Besluit van 16 september 2026, houdende wijziging van het Paspoortbesluit, het Besluit paspoortgelden en het Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap in verband met de ontvlechting van de Nederlandse identiteitskaart [KetenID WGK026111]

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 30 januari 2026, nr. 2025-0000700709;

Gelet op de artikel I, onderdeel B, van de Rijkswet van 18 juni 2026 tot wijziging van de Paspoortwet in verband met de ontvlechting van de Nederlandse identiteitskaart (Stb. 2026, 181), de artikelen 3, derde lid, 4d, vierde lid, 4e, derde lid, 16, tweede lid, 28, vierde lid, 47, vierde lid, en 57, derde lid, van de Paspoortwet en artikel 23, eerste lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap;

De Afdeling advisering van de Raad van State van het Koninkrijk gehoord (advies van 1 april 2026, nr. W04.26.00027/I/K);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 14 september 2026, nr. 2026-0000270560;

De bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Paspoortbesluit wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1.1 wordt als volgt gewijzigd:

1. De begripsbepalingen gedetineerde en penitentiaire inrichting vervallen.

2. In de alfabetische volgorde wordt de volgende begripsbepaling ingevoegd:

register paspoortsignaleringen:

het register, bedoeld in artikel 25, derde lid, van de Paspoortwet;.

B

Artikel 1.4, eerste lid, alsmede de aanduiding «2.» voor het tweede lid vervallen.

C

In artikel 1.5 wordt «, het tweede paspoort, de Nederlandse identiteitskaart en de vervangende Nederlandse identiteitskaart» vervangen door «en het tweede paspoort».

D

Artikel 1.6 vervalt.

E

Artikel 2.1 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt na «Nederlandse reisdocument» ingevoegd «of de door de aanvrager overlegde Nederlandse identiteitskaart» en wordt na «documenten» ingevoegd «, waaronder in ieder geval worden verstaan documenten in verband met eerdere aanvragen van reisdocumenten of Nederlandse identiteitskaarten».

2. In het tweede lid wordt «reisdocumenten die op zijn naam zijn gesteld» vervangen door «reisdocumenten of Nederlandse identiteitskaarten die op zijn naam zijn gesteld».

F

In artikel 2.10, eerste lid, wordt na «reisdocument» ingevoegd «of Nederlandse identiteitskaart».

G

Hoofdstuk 2, paragraaf 5, vervalt.

H

Artikel 3.2 komt te luiden:

Artikel 3.2. Aanvullende bevoegdheden burgemeesters aangewezen gemeenten

In de bij ministeriële regeling aangewezen gemeenten is de burgemeester tevens bevoegd aanvragen in ontvangst te nemen voor de in artikel 2, eerste lid, onderdelen a, d, e of g, van de wet bedoelde reisdocumenten voor zover het personen betreft die niet in de basisregistratie personen als ingezetene zijn ingeschreven.

I

In paragraaf 2 van hoofdstuk 3 worden twee artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 3.6. Afzien van opname vingerafdrukken

Van het opnemen van vingerafdrukken overeenkomstig artikel 3, tweede lid, van de wet, wordt afgezien, indien:

  • a. de aanvrager op het moment van het indienen van de aanvraag de leeftijd van twaalf jaar nog niet heeft bereikt, of

  • b. de daartoe aangewezen persoon van oordeel is dat het fysiek dan wel als gevolg van een tijdelijke verhindering onmogelijk is om van de aanvrager te verlangen dat bij hem op het moment van het indienen van de aanvraag een of meer vingerafdrukken worden opgenomen.

Artikel 3.7. Onbekwaamheid tot het plaatsen van een handtekening

Van het opnemen van een handtekening op het aangevraagde reisdocument wordt afgezien, indien de persoon aan wie het aangevraagde reisdocument moet worden verstrekt door leeftijd of een handicap niet in staat is zijn handtekening te plaatsen.

J

Artikel 4.2 komt te luiden:

Artikel 4.2. Aanvullende bevoegdheden burgemeesters aangewezen gemeenten

In de bij ministeriële regeling aangewezen gemeenten is de burgemeester tevens bevoegd tot verstrekking van de in artikel 2, eerste lid, onderdelen a, d, e of g, van de wet bedoelde reisdocumenten voor zover het personen betreft die niet in de basisregistratie personen als ingezetene zijn ingeschreven.

K

In hoofdstuk 6 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 6.1. Vermelding register paspoortsignaleringen bij verval van rechtswege

  • 1. De burgemeester, de gezaghebber, Onze Minister van Buitenlandse Zaken onderscheidenlijk de aangewezen autoriteit, bedoeld in de artikelen 3.3, tweede lid, en 4.3, tweede lid, deelt met het oog op een vermelding in het register paspoortsignaleringen op grond van artikel 47, derde lid, van de wet Onze Minister onderscheidenlijk de Gouverneur de gegevens mede van de houder van een reisdocument dat van rechtswege is vervallen, indien de houder weigert het reisdocument in te leveren dan wel de woon- of verblijfplaats van de houder niet kan worden achterhaald.

  • 2. De aangewezen autoriteit, bedoeld in de artikelen 3.3, tweede lid, en 4.3, tweede lid, deelt met het oog op een vermelding in het register dat door Onze Minister wordt bijgehouden op grond van artikel 25 van de wet, op grond van artikel 30, derde lid, van de Wet op de Nederlandse identiteitskaart Onze Minister de gegevens mede van de houder van een Nederlandse identiteitskaart die van rechtswege is vervallen, indien de houder weigert de Nederlandse identiteitskaart in te leveren dan wel de woon- of verblijfplaats van de houder niet kan worden achterhaald.

  • 3. De autoriteit die het in het eerste lid bedoelde reisdocument of de in het tweede lid bedoelde Nederlandse identiteitskaart heeft ingehouden, dan wel bij wie het desbetreffende reisdocument onderscheidenlijk de Nederlandse identiteitskaart is ingeleverd, deelt Onze Minister zulks terstond mede met het oog op de verwijdering van de in het eerste lid bedoelde vermelding uit het register.

  • 4. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de wijze waarop de in het eerste en tweede lid bedoelde mededeling wordt gedaan.

L

Artikel 7.1 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid wordt als volgt gewijzigd:

a. in onderdeel a wordt na «een nieuw reisdocument» ingevoegd «of een vervangende Nederlandse identiteitskaart als bedoeld in artikel 12 van de Wet op de Nederlandse identiteitskaart»;

b. in onderdeel d, onder 2°, wordt «de Minister van Buitenlandse Zaken» vervangen door «Onze Minister van Buitenlandse Zaken».

2. Onder vernummering van het vierde lid tot vijfde lid wordt een lid ingevoegd, luidende:

  • 4. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, onttrekt de Gouverneur een Nederlandse identiteitskaart die hij onder zich heeft, naast het gestelde in artikel 27, vierde lid, van de Wet op de Nederlandse identiteitskaart, ook terstond definitief aan het verkeer, indien:

    • a. het daartoe, al dan niet bij de uitreiking van een nieuw reisdocument, is ingeleverd;

    • b. het ingevolge artikel 37, eerste lid, van de Wet op de Nederlandse identiteitskaart is ingehouden, tenzij nog een beroepstermijn open staat, een beroepsprocedure aanhangig is of het reisdocument anderszins in een gerechtelijke procedure nodig is;

    • c. het na uitreiking als onbruikbaar is beschouwd ten gevolge van misdruk of verkeerde personalisatie en dientengevolge is ingehouden of ingeleverd;

    • d. het als gevonden Nederlandse identiteitskaart is ontvangen.

M

Hoofdstuk 8, paragraaf 2, vervalt.

N

Artikel 8.4 komt te luiden:

Artikel 8.4. Verstrekkingen op grond van artikel 4e, eerste lid, onderdelen a en b, van de wet

Aan de autoriteiten, bedoeld in de artikelen 26, 40, 42 en 50b van de wet en de autoriteiten, bedoeld in de artikelen 15, 25 en 36 van de Wet op de Nederlandse identiteitskaart kunnen ten behoeve van de taken bedoeld in artikel 4e, eerste lid, onderdelen a en b, van de wet, alle in het basisregister reisdocumenten opgenomen gegevens worden verstrekt.

O

Artikel 8.5 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste en tweede lid wordt na «van reisdocumenten» ingevoegd «en Nederlandse identiteitskaarten».

2. In het derde lid wordt na «reisdocument» ingevoegd «of een Nederlandse identiteitskaart».

P

Artikel 10.1 wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel b wordt «2, derde lid,» vervangen door «2, tweede lid,».

2. In onderdeel c wordt «2.10 tot en met 2.16» vervangen door «2.10 tot en met 2.15» en wordt «3.1 tot en met 3.5» vervangen door «3.1 tot en met 3.6».

ARTIKEL II

Het Besluit paspoortgelden wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het derde lid wordt «artikel 6, eerste lid, onderdelen a tot en met e» vervangen door «artikel 6, eerste lid, onderdelen a tot en met c».

2. In het vierde lid wordt «artikel 6, eerste lid, onderdeel e» vervangen door «artikel 6, eerste lid, onderdeel c».

B

In artikel 2a, eerste lid, wordt «artikel 6, eerste lid, onderdelen a en c» vervangen door «artikel 6, eerste lid, onderdeel a».

C

Artikel 6 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid wordt als volgt gewijzigd:

a. De onderdelen c en d vervallen, onder verlettering van onderdeel e tot c.

b. In onderdeel c (nieuw) vervalt «of van een Nederlandse identiteitskaart,» en wordt «de onderdelen a tot en met c» vervangen door «die onderdelen».

2. Het tweede lid wordt als volgt gewijzigd:

a. De onderdelen c en d vervallen, onder verlettering van de onderdelen e en f tot c en d.

b. In de onderdelen c (nieuw) en d (nieuw) vervalt «of van een Nederlandse identiteitskaart» en wordt «de onderdelen a tot en met c» vervangen door «die onderdelen».

3. Het derde lid wordt als volgt gewijzigd:

a. De onderdelen c en d vervallen, onder verlettering van onderdeel e tot c.

b. In onderdeel c (nieuw) vervalt «of van een Nederlandse identiteitskaart,» en wordt «de onderdelen a tot en met c» vervangen door «die onderdelen».

D

Artikel 12, tweede lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. De onderdelen c en d vervallen, onder verlettering van de onderdelen e tot en met h tot c tot en met f.

2. In onderdeel f (nieuw) wordt «de Minister van Buitenlandse Zaken» vervangen door «Onze Minister van Buitenlandse Zaken», wordt «de artikelen 26, eerste lid, onder d, derde en vierde lid,» vervangen door «de artikelen 26, eerste lid, onder d, en derde lid» en wordt «de onderdelen a en c» vervangen door «onderdeel a».

ARTIKEL III

Het Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 64, derde lid, onderdeel b, komt te luiden:

  • b. de Nederlandse reisdocumenten respectievelijk de Nederlandse identiteitskaarten of vervangende Nederlandse identiteitskaarten die waren uitgereikt aan de personen die door of als gevolg van de afstand het Nederlanderschap hebben verloren, overeenkomstig de Paspoortwet respectievelijk de Wet op de Nederlandse identiteitskaart worden ingenomen;

B

Artikel 70, tweede lid, onderdeel b, komt te luiden:

  • b. de Nederlandse reisdocumenten respectievelijk de Nederlandse identiteitskaarten of vervangende Nederlandse identiteitskaarten die waren uitgereikt aan de personen die het Nederlanderschap hebben verloren, overeenkomstig de Paspoortwet respectievelijk de Wet op de Nederlandse identiteitskaart worden ingenomen;.

ARTIKEL IV

Artikelen II en III, derde lid, van het Besluit van 15 november 2016, houdende wijziging van het Besluit paspoortgelden in verband met de aanpassing van de tarieven per 1 januari 2017 (Stb. 2016, 449) vervallen.

ARTIKEL V

Dit besluit treedt in werking op het tijdstip waarop de Rijkswet tot wijziging van de Paspoortwet in verband met de ontvlechting van de Nederlandse identiteitskaart (Stb. 2026, 181) in werking treedt.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad, in het Afkondigingsblad van Aruba, in het Publicatieblad van Curaçao en in het Afkondigingsblad van Sint Maarten zal worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 16 september 2026

Willem-Alexander

De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, E. van der Burg

Uitgegeven de drieëntwintigste september 2026

De Minister van Justitie en Veiligheid, D.M. van Weel

NOTA VAN TOELICHTING

1. Algemeen

Het doel van dit besluit is het schrappen van alle bepalingen uit het Paspoortbesluit en het Besluit paspoortgelden over (de uitgifte van) de Nederlandse identiteitskaart (hierna: NIK) en de vervangende NIK. De geschrapte bepalingen zijn ondergebracht in het nieuwe Besluit Nederlandse identiteitskaart. Inhoudelijke wijzigingen ten opzichte van de huidige regelgeving zijn niet beoogd. Om de situatie zoals die gold onder de Paspoortwet voort te zetten bij regeling van de NIK bij en krachtens de Wet op de Nederlandse identiteitskaart, is verder nog een aantal extra aanpassingen nodig. Ook is een aantal onderwerpen in het Paspoortbesluit geregeld die eerder in de paspoortuitvoeringsregelingen1 waren opgenomen.

Het besluit sluit aan bij de Rijkswet tot wijziging van de Paspoortwet in verband met de ontvlechting van de Nederlandse identiteitskaart (Stb. 2026, 181); hierna: de rijkswet) en de daarmee samenhangende nieuwe Wet op de Nederlandse identiteitskaart. Voor de reden en aanleiding tot deze wijzigingen wordt verwezen naar de memorie van toelichting bij de genoemde rijkswet.2

2. Inhoud

Paspoortbesluit

De wijzigingen in het Paspoortbesluit zijn niet omvangrijk en hebben grotendeels hun grondslag in artikel I, onderdeel B, van de rijkswet (het vervallen van artikel 2, tweede lid, van de Paspoortwet), als gevolg waarvan de Paspoortwet niet langer van overeenkomstige toepassing is op de NIK en de vervangende NIK. Geschrapt zijn bepalingen over het opnemen van het burgerservicenummer op de NIK of vervangende NIK, over het publiek identificatiemiddel (dat op een NIK wordt geplaatst en niet op reisdocumenten), over de vaststelling van het Nederlanderschap van de aanvrager van de NIK of de vervangende NIK en de geldigheid van de NIK en de vervangende NIK. Bepalingen die ook niet meer nodig zijn, zijn de bepalingen over de bevoegdheden van de burgemeesters van bepaalde aangewezen gemeenten om aanvragen in ontvangst te nemen voor NIK’s of vervangende NIK’s of die documenten te verstrekken, voor zover het personen betreft die niet in de basisregistratie personen als ingezetene zijn ingeschreven en voor zover het gedetineerden betreft die verblijven in een penitentiaire inrichting in die aangewezen gemeente. Hetzelfde geldt voor de bepalingen over de bevoegdheden van de burgemeester van Haarlemmermeer voor het in ontvangst nemen van aanvragen voor NIK’s of de verstrekking ervan voor personen die in de basisadministratie van Aruba, Curaçao of Sint Maarten zijn ingeschreven respectievelijk tot verstrekking van NIK’s aan personen die in de basisadministratie van die drie landen zijn ingeschreven.

Naast het schrappen van bepalingen is in enkele artikelen voor voortzetting van de bestaande praktijk een expliciete verwijzing opgenomen naar NIK’s en/of de Wet op de Nederlandse identiteitskaart. Zie verder de toelichting bij artikel I, onderdelen E, F, L, N en O.

Ten slotte zijn in een gereserveerd hoofdstuk en gereserveerde paragraaf drie nieuwe artikelen opgenomen, waarvan de inhoud eerder was geregeld in de paspoortuitvoeringsregelingen. Dat is in lijn met de bij de totstandkoming van het Paspoortbesluit ingezette lijn om onderdelen van de vier paspoortuitvoeringsregelingen successievelijk op te nemen in het besluit, als deze zich qua onderwerp – er is bijvoorbeeld geen sprake van voorschriften van administratieve of gedetailleerde aard – meer lenen voor regeling op het niveau van een algemene maatregel van bestuur (hierna: amvb) dan in een ministeriële regeling. De meer concrete aanleiding voor deze aanpassing is

het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State over het niveau van regelgeving bij onderwerpen die raken aan de privacy (in het licht van artikel 10 van de Grondwet) bij het wetsvoorstel voor de nieuwe Wet op de Nederlandse identiteitskaart.3 In de memorie van toelichting bij dat wetsvoorstel is, in reactie op het advies, voor de NIK de overheveling van deze bepaling naar amvb-niveau ook aangekondigd4; het is logisch en wenselijk om hetzelfde te doen voor het Paspoortbesluit. Zie verder de toelichting bij artikel I, onderdelen J en K.

Besluit paspoortgelden

De tarieven uit het Besluit paspoortgelden zijn ondergebracht in het Besluit Nederlandse identiteitskaart. Het gaat om de tarieven voor de aan het rijk verschuldigde kosten voor een NIK en een vervangende NIK, de tarieven voor de van de aanvrager op grond van de toepasselijke gemeentelijke verordening of eilandsverordening ten hoogste te heffen rechten voor de NIK en de vervangende NIK en de tarieven voor de op grond van de toepasselijke gemeentelijke verordening ten hoogste te heffen rechten voor een aanvrager die niet als ingezetene in de basisregistratie personen is ingeschreven. De betreffende bepalingen zijn vervallen. Deze vervalbepalingen zijn gebaseerd op artikel I, onderdeel B, van de rijkswet (het vervallen van artikel 2, tweede lid, van de Paspoortwet), als gevolg waarvan de Paspoortwet niet langer van overeenkomstige toepassing is op de NIK en de vervangende NIK.

3. Privacyregelgeving

Dit besluit introduceert, net zo min als de rijkswet, geen nieuwe gegevensverwerkingen. De nieuwe situatie waarin de regelgeving over de NIK is ondergebracht in een afzonderlijke wet in plaats van in de Paspoortwet verschilt vanuit de verwerkingen bezien niet wezenlijk van de bestaande praktijk onder de Paspoortwet. Voor de volledigheid is in de memorie van toelichting bij het voorstel van rijkswet desondanks kort stilgestaan bij de privacyaspecten.5 Kortheidshalve wordt daarnaar verwezen.

4. Gevolgen

In de memorie van toelichting bij het voorstel van rijkswet is ingegaan op het feit dat de overheveling van de NIK van de Paspoortwet naar de nieuwe Wet op de Nederlandse identiteitskaart slechts zeer geringe gevolgen heeft qua regeldruk, verwachte neveneffecten van de regeling, financiën, ICT en bestuurlijke lasten.6

Kort gezegd komt het erop neer dat de gevolgen voor de lasten voor burgers, bedrijven en professionals geheel afwezig zullen zijn, aangezien er in het aanvraag- en uitgifteproces van de NIK voor burgers helemaal niets verandert als gevolg van de overheveling van de regeling van de uitgifte van de NIK naar een eigen wet.

Voor de overheid hebben de wijzigingen tot gevolg dat in de (ICT-) systemen en de registraties, waarin eerder verwezen werd naar de Paspoortwet (en onderliggende regelgeving), na de inwerkingtreding van de rijkswet en dit besluit ook naar de Wet op de Nederlandse identiteitskaart (en onderliggende regelgeving) wordt verwezen. Hetzelfde geldt voor verwijzingen naar de Paspoortwet (en onderliggende regelgeving) in diverse verstrekkingenbesluiten en diverse voor de uitvoering van de wet te gebruiken formulieren en de communicatie en online informatievoorziening van de Rijksdienst voor Identiteitsgegevens.

De wijzigingen in dit besluit geven geen extra of andere lasten dan die in die memorie van toelichting bij het voorstel van rijkswet al zijn beschreven.

5. Overgangsrecht en inwerkingtreding

De inwerkingtreding van dit besluit is gelijktijdig met de inwerkingtreding van de rijkswet, de daarbij bijbehorende Wet op de Nederlandse identiteitskaart, het Besluit Nederlandse identiteitskaart en de daarbij behorende gewijzigde en nieuwe uitvoeringsregelingen.

Wat betreft de overheveling van de tarieven uit het Besluit paspoortgelden naar nieuwe regelgeving onder de Wet op de Nederlandse identiteitskaart, is in artikel II van de rijkswet een voorziening getroffen om ervoor te zorgen dat belastingverordeningen van gemeenten en openbare lichamen voor de heffing van rechten voor de NIK en de vervangende NIK die berusten op de Paspoortwet, vanaf inwerkingtreding van de rijkswet berusten op de Wet op de Nederlandse identiteitskaart. Daarmee wordt voorkomen dat gemeenten en openbare lichamen reeds vastgestelde belastingverordeningen opnieuw zouden moeten vaststellen enkel en alleen vanwege de inwerkingtreding van de twee wetten. Omdat de tarieven voor de NIK en de vervangende NIK zonder aanpassingen zijn overgenomen in het nieuwe Besluit Nederlandse identiteitskaart, zullen de in de verordeningen vastgelegde rechten in overeenstemming blijven met de voor het lopende jaar vastgestelde maxima.

6. Advies en consultatie

Een ontwerp van dit besluit is voor advies voorgelegd aan de Nederlandse Vereniging voor Burgerzaken (NVVB), de Vereniging voor Nederlandse Gemeenten (VNG), de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) en het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR). Het ontwerpbesluit is ook voorgelegd aan de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, en aan de Caribische landen Aruba, Curaçao en Sint Maarten.

De NVVB kan zich vinden in het ontwerpbesluit, en heeft geen inhoudelijke opmerkingen bij dit ontwerpbesluit. Wel heeft de NVVB een vraag gesteld over artikel 4 van het nieuwe Besluit Nederlandse identiteitskaart dat is gebaseerd op artikel 2.1 van het Paspoortbesluit. Dat artikel betreft de wijze van vaststelling van de identiteit en het Nederlanderschap van een aanvrager van een paspoort. De NVVB vraagt om verduidelijking of hierbij ook een rijbewijs kan worden gebruikt. Voor zowel artikel 2.1 Paspoortbesluit als het nieuwe artikel 4 in het Besluit Nederlandse identiteitskaart geldt dat, indien aanwezig bij de betreffende autoriteit, een kopie van het rijbewijs kan worden gebruikt om de identiteit vast te stellen. Uit een ander document moet dan nog het Nederlanderschap blijken, omdat het rijbewijs hier geen bewijs van geeft. Indien twijfel bestaat over de identiteit of het Nederlanderschap, wordt daarnaar een gericht onderzoek ingesteld. Ook daarbij kan een rijbewijs worden gebruikt, zolang uit een ander document tevens het Nederlanderschap blijkt. Verder geeft de NVVB nog mee dat er goede en tijdige communicatie benodigd is richting gemeenten, omdat gemeenten hun eigen correspondentieformats en formulieren moeten doorlopen om benodigde verwijzingen naar het Paspoortbesluit aan te passen.

De VNG heeft de gevolgen van het besluit voor gemeenten nader getoetst en concludeert dat de impact voor gemeenten gering is. Voor gemeenten is het gevolg enkel dat eigen communicatie en eigen lokale regelgeving moet worden aangepast, voor zover die betrekking heeft op de NIK en verwijst naar het Paspoortbesluit of het Besluit paspoortgelden. Voortaan zal daarbij naar het nieuwe Besluit Nederlandse identiteitskaart moeten worden verwezen.

De AP heeft laten weten geen opmerkingen te hebben bij het ontwerpbesluit.

Het ATR heeft het dossier niet geselecteerd voor een formeel advies, omdat het naar verwachting geen omvangrijke gevolgen voor de regeldruk heeft.

Bonaire heeft laten weten geen opmerkingen te hebben bij het ontwerpbesluit. Van Sint Eustatius en Saba zijn geen reacties ontvangen.

Aruba heeft laten weten geen opmerkingen te hebben bij het ontwerpbesluit. Van Curaçao en Sint Maarten zijn geen reacties ontvangen.

Het ontwerpbesluit is ook openbaar in internetconsultatie geweest, tegelijk met het nieuwe besluit Nederlandse identiteitskaart. In de internetconsultatie is gevraagd wat men van beide ontwerpbesluiten vindt. De internetconsultatie heeft één reactie opgeleverd. Deze reactie betreft een suggestie voor een inhoudelijke toevoeging in het nieuwe besluit Nederlandse identiteitskaart, en wordt daarom in de nota van toelichting bij dat besluit nader toegelicht.

Artikelsgewijs

Artikel I

Onderdeel A

De begripsbepalingen voor «gedetineerde» en «penitentiaire inrichting» in artikel 1.1 van het Paspoortbesluit zijn niet langer nodig (zie verder de toelichting bij de onderdelen G en H) en zijn daarom vervallen.

Voor de leesbaarheid van artikel 6.1 is in artikel 1.1 van het Paspoortbesluit een begripsbepaling opgenomen voor het register paspoortsignaleringen (het register dat wordt bijgehouden op grond van artikel 25 van de Paspoortwet, hierna: RPS). Zie verder de toelichting bij artikel I, onderdeel J.

Onderdeel B

Artikel 1.4, eerste lid, bepaalde dat bij ministeriële regeling regels kunnen worden gesteld over het afzien van de gezichtsopname, vingerafdrukken of de handtekening. De regels hieromtrent zijn opgehoogd naar het Paspoortbesluit, waardoor deze delegatie niet meer noodzakelijk is. Zie verder de toelichting bij artikel I, onderdeel I.

Onderdeel C

Nu de regels over de (uitgifte van de) NIK niet meer zijn opgenomen in de Paspoortwet, is het ook niet meer nodig (en ontbreekt daartoe ook de grondslag) om in artikel 1.5 van het Paspoortbesluit te bepalen dat het burgerservicenummer op een NIK en vervangende NIK wordt vermeld (tenzij aan de houder geen burgerservicenummer is toegekend). Een met artikel 1.5 vergelijkbare bepaling is opgenomen in het Besluit Nederlandse identiteitskaart.

Onderdelen D en M

In artikel 1.6 van het Paspoortbesluit was ter uitwerking van artikel 3a van de Paspoortwet bepaald dat op de NIK (en dus niet op de vervangende NIK) het publiek identificatiemiddel wordt geplaatst en is ook vastgesteld welke gegevens het publiek identificatiemiddel (in de vorm van een applet op de chip op de NIK) bevat. Nu de regels rond (de uitgifte van) de NIK zijn ondergebracht in de Wet op de Nederlandse identiteitskaart, is de inhoud van artikel 1.6 overgebracht naar het Besluit Nederlandse identiteitskaart en dus vervallen in het Paspoortbesluit (onderdeel C). Hetzelfde geldt voor paragraaf 2 van hoofdstuk 8, waarin artikel 8.2 was opgenomen, dat gaat over de eisen ten aanzien van de vervaardiging van het publiek identificatiemiddel (onderdeel L).

Onderdeel E

In artikel 2.1, eerste lid, van het Paspoortbesluit is bepaald van welke documenten of gegevens gebruik wordt gemaakt om zekerheid te krijgen over de identiteit en het Nederlanderschap7 van de aanvrager van reisdocumenten. Daarbij wordt het door de aanvrager overlegde Nederlandse reisdocument genoemd. Het is in artikel 29 van de Paspoortwet steeds zo geweest dat de NIK of de vervangende NIK moeten worden overlegd bij de aanvraag van reisdocumenten en vice versa. Om dat in stand te houden nu hetgeen bij of krachtens de Paspoortwet is bepaald ten aanzien van reisdocumenten niet meer van overeenkomstige toepassing is op de NIK en de vervangende NIK (het vervallen van artikel 2, tweede lid, in artikel I, onderdeel B, van de rijkswet), is in artikel 29, eerste lid, van de Paspoortwet expliciet «Nederlandse identiteitskaarten» toegevoegd, zodat aan het begin van het aanvraagproces van reisdocumenten net als nu alle relevante documenten ter inzage worden overgelegd. Om diezelfde reden is in onderdeel D in het eerste lid van artikel 2.1 van het Paspoortbesluit expliciet «Nederlandse identiteitskaarten» toegevoegd. De definitie van «Nederlandse identiteitskaart» in artikel 1 van de Paspoortwet (artikel I, onderdeel A, van de rijkswet) omvat ook de vervangende NIK.

Verder is in het eerste lid verduidelijkt dat, net als toen de regelgeving over de NIK nog onder de Paspoortwet viel, onder de overige bij de tot uitreiking bevoegde autoriteit aanwezige documenten die kunnen worden onderzocht, in ieder geval worden verstaan documenten in verband met eerdere aanvragen van niet alleen reisdocumenten, maar ook NIK’s.

In het tweede lid van artikel 2.1 van het Paspoortbesluit is bepaald welke documenten worden gebruikt bij een gericht onderzoek, indien na toepassing van het eerste lid onzekerheid bestaat over de identiteit of het Nederlanderschap. Daartoe worden onder andere de reisdocumenten gebruikt die op naam van de aanvrager zijn gesteld. Daaronder vielen, gelet op artikel 2, tweede lid, van de Paspoortwet zoals dat luidde voor de inwerkingtreding van de rijkswet ook de NIK’s. Nu deze in de Wet op de Nederlandse identiteitskaart zijn ondergebracht en overigens met die nieuwe wet geen nieuwe praktijk is beoogd, is in het tweede lid expliciet toegevoegd dat het ook gaat om NIK’s die op naam van de aanvrager zijn gesteld.

Onderdeel F

In artikel 2.10 van het Paspoortbesluit is in het eerste lid expliciet toegevoegd dat ook een nooddocument kan worden verstrekt indien iemand niet in staat wordt geacht op tijd een geldige NIK te verkrijgen. Daarmee wordt de huidige situatie voortgezet dat de verkrijgbaarheid van zowel andere reisdocumenten als een NIK relevant is bij de beoordeling van het recht op een nooddocument.

Onderdeel G

Paragraaf 5 van hoofdstuk 2 van het Paspoortbesluit, met daarin artikel 2.16 over de vaststelling van het Nederlanderschap van de aanvrager van de NIK of de vervangende NIK en artikel 2.17 over de geldigheid van de NIK en de vervangende NIK, is niet meer nodig en de betreffende bepalingen zijn opgenomen in het nieuwe Besluit Nederlandse identiteitskaart.

Onderdelen H en J

In artikel 3.2, eerste lid, van het Paspoortbesluit was bepaald dat in bij ministeriële regeling aangewezen gemeenten de burgemeester tevens bevoegd is tot het in ontvangst nemen van aanvragen voor NIK’s en vervangende NIK’s voor zover het personen betreft die niet in de basisregistratie personen als ingezetene zijn ingeschreven en voor zover het gedetineerden betreft die verblijven in een penitentiaire inrichting in die aangewezen gemeente. In artikel 4.2, eerste lid, van het Paspoortbesluit was hetzelfde bepaald voor de bevoegdheid tot verstrekking. In de artikelen 3.2, tweede lid, en 4.2, tweede lid, van het Paspoortbesluit was bepaald dat de burgemeester van Haarlemmermeer bevoegd is tot het in ontvangst nemen van aanvragen voor NIK’s en vervangende NIK’s van personen die in de basisadministratie van Aruba, Curaçao of Sint Maarten zijn ingeschreven respectievelijk tot verstrekking van NIK’s en vervangende NIK’s aan personen die in de basisadministratie van die drie landen zijn ingeschreven. Deze bepalingen met betrekking tot de NIK horen niet meer thuis in het Paspoortbesluit en zijn opgenomen in het nieuwe Besluit Nederlandse identiteitskaart. Voor de artikelen 3.2 en 4.2 van het Paspoortbesluit zijn alleen de eerste leden, onderdelen a, voor zover betrekking hebbend op reisdocumenten, overgebleven. Voor de leesbaarheid zijn de artikelen opnieuw vastgesteld.

Onderdeel I

In de gereserveerde paragraaf 2 van hoofdstuk 3 over voorwaarden ten aanzien van de aanvraag

is een nieuw artikel 3.6 opgenomen. Artikel 3.6 van dit besluit is ontleend aan artikel 28a van de Paspoortuitvoeringsregeling Nederland 2001 (hierna: PUN) en de gelijkluidende artikelen 42a van de Paspoortuitvoeringsregeling Buitenland 2001 (hierna: PUB) en 40a van de Paspoortuitvoeringsregeling Caribische landen (hierna: PUCAR). In artikel 28a, vierde lid, van de PUN is geregeld dat geen vingerafdrukken worden opgenomen indien de aanvrager op het moment van de aanvraag jonger is dan twaalf jaar. In artikel 28a, vijfde lid, van de PUN is geregeld dat indien van de aanvrager geen vingerafdrukken worden opgenomen, in de aanvraag de reden daarvoor wordt vermeld. Zo geformuleerd lijkt dit enkel een administratieve bepaling, maar inhoudelijk volgt uit de bepaling feitelijk ook dat in bepaalde gevallen geheel kan worden afgezien van het opnemen van vingerafdrukken. Het regelen van de gevallen waarin kan worden afgezien van het opnemen van twee vingerafdrukken leent zich voor regeling in een amvb. Uit het vijfde lid van artikel 28a PUN valt in samenhang met het zesde lid af te leiden dat in het geheel van het nemen van vingerafdrukken wordt afgezien indien de daartoe aangewezen persoon van oordeel is dat het fysiek dan wel als gevolg van een tijdelijke verhindering onmogelijk is om van de aanvrager te verlangen dat bij hem op het moment van het indienen van de aanvraag überhaupt vingerafdrukken worden opgenomen. Uit artikel 28a, derde lid, van de PUN volgt dat indien van slechts één vinger de afdruk van voldoende kwaliteit kan worden opgenomen, uitsluitend de afdruk van die vinger wordt opgenomen. Ook dat is een bepaling waarin wordt afgezien van het opnemen van vingerafdrukken, nu op grond van artikel 3, tweede lid, van de wet de opname van twee vingerafdrukken is voorgeschreven. Gelet op het voorgaande is de formulering aangepast en zijn nu in artikel 3.6 van het Paspoortbesluit de gevallen omschreven waarin van het opnemen van vingerafdrukken overeenkomstig artikel 3, derde lid, van de wet (dus in samenhang met de uitwerking daarvan in de PUN) van een of meer vingerafdrukken wordt afgezien.

Het eerste, tweede en derde lid van artikel 28a van de PUN gaan gedetailleerd in op van welke vingers exact afdrukken worden gemaakt. Het vijfde lid bepaalt overigens nog dat bij gerede twijfel of het fysiek dan wel als gevolg van een tijdelijke verhindering onmogelijk is om twee vingerafdrukken op te nemen, van de aanvrager kan worden verlangd, dat deze daartoe een door een bevoegde arts of medische instelling ondertekende verklaring overlegt. Deze regels zijn, net als het al genoemde zesde lid over het vermelden in de aanvraag dat geen vingerafdrukken worden opgenomen, te gedetailleerd of administratief van aard, zodat zij geregeld blijven in de uitvoeringsregelingen. In verband met het regelen van de eventueel te overleggen verklaring is daarom in artikel 10.1, onderdeel c, een verwijzing naar het nieuwe artikel 3.6 opgenomen.

Het nieuwe artikel 3.7 van dit besluit is gebaseerd op artikel 3, derde lid, van de wet en is ontleend aan artikel 29 van de PUN en de gelijkluidende artikelen 43 van de PUB, 41 van de Paspoortuitvoeringsregeling Caribische landen en 18 van de Paspoortuitvoeringsregeling Koninklijke Marechaussee 2001. In artikel 29 van de PUN is geregeld dat indien de persoon aan wie het aangevraagde reisdocument moet worden verstrekt door leeftijd of een handicap niet in staat is zijn handtekening te plaatsen, daarvan melding wordt gemaakt in de aanvraag. Zo geformuleerd lijkt het enkel een administratieve bepaling, maar inhoudelijk volgt uit de bepaling feitelijk ook dat in bepaalde gevallen kan worden afgezien van het opnemen van een handtekening. Dat is relevant voor de aanvrager en leent zich daarom voor regeling in een amvb. De formulering is daarom aangepast en nu omschreven als gevallen waarin van het opnemen van een handtekening kan worden afgezien. Dat van het afzien ook een vermelding wordt gedaan in de aanvraag blijft, net als bij de vermelding van het afzien van het opnemen van vingerafdrukken, op grond van artikel 10.1, onderdeel b, van het Paspoortbesluit geregeld in de uitvoeringsregelingen.

Onderdeel K

In het gereserveerde hoofdstuk 6 van het Paspoortbesluit over het verval van rechtswege van reisdocumenten is een nieuw artikel 6.1 opgenomen. De inhoud van het nieuwe artikel 6.1, eerste, tweede en derde lid, van het Paspoortbesluit is overgenomen van artikel 65, eerste en tweede lid, van de PUN, artikel 76, eerste en tweede lid, van de PUB en artikel 75, eerste en tweede lid, van de PUCAR. In dit artikel wordt bepaald welke autoriteiten in welke gevallen bepaalde gegevens moeten melden aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties of de Gouverneur in verband met vermelding in het RPS van de houder van een van rechtswege vervallen reisdocument of Nederlandse identiteitskaart. Deze bepaling is bepalend voor het al dan niet opnemen van iemand in het RPS en leent zich daarom beter voor regeling in een amvb dan in een ministeriële regeling.

De vermelding in het RPS in deze gevallen hangt samen met de inleverplicht die is geregeld in artikel 56 van de Paspoortwet en artikel 38 van de Wet op de Nederlandse identiteitskaart. Op grond van dit laatstgenoemde artikel is de Gouverneur van Aruba, Curaçao of Sint Maarten8, net als eerder onder de Paspoortwet, één van de op grond van artikel 50b van de Paspoortwet tot inhouding bevoegde autoriteiten waar de houder met een inleverplicht het document kan inleveren. Om die reden zijn de regels die hieromtrent eerder in artikel 75, eerste en tweede lid, van de PUCAR golden voor de Gouverneurs9 ten aanzien van NIK’s, opgenomen in het tweede lid van artikel 6.1 van dit het Paspoortbesluit. Opname in een apart lid bleek wenselijk omwille van de leesbaarheid en de duidelijkheid.

Welke gegevens in deze gevallen worden geregistreerd in het RPS is overigens bepaald in artikel 25, derde lid, van de Paspoortwet, en voor de NIK in artikel 30, tweede lid, van de Wet op de Nederlandse identiteitskaart.

Artikel 6.1, vierde lid, van het Paspoortbesluit biedt de grondslag om bij ministeriële regeling administratieve regels te stellen over de wijze waarop de betreffende mededeling moet worden gedaan, zoals dat was gedaan in artikel 65, derde lid, van de PUN, artikel 76, derde lid, van de PUB en artikel 75, derde lid, van de PUCAR (vaststelling van een te gebruiken formulier).

Overigens is er bewust voor gekozen om artikel 65, vierde tot en met zesde lid, van de PUN (en daarmee vergelijkbare bepalingen in bijvoorbeeld de PUB) niet op vergelijkbare wijze als artikel 65, eerste tot en met derde lid, van de PUN, op te nemen in het Paspoortbesluit. Die artikelleden hebben betrekking op het register vermiste of vervallen reisdocumenten en dat register zal binnen afzienbare tijd (naar verwachting halverwege 2025) komen te vervallen. Die bepalingen zijn dan dus niet meer nodig. Zie verder de toelichting bij artikel I, onderdeel D, van de rijkswet.10

Onderdeel L

In artikel 7.1, eerste lid, onderdeel a, van het Paspoortbesluit is expliciet toegevoegd dat een reisdocument (onder andere) definitief aan het verkeer wordt onttrokken indien het daartoe, al dan niet bij de uitreiking van een vervangende NIK, is ingeleverd. Eerder werd alleen gesproken over «al dan niet bij de uitreiking van een nieuw reisdocument», waaronder op grond van artikel 2, tweede lid, van de Paspoortwet, ook een Nederlandse identiteitskaart of vervangende Nederlandse identiteitskaart viel. Op grond van artikel 20, tweede lid, van de Wet op de Nederlandse identiteitskaart, moet een aanvrager van een vervangende NIK bij uitreiking daarvan in beginsel alle reisdocumenten die op zijn naam zijn gesteld inleveren. Om die reden is in artikel 7.1, eerste lid, onder a, van het Paspoortbesluit alleen de vervangende NIK toegevoegd en niet de NIK.

De achtergrond van het bovenstaande is dat het wél is toegestaan om naast een reisdocument een NIK te hebben, maar niet een vervangende NIK. Een vervangende NIK wordt immers uitgereikt aan iemand aan wie op grond van artikel 3 van de Tijdelijke wet bestuurlijke maatregelen terrorismebestrijding een verbod is opgelegd om het Schengengebied te verlaten, in welk geval op dat moment geldende reisdocumenten en NIK van rechtswege vervallen (artikel 47, eerste lid, onderdeel i, van de Paspoortwet en artikel 30, eerste lid, onderdeel g, van de Wet op de Nederlandse identiteitskaart). Dat was al zo voordat de regelgeving rond de uitgifte van de NIK over ging naar de Wet op de Nederlandse identiteitskaart en is zo gebleven. Zie voor meer informatie de memories van toelichting bij het voorstel van rijkswet11 en bij het voorstel van wet voor de Wet op de Nederlandse identiteitskaart.12 Tevens is van de gelegenheid gebruik gemaakt om de foutieve aanduiding van Onze Minister van Buitenlandse Zaken in artikel 7.1, eerste lid, onderdeel d, onder 2°, van het besluit te herstellen.

Verder is een nieuw vierde lid ingevoegd in artikel 7.1 van het Paspoortbesluit, dat verband houdt met het feit dat op grond van de gewijzigde Paspoortwet (artikel 57, tweede lid, van de Paspoortwet) de bevoegdheid van de Gouverneur om een NIK definitief aan het verkeer te onttrekken voortaan expliciet is geregeld in de Paspoortwet. Om die reden wordt deze bestaande bevoegdheid ook in het Paspoortbesluit expliciet geregeld, zodat de bevoegdheid blijft bestaan. De bevoegdheid voor de Gouverneur in het vierde lid is een aanvulling op de bevoegdheden die hij op grond van het eerste lid heeft voor het definitief aan het verkeer onttrekken van reisdocumenten. De Gouverneur kan een NIK onder zich hebben onder meer omdat deze op grond van artikel 38 van de Wet op de Nederlandse identiteitskaart bij hem is ingeleverd, bijvoorbeeld omdat deze van rechtswege is vervallen. De gronden om een NIK definitief aan het verkeer te onttrekken zijn grotendeels dezelfde als die voor reisdocumenten in het eerste lid. Enige verschil is dat het vervallen verklaren van de NIK (vergelijk artikel 7.1, eerste lid, onderdeel b) geen grond is om een NIK definitief aan het verkeer te onttrekken, omdat een NIK nooit vervallen kan worden verklaard. Wat betreft de grond in het vierde lid, onderdeel a, wordt opgemerkt dat alleen een vervangende NIK moet worden ingeleverd bij de uitreiking van een nieuw reisdocument (artikel 32, eerste lid, onderdeel b, van de Paspoortwet).

Onderdeel N

In artikel 8.4 van het Paspoortbesluit is, ter uitwerking van artikel 4e, derde lid, in samenhang met het eerste lid, onderdeel a, van de Paspoortwet, de verstrekking geregeld uit het basisregister reisdocumenten aan de autoriteiten die bevoegd zijn tot het in ontvangst nemen van aanvragen voor reisdocumenten, het uitreiken daarvan en het inhouden. Alle in het basisregister opgenomen gegevens kunnen worden verstrekt ten behoeve van het in ontvangst nemen van aanvragen en het uitreiken, verstrekken, weigeren, wijzigen, vervallen verklaren, inhouden, dan wel definitief aan het verkeer onttrekken van reisdocumenten. Onder de Paspoortwet zoals die luidde voor de inwerkingtreding van de rijkswet vielen onder reisdocumenten ook de NIK en de vervangende NIK. Nu de NIK en de vervangende NIK in een eigen wet zijn ondergebracht en de bestaande uitvoeringspraktijk in stand moet blijven, is artikel 4e, eerste lid, van de Paspoortwet aangevuld met een nieuw onderdeel b, waarin hetzelfde is geregeld als in onderdeel a, maar dan met betrekking tot de NIK. In samenhang daarmee is ook de delegatiegrondslag in artikel 4e, derde lid, van de Paspoortwet aangepast. Ter uitwerking van die wijzigingen is artikel 8.4 van het Paspoortbesluit in die zin aangevuld dat de autoriteiten die bevoegd zijn tot het in ontvangst nemen van aanvragen voor de (vervangende) NIK, het verstrekken van de NIK en het inhouden daarvan, expliciet worden genoemd met verwijzing naar de Wet op de Nederlandse identiteitskaart. Hetzelfde geldt voor de taken waarvoor verstrekt mag worden.

Overigens werd in artikel 8.4 van het Paspoortbesluit verwezen naar de artikelen 26, 40 en 51 van de Paspoortwet om de autoriteiten aan te duiden aan wie gegevens kunnen worden verstrekt. Artikel 8.4 van het Paspoortbesluit is de uitwerking van artikel 4e, derde lid, in samenhang met het eerste lid, onderdeel a, van de Paspoortwet en bepaalt nader welke gegevens uit het basisregister reisdocumenten worden verstrekt aan de autoriteiten die belast zijn met het in ontvangst nemen van aanvragen en het uitreiken, verstrekken, weigeren, wijzigen, vervallen verklaren, inhouden, dan wel definitief aan het verkeer onttrekken van documenten als bedoeld in artikel 2 van de Paspoortwet. De verwijzing naar de artikelen 26, 40 en 51 van de Paspoortwet om deze autoriteiten aan te duiden blijkt niet helemaal juist en volledig. Ten eerste is artikel 42 van de Paspoortwet toegevoegd, waarin de autoriteiten worden genoemd die bevoegd zijn tot uitreiking van reisdocumenten. Ten tweede is de onjuiste verwijzing naar artikel 51 van de Paspoortwet, waarin een specifieke inhoudingsbevoegdheid van de Minister van Buitenlandse Zaken wordt genoemd, vervangen door een correcte verwijzing naar artikel 50b van de Paspoortwet, waarin de autoriteiten worden genoemd die bevoegd zijn tot het inhouden van reisdocumenten. Voor de duidelijkheid is ook het opschrift van het artikel, dat zich beperkte tot de tot uitreiking bevoegde autoriteiten, aangepast.

Onderdeel O

In artikel 8.5 van het Paspoortbesluit is invulling gegeven aan artikel 4d, vierde lid, van de Paspoortwet. Zo is nader bepaald welke gegevens van reisdocumenten in het basisregister reisdocumenten worden bijgehouden, zijn de bewaartermijnen van gegevens bepaald, is vastgelegd dat vernietiging van gegevens zo spoedig mogelijk dient te geschieden en is bepaald dat gegevens van aanvragen die niet hebben geleid tot de verstrekking van een reisdocument tot vijf jaar na de ontvangst van de aanvraag worden bewaard. Nu de gegevens over de NIK geregistreerd blijven in het basisregister reisdocumenten13 en de regelgeving over (de uitgifte van) de NIK in de Wet op de Nederlandse identiteitskaart zijn ondergebracht, is het noodzakelijk om in artikel 8.5 van het Paspoortbesluit, daar waar gesproken wordt over «reisdocumenten» ook expliciet te verwijzen naar de NIK als bedoeld in de Wet op de Nederlandse identiteitskaart.

Onderdeel P

Als gevolg van de rijkswet is artikel 2, derde lid, van de Paspoortwet vernummerd tot artikel 2, tweede lid. Derhalve is de verwijzing naar artikel 2, derde lid, van de Paspoortwet in artikel 10.1, onderdeel b, van het Paspoortbesluit dienovereenkomstig aangepast.

Verder is de verwijzing naar artikel 2.16 in artikel 10.1, onderdeel c, van het Paspoortbesluit vervallen, omdat artikel 2.16 van het Paspoortbesluit is vervallen (artikel I, onderdeel F).

Ten slotte is in artikel 10.1, onderdeel c, van het Paspoortbesluit ook het nieuwe artikel 3.6 opgenomen. Zie verder de toelichting bij artikel I, onderdeel H.

Artikel II

De tarieven voor de aan het rijk verschuldigde kosten voor een NIK en een vervangende NIK (artikel 6, eerste lid, onderdelen c en d, van het Besluit paspoortgelden), voor de van de aanvrager op grond van de toepasselijke gemeentelijke verordening of eilandsverordening ten hoogste te heffen rechten voor de NIK en de vervangende NIK (artikel 6, tweede lid, onderdelen c en d, van het Besluit paspoortgelden) en voor de op grond van de toepasselijke gemeentelijke verordening ten hoogste te heffen rechten voor een aanvrager die niet als ingezetene in de basisregistratie personen is ingeschreven (artikel 6, derde lid, onderdelen c en d, van het Besluit paspoortgelden) zullen voortaan worden vastgesteld op grond van de nieuwe Wet op de Nederlandse identiteitskaart. De betreffende onderdelen van het Besluit paspoortgelden zijn daarom vervallen (artikel II, onderdeel C). Hetzelfde geldt voor de tarieven voor de rechten die ten bate van het Rijk van een aanvrager buiten het Koninkrijk kunnen worden geheven voor de NIK en de vervangende NIK (artikel 12, tweede lid, onderdelen c en d, van het Besluit paspoortgelden; artikel II, onderdeel D, onder 1).

In verband met de wijzigingen in artikel 6, eerste lid, van het Besluit paspoortgelden worden ook de verwijzingen naar dat artikelonderdeel in de artikelen 2 en 2a van het Besluit paspoortgelden aangepast (artikel II, onderdelen A en B).

Ten slotte is de verwijzing naar artikel 26, vierde lid, van de Paspoortwet in artikel 12, tweede lid, onderdeel f (het eerdere onderdeel h) vervallen, omdat dat artikellid in de Paspoortwet is vervallen (artikel II, onderdeel D, onder 2). Tevens is van de gelegenheid gebruik gemaakt om de foutieve aanduiding van Onze Minister van Buitenlandse Zaken in artikel 12, tweede lid, onderdeel f (het eerdere onderdeel h) te herstellen.

Artikel III

Op grond van artikel 64, derde lid, aanhef en onderdeel b, van het Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap gold dat de in dat lid genoemde en bedoelde autoriteiten bevorderen dat de Nederlandse reisdocumenten die waren uitgereikt aan de personen die door of als gevolg van de afstand van het Nederlanderschap hebben verloren, overeenkomstig de Paspoortwet worden ingenomen. Gelet op het doel van artikel 64 van het Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap, namelijk het op snelle en juiste wijze administratief verwerken van de gevolgen van het verlies van het Nederlanderschap wegens het afleggen van de verklaring van afstand,14 en het feit dat verlies van het Nederlanderschap op grond van artikel 47, eerste lid, onderdeel a, in samenhang met artikel 2, tweede lid, van de Paspoortwet een grond was voor het van rechtswege vervallen van reisdocumenten en NIK’s en vervangende NIK’s, kan worden aangenomen dat artikel 64, derde lid, onderdeel b, naast reisdocumenten ook van toepassing was op NIK’s en vervangende NIK’s. De regels rond de NIK zijn nu ondergebracht in de Wet op de Nederlandse identiteitskaart en het van rechtswege vervallen van die documenten bij verlies van het Nederlanderschap is nu geregeld in artikel 30, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de Nederlandse identiteitskaart. Om die reden is artikel 64, derde lid, onderdeel b, van het Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap aangevuld met het expliciet noemen van de NIK en vervangende NIK en een verwijzing naar de Wet op de Nederlandse identiteitskaart voor de regels die gelden voor inname van die documenten bij het verlies van het Nederlanderschap (zie met name artikel 37 van die wet).

Artikel 70, tweede lid, onderdeel b, van het Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap regelt eenzelfde verplichting als die in artikel 64, derde lid, onderdeel b, van het Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap voor die gevallen waarin de Minister van Justitie en Veiligheid in zijn hoedanigheid van minister van het Koninkrijk een besluit heeft genomen tot intrekking van het Nederlanderschap. Ook daar is onderdeel b aangevuld met het expliciet noemen van de NIK en vervangende NIK en een verwijzing naar de Wet op de Nederlandse identiteitskaart voor de regels die gelden voor inname van die documenten bij het verlies van het Nederlanderschap.

Artikel IV

Artikel IV laat de samenloopbepaling uit het Besluit van 15 november 2016, houdende wijziging van het Besluit paspoortgelden in verband met de aanpassing van de tarieven per 1 januari 2017 (Stb. 2016, 449) vervallen die het Besluit Paspoortgelden wijzigt op het moment dat de horizonbepaling van de Tijdelijke wet bestuurlijke maatregelen terrorismebestrijding in werking treedt, en de inwerkingtreding daarvan. De samenloopbepaling haalde de bepalingen over de vervangende NIK uit het Besluit Paspoortgelden. Die bepalingen zijn reeds door dit besluit uit het Besluit Paspoortgelden weggehaald en overgeheveld naar het Besluit Nederlandse identiteitskaart. Daardoor is de oude samenloopbepaling niet langer noodzakelijk.

Artikel V

Artikel V regelt dat de in het besluit opgenomen wijzigingen gelijktijdig in werking treden met de rijkswet.

De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, E. van der Burg


X Noot
1

Paspoortuitvoeringsregeling Nederland 2001, Paspoortuitvoeringsregeling Buitenland 2001, Paspoortuitvoeringsregeling Caribische landen en de Paspoortuitvoeringsregeling Koninklijke Marechaussee 2001.

X Noot
2

Kamerstukken II 2024/25, 36 643 (R2202), nr. 3, p. 1–3.

X Noot
3

Kamerstukken II 2024/25, 36 644, nr. 4.

X Noot
4

Kamerstukken II 2024/25, 36 644, nr. 3, p. 30, 42 en 43.

X Noot
5

Kamerstukken II 2024/25, 36 643 (R2202), nr. 3, p. 8–9.

X Noot
6

Kamerstukken II 2024/25, 36 643 (R2202), nr. 3, p.9–10.

X Noot
7

Of van zijn behandeling als Nederlander, indien het een persoon betreft op wie de Wet betreffende de positie van Molukkers van toepassing is.

X Noot
8

En, voor zover het personen betreft die in de bevolkingsadministratie van Aruba, Curaçao of Sint Maarten zijn opgenomen, de door de Gouverneur na overleg met Onze Minister daartoe aangewezen autoriteiten.

X Noot
9

En, voor zover het personen betreft die in de bevolkingsadministratie van Aruba, Curaçao of Sint Maarten zijn opgenomen, de door de Gouverneurs na overleg met Onze Minister daartoe aangewezen autoriteiten.

X Noot
10

Kamerstukken II 2024/25, 36 643 (R2202), nr. 3, p. 14.

X Noot
11

Toelichting bij artikel I, onderdelen O, P en W, in de memorie van toelichting bij de rijkswet, Kamerstukken II 2024/25, 36 643 (R2202), nr. 3, p. 19–20.

X Noot
12

Toelichting bij artikel 20 van het wetsvoorstel in de memorie van toelichting, Kamerstukken II 2024/25 36 644, nr. 3, p. 39.

X Noot
13

Artikel 4d, eerste lid, van de Paspoortwet.

X Noot
14

Zie de toelichting bij artikel 64 in de Nota van toelichting bij het Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap (Stb. 2002, 231).

Naar boven