatting maximaal een uur. Naar schatting en op basis van het aantal aanvragen in 2024, wordt door zo’n 200 personen per jaar een aanvraag gedaan. Omdat het om een burger gaat, wordt het standaard tarief van € 17 per uur hiervoor berekend8.De totale kosten voor het verkrijgen van informatie en indienen van een aanvraag bedragen € 17 per aanvrager (P) x 200 (Q) = € 3.400.

Advies ATR

Het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) is verzocht de gevolgen voor de regeldruk in verband met het gewijzigde besluit alsmede de gewijzigde regeling te beoordelen. Het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) heeft het besluit en de regeling niet geselecteerd voor een formeel advies, omdat het slechts beperkte gevolgen voor de regeldruk heeft, die de toelichting toereikend in beeld brengt.

3.2 Doenvermogen
3.2.1 De verlening van werkvoorzieningen voor personen met een visuele beperking door UWV

UWV heeft een doenvermogentoets uitgevoerd in het kader van de wet van 22 november 2023, houdende wijziging van de Participatiewet ten behoeve van de werkvoorzieningen voor visueel beperkten. De wijziging van het besluit ten behoeve van de verlening van werkvoorzieningen voor personen met een visuele beperking door UWV introduceert geen nieuw beleid dat effect heeft op het doenvermogen.

3.2.2 De verlening van voorzieningen in de vorm van een hulpmiddel gerelateerd aan stoornissen in de hoorfunctie

De wijziging voor het verlenen van voorzieningen in de vorm van een hulpmiddel gerelateerd aan stoornissen in de hoorfunctie betreft geen nieuw beleid, maar een uitbreiding op bestaand beleid. UWV heeft in dat kader een doenvermogentoets uitgevoerd.

Aanvraagproces

De doelgroep die nu mogelijk in aanmerking komt voor een hoorhulpmiddel voor de werksituatie zoals een spraakherkenningsysteem, bestaat uit mensen met een auditieve beperking. UWV voert de tolkvoorziening voor mensen met een auditieve beperking al gecentraliseerd uit, waardoor een deel van de aanvragers al in beeld zijn bij UWV en bekend zijn met de aanvraagprocedure bij UWV.

De aanvraag voor een voorziening gaat via het bestaande portaal van UWV en bestaat uit het invullen van een aanvraagformulier. Indien de aanvrager nog niet bij UWV bekend is, wordt ook gevraagd om een verklaring van arts of specialist of een audiogram aan te leveren waaruit blijkt dat de aanvrager een auditieve beperking heeft.

Het aanvraagproces van voorzieningen heeft UWV met in achtneming van doenvermogen en op basis van ervaringsdeskundigheid onder de loep genomen. Op basis van de uitkomsten daarvan zijn eind 2024 verbeteringen doorgevoerd.

Het juiste loket

Daarnaast is er doenvermogen nodig om de weg naar het juiste loket te vinden. De zorgverzekeraar is het juiste loket voor hoorhulpmiddelen in de privé situatie en hoorhulpmiddelen voor werk die deel uit maken van de «volledige hooroplossing». De aanvrager kan bij UWV een aanvraag indienen voor een hoorhulpmiddel dat vrijwel uitsluitend wordt gebruikt voor werk en geen deel uitmaakt van de «volledige hooroplossing», zoals een spraakherkenningssysteem. Een uitzondering hierop zijn personen die onder de Participatiewet vallen, voor hen is de gemeente verantwoordelijk. Zij kunnen voor een hoorhulpmiddel voor werk welke geen deel uitmaakt van de «volledige hooroplossing» een aanvraag indienen bij de gemeente.

UWV zal zorgen voor duidelijke communicatie bij welk loket mensen met een auditieve beperking moeten zijn. Belangenorganisaties worden benaderd voor het verspreiden van deze informatie en ook de VNG en ZINL worden verzocht hierover eenduidig te communiceren.

3.3 Verwerking persoonsgegevens

De gevolgen op het gebied van persoonsgegevensverwerkingen zijn beperkt. UWV heeft op basis van de Wet WIA, Wajong en Participatiewet9, reeds de wettelijke taak om voorzieningen te verstrekken die tot doel hebben om mensen te ondersteunen bij het aan het werk komen of aan het werk blijven. Voor het uitvoeren van deze taak is het noodzakelijk dat het UWV persoonsgegevens verwerkt. Dit betreft persoonsgegevensverwerkingen van personen die een aanvraag indienen om een voorziening te ontvangen. Omdat ook gegevens over een ziekte of gebrek worden verwerkt betreft dit ook de verwerking van bijzondere persoonsgegevens. Bijzondere persoonsgegevens, waaronder gegevens betreffende de gezondheid, mogen in dat kader ook verwerkt worden op grond van artikel 9, tweede lid, onderdeel h, van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) en artikel 30, eerste lid, onderdeel a, Uitvoeringswet AVG, als de verwerking van deze gegevens noodzakelijk is voor een goede uitvoering van wettelijke voorschriften die voorzien in aanspraken die afhankelijk zijn van de gezondheidstoestand van de betrokkene. Werkvoorzieningen als bedoeld in artikel 10h van de Participatiewet worden enkel verstrekt aan personen met een visuele beperking. Zonder verwerking van bijzondere persoonsgegevens betreffende de gezondheid kan niet worden vastgesteld of personen een visuele beperking hebben. Deze gegevens zijn daarmee noodzakelijk om vast te kunnen stellen of personen aanspraak maken op werkvoorzieningen als bedoeld in artikel 10h van de Participatiewet.

UWV is verwerkingsverantwoordelijke. De grondslag waarop UWV de persoonsgegevens verwerkt, is de wettelijke verplichting van de artikelen 34a en 35 van de Wet WIA, 2:22 en 2:23 van de Wajong en 10g en 10h van de Participatiewet. De verwerking is daarmee rechtmatig op grond van artikel 6, eerste lid, onderdeel c, van de AVG. Daarin staat dat een verwerking rechtmatig is als de verwerking noodzakelijk is om te voldoen aan een wettelijke verplichting die op de verwerkingsverantwoordelijke rust.

Voor de verwerking van deze persoonsgegevens is door UWV in 2021 een gegevensbeschermingseffectbeoordeling (GEB) uitgevoerd. In 2025 zal een herbeoordeling van deze GEB door UWV plaatsvinden.

3.3.1 De verlening van werkvoorzieningen voor personen met een visuele beperking door UWV

In hoofdstuk 5 van de memorie van toelichting10 bij de wet «Wijziging van de Participatiewet ten behoeve van de werkvoorzieningen voor visueel beperkten» is reeds ingegaan op de verwerking van persoonsgegevens. De wijziging ten behoeve van de verlening van werkvoorzieningen voor personen met een visuele beperking door UWV, introduceert geen wijziging die leidt tot nieuwe gevolgen voor de verwerking van persoonsgegevens.

3.3.2 De verlening van voorzieningen in de vorm van een hulpmiddel gerelateerd aan stoornissen in de hoorfunctie

De wijziging voor het verlenen van voorzieningen in de vorm van een hulpmiddel gerelateerd aan stoornissen in de hoorfunctie maakt het mogelijk dat personen met een auditieve beperking in aanmerking komen voor een hoorhulpmiddel voor werk bij UWV, zoals een spraakherkenningssysteem. De wijziging betreft geen nieuwe verwerking, maar als gevolg van de wijziging wordt de doelgroep van personen die een voorziening kan aanvragen mogelijk uitgebreid. Voorzien is dat daarmee ook het aantal aanvragen, en dus het aantal gegevensverwerkingen, zal toenemen. Qua gegevensverwerkingen zal door UWV worden aangesloten bij de reeds toegepaste systematiek. Er wordt geen nieuwe vorm van gegevensverwerking geïntroduceerd. Deze wijziging zal daarmee niet zorgen voor nieuwe risico’s op het gebied van privacy.

4. Uitvoering

4.1 De verlening van werkvoorzieningen voor personen met een visuele beperking door UWV

Wat betreft de wijziging ten aanzien van de verlening van werkvoorzieningen voor personen met een visuele beperking voert UWV de taak op grond van artikel 10h van de Participatiewet uit sinds de inwerkingtreding op 1 januari 2024. Hierbij worden ook de bepalingen uit het Reïntegratiebesluit toegepast op grond van het Protocol Voorzieningen UWV 202411. Dit besluit betreft de codificatie van deze praktijk en brengt geen nieuwe uitvoeringsconsequenties met zich mee.

Discretionaire bevoegdheid

In de uitvoeringstoets op het wetsvoorstel «wijziging van de Participatiewet ten behoeve van de werkvoorzieningen voor visueel beperkten» heeft UWV als randvoorwaarde gesteld dat er in de wet een discretionaire bevoegdheid komt voor UWV om maatwerk te leveren. UWV wil voorkomen dat een cliënt een voorziening dient in te leveren, omdat werk even stopt, maar na een korte tussenpoos een nieuw contract zich aandient en de cliënt opnieuw een voorziening moet aanvragen. De regering heeft in de memorie van toelichting bij de wetswijziging12 toegezegd aan die randvoorwaarde te voldoen, door een discretionaire bevoegdheid voor UWV om maatwerk te leveren op AMvB-niveau te regelen.

In de voorbereiding op de wijziging van het Reïntegratiebesluit is met UWV gesproken over de wens om maatwerk te kunnen leveren. Gezamenlijk met UWV is geconstateerd dat op basis van artikel 10h Participatiewet in samenhang met de bepalingen in het Reïntegratiebesluit voldoende discretionaire ruimte bestaat om maatwerk te bieden.

Aan de door UWV gestelde randvoorwaarde is op deze wijze voldaan.

4.2 De verlening van voorzieningen in de vorm van een hulpmiddel gerelateerd aan stoornissen in de hoorfunctie

UWV anticipeert sinds 1 januari 2024 op de wijziging ten aanzien van de uitsluiting van een voorziening in de vorm van een hulpmiddel gerelateerd aan stoornissen in de hoorfunctie en behandelt vanaf dat moment al aanvragen.

4.3 Uitvoeringstoets

UWV heeft een uitvoeringstoets uitgebracht en oordeelt dat beide voorgestelde wijzigingen uitvoerbaar zijn.

4.3.1 De verlening van werkvoorzieningen voor personen met een visuele beperking door UWV

De wijziging van het Reïntegratiebesluit, waarbij wordt vastgelegd dat voor het verstrekken van werkvoorzieningen aan mensen met een visuele beperking in de Participatiewet dezelfde voorwaarden worden gehanteerd als voor mensen met een visuele beperking op grond van de Wet WIA en Wajong, is voor UWV uitvoerbaar. UWV werkt sinds 1 januari 2024 al op deze wijze. De vastlegging is in lijn met de wens van UWV van uniformiteit in rechten en voorwaarden op voorzieningen ongeacht uitkeringsgrond. Daarmee is de wijziging ook in lijn met het VN-verdrag Handicap.

Eind 2025 doet UWV een invoeringstoets op de eerdere overheveling van de bevoegdheid van gemeenten naar UWV voor mensen met een visuele beperking in de Participatiewet.

Daarnaast merkt UWV op dat het wijzigingsbesluit bevestigt dat de huidige regelgeving voldoende ruimte biedt (discretionaire bevoegdheid) voor UWV om maatwerk te kunnen leveren waar nodig.

4.3.2 De verlening van voorzieningen in de vorm van een hulpmiddel gerelateerd aan stoornissen in de hoorfunctie

De wijziging van het Reïntegratiebesluit en de Reïntegratieregeling die betrekking heeft op verruiming in bevoegdheid van UWV voor de vergoeding van hoorhulpmiddelen als werkvoorziening is voor UWV uitvoerbaar. UWV anticipeert sinds 1 januari 2024 al op deze wijziging en uit de praktijk zijn geen knelpunten naar voren gekomen die om aanpassing vragen.

4.4 Internetconsultatie

Het ontwerpbesluit tot wijziging van het Reïntegratiebesluit en de ontwerpwijziging van de Reïntegratieregeling hebben vanaf 9 juli 2025 gedurende 6 weken opengestaan voor internetconsultatie. De consultatie heeft in totaal drie openbare reacties opgeleverd, te weten van Wij Participeren, Stichting Hoormij en een gezamenlijke reactie van Oogvereniging, Koninklijke Visio en Bartiméus. De reacties hebben niet geleid tot wijzigingen in het voorstel.

De regering bedankt iedereen voor de inbreng en gaat hierna in op de belangrijkste punten in de reacties.

Wij Participeren

De eerste reactie van Wij Participeren benoemt dat de noodzakelijke aanpassing in het besluit ervoor zorgt dat het ingewikkelder wordt. Participanten moeten verschillende voorzieningen bij verschillende instanties aanvragen, wat complexiteit en frustratie veroorzaakt. Gevraagd wordt of er maatregelen te bedenken zijn om regelgeving toegankelijk, inzichtelijk en duidelijk te maken.

De regering is zich er bewust van dat het voor personen met een beperking complex kan zijn dat zij op verschillende plekken terecht moeten voor hun voorziening. De wijziging van de Participatiewet waarbij voorzieningen aan mensen met een visuele beperking per 1 januari 2024 van gemeenten naar UWV zijn overgeheveld, heeft daarom als doel om de dienstverlening voor deze doelgroep te verbeteren. Deze wijziging van het Reïntegratiebesluit draagt daar aan bij door de voorwaarden voor het verlenen van voorzieningen voor mensen met een visuele beperking gelijk te trekken. Daarnaast wordt mogelijk gemaakt dat mensen met een auditieve beperking die voor bepaalde hoorhulpmiddelen voor werk niet bij UWV en niet bij de zorgverzekeraar terecht konden, daarvoor nu bij UWV terecht kunnen. De regering deelt de visie dat het van belang is dat eenvoudig en duidelijkheid essentieel zijn. De suggesties en zorgpunten worden meegenomen in verdere afwegingen en overleggen tussen betrokken departementen en andere partijen over het huidige stelsel van (werk)voorzieningen.

Stichting Hoormij

De reactie van Stichting Hoormij heeft betrekking op de wijziging van het Reïntegratiebesluit in verband met de verlening van voorzieningen in de vorm van een hulpmiddel gerelateerd aan stoornissen in de hoorfunctie. Het juridisch mogelijk maken om een spraakherkenningssyteem door UWV te verstrekken wordt door hen onderschreven. Stichting Hoormij benoemt dat er meer technologische innovaties zijn voor mensen met gehoorverlies en dat het zinvol is om de functionele oplossing centraal te zetten en niet enkel de productnaam.

Daarnaast wil Stichting Hoormij met haar reactie meer inzicht bieden in de problematiek voor mensen met (beginnend) gehoorverlies op de werkvloer en benadrukt het belang van preventie- en vroegsignalering en doet daartoe een aantal suggesties.

De regering merkt op dat de wijziging het niet enkel mogelijk maakt dat UWV specifieke spraakherkenningssytemen kan verlenen. Door nieuwe technologische ontwikkelingen, bleek dat bepaalde hoorhulpmiddelen niet vergoed werden door de zorgverzekeraar en dat UWV deze hoorhulpmiddelen ook niet als voorziening kon verlenen. De aanpassing van het Reïntegratiebesluit en de Reïntegratieregeling maakt het mogelijk dat UWV wel wel hoorhulpmiddelen voor werk kan verlenen die geen deel uitmaken van de volledige hooroplossing en daarmee niet door zorgverzekeraars kunnen worden vergoed.

Er kunnen ook in de toekomst meer hoorhulpmiddelen worden ontwikkeld worden die geen deel uitmaken van de volledige hooroplossing. Wanneer deze vrijwel uitsluitend voor de werksituatie kunnen worden gebruikt, kunnen deze bij UWV worden aangevraagd.

De overige waardevolle informatie en adviezen in deze reactie gaan de reikwijdte van deze wijziging te buiten en worden meegenomen in de gesprekken die hierover worden gevoerd met UWV en tussen betrokken departementen.

Oogvereniging, Koninklijke Visio en Bartiméus

De gezamenlijke reactie van Oogvereniging, Koninklijke Visio en Bartiméus ziet op de wijziging van het Reïntegratiebesluit ten behoeve van de verlening van werkvoorzieningen voor personen met een visuele beperking door UWV. Zij spreken positieve waardering uit dat UWV formeel verantwoordelijk is voor het verlenen van werkvoorzieningen aan mensen met een visuele beperking. Er wordt verzocht om structurele evaluatie van uitvoering van de regeling en gerichte communicatie richting de doelgroep. Daarnaast wordt gepleit voor overheveling van de verantwoordelijkheid voor jobcoaching van gemeenten naar UWV voor mensen met een visuele beperking, waardoor één deskundig en toegankelijk loket ontstaat voor deze doelgroep.

De regering heeft in de memorie van toelichting bij de Wijziging van de Participatiewet ten behoeve van de werkvoorzieningen voor visueel beperkten en in de behandeling in de Tweede Kamer van dit wetsvoorstel toegelicht dat jobcoaching beter past bij de taak van arbeidsbemiddeling van gemeenten voor visueel beperkten die onder de Participatiewet vallen. De regering heeft toegezegd voornemens te zijn om een jaar na invoering van de wijziging van de Participatiewet ten behoeve van de werkvoorzieningen voor visueel beperkten13 een invoeringstoets uit te voeren. Conform deze toezegging voert UWV deze invoeringstoets eind 2025 uit. Daarover zal de Tweede Kamer worden geïnformeerd.

5. Financiële gevolgen

De wijziging ten aanzien van de verlening van werkvoorzieningen voor personen met een visuele beperking door UWV heeft geen financiële gevolgen.

De wijziging ten aanzien van de uitsluiting van een voorziening in de vorm van een hulpmiddel gerelateerd aan stoornissen in de hoorfunctie leidt naar verwachting tot beperkte structurele kosten van jaarlijks c.a. € 0,8 miljoen die passen binnen het bestaande re-integratiebudget Arbeidsgehandicapten (AG). Deze wijzigingen hebben geen gevolgen voor de SZW-begroting.

6. Inwerkingtreding

In beginsel treedt een wet of algemene maatregel van bestuur in werking met ingang van 1 januari of 1 juli, conform Aanwijzing 4.17 van de Aanwijzingen voor de regelgeving. Aangezien dit besluit de bestaande uitvoeringspraktijk codificeert en geen nieuw beleid met zich meebrengt, schept het duidelijkheid om dit besluit direct in werking te laten treden.

De verlening van werkvoorzieningen ten behoeve van mensen met een visuele beperking wordt sinds 1 januari 2024 reeds uitgevoerd door UWV op grond van het Protocol Voorzieningen UWV 2024. Met dit besluit wordt die praktijk gecodificeerd. Er is geen reden om terugwerkende kracht te verlenen aan de onderdelen van het besluit die zien op de verlening van werkvoorzieningen ten behoeve van mensen met een visuele beperking.

UWV anticipeert14 op artikel I, onderdeel B, onder 2, van het besluit door vanaf 1 januari 2024 voorzieningen te verlenen in de vorm van een hoorhulpmiddel gerelateerd aan stoornissen in de hoorfunctie die niet zijn uitgesloten in artikel 3a van de gewijzigde Reïntegratieregeling. Om die reden zal artikel I, onderdeel B, onder 2, van het besluit inwerking treden met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en zal het terugwerken tot en met 1 januari 2024.

Artikelsgewijze toelichting

Hieronder worden twee onderdelen toegelicht, namelijk artikel I, onderdeel A en onderdeel B, subonderdeel 2. De overige onderdelen worden uitgebreid toegelicht in het algemeen deel van de toelichting, meer specifiek in de paragrafen 2.1.3 tot en met 2.1.10. Ook wordt artikel II toegelicht, waarin een wetstechnische fout in het Besluit SUWI wordt hersteld.

Artikel I, onderdeel A (Artikel 1a Reïntegratiebesluit)

Artikel 1a van het Reïntegratiebesluit bevat een opsomming van de wetsartikelen die de grondslag vormen voor het Reïntegratiebesluit. Artikel 10h van de Participatiewet wordt toegevoegd aan artikel 1a van het Reïntegratiebesluit, waardoor artikel 10h mede de grondslag vormt voor het Reïntegratiebesluit.

Artikel I, onderdeel B, onder 2 (Artikel 2, derde lid, Reïntegratiebesluit)

In dit lid wordt een grondslag gecreëerd voor een ministeriële regeling. Ter uitwerking daarvan is in de Reïntegratieregeling opgenomen op welke voorzieningen in de vorm van een hoorhulpmiddel artikel 2, tweede lid van het Reïntegratiebesluit niet van toepassing is. Daarbij wordt verwezen naar de relevante bepalingen in de Regeling zorgverzekering.

Aangezien de Regeling zorgverzekering een ministeriële regeling is, is ervoor gekozen om eveneens op het niveau van een ministeriële regeling op te nemen welke hoorhulpmiddelen worden uitgesloten van de verlening op grond van de Wet WIA en Wajong. Daarmee kunnen relevante wijzigingen in de Regeling zorgverzekering ook direct worden doorgevoerd in de Reïntegratieregeling.

Artikel II (artikel 5.16 Besluit SUWI)

In artikel 4.5, onderdeel G, van het Besluit van school naar duurzaam werk, is artikel 5.16 van het Besluit SUWI gewijzigd. Daarin is een incomplete verwijzing naar artikel 7a, eerste lid, onderdeel a, van de Participatiewet opgenomen. Deze verwijzing wordt met de toegevoegde wijziging verbeterd.

De Minister van Werk en Participatie, A.A. Aartsen


X Noot
1

Stb. 2023, 443.

X Noot
2

Stcrt. 2024, 12532, p. 28.

X Noot
3

CVZ-pakketadvies 2010, publicatienummer 286.

X Noot
4

Stb. 2012, 656.

X Noot
5

Aanhangsel Handelingen II, vergaderjaar 2023-2024, nr. 804.

X Noot
6

Zie artikel 7, eerste lid, onderdeel a, en artikel 10g en 10h van de Participatiewet.

X Noot
7

Kamerstukken II 2022/23, 36 245, nr. 3, p. 9.

X Noot
8

Tarieven en tijdsbesteding zijn gebaseerd op het Handboek meting regeldrukkosten, 2023. Te vinden op www.kcbr.nl, zoeken op «regeldruk»: onder nr. 6.

X Noot
9

Artikel 34a en 35 van de Wet WIA, artikel 2:22 en 2:23 van de Wajong en artikel 10g en 10h van de Participatiewet.

X Noot
10

Kamerstukken II 2022/23, 36 245, nr. 3, p. 9.

X Noot
12

Kamerstukken II 2022/23, 36 345, nr. 3, p. 11.

X Noot
13

Stb. 2023, 443.

X Noot
14

Aanhangsel Handelingen II, vergaderjaar 2023/24, nr. 804.


X Noot
1

Stb. 2023, 443.

X Noot
2

Stcrt. 2024, 12532, p. 28.

X Noot
3

CVZ-pakketadvies 2010, publicatienummer 286.

X Noot
4

Stb. 2012, 656.

X Noot
5

Aanhangsel Handelingen II, vergaderjaar 2023-2024, nr. 804.

X Noot
6

Zie artikel 7, eerste lid, onderdeel a, en artikel 10g en 10h van de Participatiewet.

X Noot
7

Kamerstukken II 2022/23, 36 245, nr. 3, p. 9.

X Noot
8

Tarieven en tijdsbesteding zijn gebaseerd op het Handboek meting regeldrukkosten, 2023. Te vinden op www.kcbr.nl, zoeken op «regeldruk»: onder nr. 6.

X Noot
9

Artikel 34a en 35 van de Wet WIA, artikel 2:22 en 2:23 van de Wajong en artikel 10g en 10h van de Participatiewet.

X Noot
10

Kamerstukken II 2022/23, 36 245, nr. 3, p. 9.

X Noot
12

Kamerstukken II 2022/23, 36 345, nr. 3, p. 11.

X Noot
13

Stb. 2023, 443.

X Noot
14

Aanhangsel Handelingen II, vergaderjaar 2023/24, nr. 804.

Naar boven